Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)

Type Wet
Publication 2026-02-21
State In force
Source BWB
artikelen 516
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, van deze wet hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het vierde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad.

Artikel 6.39a. Giften aan culturele instellingen

1.

Het bedrag van giften aan culturele instellingen wordt voor de bepaling van het voor de toepassing van deze afdeling in aanmerking te nemen bedrag verhoogd met 25%, doch ten hoogste met € 1250.

2.

Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt de verhoging van 25% toegepast op het gezamenlijke bedrag aan giften aan culturele instellingen, waarbij de verhoging voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op ten hoogste € 1.250 wordt gesteld.

3.

Het in artikel 6.39, eerste en tweede lid, bedoelde maximum wordt verhoogd met het bedrag waarmee het bedrag van giften als bedoeld in artikel 6.35 ingevolge het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, wordt verhoogd.

Afdeling 6.7. Scholingsuitgaven

Artikel 6.40. Tijdstip aftrek

1.

Voorzover in deze wet niet anders is bepaald, komen uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn:

  • a. betaald;
  • b. verrekend;
  • c. ter beschikking gesteld of
  • d. rentedragend geworden.
2.

Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing met betrekking tot aftrekbare giften.

Hoofdstuk 7. Belastingheffing van buitenlandse belastingplichtigen

Afdeling 6.4. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen

Artikel 7.1. Nederlands inkomen

Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten:

  • a. belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland;
  • b. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en
  • c. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland.

Afdeling 6.8. Uitgaven voor monumentenpanden

Artikel 7.2. Belastbaar inkomen uit werk en woning

1.

Het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland is het inkomen uit werk en woning in Nederland verminderd met de verliezen uit werk en woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3.

2.

Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:

  • a. de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst, bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in Nederland (Nederlandse onderneming);
  • b. het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid;
  • c. het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland;
  • d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen of voortkomen uit pensioenregelingen voorzover de daarvoor betaalde premies ten laste van de belastbare winst van een Nederlandse onderneming zijn gebracht, waarbij met het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen op grond van artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, of artikel 3.136, dan wel in de periode van buitenlandse belastingplicht, geen rekening wordt gehouden;
  • e. de rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijke aard van of namens een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon;
  • f. de belastbare inkomsten uit eigen woning in Nederland, verminderd met de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld;
  • g. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, en
  • h. de negatieve persoonsgebonden aftrek.
3.

Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden de werkzaamheden in Nederland verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep door een inwoner van een niet-verdragsland die ingevolge een overeenkomst van korte duur als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent, steeds aangemerkt als een vaste inrichting in Nederland. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, is artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, niet van toepassing en wordt onder werkzaamheid in Nederland mede verstaan het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92 aan het in Nederland gevestigde deel van een onderneming, werkzaamheid of vennootschap alsmede het houden van aandelen, vorderingen of rechten als bedoeld in artikel 3.92b of het hebben van schulden als bedoeld in artikel 3.92b indien de voordelen die daarmee worden behaald naar moet worden aangenomen mede een beloning beogen te zijn voor werkzaamheden verricht in Nederland.

Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt onder het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid niet begrepen het verrichten of hebben verricht van arbeid als zodanig door een artiest of sportbeoefenaar die inwoner is van een verdragsland en niet in dienstbetrekking staat tot een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, worden onder werkzaamheden in Nederland niet begrepen de werkzaamheden als zodanig van een artiest of sportbeoefenaar die inwoner is van een verdragsland. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een verdragsland verstaan een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten alsmede Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de BES eilanden, en onder een niet-verdragsland alle overige landen.

4.

Indien de berekening van het inkomen uit werk en woning in Nederland leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als een verlies uit werk en woning in Nederland. De verrekening van dit verlies vindt plaats overeenkomstig de regels van afdeling 3.13.

5.

Verliezen uit werk en woning zijn de verliezen uit werk en woning die betrekking hebben op jaren waarin de buitenlandse belastingplichtige binnenlands belastingplichtig was en de verliezen uit werk en woning in Nederland.

6.

In Nederland gelegen onroerende zaken, daaronder begrepen rechten die samenhangen met de exploratie en exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen waaronder ook wordt gerekend de opwekking van energie uit het water, de stromen en de winden, of rechten waaraan deze zijn onderworpen, die tot het vermogen van een onderneming behoren, behoren tot het vermogen van een Nederlandse onderneming.

7.

De gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking voor een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt geacht geheel in Nederland te zijn vervuld. De eerste volzin vindt geen toepassing voorzover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland of verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege een andere mogendheid of door de rijksoverheid op de BES eilanden wordt geheven. De eerste volzin vindt evenmin toepassing indien de dienstbetrekking nagenoeg geheel buiten Nederland wordt vervuld en het loon is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door een andere mogendheid wordt geheven en het loon niet op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht in feite slechts in Nederland aan een belasting naar het inkomen is onderworpen. De dienstbetrekking bij een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon dan wel de dienstbetrekking waarbij in het kader van een uitzending op het grondgebied van een andere mogendheid werkzaamheden zijn of worden verricht op grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, wordt steeds geacht in Nederland te zijn vervuld. Tenzij de eerste zin toepassing vindt, wordt een geheel of gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking geacht in Nederland te zijn vervuld voor zover het heffingsrecht over het loon ter zake van die dienstbetrekking op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht aan Nederland is toegewezen.

  • a. Tot belastbaar loon wordt gerekend de waarde in het economisch verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling indien de verplichtingen volgens de pensioenregeling waarop die aanspraken berusten geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b en d van de Wet op de loonbelasting 1964. Tot de waarde in het economische verkeer wordt niet gerekend het met pensioenpremies behaalde rendement over een periode waarin de belastingplichtige geen binnenlands belastingplichtige is geweest.
  • b. Indien onderdeel a toepassing vindt met betrekking tot de waarde van aanspraken die eerder op grond van:
  • 1°. onderdeel a in het Nederlandse inkomen uit werk en woning is begrepen, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, dat inkomen met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering;
  • 2°. artikel 3.83 in het belastbare inkomen uit werk en woning is begrepen, wordt, voorzover de belasting ter zake van die aanspraken is voldaan, dat inkomen met die waarde van de aanspraken verlaagd en de eerder opgelegde conserverende aanslag door de inspecteur verminderd bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.
  • c. Indien artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden wordt het belastbaar loon verminderd met de waarde van de aanspraken die zijn gerekend tot het loon met toepassing van artikel 3.83 dan wel met toepassing van onderdeel a, voorzover de belasting ter zake van de waarde van die aanspraken is voldaan.
  • d. Op verzoek van de belastingplichtige wordt, indien de waarde van aanspraken op grond van onderdeel a is begrepen in het Nederlandse inkomen uit werk en woning van een vorig kalenderjaar, en
  • 2°. de verplichtingen waarop de aanspraken berusten geheel zijn ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b of d, van de Wet op de loonbelasting 1964, het Nederlandse inkomen uit werk en woning van dat vorige kalenderjaar met die waarde van de aanspraken verlaagd. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.
  • e. De waarde van de opgebouwde aanspraken wordt verminderd met de waarde van de aanspraken die niet ten laste zijn gekomen van Nederlands belastbaar inkomen uit werk en woning.
9.

Het bedrag van de belastbare periodieke uitkeringen uit een aanspraak wordt verminderd met de ter zake van die aanspraak in aanmerking genomen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen voorzover de belasting die is verschuldigd over die negatieve uitgaven is voldaan.

10.

Bij een aanspraak op periodieke uitkeringen vindt artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h en j, alleen toepassing indien door de buitenlandse belastingplichtige in het kalenderjaar ter zake van de aanspraak premie is voldaan die als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking is genomen. De vorige volzin geldt bij onderdeel h niet voor het jaar van de in dat onderdeel bedoelde overgang van de lijfrenteverplichtingen.

11.

Het bij een buitenlandse belastingplichtige op grond van artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, in aanmerking te nemen bedrag aan negatieve uitgaven wordt in de bij ministeriële regeling te bepalen gevallen en onder de in die regeling te stellen voorwaarden, verminderd met de negatieve uitgaven die bij hem ter zake van dezelfde aanspraken op grond van artikel 3.136 in aanmerking zijn genomen.

12.

Voorzover bij een buitenlandse belastingplichtige de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die op grond van artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, in aanmerking worden genomen, eveneens zijn begrepen in het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van een vorig kalenderjaar, wordt, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland van dat vorig kalenderjaar met die daarin begrepen negatieve uitgaven verlaagd. De verlaging vindt plaats door vermindering van de aanslag over dat jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.

13.

Voor de toepassing van het tweede lid wordt een niet in Nederland wonende natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een buitenlands gezelschap als bedoeld in artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964, geacht een evenredig deel, gerelateerd aan het aantal leden van het gezelschap, te hebben genoten van de door het gezelschap voor het optreden of de sportbeoefening ontvangen gage, bedoeld in artikel 35g van de Wet op de loonbelasting 1964, behoudens voorzover hij aannemelijk maakt dat hij een ander deel van de gage heeft genoten.

14.

Tot het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid worden gerekend:

  • 1°. uitkeringen op grond van artikel 14 of 15 van het Besluit van het Europees Parlement nr. 2005/684/EG, Euratom, van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PbEU L 262/I), aan een in Nederland gekozen lid of voormalig lid van het Europees Parlement;
  • 2°. uitkeringen op grond van artikel 17 van het onder 1° bedoelde Besluit aan de echtgenoot of partner van een in Nederland gekozen lid of voormalig lid van het Europees Parlement;
  • 3°. uitkeringen op grond van artikel 17 van het onder 1° bedoelde Besluit aan de ten laste van een in Nederland gekozen lid of voormalig lid van het Europees Parlement komende kinderen.
15.

Tot het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland worden gerekend uitkeringen op grond van de artikelen 9 en 13 van het in het veertiende lid bedoelde Besluit aan een in Nederland gekozen lid of voormalig lid van het Europees Parlement.

16.

De in het achtste lid, onderdelen b, c en e, bedoelde verlaging vindt mede plaats met de aanspraken en bijdragen, bedoeld in artikel 3.136, derde en vierde lid.

17.

De functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam wordt:

  • a. voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, steeds geacht te zijn vervuld met behulp van een vaste inrichting in Nederland;
  • b. voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b en c, steeds geacht te zijn vervuld in Nederland.
18.

Indien bij een buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, derde zin, een heffingskorting afhankelijk is van zijn arbeidsinkomen of van dat van zijn partner, wordt voor de bepaling hiervan uitgegaan van het volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen berekende arbeidsinkomen.

19.

Tot een Nederlandse onderneming worden gerekend stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten in een lichaam als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 die worden gehouden door een natuurlijk persoon die woonachtig is in een staat die dat lichaam niet als een belastingplichtige voor een naar de winst geheven belasting beschouwt, indien die natuurlijk persoon ten aanzien van deze stemrechten, kapitaalbelangen of winstrechten zonder toepassing van artikel 2, derde lid, van die wet en artikel 2.14bis, derde lid, belastbare winst uit Nederlandse onderneming als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, zou hebben genoten.

20.

Indien een onderneming door een buitenlandse belastingplichtige met toepassing van artikel 3.65, eerste lid, wordt omgezet in de vorm van een door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming, wordt in afwijking van artikel 3.65, eerste lid, voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, onder de belastbare winst uit Nederlandse onderneming mede begrepen de waarde in het economische verkeer van de omgezette onderneming op het tijdstip van die omzetting, verminderd met de boekwaarde van die onderneming op dat tijdstip van omzetting, alsmede verminderd met de positieve voordelen dan wel vermeerderd met de negatieve voordelen die, zonder de toepassing van artikel 3.65, eerste lid, zouden zijn vrijgesteld door de toepassing van de artikelen 3.11 of 3.12.

Artikel 7.3. Vrijstelling internationaal verkeer

Tot het drijven van een Nederlandse onderneming behoort niet het vervoer te water of door de lucht van personen en zaken tussen plaatsen buiten Nederland en plaatsen in Nederland, en tussen plaatsen buiten Nederland onderling (vervoer in het internationaal verkeer), tenzij de leiding van de onderneming in Nederland is gevestigd.

Artikel 7.4. Werkzaamheden buitengaats

Werkzaamheden die in het kader van een onderneming worden verricht gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 30 dagen in, op of boven het Noordzeewinningsgebied, vormen een Nederlandse onderneming. Het Noordzeewinningsgebied bestaat uit de territoriale zee van Nederland alsmede het buiten de territoriale zee onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voorzover het Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het internationale recht rechten mag uitoefenen.

Afdeling 6.8. Uitgaven voor monumentenpanden

Artikel 7.5. Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

1.

Het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap is het inkomen uit een niet tot het vermogen van een onderneming behorend aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap, verminderd met de verliezen uit aanmerkelijk belang, berekend volgens de regels van hoofdstuk 4, met uitzondering van de in artikel 4.12 genoemde persoonsgebonden aftrek. Voor de beoordeling van de vraag of er een aanmerkelijk belang is, is artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, niet van toepassing. Voor de toepassing van de eerste volzin is afdeling 4.2 van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien de berekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als een verlies uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. De verrekening van dit verlies vindt plaats overeenkomstig de regels van afdeling 4.10.

3.

Verliezen uit aanmerkelijk belang zijn de verliezen uit aanmerkelijk belang die betrekking hebben op jaren waarin de buitenlandse belastingplichtige binnenlands belastingplichtig was en de verliezen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap.

4.

Artikel 4.41, eerste lid, is niet van toepassing indien de vennootschap die de aandelen of winstbewijzen verwerft niet in Nederland is gevestigd.

5.

Artikel 4.41, tweede en derde lid, is niet van toepassing indien en voorzover de verkrijgende vennootschap niet in Nederland is gevestigd.

6.

Behoudens voor de toepassing van het vierde en vijfde lid, wordt een lichaam dat ten minste vijf jaar in Nederland gevestigd is geweest, na verplaatsing van de werkelijke leiding van het lichaam uit Nederland nog geacht in Nederland te zijn gevestigd zolang een belastingaanslag ter zake van te conserveren inkomen uit een aanmerkelijk belang in dat lichaam, niet volledig is voldaan.

7.

Een verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap uit Nederland is een vervreemding van het aanmerkelijk belang.

8.

Artikel 4.14a, vijfde lid, is niet van toepassing, indien de belastingplichtige door een vervreemding als bedoeld in het zevende lid niet langer een aanmerkelijk belang heeft.

Artikel 7.6. Verkrijgingsprijs aanmerkelijk belang

1.

Als verkrijgingsprijs van aandelen en winstbewijzen die tot een aanmerkelijk belang behoren, geldt de waarde in het economische verkeer op het tijdstip waarop de binnenlandse belastingplicht in Nederland is geëindigd, indien bij de beëindiging van de binnenlandse belastingplicht van de belastingplichtige vervreemdingsvoordelen in aanmerking zijn genomen.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing na een vervreemding als bedoeld in artikel 7.5, zevende lid.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs indien de artikelen 25 of 26 van de Invorderingswet 1990 zijn toegepast.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen die zijn verkregen van een natuurlijk persoon bij wie ter zake van die vervreemding te conserveren inkomen is genoten, indien de artikelen 25 of 26 van de Invorderingswet 1990 zijn toegepast.

Afdeling 7.1. Nederlands inkomen

Artikel 7.7. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

1.

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland is het voordeel dat een belastingplichtige geniet uit sparen en beleggen in Nederland, berekend volgens de regels van hoofdstuk 5, met uitzondering van de in artikel 5.1 genoemde persoonsgebonden aftrek. Het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland wordt gesteld op het met overeenkomstige toepassing van de regels van hoofdstuk 5 bepaalde rendement van de rendementsgrondslag in Nederland.

2.

De rendementsgrondslag in Nederland is de waarde van de bezittingen in Nederland verminderd met de waarde van de schulden in verband met die bezittingen in Nederland. Bezittingen in Nederland zijn:

  • a. in Nederland gelegen onroerende zaken;
  • b. rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken en
  • c. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, voorzover zij niet voortspruiten uit effectenbezit of uit dienstbetrekking en zij niet op grond van de afdelingen 7.2 of 7.3 zijn belast.
3.

Onder in Nederland gelegen onroerende zaken worden begrepen rechten die samenhangen met de exploratie of de exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen.

4.

Indien de belastingplichtige ten aanzien van een of meer bezittingen bij het begin van het kalenderjaar nog geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland geniet, of indien de belastingplichtige ten aanzien van een of meer bezittingen gedurende het kalenderjaar anders dan door overlijden ophoudt belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland te genieten, wordt eveneens uitgegaan van de rendementsgrondslag in Nederland aan het begin van het kalenderjaar maar wordt het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland ten aanzien van die bezittingen naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd.

5.

Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het met overeenkomstige toepassing van afdeling 5.6 berekende werkelijke rendement van de bezittingen in Nederland en van de schulden in verband met die bezittingen in Nederland per saldo lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen in Nederland, wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland in afwijking van het eerste lid gesteld op het werkelijke rendement van die bezittingen en schulden.

Afdeling 7.2. Belastbaar inkomen uit werk en woning

Hoofdstuk 8. Heffingskorting

Afdeling 6.10. Tijdstip aftrek

Artikel 8.1. Definities

1.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. belastingtarief eerste schijf: het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen percentage;
  • b. gecombineerde inkomensheffing: het gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, van de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning, de belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en de volgens artikel 10 van de Wet financiering sociale verzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen;
  • c. gecombineerd heffingspercentage: de som van het belastingtarief eerste schijf en de op grond van artikel 11 van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentages voor de algemene ouderdomsverzekering, de nabestaandenverzekering en de verzekering langdurige zorg;
  • d. gecombineerde heffingskorting: het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering, de heffingskorting voor de nabestaandenverzekering en de heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg;
  • e. arbeidsinkomen: het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden.
2.

Tot het arbeidsinkomen wordt tevens gerekend:

  • a. loon genoten wegens tijdelijke inactiviteit als bedoeld in artikel 628 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen, voor een tijdvak van maximaal 104 weken;
  • c. loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen en uitkeringen ingevolge de Ziektewet, voor zover die betrekking hebben op de periode waarin de dienstbetrekking in de zin van die wet nog niet is beëindigd of voor zover die voortvloeien uit een vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 64 van die wet;
  • d. uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.

Artikel 8.2. Bedrag van de standaardheffingskorting

De standaardheffingskorting is het gezamenlijke bedrag van:

  • c. vervallen;
  • d. vervallen;
  • f. vervallen;
  • g. vervallen;
  • h. vervallen;

Artikel 8.3. Berekening heffingskorting voor de inkomstenbelasting

De heffingskorting voor de inkomstenbelasting is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het belastingtarief eerste schijf staat tot het gecombineerde heffingspercentage.

Artikel 8.4. Berekening heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering

De heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering staat tot het gecombineerde heffingspercentage.

Artikel 8.5. Berekening heffingskorting voor de nabestaandenverzekering

De heffingskorting voor de nabestaandenverzekering is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de nabestaandenverzekering staat tot het gecombineerde heffingspercentage.

Artikel 8.6. Berekening heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg

De heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg is het deel van de standaardheffingskorting dat tot de standaardheffingskorting in dezelfde verhouding staat als het volgens artikel 11, derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de verzekering langdurige zorg staat tot het gecombineerde heffingspercentage.

Artikel 8.7. Bijzondere regels voor de berekening van de heffingskortingen

Bij de toepassing van artikel 8.3, artikel 8.5 en artikel 8.6 op het deel van de standaardheffingskorting dat op de ouderenkorting, de alleenstaande ouderenkorting, of de korting voor groene beleggingen betrekking heeft, wordt het gecombineerde heffingspercentageverminderd met het volgens artikel 11, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage. In dat geval wordt het aan de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering toerekenbare deel van de ouderenkorting, de alleenstaande ouderenkorting en de korting voor groene beleggingen in afwijking van artikel 8.4 op nihil gesteld.

Artikel 8.8. Maximum gecombineerde heffingskorting

De gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing.

Artikel 8.9. Verhoging maximum gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner

1.

Indien ten aanzien van de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1963 de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 wordt beperkt tot een bedrag beneden het bedrag van de voor de belastingplichtige geldende algemene heffingskorting (toetsniveau) wordt, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting daarna verhoogd tot het toetsniveau. De verhoging bedraagt echter maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.

2.

De verhoging van de gecombineerde heffingskorting wordt verlaagd met het bedrag van de belastingvermindering volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting.

3.

De belastingplichtige die uitsluitend door zijn overlijden in het kalenderjaar of het overlijden van zijn partner niet voldoet aan de voorwaarde van het eerste lid inzake het gedurende meer dan zes maanden hebben van dezelfde partner in het kalenderjaar wordt, voor de toepassing van dit artikel, geacht meer dan zes maanden dezelfde partner te hebben gehad.

Artikel 8.9a. Bijzondere verhoging heffingskorting voor de inkomstenbelasting voor niet-premieplichtigen

1.

De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting geldt voor de belastingplichtige die recht heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9, maar die deze verhoging als niet-premieplichtige niet volledig kan effectueren.

2.

De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is gelijk aan de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, voorzover de belastingplichtige daarop als niet-premieplichtige geen recht heeft, maar hij daarop wel recht zou hebben indien hij premieplichtig in Nederland zou zijn.

3.

De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is echter niet hoger dan het gezamenlijke bedrag van de belasting na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en de premie voor de volksverzekeringen die zijn partner is verschuldigd over het belastbare inkomen uit werk en woning, verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.

Afdeling 6.9. Aftrekbare giften

Artikel 8.10. Algemene heffingskorting

1.

De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige.

2.

De algemene heffingskorting bedraagt € 3.115, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,398% van het gedeelte van het verzamelinkomen dat meer bedraagt dan € 29.736.

Artikel 8.11. Arbeidskorting

1.

De arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet.

2.

De arbeidskorting bedraagt:

  • a. 8,324% van het arbeidsinkomen met een maximum van € 996, vermeerderd met:
  • b. 31,009% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 11.965, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 5.300, alsmede vermeerderd met:
  • c. 1,950% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 25.845, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 5.685, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met:
  • d. 6,51% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 45.592.

Ingeval het arbeidsinkomen niet meer bedraagt dan € 45.592, bedraagt de arbeidskorting ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting ter zake van het loon dat wordt belast volgens de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van die wet, maar maximaal het in de eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag.

Artikel 8.12. Werkbonus

Vervallen

Artikel 8.13. Aanvullende kinderkorting

Vervallen

Artikel 8.14. Combinatiekorting

Vervallen

Artikel 8.14a. Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien:

  • a. hij een arbeidsinkomen heeft dat meer bedraagt dan € 6.239;
  • b. in het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden een kind dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt tot hetzelfde huishouden als de belastingplichtige behoort; en
  • c. hij in het kalenderjaar geen partner heeft, dan wel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar een lager arbeidsinkomen heeft dan zijn partner.

Indien een kind gedurende het kalenderjaar in de huishoudens van diens beide ouders verblijft (co-ouderschap), wordt het kind voor de toepassing van onderdeel b geacht ten minste zes maanden tot de huishoudens van diens beide ouders te behoren indien hij ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft. In het jaar van aanvang of beëindiging van co-ouderschap wordt het aantal dagen, genoemd in de tweede zin, naar tijdsgelang herrekend indien ten minste zes maanden sprake is van co-ouderschap.

2.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt 11,45% van het arbeidsinkomen, voor zover dat bij de belastingplichtige meer beloopt dan € 6.239, doch niet meer dan € 3.032.

3.

Indien het arbeidsinkomen van de belastingplichtige in het kalenderjaar gelijk is aan dat van zijn partner, geldt de inkomensafhankelijke combinatiekorting alleen voor de oudste belastingplichtige.

4.

Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in dat lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt met een partner gelijkgesteld:

  • b. degene die ten minste zes maanden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige verblijft en uitsluitend door het ontbreken van een inschrijving op dit woonadres in de basisregistratie personen niet als partner in de zin van artikel 1.2 wordt aangemerkt.

Artikel 8.14b. Ouderschapsverlofkorting

Vervallen

Artikel 8.15. Alleenstaande-ouderkorting

Vervallen

Artikel 8.16. Aanvullende alleenstaande-ouderkorting

Vervallen

Artikel 8.16a. Jonggehandicaptenkorting

1.

De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt.

2.

De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 923.

Artikel 8.17. Ouderenkorting

1.

De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.

2.

De ouderenkorting bedraagt € 2.067, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 15% van het verzamelinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 46.002.

Artikel 8.18. Alleenstaande ouderenkorting

1.

De alleenstaande ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet.

2.

De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 540.

Artikel 8.18a. Levensloopverlofkorting

Vervallen

Artikel 8.19. Korting voor groene beleggingen

1.

De korting voor groene beleggingen geldt voor de belastingplichtige van wie groene beleggingen zijn vrijgesteld op grond van artikel 5.13. Voor de belastingplichtige en zijn partner bij wie ingevolge artikel 5.13 een gezamenlijke vrijstelling voor groene beleggingen in aanmerking is genomen, geldt de korting voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk.

2.

De korting voor groene beleggingen bedraagt 0,1% van het bedrag dat ingevolge artikel 5.13 op de peildatum is vrijgesteld.

Artikel 8.20. Korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen

Vervallen

Artikel 8.21. Toetrederskorting

Vervallen

Artikel 8.22. Toeslag voor MKB-beleggingen

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2011/873..

1.

De toeslag voor MKB-beleggingen (heffingstoeslag) geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar aandelen vervreemdt ter zake waarvan hij in het kalenderjaar of in een van de drie voorafgaande kalenderjaren de korting voor MKB-beleggingen, bedoeld in artikel 8.21, heeft genoten. De toeslag bedraagt 7,5% van de waarde in het economische verkeer van de vervreemde aandelen dan wel, wanneer dat meer is, een bedrag gelijk aan de eerder ter zake van die aandelen genoten korting voor MKB-beleggingen.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vervreemding mede verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4.16. Een aandelenfusie als bedoeld in artikel 3.55 wordt niet als een vervreemding aangemerkt. Bij ministeriële regeling kunnen ook andere situaties worden aangegeven die niet als een vervreemding worden aangemerkt.

Hoofdstuk 9. Wijze van heffing

Afdeling 7.3. Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Artikel 9.1. Heffing bij wege van aanslag of conserverende aanslag

1.

De belasting, bedoeld in de artikelen 2.7 en 2.8, wordt geheven bij wege van aanslag.

2.

De belasting, bedoeld in artikel 2.9, wordt geheven bij wege van conserverende aanslag.

3.

Indien de belastingplichtige ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen geschiedt de heffing van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen door middel van één belastingaanslag en voorzover de heffing plaatsvindt bij wege van conserverende aanslag, door middel van één conserverende belastingaanslag. Hierbij zijn de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing. In dat geval wordt, indien artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing vindt, die bepaling eenmaal toegepast.

Artikel 9.2. Voorheffingen

1.

De voorheffingen zijn:

  • a. de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting;
  • b. de geheven dividendbelasting;
  • c. de op prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen;
  • d. de op grond van artikel 12 van het Besluit van het Europees Parlement nr. 2005/684/EG, Euratom, van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PbEU 2005, L 262), geheven gemeenschapsbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen voor zover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag aan Nederland is toegewezen.
2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt dividendbelasting slechts als voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. De belastingplichtige maakt aannemelijk dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengst, met dien verstande dat de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt indien de geheven dividendbelasting in het kalenderjaar € 1.000 of minder bedraagt. Voor de toepassing van de eerste en tweede zin wordt in ieder geval niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij:

  • a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan een natuurlijk persoon die of lichaam dat in mindere mate gerechtigd is tot vermindering, teruggaaf of verrekening van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en
  • b. deze natuurlijk persoon of dat lichaam een positie in aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.
3.

Voor de toepassing van het tweede lid:

  • b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen;
  • c. behoren tot een samenstel van transacties ook transacties die rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn aangegaan door:
  • 1°. een lichaam waarin de belastingplichtige, al dan niet tezamen met zijn partner, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;
  • 2°. de partner van de belastingplichtige of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige, waarbij een partner van een kind wordt gelijkgesteld met een bloed- of aanverwant.
4.

In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de dividendbelasting is ingehouden op de opbrengst die deel uitmaakt van een lijfrenterekening als bedoeld in artikel 3.126a of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a.

5.

Ten aanzien van een belastingplichtige die deel uitmaakt van een buitenlands gezelschap als bedoeld in artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt ook als voorheffing aangemerkt een evenredig deel van de loonbelasting die is geheven over de door het gezelschap ontvangen gage, bedoeld in artikel 35g van die wet, welk evenredig deel is gerelateerd aan het aan hem toegerekende deel van de door het gezelschap ontvangen gage.

6.

Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, wordt ook als voorheffing aangemerkt de bij wijze van inhouding geheven premie voor de volksverzekeringen met uitzondering van de bij wijze van eindheffing geheven premie voor de volksverzekeringen.

7.

De ingevolge dit artikel in aanmerking te nemen voorheffingen gelden niet als voorheffing voor de bij wege van conserverende aanslag te heffen belasting.

8.

Voor buitenlandse belastingplichtigen wordt, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, als voorheffing aangewezen de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen.

9.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de berekening van:

  • a. de in België verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid die ingevolge artikel 27 van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II, (Trb. 2001, 136) worden aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting;
  • b. de in Duitsland verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid die ingevolge artikel XII van het Protocol bij het op 12 april 2012 te Berlijn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 2012, 123) worden aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting.

Artikel 9.3. Voorlopige teruggaaf

Vervallen

Artikel 9.4. Wel of geen aanslag

1.

Een aanslag wordt vastgesteld indien:

  • a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven (voorheffingssaldo), met meer dan € 58 te boven gaat;
  • b. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan;
  • c. de rendementsgrondslag van de belastingplichtige aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 38.479 of, ingeval hij het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, de gezamenlijke rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 76.958; of
  • d. de belastingplichtige of, ingeval hij het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, zijn partner aan het begin van het kalenderjaar groene beleggingen bezit die door de toepassing van artikel 5.13 niet tot de rendementsgrondslag behoren.
2.

In andere gevallen wordt geen aanslag vastgesteld en worden voorheffingen niet verrekend.

3.

Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing:

4.

Het derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien een voorlopige teruggaaf is vastgesteld waarbij ook rekening is gehouden met negatieve bestanddelen van het belastbare inkomen, dan wel waarbij geheel of gedeeltelijk ten onrechte of tot een hoger bedrag dan in artikel 8.9, eerste lid, tweede volzin, is aangeduid, een verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 in aanmerking is genomen. In het laatste geval hoeft de belastingplichtige geen aangifte te doen indien de onjuiste verhoging blijkt bij de aangifte van de partner.

5.

In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 18 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven niet verrekend.

6.

Indien een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven.

7.

Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen.

Afdeling 7.4. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Artikel 9.5. Bijzondere regels voor voorlopige aanslagen

1.

Een voorlopige aanslag wordt door de inspecteur op verzoek herzien voor zover die voorlopige aanslag op een ander bedrag is vastgesteld dan het bedrag waarop de aanslag, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, vermoedelijk zal worden vastgesteld.

2.

Ingeval een verzoek om herziening geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking, waarbij de termijn voor het instellen van bezwaar eindigt op de dag van de dagtekening van de aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval een verzoek tot het opleggen van een voorlopige aanslag wordt afgewezen.

3.

In afwijking van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is een voorlopige aanslag niet voor bezwaar vatbaar.

4.

In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de inspecteur binnen zes weken na ontvangst van een bezwaarschrift als bedoeld in het tweede lid.

5.

De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van de voorlopige aanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit artikel het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18, en de belastingrente en de revisierente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geacht worden onderdeel uit te maken van de voorlopige aanslag. De termijn, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ter zake van de beschikking belastingrente ten minste zes weken na de dag van dagtekening van de gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om herziening, met dien verstande dat een verzoek om herziening kan worden ingediend tot zes weken na de dag van dagtekening van de aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend.

Artikel 9.6. Bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen

1.

Een ambtshalve vermindering van een belastingaanslag geschiedt uitsluitend op de voet van dit artikel.

2.

In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd.

3.

Niettegenstaande het bepaalde krachtens het tweede lid wordt de aanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld door de inspecteur ambtshalve verminderd indien een verzoek daartoe is ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is niet van toepassing.

4.

Indien gegevens worden verstrekt nadat de aanslag is vastgesteld en die gegevensverstrekking uitsluitend op dezelfde wijze plaatsvindt als naar aanleiding van een uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die gegevensverstrekking aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering voor zover die gegevensverstrekking strekt tot een vermindering van de aanslag.

5.

Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking.

6.

Voor de toepassing van dit artikel en voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep ten aanzien van de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in het vijfde lid, wordt een voor bezwaar vatbare beschikking waarvan het bedrag op het aanslagbiljet van de belastingaanslag is vermeld of ingevolge het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift behoort te worden vermeld geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag.

Hoofdstuk 8. Heffingskorting

Afdeling 8.1. Aansluiting belasting- en premieheffing

Artikel 10.1. Inflatiecorrectie

1.

Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 2.10a, 2.12, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.47, 3.77, 3.87, 3.125, 3.126a, 3.127, tweede lid, 3.129, 3.133, 4.17a, 5.3, 5.5, 5.10,5.13, 6.17, vierde lid, 6.20, 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a, 8.14a, 8.16a, 8.17, 8.18, 9.4, 9.4a en 10.7 vermelde bedragen, het in artikel 8.10, tweede lid, eerstvermelde bedrag, het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.

2.

In afwijking in zoverre van het eerste lid, tweede volzin, wordt het bedrag dat is vermeld in de eerste regel van de tweede kolom en in de tweede regel van de eerste kolom van de tabel in artikel 2.10, eerste lid, berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de uitkomst van de formule: 1 + (75% x (tabelcorrectiefactor – 1)).

Artikel 10.2. De tabelcorrectiefactor

1.

De tabelcorrectiefactor is de verhouding van het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de achttiende tot en met de zevende aan het kalenderjaar voorafgaande maand, tot het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de dertigste tot en met de negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand.

2.

De prijsindexcijfers zijn de cijfers uit de «Consumentenprijsindex Alle Huishoudens, afgeleid» van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De gemiddelde prijsindexcijfers worden berekend uit de prijsindexcijfers vermeld in het nummer van het Statistisch Bulletin, waarin het indexcijfer van de zevende respectievelijk negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand voor het eerst, al dan niet voorlopig, wordt gepubliceerd.

3.

Indien de basis voor de prijsindexcijfers wijzigt, wordt bij ministeriële regeling aangegeven op welke wijze wordt overgegaan op de nieuwe reeks prijsindexcijfers.

Artikel 10.2a. Jaarlijkse aanpassing correctie tarief grondslagverminderende posten

Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 2.10, tweede lid, en artikel 2.10a, tweede lid, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op het verschil tussen de in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als derde en tweede vermelde percentages.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)