Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Type Circulaire
Publication 2026-08-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-14
State In force
Source BWB
artikelen 31
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De ophoudingstermijn van artikel 50 of 50a Vw vangt aan bij de aankomst van de staandegehouden persoon op de plaats bestemd voor verhoor. Bij het overbrengen van de staande gehouden persoon telt de tijd van overbrenging naar de plaats bestemd voor verhoor niet mee.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon op de hoogte stellen van alle volgende rechten:

De vreemdeling kan tevens opgehouden worden op grond van artikel 50 Vw, indien dit noodzakelijk is voor de toepassing van artikel 7 van de Screeningsverordening.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de gegevens in de BVV en EES raadplegen om te beoordelen of een terugkeerbesluit moet worden genomen (model M107-A) tegen een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft.

De leeftijdsindicatie bestaat uit twee sessies die de volgende samenstelling hebben:

Er moet unaniem, in beide sessies, geoordeeld zijn dat sprake is van evidente meerder- of minderjarigheid.

Als de betrokken ambtenaren tot evidente meerderjarigheid concluderen, wordt niet van de door de vreemdeling opgegeven leeftijd uitgegaan en wordt de vreemdeling als meerderjarig geregistreerd, tenzij de vreemdeling de minderjarige leeftijd alsnog met voldoende bewijsmiddelen ondersteunt. Als de ambtenaren tot evidente minderjarigheid concluderen, wordt van de opgegeven leeftijd uitgegaan.

De ambtenaren belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zorgen ervoor dat de conclusie van de leeftijdsindicatie wordt opgenomen in het dossier van de vreemdeling.

Bij de beoordeling worden alle volgende aspecten van de vreemdeling betrokken:

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen met toestemming van de bewoner een woning binnentreedt, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het verloop van het binnentreden van de woning vastleggen in een proces-verbaal.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon op de hoogte stellen dat:

Als de opgehouden persoon aangeeft zich bij het verhoor te willen laten staan door een raadsman, moet de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen tenminste één van de volgende personen inlichten:

De raadsman mag de opgehouden persoon spreken als het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus van de opgehouden persoon niet wordt vertraagd.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag de opgehouden persoon vorderen om in ieder geval gegevens te verstrekken over zijn:

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen:

De niet beëdigde tolk moet:

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verhoort de opgehouden persoon over zijn levensloop, woonplaatsen, bezochte onderwijsinstellingen en dergelijke om de identiteit, nationaliteit en de verblijfsstatus van de opgehouden persoon te kunnen vaststellen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag de opgehouden persoon vorderen om in ieder geval gegevens te verstrekken over zijn:

Deze vordering moet door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen in de vreemdelingenadministratie worden geregistreerd.

Ook als de opgehouden persoon een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd indient of heeft ingediend, kan de ophouding onder omstandigheden worden verlengd. Daarbij is de stand van zaken van de procedure van belang. Deze ambtenaar kan de ophouding onder meer verlengen als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen of dat rechtmatig verblijf wordt onthouden op grond van artikel 3.1 Vb. Deze ambtenaar treedt hierover, voor zover nodig, in contact met de IND. Immers, deze ambtenaar kan het nodig achten met de IND te overleggen over de stand van die procedure.

De verlenging van de ophouding, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, eerste zin, Vw, is mogelijk, als het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van de opgehouden persoon nog niet is afgerond. Het verlengen van de ophouding als bedoeld in artikel 50a, eerste lid, Vw is niet mogelijk.

Op het moment van de verlenging van de termijn van ophouding, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, Vw moet duidelijk zijn, welk onderzoek naar het rechtmatig verblijf nog moet plaatsvinden en waarom dit onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden.

Een reden dat het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van de opgehouden persoon nog niet is afgerond, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat een (relatief) grote groep vreemdelingen is staandegehouden, waardoor capaciteitsproblemen zijn ontstaan en niet alle noodzakelijke onderzoekshandelingen binnen de oorspronkelijke ophoudingstermijn kunnen worden verricht.

Als de verlenging van de ophouding een Britse onderdaan betreft, moet de Korpschef of de Commandant der KMar op basis van een tussen Nederland en Groot-Brittannië gesloten overeenkomst de betrokken Britse consul informeren over de verlenging van de ophouding, met het oog op het verlenen van diplomatieke of consulaire bijstand. Ook als de Britse onderdaan niet heeft verzocht de Britse consul te informeren over de verlenging van zijn ophouding, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de Britse consul informeren over de verlenging van de ophouding van de Britse onderdaan.

De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV moet bij de verlenging van de ophouding van de persoon in ieder geval de volgende handelingen verrichten:

Bij de verlenging van de ophouding van de persoon hoeft de ambtenaar als bedoeld in artikel 5.1 VV de opgehouden persoon niet te horen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet in ieder geval aantekeningen in het geldig document voor grensoverschrijding van een vreemdeling doorhalen ingeval:

Als de Korpschef of de Commandant der KMar tot verlenging van de ophouding van de persoon beslist, moet de Korpschef of de Commandant der KMar alle volgende instanties of personen informeren over de verlenging van de ophouding van de persoon:

De Korpschef of de Commandant der KMar moet de persoon de gelegenheid bieden de echtgeno(o)t(e) of levenspartner telefonisch in te lichten over zijn vrijheidsontneming. Als de kennisgeving moet worden gedaan aan een persoon buiten Nederland gebeurt dit op de snelst mogelijke manier.

Als de verlenging van de ophouding een Britse onderdaan betreft, moet de Korpschef of de Commandant der KMar op basis van een tussen Nederland en Groot-Brittannië gesloten overeenkomst de betrokken Britse consul informeren over de verlenging van de ophouding, met het oog op het verlenen van diplomatieke of consulaire bijstand. Ook als de Britse onderdaan niet heeft verzocht de Britse consul te informeren over de verlenging van zijn ophouding, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de Britse consul informeren over de verlenging van de ophouding van de Britse onderdaan.

Bij de ontheffing van de meldplicht gelden voor de Korpschef de volgende instructies.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag in alle volgende bewijsmiddelen geen aantekeningen maken:

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet in ieder geval aantekeningen in het geldig document voor grensoverschrijding van een vreemdeling doorhalen ingeval:

Als de sticker of de aantekeningen niet in een geldig document voor grensoverschrijding zijn aangebracht maar op een afzonderlijk inlegblad zijn aangebracht, dan moet de ambtenaar belast met grensbewaking het inlegvel van de vreemdeling innemen.

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen op grond van artikel 52, eerste lid Vw, het geldige document voor grensoverschrijding of een identiteitspapier van een persoon inneemt, moet de ambtenaar belast met grensbewaking alle volgende handelingen verrichten:

Als een bewoner van een woning toestemming heeft gegeven voor het binnentreden van de woning door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, heeft de bewoner het recht om op elk moment deze toestemming in te trekken. Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen niet in het bezit is van een schriftelijke machtiging voor het binnentreden van de woning, mag deze ambtenaar de woning niet tegen de wil van de bewoner betreden.

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen met toestemming van de bewoner een woning binnentreedt, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het verloop van het binnentreden van de woning vastleggen in een proces-verbaal.

Personen die aan een vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 4.40 Vb, verblijf voor de nacht verschaffen, moeten daarvan mededeling doen aan de Korpschef van de gemeente van het nachtverblijf of de Commandant der KMar. De manier waarop deze mededeling wordt gedaan is vormvrij.

De IND heeft de bevoegdheid schriftelijk een bijzondere aanwijzing aan de Korpschef of de Commandant der KMar te geven over het verstrekken van gegevens van een vreemdeling door een werkgever op grond van artikel 4.41 Vb. De Korpschef of de Commandant der KMar moet een vordering aan de werkgever van de vreemdeling tot het verstrekken van gegevens van de vreemdeling overhandigen of per aangetekende brief verzenden aan de werkgever.

In ieder geval de volgende vreemdelingen hebben de plicht een gezichtsopname en vingerafdrukken te laten afnemen door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen:

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet voor het afnemen van vingerafdrukken alle handelingen verrichten, als vermeld in paragraaf A2/3 Vc.

De Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar het bedrijf van de werkgever is gevestigd, doet de vordering tot het verstrekken van gegevens over vreemdelingen die bij de werkgever in dienst zijn of in dienst zijn geweest. De Korpschef of Commandant der KMar moet overleg voeren en gegevens van deze vreemdelingen uitwisselen met de Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar de vreemdelingen woonachtig zijn.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag een vreemdeling die beschikt over een verblijfsdocument niet verplichten informatie zoals bedoeld in artikel 4.38 Vb te verstrekken. Alleen in het geval er gerechtvaardigde aanleiding is te veronderstellen dat de vreemdeling voorschriften op het gebied van toezicht op vreemdelingen niet is nagekomen en/of niet (meer) voldoet aan de beperking die aan de verblijfsvergunning is verbonden, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de vreemdeling daarover ondervragen.

Personen die aan een vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 4.40 Vb, verblijf voor de nacht verschaffen, moeten daarvan mededeling doen aan de Korpschef van de gemeente van het nachtverblijf of de Commandant der KMar. De manier waarop deze mededeling wordt gedaan is vormvrij.

De IND heeft de bevoegdheid schriftelijk een bijzondere aanwijzing aan de Korpschef of de Commandant der KMar te geven over het verstrekken van gegevens van een vreemdeling door een werkgever op grond van artikel 4.41 Vb. De Korpschef of de Commandant der KMar moet een vordering aan de werkgever van de vreemdeling tot het verstrekken van gegevens van de vreemdeling overhandigen of per aangetekende brief verzenden aan de werkgever.

De Korpschef of de Commandant der KMar moet in de vordering aan de werkgever alle volgende onderdelen vermelden:

De werkgever moet op vordering tot het verstrekken van gegevens, de Korpschef of de Commandant der KMar in ieder geval de volgende gegevens verstrekken:

De Korpschef verleent aan een vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend uitsluitend in de volgende situaties ontheffing van de meldplicht:

De afgifte van documenten ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus als bedoeld in artikel 4.21 Vb (zowel ingeval van vervanging als van vernieuwing), gebeurt door de IND.

De Korpschef of de Commandant der KMar informeert de vreemdeling die kenbaar heeft gemaakt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel te willen indienen of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend, dat op hem, in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag, een meldplicht bij de Korpschef rust (zie artikel 54, eerste lid, onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb). De vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt of heeft ingediend, wordt een meldplicht kenbaar gemaakt door gebruik te maken van het model M117-A. Het model M117-A dient ook als proces-verbaal van uitreiking van de meldplicht aan de vreemdeling.

De Korpschef of de Commandant der KMar:

Bij de ontheffing van de meldplicht gelden voor de Korpschef de volgende instructies.

De Korpschef verleent in ieder geval in de volgende situaties geen (of niet langer) ontheffing van de meldplicht aan de vreemdeling:

Aan de vreemdeling op wie een vertrekplicht rust en die in ieder geval aan alle volgende voorwaarden voldoet kan, voorafgaand aan terugkeer, een borgsom worden opgelegd door de DTenV:

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft bij het verzoek tot signalering aan de IND ten minste één van de volgende redenen voor signalering aan:

Voor iedere meldplicht geldt: De Korpschef vordert de vreemdeling aan wie een periodieke meldplicht is opgelegd en die zich twee achtereenvolgende keren niet heeft gehouden aan de periodieke meldplicht, om in persoon gegevens te verstrekken over de onttrekking aan de periodieke meldplicht. Als de vreemdeling niet reageert, mag de Korpschef concluderen dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten of zich definitief aan het toezicht heeft onttrokken en meldt de vreemdeling af in de vreemdelingenadministratie.

Voor vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, laat de Korpschef een adrescontrole door de politie uitvoeren. De politie moet het daadwerkelijke vertrek van de vreemdeling vaststellen. De Korpschef mag concluderen dat de vreemdeling definitief is vertrokken als dat onomstotelijk vast is komen te staan. De Korpschef moet de IND en DTenV over het (veronderstelde) vertrek van een vreemdeling informeren door middel van een verwijzing in BVV.

Als het bewijsmiddel waaruit het rechtmatig verblijf blijkt van een vreemdeling wordt vermist, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, moet de vreemdeling hiervan aangifte doen bij de Korpschef. De Korpschef zendt een afschrift van het proces-verbaal van de aangifte aan de IND. De IND draagt zorg dat het nummer van het betreffende bewijsmiddel wordt opgenomen in het Verificatie- en Informatiesysteem van DLOS en de IND signaleert het bewijsmiddel in het (N)SIS voor de duur van tien jaar.

Aan de vreemdeling op wie een vertrekplicht rust en die in ieder geval aan alle volgende voorwaarden voldoet kan, voorafgaand aan terugkeer, een borgsom worden opgelegd door DTenV:

Het opleggen van de borgsom kan worden gecombineerd met andere toezichtsmaatregelen. Het terugkeercontract bevat in ieder geval een termijn van in beginsel 28 dagen waarbinnen de vreemdeling aan zijn vertrekplicht moet hebben voldaan. Het borgbedrag wordt in beginsel gesteld op € 1.500, DTenV kan hiervan afwijken. De borgsom wordt geretourneerd door DTenV als de vreemdeling zich meldt op de luchthaven bij de KMar en daadwerkelijk Nederland verlaat.

In artikel 55, derde lid, Vw is de bevoegdheid opgenomen tot een veiligheidsfouillering. Als uitzondering op de bevoegdheden van veiligheidsfouillering geldt dat de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, vreemdelingen jonger dan twaalf jaar niet aan een veiligheidsfouillering mag onderwerpen.

De Korpschef of de Commandant der KMar zendt de uitkomsten van het identiteits- en nationaliteitsonderzoek naar de DTenV, zodra dit bekend is door een overdrachtsdossier naar de DTenV te versturen. De DTenV heeft voor het vertrek van de vreemdeling informatie uit het overdrachtsdossier nodig voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding voor de vreemdeling.

De IND is verantwoordelijk voor de invoering van deze door Nederland opgelegde signaleringen in het SIS. De IND voert signaleringen niet rechtstreeks in het SIS in, maar via NSIS (Nationaal Schengeninformatiesysteem). In dit hoofdstuk wordt enkel nog gesproken over SIS, ook als het om NSIS gaat. Uitwisseling van informatie met andere lidstaten vindt plaats door tussenkomst van Bureau SIRENE.

Zie A1/3 Vc voor de te verrichten handelingen als een gesignaleerde vreemdeling aan de Nederlandse buitengrens wordt aangetroffen bij inreis.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht in de volgende situaties de genoemde handelingen, als hij een door Nederland gesignaleerde vreemdeling in het kader van binnenlands toezicht of bij controle op uitreis aantreft.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht bij een vreemdeling zonder geldige verblijfsvergunning (ook geen verblijfsvergunning asiel) voor Nederland of een van de andere lidstaten:

de volgende handelingen:

Het Bureau SIRENE verricht vervolgens de volgende handelingen:

Een andere lidstaat informeert Nederland als signalerende lidstaat, als de vreemdeling via de buitengrens van die lidstaat het grondgebied van de lidstaten verlaat. De IND wist de signalering inzake terugkeer op grond van artikel 6 Vo (EU) 2018/1860 direct na ontvangst van de terugkeerbevestiging. Als sprake is van een inreisverbod of een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf ingevoerd in SIS.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht in de volgende situaties de genoemde handelingen, als hij een door Nederland gesignaleerde vreemdeling in het kader van binnenlands toezicht of bij controle op uitreis aantreft.

De terugkeerbevestiging is de uitwisseling van informatie, naar aanleiding van een signalering inzake terugkeer, dat een vreemdeling het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk via een buitengrens heeft verlaten.

Een andere lidstaat informeert Nederland als signalerende lidstaat, als de vreemdeling via de buitengrens van die lidstaat het grondgebied van de lidstaten verlaat. De IND wist de signalering inzake terugkeer op grond van artikel 6 Vo (EU) 2018/1860 direct na ontvangst van de terugkeerbevestiging. Als sprake is van een inreisverbod of een besluit in de zin van artikel 24, eerste lid, onder a, Vo (EU) 2018/1861 wordt een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf ingevoerd in SIS.

De IND voert een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf in SIS in van:

Bureau SIRENE informeert, naar aanleiding van een melding door een ambtenaar belast met de grensbewaking, de lidstaat die een vreemdeling in SIS gesignaleerd heeft inzake terugkeer, als de gesignaleerde vreemdeling het grondgebied van de lidstaten via een Nederlandse buitengrens wil inreizen.

Een andere lidstaat informeert Nederland als signalerende lidstaat, als de vreemdeling via de buitengrens van die lidstaat het grondgebied van de lidstaten wil inreizen.

Ook paragraaf A2/12.10.4 Vc is van toepassing als de vreemdeling is gesignaleerd door een andere lidstaat dan Nederland en een verblijfsvergunning inclusief asiel heeft in een andere (derde) lidstaat.

Daarnaast voert de IND in ieder geval de gegevens van een verblijfsdocument in SIS in, als:

Deze signaleringstermijnen zijn van toepassing als de vreemdeling niet onder de werking van de Terugkeerrichtlijn valt in Nederland. Dit betekent dat de vreemdeling:

De IND voert de signalering inzake terugkeer of met het oog op weigering van toegang en verblijf ook in als de vreemdeling al in SIS is gesignaleerd door een andere lidstaat, zolang de signaleringen niet onverenigbaar zijn met elkaar.

Daarnaast voert de IND in ieder geval de gegevens van een verblijfsdocument in SIS in, als:

De signalering in SIS vanwege een inreisverbod of vanwege een terugkeerbesluit in combinatie met een inreisverbod gaat voor, als er ook sprake is van een besluit tot signalering.

Als het niet (meer) mogelijk is om de vreemdeling vanwege een inreisverbod of vanwege het terugkeerbesluit in combinatie met het inreisverbod te signaleren, wordt de vreemdeling vanwege het besluit tot signalering gesignaleerd. De vreemdeling wordt dan indien mogelijk gesignaleerd in SIS, en anders in E&S.

Als de vreemdeling een terugkeerbesluit zonder inreisverbod heeft gekregen en ook een besluit tot signalering, dan gaat de signalering in SIS vanwege een besluit tot signalering voor op de signalering inzake terugkeer.

In het E&S staan o.a. vreemdelingenrechtelijke signaleringen, zoals:

Wanneer signaleren in SIS mogelijk is, gaat dit altijd voor op signaleren in E&S.

De IND start de raadplegingsprocedure op grond van artikel 10 van Vo (EU) 2018/1860 of artikel 28 van Vo (EU) 2018/1861 bij de verblijfgevende lidstaat. Dit houdt het volgende in:

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft aan de IND ten minste één van de volgende onderbouwingen voor de signalering aan:

De politie doet op basis van de vingerafdrukken van de vreemdeling een onderzoek naar de identiteit van de vreemdeling als deze niet bekend is. De vreemdeling met verschillende personalia wordt onder de naam zoals deze in de BVV bekend is, gesignaleerd. De andere personalia worden als aliasnaam opgenomen.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ervoor zorgen dat in het kader van de signalering vingerafdrukken en een foto van de vreemdeling in de BVV beschikbaar zijn. Als dit niet mogelijk is, moet de reden hiervan worden vermeld.

In de subparagrafen hierna worden o.a. de volgende raadplegingsprocedures beschreven:

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen informeert de vreemdeling die gesignaleerd wordt in ieder geval over:

Een vreemdeling die door Nederland of door een andere lidstaat in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning wordt niet in SIS gesignaleerd inzake terugkeer of met het oog op weigering toegang en verblijf.

Het Bureau SIRENE legt de verrichte raadpleging door een lidstaat vast, als de IND overweegt een verblijfsvergunning te verlenen aan een vreemdeling die in SIS gesignaleerd is:

De IND brengt de vreemdeling, die gesignaleerd is in SIS of E&S op de hoogte middels een mededeling in de Staatscourant, als naar aanleiding van de raadplegingsprocedure deze signalering:

tenzij de vreemdeling op andere wijze van deze wijziging op de hoogte is gesteld.

De IND raadpleegt de signalerende lidstaat op grond van artikel 9, eerste lid, van Vo (EU) 2018/1860 of artikel 27 Vo (EU) 2018/1861 over de motivering van het besluit van de signalering, als de vreemdeling:

De IND verricht bij een vreemdeling:

de volgende handeling(en):

Bij een afwijzing van een verblijfsvergunning blijft de signalering in E&S of SIS gehandhaafd.

De vreemdeling moet het grondgebied van de lidstaten na de afwijzende beschikking verlaten, als tegen de afwijzende beschikking geen rechtsmiddelen meer open staan of die niet in Nederland mogen worden afgewacht.

De IND verricht bij een vreemdeling:

In deze paragraaf wordt de raadpleging door de IND voorafgaand aan het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning besproken, terwijl er sprake is van een signalering door een andere lidstaat.

De IND start de raadplegingsprocedure op grond van artikel 10 van Vo (EU) 2018/1860 of artikel 28 van Vo (EU) 2018/1861 bij de verblijfgevende lidstaat. Dit houdt het volgende in:

De onderstaande raadplegingsprocedure is ook van toepassing als de IND overweegt een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf in te voeren vanwege:

De vreemdeling is gesignaleerd in:

Conform genoemde raadplegingsprocedures geldt het volgende:

De IND kan een signalering wissen als sprake is van gewijzigde omstandigheden, die aanzetten tot het wissen van de signalering. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:

Postbus 100

Op basis van artikel 53 Vo (EU) 2018/1861 en artikel 19 Vo (EU) 2018/1860 heeft een vreemdeling het recht op inzage in zijn gegevens, correctie van onjuiste gegevens en het wissen van onrechtmatig opgeslagen gegevens in het SIS, behoudens de in het tweede en derde lid genoemde beperkingen.

Een vreemdeling die gesignaleerd staat in het SIS mag bij elke lidstaat een verzoek indienen om inzage, rectificatie en het wissen van onrechtmatig opgeslagen gegevens.

In Nederland moet de vreemdeling een dergelijk verzoek, ook als het een signalering van een andere lidstaat betreft, richten aan het volgende adres:

Nationale Politie,

t.a.v. de privacyfunctionaris LO/LX

3970 AC Driebergen

De vreemdeling die een verzoek wil indienen tot inzage in of aanpassing van een signalering in SIS kan hiervoor ook digitaal een formulier gebruiken via: www.politie.nl/contact/formulier/schengen.html

Als het verzoek tot het wissen van de signalering met het oog op weigering toegang en verblijf feitelijk een verzoek tot het opheffen van het door Nederland opgelegde inreisverbod of ongewenstverklaring betreft, moet het verzoek door de vreemdeling naar de IND worden gestuurd en is respectievelijk paragraaf A4/2.5 of paragraaf A4/3.5 Vc van toepassing.

De politie, ZHP of KMar moeten contact opnemen met de IND om te vernemen hoe gehandeld moet worden om het rechtmatig verblijf van een vreemdeling te ontzeggen, als politieke activiteiten van de vreemdeling gevaar opleveren voor tenminste één van de volgende situaties:

Een vreemdeling met een terugkeerbesluit voldoet niet aan zijn terugkeerverplichting als hij vertrekt naar een andere lidstaat. Ook niet als hij daar rechtmatig verblijf heeft. De vreemdeling voldoet alleen aan de terugkeerverplichting als hij het grondgebied van de lidstaten verlaat.

Voor de termijnen die gelden wordt verwezen naar paragraaf A3/3 Vc.

Een land van terugkeer kan zijn:

Het gevolg van een terugkeerbesluit is dat de vreemdeling gesignaleerd wordt in het Schengeninformatie Systeem inzake terugkeer overeenkomstig paragraaf A2/12 Vc.

In het aanvullend terugkeerbesluit worden een of meerdere landen van terugkeer toegevoegd. Tegen het aanvullend terugkeerbesluit staan rechtsmiddelen open.

De IND, KMar, AVIM of Zeehavenpolitie neemt geen terugkeerbesluit als:

De DTenV kan een vreemdeling bij de feitelijke terugkeer begeleiden. De DTenV kan dit bijvoorbeeld doen bij:

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag de vreemdeling op grond van artikel 4.38 Vb vorderen om te verschijnen om gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van het vertrek uit Nederland. Hieronder vallen in ieder geval de biometrische gegevens van de vreemdeling.

Naast deze begeleiding door DTenV kunnen andere vormen van begeleiding plaatsvinden, zoals begeleiding:

In het geval de vreemdeling in één van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland internationale bescherming geniet, wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Om die reden kan ook geen inreisverbod worden opgelegd (zie ook A4/2.2 Vc). Ingevolge artikel 62a, derde lid, Vw wordt aan de vreemdeling het bevel gegeven zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven (model M106-B).

De IND kan deze vreemdeling enkel ongewenst verklaren als hij zich buiten Nederland bevindt. Zie voor signalering en raadplegingsprocedure: paragraaf A2/12.10 Vc.

In paragraaf A3/3.5 Vc zijn beleidsregels opgenomen over de toepassing van de gronden uit artikel 62, tweede lid onder a en b, Vw bij een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Deze paragraaf bevat de beleidsregels omtrent de toepassing van artikel 62, tweede lid, Vw.

In de volgende paragrafen zijn beleidsregels opgenomen ter invulling van deze gronden om de vertrektermijn te verkorten of onthouden:

In paragraaf A3/3.3Vc zijn beleidsregels opgenomen over de toepassing van de gronden uit artikel 62, tweede lid onder b, Vw bij een eerste aanvraag op een verblijfsvergunning asiel.

In paragraaf A3/3.5 Vc zijn beleidsregels opgenomen over de toepassing van de gronden uit artikel 62, tweede lid onder a, Vw bij een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning asiel.

De IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking en AVIM moeten de gronden, als bedoeld in artikel 5.6, derde lid, Vb nader toelichten.

Als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder c, Vw is tenminste een van de volgende besluiten mogelijk:

De IND verstaat onder kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder b, Vw de situatie waarin de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van artikel 30b Vw.

Als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 69, tweede lid, onder a, punt 2, Vw is tenminste een van de volgende besluiten mogelijk:

Bij de beoordeling of de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving betrekt de IND, de ambtenaar belast met de grensbewaking of AVIM alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder in ieder geval:

Indien een visum van de vreemdeling nietig is verklaard of ingetrokken om redenen verband houdend met de openbare orde, zal in beginsel steeds eveneens sprake zijn van voldoende redenen om omwille van de openbare orde als bedoeld in artikel 62, tweede lid, Vw, de vertrektermijn te verkorten. Het vorenstaande geldt analoog ook bij de beëindiging van de vrije termijn van niet visumplichtige vreemdelingen, vanwege redenen die verband houden met openbare orde.

De vreemdeling tekent bij vertrek een verklaring voor de IND, waarin staat dat de vreemdeling ermee instemt dat:

Indien géén van deze situaties zich voordoet, onthoudt of verkort de IND bij een eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel geen vertrektermijn op grond van artikel 62, tweede lid onder a, Vw. Indien tenminste één van deze situaties zich voordoet, beoordeelt de IND onverkort of er aanleiding bestaat een vertrektermijn te onthouden of te verkorten op grond van artikel 62, tweede lid onder a, Vw. Voor de gronden waarop de vertrektermijn in die gevallen kan worden verkort of onthouden is paragraaf A3/3.2 Vc van toepassing.

Om het besluit over de verlenging te nemen, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aan het verzoek ten grondslag liggen. De IND biedt geen afzonderlijk herstel verzuim en geeft onmiddellijk een beschikking.

Als een vreemdeling Nederland moet verlaten en niet over een geldig document voor grensoverschrijding beschikt op grond waarvan zijn toegang tot zijn land van herkomst of een ander land is gewaarborgd, ondersteunt de DTenV de vreemdeling bij het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. Dit geldt ook voor vreemdelingen waarvan een (herhaalde) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen en de bevoegdheid tot uitzetting tijdelijk is opgeschort.

Een vreemdeling aan wie een vertrektermijn is verleend kan vragen om verlenging van deze termijn, zoals beschreven in artikel 6.3 VV. De vreemdeling krijgt door het indienen of het inwilligen van een verzoek om een verlenging van de vrijwillige vertrektermijn geen rechtmatig verblijf in Nederland. De DTenV mag bij de inwilliging van het verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn niet tot uitzetting overgaan totdat de verlengde vertrektermijn is verstreken. De vreemdeling heeft de plicht gedurende de verlengde vertrektermijn zelfstandig aan zijn vertrek te werken.

Als blijkt dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een re-entry permit dan moet de DTenV zo snel mogelijk tenminste een van de volgende bewijsmiddelen aanvragen bij de buitenlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling:

Als een vreemdeling Nederland moet verlaten en niet over een geldig document voor grensoverschrijding beschikt op grond waarvan zijn toegang tot zijn land van herkomst of een ander land is gewaarborgd, ondersteunt DTenV de vreemdeling bij het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. Dit geldt ook voor vreemdelingen waarvan een (herhaalde) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen en de bevoegdheid tot uitzetting tijdelijk is opgeschort.

DTenV mag de vreemdeling of derden verzoeken bewijsmiddelen die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onderbouwen, aan DTenV te overhandigen.

DTenV moet een aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding bij voorkeur samen met de vreemdeling opmaken. DTenV moet de vreemdeling informeren over welke informatie de vreemdeling moet verstrekken voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. De vreemdeling is zelf verantwoordelijk voor het door de vreemdeling ingevulde formulier of de aan DTenV verstrekte bewijsmiddelen geen asielgerelateerde informatie bevatten. DTenV hoeft deze bewijsmiddelen niet te vertalen en te screenen op gegevens waaruit indirect kan worden afgeleid dat het om een vreemdeling gaat die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend voordat het aan een diplomatieke vertegenwoordiging wordt overgelegd.

DTenV moet bewijsmiddelen wel screenen op gegevens waaruit indirect kan worden afgeleid dat het om een vreemdeling gaat die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend bij landen waarvan bekend is dat het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel tot problemen kan leiden bij de terugkeer van de vreemdeling tot dat land. DTenV mag aan de diplomatieke vertegenwoordiging uitsluitend aangeven dat:

DTenV moet beschikbare (kopieën van) bewijsmiddelen die de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling kunnen onderbouwen, voegen bij de aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding.

Als onmiddellijke uitzetting van de vreemdeling door middel van overdracht aan de buitenlandse grensautoriteiten of door plaatsing aan boord van een schip of een vliegtuig mogelijk is, vraagt DTenV geen geldig document voor grensoverschrijding en de eventueel benodigde visa, transitvisa en ‘re-entry permit’ bij de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging aan.

De DTenV moet voor een vreemdeling die in een justitiële inrichting of een andere inrichting is opgenomen, tijdens het verblijf in die inrichting een geldig document voor grensoverschrijding aanvragen. De vreemdeling die in een inrichting is geplaatst, moet aansluitend aan het einde van het verblijf in de inrichting worden uitgezet (zie paragraaf A3/10 Vc).

DTenV nodigt de vreemdeling uit voor een presentatie bij de diplomatieke vertegenwoordiging voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. De politie of KMar heeft de bevoegdheid de vreemdeling te vorderen om te verschijnen voor een presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging (zie model 90A).

Voorafgaande aan de presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging informeert DTenV de vreemdeling dat de vreemdeling niet is gehouden om inlichtingen te verstrekken aan de diplomatieke vertegenwoordiging met betrekking tot de reden van zijn verblijf in Nederland. DTenV moet de vreemdeling een kopie verstrekken van de aanvraag die is ingediend bij de diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding.

Voor wat betreft de mogelijkheid om een vreemdeling door de DT&V te laten begeleiden bij de feitelijke terugkeer, wordt verwezen naar paragraaf A3/2 Vc.

DTenV mag de aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding, een identiteitsonderzoek of de presentatie van de vreemdeling bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het (vermoedelijke) land van herkomst niet starten indien de (herhaalde) aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in behandeling is bij de IND. Indien het asielberoep opschortende werking heeft mag DTenV een aanvraag voor een vervangend reisdocument indienen bij de autoriteiten van het land van herkomst, maar mag geen presentatie in persoon van de vreemdelingen bij de autoriteiten van het land van herkomst plaatsvinden. In het geval het asielberoep geen opschortende werking heeft en een ingediende voorlopige voorziening enkel de bevoegdheid tot uitzetting opschort, dan kan de vreemdeling wel worden gepresenteerd bij de autoriteiten van het land van herkomst. De vreemdeling zal in voornoemde gevallen vooraf in kennis worden gesteld van de aanvraag voor een vervangend reisdocument en de presentatie.

DTenV moet voor een vreemdeling die in een justitiële inrichting of een andere inrichting is opgenomen, tijdens het verblijf in die inrichting een geldig document voor grensoverschrijding aanvragen. De vreemdeling die in een inrichting is geplaatst, moet aansluitend aan het einde van het verblijf in de inrichting worden uitgezet (zie paragraaf A3/10 Vc).

Om gebruik te maken van een Europees reisdocument in het kader van het vertrek van de vreemdeling uit Nederland moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan:

De politie of de KMar moeten bij elk vertrek van een vreemdeling uit Nederland nagaan of de door de Minister gegeven voorschriften en aanwijzingen zoals genoemd onder paragraaf A2/8 Vc zijn nageleefd over:

Het vertrek van een vreemdeling uit Nederland mag plaatsvinden met behulp van een Europees reisdocument. Het Europees reisdocument wordt afgegeven door DTenV als op grond van één of meer aanwijzingen de nationaliteit of identiteit van de betrokken vreemdeling wordt aangenomen. Aan het Europees reisdocument worden bewijsmiddelen gevoegd als ondersteuning van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. De bewijsmiddelen mogen geen asielgerelateerde informatie bevatten.

Het Europees reisdocument mag worden gebruikt:

Om gebruik te maken van een Europees reisdocument in het kader van het vertrek van de vreemdeling uit Nederland moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan:

De amv aan wie uitstel van vertrek is verleend, wordt geacht rechtmatig verblijf te hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, Vw 2000.

De politie of de KMar moeten bij elk vertrek van een vreemdeling uit Nederland nagaan of de door de minister gegeven voorschriften en aanwijzingen zoals genoemd onder paragraaf A2/8 Vc zijn nageleefd over:

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag aantekeningen over het vertrek van de vreemdeling in een identiteitsdocument of een geldig document voor grensoverschrijding plaatsen als:

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag in ieder geval geen aantekeningen over het vertrek van de vreemdeling in een identiteitsdocument of een geldig document voor grensoverschrijding plaatsen als:

De vreemdeling dient de aanvraag voor ondersteuning op basis van het remigratiebeleid schriftelijk in via de website van de DTenV. De DTenV behandelt de aanvraag en zoekt ten behoeve van de beslissing op de aanvraag afstemming met ketenpartners. De DTenV zoekt altijd afstemming met de IND met de vraag of er bezwaren zijn tegen het vertrek van de vreemdeling.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ten aanzien van een tijdelijk in bewaring genomen geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling alle volgende handelingen verrichten:

Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt moet ten aanzien van een tijdelijk in bewaring genomen geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling alle volgende handelingen verrichten:

Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt informeert onmiddellijk de betrokken politie, ZHP, KMar of DTenV in tenminste een van de volgende situaties:

De IOM kan in afwijking van het voorgaande (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel en alleenstaande minderjarige vreemdelingen, of in andere schrijnende gevallen, ongeacht de nationaliteit of land van bestemming van de vreemdeling, assistentie verlenen bij het vertrek.

De IOM moet ten aanzien van het REAN-programma alle volgende handelingen verrichten:

Om in aanmerking te komen voor het REAN-programma moet een vreemdeling alle volgende handelingen verrichten:

Een vreemdeling komt niet in aanmerking voor het REAN-programma als hij de nationaliteit heeft van, of in het bezit is van een geldig (tijdelijke) reguliere verblijfsvergunning, of een asielvergunning voor onbepaalde tijd, van:

Als door DTenV al handelingen zijn gestart om het vertrek van de vreemdeling mogelijk te maken, kan DTenV tenminste één van de volgende beslissingen nemen:

De vreemdeling aan wie een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, moet door de KMar worden overgedragen aan de IOM. Voor de overdracht van de vreemdeling aan de IOM, heft de ambtenaar belast met de grensbewaking de vrijheidsbeperkende of de vrijheidsontnemende maatregel op.

De IOM moet de IND en DTenV door middel van een vertrekverklaring berichten dat de vreemdeling is vertrokken met ondersteuning van de IOM.

De doelgroep van het tijdelijke herintegratiebeleid Syrië zoals beschreven in deze paragraaf is de Syrische vreemdeling, die

Deze verklaring op schrift gebeurt door het invullen en ondertekenen van de Verklaring vrijwillig vertrek uit Nederland, te vinden op de website van de IND.

Een verzoek om ondersteuning kan worden geweigerd, als de vreemdeling:

De DTenV maakt voor de overdracht van de vreemdeling aan de KMar ten behoeve van de feitelijke uitzetting model M24-A op. Bij de overdracht van de vreemdeling ondertekent de KMar het exemplaar van het model M24-A en geeft het getekende exemplaar terug aan de ambtenaar die de vreemdeling heeft overgedragen aan de KMar. Afhankelijk van de wijze van vertrek, maakt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het relevante bericht op zodat de IND wordt geïnformeerd dat de vreemdeling is vertrokken en of deze gesignaleerd moet worden. Als signalering aan de orde is, wordt dit door de IND opgevoerd.

In artikel 23a en 23b van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie) zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de gedwongen uitzetting of overdracht van vreemdelingen.

Artikel 23a van de Ambtsinstructie bevat de voorwaarden waaronder hulpmiddelen kunnen worden ingezet.

De hulpmiddelen kunnen worden ingezet om de veiligheid te borgen in en om het vervoermiddel. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit dienen te allen tijde in acht te worden genomen bij het toepassen van hulpmiddelen bij een uitzetting. Deze inschatting dient te worden gemaakt tijdens of vlak voor de daadwerkelijke uitzetting. Uitgangspunt van de Koninklijke Marechaussee blijft dat de uitzetting op een zo humaan en professioneel mogelijke wijze gebeurt. Dit betekent dat hulpmiddelen alleen worden ingezet indien dit strikt noodzakelijk is, en dat gedurende het vervoer continu wordt bekeken of met de inzet van minder vergaande hulpmiddelen kan worden volstaan.

De informatie over het gedrag van de vreemdeling, opgenomen in het Sigma/ de checklist/ geleidebrief (zie model M118), dient bij deze inschatting te worden betrokken. De gezagvoerder van het luchtvaartuig wordt vooraf, in een zo vroeg mogelijk stadium, geïnformeerd omtrent de begeleide uitzetting. Daarbij wordt het eventuele gebruik van hulpmiddelen aangegeven en bij de gezagvoerder om toestemming gevraagd om dit gebruik van hulpmiddelen voort te zetten. In het geval er nog geen hulpmiddelen zijn ingezet, wordt aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig toestemming gevraagd, om indien nodig over te kunnen gaan tot het aanwenden van geweld en/ of het gebruik van hulpmiddelen.

Er is uitsluitend sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM:

Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

De IND concludeert dat de medische behandeling niet in het land van herkomst (of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken) beschikbaar is als, in één van de volgende gevallen:

De bewijslast dat de vreemdeling geen toegang zal hebben tot de vereiste medische zorg rust op de vreemdeling.

Als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond middels originele documenten, kan hij in beginsel niet aannemelijk maken dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst of het land waarnaar hij kan vertrekken voor hem niet toegankelijk is. Dit is anders als:

Het enkele ontbreken van identiteitsdocumenten is geen reden om de toegankelijkheid van de zorg niet te beoordelen.

In het besluit moet worden gemotiveerd om welke reden er niet kan worden getoetst aan de feitelijke toegankelijkheid van de zorg vanwege het ontbreken van een originele documenten, die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling aantonen.

Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval:

De documenten met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moeten officiële, door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven documenten zijn met daarin tenminste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de vreemdeling.

Het ontbreken van documenten ter staving van de identiteit en nationaliteit valt de vreemdeling niet toe te rekenen, indien:

In de situatie dat de vreemdeling wel zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond middels documenten, legt de IND het medisch advies ter informatie voor aan de vreemdeling en biedt hem daarbij de mogelijkheid om aan de hand van documenten zoals bedoeld in A3/7.1.5 aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is. De IND geeft de vreemdeling een termijn van vier weken om te reageren.

De omstandigheid dat een vreemdeling enkel aangeeft dat de kosten voor een medische behandeling hoog zijn of dat de plek, waar de medische behandeling kan plaatsvinden, ver weg is van de woonplaats van de vreemdeling, vormt onvoldoende reden om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM aan te nemen.

De IND kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over enig beletsel dat in de weg staat aan het verkrijgen van toegang tot de benodigde zorg.

Als er sprake is van een vertrekmoratorium voor het gebied waar de medische zorg beschikbaar is, zal de IND ambtshalve concluderen dat de medische zorg niet toegankelijk is.

De IND verleent uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw aan een vreemdeling, die afkomstig is uit een land waarvoor een gedeeltelijk besluit- en vertrekmoratorium geldt, als:

Het BMA kan in het medisch advies opnemen dat mantelzorg noodzakelijk wordt geacht, als mantelzorg essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling.

Het BMA kan in het medisch advies opnemen dat mantelzorg noodzakelijk wordt geacht, als mantelzorg essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling.

De IND verstaat onder mantelzorg de vanwege de aard van de medische aandoening noodzakelijke verzorging van de vreemdeling door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn.

Indien in een land van herkomst of bestendig verblijf professionele (thuis)zorg beschikbaar is, dan kan zorg zoals gegeven bij mantelzorg ook verleend worden door medewerkers van deze professionele (thuis)zorg. Het BMA zal in het medisch advies opnemen of deze vorm van professionele (thuis)zorg beschikbaar is.

Als de vreemdeling in Nederland geen mantelzorg ontvangt van gezins- of familieleden, maar mantelzorg wordt verleend door een andere derde (niet zijnde een medisch professional) dan kan de IND overwegen dat deze in het land van herkomst ook door een derde verleend kan worden.

De IND kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over het ontbreken van mantelzorg in het land van herkomst of bestendig verblijf.

In het besluit moet worden gemotiveerd om welke reden er niet kan worden getoetst aan de feitelijke toegankelijkheid van de zorg vanwege het ontbreken van een originele documenten, die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling aantonen

7.2.1. De schriftelijke aanvraag

De vreemdeling die een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw wil indienen, maakt daarvoor gebruik van het formulier ‘Aanvraag uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw’ en voegt de relevante medische gegevens en bewijsmiddelen als hieronder vermeld toe.

De IND stelt het aanvraagformulier en bijlagen beschikbaar via de website www.ind.nl;

De vreemdeling legt bij de schriftelijke aanvraag alle bewijsmiddelen als bedoeld in paragraaf A3/7.2.4 Vc over.

Het indienen van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw schort de vertrekplicht niet op. In afwachting van het besluit op de aanvraag, heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw.

7.3.2.4. Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw

In beginsel maakt DTenV geen gebruik van de bevoegdheid tot uitzetting van de vreemdeling, zolang op de aanvraag op grond van artikel 64 Vw niet is beslist.

Het indienen van de aanvraag op grond van artikel 64 Vw schort de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva niet op.

Als de IND de aanvraag afwijst, brengt de IND de vreemdeling hier schriftelijk van op de hoogte.

7.2.3. Ambtshalve toets medische aspecten in de asielprocedure

7.1.6. Mantelzorg

In verband met de ambtshalve toets op grond van artikel 6.1e Vb moet de vreemdeling een recente, volledige ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring verstrekken en zijn identiteit en nationaliteit laten vaststellen zoals beschreven in paragraaf A3/7.2.4 Vc.

De IND past de ambtshalve toets ook toe bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel of bij afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die vergunning. De IND toetst in dat geval uitsluitend ambtshalve als de vreemdeling de voor die beoordeling relevante medische gegevens en overige bescheiden heeft overgelegd.

7.3.2.3. Toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming tijdens de algemene asielprocedure

De IND past de ambtshalve toets niet toe als artikel 6.1e, tweede lid, Vb van toepassing is.

De IND maakt een meeromvattende beschikking over het besluit op de asielaanvraag en de ambtshalve toets aan artikel 64 Vw. De meeromvattende beschikking wordt zoveel mogelijk in de niet-versnelde procedure gemaakt.

Voor de ambtshalve toets in reguliere zaken wordt verwezen naar paragraaf B1/3.4.1.1 Vc.

De vreemdeling legt bij de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw in ieder geval de volgende bewijsmiddelen over:

De vreemdeling legt bij de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw in ieder geval de volgende bewijsmiddelen over:

7.2.5. Herstel verzuim

Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding beschouwt de IND de volgende documenten als een bewijsmiddel van identiteit en nationaliteit:

De IND vraagt de vreemdeling of zijn gemachtigde in ieder geval om aanvullende informatie of bewijsmiddelen als:

De IND vraagt de vreemdeling of zijn gemachtigde in ieder geval om aanvullende informatie of bewijsmiddelen als:

Het BMA beoordeelt in dit kader of de relevante medische gegevens zijn aangeleverd. Als het BMA oordeelt dat de vreemdeling niet alle relevante medische gegevens heeft overgelegd, dan meldt het BMA dit bij de IND.

7.3.2.4. Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw

De IND stelt de aanvraag buiten behandeling of wijst de aanvraag af als de vreemdeling niet binnen de door de IND gegeven termijn het verzuim heeft hersteld.

Paragraaf B1/3.4.1.3 Vc is van overeenkomstige toepassing.

Bij de beoordeling van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verzoekt de IND het BMA om een advies uit te brengen, als de IND dit op grond van de overgelegde bewijsmiddelen nodig acht om de aanvraag te beoordelen.

Bij de beoordeling van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw verzoekt de IND het BMA om een advies uit te brengen, als de IND dit op grond van de overgelegde bewijsmiddelen nodig acht om de aanvraag te beoordelen.

Afkomstig uit een land van herkomst ziet niet alleen op personen met de nationaliteit van een van de betrokken landen, maar ook op vreemdelingen die een verblijfsrecht hebben verkregen in de genoemde landen.

7.3. Verlening uitstel vertrek op grond van artikel 64 Vw

7.3.1. Algemeen

De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk alle volgende mededelingen aan de vreemdeling:

7.4.3. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring

7.4. Bijzondere procedures

De duur van het uitstel van vertrek is gelijk aan de periode die in het medisch advies van BMA is genoemd, waarvoor de vreemdeling naar verwachting onder behandeling zal staan, met een maximum van een jaar.

De IND informeert DTenV dat uitzetting tijdelijk achterwege blijft. Als de vreemdeling aanspraak wil maken op Rva-verstrekkingen, informeert de IND ook het COA.

Als de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, plaatst de IND daarin een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (bijlage 7g VV), met vermelding van de duur van het uitstel van vertrek. De periode van dit uitstel mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt een van de volgende situaties:

7.5. Rechtsmiddelen

De IND trekt het verleende uitstel van vertrek in, als de vreemdeling onvoldoende actief heeft gewerkt aan:

7.3.2. Toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van (definitieve) besluitvorming

De IND kan besluiten om toepassing te geven aan artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming.

De IND kan besluiten om toepassing te geven aan artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming.

De IND stelt vast of de vreemdeling alle bewijsmiddelen heeft overgelegd die nodig zijn om bij het BMA een medisch advies op te vragen voor de beoordeling van de aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw (zie paragraaf A3/7.2.4 Vc).

7.4.2. Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een overdracht op grond van de Verordening (EU) nr.604/2013

De IND past artikel 64 Vw toe, in afwachting van de beslissing op de aanvraag om uitstel van vertrek, als de IND vaststelt dat:

De IND verleent in dat geval uitstel van vertrek voor maximaal zes maanden vanaf de datum van de beschikking, waarbij artikel 64 Vw wordt toegepast. Het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw vervalt;

Als de IND na zes maanden nog geen besluit heeft genomen, past de IND ambtshalve opnieuw artikel 64 Vw toe.

7.3.2.2. Toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming tijdens de niet-versnelde procedure

7.3.2.2. Toepassing van artikel 64 Vw in afwachting van definitieve besluitvorming tijdens de niet-versnelde procedure

7.3.2.3. Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw

7.3.2.4. Procedure bij zwangerschap/bevalling

7.3.2.4.1. Algemeen

7.3.2.5.2. Overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening

7.3.2.6. Procedure bij klinische opname

7.3.2.5.2. Overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening

7.3.2.6.2. Overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening

7.4. Bijzondere procedures

7.4.2. Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een overdracht op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening

7.4.2. Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een overdracht op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening

7.4.4. Verzoek toepassing artikel 64 Vw van een vreemdeling afkomstig uit een lidstaat van de Europese Unie

7.4.2. Handelwijze aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw bij een overdracht op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening

Als de IND oordeelt dat de behandeling van het eerste, tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag worden afgewacht, wordt de vreemdeling of zijn raadsman direct schriftelijk of mondeling op de hoogte gebracht.

8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming

De termijn van uitzetting via een aanvoerende vervoersonderneming, zoals bedoeld in artikel 65, eerste lid, onder b, Vw gaat in op het tijdstip van staande houden van de vreemdeling. De plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, mag na zes maanden plaatsvinden.

De Staat of andere openbare lichamen die kosten maken bij een uitzetting en deze kosten ten laste brengen van de vreemdeling, moeten, als de vreemdeling zelf niet in staat is de kosten te voldoen, zo veel mogelijk gebruik maken van tenminste één van de volgende mogelijkheden:

7.4.3. Procedure in geval van vreemdelingenbewaring

Het ticket, de garantiesom of de waarborgsom wordt aangewend voor de betaling van de kosten van het vertrek. Een garantsteller mag door de Staat of een ander openbaar lichaam worden aangesproken om aan zijn verplichtingen te voldoen.

Als de Staat of andere openbare lichamen kosten van de uitzetting wil verhalen moet aan alle volgende voorwaarden zijn voldaan:

10. Vreemdelingen in de strafrechtketen

De KMar, politie, Openbaar Ministerie, DTenV, DJI en IND moeten ten aanzien van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) de werkafspraken hanteren die zijn vastgelegd in de Ketenprocesbeschrijving Vreemdeling In de Strafrechtketen (VRIS).

De KMar, politie, Openbaar Ministerie, DTenV, DJI en IND moeten ten aanzien van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) de werkafspraken hanteren die zijn vastgelegd in de Ketenprocesbeschrijving Vreemdeling In de Strafrechtketen (VRIS).

7.4.4. Verzoek toepassing artikel 64 Vw van een vreemdeling afkomstig uit een lidstaat van de Europese Unie

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet bij het aantreffen van een vreemdeling die aan alle volgende kenmerken voldoet onmiddellijk Bureau SIRENE informeren:

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft Bureau SIRENE alle volgende informatie:

7.5. Rechtsmiddelen

Het Ministerie van Justitie en Veiligheid ontvangt het uitleverings- of overleveringsverzoek van de buitenlandse autoriteit en neemt dit in behandeling.

In de gevallen waarin het antwoord van de buitenlandse autoriteit over het al dan niet indienen van een uitleveringsverzoek nog niet is ontvangen, mag de buitenlandse autoriteit voorafgaand aan het formele uitleverings- of overleveringsverzoek, om voorlopige aanhouding van de vreemdeling vragen. De Korpschef of de Commandant KMar neemt voor het verzoek om voorlopige aanhouding contact op met de bevoegde officier van justitie.

Een vreemdeling die in vreemdelingenbewaring is gesteld, moet door de Korpschef of de Commandant KMar in strafrechtelijke bewaring worden geplaatst. De Korpschef of de Commandant KMar informeert DTenV over de overplaatsing van de vreemdeling.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen informeert DTenV als de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling wordt opgeschort gedurende de afhandeling van een verzoek om voorlopige aanhouding of uitlevering en de vreemdeling niet meer op korte termijn kan worden uitgezet.

11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname

A4. Het inreisverbod, de ongewenstverklaring en het besluit tot signalering

De Staat of andere openbare lichamen moeten van het geld dat ontvangen is voor de kosten van de uitzetting schriftelijke opgave doen aan de IND.

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen als aanvulling op of een uitwerking van:

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen als aanvulling op of een uitwerking van:

Als een land een formeel uitleverings- of overleveringsverzoek indient, mogen er geen uitzettingshandelingen plaatsvinden totdat de uitleverings- of overleveringsprocedure is afgerond.

2.1. Gronden voor het inreisverbod

Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b tot en met e, Vw, is van overeenkomstige toepassing op het inreisverbod dat wordt opgelegd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, b, c en d, Vw, voor zover sprake is van een werkelijke, actuele, voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 onder b tot en met e Vc.

Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid neergelegd in artikel 66a, tweede lid, Vw om een inreisverbod uit te vaardigen aan een vreemdeling die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 Vc.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt daarnaast een inreisverbod uit op grond van artikel 66a, tweede lid, Vwtegen een vreemdeling die:

De IND heft een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, Vw op en vaardigt een inreisverbod met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zevende lid, 7 Vw uit als artikel 66a, zevende lid, Vw van toepassing is.

De IND maakt gebruik van de in artikel 6.5, vierde lid, Vb geboden mogelijkheid om af te wijken van het eerste tot en met het derde lid ingeval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

2.2. Geen inreisverbod

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt geen inreisverbod uit als:

10. Vreemdelingen in de strafrechtketen

2.3. Aanvang en duur van het inreisverbod

De IND, de politie, KMar en ZHP bepalen de duur van een inreisverbod. Ingevolge artikel 66a, vierde lid, Vw wordt de duur van het inreisverbod berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein daadwerkelijk heeft verlaten. Met een inreisverbod wordt de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein voor een bepaalde termijn verboden.

De IND, de politie, KMar en ZHP bepalen de duur van een inreisverbod. Ingevolge artikel 66a, vierde lid, Vw wordt de duur van het inreisverbod berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein daadwerkelijk heeft verlaten. Met een inreisverbod wordt de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de EU (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein voor een bepaalde termijn verboden.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt een inreisverbod uit voor zover mogelijk voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a Vb is genoemd.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt, op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw, een inreisverbod uit voor de duur van één jaar, in de volgende gevallen:

2.3. Aanvang en duur van het inreisverbod

De IND, de politie, KMar en ZHP maken bij het bepalen van de duur van een inreisverbod geen gebruik van artikel 6.5a, derde en vierde lid, Vb. Gezien de formulering van artikel 6.5a, derde en vierde lid, Vb wordt als aanvullende eis gesteld dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Als hier sprake van is, is tevens sprake van aanvullende omstandigheden en kan de duur van het inreisverbod onder meer aan de hand van artikel 6.5a, vijfde lid, Vb worden bepaald.

De IND vaardigt een inreisverbod uit in beginsel voor de duur van tien jaar als er sprake is van één van de in artikel 6.5a, vijfde lid, Vb genoemde omstandigheden en sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

De IND kan ook buiten de gevallen als bedoeld in artikel 6.5a, vijfde lid, Vb, in beginsel een inreisverbod uitvaardigen voor de duur van tien jaar als er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Daarbij kan worden gedacht aan een verdenking van een misdrijf of de omstandigheid dat de persoonlijke gedraging van een vreemdeling leidt tot een ernstige bedreiging van de openbare orde.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verkort de duur van het inreisverbod, of laat een inreisverbod achterwege, als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.

2.2. Geen inreisverbod

2.4. Procedurele aspecten

2.4. Procedurele aspecten

Het beleid dat geldt voor het voorbereiden van het besluit tot ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.3 Vc.

Het beleid dat geldt voor het voorbereiden van het besluit tot ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.3 Vc.

Het beleid dat geldt voor het bekendmaken van het besluit tot ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op het bekendmaken van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod, met uitzondering van onderstaande situatie. Zie paragraaf A4/3.4 Vc.

Het beleid dat geldt voor het bekendmaken van het besluit tot ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op het bekendmaken van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod, met uitzondering van onderstaande situatie. Zie paragraaf A4/3.4 Vc.

2.4.1. Voorbereiding van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling die in het kader van binnenlands toezicht of bij controle aan de buitengrens bij uitreis wordt aangetroffen een inreisverbod oplegt, handelt de ambtenaar als volgt:

Het beleid dat geldt voor het opleggen van een inreisverbod is van overeenkomstige toepassing bij het opleggen van een inreisverbod aan de grensdoorlaatpost. Zie hiervoor Vc A4/2.

Het beleid dat geldt voor het opleggen van een inreisverbod is van overeenkomstige toepassing bij het opleggen van een inreisverbod aan de grensdoorlaatpost. Zie hiervoor Vc A4/2.

Als het niet meer mogelijk is om voor het vertrek van de vreemdeling een inreisverbod uit te vaardigen, dan geldt in afwijking van A4/2.4.1 het volgende:

Wanneer de ambtenaar belast met de grensbewaking van oordeel is dat er gronden zijn voor het uitvaardigen van een inreisverbod, dan moet deze ambtenaar een voornemenprocedure starten.

Voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit geeft deze ambtenaar uitvoering aan de hoorplicht, zoals bedoeld in artikel 4:8 Awb. De vreemdeling wordt erop gewezen dat een inreisverbod kan worden opgelegd, ook als de vreemdeling aan de vertrekverplichting gaat voldoen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking biedt de vreemdeling in het kader van het voornemen de gelegenheid zijn adresgegevens in het buitenland kenbaar te maken.

De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt in het voornemen kenbaar:

2.4.1. Voorbereiding van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod

De hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee betrekt alle feiten en omstandigheden die de vreemdeling in de zienswijze naar voren brengt.

De hulpofficier van justitie of de ambtenaar met ter zake voldoende kennis en kunde van de Koninklijke Marechaussee die daartoe is aangewezen door de Commandant der Koninklijke Marechaussee besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod binnen acht weken nadat de termijn van vier weken voor het naar voren brengen van een zienswijze is verstreken. De beschikking wordt naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres in het buitenland gezonden en van de inhoud wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Als geen geldig (e-mail)adres van de vreemdeling in het buitenland bekend is, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Staatscourant. Als een gemachtigde bekend is, wordt tevens een kopie van het besluit naar de gemachtigde gezonden op dezelfde dag als die waarop het besluit naar het door de vreemdeling opgegeven (e-mail)adres is gezonden.

2.5. Opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod

In artikel 66a, vijfde lid, Vw wordt bepaald dat als een beschikking, waarbij het inreisverbod is uitgevaardigd, bekend wordt gemaakt door toezending, hiervan mededeling wordt gedaan in de Staatscourant.

Het beleid dat geldt voor de vorm van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de vorm van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.6.2 Vc.

2.4.3. Opleggen inreisverbod met voornemenprocedure aan de grensdoorlaatpost

De IND merkt een aanvraag tot opheffing van het inreisverbod aan als (grond van het) bezwaar- of beroepschrift als tegen het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod nog rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

De IND gaat over tot opheffing van het inreisverbod indien dringende individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De paragrafen A4/3.6 en A4/3.7 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

De IND gaat over tot opheffing van het inreisverbod indien dringende individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De paragrafen A4/3.6 en A4/3.7 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

De IND gaat niet over tot opheffing van het inreisverbod op grond van omstandigheden die reeds bij het opleggen van het inreisverbod zijn betrokken of betrokken hadden kunnen worden.

2.4.1. Voorbereiding van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod

In paragraaf A4/2.1 Vc staat opgesomd in welke vier situaties een inreisverbod op grond van artikel 66a, tweede lid, Vw wordt uitgevaardigd.

Artikel 6.5b , eerste lid, Vb geeft de bevoegdheid het inreisverbod dat is opgelegd op basis van artikel 66a, tweede lid, Vw op te heffen, indien de vreemdeling aantoont de Europese Unie geheel in overeenstemming met de op hem rustende verplichting, bedoeld in [artikel 61, eerste lid, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61), uit eigen beweging en binnen de aan hem verleende vertrektermijn te hebben verlaten.

3.2. Procedurele aspecten

3.5. Rechtsgevolgen ongewenstverklaring

Artikel 6.5b , tweede lid, Vb geeft de bevoegdheid het inreisverbod dat is opgelegd in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, op te heffen, indien de vreemdeling aantoont:

Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt, indien de vreemdeling:

tenzij,

De IND willigt een aanvraag tot opheffing van een inreisverbod dat een vreemdeling is opgelegd omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, als bedoeld in artikel 6.5a, zesde lid, Vb uitsluitend in als de vreemdeling sinds het uitvaardigen van het inreisverbod en het vertrek uit Nederland ten minste tien aaneengesloten jaren buiten Nederland heeft verbleven.

3.3. Voorbereiding van een besluit tot ongewenstverklaring

Als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de aanvraag om opheffing van het inreisverbod nog steeds een ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid vormt, verlengt de IND de duur van het inreisverbod.

Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’, zie paragraaf B1/4.4 Vc.

Het beleid dat geldt voor de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke opheffing van het inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.8 Vc.

Het beleid dat geldt voor de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke opheffing van het inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.8 Vc.

2.5.5. Ambtshalve opheffing van het inreisverbod

Naar aanleiding van de raadplegingsprocedure genoemd in paragraaf A2/12.10 Vc heft de IND ambtshalve het lichte inreisverbod op, als:

Als in bovenstaande situatie sprake is van een zwaar inreisverbod en de verblijfgevende lidstaat heeft aangegeven het (voorgenomen) verblijfsrecht te handhaven of het verblijfsrecht niet in te trekken, heft de IND ambtshalve het inreisverbod op.

Als de verblijfgevende lidstaat niet binnen de reactietermijn van het raadplegingsverzoek heeft aangegeven (voornemens te zijn) het verblijfsrecht in te trekken, dan wordt het zware inreisverbod opgeheven als:

2.5.1. De vorm van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod

Hoe de IND omgaat met signaleringen in SIS of E&S naar aanleiding van een verzoek om opheffing van de signalering, staat opgenomen in paragraaf A2/12.10 Vc.

Het inreisverbod vervalt van rechtswege na afloop van de duur die aan het inreisverbod is verbonden.

Het inreisverbod vervalt van rechtswege na afloop van de duur die aan het inreisverbod is verbonden.

Artikel 66a, zesde en zevende lid, Vw blijven buiten toepassing als de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland ná het opleggen van het inreisverbod nog niet heeft verlaten. Het inreisverbod heeft in die situatie geen invloed op de mogelijkheid tot het verkrijgen van rechtmatig verblijf, zoals bedoeld in artikel 8 Vw.

3.5. Rechtsgevolgen ongewenstverklaring

2.5.6. Van rechtswege vervallen

3. Ongewenstverklaring

Het beleid dat geldt voor de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke opheffing van het inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.8 Vc.

3.1. Gronden voor ongewenstverklaring

Bij het besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, weegt de IND de belangen van de vreemdeling af tegen het algemeen belang van de Nederlandse staat.

Als de vreemdeling tweemaal een bij de Vw strafbaar gesteld feit heeft begaan, dient de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een voorstel tot ongewenstverklaring van deze vreemdeling bij de IND in.

De IND besluit uitsluitend tot ongewenstverklaring van de vreemdeling als ten aanzien van de bij de Vw strafbaar gestelde feiten die de vreemdeling heeft begaan, sprake is van:

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft bij het opmaken van een eerste proces-verbaal tegelijkertijd aan de vreemdeling de waarschuwing dat, als hij nogmaals een bij de Vw strafbaar gesteld feit begaat, de ambtenaar een voorstel tot ongewenstverklaring indient. Van deze waarschuwing maakt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een aantekening in de BVV.

2.5.3. Aanvraag tot opheffing van het inreisverbod bij gevaar nationale veiligheid

De IND besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beschouwt de vreemdeling als een gevaar voor de openbare orde als sprake is van tenminste één van de onderstaande gevallen:

De IND besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling als deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De IND beschouwt een vreemdeling als een gevaar voor de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw als daarvoor concrete aanwijzingen zijn.

2.6. Rechtsgevolgen van het inreisverbod

3.3. Voorbereiding van een besluit tot ongewenstverklaring

De IND kan tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, Vw besluiten als de vreemdeling buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan. Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, is in ieder geval een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

De IND besluit niet tot ongewenstverklaring als de ongewenstverklaring een schending van artikel 8 EVRM betekent. Bij het besluit tot ongewenstverklaring weegt de IND artikel 8 EVRM-aspecten mee. Verwezen wordt naar paragraaf B7/3.8 Vc.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)