Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

Type Circulaire
Publication 2026-08-11
Laatst bijgewerkt 2026-08-29
State In force
Source BWB
artikelen 17
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De IND neemt in ieder geval aan dat een derde land niet als veilig kan worden aangemerkt wanneer voor dat land een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw van toepassing is. De IND neemt ook aan dat een derde land niet als veilig kan worden aangemerkt als er aldaar sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, waarin de mate van willekeurig geweld van dien aard is dat de enkele aanwezigheid in het land al zorgt voor een reëel risico op ernstige schade.

Uit artikel 59, vijfde lid, aanhef en onder b, Procedureverordening volgt dat het begrip ‘veilig derde land’ in drie situaties mag worden toegepast:

De IND onderzoekt of de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land dat het van de vreemdeling redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij naar dat land gaat.

De IND neemt in de volgende gevallen in ieder geval aan dat de vreemdeling een band heeft met een derde land:

Doorreis door een derde land kan de volgende situaties omvatten:

Als een vreemdeling door het grondgebied van een derde land is gereisd, voordat hij de Europese Unie is binnengekomen, kan het concept veilig derde land worden toegepast, aangezien in dat geval redelijkerwijs kan worden verondersteld dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, om doeltreffende bescherming had kunnen verzoeken in een veilig derde land van doorreis.

Zowel de Unie als lidstaten kunnen overeenkomsten of regelingen sluiten met derde landen, op grond waarvan het derde land zich heeft verplicht verzoeken om te onderzoeken of de vreemdeling aanspraak maakt op doeltreffende bescherming. Deze mogelijkheid geldt niet voor niet-begeleide minderjarigen.

Artikel 59 , eerste, vierde en vijfde lid, Procedureverordening beschrijft wanneer een derde land als veilig derde land kan worden beschouwd.

Als op voorhand duidelijk is dat de vreemdeling niet tot dat land zal worden toegelaten, kan de aanvraag niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij in weerwil van door hem verrichte inspanningen om toelating te verkrijgen niet (opnieuw) zal worden toegelaten. Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich daadwerkelijk inspant om deze toegang te krijgen.

Een derde land kan voor een niet-begeleide minderjarige slechts als een veilig derde land worden beschouwd als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 59, zesde lid, Procedureverordening. Een land kan niet als veilig derde land worden aangemerkt enkel omdat er een overeenkomst of regeling met het derde land is gesloten.

Bij de vaststelling of een derde land voor een niet-begeleide minderjarige beschouwd moet worden als eerste land van asiel, beoordeelt de IND of dit in strijd is met zijn of haar belang. Daarbij wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van duurzame passende zorg en opvang.

Voor zover in het eerste land van asiel gezins- of familieleden woonachtig zijn, zal het daadwerkelijk samenbrengen van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling met zijn gezins- of familieleden alleen plaatsvinden indien dit in het belang van de minderjarige vreemdeling is. Uitgangspunt hierbij is dat het in het belang van de minderjarige vreemdeling is om herenigd te worden met zijn gezins- of familieleden.

De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige zal worden overgenomen door het bedoelde veilig derde land indien de autoriteiten van het veilig derde land binnen een redelijke termijn bevestigen dat zij de niet-begeleide minderjarige overnemen.

De IND neemt aan dat de niet-begeleide minderjarige vreemdeling onmiddellijk zal genieten van doeltreffende bescherming indien de autoriteiten van het veilig derde land dit bevestigen.

2.3. Bescherming in een andere EU-lidstaat (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c, Procedureverordening)

Het feit dat een andere lidstaat reeds internationale bescherming heeft verleend, vormt op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder c, Procedureverordening in de regel een reden om een aanvraag van dezelfde vreemdeling als niet-ontvankelijk af te wijzen.

De bescherming van de vreemdeling in een andere lidstaat kan in ieder geval blijken uit:

Wanneer het verblijfsdocument van de vreemdeling verlopen is, wil dat niet zeggen dat de vreemdeling geen bescherming meer geniet in de betreffende EU-lidstaat.

Het Eurodac-systeem wordt geraadpleegd tenminste twee maanden voordat een beslissing wordt genomen op een asielaanvraag. Als daaruit volgt dat internationale bescherming is verleend, dan mag daarvan worden uitgegaan.

Wanneer uit dat systeem niet blijkt dat de status is ingetrokken, dan is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij in de andere lidstaat toch geen internationale bescherming meer heeft.

2.4. Een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor veilige herplaatsing van de vreemdeling of neemt ondubbelzinnig maatregelen in die zin (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening)

Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening kan een aanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als een internationaal strafgerecht heeft gezorgd voor veilige herplaatsing van de vreemdeling naar een lidstaat of een derde land of ondubbelzinnig maatregelen neemt in die zin, tenzij nieuwe relevante omstandigheden zijn ontstaan waarmee het strafhof of tribunaal geen rekening heeft gehouden of er geen juridische mogelijkheid bestond om omstandigheden die relevant zijn voor internationaal erkende mensenrechtennormen aan te voeren voor dat internationale strafgerecht.

2.5. Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel na ontvangst van een terugkeerbesluit (artikel 38, eerste lid, aanhef en onder e, Procedureverordening)

Op grond van artikel 38, eerste lid, aanhef en onder e, Procedureverordening kan een aanvraag worden afgewezen als niet-ontvankelijk als de vreemdeling asiel aanvraagt pas zeven dagen of later na ontvangst van een terugkeerbesluit. Het gaat in ieder geval om de situatie dat de vreemdeling:

2.6. Volgende aanvragen (artikel 38, tweede lid, Procedureverordening)

Een aanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a Vw in de gevallen zoals bedoeld in artikel 38, tweede lid, Procedureverordening. Het moet gaan om een volgende aanvraag waarbij geen nieuwe relevante elementen, in de zin van artikel 55, derde en vijfde lid, Procedureverordening naar voren zijn gebracht die de kans op asiel aanzienlijk groter maken.

De wijze waarop de IND onderzoekt of de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard is neergelegd in paragraaf C2/5 Vc.

3. Gegrond, ongegrond en kennelijk ongegrond

De beoordeling of een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel gegrond of ongegrond is, vindt plaats aan de hand van artikelen 29, 29a, 29b, 29c, 29d en 31 Vw. Daarin wordt uiteengezet aan welke voorwaarden moet worden voldaan om voor inwilliging van de aanvraag in aanmerking te kunnen komen en wanneer de aanvraag ongegrond is. De omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat een aanvraag kennelijk ongegrond is, zijn beschreven in artikel 30b Vw en worden hieronder behandeld in paragraaf C4/3.1 t/m C4/3.10 Vc. Eerst nadat de IND heeft beoordeeld of een aanvraag ongegrond is, beoordeelt de IND of de aanvraag tevens als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen.

Een aanvraag kan, zoals beschreven in artikel 39, vierde lid, Procedureverordening, kennelijk ongegrond worden verklaard. In artikel 42, eerste en derde lid, Procedureverordening staat beschreven in welke gevallen dit mogelijk is en in welke gevallen de versnelde behandelingsprocedure kan worden toegepast. Deze gevallen worden hieronder verder uitgewerkt.

3.1. Aangelegenheden die niet ter zake doen (artikel 42, eerste lid, onder a, Procedureverordening)

Onder aangelegenheden die niet ter zake doen verstaat de IND alle aangelegenheden die geen betrekking hebben op de voor de beoordeling van de asielaanvraagrelevante informatie. Deze aangelegenheden raken niet aan vluchtelingschap of subsidiaire bescherming.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.2. Kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen (artikel 42, eerste lid, onder b, Procedureverordening)

Onder kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen verstaat de IND:

Het gaat om duidelijke vormen van ongeloofwaardigheid, waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat hierover geen twijfel bestaat en waardoor de verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige v betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.3. Opzettelijke misleiding (artikel 42, eerste lid, onder c, Procedureverordening)

Onder misleiden wordt verstaan: de vreemdeling probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, om op die manier in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen.

Van misleiden is in ieder geval sprake indien:

Bij ‘identiteitsdocumenten’ moet het gaan om documenten die specifiek te herleiden zijn tot de betreffende vreemdeling, hetzij door middel van een pasfoto, hetzij door middel van biometrische gegevens.

De vreemdeling moet in de gelegenheid zijn gesteld een geldige reden aan te voeren om de misleiding niet aan hem tegen te werpen.

Ad c. ‘Te slechter trouw’ betekent dat de vreemdeling bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden of vernietigd, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen.

‘Duidelijke gronden’ betekent dat de IND dit bedrog niet hoeft aan te tonen of bewijzen, maar dat er sprake moet zijn van een ‘aannemelijkheid’ dat de vreemdeling te slechter trouw heeft gehandeld. Die aannemelijkheid kan zien op twee onderdelen:

Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat er sprake is van dwang, dan is er geen sprake van te slechter trouw handelen.

De IND verklaart niet zonder meer een aanvraag kennelijk ongegrond wanneer identiteits- en/of nationaliteitsdocumenten (toerekenbaar) ontbreken. Er moet sprake zijn van een zekere mate van bewust en opzettelijk handelen.

In de volgende gevallen is wel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten, maar niet zonder meer van ‘misleiden’ door documenten achter te houden, dan wel staat niet zonder meer vast dat dit te slechter trouw gebeurde:

De verklaringen van de vreemdeling omtrent het verlies dan wel de omstandigheden waaronder hij de documenten heeft afgegeven dienen geloofwaardig te zijn.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.4. Verwijdering (uitzetting of overdracht) vertragen, verhinderen of voorkomen (artikel 42, eerste lid, onder d, Procedureverordening)

Bij de beoordeling of sprake is van het vertragen, verhinderen of het voorkomen van een beslissing tot de verwijdering of uitzetting of overdracht van de vreemdeling betrekt de IND het moment waarop de vreemdeling zijn asielwens kenbaar maakt. Situaties waarbij dit van toepassing kan zijn, zijn bijvoorbeeld:

Bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.5. Veilig land van herkomst (artikel 42, eerste lid, onder e, Procedureverordening)

In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen die een uitwerking zijn van de volgende artikelen:

De IND kan een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kennelijk ongegrond verklaren op grond van artikel 30b Vw, indien een derde land kan worden beschouwd als een veilig land van herkomst voor de vreemdeling.

Een derde land kan alleen op grond van artikel 61 Procedureverordening als zodanig worden aangewezen.

Het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst kan op het niveau van:

De lijst met veilige landen van herkomst die op het niveau van de Unie is vastgesteld zijn neergelegd in bijlage II bij Verordening 2026/464 tot wijziging van Verordening 2024/1348.

In artikel 61, derde lid, Procedureverordening is opgenomen op basis van welke bronnen een derde land kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. De Unie of de Minister moet overeenkomstig artikel 61, vierde lid Procedureverordening de mate waarin bescherming in zijn algemeenheid wordt geboden tegen vervolging en ernstige schade vaststellen.

Bij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen. Uitzonderingen op het niveau van de Unie moeten ook door de Unie worden vastgesteld en kan niet op nationaal niveau plaatsvinden.

Het begrip veilig land van herkomst mag worden toegepast indien;

In bovenstaande gevallen beoordeelt de IND op de gebruikelijke wijze of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.6. Openbare orde of nationale veiligheid (artikel 42, eerste lid, onder f, Procedureverordening)

3.6.1. Algemeen

Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

De IND onderzoekt het gevaar voor de openbare orde in gevallen waarin 1F aspecten spelen aan de hand van het specifieke beoordelingskader van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (paragraaf C4/3.6.9 Vc).

De IND beoordeelt of er sprake is van concrete aanwijzingen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid (paragraaf C4/3.6.8 Vc).

De IND kan de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Ook kan de IND de asielaanvraag van de vreemdeling kennelijk ongegrond verklaren als de vreemdeling onder dwang is uitgezet uit Nederland om ernstige redenen van openbare orde. Dit volgt uit artikel 30b, eerste lid, Vw, en de artikelen 39, vierde lid en 42, eerste lid, aanhef en onder f, Procedureverordening.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

Volgens de Procedureverordening kan het begrip ‘openbare orde’ onder meer (dus niet beperkt tot) een veroordeling wegens een ernstig misdrijf bestrijken. De toepassing van het begrip openbare orde wordt, in lijn met de Kwalificatieverordening en de Procedureverordening, hieronder verder uitgewerkt in paragraaf C4/3.6.2 tot en met C4/3.6.6 Vc.

De IND onderzoekt per verleningsgrond of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde:

3.6.2. Algemene uitgangspunten

Bij alle categorieën genoemd in paragraaf C4/3.6.1 Vc gelden de volgende algemene uitgangspunten bij de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde.

3.6.2.1. Individuele beoordeling

De IND beoordeelt of de vreemdeling in aanmerking komt voor een vluchtelingstatus, subsidiairebeschermingsstatus, een afgeleide status op basis van meereis of nareis, of niet in aanmerking komt voor een status. Deze status is bepalend voor de vraag aan welke voorwaarden moet worden voldaan om de status niet te verlenen in het geval sprake is van openbare orde aspecten. Afhankelijk van de status beoordeelt de IND of sprake is van een bijzonder ernstig of ernstig misdrijf en/of een gevaar voor de gemeenschap. Dit gebeurt op individuele basis, aan de hand van alle relevante feitelijke en juridische gegevens. Dit houdt in dat de IND alle strafrechtelijke veroordelingen, verdenkingen en gepleegde misdrijven meeweegt in de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde.

Ook veroordelingen die in het verleden volgens het jeugdstrafrecht zijn opgelegd worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde. De IND betrekt daarbij in ieder geval de door de vreemdeling aangevoerde bijzondere feiten en omstandigheden, die zien op de aard en de ernst van het delict en het tijdsverloop dat is verstreken sinds het delict. Hierbij wegen de individuele omstandigheden zwaar mee, waaronder de vraag hoe groot het aandeel is van de vreemdeling in het gepleegde delict waardoor hij een gevaar voor de gemeenschap vormt.

3.6.2.2. Verjaringstermijnen

De IND hanteert bij de beoordeling van het tijdsverloop de verjaringstermijnen zoals opgenomen in paragraaf B1/4.4 Vc. De IND past in de volgende gevallen de verjaringstermijnen uit paragraaf B1/4.4 Vc niet toe:

Er is sprake van het bij herhaling veroordeeld zijn als:

3.6.2.3. In het buitenland gepleegde strafbare feiten

De IND betrekt de strafbare feiten die de vreemdeling in het buitenland heeft gepleegd ook bij de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beoordeelt welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, als die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en/of bestraft. De bewijslast voor het onderbouwen van de gepleegde misdrijven in het buitenland ligt in de eerste plaats bij de vreemdeling. Afhankelijk van de bewijsmiddelen die de vreemdeling overlegt, beoordeelt de IND dit als volgt:

3.6.2.4. Jeugdstrafrecht en minderjarige vreemdelingen

De IND kan één of meerdere veroordelingen in het kader van het jeugdstrafrecht betrekken bij de beoordeling of er sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Ook in het geval de minderjarige vreemdeling opnieuw voor een misdrijf of meerdere misdrijven (recidive) wordt veroordeeld, heeft de IND als uitgangspunt alle strafrechtelijke veroordelingen mee te wegen in de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde, zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.2.1 Vc. Hierbij wegen het karakter van het jeugdstrafrecht en de individuele omstandigheden mee.

3.6.3. Openbare orde en artikel 29, eerste lid, Vw (vluchtelingenstatus)

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw als de vreemdeling definitief (ofwel: onherroepelijk) is veroordeeld voor minstens één misdrijf dat op zichzelf een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ is én de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap’, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, jo eerste lid, aanhef en e Kwalificatieverordening. De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw omdat er redelijke gronden bestaan aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde.

3.6.3.1. Bijzonder ernstig misdrijf

‘Bijzonder ernstige misdrijven’ zijn misdrijven die de rechtsorde van de gemeenschap het meeste aantasten. Bij de beoordeling van het ‘bijzonder ernstig misdrijf’ dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de volgende punten:

3.6.3.2. Gevaar voor de gemeenschap

De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling).

De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee:

De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt:

Deze lijst is niet limitatief.

De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap indien hij in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten en die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt.

De IND beoordeelt aan de hand van het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ of een vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Dit betekent dat de IND beoordeelt of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de gemeenschap vormt.

3.6.3.3. Evenredigheidstoets

Indien de IND beoordeelt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat de vreemdeling definitief veroordeeld is voor een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ en een gevaar vormt voor de gemeenschap, verleent de IND geen vluchtelingstatus, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, jo eerste lid, aanhef en onder e Kwalificatieverordening. In die gevallen voert de IND geen evenredigheidstoetsing uit in verband met de vrees voor vervolging.

Als de vreemdeling geen vluchtelingstatus wordt verleend vanwege de openbare orde-aspecten, waardoor de asielaanvraag wordt afgewezen, kan hij, mits hij in Nederland is, gebruik maken van de rechten zoals genoemd in artikel 14, derde lid, Kwalificatieverordening.

3.6.3.4. Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Hierin staan ook bepalingen opgenomen ten aanzien van artikel 8 EVRM.

3.6.3.5. Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt, betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

3.6.4. Openbare orde en artikel 29a, eerste lid, Vw (subsidiairebeschermingsstatus)

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in de volgende twee gevallen:

De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw omdat er redelijke gronden bestaan aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Of er redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap wordt beoordeeld aan de hand van het Unierechtelijk openbare orde-criterium.

3.6.4.1. Ernstig misdrijf

Indien de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn aankomst in Nederland, dan is een veroordeling niet noodzakelijk. Indien de vreemdeling na zijn aankomst in Nederland een ernstig misdrijf heeft gepleegd, dan is een veroordeling wel noodzakelijk. Deze hoeft niet definitief (ofwel: onherroepelijk) te zijn. Bij de beoordeling of sprake is een ‘ernstig misdrijf’ houdt de IND in ieder geval rekening met de volgende punten:

Als het misdrijf naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert, zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.4.2 Vc, is dit een sterke indicatie dat er sprake is van een ‘ernstig misdrijf’.

Indien de vreemdeling minderjarig is, houdt de IND, conform artikel 17, vijfde lid, Procedureverordening, bij de beoordeling of er sprake is van uitsluiting van de subsidiairebeschermingsstatus onder andere rekening met de vraag of de vreemdeling strafrechtelijk aansprakelijk had kunnen worden gesteld indien hij het misdrijf, op deze leeftijd, in Nederland zou hebben gepleegd en of hij daarvoor zou worden veroordeeld.

3.6.4.2. Gevaar voor de gemeenschap

Bij de beoordeling of de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap is het niet noodzakelijk dat een vreemdeling in het verleden een ernstig misdrijf heeft gepleegd of daarvoor is veroordeeld.

De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling).

De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee:

De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt:

Deze lijst is niet limitatief.

De IND beoordeelt aan de hand van het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ of een vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Dit betekent dat de IND beoordeelt of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de gemeenschap vormt.

De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap indien hij in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten en die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt.

3.6.4.3. Evenredigheidstoets

Indien de IND beoordeelt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, sluit de IND de vreemdeling uit van de subsidiairebescherminggstatus, zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, Kwalificatieverordening, zonder een evenredigheidstoetsing in verband met de vrees voor ernstige schade uit te voeren.

3.6.4.4. Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc. Hierin staan ook bepalingen opgenomen ten aanzien van artikel 8 EVRM.

3.6.4.5. Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

3.6.5. Openbare orde en artikel 29b, eerste lid, Vw (meereizende gezinsleden)

De verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29b Vw wordt door de IND niet verleend, als dat noodzakelijk om redenen van openbare orde, overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening.

De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor meereizende gezinsleden wordt dan kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw, gebaseerd op artikel 42, eerste lid, onder f, of artikel 42, derde lid, onder b, Procedureverordening, wanneer dit conform artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening noodzakelijk is om redenen van openbare orde. Hiervoor wordt aangesloten bij paragraaf 3.6.7 Vc.

3.6.5.1. Evenredigheidstoets

Als de IND de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw weigert omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, dan toetst de IND of dit noodzakelijk is. Het strafbare feit waarvoor de vreemdeling is veroordeeld moet zo ernstig zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling uit te sluiten.

Hierbij houdt de IND rekening met alle individuele omstandigheden conform artikel 8 EVRM, zoals:

3.6.5.2. Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc.

3.6.5.3. Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het Unierechtelijk openbare orde-criterium ook in dit kader.

3.6.6. Openbare orde en artikel 29c of 29d Vw (nareizende gezinsleden)

De IND kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of 29d Vw weigeren op grond van de openbare orde overeenkomstig het in paragraaf C5 Vc opgenomen wettelijke kader. De IND beoordeelt de aanvraag in dat geval aan de hand van artikel 3.77 Vb artikel 3.78 Vb, en paragraaf B1/4.4 Vc.

3.6.6.1. Evenredigheidstoets

Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29c, eerste lid of artikel 29d, eerste lid, Vw, afwijst omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, toetst de IND aan het evenredigheidsbeginsel. De Kwalificatieverordening is niet van toepassing op deze vergunningen.

In het kader van de evenredigheidstoets beoordeelt de IND de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de afwijzing. Het strafbare feit waarvoor de vreemdeling is veroordeeld moet zo ernstig zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling uit te sluiten.

Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29c, eerste lid, Vw, afwijst dan toetst de IND naast het evenredigheidsbeginsel ook aan artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Als de IND de asielaanvraag op grond van artikel 29d, eerste lid, Vw, afwijst dan toetst de IND naast het evenredigheidsbeginsel aan artikel 8 EVRM.

Hierbij houdt de IND rekening met alle individuele omstandigheden, waaronder:

3.6.6.2. Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc.

3.6.6.3. Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

3.6.7. Afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van openbare orde

Als de IND de asielaanvraag van de vreemdeling reeds op inhoudelijke gronden (kennelijk) ongegrond kan verklaren en de vreemdeling op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde, kan de aanvraag ook kennelijk ongegrond worden afgedaan op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw.

De vreemdeling vormt in ieder geval op redelijke gronden een gevaar voor de openbare orde van Nederland als:

De IND kan in ieder geval in de volgende gevallen aannemen dat het misdrijf naar zijn aard een ‘gevaar voor de gemeenschap’ vormt:

Deze lijst is niet limitatief.

De vreemdeling vormt ook op redelijke gronden een gevaar voor de openbare orde als er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf, zoals bedoeld in de voorgaande paragrafen.

De IND betrekt de door de vreemdeling aangevoerde feiten of omstandigheden in het oordeel of hij op redelijke gronden een gevaar vormt voor de openbare orde van de lidstaat.

3.6.7.1. Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc.

3.6.7.2. Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond van A4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

3.6.8. Afwijzing van een asielaanvraag, dan wel meereis of nareis op grond van nationale veiligheid

Als er redelijke gronden bestaan om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van de lidstaat waar de vreemdeling zich bevindt in de zin van artikel 14, eerste lid aanhef en onder d Kwalificatieverordening, dan wel een gevaar vormt voor de nationale veiligheid zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, onder d, Kwalificatieverordening wordt de asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid Vreemdelingwet kennelijk ongegrond verklaard omdat er redelijke gronden bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, jo artikel 42, eerste lid, onder f Procedureverordening.

Voor de toepassing van artikel 14 eerste lid, aanhef en onder d, artikel 17 lid 1, onder d, Kwalificatieverordening en artikel 30b, eerste lid, Vw geldt het specifieke toetsingskader voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ in B1/4.4 Vc.

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor meereizende gezinsleden af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, Vw, wanneer dit conform artikel 23, vijfde lid, Kwalificatieverordening noodzakelijk is om redenen van nationale veiligheid. Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ geldt het specifieke toetsingskader in B1/4.4 Vc.

De IND kan de aanvraag weigeren op grond van gevaar voor de nationale veiligheid overeenkomstig artikel 16, eerste lid onder d, Vw.

In beide gevallen geldt het specifieke toetsingskader in B1/4.4 Vc voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’.

3.6.8.1. Ambtshalve toets

Voor de ambtshalve toets bij asielaanvragen wordt verwezen naar paragraaf C1/7 Vc.

3.6.8.2. Besluit tot signalering of terugkeerbesluit en inreisverbod

Voor het uitvaardigen van een besluit tot signalering wordt verwezen naar paragraaf A4/4 Vc. Voor het uitvaardigen van een terugkeerbesluit wordt verwezen naar paragraaf A3/1.1 Vc. Voor het opleggen van een inreisverbod wordt verwezen naar paragraaf A4/2 Vc.

Let op: als de IND naast de afwijzing op grond van de openbare orde ook een zwaar inreisverbod oplegt of een besluit tot signalering op grond vanA4 Vc betrekt de IND het ‘Unierechtelijk openbare orde-criterium’ ook in dit kader.

3.6.9. Afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (artikel 12 en artikel 17 Kwalificatieverordening)

De IND zal gelet op het bepaalde in artikel 12, vierde lid en 17, eerste en tweede lid Kwalificatieverordening de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus weigeren als artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

Als de IND artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing acht, is een strafrechtelijke veroordeling niet noodzakelijk om aan te nemen dat een vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. De toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag volstaat zelfstandig om aan te nemen dat er sprake is van een gevaar voor de openbare orde zoals bedoeld in de artikelen 12 en 17 van de Kwalificatierichtlijn.

3.6.9.1. Artikel 1F, aanhef en onder a, Vluchtelingenverdrag

De IND kan ‘misdrijven tegen de vrede’ in ieder geval tegenwerpen aan de hoogste civiele of militaire leidinggevenden in een land.

De ernst van een misdrijf wordt bepaald door:

3.6.9.2. Artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag

3.6.9.2.1. Politieke misdrijven

Het door de vreemdeling gepleegde misdrijf wordt beschouwd als een politiek misdrijf, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

De volgende misdrijven kunnen een politiek karakter hebben:

Het plegen van een politiek misdrijf vormt geen grond voor het toepasselijk achten van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Een uitzondering hierop is als sprake is van bijzonder wrede handelingen, waarbij de handeling in kwestie niet in verhouding staat tot het beweerde politieke doel, en terroristische daden die worden gekenmerkt door geweld. Deze moeten, ook wanneer zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige niet-politieke misdrijven worden aangemerkt. Dergelijke handelingen en daden kunnen derhalve leiden tot uitsluiting van internationale bescherming.

3.6.9.2.2. Niet-politieke misdrijven

De volgende misdrijven moeten in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag:

3.6.9.2.3. Beoordeling ernstige misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag

De beoordeling of een misdrijf ‘ernstig’ is in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag, betreft een individuele beoordeling aan de hand van de individuele omstandigheden. De volgende elementen kunnen daarbij van belang zijn:

Het is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden welke elementen – al dan niet in samenhang – relevant zijn en moeten worden betrokken in de beoordeling.

Bij geweldsmisdrijven kijkt de IND naar de mate van geweld dat toegepast is (het geweld en/of schade die het gevolg was van de gedraging), de geweldsmethoden die zijn gebruikt en het gebruik van dodelijke wapens. Misdrijven zonder geweldscomponent, zoals economische misdrijven of handel in drugs, kunnen eveneens onder de reikwijdte van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag vallen. Het is niet relevant of het misdrijf is gepleegd in het herkomstland of een land buiten het land van toevlucht.

Bij omvang van de schade wordt onder meer meegewogen of sprake is van:

Bij het wegen van de strafmaat is van belang de maximumstraf die volgens het Nederlandse Wetboek van Strafrecht op het misdrijf is gesteld dan wel – als de vreemdeling al is veroordeeld – de hoogte van de opgelegde straf (na strafmaatvergelijking). Uitsluiting op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag gebeurt echter niet slechts op basis van de strafmaat, maar alleen na onderzoek en beoordeling van alle relevante feiten.

De internationale standaard en consensus of een bepaald misdrijf als ‘ernstig’ is aan te merken in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag kan worden afgeleid uit bronnen als:

Misdrijven die op grond van vorenstaande doorgaans als ‘ernstig’ kunnen worden aangemerkt zijn (niet-limitatief) moord, verkrachting, brandstichting, het plegen van een gewapende overval, en andere vergrijpen die vergezeld gaan van dodelijke wapens en/of ernstige verwonding van personen.

Het gegeven dat een bepaalde praktijk in het land van herkomst of in het land waar de handeling is gepleegd als zodanig niet strafbaar is, sluit niet uit dat deze handeling volgens internationale standaarden wel gekwalificeerd dient te worden als een ernstig, niet-politiek misdrijf.

Een aantal aspecten van de strafprocedure (of de uitkomst ervan) kunnen een rol spelen bij het toepassen van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag:

3.6.9.2.4. Absolute politieke misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag

Bij ‘absolute politieke misdrijven’ kan artikel 1F, aanhef en onder b, Vluchtelingenverdrag niet worden toegepast. Absolute politieke misdrijven zijn misdrijven met een politiek karakter, waarbij uit de omschrijving van het misdrijf blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. De volgende misdrijven zijn in ieder geval absolute politieke misdrijven:

Een uitzondering hierop is als sprake is van bijzonder wrede handelingen, waarbij de handeling in kwestie niet in verhouding staat tot het beweerde politieke doel, en terroristische daden die worden gekenmerkt door geweld. Deze moeten, ook wanneer zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige niet-politieke misdrijven worden aangemerkt. Dergelijke handelingen en daden kunnen derhalve leiden tot uitsluiting van internationale bescherming.

3.6.9.2.5. Factoren voor het wel of niet toepassen van de uitsluitingsgrond

Als is vastgesteld dat sprake is van een ernstig, niet-politiek misdrijf, dan is een verdere evenredigheidstoetsing of toetsing aan proportionaliteit, die impliceert dat de ernst van de gestelde daden nogmaals wordt beoordeelt, niet verplicht.

3.6.9.3. Artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag

Onder de doelstellingen van de VN wordt verstaan: de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. Onder de beginselen van de VN wordt verstaan: artikel 2 van het Handvest van de VN van 1945.

De volgende handelingen zijn in ieder geval in strijd met de doelstellingen en beginselen van de VN:

Om de vreemdeling verantwoordelijk te kunnen houden voor misdrijven die vallen onder artikel 1F aanhef en onder c, Vluchtelingenverdrag beoordeelt de IND:

3.6.9.4. Bewijslast en verantwoordelijkheid

Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling verantwoordelijk gehouden kan worden voor één van de misdrijven zoals bedoeld in dit artikel. Als de IND ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen.

Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor misdrijven en daden als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’).

3.6.9.4.1. ‘Knowing participation’

Er is in ieder geval sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in één van de volgende situaties:

In het geval van situatie a. of b. toetst de IND of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft of had moeten hebben van het plegen van de misdrijven. De IND spreekt dan van een ‘significante uitzondering’.

De IND neemt geen ‘knowing participation’ aan voor misdrijven als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, als de vreemdeling tijdens het plegen van de misdrijven nog niet de leeftijd van vijftien jaren had bereikt.

Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaar oud was, betrekt de IND alle feiten en omstandigheden bij haar onderzoek om vast te stellen of de vreemdeling weet heeft gehad of had moeten hebben van de misdrijven.

Als de vreemdeling bij het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was en als soldaat in een leger heeft gediend, worden in ieder geval de volgende omstandigheden door de IND meegewogen:

3.6.9.4.2. ‘Personal participation’

Er is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties:

De vreemdeling heeft een misdrijf gefaciliteerd, als zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. De IND concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen als aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

De IND toetst of er sprake is van een ‘significante uitzondering’ zoals beschreven in de subparagraaf ‘bewijslast en verantwoordelijkheid’ (‘knowing participation’).

3.6.9.5. Persoonlijke vrijwaren van verantwoordelijkheid

3.6.9.5.1. Handelen op bevel

De IND toetst aan artikel 33 van het Statuut van Rome, inzake het Internationaal Strafhof voor de beoordeling van de individuele verantwoordelijkheid van de vreemdeling, als de vreemdeling heeft gehandeld op bevel van een regering of meerdere.

3.6.9.5.2. Dwang

Als de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van misdrijven, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid als sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties:

3.6.9.5.3. Zelfverdediging

Wanneer de vreemdeling aanvoert uit zelfverdediging misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te hebben gepleegd, wordt deze niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid als er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:

3.6.9.6. Duurzaamheid en proportionaliteit

Als aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:

De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden:

De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.

Als de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond en de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, verleent de IND krachtens artikel 3.6b, onder a, Vb ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder e, VV. De verblijfsvergunning wordt in dat geval voor maximaal een jaar verleend en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd (artikel 3.58, eerste lid onder q, Vb).

3.6.9.7. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND verleent op grond van de artikelen 3.77 en 3.107 Vb geen verblijfsvergunning asiel aan gezinsleden van een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Dit geldt niet wanneer deze gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw.

De IND werpt de contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag niet tegen aan een gezinslid, als de feitelijke gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen feitelijk verbroken is. Van verbreking van de gezinsband wordt niet uitgegaan als blijkt dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen op enige wijze gebruik blijft maken van de voorzieningen van het gezinslid.

De contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt niet langer tegengeworpen aan het gezinslid van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

Voor de gezinsleden binnen één gezin waarbinnen de feitelijke gezinsband niet is verbroken, geldt voor alle gezinsleden de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van het hier langst verblijvende gezinslid als aanvang van de termijn. De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen telt hiervoor niet mee.

3.6.10. Onder dwang uitgezet wegens openbare veiligheid of openbare orde

De IND verstaat hieronder de vreemdeling die, anders dan onder artikel 30b, eerste lid, Vw, en als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, Procedureverordening, op een eerder moment op grond van de openbare orde of nationale veiligheid de toegang tot Nederland (en daarmee het Schengengebied) is geweigerd en derhalve, zonder dat het gepleegde feit heeft geleid tot een inreisverbod of ongewenstverklaring zoals bedoeld in artikel 66a Vw of artikel 67 Vw, is uitgezet naar het land van herkomst.

3.7. Volgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is verklaard (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder g, Procedureverordening)

Hieronder valt in ieder geval een volgende aanvraag waarbij nieuwe relevante elementen zijn ingebracht voor de beoordeling van de aanvraag, maar waar dit niet leidt tot een inwilliging van de aanvraag.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.8. Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld – onrechtmatig binnengekomen (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder h, Procedureverordening)

Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder h, Procedureverordening om de situatie dat:

Hieronder valt ook de vreemdeling die zich pas meldt na het verlopen van een visum en in de tussentijd geen andere wijze van rechtmatig verblijf heeft gehad. ‘Gezien de omstandigheden van zijn of haar binnenkomst’ zoals volgt uit artikel 42, eerste lid, onder h, Procedureverordening, betekent dat bij de beoordeling betrokken moet worden of de asielmotieven al aanwezig waren bij binnenkomst, of dat die op een later moment zijn ontstaan.

De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij onrechtmatig binnen is gekomen als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.9. Zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk gemeld – rechtmatig binnengekomen (artikel 42, eerste lid, aanhef en onder i, Procedureverordening)

Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder i, Procedureverordening om de situatie dat:

Hieronder valt ook de vreemdeling die zich meldt terwijl hij rechtmatig verblijf heeft op basis van een geldig visum. ‘Gezien de omstandigheden van zijn of haar binnenkomst’ zoals volgt in artikel 42, eerste lid, onder i, Procedureverordening, betekent dat bij de beoordeling betrokken moet worden of de asielmotieven al aanwezig waren bij binnenkomst, of dat die op een later moment zijn ontstaan.

De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij zich zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk heeft gemeld als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen.

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond niet af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

3.10. Nationaliteit waarvan inwilligingspercentage lager is dan 20%

Het gaat in artikel 42, eerste lid, onder j, Procedureverordening om de situatie dat:

De IND wijst de asielaanvraag op deze grond ook af als kennelijk ongegrond in het geval de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige vreemdeling betreft (zie artikel 42, derde lid, Procedureverordening).

4. Expliciete en impliciete intrekkingen

4.1. Algemeen

Op ieder moment in de procedure kan een vreemdeling een aanvraag intrekken. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een impliciete en een expliciete intrekking. Bij beide opties bestaat de mogelijkheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen of om inhoudelijk te beslissen. Deze laatste verdient de voorkeur, voor zover er voldoende informatie is om een inhoudelijke beslissing te maken.

4.2. Expliciete intrekking

Op ieder moment van de procedure kan een vreemdeling uit eigen beweging diens verzoek actief intrekken; dit betreft de expliciete intrekking. Dit verzoek tot intrekking moet schriftelijk worden ingediend. Dat kan de vreemdeling zelf doen of het kan door zijn gemachtigde worden gedaan. De vreemdeling dient door de IND op de hoogte gesteld te worden van de procedurele gevolgen van die intrekking. Er kan vervolgens op twee wijzen op worden gehandeld:

De IND kan bij de beoordeling of er voldoende informatie voorhanden is om inhoudelijk te beslissen onder meer betrekken:

4.3. Impliciete intrekking

Een aanvraag kan ook impliciet ingetrokken worden verklaard als één van de gronden van artikel 41, eerste lid, Procedureverordening van toepassing is. Ook bij impliciete intrekkingen kan inhoudelijk worden beslist, wanneer er voldoende informatie beschikbaar is om de aanvraag af te doen als (kennelijk) ongegrond op grond van artikel 31, derde lid, onder b of artikel 30b, eerste lid, onder b, Vw. Wanneer het niet mogelijk is om af te wijzen wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, Vw.

Als een of meer van de omstandigheden genoemd in artikel 41, eerste lid Procedureverordening zich voordoen en op dat moment nog geen inhoudelijke beslissing kan worden genomen, wordt de aanvraag als impliciet ingetrokken beschouwd. De IND kan de vreemdeling gelet op artikel 41, vierde lid van de Procedureverordening een hersteltermijn van maximaal drie dagen aanbieden om gegronde redenen aan te voeren voor de nalatigheden of handelingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 41 Procedureverordening en / of om alsnog te voldoen aan het hetgeen in dit artikel is opgenomen. Bij de grensprocedure, bewaringszaken en VRIS-zaken kan er maximaal een termijn van één dag gegeven worden.

Het bieden van een hersteltermijn blijft achterwege indien:

Wanneer de impliciete intrekking plaatsvindt binnen het OVA-proces, wordt er gewacht met beslissen tot de uiterlijke termijn voor de screening zoals neergelegd in artikel 8 Screeningsverordening is verstreken, waarna de aanvraag in beginsel buiten behandeling wordt gesteld.

4.4. Intrekking en grensprocedure of vreemdelingenbewaring

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt zo spoedig mogelijk een besluit omtrent weigering van de toegang als bedoeld in artikel 14 in samenhang met artikel 6 SGC (model M17), als de aanvraag binnen de grensprocedure expliciet of impliciet wordt ingetrokken.

Na het nemen van dit besluit, legt de bevoegde ambtenaar middels beschikking model M19 of M19A een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op krachtens artikel 6, eerste en tweede lid Vw dan wel artikel 6a Vw. Het nemen van een besluit omtrent weigering van de toegang en het opleggen van deze nieuwe maatregel moet plaatsvinden binnen twee dagen na intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

Als de vreemdeling in vreemdelingenbewaring zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel intrekt, wordt beoordeeld of aansluitend een nieuwe maatregel op grond van artikel 59, eerste lid onder a, Vw opgelegd kan worden. Ook hiervoor geldt een termijn van twee dagen.

Bij VRIS-zaken moet beoordeeld worden of er bij een inhoudelijke beslissing op grond van openbare orde een zwaar inreisverbod kan worden opgelegd.

C5. Gezinshereniging

1. Artikel 29c, Vw of artikel 29d, Vw, afgeleide verblijfsvergunning, asiel nareizende gezinsleden

1.1. Algemeen

1.1.1. Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel voor nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een vluchtelingenstatus staat beschreven in artikel 29c Vw.

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel aan nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus staat beschreven in artikel 29d Vw. De Gezinsherenigingsrichtlijn is hierop niet van toepassing.

De houder van een verblijfsvergunning asiel die op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw verzoekt om overkomst van zijn gezinsleden, wordt aangemerkt als ‘de referent’.

De wettelijke termijn van drie maanden, die in artikel 29c, eerste lid, Vw wordt genoemd, gaat in op de dag na die waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent bekend is gemaakt. De termijn van drie maanden is veiliggesteld als:

De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel niet als de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is. Dit is conform artikel 29c, tweede lid, Vw. De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel als er geen objectief verschoonbare reden is voor de termijnoverschrijding.

Bij de beoordeling of de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is kan onder andere rekening worden gehouden met:

De wettelijke termijn van drie maanden geldt niet voor nareisaanvragen die zijn ingediend op grond van artikel 29d Vw. Voor deze aanvragen zijn de in artikel 29d Vw beschreven aanvullende voorwaarden van toepassing. Zie daartoe ook paragraaf C5/1.2 Vc.

1.1.2. Bewijsmaterialen

De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29c of 29d Vw moet zijn identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk maken door in beginsel in elk geval de volgende documenten te overleggen:

Daarnaast moet de vreemdeling zoveel mogelijk andere bewijsmiddelen overleggen. Als de vreemdeling de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij de reden(en) hiervoor kenbaar maken. Bij deze beoordeling is paragraaf C5/1.3 Vc van overeenkomstige toepassing.

Als de vreemdeling de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen, moet hij met aanvullende gegevens en/of met plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aannemelijk maken dat het gezinslid feitelijk behoort tot zijn gezin.

De IND kent een sterkere bewijswaarde toe aan documenten, wanneer deze door de autoriteiten van het land van herkomst zijn afgegeven en er voldoende identificerende gegevens (zoals een foto, geboortedata en (achter)namen) van de referent en het gezinslid op het document staan.

Documenten die niet zijn afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten, en documenten met weinig identificerende gegevens, hebben in de regel een zwakkere bewijswaarde.

De IND beziet bij het toekennen van bewijswaarde aan deze documenten de manier van afgifte van het document. Daarbij is van belang of het document op basis van (eigen) verklaringen of op basis van nader onderzoek door autoriteiten is opgesteld. De IND houdt hierbij rekening met de persoonlijke omstandigheden van de referent en het gezinslid, en met de administratieve praktijken van het land van herkomst of in het land van herkomst.

1.1.3. Nader onderzoek

De IND kan in het kader van de identiteit, familierechtelijke relatie en/of feitelijke gezinsband besluiten nader onderzoek aan te bieden.

Nader onderzoek kan onder andere bestaan uit:

De IND kan afzien van het aanbieden van nader onderzoek, als de IND oordeelt dat de identiteit, de familierechtelijke relatie en/of de feitelijke gezinsband voldoende aannemelijk is gemaakt.

Als de referent en/of zijn gezinslid om welke reden dan ook niet in de gelegenheid is om gebruik te maken van het aanbod van de IND om nader onderzoek te verrichten, dan zal de IND veelal daardoor de aanvraag op grond van artikel 29c of 29d Vw afwijzen.

De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29c Vw of artikel 29d Vw.

1.1.4. De referent is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling

Ingevolge artikel 29c, onder c, Vw en artikel 29d, onder c, Vw, kan de vreemdeling die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is als referent optreden.

De IND beschouwt in dit kader een minderjarige in ieder geval als niet-begeleid als:

De uitleg van de term ‘minderjarige’ in bovengenoemde definitie is als volgt. Als de referent, met een asielvergunning op grond van artikel 29, Vw, ten tijde van de indiening van een asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, merkt de IND deze vreemdeling aan als minderjarige. Ook al heeft de vreemdeling op het moment van inwilliging de leeftijd van 18 jaar bereikt. Het verzoek voor nareis op grond van artikel 29c Vw ten behoeve van de ouder(s) en minderjarige broers en zussen van deze vreemdeling moet binnen deze drie maanden zijn ingediend. Bij een opvolgende nareisaanvraag merkt de IND de referent, met een asielvergunning op grond van artikel 29 of artikel 29a, Vw, niet meer aan als minderjarige als hij ten tijde van de indiening van de asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, maar inmiddels wel meerderjarig is. De IND beschouwt een minderjarige in ieder geval niet als niet-begeleid in de situaties beschreven in paragraaf B8/6.1 Vc.

Of een volwassene in het land van herkomst of bestendig verblijf al de zorg had voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling kan onder andere blijken uit de wet of het gewoonterecht van dat land van herkomst of bestendig verblijf of als de minderjarige in het land van herkomst of bestendig verblijf langdurig onder de feitelijke zorg en verantwoordelijkheid van deze volwassene is geweest.

Als een minderjarige onder de begeleiding van een volwassene inreist in een lidstaat van de EU (inclusief Nederland) en vervolgens zonder begeleiding wordt achtergelaten, behandelt de IND de minderjarige als een minderjarige die zonder begeleiding van een volwassene Nederland is ingereisd. Uitzondering op deze regel is in ieder geval de situatie waarbij een ouder de minderjarige zelf naar het grondgebied van een lidstaat heeft gebracht en hem daar vervolgens zonder begeleiding heeft achtergelaten.

1.1.5. Ambtshalve toets artikel 8 EVRM

Als de IND de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw weigert, dan kan de IND ambtshalve beoordelen of de weigering in strijd is met artikel 8 EVRM.

In de volgende gevallen voert de IND in ieder geval geen ambtshalve 8 EVRM beoordeling uit:

1.2. Aanvullende voorwaarden bij artikel 29d Vw

De IND kan de verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29d, eerste lid, Vw, op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw weigeren, als:

Als niet aan (één van) de aanvullende voorwaarden wordt voldaan, beoordeelt de IND of weigering van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw evenredig is. Weigering van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw, is onevenredig als dit zou leiden tot een schending van artikel 8 EVRM. In die gevallen gaat de IND niet over tot afwijzing van de aanvraag. Weigering van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw, is evenredig als dit niet zou leiden tot een schending van artikel 8 EVRM. In die gevallen wijst de IND de aanvraag af. De IND toets in deze gevallen niet ambtshalve aan artikel 8 EVRM.

Als de referent een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, is het middelen- en huisvestingsvereiste niet van toepassing. De referent die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, hoeft alleen aan de wachttermijn te voldoen.

1.2.1. Wachttermijn

De wachttermijn voor het indienen van een aanvraag voor de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw vangt aan op de datum waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent bekend is gemaakt. Deze wachttermijn bestrijkt twee jaar.

1.2.2. Middelen van bestaan

De referent moet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De IND weigert de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vw als de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Verder moet de referent op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop de IND de aanvraag beslist, gelijktijdig voldoen aan alle drie de elementen van de middelen van bestaan:

Dit betekent dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het duurzaamheidsvereiste, als:

De direct voorafgaande alinea geldt niet als de arbeid tussen het moment van indienen van de aanvraag en het moment van beslissen is beëindigd.

De middelen moeten op het moment van beslissen nog steeds zelfstandig en voldoende zijn.

Een referent beschikt in ieder geval niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan als sprake is van een faillissement of surseance van betaling van de referent.

Middelen van bestaan die voortvloeien uit een beroep op de algemene middelen dragen niet bij aan de beoordeling of referent duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.

1.2.2.1. Zelfstandig

Voor de beoordeling of de middelen van bestaan zelfstandig zijn, wordt aangesloten bij artikel 3.73, eerste lid, Vb.

De IND merkt de middelen van bestaan van de referent uit overige bronnen als zelfstandig aan in de zin van artikel 3.73, eerste lid, Vb als de vereiste wettelijke premies en belastingen zijn afgedragen.

De IND merkt uitkeringen, toeslagen, bijdragen, giften en vergoedingen waarover niet de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen in ieder geval niet aan als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van artikel 3.73 Vb.

De IND beoordeelt de middelen van bestaan van de referent op basis van een overeenkomst van opdracht als freelancer op dezelfde wijze als het inkomen van een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht.

1.2.2.2. Duurzaam

De IND sluit aan bij artikel 3.75 Vb voor de beoordeling of de referent over duurzame middelen van bestaan beschikt.

De IND sluit aan bij artikel 3.75, derde lid, Vb en artikel 3.24b, VV wanneer referent beschikt over middelen uit flexibele arbeid. De IND merkt onder andere inkomsten uit arbeid voor een uitzendbureau aan als flexibele arbeid.

Als tijdens de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb.

Als tijdens de periode van een jaar als bedoeld in artikel 3.24b VV een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen is ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.24b VV.

De IND telt tijdvakken van werkloosheid mee bij de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb als tijdens deze periode zelfstandige inkomsten zijn verworven. De IND merkt als zelfstandige inkomsten ook inkomsten uit een uitkering op grond van de Ziektewet aan die door de flexwerker in deze drie jaar zijn ontvangen.

Als in een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, kan deze worden meegenomen bij de beoordeling of de middelen van bestaan duurzaam zijn.

Het komt voor dat referent onregelmatige inkomsten ontvangt. Dit kan bijvoorbeeld voortkomen uit overwerk of een toelage bij weekenddiensten. Ook is het mogelijk dat er een of meerdere maanden geen inkomsten zijn geweest, bijvoorbeeld als gevolg van vakantie of als iemand niet is opgeroepen voor werk. Deze inkomsten kunnen worden meegeteld en zodoende compenseren voor de periode dat de maandelijkse inkomsten onder de gestelde inkomensnorm zijn.

De IND merkt onregelmatige inkomsten verworven uit arbeid in loondienst van de referent aan als duurzaam als deze inkomsten structureel zijn. De IND beschouwt deze inkomsten als structureel (en dus duurzaam) als de referent in beginsel elke maand van één jaar deze inkomsten heeft gehad. Het gaat dan om vaste maandelijkse inkomsten plus onregelmatige inkomsten. Het is hierbij ook mogelijk dat er in één jaar enkele maanden geen onregelmatige inkomsten zijn ontvangen.

De IND beoordeelt aan de hand van de inkomsten uit het verleden van de zelfstandige of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd is. Deze beoordeling is alleen van toepassing op referenten die arbeid als zelfstandige verrichten.

Eventuele schulden die voortvloeien uit of verband houden met een schenking kunnen afgetrokken worden van de schenking bij de beoordeling van het middelenvereiste.

De IND merkt inkomsten uit eigen vermogen van de vreemdeling op grond van artikel 3.75, tweede lid, Vb aan als duurzaam als deze op het moment van de aanvraag (of het beoordelen van de aanvraag) gedurende één jaar beschikbaar zijn geweest en nog steeds beschikbaar zijn.

Het inkomen uit eigen vermogen is voldoende als het voordeel uit de grondslag sparen en beleggen, zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand ten minste gelijk is aan het van toepassing zijnde normbedrag.

1.2.2.3. Voldoende

Voor de beoordeling of referent over voldoende middelen van bestaan beschikt, wordt aansluiting gezocht bij artikel 3.74 Vb. De zinsnede ‘in ieder geval’ uit artikel 3.74, eerste lid, is niet van toepassing. Dat betekent dat de middelen van bestaan slechts voldoende zijn als zij ten minste gelijk zijn aan het minimumloon. De IND past het normbedrag toe dat van toepassing is op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen.

Bij de berekening van de hoogte van het totale inkomen telt de IND alle bestanddelen van het inkomen mee, voor zover die zelfstandig en duurzaam zijn.

Als er sprake is van onregelmatige inkomsten, dan toetst de IND of het totaal aan inkomsten uitkomt op een bedrag dat voldoet aan de norm die de IND per maand hanteert. De IND berekent het totaal aan inkomsten als volgt. De IND:

De IND betrekt het gemiddeld inkomen per boekjaar bij de beoordeling of de inkomsten uit arbeid als zelfstandige voldoende zijn.

1.2.3. Huisvesting

De referent moet over huisvesting beschikken. Daarvoor geldt dat de referent op enig moment tijdens de nareisprocedure voor een redelijke termijn van ten minste zes maanden over huisvesting moet beschikken én op het moment van beslissen nog steeds over huisvesting moet beschikken. Wanneer de referent een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, beoordeelt de IND niet of de referent beschikt over huisvesting.

De IND beoordeelt of de referent beschikt over huisvesting aan de hand van een overgelegde huurovereenkomst, eigendomsakte van een koopwoning of gebruikersovereenkomst. De huurovereenkomst dient in ieder geval de persoonsgegevens van de huurder en verhuurder, het adres, de duur van de huur en de hoogte van de huur te bevatten. De referent dient ook ingeschreven te staan op het genoemde adres van de huisvesting. Het verblijf op een doorstroomlocatie wordt ook gezien als huisvesting. De IND beoordeelt dit aan de hand van een gebruiksovereenkomst of in voorkomende gevallen een huurovereenkomst. COA opvanglocaties worden in ieder geval niet gezien als huisvesting.

1.3. Identiteit en familierechtelijke relatie

De IND beoordeelt of de referent met alle overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, de identiteit van de betrokkenen en hun onderlinge familierechtelijke relatie aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij wordt onder andere het volgende betrokken:

Als de IND oordeelt dat de verklaringen over de identiteit van de betrokkenen en hun onderlinge familierechtelijke relatie in grote lijnen als aannemelijk kunnen worden beschouwd, dan beoordeelt de IND of er aanleiding bestaat het voordeel van de twijfel te gunnen.

Het geven van het voordeel van de twijfel kan leiden tot het aanbieden van nader onderzoek of een inwilliging van de aanvraag. Als de IND geen voordeel van de twijfel geeft en geen nader onderzoek aanbiedt, maakt de IND de relevante overwegingen kenbaar in het besluit.

Mogelijke vormen van nader onderzoek staan in paragraaf C5/1.1.3 Vc.

De IND hoeft geen voordeel van de twijfel te geven (en dus nader onderzoek aan te bieden), als sprake is van contra-indicaties. Van een contra-indicatie kan onder andere sprake zijn als de referent of zijn gezinslid:

Ook als zich een contra-indicatie voordoet, betrekt de IND de overige verklaringen of bewijsmiddelen bij de beoordeling of nader onderzoek wordt aangeboden.

Bij het ontbreken van documenten die de identiteit en/of de familierechtelijke relatie tussen de referent en het biologische minderjarige kind aannemelijk moeten maken, zal de IND de aanvraag in beginsel niet afwijzen, maar nader onderzoek opstarten.

1.4. Feitelijke gezinsband

De IND beoordeelt of er op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland sprake was van een feitelijke gezinsband. De IND beoordeelt ook of zich na binnenkomst van de referent in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat de feitelijke gezinsband is verbroken. De IND werpt feiten en omstandigheden die noodgedwongen door de vlucht zijn ingegeven in beginsel niet tegen.

De IND neemt aan dat het minderjarige biologische en/of geadopteerde kind feitelijk behoort tot het gezin van de referent als de referent gezag heeft over het kind en het kind ten laste komt van de referent.

De IND neemt voor de volgende personen in ieder geval aan dat zij van rechtswege rechtmatig gezag hebben:

Dit geldt niet als er een aanwijzing is dat het gezag niet of niet langer bij hen of haar berust.

De IND neemt aan dat beide ouders rechtmatig gezag hebben als volgens de islamitische rechtstraditie de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag houdt over zijn kinderen en de moeder het zorgrecht ('hadânah') krijgt.

Voor de beoordeling of het minderjarige biologische en/of geadopteerde kind ten laste komt van referent, beoordeelt de IND of dit kind in het land van herkomst, dan wel een derde land waar het kind verblijft, materieel wordt ondersteund door de referent. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn.

Er is sprake van een materiële ondersteuning wanneer de referent en/of de andere ouder voor wie ook een aanvraag is ingediend, tot aan het moment van het nareisverzoek onafgebroken in de basisbehoeften heeft voorzien of regelmatig een som geld heeft gegeven welke voor het kind noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst dan wel een derde land waar het kind verblijft.

Als de referent en/of de ouder voor wie ook een aanvraag is ingediend het kind niet daadwerkelijk materieel ondersteunt, moet de referent aannemelijk maken het gezinslid te zijn dat het best in staat is om de vereiste materiële ondersteuning te verlenen. De IND houdt hierbij rekening met alle relevante omstandigheden, zoals graad van verwantschap, aard en hechtheid van andere familiebanden en leeftijd en economische situatie van andere verwanten. Als de referent dit aannemelijk kan maken neemt de IND aan dat het minderjarige kind ten laste komt van de referent.

Het minderjarige biologische en/of geadopteerde kind komt in ieder geval niet ten laste van de referent en of de ouder voor wie ook een nareisaanvraag is ingediend als het kind:

Als het kind zelfstandig woont, in eigen onderhoud voorziet en/of een zelfstandig gezin heeft gevormd, dan neemt de IND aan dat het kind niet meer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s).

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of 29d Vw, als het huwelijk een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk is en al bestond voordat de referent Nederland is ingereisd. De IND verleent de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw niet als er geen feitelijke invulling is gegeven aan het huwelijk. De IND erkent het huwelijk niet als de huwelijkspartner jonger dan 18 jaar is of als het huwelijk onder dwang tot stand is gekomen. In deze gevallen is er ook geen sprake van een familierechtelijke relatie.

De IND beschouwt een huwelijk als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk als een dergelijk huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten, als rechtsgeldig wordt aangemerkt. Als een huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten niet als rechtsgeldig wordt aangemerkt, dan wijst de IND de aanvraag af.

De IND neemt aan dat de feitelijke gezinsband tussen de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en zijn ouders is verbroken wanneer de niet-begeleide minderjarige vreemdeling zelfstandig woont, voorziet in zijn eigen levensonderhoud of een zelfstandig gezin heeft gevormd.

De IND wijst een verzoek van een minderjarige om nareis van zijn ouders af, als de minderjarige zelf in het kader van nareis Nederland is ingereisd. In dat geval heeft de IND in een eerdere procedure vastgesteld dat deze minderjarige feitelijk tot een ander gezin behoort. Daarmee valt deze ook niet onder de zorg en verantwoordelijkheid van degenen, voor wie de minderjarige om nareis verzoekt.

Als de wettelijke beslistermijn van een nareisaanvraag van een referent die minderjarig was ten tijde van de datum van de nareisaanvraag is overschreden, gaat de IND bij de beoordeling van de afhankelijkheid van de referent uit van de omstandigheden ten tijde van de datum van de nareisaanvraag. Signalen van onafhankelijkheid die sinds de datum van de nareisaanvraag zijn ontstaan, worden door de IND in beginsel niet betrokken bij de vraag of de feitelijke gezinsband is verbroken.

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw aan een minderjarige broer of zus van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling, als:

Voor wat betreft de ‘ten laste komen van’-beoordeling wordt aangesloten bij het kopje ‘Minderjarige biologische en geadopteerde kinderen’.

Als het kind zelfstandig woont en/of een zelfstandig gezin heeft gevormd, dan neemt de IND aan dat het kind niet meer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s).

1.5. Toestemmingsverklaring

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw als:

2. Artikel 29b, Vw, afgeleide verblijfsvergunning asiel, meereizende gezinsleden

2.1. Algemeen

2.1.1. Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw staat beschreven in artikel 23 van de Kwalificatieverordening 2024/1347. Artikel 3, lid 9, van de Kwalificatieveroordeling 2024/1347 benoemt wat wordt verstaan onder gezinsleden.

2.1.2. Bewijsmaterialen

De bepalingen uit paragraaf C5/1.1.2 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

2.1.3. Nader onderzoek

De IND kan in het kader van de familierechtelijke relatie besluiten DNA-onderzoek aan te bieden.

2.2. Identiteit en familierechtelijke relatie

De bepalingen uit paragraaf C5/1.1.2. Vc zijn van overeenkomstige toepassing.

2.3. Feitelijke gezinsband

2.3.1. Echtgeno(o)t(e) of niet-gehuwde partner

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan een echtgeno(o)t(e) of een niet-gehuwde partner met wie de referent een duurzame relatie onderhoudt als het een reële gezinsrelatie betreft die al bestond voorafgaand aan de aankomst op het grondgebied van de Europese Unie. De IND erkent het huwelijk alleen als het een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk betreft en de huwelijkspartner niet jonger dan 18 jaar is. De IND beschouwt een huwelijk als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk als een dergelijk huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten, als rechtsgeldig wordt aangemerkt. Als een huwelijk volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten niet als rechtsgeldig wordt aangemerkt, toetst de IND of aan de voorwaarden voor een duurzame relatie wordt voldaan.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan een echtgeno(o)t(e) of een niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden wanneer sterke aanwijzingen bestaan dat het huwelijk of partnerschap uitsluitend is aangegaan om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in Nederland te verkrijgen. De IND verleent tevens geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw als het een gedwongen huwelijk betreft.

2.3.2. De minderjarige kinderen

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan minderjarige wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen die ten laste komen van de ouder(s) met wie zij zijn meegereisd naar Nederland.

Voor de ‘ten laste komen van’-beoordeling wordt verwezen naar C5/1.4 Vc. Als het minderjarige kind samen met de ouder(s) is ingereisd en met hen verblijft in Nederland gaat de IND er in beginsel vanuit dat dit kind ten laste komt van deze ouder(s).

2.3.3. De meerderjarige kinderen

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan meerderjarige wettige, buitenechtelijke of geadopteerde kinderen die ten laste komen van de ouder(s) met wie zij zijn meegereisd naar Nederland en ongehuwd zijn.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)