Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
Voor de ‘ten laste komen van’-beoordeling wordt verwezen naar C5/1.4 Vc. Tevens mag een meerderjarig kind, op grond van punt 17 van de considerans van de Kwalificatieverordening 2024/1347, op basis van een individuele beoordeling alleen als afhankelijk worden beschouwd als het niet in staat is in zijn of haar levensonderhoud te voorzien ten gevolge van een fysieke of mentale staat die verband houdt met een ernstige, niet-tijdelijke ziekte of een zware handicap.
2.3.4. De ouder(s) of andere verantwoordelijke van een minderjarige
De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw aan de vader, moeder of een andere volwassene – met inbegrip van de meerderjarige broer of zus – die wettelijk of conform de Nederlandse praktijk verantwoordelijk is voor de minderjarige.
3. Bijzonderheden
Voor de beoordeling van aanvragen van gezinsleden in relatie tot artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt verwezen naar paragraaf C4/3.6.9.7 Vc (‘gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag’).
Polygamie is in Nederland wettelijk verboden en strafbaar. Van een polygame situatie is sprake als de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, tegelijkertijd met een andere persoon (of meerdere andere personen) een huwelijk of een duurzame relatie heeft (inclusief geregistreerd partnerschap).
Als sprake is van een polygame situatie dan maakt de IND een individuele beoordeling. Daarbij is de vraag van belang of het gezinslid onder de doelgroep van artikel 29b, 29c, of 29d Vw valt. Als het gezinslid onder de doelgroep van artikel 29b Vw valt dan is de kwalificatieverordening van toepassing. Als het gezinslid onder de doelgroep van artikel 29c Vw valt, dan houdt de IND rekening met alle factoren benoemt in de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en de artikelen 7 en 24 van het EU Handvest. Als het gezinslid onder de doelgroep van artikel 29d Vw valt, houdt de IND rekening met artikel 8 EVRM.
Voor deze beoordeling is van belang dat alleen één echtgenoot en de uit dit huwelijk voortgekomen minderjarige kinderen voor verblijf in aanmerking komen. Als de in Nederland verblijvende referent met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede de eventuele andere gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking.
4. Procedurele regels
In geval van het niet verlenen of het intrekken van een mvv, geldt het reguliere kader van artikel 16 Vw en de daaruit voortvloeiende regelgeving (zoals genoemd in hoofdstuk B1 Vc). In geval van het intrekken van een asielvergunning geldt het asielkader van artikel 32 Vw en het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk C6 Vc.
Hoewel voor mvv dan wel asielprocedures een ander wettelijk kader geldt, gelden wel dezelfde (materiële) beleidsregels, zoals opgenomen in de paragrafen C4/3.6 en C6 Vc.
Voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag mvv nareis dient van elk na te reizen gezinslid bij het aanvraagformulier een recente, goed lijkende pasfoto of een andere recente (kleuren) foto van het gezicht van het gezinslid, te worden overgelegd.
Bij het indienen van de aanvraag dient elke nareiziger van 12 jaar en ouder een ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring over te leggen.
De IND verleent de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c of artikel 29d Vw ambtshalve als de vreemdeling met een daartoe afgegeven (geldige) mvv is ingereisd en zich binnen drie dagen heeft aangemeld (op de manier zoals gecommuniceerd door de IND). De ingangsdatum is de datum als bedoeld in artikel 3.105a, tweede lid, Vb. Als het gezinslid voor wie nareis is aangevraagd zonder mvv Nederland inreist hanteert de IND de ingangsdatum als bedoeld in artikel 44, tweede lid, Vw.
De IND hanteert voor de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, Vw, de ingangsdatum als bedoeld in artikel 44, tweede lid, Vw.
C6. Intrekkingen en verlengingen
1. De procedure bij intrekking van de verblijfsvergunning asiel
1.1. Grondslag
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de artikelen 32, 41 en 45 Vw en van de 3.106 en 3.116 Vb. Het gaat hier om de intrekkingsprocedure van de verblijfsvergunning asiel op grond van vluchtelingschap, subsidiaire bescherming en de afgeleide vergunningen asiel op grond van meereis en nareis.
1.2. Start onderzoek
Het startmoment van het onderzoek is het moment waarop de IND de vreemdeling voor het eerst in kennis stelt van een mogelijke intrekking van de verblijfsvergunning.
1.3. Meewerkverplichting
Op grond van artikel 66, eerste lid, onder b en c, Procedureverordening is de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw verplicht mee te werken aan alle procedurestappen van de intrekkingsprocedure. Dit betekent dat de vreemdeling beschikbaar is, gevraagde informatie verstrekt en op een (intrekkings)gehoor verschijnt indien hij daarvoor uitgenodigd is.
Het niet medewerken aan de intrekkingsprocedure staat de IND niet in de weg om de procedure te vervolgen of een intrekkingsbeslissing te nemen overeenkomstig artikel 66, vijfde lid, Procedureverordening.
1.4. Schriftelijke kennisgeving in de intrekkingsprocedure
Overeenkomstig artikel 66, eerste lid, onder a, Procedureverordening en artikel 41 Vw wordt de vreemdeling schriftelijk in kennis gesteld dat de verleende verblijfsvergunning asiel mogelijk wordt ingetrokken en wat de redenen voor deze mogelijke intrekking zijn en welke rechtsgevolgen de mogelijke intrekking heeft.
1.5. Zienswijze
De vreemdeling krijgt op grond van artikel 41 Vw en in samenhang met artikel 3.116, tweede lid, Vb de gelegenheid om binnen een termijn van zes weken zijn zienswijze op de schriftelijke kennisgeving in te dienen.
1.6. Uitstel voor het indienen van de zienswijze
De vreemdeling, of diens gemachtigde, kan een verzoek voor uitstel van de zienswijze aanvragen.
De IND verleent in beginsel een termijn van twee weken uitstel als er naar oordeel van de IND toereikende redenen zijn om uitstel te verlenen.
Toereikende redenen kunnen zijn:
1.7. Het intrekkingsgehoor
Het persoonlijk onderhoud als bedoeld in 66, eerste lid, aanhef en onder d, Procedureverordening wordt in deze paragraaf aangeduid als het intrekkingsgehoor. Voor gezinsleden als bedoeld in artikel 29b, 29c en 29d Vw zal een zelfde intrekkingsgehoor worden gehouden indien de aan hen verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Paragraaf C1/5 Vc onder ‘Algemeen’ is van overeenkomstige toepassing op het intrekkingsgehoor. Dit geldt ook voor andere gehoren die binnen de intrekkingsprocedure kunnen plaatsvinden.
De IND stelt de vreemdeling tijdens het intrekkingsgehoor in de gelegenheid om relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen ten aanzien van de kennisgeving om de verblijfsvergunning asiel in te trekken. Indien de vreemdeling het niet eens is met het voornemen om de verblijfsvergunning asiel in te trekken, kan hij in het intrekkingsgehoor naar voren brengen wat zijn bezwaren zijn tegen de intrekking.
Bij het intrekkingsgehoor stelt de IND de vreemdeling ook in de gelegenheid om eventuele andere gronden waarop de IND een verblijfsvergunning asiel kan verlenen naar voren te brengen. Ook wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen over de overige onderdelen van de intrekkingsprocedure zoals neergelegd in C6/8 Vc.
Als de vreemdeling niet in de gelegenheid is om te verschijnen op het geplande intrekkingsgehoor, dan moet hij zo snel mogelijk contact met de IND opnemen om een nieuwe afspraak te maken voor het gehoor. Hierbij moet de vreemdeling of zijn gemachtigde aangeven en onderbouwen, waarom het gehoor niet op het geplande moment kan plaatsvinden.
De IND kan de intrekkingsprocedure zonder intrekkingsgehoor voortzetten, als ten minste één van de onderstaande situaties van toepassing is:
Als de vreemdeling niet verschijnt bij het intrekkingsgehoor, neemt de IND contact op met de vreemdeling of met zijn gemachtigde om navraag te doen naar de redenen hiervoor. Het niet komen opdagen bij een intrekkingsgehoor of op andere wijze geen medewerking verlenen in de zin van artikel 66, eerste lid, onder b en c, Procedureverordening staat de IND niet in de weg om een beslissing op intrekking te nemen.
Als de vreemdeling een verschoonbare reden heeft, dan nodigt de IND de vreemdeling opnieuw uit voor een intrekkingsgehoor. De IND merkt de volgende omstandigheden in beginsel niet aan als verschoonbare redenen voor het niet verschijnen:
1.8. Reactietermijn intrekkingsgehoor
De IND geeft de vreemdeling in beginsel een termijn van twee weken om schriftelijk op het rapport van het intrekkingsgehoor te reageren. Paragraaf C1/5.4 Vc is van overeenkomstige toepassing.
1.9. Afsluiting verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 66, zesde lid, Procedureverordening en artikel 32, zesde lid, Vw
De IND sluit de erkenning van internationale bescherming op grond van artikel 32, zesde lid Vw als er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:
Indien de IND de erkenning van internationale bescherming afsluit, wordt bezien of een terugkeerbesluit kan worden genomen. Met name in de situatie dat de vreemdeling ondubbelzinnig afziet van zijn erkenning, zal het niet altijd op voorhand duidelijk zijn of de vreemdeling nog in Nederland is en of een terugkeerbesluit kan worden genomen. De IND kan er in een voorkomend geval voor kiezen om navraag te doen bij de vreemdeling wat de reden is van het afzien van internationale bescherming en of er wellicht sprake is van rechtmatig verblijf in een andere lidstaat waardoor geen terugkeerbesluit mogelijk is. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld om redenen aan te voeren waarom aan hem geen terugkeerbesluit mag worden gegeven.
Op grond van artikel 66, zesde lid, Procedureverordening in combinatie met artikel 32, zesde lid, Vw vermeldt de IND de afsluiting en de rechtsgrond voor deze afsluiting in het dossier.
Het ondubbelzinnige afzien van de erkenning als persoon die internationale bescherming geniet blijkt onder andere uit een ondertekende brief van de vreemdeling of diens gemachtigde, toezending van model M53-A, of een verklaring van vrijwillig vertrek, inclusief verklaringen van IOM of DTenV.
2. Overgangsrecht
2.1. Verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd
Indien de vreemdeling voor 12 juni 2026 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid Vw of artikel 29, tweede lid Vw, wordt deze op grond van artikel 9, achtste lid, Vw van rechtswege aangemerkt als respectievelijk een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw, 29a Vw, 29b Vw, 29c Vw of 29d Vw.
Dit houdt in dat de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, afgegeven voor 12 juni 2026, intrekt op grond van het recht dat op het moment van intrekken geldt.
2.2. Verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd
Op een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, verleend voor 12 juni 2026, geldt het recht zoals dat gold voor 12 juni 2026. Alleen op basis van het recht dat gold voor 12 juni 2026 kan deze verblijfsvergunning dan ook worden ingetrokken. Dat betekent onder meer dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken indien de omstandigheden op grond waarvan de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus is verleend niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is.
2.3. Overige (oude) vergunningen op grond van internationale bescherming
Er kunnen zich situaties voordoen waarop de vreemdeling mogelijk in aanmerking komt voor de intrekking van een vergunning (bepaalde of onbepaalde tijd) die gebaseerd is op het recht dat nog verder in het verleden ligt. Voor die vergunningen geldt de bepaling dat per geval wordt beoordeeld welk recht van toepassing is om een verblijfsvergunning asiel op grond van internationale bescherming afgegeven voor 12 juni 2026, in te trekken. Dit met inachtneming van eerdere overgangsrechtelijke bepalingen.
3. De procedure bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel van vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning asiel is verleend
3.1. Indiening aanvraag om verlenging van de verblijfstitel
De vreemdeling dient de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel in met het vereiste aanvraagformulier.
Als de vreemdeling de aanvraag te vroeg indient, dan stuurt de IND de vreemdeling een brief dat de aanvraag te vroeg is ingediend.
De aanvraag is te vroeg ingediend als de vreemdeling de aanvraag voor verlenging van de verblijfstitel meer dan drie maanden voor afloop van de geldigheidsduur heeft ingediend.
De IND doet de zaak dan niet inhoudelijk af en de vreemdeling moet een nieuwe aanvraag indienen op zijn vroegst drie maanden voordat de geldigheidsduur zal verlopen.
3.2. Duur verlenging verblijfstitel
Op grond van artikel 9, derde lid Vw verlengt de IND de verblijfstitel van de vreemdeling met de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus voor een periode van drie jaar en geeft een nieuw verblijfsdocument af.
Op grond van artikel 9, vierde lid, Vw, verlengt de IND de verblijfstitel van mee- of nareizende gezinsleden als bedoeld in artikel 29b, 29c of 29d, Vw, voor de duur van de verblijfstitel die aan de vreemdeling met de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus is verleend en geeft een nieuw verblijfsdocument af.
4. Algemeen
De IND kan op grond van artikel 32 Vw een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, 29a, 29b, 29c of 29d Vw intrekken. De volgende artikelen zijn van toepassing:
4.1. Intrekkingsgronden volgend uit de Kwalificatieverordening (artikel 14 en 19 Kwalificatieverordening)
De IND trekt de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus van een vreemdeling in als:
Al deze gronden zijn imperatief voor de vluchtelingstatus en de subsidiairebeschermingsstatus. Dit betekent dat het intrekken van de vergunning asiel dwingend wordt voorgeschreven als wordt voldaan aan minimaal één van de gronden. De IND voert voor deze intrekkingsgronden geen evenredigheidstoets uit. Er bestaat geen discretionaire bevoegdheid om van deze bepaling af te wijken.
4.2. Meerdere intrekkingsgronden
Als er meerdere intrekkingsgronden van toepassing zijn, trekt de IND de verblijfsvergunning in per datum van de intrekkingsgrond die chronologisch het verst teruggrijpt in het verblijfsrecht.
Indien één van de intrekkingsgronden ziet op het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, en deze al dan niet het verst teruggrijpt in het verblijfsrecht, vermeldt de IND deze intrekkingsgrond in ieder geval in het intrekkingsbesluit. De IND betrekt de openbare orde of nationale veiligheidsaspecten altijd bij de besluitvorming.
5. Intrekken vluchtelingstatus
5.1. Vervallen verleningsgrond (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening)
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er sprake is van een vervallen verleningsgrond. Dit houdt in dat de vreemdeling opgehouden is vluchteling te zijn. Dit volgt uit artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a Kwalificatieverordening. In artikel 11, eerste lid, Kwalificatieverordening zijn de situaties neergelegd wanneer de vreemdeling ophoudt een vluchteling te zijn.
Overeenkomstig artikel 11, tweede lid, Kwalificatieverordening wordt – om te beoordelen of de voornoemde omstandigheden niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat bescherming niet langer nodig is in het kader van terugkeer en het inroepen van bescherming in het land van herkomst – onder meer rekening gehouden met nauwkeurige en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst. Ook beoordeelt de IND of de verandering van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft waardoor niet langer sprake is van een gegronde vrees voor vervolging.
Voor de beoordeling of een wijziging in de algemene situatie in (een deel van) het land van herkomst een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om aan te nemen dat een situatie zoals in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder e en f, Kwalificatieverordening zich voordoet, is het landgebonden beleid zoals opgenomen in hoofdstuk C9 Vc leidend.
Op grond van artikel 11, eerste lid, laatste alinea Kwalificatieverordening kunnen er ‘dwingende redenen’ zijn, voortvloeiende uit vroegere vervolging, waardoor de vreemdeling kan weigeren de bescherming in te roepen. Dit kan een reden zijn om de eerder verleende vluchtelingenstatus niet te beëindigen. De IND zal in een dergelijk geval niet tot intrekking van de vluchtelingenstatus overgaan.
Het intrekken van de status met terugwerkende kracht is hier niet van toepassing.
5.2. Uitsluiting op grond van artikel 1D, 1E en/of 1F Vluchtelingenverdrag (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er sprake is van een situatie waarin de vreemdeling uitgesloten is of had moeten worden op grond van artikel 12 Kwalificatieverordening.
Het beleid zoals bedoeld in paragraaf C3/3.2.2 Vc is overeenkomstig van toepassing op de uitsluitingsgrond 1D en 1E van het Vluchtelingenverdrag.
Het beleid zoals bedoeld in paragraaf C4/3.6.9 Vc is overeenkomstig van toepassing op de uitsluitingsgrond 1F van het Vluchtelingenverdrag.
Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken, reeds bestonden bij verlening van de vergunning, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.
Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken nog niet bestonden bij verlening van de vergunning, maar pas na verlening van de vergunning zijn ontstaan, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de uitsluitingsgrond van toepassing is (geworden). De IND beoordeelt en bepaalt dit aan de hand van de individuele omstandigheden in de zaak.
5.3. Onjuiste gegevens (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening)
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er sprake is van een situatie waarin de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vluchtelingstatus.
Bij de beoordeling of sprake is van deze intrekkingsgrond, wordt beoordeeld of de nieuw bekend geworden gegevens, wanneer ze op het moment van inwilligen bekend waren geweest, hadden geleid tot een afwijzing. Daarbij wordt getoetst aan de hand van het beleid dat op het moment van inwilliging geldig was en op basis van de informatie over het land van herkomst dat op dat moment bekend was.
Wanneer de IND overgaat tot het intrekken van de vluchtelingstatus, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.
5.4. Gevaar voor de nationale veiligheid (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening)
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als er redelijke gronden bestaan de vreemdeling te beschouwen als gevaar voor de nationale veiligheid.
Het beleid in paragraaf C4/3.6.8 Vc en paragraaf B1/4.4 Vc onder nationale veiligheid is van overeenkomstige toepassing.
Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken, reeds bestonden bij verlening van de vergunning, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.
Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken nog niet bestonden bij verlening van de vergunning, maar pas na verlening van de vergunning zijn ontstaan, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de intrekkingsgrond van toepassing is (geworden). De IND beoordeelt en bepaalt dit aan de hand van de individuele omstandigheden in de zaak.
5.5. Gevaar voor de openbare orde (artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Kwalificatieverordening)
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw in als de vreemdeling definitief is veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap. De vreemdeling vormt dan namelijk een gevaar voor de openbare orde.
Bij de beoordeling of sprake is van een intrekkingsgrond omdat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, is paragraaf C4/3.6.7 Vc van overeenkomstige toepassing.
Wanneer de IND overgaat tot het intrekken van de vluchtelingstatus, wordt de eerdere beslissing om de vluchtelingstatus te verlenen herroepen. De IND trekt in die gevallen met terugwerkende kracht in tot de datum waarop de veroordeling voor het bijzonder ernstig misdrijf definitief geworden is, overeenkomstig artikel 14, eerste lid en onder e, Kwalificatieverordening. Dit houdt in dat indien de veroordeling voor het bijzonder ernstig misdrijf definitief geworden is voor de vergunningverlening, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de vluchtelingstatus toegekend had mogen krijgen.
Indien de veroordeling voor het bijzonder ernstig misdrijf definitief is geworden na het verlenen van de vluchtelingstatus, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de datum van definitief worden van de veroordeling. De feiten en omstandigheden waarop de vluchtelingstatus moet worden ingetrokken zijn immers ontstaan na verlening van de vluchtelingstatus.
6. Intrekken subsidiairebeschermingsstatus
6.1. Vervallen verleningsgrond (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening)
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in als er sprake is van een vervallen verleningsgrond. Dit houdt in dat de vreemdeling niet meer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming wanneer de omstandigheden op grond waarvan die status is verleend, niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat bescherming niet langer nodig is. Dit volgt uit artikel 16, eerste lid, Kwalificatieverordening. De subsidiairebeschermingsstatus wordt dan beëindigd. Het intrekken van de status met terugwerkende kracht is hier niet van toepassing.
Op grond van artikel 16, derde lid Kwalificatieverordening kunnen er ‘dwingende reden’ zijn, voortvloeiend uit vroegere ernstige schade, om de eerder verleende subsidiairebeschermingsstatus niet te beëindigen. De IND zal in een dergelijk geval niet tot intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus overgaan zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a Kwalificatieverordening.
Wanneer de IND concludeert dat er sprake is van ‘dwingende redenen’ sluit de IND aan bij hetgeen in paragraaf C6/2.1 Vc staat opgenomen.
6.2. Uitsluitingsgronden 1F, nationale veiligheid en openbare orde (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening)
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in als de vreemdeling van subsidiaire bescherming uitgesloten is of had moeten zijn op grond van artikel 17 Kwalificatieverordening.
Als de IND beoordeelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, is het beleid als bedoeld in paragraaf C4/3.6.9 Vc onverkort van toepassing.
Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken, reeds bestonden bij verlening van de vergunning, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de subsidiairebeschermingsstatus toegekend had mogen krijgen.
Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken nog niet bestonden bij verlening van de vergunning, maar pas na verlening van de vergunning zijn ontstaan, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de intrekkingsgrond van toepassing is (geworden). De IND beoordeelt en bepaalt dit aan de hand van de individuele omstandigheden in de zaak.
Indien de IND beoordeelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd voorafgaand aan zijn of haar aankomst in Nederland of voor een ernstig misdrijf is veroordeeld na zijn of haar aankomst in Nederland is het beleid als bedoeld in paragraaf C4/3.6.4.1 Vc van overeenkomstige toepassing.
Wanneer de vreemdeling voor zijn aankomst in Nederland een ernstig misdrijf heeft gepleegd en dit op een later moment bekend wordt bij de IND, trekt de IND met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum de verblijfsvergunning asiel op grond van 29a Vw in, omdat de vreemdeling nooit de subsidiaire beschermingsstatus toegekend had mogen krijgen.
Wanneer de vreemdeling is veroordeeld voor een ernstig misdrijf na zijn aankomst in Nederland, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot de datum van de veroordeling voor het ernstig misdrijf overeenkomstig artikel 17, eerste lid, onder b, Kwalificatieverordening.
Indien de IND beoordeelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid is het beleid als bedoeld in paragraaf C4/3.6.8 Vc en paragraaf B1/4.4 van overeenkomstige toepassing.
Indien de IND beoordeelt dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap is het beleid als bedoeld in paragraaf C4/3.6.4.2 Vc van overeenkomstige toepassing.
Indien geconcludeerd wordt dat feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt ingetrokken nog niet bestonden bij verlening van de vergunning, maar pas na verlening van de vergunning zijn ontstaan, wordt ingetrokken met terugwerkende kracht tot het moment waarop de intrekkingsgrond van toepassing is (geworden). De IND beoordeelt en bepaalt dit aan de hand van de individuele omstandigheden in de zaak.
6.3. Onjuiste gegevens (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening)
De IND trekt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a Vw in als er sprake is van een situatie waarin de IND heeft beoordeeld dat de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of valse documenten heeft gebruikt of feiten heeft achtergehouden, en dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de subsidiaire beschermingsstatus.
Hetgeen is opgenomen onder paragraaf 2.3 is van overeenkomstige toepassing bij de intrekking van de subsidiairebescherminggstatus op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening.
7. Intrekken afgeleide asielvergunning van mee- of nareizende gezinsleden
Als de verblijfsvergunning asiel van de hoofdpersoon (referent) wordt ingetrokken, dan trekt de IND gelijktijdig de verblijfsvergunning asiel van het gezinslid in. Dit volgt uit artikel 32, derde lid, Vw. Vanwege de aard van de afgegeven vergunning aan het gezinslid is er geen sprake van (zelfstandige) asielmotieven. Het intrekken van de vergunning asiel op grond van meereis en/of nareis wordt in die gevallen dwingend voorgeschreven. De IND voert voor deze intrekkingsgronden geen evenredigheidstoets uit. Er bestaat geen discretionaire bevoegdheid om van deze bepaling af te wijken. Wel kan het gezinslid tijdens de intrekkingsprocedure zelfstandige asielmotieven zelf naar voren brengen. De IND betrekt dit bij de ex nunc beoordeling. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf C6/8.1 Vc.
Indien de IND beoordeelt dat de vergunning asiel van het gezinslid, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b, 29c of 29d Vw, op eigen merites kan worden ingetrokken, is het aan de vreemdeling om in de zienswijze en tijdens het gehoor te verklaren over redenen waarom de vergunning niet zou mogen worden ingetrokken. Eventuele zelfstandige asielmotieven moet de vreemdeling zelf naar voren brengen. Deze betrekt de IND bij de beoordeling. In deze gevallen voert de IND wel een evenredigheidstoetsing uit. Indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, wordt voor de evenredigheidstoets aangesloten bij het beoordelingskader van C4/3.6.5 en C4/3.6.6.
7.1. Intrekking verblijfsvergunning asiel meereizend gezinslid (art. 29b Vw)
Intrekking van artikel 29b Vw is op grond van artikel 32, vierde lid, Vw, mogelijk wanneer de gevallen zich voordoen zoals genoemd in artikel 23, derde tot en met vijfde lid, van de Kwalificatieverordening.
Als het om redenen van nationale veiligheid of openbare orde noodzakelijk wordt geacht, wordt de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29b Vw ingetrokken of niet verlengd op grond van artikel 23, vijfde lid Kwalificatieverordening. Voor de beoordeling van de openbare orde wordt aangesloten bij paragraaf C4/3.6.5 Vc. Paragraaf B1/4.4 Vc onder nationale veiligheid is van overeenkomstige toepassing. Voor de invulling van de ex nunc toets wordt verwezen naar paragraaf C6/8.1 Vc.
7.2. Intrekking verblijfsvergunning asiel nareizend gezinslid (art. 29c en 29d Vw)
Intrekking van artikelen 29c en 29d Vw is op grond van artikel 32, vijfde lid, Vw, mogelijk wanneer:
In geval van een intrekking op grond van artikel 32, vijfde lid, aanhef en onder b, Vw, trekt de IND de afgeleide verblijfsvergunning asiel in beginsel in met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de afgegeven vergunning, omdat de vreemdeling nooit de verblijfsvergunning had mogen krijgen.
In geval van een intrekking op grond van artikel 32, vijfde lid, aanhef en onder d, Vw trekt de IND de afgeleide verblijfsvergunning asiel in beginsel in met terugwerkende kracht tot aan de vastgestelde datum waarop de huwelijks- of gezinsband is verbroken.
Indien de erkenning van internationale bescherming op grond van artikel 32, zesde lid Vw wordt afgesloten van de hoofdpersoon, volgt ten aanzien van diens gezinsleden die een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29b, 29c of 29d Vw hebben een intrekkingsbesluit gelet op het bepaalde in artikel 32, derde lid Vw. Eventuele zelfstandige asielmotieven moet de vreemdeling zelf naar voren brengen.
Voor de invulling van de ex nunc toets wordt verwezen naar paragraaf C6/8.1 Vc.
Indien sprake is van een gevaar voor de openbare orde beoordeelt de IND of de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c en 29d Vw kan worden ingetrokken op grond van artikel 32, vijfde lid, onder b, Vw. Voor de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde wordt aangesloten bij paragraaf C4/3.6.6 Vc.
Indien sprake is van een verblijfsvergunning asiel op grond van 29c of 29d Vw toetst de IND aan artikel 3.86, eerste tot en met het twaalfde en zeventiende lid, Vb alsmede artikel 3.87 Vb en paragraaf B1/6.2.2 Vc zijn van overeenkomstige toepassing.
Indien sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid, beoordeelt de IND of de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c en 29d kan worden ingetrokken op grond van artikel 32, vijfde lid, onder b, Vw. Paragraaf B1/4.4 Vc onder nationale veiligheid is van overeenkomstige toepassing.
Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen echtgenoten wordt verwezen naar paragraaf C5/1.4 Vc.
Voor het beoordelen van de feitelijke gezinsband tussen ouders en hun biologische kinderen wordt verwezen naar paragraaf C5/1.4 Vc.
De IND beschouwt de gezinsband tussen ouders en kinderen niet als verbroken als de nareizende gezinsleden wegens een tekort aan passende woonruimte noodgedwongen op een ander adres dan de referent worden gehuisvest.
Bij het verbreken van de huwelijks- of gezinsband trekt de IND de verblijfsvergunning asiel in ieder geval niet in of wijst de aanvraag om verlenging van de verblijfstitel in ieder geval niet af als:
8. Overige onderdelen van de toets
Indien de IND heeft geconcludeerd dat een intrekkingsgrond van toepassing is en heeft geconcludeerd dat de verleende verblijfsvergunning asiel ingetrokken moet worden, kan de intrekkingsprocedure de volgende onderdelen bevatten:
Deze worden hieronder verder uitgewerkt. Vervolgens wordt toegelicht hoe de beoordeling er in verschillende situaties uit komt te zien.
8.1. De ex nunc beoordeling
De ex nunc beoordeling houdt in dat de IND beoordeelt of op het moment van herbeoordelen alsnog aannemelijk is dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst en op grond daarvan in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw. Dit geldt voor vreemdelingen die een internationale beschermingsstatus hebben, maar ook voor vreemdelingen die op dit moment een afgeleide asielstatus hebben op grond van meereis of nareis en waarvan de vergunning wordt ingetrokken.
Het is aan de vreemdeling om gedurende de intrekkingsprocedure aannemelijk te maken dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. De vreemdeling kan dit op ieder gewenst moment doen, waaronder in de zienswijze en tijdens het gehoor. De IND betrekt deze gronden in de besluitvorming van het intrekkingsbesluit. In deze beoordeling betrekt de IND of de eerdere intrekkingsgrond alsnog in de weg staat aan de verlening van de status en de daarmee samenhangende vergunning. Indien de vreemdeling niet meewerkt, vormt het ontbreken van een verklaring, conform artikel 66, vijfde lid, Procedureverordening geen beletsel om een beslissing tot intrekking van de internationale bescherming te nemen.
Indien de IND tot de conclusie komt dat de vreemdeling in aanmerking komt voor bescherming op een andere grond dan waarvoor de huidige vergunning is afgegeven, maakt de IND een tweeledig besluit op waarin de IND de huidige asielstatus intrekt op grond van de intrekkingsgrond die van toepassing is. Tegelijk wordt gemotiveerd op welke grond de vreemdeling (alsnog) in aanmerking komt voor een internationale beschermingsstatus.
Een ex nunc toets wordt niet gedaan om te beoordelen of de vreemdeling opnieuw in aanmerking komt voor een afgeleide vergunning. In het kader van ex nunc wordt namelijk beoordeeld of er sprake is van een actuele vrees bij terugkeer. Bij de afgeleide vergunning is vanwege de aard van de vergunning geen sprake van (zelfstandige) vrees bij terugkeer.
Indien er sprake is van openbare orde aspecten die een eerste indicatie geven voor een herbeoordeling van de status, beoordeelt de IND of er sprake is van één of meerdere intrekkingsgronden. Indien de vreemdeling opgehouden is vluchteling of subsidiair beschermde te zijn, wordt in beginsel ingetrokken op het vervallen van de verleningsgrond. De IND betrekt de openbare orde of nationale veiligheidsaspecten wel bij de beoordeling of een maatregel opgelegd moet worden.
8.2. Ambtshalve toets
Als de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt, beoordeelt de IND of de vreemdeling in aanmerking komt voor:
Als er een zwaar inreisverbod is of wordt opgelegd, laat de IND de ambtshalve toets op grond van artikel 3.6a Vb achterwege, behoudens de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM. Zie hiervoor C1/7 Vc.
Bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND niet ambtshalve of op verzoek of aanleiding bestaat gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Vw.
Daarnaast blijft bij het vervallen van de verleningsgrond de ambtshalve toets achterwege in de situatie wanneer de vreemdeling niet in Nederland verblijft.
8.3. Beoordeling actuele vrees bij terugkeer (terugkeerbeletsel)
Aan de hand van de ex nunc beoordeling, concludeert de IND of de vreemdeling een (actuele) gegronde vrees heeft om vervolgd te worden of een (actueel) reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst of derde land. Indien dat het geval is, is er sprake van een terugkeerbeletsel. Indien de IND beoordeelt dat er sprake is van een terugkeerbeletsel, legt de IND geen terugkeerbesluit op. Paragraaf C3/3.3.2.3 Vc is van overeenkomstige toepassing.
8.4. Het nemen van een terugkeerbesluit
Indien de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt en heeft beoordeeld dat er geen sprake is van een terugkeerbeletsel, neemt de IND een terugkeerbesluit. Paragraaf A3/1.1 Vc is van overeenkomstige toepassing.
8.5. Het opleggen van een maatregel
Indien de IND de verblijfsvergunning asiel heeft ingetrokken, heeft beoordeeld dat er geen sprake is van een terugkeerbeletsel en daarom een terugkeerbesluit genomen heeft, beoordeelt de IND of er een maatregel opgelegd moet worden. Het kan hier gaan om een (zwaar) inreisverbod, een ongewenstverklaring en een Besluit tot Signalering. Zie hiervoor hoofdstuk A4 Vc.
Als de IND de verblijfsvergunning asiel intrekt en heeft beoordeeld dat er wel sprake is van een terugkeerbeletsel, beoordeelt de IND of er een Besluit tot Signalering dan wel ongewenstverklaring moet worden opgelegd. Zie hiervoor paragrafen A4/3 en A4/4 Vc.
C7. Moratoria
1. Inleiding
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die gelden bij toepassing van:
Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 35, zevende lid, Procedureverordening, artikel 43 en artikel 45, vierde lid, Vw.
2. Besluitmoratorium
Artikel 35 , zevende lid, Procedureverordening geeft het wettelijk kader met betrekking tot het instellen van een besluitmoratorium voor bepaalde categorieën vreemdelingen. Onder de gestelde voorwaarden in dit artikel, kan de IND het afronden van de behandelingsprocedure uitstellen wanneer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij een beslissing neemt binnen de termijn van zes maanden vanwege een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is.
De minister publiceert het besluit tot instelling van een besluitmoratorium in de Staatscourant.
Als er sprake is van een onzekere situatie, geeft de IND bij vreemdelingen die afkomstig zijn uit het betreffende land en waarvan de aanvraag op dat moment in de versnelde procedure wordt behandeld toepassing aan artikel 42, tweede lid, Procedureverordening. Deze aanvragen worden dan niet langer in de versnelde procedure afgedaan, omdat er door de onzekere situatie sprake is van feitelijke of juridische elementen die te complex zijn om binnen de versnelde behandelingsprocedure te onderzoeken.
De IND dient in ieder geval binnen eenentwintig maanden na indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een beslissing op de aanvraag te nemen.
De IND neemt in beginsel geen inhoudelijk besluit op aanvragen van vreemdelingen die onder de werking van een geldend besluitmoratorium vallen.
Als de beslistermijn eindigt, moet de IND een besluit nemen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel naar de stand van zaken op het moment van het nemen van de beslissing, ook als het algemeen afgekondigde besluitmoratorium op dat moment nog van kracht is. Hierbij moet de beslistermijn van maximaal eenentwintig maanden als gevolg van het afgekondigde besluitmoratorium in acht worden genomen.
3. Vertrekmoratorium
De vreemdeling die onder de werking van het vertrekmoratorium valt, maar geen opvang of voorzieningen meer heeft, kan deze verkrijgen door zich in persoon te melden bij AC Ter Apel. De vreemdeling hoeft geen aanvraag in te dienen voor opvang of voorzieningen. Evenmin hoeft de vreemdeling een aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning asiel.
De IND verstrekt een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ aan de vreemdeling.
De vreemdeling valt niet onder de werking van het vertrekmoratorium als de vreemdeling aantoonbaar uit Nederland is vertrokken na de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.
Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan in ieder geval blijken uit de volgende situaties:
Wanneer het vertrekmoratorium eindigt, eindigt het recht op opvang en voorzieningen van rechtswege.
C8. Tijdelijke bescherming
1. Inleiding
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen die gelden bij de toepassing van richtlijn 2001/55 (tijdelijke bescherming). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 1, 43a en artikel 45, zesde lid, Vw, artikel 3.1a, Vb en artikel 3.9a VV.
2. Tijdelijke bescherming
De Raad van de EU kan op grond van richtlijn 2001/55 besluiten een nader omschreven groep vreemdelingen voor een bepaalde periode tijdelijke bescherming te verlenen. De IND biedt een vreemdeling die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, in Nederland de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in te dienen. De vreemdeling van wie de opvang op grond van de meeromvattende asielbeschikking is beëindigd, hoeft geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel in te dienen, als de vreemdeling zich op het moment waarop tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55 wordt ingesteld nog in Nederland bevindt.
De vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, meldt zich op een daartoe aangewezen plaats om tijdelijke bescherming te krijgen. De IND moet beoordelen of de vreemdeling valt onder Richtlijn 2001/55, de specifieke groep vreemdelingen zoals omschreven in een besluit van de Raad van de Europese Unie als bedoeld in artikel 5, derde lid van richtlijn 2001/55 of een op grond van artikel 3.1a Vb, eerste lid aanhef en onder e Vb aangewezen groep vreemdelingen in combinatie met artikel 3.9a VV. De IND moet tevens de voor die beoordeling noodzakelijke gegevens registreren. De IND verlengt overeenkomstig artikel 43a Vw de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor de duur van de tijdelijke bescherming.
De IND is bevoegd een beslissing te nemen op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voordat de termijn voor de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De vreemdeling heeft het recht op opvang zolang de tijdelijke bescherming van kracht is.
De IND weigert tijdelijke bescherming indien:
Bij de vraag of er redelijke gronden zijn om een gevaar voor de openbare orde aan te nemen, wordt er aangesloten bij de criteria om vluchtelingschap te onthouden. Er moet derhalve sprake zijn van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling wegens een bijzonder ernstig misdrijf. Hierbij wordt aangesloten bij hetgeen in paragraaf C4/3.6.3 Vc is neergelegd, inclusief de daarin opgenomen evenredigheidstoets.
De IND beëindigt of trekt de tijdelijke bescherming in als de vreemdeling niet (langer) aan de voorwaarden voldoet voor tijdelijke bescherming danwel één van de overige weigeringsgronden zich voordoet.
C9. Landgebonden beleid
1. Landgebonden asielbeleid algemeen
Het landgebonden asielbeleid bevat beleidsregels ten aanzien van het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend.
In deze paragraaf kunnen daarnaast de veilige landen van herkomst worden opgesomd, met vermelding van relevante bijzonderheden.
Als een algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land beschikbaar is, dan wordt dat betrokken bij het asielbeleid ten aanzien van dat land.
Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid in de hoofdstukken C1 tot en met C8 Vc en betreft geen uitzonderingsregeling.
De opbouw van de paragrafen van dit hoofdstuk wijkt af van de opbouw van de hoofdstukken C1 tot en met C8 Vc en is conform de volgorde van toetsing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. Zie ook paragraaf C3/2 Vc.
1.2. Veilige landen van herkomst
2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan
2.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
2.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
De IND neemt in de regel ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C4/3.6.10 Vc aan:
2.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
2.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2.3 Vc
Groepsvervolging wordt aangenomen voor tolken die hebben gewerkt voor internationale militaire- of politiemissies in Afghanistan.
2.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C2/2.4 Vc
De IND merkt voor Afghanistan uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicoprofiel:
2.3.2.1. Toelichting vrouwen
Gelet op het samenstel van discriminerende ernstige maatregelen die ten aanzien van Afghaanse vrouwen thans gelden, verleent de IND in beginsel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan een Afghaanse vrouw. Er wordt niet verlangd dat zij bij terugkeer haar levensstijl noodgedwongen aanpast aan deze regels. Er blijft echter een individuele toetsing plaatsvinden, zoals beschreven in paragraaf C3/2.3 Vc. Als op grond van haar individuele asielrelaas is gebleken dat zij geen bescherming op grond van de discriminerende maatregelen van de Taliban nodig heeft, wordt geen asielbescherming verleend.
2.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
2.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
2.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
Geen bijzonderheden.
2.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
2.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
De IND neemt voor Afghanistan aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de provincies Badakhshan, Kabul, Kandahar, Khost, Kunar, Nangahar, Paktia, Paktika en Takhar.
2.5. Bescherming
2.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen.
2.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
De IND neemt aan dat in Afghanistan geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is voor personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade door de Taliban.
Voor vrouwen en meisjes geldt dat van een binnenlands beschermingsalternatief geen sprake is.
Voor vreemdelingen die een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening kan in beginsel worden aangenomen dat er een beschermingsalternatief elders in Afghanistan is, voor zover wordt voldaan aan de algemeen geldende voorwaarden.
Voor personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade door andere partijen, zoals ISKP, NRF, AFF of is gerelateerd aan bijvoorbeeld bloed en eerwraak, kan in individuele gevallen wel sprake zijn van een binnenlands beschermingsalternatief.
2.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Afghanistan geldt in ieder geval dat:
Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
2.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
3. Gereserveerd
4. Gereserveerd
5. Het asielbeleid ten aanzien van Azerbeidzjan
5.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
5.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
5.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
5.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
Geen bijzonderheden.
5.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
De IND merkt voor Azerbeidzjan uitsluitend de volgende categorie vreemdelingen aan als risicoprofiel:
5.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
5.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
5.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
Geen bijzonderheden.
5.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
5.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
5.5. Bescherming
5.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
5.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
Geen bijzonderheden.
5.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Azerbeidzjan geldt in zijn algemeenheid dat:
Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
5.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
6. Het asielbeleid ten aanzien van Belarus
6.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
6.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
6.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
6.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
Geen bijzonderheden.
6.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
De IND merkt voor Belarus de volgende groepen vreemdelingen aan als risicoprofiel:
6.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
6.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
Geen bijzonderheden.
6.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
Geen bijzonderheden.
6.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
6.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
6.5. Bescherming
6.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
Geen bijzonderheden.
6.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
Geen bijzonderheden.
6.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Ten aanzien van adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc geldt het volgende.
In Belarus zijn er opvangvoorzieningen waarvoor de autoriteiten zorg dragen. Dat deze opvang in het algemeen toereikend is, staat niet vast.
In een voorkomend geval kan – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
6.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
7. Gereserveerd
8. Gereserveerd
9. Het asielbeleid ten aanzien van China
9.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
9.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
9.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
9.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
9.3.1.1. Toelichting Tibetanen
Tibetanen kunnen te maken hebben met repressie in China, als zij:
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk maakt dat hij tot een of meerdere van deze groepen behoort.
9.3.1.2. Toelichting Xie jiao
Door de Chinese autoriteiten als xie jiao aangemerkt zijn in ieder geval de groepen die in bijlage 13.2 van het algemeen ambtsbericht China juli 2020 worden genoemd.
Ten aanzien van ‘actieve’ aanhangers: het gaat hierbij nadrukkelijk niet alleen om leiders en personen die zich bezighouden met ledenwerving, maar ook om actieve beoefenaars en actieve ‘gewone’ leden van wie bij de autoriteiten bekend is dat zij behoren tot een als xie jiao aangemerkte beweging.
9.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
De IND merkt voor China de volgende groepen aan als risicoprofiel:
9.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
9.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
9.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
Geen bijzonderheden.
9.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
9.4.1.3. Vreemdelingen die illegaal China zijn uitgereisd
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw aan de Tibetaan afkomstig uit China die aannemelijk heeft gemaakt dat hij illegaal China is uitgereisd.
9.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
9.5. Bescherming
9.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
Geen bijzonderheden.
9.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
Geen bijzonderheden.
9.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
In China is adequate opvang in de zin van paragraaf B8/6 Vc.
9.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
9.8. Bijzonderheden
De IND betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van met name Oeigoeren de vraag of Turkije of een ander land als eerste land van asiel of veilig derde land kan worden aangemerkt zoals beschreven in paragraaf C4/2 Vc.
De IND houdt er bij de behandeling van individuele asielaanvragen van inwoners van Hongkong rekening mee dat verblijf in Hongkong geen belemmering vormt voor vervolging door de Chinese autoriteiten in Peking.
10. Het asielbeleid ten aanzien van Colombia
10.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
10.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
10.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
10.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
Geen bijzonderheden.
10.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
10.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
10.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
10.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
Geen bijzonderheden.
10.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
10.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
De IND neemt voor Colombia aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de departementen Antioquia, Arauca, Bolivar, Cauca, Choco, Magdalena Valle del Cauca, Nariño en Putumayo.
10.5. Bescherming
10.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
De IND neemt aan dat het voor een Colombiaanse vreemdeling in het algemeen mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen.
Voor de volgende categorieën neemt de IND aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen:
10.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
De IND neemt ten aanzien van Colombia in het algemeen een binnenlands beschermingsalternatief aan.
De IND neemt aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is voor personen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade door:
10.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Colombia geldt in ieder geval dat algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn.
Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
10.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
11. Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC (Democratische Republiek Congo)
11.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
11.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
11.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
11.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
Geen bijzonderheden.
11.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
11.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
11.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
11.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
Geen bijzonderheden.
11.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
11.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
De IND neemt voor Congo DRC aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in de provincies Noord-Kivu, Zuid-Kivu en Ituri.
11.5. Bescherming
11.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
De IND neemt in ieder geval voor de volgende categorieën aan dat het niet mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:
11.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
De IND neemt voor Congo DRC geen binnenlands beschermingsalternatief aan, als de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade.
De IND neemt voor Congo DRC een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa aan als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:
11.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Congo DRC geldt in zijn algemeenheid dat:
Ondanks voornoemd uitgangspunt kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
11.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
12. Het asielbeleid ten aanzien van Egypte
12.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
12.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
12.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
12.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
Geen bijzonderheden.
12.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
De IND merkt voor Egypte de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicoprofiel:
12.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
12.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
12.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
Geen bijzonderheden.
12.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
12.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
12.5. Bescherming
12.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
Van personen behorend tot een van de hierboven genoemde risicoprofielen, die een gegronde vrees hebben voor vervolging, wordt niet verlangd dat zij de bescherming van de autoriteiten inroepen.
12.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)
Ten aanzien van personen behorend tot een van de hierboven genoemde risicoprofielen, die een gegronde vrees hebben voor vervolging, wordt geen binnenlands beschermingsalternatief aangenomen.
12.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen
De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.
Voor Egypte geldt in zijn algemeenheid dat:
Ondanks voornoemd uitgangspunt, kan in een voorkomend geval – na onderzoek – worden vastgesteld dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.
12.7. Vertrekmoratorium
Geen bijzonderheden.
13. Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea
13.1. Besluitmoratorium
Geen bijzonderheden.
13.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Geen bijzonderheden.
13.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)
13.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc
De IND beschouwt de volgende groep als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag:
13.3.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
13.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)
13.4.1. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder a en b, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.2 Vc
13.4.1.1. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc
De IND beschouwt de volgende groepen als groepen die systematisch worden blootgesteld aan een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw:
13.4.1.2. Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc
Geen bijzonderheden.
13.4.1.3. Illegale uitreis
De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, eerste lid, Vw aan de Eritrese vreemdeling die:
13.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc
Geen bijzonderheden.
13.5. Bescherming
13.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)
De IND neemt aan dat het niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van bescherming wel mogelijk is.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)