Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit)

Type AMvB
Publication 2024-10-01
State In force
Source BWB
artikelen 278
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het vuurwerk of het pyrotechnische artikel voor theatergebruik aangebracht. Wanneer dit gezien de aard van het artikel niet mogelijk of niet gerechtvaardigd is, wordt de CE-markering aangebracht op de verpakking en in de begeleidende documenten.

2.

De CE-markering wordt aangebracht voordat het vuurwerk of pyrotechnische artikel voor theatergebruik in de handel wordt gebracht.

3.

Indien de aangemelde instantie betrokken is geweest bij de productiecontrolefase, wordt de CE-markering gevolgd door het identificatienummer van die aangemelde instantie.

4.

Het identificatienummer, bedoeld in het derde lid, wordt aangebracht door de aangemelde instantie zelf, dan wel overeenkomstig haar instructies door de fabrikant.

§ 5. Aangewezen instantie

Artikel 1A.5.1
1.

Onze Minister kan een instantie, die hiertoe een verzoek heeft ingediend overeenkomstig artikel 1A.5.2, aanwijzen die bevoegd is tot het uitvoeren van de conformiteitsbeoordelingsprocedure. Onze Minister meldt de aangewezen instantie aan overeenkomstig artikel 21 van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen.

2.

De aangewezen instantie voldoet aan de eisen, genoemd in de artikelen 1A.5.3 tot en met 1A.5.10.

3.

Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden ter uitvoering van de eisen, genoemd in de artikelen 1A.5.3 tot en met 1A.5.10.

Artikel 1A.5.2
1.

Een instantie die wenst te worden aangewezen in de zin van artikel 1A.5.1, eerste lid, dient een verzoek tot aanwijzing in bij Onze Minister.

2.

Het verzoek tot aanwijzing, genoemd in het eerste lid, gaat vergezeld van:

  • a. een beschrijving van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitbeoordelingsmodule(s), genoemd in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen en het pyrotechnische artikel of de pyrotechnische artikelen waarvoor de instantie verklaart bekwaam te zijn, en
  • b. het accreditatiecertificaat dat is afgegeven door een nationale accreditatie-instantie, waarin wordt verklaard dat de instantie voldoet aan de eisen, genoemd in de artikelen 1A.5.3 tot en met 1A.5.10.
Artikel 1A.5.3
1.

De aangewezen instantie is onafhankelijk van de door haar beoordeelde organisaties en het door haar beoordeeld vuurwerk of de door haar beoordeelde pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

2.

De aangewezen instantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, installateur, koper, eigenaar, gebruiker of onderhouder van het vuurwerk, de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, of explosieve stoffen, noch de vertegenwoordiger van een van die partijen. Dit belet echter niet het gebruik van pyrotechnische artikelen of explosieve stoffen die nodig zijn voor de activiteiten van de aangewezen instantie of het gebruik van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor persoonlijke doeleinden.

3.

De aangewezen instantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet rechtstreeks of als vertegenwoordiger van de betrokken partijen betrokken bij het ontwerpen, vervaardigen of bouwen, verhandelen, installeren, gebruiken of onderhouden van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of explosieve stoffen. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijke oordeel of hun integriteit met betrekking tot conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangewezen in het gedrang kunnen brengen. Dit geldt met name voor adviesdiensten.

4.

De aangewezen instantie waarborgt dat activiteiten van haar dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die de aangewezen instantie verricht;

Artikel 1A.5.4
1.

De aangewezen instantie en haar personeel voeren de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied.

2.

De aangewezen instantie en haar personeel zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, met name van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.

Artikel 1A.5.5
1.

De aangewezen instantie is in staat alle conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten die in bijlage II bij de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen aan haar zijn toegewezen en waarvoor zij is aangewezen, ongeacht of deze taak door de aangewezen instantie zelf of namens haar en onder haar verantwoordelijkheid wordt verricht.

2.

De aangewezen instantie beschikt te allen tijde, voor elke conformiteitsbeoordelingsprocedure en voor elk soort en elke categorie vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarvoor zij is aangemeld over:

  • a. benodigd personeel met technische kennis en voldoende passende ervaring om de conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten;
  • b. beschrijvingen van de procedures voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordeling, waarbij de transparantie en de mogelijkheid tot reproductie van deze procedures worden gewaarborgd;
  • c. gepast beleid en geschikte procedures om een onderscheid te maken tussen taken die zij als aangewezen instantie verricht en andere activiteiten; en
  • d. procedures voor de uitoefening van haar activiteiten die naar behoren rekening houden met de omvang van een onderneming, de sector waarin zij actief is, de structuur ervan, de relatieve complexiteit van de producttechnologie in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces.
3.

Een aangewezen instantie beschikt over de noodzakelijke middelen om de technische en administratieve taken, die zijn verbonden met de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, op passende wijze uit te voeren en heeft toegang tot alle noodzakelijke apparatuur en faciliteiten.

Artikel 1A.5.6

Het personeel van de aangewezen instantie dat verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordelingstaken beschikt over:

  • a. een gedegen technische en beroepsopleiding die alle relevante conformiteitsbeoordelingsactiviteiten omvat waarvoor de instantie is aangewezen;
  • b. een voldoende kennis van de eisen inzake de beoordelingen die de aangewezen instantie verricht en voldoende bevoegdheden om deze beoordelingen uit te voeren;
  • c. voldoende kennis van en inzicht in de essentiële veiligheidseisen, de toepasselijke geharmoniseerde normen en de relevante bepalingen van de harmonisatiewetgeving van de Europese Unie en van het bij of krachtens dit besluit bepaalde; en
  • d. de bekwaamheid om certificaten, dossiers en rapporten op te stellen die aantonen dat de beoordelingen zijn verricht.
Artikel 1A.5.7
1.

De aangewezen instantie waarborgt haar onpartijdigheid en die van haar leidinggevenden en haar personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht.

2.

De beloning van leidinggevenden en personeel van de aangewezen instantie hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan;

Artikel 1A.5.8

De aangewezen instantie heeft een geldige aansprakelijkheidsverzekering.

Hoofdstuk 2. Consumentenvuurwerk

§ 1. Eisen aan consumentenvuurwerk

§ 2. Opslaan en bewerken van consumentenvuurwerk

§ 3. Verkoop en tot ontbranding brengen van consumentenvuurwerk

Hoofdstuk 3. Professioneel vuurwerk

§ 1. Eisen aan professioneel vuurwerk

§ 2. Opslaan en bewerken van professioneel vuurwerk

§ 3. Verkoop en tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk

Hoofdstuk 3a. Pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

Hoofdstuk 2. Consumentenvuurwerk

Hoofdstuk 4. Veiligheidsafstanden

Hoofdstuk 5. Overige, overgangs- en slotbepalingen

§ 2. Opslaan en bewerken van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

§ 1. Eisen aan professioneel vuurwerk

§ 1. Eisen aan professioneel vuurwerk

Artikel 5.3.5
1.

De artikelen 1A.1.3 tot en met 1A.4.1 en 3A.1.1 zoals die luidden vóór 1 juli 2015 zijn eerst met ingang van 4 juli 2013 van toepassing op vuurwerk behorende tot categorie F4 en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

2.

Vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die voldoen aan dit besluit zoals dat onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van het besluit van 8 september 2015 tot wijziging van het Vuurwerkbesluit ter implementatie van richtlijn nr. 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking) (PbEU L 178) en uitvoeringsrichtlijn 2014/58/EU van 16 april 2014 van de Commissie betreffende het opzetten van een traceerbaarheidssysteem voor pyrotechnische artikelen overeenkomstig Richtlijn 2007/23/EG (PbEU L 115) (Stb. 2015, nr. 332) luidde en die vóór dat tijdstip in de handel zijn gebracht, mogen ook na dat tijdstip op de markt worden aangeboden.

3.

Conformiteitscertificaten, verstrekt uit hoofde van Richtlijn 2007/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen, zijn geldig uit hoofde van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen.

Artikel 5.3.6
1.

Een vergunning, verleend op grond van artikel 3.3.2 van het Vuurwerkbesluit, zoals dit gold tot en met 3 juli 2010, wordt na die datum aangemerkt als een vergunning krachtens artikel 3B.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit.

2.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid geldt tevens voor consumentenvuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

Artikel 5.3.7

Vervallen

Artikel 5.3.8

Een certificaat van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dat voor 4 juli 2010 is afgegeven aan de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 3B.1, geldt, indien het betrekking heeft of mede betrekking heeft op professioneel vuurwerk, mede voor consumentenvuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

§ 4. Slotbepalingen

Bijlage 1. Voorschriften voor het opslaan, herverpakken en bewerken van consumentenvuurwerk, als bedoeld in de artikelen 2.2.1 en 2.2.2, voor het opslaan en bewerken van theatervuurwerk en van professioneel vuurwerk, als bedoeld in artikel 3.1.4

Paragraaf 2. Constructie van een bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats

Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats

Paragraaf 5. Automatische sprinklerinstallatie

Paragraaf 6. Afstanden tot objecten binnen de inrichting

A. Begripsbepalingen

D. Opslag van meer dan 1 000 kilogram consumentenvuurwerk

Bijlage 1. Voorschriften voor het opslaan, herverpakken en bewerken van consumentenvuurwerk, als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, en voor het opslaan en bewerken van theatervuurwerk, als bedoeld in artikel 3A.2.1, tweede lid

Vervallen

Paragraaf 5. Automatische sprinklerinstallatie

B. Voorschriften

Paragraaf 5. Automatische sprinklerinstallatie

Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats en van een bewerkingsruimte

1.3 Bij de vaststelling van de in deze bijlage genoemde hoeveelheden vuurwerk wordt, indien meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is, 10 kg fop- en schertsvuurwerk gelijk gesteld aan 1 kg consumentenvuurwerk.

Paragraaf 5. Veiligheidsinstructies voor personen die werkzaamheden verrichten binnen de inrichting

1.5 De brandbeveiligingsinstallatie is ontworpen, aangelegd, opgeleverd en onderhouden overeenkomstig een uitgangspuntendocument. Het uitgangspuntendocument is beoordeeld door een door de Stichting Raad voor Accreditatie geaccrediteerde NEN-EN-ISO/IEC 17020 type A inspectie-instelling wat betreft het uitvoeren van beoordelingen en inspecties ten aanzien van brandbeveiligingsinstallaties. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om accreditatie als bedoeld in de tweede volzin. Het uitgangspuntendocument en de beoordeling door de inspectie-instelling zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg van de brandbeveiligingsinstallatie wordt begonnen. Het uitgangspuntendocument en de beoordeling door de inspectie-instelling zijn binnen de inrichting aanwezig.

1.6 De bewaarplaats, bufferbewaarplaats en verkoopruimte worden niet eerder in gebruik genomen dan nadat een inspectie-instelling als bedoeld in voorschrift 1.5 een inspectierapport heeft afgegeven waaruit blijkt dat de brandbeveiligingsinstallatie voldoet aan het goedgekeurde uitgangspuntendocument. Het inspectierapport, bedoeld in de eerste volzin, is binnen de inrichting aanwezig.

1.7 Iedere twaalf maanden na aanleg van de brandbeveiligingsinstallatie wordt door een inspectie-instelling als bedoeld in voorschrift 1.5 beoordeeld of de brandbeveiligingsinstallatie functioneert en is onderhouden conform het in voorschrift 1.5 bedoelde goedgekeurde uitgangspuntendocument. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig. Een bewaarplaats of een bewerkingsruimte is niet in gebruik zolang uit het laatst opgestelde inspectierapport blijkt dat de brandbeveiligingsinstallatie niet voldoet aan het goedgekeurde uitgangspuntendocument.

1.8 Vervallen.

1.9 De wijze waarop vuurwerk wordt opgeslagen heeft geen negatieve invloed op de functionele werking van de automatische sprinklerinstallatie. Daartoe is de wijze van opslaan tenminste in overeenstemming met de uitgangspunten die ten aanzien daarvan ten grondslag hebben gelegen aan het ontwerp van de automatische sprinklerinstallatie, zoals deze zijn neergelegd in het uitgangspuntendocument. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de wijze waarop verpakt of onverpakt vuurwerk wordt opgeslagen.

1.10 In de bewaarplaats en in de bewerkingsruimte is ten minste één draagbaar blustoestel aanwezig, met een inhoud van ten minste 12 kg ABC-bluspoeder, waarvan het ABC-bluspoeder minstens 40% ammoniumfosfaat bevat. De loopafstand vanaf elk willekeurig punt in de bewaarplaats en in de bewerkingsruimte tot aan een blustoestel bedraagt maximaal 20 m.

1.11 Opdat een brand binnen redelijke tijd kan worden geblust, heeft een bewaarplaats en een bewerkingsruimte één of meer brandslanghaspels, waarbij aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1.12 De brandslanghaspel is steeds voor onmiddellijk gebruik beschikbaar en kan onbelemmerd worden bereikt. De brandslanghaspel wordt jaarlijks door een deskundige gecontroleerd op zijn deugdelijkheid.

1.13 Teneinde domino-effecten te voorkomen, is voldoende afstand in acht genomen tussen de bewaarplaats onderscheidenlijk de bewerkingsruimte en andere onderdelen van de inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn. Daartoe mag een brand ter plaatse van andere onderdelen van de inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn op de gevel van de bewaarplaats onderscheidenlijk de bewerkingsruimte geen grotere stralingsbelasting dan 15 kW per m2 veroorzaken. Om domino-effecten te voorkomen kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een grotere interne veiligheidsafstand eisen dan uit de toepassing van de tweede volzin voortvloeit.

1.14 Teneinde instantane sympathische reacties door grondschok, drukgolf, thermische effecten en uitgeworpen brokstukken en artikelfragmenten te voorkomen, dient voldoende afstand te worden aangehouden tussen bewaarplaatsen en bewerkingsruimten en tussen deze plaatsen en ruimten onderling.

1.15 Iedere vijf jaar vanaf de goedkeuring van het uitgangspuntendocument door het bevoegd gezag wordt dat document beoordeeld door een inspectie-instelling als bedoeld in voorschrift 1.5. De beoordeling bestaat in ieder geval uit een beoordeling van de gehanteerde uitgangspunten en normen in het uitgangspuntendocument in relatie tot de uitgangspunten en normen die gezien de actuele stand der techniek gehanteerd worden op het moment van de beoordeling en in relatie tot eventuele doorgevoerde wijzigingen.

1.16 Op grond van de beoordeling, bedoeld in voorschrift 1.15, kan het bevoegd gezag besluiten de beschikking omtrent de goedkeuring van het uitgangspuntendocument in te trekken.

2.4 Met het oog op een goede ventilatie zijn in de muren vlak boven de vloer en vlak onder of in het dak voldoende afsluitbare en met roosters afgeschermde ventilatieopeningen aangebracht, waarvan het totale oppervlak ten minste 0,5% van het vloeroppervlak bedraagt. Ventilatieopeningen zijn voorzien van vlamkerende roosters.

2.1 Een bewaarplaats wordt gelijkgesteld met een brandcompartiment. De brandwerendheid van een bewaarplaats is niet lager dan 60 minuten. Bovendien zijn de wanden, vloer en afdekking van een bewaarplaats vervaardigd van metselwerk, beton of gasbeton.

2.2 Van een bewaarplaats zijn, behalve de toegangsdeur en de ventilatieopeningen, in de wanden en de afdekking geen openingen of ramen aanwezig.

2.3 De toegangsdeur van de bewaarplaats:

2.4 Met het oog op een goede ventilatie zijn in de muren vlak boven de vloer en vlak onder of in het dak voldoende afsluitbare en met roosters afgeschermde ventilatieopeningen aangebracht, waarvan het totale oppervlak ten minste 0,5% van het vloeroppervlak bedraagt. Ventilatieopeningen zijn voorzien van vlamkerende roosters.

2.5 Ventilatie- en afzuiginstallaties zijn zo geconstrueerd, dat zich hierin geen stoffen kunnen ophopen dan wel zodanig samenkomen, dat gevaar van brand of explosie ontstaat. Voorts is de installatie zodanig geconstrueerd en geaard, dat de weerstand, gemeten tussen elk deel van de installatie en de aardleiding, ten hoogste 1 ohm bedraagt. Zij moeten jaarlijks worden gecontroleerd door een onafhankelijke deskundige.

2.6 De vloeren vertonen geen scheuren of kieren en zijn afgewerkt met een deklaag, die ter voorkoming van stofvorming slechts weinig aan slijtage onderhevig is, en die bovendien niet elektriciteit-isolerend (weerstand kleiner dan 10 000 000 ohm) is. Vloeren in bewaarplaatsen zijn volledig vonkvrij. De grootte van de weerstand wordt ten minste eenmaal per 6 maanden gemeten door een onafhankelijke deskundige.

2.7 Ter voorkoming van opeenhoping van stof en ter vergemakkelijking van de reiniging, zijn de muren glad afgewerkt zonder horizontale lijsten of randen.

2.8 Transformator- en schakelgebouwen zijn zo geconstrueerd, dat zij geen gevaar opleveren voor bewaarplaatsen die in de nabijheid van die gebouwen liggen. Zij zijn ten minste 15 m daarvan verwijderd.

Paragraaf 6. Werkzaamheden aan professioneel vuurwerk

2.10 De elektrische installatie draagt een permanent karakter en bestaat uitsluitend uit vaste leidingen.

2.11 Horizontaal lopende gedeelten van de elektriciteitsleiding zijn buiten handbereik geplaatst dan wel in de vloer gelegd. Indien daartoe aanleiding bestaat, zijn zij tegen stoten afgeschermd.

2.12 Een bovengrondse elektriciteitsleiding nadert de bewaarplaats niet dichter dan 15 m. Leidt de leiding naar de bewaarplaats, dan is zij vanaf die afstand tot het bereiken van een schakel- en verdeelinrichting ondergronds aangebracht.

2.13 In een bewaarplaats zijn geen schakel- en verdeelinrichtingen of contactdozen aangebracht. Dergelijke apparatuur is aangebracht op een schakelbord aan de buitenzijde van de bewaarplaats.

2.14 De elektrische installatie is verdeeld in groepen, die kunnen worden in- en uitgeschakeld met behulp van groepschakelaars op het schakelbord, bedoeld in het vorige voorschrift. Daarop is tevens een direct bedienbare hoofdschakelaar aangebracht waarmee de gehele installatie kan worden uitgeschakeld.

2.15 De bewaarplaats is afdoende beveiligd tegen blikseminslag. Daartoe is de bewaarplaats voorzien van een bliksemafleidinstallatie die voldoet aan de eisen van NEN 1014. In afwijking van NEN 1014 wordt de installatie jaarlijks gecontroleerd. Een afschrift van het rapport van de controle is binnen de inrichting aanwezig.

2.16 Rondom de bewaarplaats is op een afstand van ten minste 15 m een deugdelijke afrastering van metaalvlechtwerk met een hoogte van ten minste 2 m aanwezig. De toegangspoort in de afrastering wordt alleen geopend voor werkzaamheden of controle in de bewaarplaats en is verder afgesloten. Binnen de afrastering bevindt zich geen naaldhoutbeplanting en binnen een afstand van 5 m van de bewaarplaats bevindt zich bovendien geen loofhout. Daarnaast bevinden zich binnen de afrastering geen goederen, snoeimateriaal en overige materialen die door vuur tot ontbranding kunnen worden gebracht.

2.17 In een bewaarplaats wordt voor verwarming uitsluitend gebruik gemaakt van:

2.18 Bij centrale verwarming als bedoeld in voorschrift 2.17, onder a, wordt alleen gebruik worden gemaakt van water onder lage druk. De warmtebron is tenminste 15 m van de bewerkingsruimte verwijderd, doch bij voorkeur op een grotere afstand. Indien de afstand minder dan 25 m bedraagt, is op de rookgasafvoer van de centrale verwarming een vonkenvanger geplaatst.

2.19 Bij elektrische verwarming als bedoeld in voorschrift 2.17, onder b, worden alleen afgesloten radiatoren gebruikt. De oppervlaktetemperatuur van die radiatoren mag ten hoogste 100°C bedragen.

Bijlage 3. Veiligheidsafstanden als bedoeld in de artikelen 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 en 4.2

Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats en van een bewerkingsruimte

2.22 In de bewerkingsruimte is een zodanige leiding aangebracht, dat het mogelijk is gereedschappen en werktuigen door middel van deze leiding te aarden. De leiding is verbonden aan een aardelektrode overeenkomstig NEN 1014. Dezelfde aardelektrode wordt niet toegepast voor de bliksembeveiligingsinstallatie.

B. Veiligheidsafstanden

2.24 Bij de ingang van de bewerkingsruimte is een aardingsmogelijkheid aanwezig.

3.4 Voordat met herstelwerkzaamheden aan een bewaarplaats of een bewerkingsruimte wordt begonnen, is de bewaarplaats onderscheidenlijk de bewerkingsruimte geheel leeg en schoongemaakt. Indien deze werkzaamheden door derden worden uitgevoerd, vindt de aanvang daarvan niet eerder plaats dan nadat degene die de inrichting drijft daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.

3.1 In de bewaarplaats worden geen andere goederen dan vuurwerk en daarvoor benodigde materialen en hulpmiddelen opgeslagen. Indien in de bewaarplaats vuurwerk is opgeslagen, dan mogen in die bewaarplaats geen bewerkingen plaatsvinden.

3.2 Onbruikbaar vuurwerk dat vanwege de gevaarlijke toestand waarin het verkeert in aanmerking komt voor vernietiging of voor speciale behandeling, mag niet met ander vuurwerk in dezelfde bewaarplaats worden opgeslagen. Hetzelfde geldt voor professioneel vuurwerk waarvan de toestand of herkomst onbekend is.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1A.2.1
1.

Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die niet voldoen aan de essentiële veiligheidseisen in de handel te brengen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen.

2.

Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die niet zijn onderworpen aan de conformiteitsbeoordelingsprocedure conform de artikelen 1A.3.1 en 1A.3.2 in de handel te brengen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen.

3.

Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel te brengen, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen of te gebruiken anders dan met inachtneming van de voorschriften gesteld bij of krachtens deartikelen 1A.4.1, 2.1.3, 3.1.1 en 3A.1.1 met betrekking tot de aanduiding en het bezigen van vermeldingen.

4.

Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel te brengen zonder dat hiervoor, overeenkomstig artikel 1A.4.2, een EU-conformiteitsverklaring is opgesteld.

5.

Het is voor fabrikanten verboden te handelen in strijd met bijlage II bij de EU-richtlijn.

Artikel 1A.2.2
1.

Artikel 1A.2.1 is niet van toepassing op vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van EU-richtlijn pyrotechnische artikelen en die worden getoond en gebruikt op handelsbeurzen, tentoonstellingen en demonstraties voor het verhandelen van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, mits is voldaan aan het bepaalde in het derde lid.

2.

Artikelen als bedoeld in het eerste lid mogen pas verkocht worden nadat ze in overeenstemming zijn gebracht met de bepalingen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen.

3.

Op de artikelen, bedoeld in het eerste lid:

  • a. wordt een zichtbaar teken aangebracht waaruit duidelijk de naam en de datum van de handelsbeurs, tentoonstelling of demonstratie blijken;
  • b. is aangegeven dat de artikelen niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen en niet verkocht mogen worden.
Artikel 1A.2.3
1.

Artikel 1A.2.1 is niet van toepassing op vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die voor onderzoeks-, ontwikkelings- en testdoeleinden zijn geproduceerd en niet met de bepalingen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn. Deze artikelen mogen vrij circuleren en worden gebruikt, mits is voldaan aan het bepaalde in het derde lid.

2.

Artikelen als bedoeld in het eerste lid mogen niet beschikbaar worden gesteld of worden gebruikt voor andere doeleinden dan voor ontwikkeling, tests en onderzoek.

3.

Op de artikelen, bedoeld in het eerste lid, wordt een zichtbaar teken aangebracht waaruit duidelijk blijkt dat ze niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van de EU-richtlijn pyrotechnische artikelen en niet beschikbaar zijn voor andere doeleinden dan voor ontwikkeling, tests en onderzoek.

§ 3. Conformiteitsbeoordelingsprocedure

§ 5. Aangewezen instantie

§ 1. Eisen aan consumentenvuurwerk

§ 3. Verkoop en tot ontbranding brengen van consumentenvuurwerk

Hoofdstuk 3. Professioneel vuurwerk

§ 2. Opslaan en bewerken van professioneel vuurwerk

§ 3. Verkoop en tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk

Hoofdstuk 3a. Pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

§ 1. Eisen aan pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

Artikel 3A.1.1
1.

Pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn voorzien van:

  • a. de aanduiding: Niet geschikt voor particulier gebruik;
  • b. een vermelding of afbeelding van de soort van het artikel waaruit duidelijk blijkt wat de te verwachten effecten tijdens het functioneren zijn;
  • c. de naam, de geregistreerde handelsnaam of de geregistreerde merknaam van de fabrikant en één postadres waarop contact met hem kan worden opgenomen;
  • d. indien de fabrikant niet is gevestigd op het grondgebied van de Europese Unie: de gegevens, genoemd onder c, en de naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam van de importeur en het postadres waarop contact met hem kan worden opgenomen;
  • e. indien de importeur niet in Nederland is gevestigd: de gegevens, genoemd onder c en d, en de handelsnaam of het handelsmerk en de naam en de plaats van vestiging van de distributeur;
  • f. De naam en het type van het artikel en het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende registratienummer en het product-, partij- of serienummer van het product;
  • g. de categorie, bedoeld in artikel 1A.1.3, waartoe het artikel behoort;
  • h. de NEM;
  • i. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan.
2.

Op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik moet voorts de volgende informatie staan: voor zover het betreft categorie T1: in voorkomend geval: «uitsluitend buitenshuis te gebruiken» en de minimale veiligheidsafstand; voor zover het betreft categorie T2: «uitsluitend door personen met gespecialiseerde kennis te gebruiken» en de minimale veiligheidsafstand(en).

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet voor pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van geringe afmeting, mits de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens zijn aangebracht op de kleinste verpakkingseenheid.

4.

De aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn in de Nederlandse, Duitse, Engelse of Franse taal gesteld, zichtbaar, leesbaar, duidelijk, begrijpelijk en onuitwisbaar.

5.

In afwijking van het vierde lid worden de aanduiding en de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die aan een persoon met gespecialiseerde kennis zullen worden aangeboden in een andere lidstaat van de Europese Unie gesteld in de officiële taal of talen van het desbetreffende land.

6.

Dit artikel is niet van toepassing op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarvan op het moment dat het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht, naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat zij binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zullen worden gebracht. Indien sprake is van het met een omgevingsvergunning opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder i, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in containers voor vervoer op een locatie op een haventerrein van de zeehaven van Amsterdam, Eemshaven, Rotterdam of Vlissingen, wordt in plaats van «48 uur» gelezen: twee weken.

Artikel 3A.1.2
1.

Pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zijn bij het voorhanden hebben op zodanige wijze verpakt dat zij volgens bijlage A bij de ADR, uitsluitend kunnen worden aangemerkt als artikelen behorende tot klasse 1.4G of 1.4S.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarvan op het moment dat zij binnen het grondgebied van Nederland worden gebracht, naar het oordeel van Onze Minister genoegzaam wordt aangetoond dat zij binnen 48 uur weer buiten het grondgebied van Nederland zullen worden gebracht. Indien sprake is van het met een omgevingsvergunning opslaan van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voor korte tijd en in afwachting van aansluitend vervoer naar een vooraf bekende ontvanger, bedoeld in artikel 3.286, eerste lid, onder i, van het Besluit activiteiten leefomgeving, in containers voor vervoer op een locatie op een haventerrein van de zeehaven van Amsterdam, Eemshaven, Rotterdam of Vlissingen, wordt in plaats van 48 uur gelezen: twee weken.

§ 2. Opslaan en bewerken van consumentenvuurwerk

Artikel 3A.2.1

Vervallen

Artikel 3A.2.2

Vervallen

§ 2. Opslaan en bewerken van consumentenvuurwerk

Artikel 3A.3.1
1.

Het is verboden pyrotechnische artikelen voor theatergebruik aan een ander ter beschikking te stellen.

2.

Het verbod geldt niet voor het ter beschikking stellen aan een persoon met gespecialiseerde kennis die gerechtigd is de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan of te bewerken, dan wel, indien de betrokken persoon de artikelen tot ontbranding zal brengen, gerechtigd is de artikelen tot ontbranding te brengen.

Hoofdstuk 3b. Het tot ontbranding brengen van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

Artikel 3B.1
1.

Met uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 2.3.6, is het verboden zonder een daartoe verleende vergunning vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding te brengen, ten behoeve daarvan op te bouwen, te installeren, te bewerken, dan wel na ontbranding te verwijderen.

2.

Onze Minister beslist op een aanvraag om een toepassingsvergunning.

3.

Aan de toepassingsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat:

  • a. voorafgaand aan het tot ontbranding brengen van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik door de aanvrager toestemming is verkregen van gedeputeerde staten van de provincie waarin de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht en de aan de toestemming verbonden voorschriften worden nageleefd;
  • b. het tot ontbranding te brengen vuurwerk en de tot ontbranding te brengen pyrotechnische artikelen voor theatergebruik afkomstig zijn van een locatie waarop een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.30 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht, die is gemeld overeenkomstig artikel 4.1030 van dat besluit of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend geldt, dan wel rechtstreeks afkomstig zijn uit het buitenland.
4.

Aan de toepassingsvergunning worden voorts voorschriften verbonden in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu. Zij kan onder beperkingen worden verleend.

5.

Degene aan wie een toepassingsvergunning is verleend, is gehouden de in het derde en vierde lid bedoelde voorschriften na te leven.

6.

De toepassingsvergunning vervalt op het moment dat de geldigheidsduur van het certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3B.2, tweede lid, onder c, afloopt. Is de toepassingsvergunning verleend aan een onderneming dan vervalt de toepassingsvergunning eveneens op het moment dat er geen persoon aan wie een certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is afgegeven, meer werkzaam is voor de onderneming.

7.

De toepassingsvergunning heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.

8.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een toepassingsvergunning.

Artikel 3B.2
1.

De aanvraag om een toepassingsvergunning wordt langs elektronische weg ingediend. In afwijking van artikel 2:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neemt het bevoegd gezag een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend, in ontvangst.

2.

Bij de aanvraag worden door de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden langs elektronische weg verstrekt:

  • a. zijn naam, adres, geboortedatum en geboorteplaats en, in voorkomend geval, de naam en het adres van de betrokken onderneming;
  • b. gegevens waaruit blijkt dat de handelingen waarop de aanvraag betrekking heeft bedrijfsmatig worden verricht;
  • c. een afschrift van een geldig certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dat is afgegeven aan de persoon door wie of onder wiens voortdurend toezicht de handelingen, waarop de aanvraag betrekking heeft, worden verricht en dat betrekking heeft op die handelingen;
  • d. de handelingen en de soorten vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik waarop de aanvraag betrekking heeft;
3.

De aanvrager stelt naar het oordeel van het bevoegd gezag bij de aanvraag op genoegzame wijze door verzekering of anderszins financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de in het tweede lid, onder b, bedoelde handelingen.

4.

De zekerheid bedraagt ten minste € 2 500 000,00 per gebeurtenis en wordt in ieder geval in stand gehouden tot het moment waarop de vergunning vervalt. De verzekering is gesloten bij een financiële onderneming die op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen.

5.

Met een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in het tweede lid, onder e, wordt gelijkgesteld een verklaring omtrent het gedrag afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden, mits die verklaring niet ouder is dan zes maanden.

6.

De aanvrager kan de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, op schriftelijke wijze verstrekken, voor zover het bevoegd gezag daarvoor toestemming heeft gegeven.

7.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop een aanvraag langs elektronische weg wordt ingediend.

Artikel 3B.3
1.

De ontbrandingstoestemming kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu.

2.

Aan de ontbrandingstoestemming kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu. De voorschriften kunnen afwijken van regels gesteld in de regeling, bedoeld in artikel 3B.7.

3.

Degene aan wie de toestemming is verleend, is gehouden de in het tweede lid bedoelde voorschriften na te leven.

Artikel 3B.4
1.

In afwijking van artikel 3B.1, derde lid, onder a, kan degene aan wie een toepassingsvergunning is verleend en die:

  • a. ten hoogste 20 kg pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding wil brengen, of
  • b. ten hoogste 200 kg consumentenvuurwerk tot ontbranding wil brengen,

voorafgaand aan het tot ontbranding brengen volstaan met een melding aan gedeputeerde staten van de provincie waarin de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht.

2.

Voor de bepaling van de hoeveelheid consumentenvuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het gewicht van de artikelen als zijnde onverpakt consumentenvuurwerk onderscheidenlijk onverpakte pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

3.

Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van de melding aan het bestuur van de regionale brandweer binnen wiens gebied de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht, aan de burgemeester van de gemeente binnen wiens gemeente de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht en aan Onze Minister. Deze verzending geschiedt zo veel als mogelijk en in ieder geval aan Onze Minister langs elektronische weg.

4.

Degene die het consumentenvuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding wil brengen draagt er zorg voor dat de melding ten minste twee weken voordat de artikelen tot ontbranding worden gebracht door gedeputeerde staten is ontvangen.

5.

In afwijking van het vierde lid kunnen gedeputeerde staten na overleg met de burgemeester en het bestuur, bedoeld in het derde lid, in bijzondere omstandigheden een kortere termijn voor de melding toestaan.

6.

Artikel 3B.3a, eerste lid, eerste en tweede volzin, tweede, vijfde en twaalfde lid, is van overeenkomstige toepassing op een melding als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3B.5
1.

De toepassingsvergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3B.6
1.

Degene aan wie een toepassingsvergunning is verleend, houdt een register bij waarin zijn vermeld:

  • b. de personen die onder toezicht van de onder a bedoelde persoon of personen bedrijfsmatig handelingen met vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik verrichten als bedoeld in artikel 3B.1, eerste lid;
  • c. de evenementen en voorstellingen, waarbij vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zijn gebracht en de daarbij tot ontbranding gebrachte typen en hoeveelheden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in kilogrammen alsmede de weigeraars, met vermelding van de door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummers die dienen ter identificatie van het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
  • d. ongewone voorvallen die zich tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik hebben voorgedaan.
2.

Het register wordt binnen twee werkdagen na een wijziging dan wel na een evenement of voorstelling bijgewerkt.

3.

De gegevens worden op een zodanige wijze geregistreerd dat gedurende de periode waarover de registratieplicht ingevolge het vierde lid geldt, indien Onze Minister of gedeputeerde staten van de provincie die de vergunning hebben verleend daarom verzoeken, binnen acht uur de gegevens schriftelijk kunnen worden overgelegd.

4.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, blijven ten minste voor de duur van zeven jaar na de vastlegging in de registratie opgenomen.

5.

Degene aan wie een toepassingsvergunning is verleend, meldt een ongewoon voorval als bedoeld in het eerste lid, onder d, onverwijld aan gedeputeerde staten van de provincie waarin het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding worden gebracht.

6.

Van een wijziging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt onverwijld melding gemaakt bij Onze Minister.

Hoofdstuk 4. Veiligheidsafstanden

Hoofdstuk 5. Overige, overgangs- en slotbepalingen

§ 1. Wijzigingsbepalingen

§ 2. Intrekking van regelgeving

§ 2. Intrekking van regelgeving

§ 4. Slotbepalingen

Bijlage 1. Voorschriften voor het opslaan, herverpakken en bewerken van consumentenvuurwerk, als bedoeld in de artikelen 2.2.1 en 2.2.2, voor het opslaan en bewerken van theatervuurwerk

Paragraaf 2. Constructie van een bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats

Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats

Paragraaf 4. Verkoopruimte

C. Opslag van ten hoogste 1 000 kilogram consumentenvuurwerk

Bijlage 2. Voorschriften voor het opslaan en bewerken van professioneel vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk, als bedoeld in artikel 3.2.1 of 3A.2.1

A. Begripsbepalingen

Paragraaf 2. Constructie van een bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats

Paragraaf 1. Algemene voorschriften

Paragraaf 4. Verkoopruimte

1.4 In de bewaarplaats en in de bewerkingsruimte is een automatische sprinklerinstallatie met automatische doormelding naar de centrale meldkamer van de brandweer aanwezig.

Paragraaf 4. Voorschriften voor de uitrusting in de bewerkingsruimte

Paragraaf 5. Veiligheidsinstructies voor personen die werkzaamheden verrichten binnen de inrichting

2.9 In een bewaarplaats voldoen de gebruikte apparatuur en de installaties aan de in NPR 7910-2 genoemde voorschriften voor zone 22. De maximaal toegelaten oppervlaktetemperatuur van de gebruikte apparatuur en de installaties is 100°C.

2.20 Alle radiatoren en leidingen zijn zodanig aangelegd en afgeschermd, dat zij niet onopzettelijk kunnen worden aangeraakt en dat er geen voorwerpen op kunnen worden geplaatst.

2.21 De voorschriften 2.1 tot en met 2.20 zijn van overeenkomstige toepassing op de constructie van een bewerkingsruimte, met dien verstande dat:

2.23 In de bewerkingsruimte is een aparte ruimte aanwezig, waar overkleding en schoeisel kunnen worden geborgen.

Paragraaf 6. Werkzaamheden aan professioneel vuurwerk

3.3 In een bewaarplaats worden geen werkzaamheden verricht, met uitzondering van werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met de opslag van vuurwerk. Het vuurwerk wordt uitsluitend binnengebracht, eventueel (om)gestapeld en naar buiten gebracht. De bewaarplaats wordt schoongehouden.

3.4 Voordat met herstelwerkzaamheden aan een bewaarplaats of een bewerkingsruimte wordt begonnen, is de bewaarplaats onderscheidenlijk de bewerkingsruimte geheel leeg en schoongemaakt. Indien deze werkzaamheden door derden worden uitgevoerd, vindt de aanvang daarvan niet eerder plaats dan nadat degene die de inrichting drijft daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.

3.5 Aan een in gebruik zijnde bewaarplaats of bewerkingsruimte mogen:

3.6 Indien werkzaamheden in de inrichting worden uitgevoerd waarbij vonkvorming kan optreden dan wel open vuur nodig is, zijn de bewaarplaats en de bewerkingsruimte binnen 15 m van de plaats der werkzaamheden ontruimd. Deze afstand wordt vergroot tot 25 m, indien bij bedoelde werkzaamheden een explosief gasmengsel kan ontstaan.

3.7 Bij het verplaatsen en (om)stapelen van vuurwerk wordt met de nodige voorzichtigheid gehandeld, waarbij niet wordt gegooid of gesleept met het vuurwerk. Vooral ten aanzien van beschadigd professioneel vuurwerk en ten aanzien van professioneel vuurwerk waarvan de verpakking is geschonden, is uiterste behoedzaamheid geboden.

3.8 Indien professioneel vuurwerk van een hoogte van meer dan 1,5 m is gevallen of zodanig is terechtgekomen dat de verpakking of het professioneel vuurwerk zelf is beschadigd, draagt degene die de inrichting drijft er voor zorg dat het vuurwerk niet wordt verplaatst en dat het vuurwerk onmiddellijk wordt geïnspecteerd.

3.9 De bewaarplaats is zodanig ingericht dat visuele inspectie van vuurwerk mogelijk is en het inbrengen en uitnemen van vuurwerk niet wordt belemmerd. In een betreedbare bewaarplaats is daarom ten minste één gangpad met een breedte van ten minste 75 cm aanwezig.

3.10 Binnen de inrichting worden uitsluitend veilige elektrische ontstekingsmiddelen opgeslagen. Elektrische ontstekingsmiddelen kunnen als veilig worden beschouwd, indien zij:

Elektrische ontstekingsmiddelen die niet aan deze eisen voldoen, worden als onveilig beschouwd.

3.11 Veilige ontstekingsmiddelen worden niet blootgesteld aan hogere veldsterkten of aan grotere vermogensdichtheden dan die waarin zij zijn beproefd.

Bijlage 3. Veiligheidsafstanden als bedoeld in de artikelen 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 en 4.2

Paragraaf 4. Voorschriften voor de uitrusting in de bewerkingsruimte

3.14 De bewaarplaats en de bewerkingsruimte worden goed schoon gehouden. Papierafval, pallets, gebruikte poetslappen en andere ontbrandbare zaken mogen daarin nimmer worden achtergelaten.

B. Veiligheidsafstanden

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift vaststellen met betrekking tot de compartimentering van de opslag van stoffen en voorwerpen uit verschillende compatibiliteitsgroepen in één ruimte.

3.16 In een bewerkingsruimte mag, onverminderd voorschrift 3.15, uitsluitend professioneel vuurwerk, dat behoort tot dezelfde compatibiliteitsgroep gelijktijdig aanwezig zijn. Dit voorschrift is niet van toepassing op de kortstondige gelijktijdige aanwezigheid van bij elkaar behorende componenten die behoren tot verschillende compatibiliteitsgroepen tijdens het uitpakken, uit elkaar nemen, in elkaar zetten (samenstellen) en inpakken van dat vuurwerk.

4.4 Automatische en halfautomatische werktuigen, waarop gevulde vuurwerkartikelen worden bewerkt, zijn voorzien van een drukschakelaar, zodat de machine stopt, wanneer de schakelaar wordt losgelaten. Deze schakelaar mag ook als voet- of knieschakelaar zijn uitgevoerd.

4.1 Werktafels zijn voorzien van een dekplaat van geleidend vonkvrij materiaal, die op deugdelijke wijze is geaard.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1.4.4

Vervallen

Hoofdstuk 1a. In de handel brengen

§ 3. Conformiteitsbeoordelingsprocedure

§ 4. CE-markering

§ 2. Opslaan en bewerken van consumentenvuurwerk

§ 4. CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

Hoofdstuk 3. Professioneel vuurwerk

§ 1. Eisen aan professioneel vuurwerk

§ 2. Opslaan en bewerken van professioneel vuurwerk

§ 3. Verkoop en tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk

Hoofdstuk 2. Consumentenvuurwerk

§ 1. Eisen aan consumentenvuurwerk

§ 3. Verkoop van pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

Hoofdstuk 3b. Het tot ontbranding brengen van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik

Artikel 3B.3a
1.

De aanvraag om een ontbrandingstoestemming wordt langs elektronische weg ingediend. In afwijking van artikel 2:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neemt het bevoegd gezag een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend, in ontvangst. De aanvraag mag betrekking hebben op meerdere evenementen of voorstellingen waarbij vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding worden gebracht, mits die evenementen of voorstellingen plaatsvinden binnen dezelfde gemeente en binnen een tijdvak van ten hoogste een jaar.

2.

Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden langs elektronische weg verstrekt:

  • a. gegevens omtrent de datum, het tijdstip en de plaats van het tot ontbranding brengen;
  • b. een afschrift van de toepassingsvergunning die aan de aanvrager is verleend;
  • d. een schietlijst met daarin een overzicht van de toe te passen artikelen en per categorie artikelen de volgende gegevens:
  • –. het aantal,
  • –. de omschrijving van het artikel,
  • –. de fabrikant van het artikel,
  • –. het artikelnummer,
  • –. gegevens waaruit blijkt of het artikel consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of een pyrotechnisch artikel voor theatergebruik betreft,
  • –. het brutogewicht van het artikel in kilogrammen,
  • –. het kaliber,
  • –. het maximale effect van het artikel in verticale richting,
  • –. gegevens waaruit blijkt of er sprake is van een schuin opgesteld of schuin gemonteerd artikel, en
  • –. de veiligheidsafstand tot het publiek die bij het ontbranden in acht zal worden genomen;
  • e. indien sprake is van het ontbranden in de buitenlucht, een actuele situatietekening, waarop is aangegeven:
  • –. de opbouwlocatie,
  • –. de afsteeklocatie met opstelling van de af te steken artikelen,
  • –. de omliggende bebouwing,
  • –. de veiligheidsafstanden,
  • –. de afzettingen van de gevarenzone tijdens opbouw en ontbranding,
  • –. de opstelplaats van het publiek, en
  • –. de vluchtwegen.
  • f. indien wegen in de gevarenzone zijn gelegen, een toestemming van de burgemeester binnen wiens gemeente de artikelen tot ontbranding zullen worden gebracht, voor het afzetten van die wegen of, indien het een eigen weg betreft, een toestemming van de eigenaar van de weg voor het afzetten van de weg;
  • g. een omschrijving van bijzondere omstandigheden.
3.

De schietlijst kan wat betreft de volgende gegevens, genoemd in het tweede lid, onder d, tot uiterlijk vier werkdagen voor de ontbranding worden gewijzigd, mits de wijziging betrekking heeft op vervangende artikelen die gelijkwaardig zijn wat betreft kaliber, maximaal effect en veiligheidsafstand:

  • –. het aantal;
  • –. de omschrijving van het artikel;
  • –. de fabrikant van het artikel;
  • –. het artikelnummer.
4.

Indien de aanvraag betrekking heeft op meerdere evenementen, bedoeld in het eerste lid, derde zin, worden bij de aanvraag per evenement of voorstelling de gegevens en bescheiden, bedoeld in de onderdelen b tot en met g, verstrekt.

5.

De aanvrager kan de gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, op schriftelijke wijze verstrekken, voor zover het bevoegd gezag daarvoor toestemming heeft gegeven.

6.

Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van de aanvraag aan de burgemeester binnen wiens gemeente het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht.

7.

Gedeputeerde staten stellen alvorens een ontbrandingstoestemming te verlenen de volgende bestuursorganen en instanties in de gelegenheid advies uit te brengen:

  • a. de betrokken verlener van een luchtverkeersdienst als bedoeld in de Wet luchtvaart, voor zover het zichzelf voortdrijvend opstijgend vuurwerk of zichzelf opstijgende pyrotechnische artikelen voor theatergebruik betreft die in de openlucht tot ontbranding zullen worden gebracht binnen 15 kilometer afstand van een luchthaven,
  • b. het bestuur van de veiligheidsregio binnen wiens gebied het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht, en
  • c. de burgemeester van de gemeente aangrenzend aan de gemeente waar het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht, voor zover de artikelen effect kunnen hebben binnen zijn gemeente.
8.

Gedeputeerde staten verlenen geen ontbrandingstoestemming indien de burgemeester binnen wiens gemeente het vuurwerk of de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding zullen worden gebracht binnen twee weken na ontvangst van het afschrift van de aanvraag heeft verklaard tegen het verlenen van de toestemming in verband met de veiligheid bedenkingen te hebben, dan wel indien de burgemeester binnen die termijn gedeputeerde staten er van in kennis heeft gesteld dat hij de aanvraag binnen die termijn niet kan beoordelen, die verklaring heeft gegeven binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de burgemeester niet binnen de van toepassing zijnde termijn heeft verklaard bedenkingen te hebben, wordt hij geacht geen bedenkingen te hebben.

9.

Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van de ontbrandingstoestemming aan Onze Minister, de burgemeester, bedoeld in het zevende lid, onder c, en aan het bestuur van de veiligheidsregio, bedoeld in het zevende lid, onder b. Deze verzending geschiedt zoveel als mogelijk en in ieder geval aan Onze Minister langs elektronische weg.

10.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om een ontbrandingstoestemming.

11.

Degene aan wie een ontbrandingstoestemming is verleend voor meerdere evenementen of voorstellingen, meldt uiterlijk vijf werkdagen voorafgaand aan ieder evenement of iedere voorstelling aan gedeputeerde staten van de provincie waarin het evenement of de voorstelling zal plaatsvinden, de datum en het tijdstip van het opbouwen van het vuurwerk en de pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en de datum, het tijdstip en de plaats van het tot ontbranding brengen van die artikelen, onder verwijzing naar de datum en het kenmerk van die toestemming. Gedeputeerde staten zenden onverwijld een afschrift van de melding aan de bestuursorganen en instanties, bedoeld in het negende lid. Deze verzending geschiedt zo veel als mogelijk en in ieder geval aan Onze Minister langs elektronische weg.

12.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop een aanvraag als bedoeld in het eerste lid langs elektronische weg wordt ingediend en een afschrift van een ontbrandingstoestemming als bedoeld in het negende lid en van een melding als bedoeld in het elfde lid langs elektronische weg wordt gezonden.

Artikel 3B.7

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik.

Hoofdstuk 3. Professioneel vuurwerk

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

§ 2. Opslaan en bewerken van professioneel vuurwerk

§ 3. Overgangsbepalingen

§ 4. Slotbepalingen

B. Voorschriften

B. Voorschriften

Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats

B. Voorschriften

C. Opslag van ten hoogste 1 000 kilogram consumentenvuurwerk

D. Opslag van meer dan 1 000 kilogram consumentenvuurwerk

Bijlage 2. Voorschriften voor het opslaan en bewerken van professioneel vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk, als bedoeld in artikel 3.2.1 of 3A.2.1

A. Begripsbepalingen

Paragraaf 1. Algemene voorschriften

Paragraaf 5. Automatische sprinklerinstallatie

A. Begripsbepalingen

Paragraaf 4. Voorschriften voor de uitrusting in de bewerkingsruimte

Paragraaf 5. Veiligheidsinstructies voor personen die werkzaamheden verrichten binnen de inrichting

Paragraaf 6. Werkzaamheden aan professioneel vuurwerk

3.12 Elektrische ontstekingsmiddelen zijn steeds kortgesloten en verpakt in metaal.

3.13 Een bewaarplaats, waarin geen vuurwerk wordt ingebracht, uitgenomen of omgestapeld, alsmede de toegangspoort in de afrastering van deze bewaarplaats is afgesloten. De sleutels, alle voorzien van een sleutelplaat met het nummer van de betrokken deur, worden opgeborgen in een afgesloten kast in het kantoorgebouw. De reservesleutels worden elders in of bij de inrichting opgeborgen in een afgesloten kast.

Bijlage 3. Veiligheidsafstanden als bedoeld in de artikelen 2.2.1, 2.2.2, 3.2.1 en 4.2

A. Begripsbepalingen

Paragraaf 4. Voorschriften voor de uitrusting in de bewerkingsruimte

4.2 Alle werktuigen, gereedschappen en instrumenten, die tijdens het gebruik statische elektriciteit kunnen opwekken, zijn op deugdelijke wijze geaard. De weerstand tussen elk deel van het werktuig, gereedschap en instrument en de aardleiding mag ten hoogste 1 ohm bedragen.

4.3 Werktuigen zijn waar nodig voorzien van afschermplaten of kappen. De plaatdikte daarvan is afgestemd op de mogelijk optredende hitte-, druk- of scherfwerking.

4.4 Automatische en halfautomatische werktuigen, waarop gevulde vuurwerkartikelen worden bewerkt, zijn voorzien van een drukschakelaar, zodat de machine stopt, wanneer de schakelaar wordt losgelaten. Deze schakelaar mag ook als voet- of knieschakelaar zijn uitgevoerd.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Paragraaf 1. Algemene voorschriften voor de opslag en voor de verkoop

Paragraaf 2. Constructie van een bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats

Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats

Paragraaf 6. Afstanden tot objecten binnen de inrichting

Bijlage 2. Voorschriften voor het opslaan en bewerken van professioneel vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk, als bedoeld in artikel 3.2.1 of 3A.2.1

Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats en van een bufferbewaarplaats

Paragraaf 1. Algemene voorschriften

Paragraaf 6. Afstanden tot objecten binnen de inrichting

Paragraaf 3. Gebruik van een bewaarplaats en van een bewerkingsruimte

Paragraaf 4. Voorschriften voor de uitrusting in de bewerkingsruimte

Paragraaf 5. Veiligheidsinstructies voor personen die werkzaamheden verrichten binnen de inrichting

Paragraaf 4. Voorschriften voor de uitrusting in de bewerkingsruimte

3.15 Stoffen en voorwerpen uit ADR-klasse 1 die behoren tot verschillende compatibiliteitsgroepen, zoals die zijn aangegeven in het ADR met de letters A tot en met J, K tot en met N en S, worden gecompartimenteerd opgeslagen, tenzij deze stoffen en voorwerpen gezamenlijk kunnen worden opgeslagen zonder dat:

4.5 De werktuigen, gereedschappen en instrumenten verkeren in goede staat. Indien zij niet zijn voorgeschreven door de inrichtinghouder voor de uitvoering van de werkzaamheden, worden zij niet gebruikt.

4.6 Ten minste eenmaal per maand worden alle werktuigen, gereedschappen en instrumenten op goede werking en beveiliging gecontroleerd. Deze controle wordt ook bij de aanvang van elke nieuwe werkzaamheid uitgevoerd. Wanneer gebreken worden geconstateerd of vermoed, wordt het betrokken materieel onmiddellijk uit de bewerkingsruimte verwijderd of voor gebruik geblokkeerd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)