Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)
Het bestuursreglement en de daarin aangebrachte wijzigingen behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Artikel 110
De Mijnraad stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de werkzaamheden en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden. Onze Minister zendt het verslag alsmede een schriftelijke reactie daarop aan de Staten-Generaal.
Artikel 111
De Mijnraad verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 112
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de Mijnraad geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de raad opgeborgen in het archief van dat ministerie.
§ 5.1.1.3. Cijns
Artikel 113
Vervallen
Artikel 114
Vervallen
Artikel 115
Vervallen
Artikel 116
Vervallen
Artikel 117
Vervallen
Artikel 118
Vervallen
Artikel 119
Vervallen
Artikel 120
Vervallen
Artikel 121
Vervallen
Artikel 122
Vervallen
Hoofdstuk 7. Rapportage
Artikel 123
Degene die activiteiten verricht waarop het bij en krachtens artikel 49, eerste lid, artikel 51, eerste lid, of 52, eerste lid, bepaalde van toepassing is verstrekt aan Onze Minister de op grond van het vijfde lid bepaalde gegevens, voorzover de betrokkene in verband met die activiteiten in het bezit van deze gegevens is gekomen.
Onze Minister kan de verstrekte gegevens, of een deel van die gegevens, doen beheren door door hem daartoe aan te wijzen instellingen, welke hem desgevraagd mede van advies dienen aan de hand van die gegevens.
De verstrekte gegevens zijn gegevens als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, onderdeel f, van de Wet open overheid.
De op grond van het vijfde lid, onderdeel c, aangewezen gegevens verliezen op een op grond van dat onderdeel bepaald tijdstip hun vertrouwelijk karakter. Na dit tijdstip is artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, onderdeel f, van de Wet open overheid niet meer van toepassing op deze aangewezen gegevens.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:
- a. de gegevens bepaald die aan Onze Minister worden verstrekt;
- b. regels gesteld omtrent het tijdstip en de wijze waarop de gegevens worden verstrekt, omtrent het beheer van de gegevens en omtrent het gebruik dat van de gegevens kan worden gemaakt;
- c. regels gesteld omtrent het tijdstip waarop artikel 5.1, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, onderdeel f, van de Wet open overheid niet meer van toepassing is op deze gegevens.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op bescheiden en monsters.
Artikel 124
Onze Minister zendt aan de Europese Commissie ieder jaar een verslag met gegevens over:
- a. de gebieden die voor het opsporen en winnen van koolwaterstoffen zijn vrijgegeven;
- b. de verleende vergunningen voor koolwaterstoffen;
- c. de houders van de verleende vergunningen voor koolwaterstoffen en de samenstelling van die houders;
- d. de geraamde reserves aan koolwaterstoffen.
Onze Minister zendt het in het eerste lid bedoelde verslag tevens aan de beide kamers der Staten-Generaal en en geeft in de Staatscourant kennis van de terinzagelegging van het verslag.
Onze Minister zendt aan de Europese Commissie om de drie jaar een verslag over het register, bedoeld in artikel 31m, en andere door de Commissie opgevraagde informatie.
Artikel 125
Onze Minister zendt tweejaarlijks aan de beide kamers der Staten-Generaal een overzicht van aardgasactiviteiten.
Het overzicht bevat tenminste:
- a. de aangevraagde, dan wel de verleende opsporings- en winningsvergunningen voorzover deze betrekking hebben op het opsporen of winnen van aardgas;
- b. de opgespoorde aardgasvoorkomens waarbij wordt aangegeven:
- 1°. in welke vergunningsgebieden deze voorkomens zijn opgespoord en
- 2°. of uit deze voorkomens aardgas wordt gewonnen en zo niet, wanneer daarmee wordt aangevangen;
- c. de omvang van de opgespoorde en overige aardgasreserves waarbij de aardgasreserves die in geologisch of geografisch opzicht met elkaar samenhangen afzonderlijk worden vermeld;
- d. een raming van de winning van aardgas per vergunninggebied, dan wel gebieden die in geologisch of geografisch opzicht met elkaar samenhangen over een periode van tien jaar, aanvangend met het jaar waarin het overzicht aan de beide kamers der Staten-Generaal wordt gezonden;
- e. de bestaande en toekomstige faciliteiten voor de ondergrondse opslag van aardgas;
- f. de winningsplannen, als bedoeld in artikel 34, die zijn ingediend en waarvoor de instemming van Onze Minister is gegeven.
Hoofdstuk 7. Rapportage
§ 5.1.1.5. Heffing en invordering
Artikel 126
Er is een Staatstoezicht op de mijnen. Het Staatstoezicht op de mijnen ressorteert onder Onze Minister.
Aan het hoofd van het Staatstoezicht op de mijnen staat de inspecteur-generaal der mijnen.
Artikel 127
De inspecteur-generaal der mijnen heeft tot taak:
- a. het uitoefenen van:
- 1°. het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels, met uitzondering van het bij of krachtens artikel 52 en de hoofdstukken 5, 6 en 9 bepaalde met uitzondering van artikel 111;
- 2°. het toezicht op de naleving van de bij of krachtens een andere wet gestelde regels waarvoor ambtenaren van het Staatstoezicht op de mijnen zijn aangewezen als toezichthouders, en
- 3°. de taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 18.5a van de Omgevingswet;
- b. Onze Minister te adviseren bij besluiten die Onze Minister neemt inzake mijnbouw;
- c. risicobeoordelingen te toetsen voor advisering aan Onze Minister;
- d. onderzoek te doen verrichten, indien dat nodig is voor het toetsen van een risicobeoordeling;
- e. gevraagd en ongevraagd adviezen te verstrekken naar aanleiding van het toezicht op de naleving, de risicobeoordelingen en het onderzoek;
- f. het rapport inzake grote gevaren te beoordelen voor een instemming als bedoeld in de artikelen 45b, tweede lid, 45e, tweede lid, 45f, tweede lid en 45i, tweede lid;
- g. kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o, 45p, te beoordelen;
- h. een mechanisme op te zetten voor vertrouwelijke melding van veiligheids- en milieukwesties met betrekking tot activiteiten die zien op de opsporing of winning van koolwaterstoffen en het onderzoeken van deze meldingen;
- i. regelmatig kennis, gegevens en ervaringen uit te wisselen met toezichthouders van andere lidstaten overeenkomstig artikel 27 van richtlijn 2013/30/EU;
- j. informatie uit te wisselen overeenkomstig artikel 23 van richtlijn 2013/30/EU;
- k. informatie te publiceren overeenkomstig artikel 24 van richtlijn 2013/30/EU.
De inspecteur-generaal der mijnen stelt na elke inspectie, verricht in het kader van paragraaf 3.2 een verslag op over de naleving van de voorschriften en de voorgeschreven maatregelen. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de betrokken houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22, en binnen twee maanden na de inspectie openbaar gemaakt.
De inspecteur-generaal der mijnen stelt bij een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 33, een onderzoek in en dient een samenvatting van de bevindingen in bij de Europese Commissie en Onze Minister.
De inspecteur-generaal der mijnen draagt er zorg voor dat de aanbevelingen naar aanleiding van de bevindingen, bedoeld in het derde lid, worden uitgevoerd, voor zover deze binnen diens bevoegdheid vallen.
Artikel 128
De inspecteur-generaal der mijnen brengt jaarlijks voor 1 mei aan Onze Minister verslag uit over de werkzaamheden van het Staatstoezicht op de mijnen in het afgelopen jaar. De inspecteur-generaal der mijnen kan voorzien in verslaglegging op andere momenten waarop de inspecteur-generaal dat nodig oordeelt.
De inspecteur-generaal der mijnen doet in het verslag de aanbevelingen die hij wenselijk acht met het oog op een doelmatige en voortvarende uitvoering in de toekomst van de in artikel 127 genoemde activiteiten.
Onze Minister zendt het verslag alsmede een schriftelijke reactie daarop aan de Staten-Generaal.
De inspecteur-generaal der mijnen dient jaarlijks voor een bij ministeriële regeling vast te stellen datum, aan Onze Minister een jaarplan in, waarin de plannen worden uitgewerkt voor een effectief toezicht gebaseerd op risicobeheer en waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de naleving van de verplichtingen, genoemd in § 4.1a.
Artikel 129
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van het bij of krachtens artikel 52 bepaalde, zijn belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren van het Staatstoezicht op de mijnen, voorzover niet op grond van artikel 131 het toezicht aan anderen is opgedragen.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 130
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en op welke wijze de houder van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 25 dan wel degene die een verkenningsonderzoek uitvoert of voornemens is uit te voeren, wordt verplicht de in de artikelen 129 en 131 bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheden:
- a. met inbegrip van hun uitrusting, te vervoeren naar door deze ambtenaren aan te duiden plaatsen waar met gebruikmaking van de vergunning activiteiten worden of zullen worden uitgevoerd dan wel waar een verkenningsonderzoek wordt of zal worden uitgevoerd;
- b. te voorzien van een verblijfplaats;
- c. te voorzien in maaltijden en andere benodigdheden.
§ 4.3. Verdere regels
Artikel 131
Bij besluit van Onze Minister kunnen andere ambtenaren worden aangewezen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet met uitzondering van het bij of krachtens artikel 52 bepaalde, voorzover het toezicht bepaalde in het besluit aangegeven gevallen betreft.
Onze Minister wijst ambtenaren die onder een van Onze andere Ministers ressorteren niet aan, dan in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
§ 8.3. Handhaving
Artikel 132
De inspecteur-generaal der mijnen is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen die bij of krachtens de artikelen 47, eerste lid, 48, eerste lid, en 52 en de hoofdstukken 5, 6 en 9, zijn gesteld met uitzondering van artikel 111, en is bevoegd tot uitoefening van de taken en bevoegdheden als bedoeld in artikel 18.5a van de Omgevingswet.
Artikel 133
Een aanvrager, een verzoeker, een exploitant van een productie-installatie, een eigenaar van een niet-productie-installatie, een eigenaar van een pijpleiding, een netbeheerder als bedoeld in artikel 1 van de Gaswet en een aanvrager of houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, van een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, zijn een vergoeding verschuldigd voor:
- a. het door Onze Minister:
- 1°. op aanvraag verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, ontheffing, instemming, maatwerkvoorschrift of toestemming;
- 2°. adviseren over of instemmen met activiteiten inzake een mijnbouwwerk, het beoordelen van een melding of het beoordelen van gegevens en bescheiden die zijn verstrekt voor een activiteit inzake een mijnbouwwerk;
- b. de door de inspecteur-generaal uit te voeren taken als bedoeld in artikel 127, eerste lid, onderdelen a tot en met g, met dien verstande dat een vergoeding niet in rekening wordt gebracht voor:
- 1°. advisering en onderzoek dat wordt uitgevoerd voor een ander doel dan een advies aan of het toezicht op een besluit van Onze Minister, respectievelijk de inspecteur generaal der mijnen, over handelingen als bedoeld in onderdeel a, onder 1° en 2°;
- 2°. het vaststellen van een besluit als bedoeld in artikel 132.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de vergoeding.
De hoogte van de vergoeding wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Onze Minister kan de verschuldigde bedragen invorderen bij dwangbevel. Titel 4.4, met uitzondering van de artikelen 4:85 en 4:95, van de Algemene wet bestuursrecht is, voor zover al niet van toepassing, van overeenkomstige toepassing.
Voor zover een door Onze Minister in rekening gebracht bedrag verplicht tot betaling van een geldsom, komt deze geldsom toe aan de Staat der Nederlanden.
Hoofdstuk 4a. Bijzondere regels voor het Groningenveld
§ 5.2.1. Algemeen
Artikel 134
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. mijnbouwactiviteiten: activiteiten als bedoeld in de artikelen 1, onderdeel d tot en met i, en 51;
- b. mijnbouwondernemer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die mijnbouwactiviteiten verricht;
- c. schadeadvies: advies van een door Onze Minister ingestelde commissie over het verband tussen zaakschade die is opgetreden door bodembeweging die redelijkerwijs het gevolg kan zijn van mijnbouwactiviteiten en de mijnbouwactiviteiten, alsmede over de hoogte van het schadebedrag.
Dit hoofdstuk is van toepassing op mijnbouwondernemers voorzover deze mijnbouwactiviteiten verrichten aan de landzijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
Artikel 135
Er is een Waarborgfonds mijnbouwschade.
Het waarborgfonds bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te 's-Gravenhage.
Onze Minister is belast met het beheer van het waarborgfonds.
Het waarborgfonds ontvangt:
- a. een door een mijnbouwondernemer jaarlijks verschuldigde bijdrage, op te leggen door Onze Minister, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels;
- b. rentebaten die via het waarborgfonds zijn verkregen;
- c. het batig saldo van de laatstelijk afgesloten rekening van het waarborgfonds;
- d. andere inkomsten.
Bij algemene maatregel van bestuur worden in elk geval regels gesteld omtrent:
- a. de maatstaf ter bepaling van de hoogte van de bijdrage, met inachtneming van:
- 1°. de omvang van de mijnbouwactiviteiten van een mijnbouwondernemer aan de landzijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn,
- 2°. de hoogte van de schadevergoedingen die de vijf voorafgaande jaren ten laste van het waarborgfonds zijn toegekend in verband met mijnbouwactiviteiten van de desbetreffende mijnbouwondernemer of diens rechtsvoorganger,
- 3°. de aard van de desbetreffende mijnbouwactiviteiten, en
- 4°. de in het waarborgfonds aanwezige baten in relatie tot de begrote uitgaven;
- b. het tijdstip waarop de bijdrage verschuldigd wordt, en
- c. de verschuldigdheid van rente als de bijdrage op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld.
Niet in het jaar van ontvangst bestede gelden blijven in het waarborgfonds.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het vermogen van het waarborgfonds, mede met inachtneming van het totale bedrag aan schadevergoedingen dat mijnbouwondernemers gedurende in elk geval de laatste vijf jaar voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet hebben betaald aan natuurlijke personen bij wie in die periode zaakschade is opgetreden als gevolg van door die mijnbouwondernemers verrichte mijnbouwactiviteiten.
Artikel 136
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting en de administratie van het waarborgfonds, alsmede het daarop uit te oefenen toezicht.
Onze Minister doet jaarlijks verslag aan beide kamers der Staten-Generaal omtrent het over het waarborgfonds gevoerde beheer.
§ 5.2.2. Deelneming in opsporingswerkzaamheden
Artikel 137
Onze Minister kent een natuurlijke persoon bij wie zaakschade is opgetreden als gevolg van mijnbouwactiviteiten op diens verzoek een schadevergoeding toe ten laste van het waarborgfonds, indien:
- a. de betrokken mijnbouwondernemer failliet is verklaard, surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of
- b. de betrokken mijnbouwondernemer heeft opgehouden te bestaan of is overleden, en
- c. de schade niet reeds geheel of gedeeltelijk uit anderen hoofde is vergoed.
Artikel 138
Indien zich een van de gebeurtenissen, genoemd in artikel 137, onderdeel a of b, voordoet, dient de persoon, bedoeld in de aanhef van dat artikel, een aanvraag voor een schadeadvies in:
- a. uiterlijk drie maanden na het moment waarop de desbetreffende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, of,
- b. als hij op dat moment nog niet met de schade bekend kon zijn, binnen drie maanden na het moment waarop hij met de schade bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.
Artikel 139
De persoon, bedoeld in artikel 137, dient zijn verzoek bij Onze Minister voor het waarborgfonds in uiterlijk drie maanden na ontvangst van het schadeadvies en overlegt daarbij in ieder geval dat advies.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de indiening en de behandeling van, alsmede de beslissing op het verzoek.
§ 5.2.2. Deelneming in opsporingswerkzaamheden
Artikel 140
Vervallen
Artikel 141
Vervallen
Hoofdstuk 10. Rechtsbescherming
Artikel 142
Ten aanzien van een besluit omtrent instemming met een winningsplan is hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat artikel 20.3 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is op een winningsplan voor zover het winnen van delfstoffen geschiedt vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een besluit omtrent instemming met opslagplan als bedoeld in artikel 39, eerste lid.
Op het beroep tegen besluiten op grond van de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5 is hoofdstuk V, afdelingen 2 en 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen
Artikel 143
Als opsporingsvergunning wordt beschouwd:
- a. een vergunning verleend krachtens artikel 2 van de Wet opsporing delfstoffen;
- b. een opsporingsvergunning verleend krachtens artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat;
- c. een ontheffing verleend krachtens artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat, indien deze uitsluitend betrekking heeft op onderzoekingen die kunnen leiden tot het aantonen van de aanwezigheid van delfstoffen.
Als winningsvergunning wordt beschouwd:
- a. een concessie verleend krachtens artikel 5 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285);
- b. een aanwijzing van een mijn bij of krachtens de wet van 24 juni 1901, betreffende exploitatie van Staatswege van steenkolenmijnen in Limburg (Stb. 170), de wet van 18 juni 1918 tot ontginning van steenzout bij Buurse (Stb. 421) of de wet van 27 september 1920 tot uitbreiding van het Staatsmijnveld (Stb. 752);
- c. een winningsvergunning verleend krachtens artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat;
- d. een ontheffing verleend krachtens artikel 2 van de Mijnwet continentaal plat, indien deze betrekking heeft of mede betrekking heeft op het winnen van delfstoffen.
De voorwaarden, beperkingen of voorschriften, verbonden aan een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, gaan gelden als aan de opsporingsvergunning verbonden beperkingen of voorschriften. De voorwaarden, beperkingen of voorschriften, verbonden aan een besluit als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, gaan gelden als aan de winningsvergunning verbonden beperkingen of voorschriften.
In afwijking van artikel 3 is de houder van een vergunning die ingevolge het tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, als een winningsvergunning wordt beschouwd, voor het tijdvak waarvoor de vergunning geldt eigenaar van de mijn waarop zij betrekking heeft. Als een overeenkomst met de vennootschap tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, geldt dat tweede lid voor de vennootschap onverminderd, zodra de delfstoffen zijn gewonnen, tenzij in de overeenkomst een verdeling van de financiële opbrengst is overeengekomen.
Als mijnbouwmilieuvergunning wordt beschouwd:
- a. een goedkeuring verleend overeenkomstig artikel 4.6 of 5.7 van de Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996, of een soortgelijke goedkeuring op basis van voor de inwerkingtreding van die regeling verleende vergunningen of concessies;
- b. een vergunning verleend krachtens artikel 30a van het Mijnreglement continentaal plat.
In afwijking van het vijfde lid wordt de goedkeuring of de vergunning die betrekking heeft op een inrichting waarop bij de inwerkingtreding van deze wet hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer van toepassing is, niet beschouwd als een mijnbouwmilieuvergunning maar als een milieuvergunning als bedoeld in dat hoofdstuk. Deze milieuvergunning wordt, indien artikel 153, derde lid, op de inrichting van toepassing is, samen met de in dat lid bedoelde milieuvergunning als één milieuvergunning beschouwd.
De beperkingen of voorschriften die aan een goedkeuring of een vergunning als bedoeld in het vijfde lid zijn verbonden, gaan gelden als aan de mijnbouwmilieuvergunning of aan de milieuvergunning verbonden beperkingen of voorschriften.
Een houder van een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, die voor 1965 is verleend voor het winnen van koolwaterstoffen, die met toepassing van artikel 20, eerste lid, een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient in afwijking van artikel 20, tweede lid, tevens een aanvraag in tot afsplitsing van dat deel van die vergunning. Bij een afsplitsing wordt de vergunning uitsluitend gewijzigd door van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft, af te splitsen een gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander en wordt aan deze vergunninghouder voor het afgesplitste gebiedsdeel een winningsvergunning verleend die niet als een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt beschouwd.
Aan de winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel worden de beperkingen en voorschriften verbonden die zijn verbonden aan de winningsvergunning waarvan dat gebiedsdeel is afgesplitst, voor zover dit verenigbaar is met het bij en krachtens de wet bepaalde.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het afsplitsen van een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, die voor 1965 is verleend voor het winnen van koolwaterstoffen met betrekking tot de bepaling van het af te splitsen gebied en het aan de afsplitsing aanpassen van beperkingen die zijn gesteld of voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, mede met het oog op het planmatig beheer of gebruik van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
Een overeenkomst als bedoeld in artikel 147, eerste en tweede lid, blijft door een afsplitsing van een winningsvergunning, ongewijzigd in stand voor het gebied waarop de winningsvergunning waarvan een deel is afgesplitst betrekking heeft en vervalt voor het afgesplitste gebiedsdeel op het tijdstip dat de daarvoor verleende winningsvergunning in werking treedt.
Een afsplitsing van een winningsvergunning en een voor een afgesplitst gebiedsdeel verleende winningsvergunning, treden niet eerder in werking dan op het tijdstip waarop de voor het afgesplitste gebiedsdeel verleende winningsvergunning onherroepelijk op een ander overgaat.
Op een houder van een voor een afgesplitst gebiedsdeel verleende winningsvergunning, is ten aanzien van die vergunning het vierde lid van overeenkomstige toepassing en is paragraaf 5.2.3 niet van toepassing.
Artikel 144
Als winningsplan als bedoeld in artikel 34 geldt een door Onze Minister goedgekeurd winningsplan als bedoeld in artikel 5.2 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996.
Artikel 145
Gedurende een in het tweede lid genoemde termijn kan na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het winnen van delfstoffen zonder een in artikel 34 genoemd winningsplan worden voortgezet.
De termijn voor voortzetting van het winnen van delfstoffen is ten hoogste:
- a. voorzover het betreft winning uit voorkomens in het continentaal plat of onder de territoriale zee gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn: zes maanden, en
- b. voor ander dan onder a genoemd gebied: twaalf maanden.
Indien een houder van een andere dan in artikel 144 bedoelde winningsvergunning voor de afloop van de voor hem geldende termijn een winningsplan als bedoeld in artikel 34 bij Onze Minister heeft ingediend en niet voor de afloop de beslissing van Onze Minister onherroepelijk vaststaat, kan de winning in elk geval worden voortgezet tot het laatstbedoelde tijdstip.
Artikel 146
De beperkingen of voorschriften die op grond van artikel 143, derde lid, aan een vergunning zijn verbonden, gelden niet voorzover zij betreffen de betaling van een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst in verband met het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen. De eerste volzin is niet van toepassing op concessies die zijn verleend voor 1962. In dat geval is afdeling 5.1.1., met uitzondering van paragraaf 5.1.1.5., welke paragraaf van overeenkomstige toepassing is, niet van toepassing. De beperkingen en voorschriften gelden eveneens niet voorzover zij een uitkering aan gemeenten in verband met het winnen van koolwaterstoffen betreffen.
Onze Minister kan de beperkingen of voorschriften die op grond van artikel 143, derde of zevende lid, aan een vergunning zijn verbonden, wijzigen of intrekken, voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde belangen.
Onze Minister kan ten aanzien van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 die wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, de in artikel 22 bedoelde persoon aanwijzen. Zolang geen aanwijzing heeft plaatsgevonden wordt als de aangewezen persoon beschouwd degene die de feitelijke werkzaamheden verricht of daartoe opdracht verleent. In dat geval is artikel 22, achtste lid, tweede zin, niet van toepassing.
Paragraaf 5.2.3 is niet van toepassing op een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, behoudens toepassing van artikel 97b, tweede lid. Indien aan een vergunning als bedoeld in de eerste volzin het voorschrift is verbonden dat de in de vergunning aangewezen vennootschap verzet kan aantekenen tegen een besluit van de vergunninghouder, treedt artikel 97a voor dit voorschrift in de plaats. Indien toepassing is gegeven aan het slot van de eerste volzin en aan de desbetreffende winningsvergunning voorschriften zijn verbonden omtrent deelneming door een in die vergunning aangewezen vennootschap, vervallen op het tijdstip waarop de mijnbouwovereenkomst tot stand is gebracht en goedgekeurd die voorschriften en treedt de mijnbouwovereenkomst in de plaats van een op grond van die voorschriften gesloten overeenkomst van samenwerking.
Indien de vennootschap op grond van de aan een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel 143, eerste lid, onderscheidenlijk een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, verbonden voorschriften een overeenkomst van samenwerking heeft gesloten met de houder van die vergunning, wordt de uitvoering van die overeenkomst aangemerkt als uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk de taak, bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 147
Bepalingen in een overeenkomst die voor de inwerkingtreding van deze wet is gesloten tussen de staat en de houder van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 of diens rechtsvoorganger, welke overeenkomst samenhangt met de in het eerste of tweede lid van dat artikel bedoelde besluiten, komen bij de inwerkingtreding van deze wet te vervallen voorzover zij in strijd zijn met deze wet.
In afwijking van het eerste lid blijven de bepalingen in stand voorzover de overeenkomst samenhangt met een besluit als bedoeld in artikel 143, tweede lid, dat is genomen voor 1962 en de bepalingen betrekking hebben op financiële afdrachten aan de staat, waaronder begrepen de aansprakelijkheid voor die afdrachten.
Bepalingen in een overeenkomst die voor de inwerkingtreding van deze wet is gesloten omtrent onderling overleg bij het winnen van delfstoffen uit een voorkomen dat de grens van een vergunningsgebied overschrijdt, worden geacht te zijn gesloten op basis van artikel 42, tweede lid.
Bepalingen in een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid omtrent het verwijderen van mijnbouwinstallaties als bedoeld in artikel 44, voorzover deze installaties bij de inwerkingtreding van deze wet nog in gebruik zijn, komen bij de inwerkingtreding van deze wet te vervallen.
Artikel 148
In het geval dat een vergunning ingevolge artikel 143, tweede lid, onderdeel c, als een winningsvergunning wordt beschouwd en op grond van deze vergunning een vennootschap is opgericht als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van de Mijnwet continentaal plat, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, worden tot het in artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat gerekend:
- a. mede de bedragen die ten goede komen aan de vennootschap;
- b. niet de bedragen die de houder van de winningsvergunning heeft ontvangen van de vennootschap, als houder van aandelen of van winstbewijzen van die vennootschap.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, worden tot het in artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat gerekend:
- a. mede de kosten die voor rekening komen van de vennootschap;
- b. niet de rente over het eigen vermogen van de vennootschap.
Artikel 149
Indien de houder van een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 of zijn rechtsvoorganger voor de inwerkingtreding van deze wet een overeenkomst met de staat heeft gesloten omtrent het opslaan van stoffen, waarvoor bij de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 25 een vergunningsplicht geldt, verkrijgt de houder op dat moment van rechtswege een opslagvergunning.
Onze Minister stelt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet de bij de vergunning behorende beperkingen en voorschriften vast. De beperkingen en voorschriften worden afgestemd op de in het eerste lid bedoelde overeenkomst. De overeenkomst vervalt op het tijdstip waarop de beperkingen en voorschriften onherroepelijk van kracht worden.
Artikel 26, derde lid, alsmede hoofdstuk 3a zijn niet van toepassing op de houder van een winningsvergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 150
Ten aanzien van een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, wordt artikel 21, eerste lid, onderdeel b, of artikel 32b slechts toegepast tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling.
Een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, die in de plaats komt van een in dat lid bedoeld besluit dat is genomen voor 1 januari 1965, vervalt twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, indien gedurende vijf jaren voor die inwerkingtreding geen opsporing of winning heeft plaatsgevonden.
Het tweede lid geldt niet, indien de houder binnen de in dat lid bedoelde termijn van twee jaar aan Onze Minister kenbaar heeft gemaakt houder van de winningsvergunning te willen blijven.
Artikel 151
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van opsporingsvergunningen, winningsvergunningen, milieuvergunningen of mijnbouwmilieuvergunningen als bedoeld in artikel 143 en ten aanzien van activiteiten die met gebruikmaking van die vergunningen worden verricht. De regels zijn gericht op een goede invoering van de wet ten aanzien van die vergunningen. De regels kunnen afwijken van de bij of krachtens de hoofdstukken 1 tot en met 5, 7 en 11 gestelde bepalingen, indien dit voor een goede invoering van de wet noodzakelijk is, gelet op de door die bepalingen beschermde belangen. Bij de maatregel worden in ieder geval regels gesteld omtrent het wijzigen of intrekken van beperkingen of voorschriften die op grond van artikel 143, derde of zevende lid, aan de vergunning zijn verbonden, voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde belangen.
Artikel 152
Een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel 143, eerste lid, wordt beschouwd als een aanvraag om een opsporingsvergunning.
Een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel 143, tweede lid, wordt beschouwd als een aanvraag om een winningsvergunning.
Een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een goedkeuring of een vergunning als bedoeld in artikel 143, vijfde lid, wordt beschouwd als een aanvraag om een mijnbouwmilieuvergunning of een milieuvergunning overeenkomstig de toedeling in artikel 143, vijfde en zesde lid.
Artikel 153
Degene die bij de inwerkingtreding van deze wet een mijnbouwwerk in stand houdt, waarvoor voor dat tijdstip geen goedkeuring of vergunning als bedoeld in artikel 143, vijfde lid, noodzakelijk was en waarvoor op dat tijdstip het verbod, bedoeld in artikel 40, tweede lid, is gaan gelden, verkrijgt op dat tijdstip van rechtswege een mijnbouwmilieuvergunning voor het mijnbouwwerk.
Degene die bij de inwerkingtreding van deze wet een mijnbouwwerk in stand houdt, waarvoor voor dat tijdstip het in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer vervatte verbod niet gold noch een goedkeuring of vergunning als bedoeld in artikel 143, vijfde lid, noodzakelijk was en waarvoor het verbod op dat tijdstip is gaan gelden, verkrijgt op dat tijdstip van rechtswege een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de desbetreffende inrichting.
Een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer die van kracht was voor de inwerkingtreding van deze wet voor een inrichting waarop wat betreft het ondergrondse deel hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer niet van toepassing was op grond van artikel 22.1, eerste lid, onderdeel a, van die wet, wordt geacht vanaf dat tijdstip ook te zijn verleend voor het ondergrondse deel.
Aan de in het derde lid bedoelde vergunning zijn vanaf de inwerkingtreding van deze wet de voorschriften verbonden die voor dat tijdstip op grond van de Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming voor dit ondergrondse deel golden.
Artikel 154
Een veiligheidszone ingesteld krachtens artikel 27 van de Mijnwet continentaal plat, en een toestemming verleend krachtens artikel 28 van die wet, worden beschouwd als een veiligheidszone en een ontheffing als bedoeld in artikel 43.
Artikel 155
Op verplichtingen tot betaling van een geldsom die zijn ontstaan onder de werking van een van de in artikel 168 genoemde wetten, blijft na de inwerkingtreding van deze wet het recht van toepassing zoals dat op grond van die wetten gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet.
In afwijking van het eerste lid is paragraaf 5.1.1.5. vanaf de inwerkingtreding van deze wet van overeenkomstige toepassing op de betaling van een bonus, een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst op grond van de in artikel 168 genoemde wetten.
Artikel 156
Voor de toepassing van artikel 66, eerste lid, wordt tot het resultaat niet gerekend afschrijving op de koopsom ter zake van een voor de inwerkingtreding van deze wet overgenomen winningsvergunning, voorzover deze koopsom de door de overdrager van die vergunning nog niet reeds ten laste van een winst- en verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat.
Artikel 157
Voorzover als gevolg van afschrijving op niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten, gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet en voordat de winningsvergunning is verleend, het resultaat van een geconsolideerde winst- en verliesrekening aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde negatief is, wordt voor de toepassing van artikel 66, tweede en derde lid, het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening berekend alsof consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
Artikel 158
Voor de toepassing van artikel 66, derde lid, op voor de inwerkingtreding van deze wet geleden verliezen, wordt het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66, tweede lid, telkenjare berekend alsof consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
Nog te compenseren voor de inwerkingtreding van deze wet geleden verliezen aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde, worden slechts verrekend met de over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het eerste lid berekende geconsolideerde resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
Indien het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66, tweede lid, over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet negatief is, wordt dit verlies met inachtneming van de wettelijke termijn, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, slechts verrekend met het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66, tweede lid, over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet.
Waar in dit artikel wordt gesproken over voor de inwerkingtreding van deze wet geleden verliezen wordt hieronder verstaan een negatief resultaat van een met inachtneming van de destijds toepasselijke voorschriften opgemaakte winst- en verliesrekening over een voor de inwerkingtreding van deze wet gelegen boekjaar.
Artikel 159
In afwijking van artikel 69, derde lid, wordt het op het eerste boekjaar na inwerkingtreding van deze wet betrekking hebbende verrekenbare bedrag verkregen door het voor het boekjaar geldende tarief van de vennootschapsbelasting toe te passen op het saldo van:
- a. het resultaat van de winst- en verliesrekening, met dien verstande dat daarbij artikel 68, derde lid, buiten beschouwing wordt gelaten,
- b. vermeerderd respectievelijk verminderd met:
- 1°. de in voorafgaande boekjaren nog niet in een met inachtneming van de daarop toepasselijke voorschriften opgemaakte winst- en verliesrekening opgenomen kosten respectievelijk opbrengsten, welke bij de vaststelling van de met het voor de inwerkingtreding van deze wet verschuldigd winstaandeel verrekenbare belasting reeds in aanmerking zijn genomen;
- 2°. de in voorafgaande boekjaren reeds in een met inachtneming van de daarop toepasselijke voorschriften opgemaakte winst- en verliesrekening opgenomen opbrengsten respectievelijk kosten, welke bij de vaststelling van de met het voor de inwerkingtreding van deze wet verschuldigd winstaandeel verrekenbare belasting nog niet in aanmerking zijn genomen;
- 3°. de over voorafgaande boekjaren bij de vaststelling van de met het voor de inwerkingtreding van deze wet verschuldigd winstaandeel verrekenbare belasting reeds in aanmerking genomen bedragen aan winstaandeel, voorzover deze meer respectievelijk minder bedragen dan de over voorafgaande boekjaren te betalen bedragen aan winstaandeel;
- c. verminderd met het over het boekjaar na toepassing van dit artikel te betalen bedrag aan winstaandeel.
Artikel 160
De overeenkomst, bedoeld in artikel 81, betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in artikel 143, die is verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde koninklijke besluit.
De percentages, genoemd in de artikelen 88 en 90, bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in artikel 143, die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
Artikel 161
Overeenkomsten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gesloten tussen de door Onze Minister aangewezen naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de houder van een opsporingsvergunning voor het voor hun gezamenlijke rekening verrichten van opsporingswerkzaamheden zijn overeenkomsten als bedoeld in artikel 81, onderdeel d.
Artikel 162
De overeenkomst, bedoeld in artikel 89, betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende winningsvergunning is verleend op grond van artikel 10, in aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel 143, die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde koninklijk besluit.
De percentages, genoemd in de artikelen 94, 95 en 96, bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende winningsvergunning is verleend op grond van artikel 10, in aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel 143, die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
Artikel 163
Bepalingen in een voor de inwerkingtreding van deze wet gesloten overeenkomst, waarbij een partij zich jegens de staat verbindt om borg te staan voor de betaling van een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst door de houder van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143 of diens rechtsvoorganger, blijven buiten toepassing voorzover zij betrekking hebben op verplichtingen die zijn ontstaan op grond van deze wet.
Artikel 164
Voor de bepaling van een oppervlakterecht als bedoeld in paragraaf 5.1.1.2, met betrekking tot een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, wordt de vergunning geacht van kracht te zijn op het tijdstip waarop het besluit, bedoeld in artikel 143, eerste of tweede lid, waarvoor deze vergunning in de plaats komt, van kracht was.
In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt over het tijdvak vanaf de inwerkingtreding van deze wet tot de eerste 1 januari na de inwerkingtreding, het oppervlakterecht bepaald op een deel van het recht dat overeenkomstig paragraaf 5.1.1.2 vastgesteld zou worden over het jaar van inwerkingtreding. Dit deel wordt bepaald op het deel dat is toe te rekenen aan het tijdvak vanaf de inwerkingtreding tot de eerste 1 januari na de inwerkingtreding. Het recht is verschuldigd op 1 april na de inwerkingtreding.
In een geval als bedoeld in het tweede lid wordt op het verschuldigde recht in mindering gebracht een deel van het oppervlakterecht dat op grond van een van de in artikel 168 genoemde wetten verschuldigd is over een tijdvak dat doorloopt na de inwerkingtreding van deze wet. Dit deel wordt bepaald op het deel dat is toe te rekenen aan het tijdvak na de inwerkingtreding.
Artikel 165
De Mijnraad, ingesteld bij de wet van 1 mei 1970, houdende regeling betreffende de Mijnraad (Stb. 196), wordt beschouwd als de Mijnraad, bedoeld in artikel 105. De besluiten die zijn genomen op grond van die wet gaan gelden als de overeenkomstige besluiten op grond van paragraaf 6.1.
Artikel 166
De bijdrage, bedoeld in artikel 135, vierde lid, onderdeel a, is voor het eerst verschuldigd in het jaar dat volgt op het jaar van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 167
Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat is genomen op grond van een van de in artikel 168 genoemde wetten, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet.
Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat is gemaakt of ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van een van de in artikel 168 genoemde wetten, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet.
Hoofdstuk 7. Rapportage
§ 6.2. De Technische commissie bodembeweging
Artikel 168
De volgende wetten worden ingetrokken:
- c. de wet van 23 maart 1918, tot tijdelijke ontginning van bruinkolen zonder concessie (Stb. 168);
- i. de wet van 29 juni 1925, houdende bijzondere regeling voor het verleenen van mijnconcessiën (Stb. 287);
- k. de wet van 30 oktober 1997 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet op de gevaarlijke werktuigen in verband met uitbreiding van het toepassingsgebied tot de mijnbouwsector (Stb. 536);
- l. de Mijnwet 1903;
- m. de Mijnwet continentaal plat;
- n. de Wet opsporing delfstoffen.
Artikel 169
Wijzigt de Gaswet.
Artikel 170
Wijzigt de Wet aardgasprijzen.
Artikel 171
Wijzigt de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst.
§ 12.1. Ministerie van Economische Zaken
Artikel 172
Wijzigt de Grondwaterwet.
Artikel 173
Wijzigt de Ontgrondingenwet.
Artikel 174
Wijzigt de Telecommunicatiewet.
Artikel 175
Wijzigt de Wet luchtvaart.
§ 12.2. Ministerie van Verkeer en Waterstaat
Artikel 176
Wijzigt Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 177
Wijzigt Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 178
Wijzigt de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.
Artikel 179
Wijzigt de Wet op de economische delicten.
§ 5.2.2. Deelneming in opsporingswerkzaamheden
Artikel 180
Wijzigt de Wet bodembescherming.
Artikel 181
Wijzigt de Kernenergiewet.
Artikel 182
Wijzigt de Wet explosieven voor civiel gebruik.
Artikel 183
Wijzigt de Wet milieubeheer.
§ 12.4. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Artikel 184
Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet 1998.
Artikel 185
Wijzigt de Arbeidstijdenwet.
Artikel 186
Wijzigt de Stoomwet.
Artikel 187
Wijzigt de Wet arbeid mijnbouw Noordzee.
Artikel 188
Wijzigt de Wet op de Gevaarlijke werktuigen.
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Artikel 189
Vervallen
Artikel 190
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie regels worden gesteld omtrent mijnbouw en met mijnbouw verwante activiteiten.
Artikel 191
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 192
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 193
Deze wet wordt aangehaald als: Mijnbouwwet.
Bijlage bij de artikelen 34, 35, 36, 38, 41, 46, 54, 134, 135, 142 en 145
De lijn, bedoeld in de artikelen 34, vierde lid, 35, eerste lid, onderdeel f, 36, eerste lid, onderdeel b, 38, 41, derde lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, tweede lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, welke wordt gevormd door de verbindingslijn tussen de punten c'' en L', welke met een rode kleur is aangegeven op de bij de aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard-verdrag (Trb. 1962, 54) gevoegde kaart, en vervolgens door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten, in de volgorde als hieronder aangegeven:
genoemd punt L';
53° 33' 36" N.B., 6° 16' 02" O.L.;
53° 30' 12" N.B., 6° 03' 00" O.L.;
53° 31' 22" N.B., 5° 56' 27" O.L.;
53° 30' 00" N.B., 5° 31' 30" O.L.;
53° 25' 12" N.B., 5° 08' 06" O.L.;
53° 21' 21" N.B., 5° 04' 30" O.L.;
53° 19' 19" N.B., 4° 56' 12" O.L.;
53° 15' 00" N.B., 4° 49' 00" O.L.;
53° 06' 30" N.B., 4° 40' 00" O.L.;
53° 01' 30" N.B., 4° 37' 30" O.L.;
52° 54' 00" N.B., 4° 38' 00" O.L.;
52° 44' 12" N.B., 4° 33' 42" O.L.;
52° 37' 00" N.B., 4° 32' 24" O.L.;
52° 28' 30" N.B., 4° 30' 00" O.L.;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)