Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)
Op een aanvraag van de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 om wijziging van een of meer onderdelen van een verleende vergunning is artikel 31d, eerste lid, voor zover relevant van toepassing.
Artikel 31f
Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22 houdt in een register bij de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde, opgeslagen en weggelekte CO2-stromen met inbegrip van hun samenstelling.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inrichting van het register.
Artikel 31g
De houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22 verstrekt ten minste elk jaar aan Onze Minister de volgende gegevens:
- a. de resultaten van de monitoring van de opgeslagen CO2 met vermelding van de gebruikte technologie,
- b. de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde en opgeslagen CO2-stromen met vermelding van de samenstelling van deze stromen,
- c. het bewijs dat financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden, en
- d. andere gegevens die Onze Minister van belang acht voor het beoordelen van de belangen genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdelen a, b en c, en derde lid, onderdeel b, en voor het vergroten van de kennis van het CO2-gedrag in het opslagvoorkomen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en tijdstip van verstrekking.
Artikel 31h
Onze Minister wijzigt waar nodig een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of trekt deze in:
- a. na kennis te hebben genomen van lekkages of significante onregelmatigheden,
- b. indien blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd of dat er risico is op lekkages of significante onregelmatigheden,
- c. indien dit noodzakelijk blijkt op basis van de meest recente wetenschappelijke bevindingen en technologische vooruitgang, of
- d. indien de gestelde financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening onvoldoende blijkt te zijn.
Beoordeling van de vergunning vindt plaats nadat een periode van vijf jaar na de verlening van de vergunning is verstreken en vervolgens om de tien jaar.
Artikel 31i
Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22 sluit een opslagvoorkomen af en verwijdert de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen indien opslag van CO2 overeenkomstig de voorschriften van zijn vergunning is beëindigd.
Alvorens te beginnen met de afsluiting van het opslagvoorkomen en de verwijdering van de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen dient de houder of de aangewezen persoon, bedoeld in het eerste lid, een geactualiseerde versie van de documenten, bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdelen h tot en met l, bij Onze Minister in.
De houder of de aangewezen persoon, bedoeld in het eerste lid, vangt niet eerder aan met de afsluiting dan nadat Onze Minister met de geactualiseerde versie heeft ingestemd.
Artikel 31j
Onze Minister trekt een vergunning voor permanent opslaan van CO2 op eigen beweging of op verzoek van de vergunninghouder in indien:
- a. door de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22 schriftelijk is aangetoond dat de opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft,
- b. het opslagvoorkomen is afgesloten en de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen zijn verwijderd,
- c. na het tijdstip waarop het opslagvoorkomen is afgesloten en de bijbehorende bovengrondse voorzieningen en injectiefaciliteiten zijn verwijderd een periode van tenminste 20 jaar is verstreken of zoveel korter of langer als naar het oordeel van Onze Minister, gelet op onderdeel a, verantwoord is, en
- d. de houder, bedoeld in onderdeel a, hem een financiële bijdrage ter beschikking heeft gesteld waarmee de voorziene kosten, doch ten minste de geraamde monitoringskosten gedurende een periode van 30 jaar, ingaande op het tijdstip van intrekking worden gedekt.
Op het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen artikel 31c en 31d, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het eerste lid regels gesteld.
Artikel 31k
Met ingang van het tijdstip waarop een vergunning ingevolge artikel 31j is ingetrokken, is Onze Minister belast met:
- a. monitoring,
- b. corrigerende maatregelen en
- c. de preventieve en herstelmaatregelen, bedoeld in de artikelen 17.12 en 17.13 van de Wet milieubeheer.
Indien na het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, lekkages van CO2 plaatsvinden:
- a. meldt Onze Minister de lekkages aan de Nederlandse emissieautoriteit en
- b. levert Onze Minister voor 1 mei van het daarop volgende kalenderjaar ten minste een aantal broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet milieubeheer in, dat overeenkomt met de hoeveelheid van de emissie ten gevolge van de lekkages.
Met ingang van het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, vervalt de verplichting de gestelde financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening aan te houden.
De monitoring betreft het niveau waarop lekkages of significante onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Indien significante onregelmatigheden of dreiging daarvan worden vastgesteld, intensiveert Onze Minister de monitoring.
Onze Minister verhaalt de kosten die samenhangen met het eerste lid en zijn ontstaan na intrekking van de vergunning op de voormalige houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22 voor zover hij niet zorgvuldig heeft gehandeld in de periode voorafgaande aan de intrekking van de opslagvergunning.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid regels worden gesteld.
Artikel 31l
Indien Onze Minister ingevolge artikel 31h, eerste lid, een vergunning intrekt, zet hij de werkzaamheden met betrekking tot opslag voort in overeenstemming met de voorschriften die verbonden zijn aan de vergunning en artikel 31f, totdat hij opnieuw een vergunning voor permanent opslaan van CO2 heeft verleend.
Indien in afwijking van het eerste lid geen nieuwe vergunning wordt verleend sluit Onze Minister het opslagvoorkomen af en verwijdert de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen in overeenstemming met de voorschriften van de vergunning.
Indien het eerste dan wel tweede lid toepassing vindt, actualiseert Onze Minister zo nodig de documenten, bedoeld in artikel 31d, eerste lid, onderdelen h tot en met l.
De kosten die Onze Minister bij toepassing van het eerste tot en met derde lid maakt of heeft gemaakt, verhaalt hij op de voormalige houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in artikel 22. Indien geen verhaal mogelijk is, verhaalt Onze Minister de kosten op de door de voormalige vergunninghouder gestelde financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening.
Onze Minister stelt in de periode die aanvangt met de intrekking van een vergunning de financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening periodiek bij.
De door de voormalige vergunninghouder gestelde financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening vervalt wanneer alle beschikbare gegevens naar het oordeel van Onze Minister aantonen dat de opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft na betaling van de kosten, bedoeld in het vierde lid, die nog niet door de voormalige houder of de aangewezen persoon, bedoeld in het vierde lid, zijn betaald, en de kosten die Onze Minister naar redelijke verwachting gedurende een aansluitende periode van 30 jaar zal moeten maken, waaronder kosten van monitoring.
Indien de kosten als bedoeld in het zesde lid meer bedragen dan de financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening verhaalt Onze Minister deze meerdere kosten op de voormalige houder of aangewezen persoon.
Indien het eerste of tweede lid van toepassing is, is Onze Minister belast met het inleveren van rechten als bedoeld in artikel 31k, tweede lid.
Artikel 31m
Onze Minister houdt een register bij van de verleende vergunningen voor permanent opslaan van CO2 en het afgesloten opslagvoorkomen en omliggende opslagcomplexen inclusief informatie aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten is.
Artikel 31n
Onze Minister draagt er zorg voor dat de milieu-informatie over permanent opslaan van CO2 voor een ieder toegankelijk is. Artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3a. Gebiedsverkleining
Hoofdstuk 3a. Gebiedsverkleining
§ 4.1. Algemene verplichtingen
§ 4.2. Financiële zekerheid
§ 4.3. Verdere regels
Hoofdstuk 5. Financiële bepalingen
Afdeling 5.1.1. Afdrachten in verband met het opsporen en winnen van koolwaterstoffen
§ 4.1a. Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen
§ 5.1.1.2. Oppervlakterecht
§ 5.1.1.3. Cijns
§ 5.1.1.4. Winstaandeel
§ 5.1.1.5. Heffing en invordering
Afdeling 5.1.2. Afdrachten aan de provincie
Afdeling 5.2. Deelneming in opsporing en winning van koolwaterstoffen en andere taken en activiteiten van de aangewezen vennootschap
§ 5.2.1. Algemeen
§ 5.1.1.4. Winstaandeel
Afdeling 5.3. Afdrachten in verband met andere vergunningen dan die tot het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen
Afdeling 5.4. Het stellen van zekerheid
Afdeling 5.5. Uitvoeringsregels
Afdeling 5.1.2. Afdrachten aan de provincie
§ 5.2.4. Financiële zekerheid verwijderen of hergebruiken mijnbouwwerken
§ 5.1.1.4. Winstaandeel
Hoofdstuk 9. Waarborgfonds mijnbouwschade
§ 6.2. De Technische commissie bodembeweging
§ 5.1.1.5. Heffing en invordering
§ 6.1. De Mijnraad
Hoofdstuk 7. Rapportage
Hoofdstuk 8. Toezicht, handhaving en retributies
Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten
§ 8.4. Retributie
§ 12.2. Ministerie van Verkeer en Waterstaat
§ 9.2. Schadevergoeding bij insolventie
§ 9.3. Voorschotten
§ 12.5. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Bijlage bij de artikelen 34, 35, 36, 38, 41, 46, 54, 134, 135, 142 en 145
De lijn, bedoeld in de artikelen 34, vierde lid, 35, eerste lid, onderdeel f, 36, eerste lid, onderdeel b, 38, 41, derde lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, tweede lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, welke wordt gevormd door de verbindingslijn tussen de punten c'' en L', welke met een rode kleur is aangegeven op de bij de aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard-verdrag (Trb. 1962, 54) gevoegde kaart, en vervolgens door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten, in de volgorde als hieronder aangegeven:
genoemd punt L';
53° 33' 36" N.B., 6° 16' 02" O.L.;
53° 30' 12" N.B., 6° 03' 00" O.L.;
53° 31' 22" N.B., 5° 56' 27" O.L.;
53° 30' 00" N.B., 5° 31' 30" O.L.;
53° 25' 12" N.B., 5° 08' 06" O.L.;
53° 21' 21" N.B., 5° 04' 30" O.L.;
53° 19' 19" N.B., 4° 56' 12" O.L.;
53° 15' 00" N.B., 4° 49' 00" O.L.;
53° 06' 30" N.B., 4° 40' 00" O.L.;
53° 01' 30" N.B., 4° 37' 30" O.L.;
52° 54' 00" N.B., 4° 38' 00" O.L.;
52° 44' 12" N.B., 4° 33' 42" O.L.;
52° 37' 00" N.B., 4° 32' 24" O.L.;
52° 28' 30" N.B., 4° 30' 00" O.L.;
52° 23' 00" N.B., 4° 26' 36" O.L.;
52° 21' 02" N.B., 4° 24' 57" O.L.;
52° 17' 55" N.B., 4° 22' 45" O.L.;
52° 16' 25" N.B., 4° 21' 34" O.L.;
52° 15' 35" N.B., 4° 20' 47" O.L.;
52° 14' 54" N.B., 4° 20' 20" O.L.;
52° 13' 21" N.B., 4° 18' 54" O.L.;
52° 12' 03" N.B., 4° 17' 30" O.L.;
52° 10' 56" N.B., 4° 16' 07" O.L.;
52° 09' 47" N.B., 4° 14' 37" O.L.;
52° 09' 26" N.B., 4° 13' 46" O.L.;
52° 09' 05" N.B., 4° 13' 12" O.L.;
52° 08' 30" N.B., 4° 12' 31" O.L.;
52° 08' 03" N.B., 4° 11' 50" O.L.;
52° 07' 33" N.B., 4° 11' 15" O.L.;
52° 06' 51" N.B., 4° 10' 19" O.L.;
52° 04' 13" N.B., 4° 06' 39" O.L.;
52° 03' 54" N.B., 4° 06' 05" O.L.;
52° 02' 09" N.B., 4° 04' 03" O.L.;
52° 00' 00" N.B., 4° 01' 00" O.L.;
51° 53' 00" N.B., 3° 55' 30" O.L.;
51° 51' 00" N.B., 3° 48' 48" O.L.;
51° 47' 30" N.B., 3° 45' 18" O.L.;
51° 44' 12" N.B., 3° 35' 24" O.L.;
51° 39' 12" N.B., 3° 35' 24" O.L.;
51° 37' 18" N.B., 3° 29' 30" O.L.;
51° 34' 00" N.B., 3° 22' 10" O.L.;
51° 24' 40" N.B., 3° 17' 52" O.L.
De ligging van de bovenbedoelde punten 2 tot en met 43 is uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 5a
Onze Minister draagt zorg voor de instelling van een onafhankelijk wetenschappelijk kennisprogramma, waarin de inbreng van nationale en internationale wetenschappers en deskundigen is geborgd.
Hoofdstuk 2. Vergunningen voor opsporen en winnen van delfstoffen
§ 2.1. Algemene bepalingen
Artikel 6a
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, voor het opsporen van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee.
Artikel 9a
In aanvulling op artikel 9, eerste lid, onder a, wordt bij een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen bij de beoordeling van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager rekening gehouden met:
- a. het risico, de gevaren en andere relevante informatie over het gebied waarvoor de vergunning zal gaan gelden;
- b. de financiële draagkracht van de aanvrager om alle eventueel uit de desbetreffende opsporings- en winningsactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen;
- c. de beschikbare informatie betreffende de technische bekwaamheden en de veiligheids- en milieuprestaties van de aanvrager.
Bij een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee wordt bij de beoordeling van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager, tevens rekening gehouden met de kosten van aantasting van het mariene milieu als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c, van richtlijn 2008/56/EG;
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de informatie met betrekking tot de veiligheids- en milieuprestatie van de aanvrager, die bij de beoordeling van diens technische en financiële mogelijkheden, meegenomen wordt.
§ 2.2. Beperkingen en voorschriften
§ 2.3. Procedure
§ 2.4. Wijziging, overgang en intrekking
§ 2.5. Bijzondere bepalingen
Artikel 24a
In aanvulling op artikel 17.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, draagt ook de houder van een vergunning voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee, de kosten voor de maatregelen genoemd in dat lid.
Hoofdstuk 3. Vergunningen voor het opslaan van stoffen en voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen
§ 3.1. Algemene bepalingen
§ 3.2. Aanvullende bepalingen omtrent het permanent opslaan van CO2
Hoofdstuk 4. De zorg voor een goede uitvoering van activiteiten
§ 4.1. Algemene verplichtingen
Artikel 33a
De houder van een vergunning voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen verricht de activiteiten op basis van systematisch risicobeheer, zodat de overblijvende risico’s op zware ongevallen voor mens, milieu en het mijnbouwwerk aanvaardbaar zijn.
Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de risico’s, bedoeld in het eerste lid, wordt een risiconiveau gehanteerd waarbij de tijd, kosten of inspanningen voor een verdere beperking ervan zwaar onevenredig zouden zijn in relatie tot het voordeel van een dergelijke beperking. Bij het beoordelen of tijd, kosten of inspanningen zwaar onevenredig zouden zijn in relatie tot de voordelen van verdere risicoreductie, worden de tot de beste praktijken behorende risiconiveaus die passen bij de onderneming in aanmerking genomen.
§ 4.1a. Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen
Artikel 45a
Deze paragraaf is van toepassing op de opsporing en winning van koolwaterstoffen.
§ 4.1a.1.1. Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie
Artikel 45b
Een exploitant van een productie-installatie stelt een rapport inzake grote gevaren op voor een productie-installatie en dient dit in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
Het rapport inzake grote gevaren behoeft de instemming van de inspecteur-generaal der mijnen voor zover het rapport ziet op een productie-installatie die is gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee en deze productie-installatie gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
Een rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid kan, indien de inspecteur-generaal der mijnen daarmee instemt, voor een groep van installaties worden opgesteld.
Een exploitant van een productie-installatie als bedoeld in het tweede lid start niet met activiteiten op productie-installaties of zet deze activiteiten niet voort, met uitzondering van verkenningsonderzoek, voordat de inspecteur-generaal der mijnen heeft ingestemd met het rapport inzake grote gevaren voor de desbetreffende productie-installaties.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de indiening van en de instemming met het rapport inzake grote gevaren.
Artikel 45c
Bij het rapport inzake grote gevaren worden in elk geval de volgende documenten gevoegd:
- a. het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen, bedoeld in artikel 45j;
- b. het veiligheids- en milieubeheerssysteem dat van toepassing is op de productie-installatie, bedoeld in artikel 45k;
- c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in artikel 45l.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het rapport inzake grote gevaren, de wijze waarop dit rapport wordt opgesteld en de documenten die daarbij worden gevoegd.
Artikel 45d
Een exploitant van een productie-installatie herziet om de vijf jaar het rapport inzake grote gevaren en brengt de resultaten van de herziening ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
De inspecteur-generaal der mijnen kan bepalen dat de herziening eerder geschiedt.
Artikel 45e
In het geval van een essentiële wijziging van een productie-installatie of van ontmanteling van een productie-installatie, dient de exploitant van deze productie-installatie een gewijzigd rapport inzake grote gevaren in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
De geplande wijzigingen of de ontmanteling worden niet uitgevoerd voordat de inspecteur-generaal der mijnen heeft ingestemd met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren voor zover het een productie-installatie betreft die is gelegen op het continentaal plat of in de territoriale zee, voor zover deze productie-installatie is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgestelde lijn.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de indiening van en de instemming met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.
§ 4.1a.1.1. Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie
Artikel 45f
Een eigenaar van een niet-productie-installatie stelt een rapport inzake grote gevaren op voor de niet-productie-installatie en dient het bij de inspecteur-generaal der mijnen.
Het rapport inzake grote gevaren behoeft de instemming van de inspecteur-generaal der mijnen.
Een eigenaar van een niet-productie-installatie start niet met activiteiten op een niet-productie-installatie, waaronder gecombineerde activiteiten of boorgatactiviteiten, met uitzondering van verkenningsonderzoek, of zet deze activiteiten niet voort voordat de inspecteur-generaal der mijnen heeft ingestemd met het rapport inzake grote gevaren voor de betreffende niet-productie-installatie.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de indiening van en de instemming met het rapport inzake grote gevaren.
Artikel 45g
Bij het rapport inzake grote gevaren worden in elke geval de volgende documenten gevoegd:
- a. het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen, bedoeld in artikel 45j;
- b. het veiligheids- en milieubeheerssysteem dat van toepassing is op de niet-productie-installatie, bedoeld in artikel 45k;
- c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in artikel 45l.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het rapport inzake grote gevaren, de wijze waarop dit rapport moet worden opgesteld en de documenten die daarbij worden gevoegd.
Artikel 45h
Een eigenaar van een niet-productie-installatie herziet om de vijf jaar het rapport inzake grote gevaren en brengt de resultaten van de herziening ter kennis van de inspecteur-generaal der mijnen.
De inspecteur-generaal der mijnen kan bepalen dat de herziening eerder geschiedt.
Artikel 45i
In het geval van een essentiële wijziging van een niet-productie-installatie of van ontmanteling van een vaste niet-productie-installatie, dient de eigenaar van deze installatie een gewijzigd rapport inzake grote gevaren in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
De geplande wijzigingen en de ontmanteling worden niet uitgevoerd voordat de inspecteur-generaal der mijnen heeft ingestemd met het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het gewijzigd rapport inzake grote gevaren.
§ 4.1a.1.2. Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie
Artikel 45j
De exploitant van een productie-installatie stelt een bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen op en past dit toe bij alle door de exploitant te verrichten opsporings- en winningsactiviteiten.
De eigenaar van een niet-productie-installatie stelt een bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen op en past dit toe bij alle door de eigenaar te verrichten opsporings- en winningsactiviteiten.
De exploitant, bedoeld in het eerste lid, en de eigenaar, bedoeld in het tweede lid, passen het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen tevens toe op zijn mijnbouwinstallaties die buiten de Europese Unie in werking zijn.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inhoud van het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen en de wijze waarop dit moet worden opgesteld.
Artikel 45k
De exploitant van een productie-installatie beschrijft in een document het veiligheids- en milieubeheerssysteem.
De eigenaar van een niet-productie-installatie beschrijft in een document het veiligheids- en milieubeheerssysteem.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inhoud van het veiligheids- en milieubeheerssysteem en de wijze waarop het ontwikkeld wordt.
Artikel 45l
De exploitant stelt een regeling voor onafhankelijke verificatie op voor zijn productie-installatie.
De eigenaar stelt een regeling voor onafhankelijke verificatie op voor zijn niet-productie-installatie.
De exploitant van een productie-installatie stelt een regeling voor onafhankelijke verificatie op voor kennisgevingen van boorgatactiviteiten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. de eisen waaraan de regeling voor onafhankelijke verificatie moet voldoen,
- b. de selectiecriteria voor een onafhankelijke verificateur,
- c. het moment waarop de regeling voor onafhankelijke verificatie getroffen wordt,
- d. de wijze waarop de exploitant of de eigenaar uitvoering geeft aan het advies van de onafhankelijke verificateur en
- e. de wijze van bekendmaking van het advies van de onafhankelijke verificateur aan de inspecteur-generaal der mijnen.
Bij ministeriële regeling wordt de termijn vastgesteld:
- a. gedurende welke de exploitant van een productie-installatie en de eigenaar van een niet-productie-installatie het advies van de onafhankelijke verificateur en documentatie over de maatregelen die op grond van een dergelijk advies door hen zijn genomen, bewaren;
- b. waarbinnen de exploitant en de eigenaar een regeling voor onafhankelijke verificatie voor de desbetreffende installatie, treffen.
§ 4.1a.2. Kennisgevingen
Artikel 45m
De exploitant dient bij een voorgenomen productie-installatie een kennisgeving van het ontwerp in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in het ontwerp van de voorgenomen productie-installatie, meldt de exploitant dit zo snel mogelijk bij de inspecteur-generaal der mijnen.
Artikel 45n
De exploitant dient in het geval van een boorgatactiviteit, een kennisgeving van de boorgatactiviteit in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, bevat tevens het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen voor zover dit beleid niet reeds eerder is ingediend bij de inspecteur-generaal der mijnen.
De exploitant start niet met een boorgatactiviteit, voordat de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de inspecteur-generaal der mijnen is voorgelegd.
De exploitant begint niet met of staakt een boorgatactiviteit, indien de inspecteur-generaal der mijnen bezwaren heeft geuit over de inhoud van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.
Bij elke essentiële wijziging in de gegevens van een ingediende kennisgeving van boorgatactiviteiten betrekt de exploitant een onafhankelijke verificateur bij het opstellen daarvan en stelt de inspecteur-generaal der mijnen in kennis van deze wijziging.
Artikel 45o
De exploitant dient in het geval een bestaande mijnbouwinstallatie verplaatst moet worden naar een nieuwe productielocatie, een kennisgeving in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in de kennisgeving van de verplaatsing, bedoeld in het eerste lid, meldt de exploitant dit zo snel mogelijk bij de inspecteur-generaal der mijnen.
Artikel 45p
De exploitant dient in het geval van een gecombineerde activiteit, een kennisgeving van een gecombineerde activiteit in bij de inspecteur-generaal der mijnen.
De kennisgeving van een gecombineerde activiteit als bedoeld in het eerste lid, wordt gezamenlijk opgesteld door de exploitant en de betrokken eigenaren van de niet-productie-installaties.
De exploitant en de eigenaar van een niet-productie-installatie starten niet met een gecombineerde activiteit, voordat de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de inspecteur-generaal der mijnen is voorgelegd.
De exploitant en de eigenaar van een niet-productie-installatie beginnen niet met of staken een gecombineerde activiteit, indien de inspecteur-generaal der mijnen bezwaren heeft geuit over de inhoud van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid.
De exploitant stelt de inspecteur-generaal der mijnen in kennis van elke essentiële wijziging in de ingediende kennisgeving van een gecombineerde activiteit, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 45q
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de inhoud van de kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p;
- b. de verplichtingen van de exploitant of de eigenaar inzake eventuele opmerkingen van de inspecteur-generaal der mijnen over de inhoud en de wijzigingen van de kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop kennisgevingen, bedoeld in de artikelen 45m, 45n, 45o en 45p, moeten worden ingediend.
§ 4.2. Financiële zekerheid
Hoofdstuk 5. Financiële bepalingen
Afdeling 5.1.1. Afdrachten in verband met het opsporen en winnen van koolwaterstoffen
§ 5.1.1.2. Oppervlakterecht
§ 5.1.1.3. Cijns
Afdeling 5.1.2. Afdrachten aan de provincie
Afdeling 5.2. Deelneming in opsporing en winning van koolwaterstoffen en andere taken en activiteiten van de aangewezen vennootschap
§ 5.2.1. Algemeen
§ 5.2.3. Deelneming in mijnbouwwerkzaamheden
Afdeling 5.3. Afdrachten in verband met andere vergunningen dan die tot het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen
Afdeling 5.4. Het stellen van zekerheid
Afdeling 5.4. Het stellen van zekerheid
Afdeling 5.5. Uitvoeringsregels
§ 5.1.1.3. Cijns
§ 6.2. De Technische commissie bodembeweging
Hoofdstuk 8. Toezicht en handhaving
§ 6.2. De Technische commissie bodembeweging
Artikel 128a
Onze Minister geeft een aanwijzing aan de inspecteur-generaal der mijnen uitsluitend in schriftelijke vorm.
Onze Minister verleent geen mandaat voor het geven van een aanwijzing.
Een aanwijzing wordt door Onze Minister onverwijld aan de Staten-Generaal gezonden.
Onverminderd artikel 10:6 van de Algemene wet bestuursrecht en in afwijking van de artikelen 10:22, eerste lid, en 10:23 van de Algemene wet bestuursrecht ziet een bijzondere aanwijzing niet op:
- a. het weerhouden van de inspecteur-generaal der mijnen om een specifiek onderzoek te verrichten of af te ronden;
- b. de wijze waarop de inspecteur-generaal der mijnen een specifiek onderzoek verricht;
- c. iedere vorm van bevindingen, oordelen en adviezen van de inspecteur-generaal der mijnen.
Hoofdstuk 9. Waarborgfonds mijnbouwschade
§ 5.2.3. Deelneming in mijnbouwwerkzaamheden
Hoofdstuk 9a. Coördinatie van de aanleg of uitbreiding van mijnbouwwerken en pijpleidingen ten behoeve van de winning van koolwaterstoffen en de opslag van stoffen
Hoofdstuk 10. Rechtsbescherming
Hoofdstuk 9. Waarborgfonds mijnbouwschade
Artikel 167a
De wijziging van de artikelen 18 en 21 van deze wet bij wet van 21 december 2016, houdende wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen) (Stb. 2016, 554), heeft geen gevolgen voor de houder van een winningsvergunning of een opslagvergunning, aan wie een instemming met het winningsplan als bedoeld in artikel 34, derde lid, respectievelijk een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, is verleend voor de datum van inwerkingtreding van die wijziging.
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een instemming met het winningsplan geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen na de datum van inwerkingtreding van dit artikel, indien dit wordt gerechtvaardigd door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten om reden van het belang van:
- 1°. de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan of
- 2°. het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, geldt het eerste lid niet.
Artikel 167b
De wijziging van de bijlage bij deze wet bij wet van 21 december 2016, houdende wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen) (Stb. 2016, 554), heeft geen gevolgen voor de houder van een vergunning, die voor de datum van inwerkingtreding van die wijziging is verleend.
Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten
§ 12.1. Ministerie van Economische Zaken
§ 8.1. Het Staatstoezicht op de mijnen
§ 12.3. Ministerie van Justitie
§ 8.3. Handhaving
§ 9.1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Bijlage bij de artikelen 34, 35, 36, 38, 41, 46, 54, 134, 135, 142 en 145
De lijn, bedoeld in de artikelen 34, vierde lid, 35, eerste lid, onderdeel f, 36, eerste lid, onderdeel b, 38, 41, derde lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, tweede lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, welke wordt gevormd door de verbindingslijn tussen de punten c'' en L', welke met een rode kleur is aangegeven op de bij de aanvullende overeenkomst van 14 mei 1962 bij het Eems-Dollard-verdrag (Trb. 1962, 54) gevoegde kaart, en vervolgens door de bogen van grootcirkels tussen de volgende punten, in de volgorde als hieronder aangegeven:
genoemd punt L';
53° 33' 36" N.B., 6° 16' 02" O.L.;
53° 30' 12" N.B., 6° 03' 00" O.L.;
53° 31' 22" N.B., 5° 56' 27" O.L.;
53° 30' 00" N.B., 5° 31' 30" O.L.;
53° 25' 12" N.B., 5° 08' 06" O.L.;
53° 21' 21" N.B., 5° 04' 30" O.L.;
53° 19' 19" N.B., 4° 56' 12" O.L.;
53° 15' 00" N.B., 4° 49' 00" O.L.;
53° 06' 30" N.B., 4° 40' 00" O.L.;
53° 01' 30" N.B., 4° 37' 30" O.L.;
52° 54' 00" N.B., 4° 38' 00" O.L.;
52° 44' 12" N.B., 4° 33' 42" O.L.;
52° 37' 00" N.B., 4° 32' 24" O.L.;
52° 28' 30" N.B., 4° 30' 00" O.L.;
52° 23' 00" N.B., 4° 26' 36" O.L.;
52° 21' 02" N.B., 4° 24' 57" O.L.;
52° 17' 55" N.B., 4° 22' 45" O.L.;
52° 16' 25" N.B., 4° 21' 34" O.L.;
52° 15' 35" N.B., 4° 20' 47" O.L.;
52° 14' 54" N.B., 4° 20' 20" O.L.;
52° 13' 21" N.B., 4° 18' 54" O.L.;
52° 12' 03" N.B., 4° 17' 30" O.L.;
52° 10' 56" N.B., 4° 16' 07" O.L.;
52° 09' 47" N.B., 4° 14' 37" O.L.;
52° 09' 26" N.B., 4° 13' 46" O.L.;
52° 09' 05" N.B., 4° 13' 12" O.L.;
52° 08' 30" N.B., 4° 12' 31" O.L.;
52° 08' 03" N.B., 4° 11' 50" O.L.;
52° 07' 33" N.B., 4° 11' 15" O.L.;
52° 06' 51" N.B., 4° 10' 19" O.L.;
52° 04' 13" N.B., 4° 06' 39" O.L.;
52° 03' 54" N.B., 4° 06' 05" O.L.;
52° 02' 09" N.B., 4° 04' 03" O.L.;
52° 00' 00" N.B., 4° 01' 00" O.L.;
51° 53' 00" N.B., 3° 55' 30" O.L.;
51° 51' 00" N.B., 3° 48' 48" O.L.;
51° 47' 30" N.B., 3° 45' 18" O.L.;
51° 44' 12" N.B., 3° 35' 24" O.L.;
51° 39' 12" N.B., 3° 35' 24" O.L.;
51° 37' 18" N.B., 3° 29' 30" O.L.;
51° 34' 00" N.B., 3° 22' 10" O.L.;
51° 24' 40" N.B., 3° 17' 52" O.L.
De ligging van de bovenbedoelde punten 2 tot en met 43 is uitgedrukt in geografische coördinaten, berekend volgens het stelsel van de Europese vereffening.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 7a
Vervallen
§ 2.3. Procedure
§ 2.4. Wijziging, overgang en intrekking
§ 2.5. Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk 2a. Toewijzing zoekgebied aardwarmte, startvergunning aardwarmte en vervolgvergunning aardwarmte
Paragraaf 1. Algemeen
§ 3.2. Aanvullende bepalingen omtrent het permanent opslaan van CO2
Artikel 31o
Indien artikel 42, derde lid, van toepassing is, vangt de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 niet aan met het permanent opslaan van CO2 dan nadat een overeenkomst als bedoeld in artikel 42, derde lid, tot stand is gekomen.
Hoofdstuk 4. De zorg voor een goede uitvoering van activiteiten
Paragraaf 4. Vervolgvergunning aardwarmte
§ 4.1a. Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen
§ 4.1a.1.1. Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie
§ 4.1a.1.2. Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie
§ 4.1a.1.3. Overige documenten
§ 4.1a.1.3. Overige documenten
§ 4.2. Financiële zekerheid
§ 4.2. Financiële zekerheid
Hoofdstuk 4a. Bijzondere regels voor het Groningenveld
Afdeling 5.1.1. Afdrachten in verband met het opsporen en winnen van koolwaterstoffen
§ 5.1.1.1. Algemeen
§ 5.1.1.2. Oppervlakterecht
§ 5.1.1.3. Cijns
§ 5.1.1.5. Heffing en invordering
Afdeling 5.1.2. Afdrachten aan de provincie
Afdeling 5.2. Deelneming in opsporing en winning van koolwaterstoffen en andere taken en activiteiten van de aangewezen vennootschap
§ 5.1.1.5. Heffing en invordering
Afdeling 5.1.1. Afdrachten in verband met het opsporen en winnen van koolwaterstoffen
Afdeling 5.6. Wetenschappelijk onderzoek
§ 8.2. Toezicht in bepaalde gevallen
§ 6.3. Overige adviseurs
Hoofdstuk 7. Rapportage
Hoofdstuk 9. Waarborgfonds mijnbouwschade
Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 7. Rapportage
§ 12.1. Ministerie van Economische Zaken
§ 12.2. Ministerie van Verkeer en Waterstaat
§ 8.2. Toezicht in bepaalde gevallen
§ 8.4. Retributie
§ 12.5. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Bijlage. bij de artikelen 31d, 41, 45b, 45e, 46, 54, 134, 135, 142 en 145
De lijn, bedoeld in de artikelen 31d, tweede lid, 41, derde lid, 45b, tweede lid, 45e, tweede lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, eerste lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, gevormd door de bogen van grootcirkels in de volgorde tussen de punten, bedoeld op de kaart die in de tabel zijn uitgedrukt in geografische coördinaten berekend volgens het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323):
| Puntnummer | X-geografisch | Y-geografisch |
|---|---|---|
| I | 51° 26'.04 N | 003° 18'.44 E |
| II | 51° 29'.26 N | 003° 19'.92 E |
| III | 51° 29'.95 N | 003° 20'.24 E |
| IV | 51° 35'.55 N | 003° 23'.24 E |
| V | 51° 36'.98 N | 003° 27'.15 E |
| VI | 51° 39'.95 N | 003° 30'.53 E |
| VII | 51° 44'.15 N | 003° 35'.32 E |
| VIII | 51° 47'.27 N | 003° 39'.92 E |
| IX | 51° 49'.95 N | 003° 43'.28 E |
| X | 51° 52'.39 N | 003° 49'.56 E |
| XI | 51° 59'.96 N | 003° 53'.98 E |
| XII | 52° 02'.28 N | 003° 59'.92 E |
| XIII | 52° 02'.52 N | 004° 04'.45 E |
| XIV | 52° 09'.95 N | 004° 14'.74 E |
| XV | 52° 14'.49 N | 004° 19'.92 E |
| XVI | 52° 19'.95 N | 004° 24'.14 E |
| XVII | 52° 25'.73 N | 004° 28'.24 E |
| XVIII | 52° 28'.54 N | 004° 27'.16 E |
| XIX | 52° 29'.95 N | 004° 29'.26 E |
| XX | 52° 30'.86 N | 004° 30'.60 E |
| XXI | 52° 39'.95 N | 004° 32'.86 E |
| XXII | 52° 44'.15 N | 004° 33'.62 E |
| XXIII | 52° 49'.95 N | 004° 36'.16 E |
| XXIV | 52° 53'.95 N | 004° 37'.92 E |
| XXV | 52° 57'.07 N | 004° 34'.56 E |
| XXVI | 52° 59'.96 N | 004° 34'.58 E |
| XXVII | 53° 01'.90 N | 004° 37'.64 E |
| XXVIII | 53° 06'.45 N | 004° 39'.92 E |
| XXIX | 53° 09'.95 N | 004° 43'.62 E |
| XXX | 53° 16'.15 N | 004° 48'.95 E |
| XXXI | 53° 19'.27 N | 004° 56'.12 E |
| XXXII | 53° 19'.95 N | 004° 58'.90 E |
| XXXIII | 53° 20'.20 N | 004° 59'.92 E |
| XXXIV | 53° 24'.01 N | 005° 03'.51 E |
| XXXV | 53° 25'.16 N | 005° 08'.02 E |
| XXXVI | 53° 27'.61 N | 005° 19'.92 E |
| XXXVII | 53° 29'.96 N | 005° 31'.42 E |
| XXXVIII | 53° 32'.10 N | 005° 39'.92 E |
| XXXIX | 53° 30'.72 N | 005° 45'.21 E |
| XXXX | 53° 31'.51 N | 005° 59'.92 E |
| XXXXI | 53° 33'.56 N | 006° 15'.95 E |
| XXXXII | 53° 34'.78 N | 006° 19'.92 E |
| XXXXIII | 53° 36'.26 N | 006° 24'.76 E |
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 167d
Betalingen gedaan op grond van de tussen de Staat en de houder van de winningsvergunning Groningen op 28 september 2018 gesloten overeenkomst, die gelijk zijn aan de heffingen die de houder van de winningsvergunning Groningen verschuldigd is op grond van paragrafen 5.1.1.2 tot en met 5.1.1.4 van deze wet worden gezien als betalingen gedaan op grond van deze paragrafen. Afdeling 5.1.1. van deze wet is van overeenkomstige toepassing op deze betalingen.
Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten
§ 12.1. Ministerie van Economische Zaken
§ 8.1. Het Staatstoezicht op de mijnen
§ 8.2. Toezicht in bepaalde gevallen
§ 8.4. Retributie
§ 9.1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)