Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)

Type Wet
Publication 2026-03-27
State In force
Source BWB
artikelen 561
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Artikel 86a geldt uitsluitend voor een houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, die is verleend op basis van artikel 24d.

Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten

§ 12.4. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

§ 12.5. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Bijlage. bij de artikelen 31d, 41, 45b, 45e, 46, 54, 134, 135, 142 en 145

De lijn, bedoeld in de artikelen 31d, tweede lid, 41, derde lid, 45b, tweede lid, 45e, tweede lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, eerste lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, gevormd door de bogen van grootcirkels in de volgorde tussen de punten, bedoeld op de kaart die in de tabel zijn uitgedrukt in geografische coördinaten berekend volgens het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323):

Puntnummer X-geografisch Y-geografisch
I 51° 26'.04 N 003° 18'.44 E
II 51° 29'.26 N 003° 19'.92 E
III 51° 29'.95 N 003° 20'.24 E
IV 51° 35'.55 N 003° 23'.24 E
V 51° 36'.98 N 003° 27'.15 E
VI 51° 39'.95 N 003° 30'.53 E
VII 51° 44'.15 N 003° 35'.32 E
VIII 51° 47'.27 N 003° 39'.92 E
IX 51° 49'.95 N 003° 43'.28 E
X 51° 52'.39 N 003° 49'.56 E
XI 51° 59'.96 N 003° 53'.98 E
XII 52° 02'.28 N 003° 59'.92 E
XIII 52° 02'.52 N 004° 04'.45 E
XIV 52° 09'.95 N 004° 14'.74 E
XV 52° 14'.49 N 004° 19'.92 E
XVI 52° 19'.95 N 004° 24'.14 E
XVII 52° 25'.73 N 004° 28'.24 E
XVIII 52° 28'.54 N 004° 27'.16 E
XIX 52° 29'.95 N 004° 29'.26 E
XX 52° 30'.86 N 004° 30'.60 E
XXI 52° 39'.95 N 004° 32'.86 E
XXII 52° 44'.15 N 004° 33'.62 E
XXIII 52° 49'.95 N 004° 36'.16 E
XXIV 52° 53'.95 N 004° 37'.92 E
XXV 52° 57'.07 N 004° 34'.56 E
XXVI 52° 59'.96 N 004° 34'.58 E
XXVII 53° 01'.90 N 004° 37'.64 E
XXVIII 53° 06'.45 N 004° 39'.92 E
XXIX 53° 09'.95 N 004° 43'.62 E
XXX 53° 16'.15 N 004° 48'.95 E
XXXI 53° 19'.27 N 004° 56'.12 E
XXXII 53° 19'.95 N 004° 58'.90 E
XXXIII 53° 20'.20 N 004° 59'.92 E
XXXIV 53° 24'.01 N 005° 03'.51 E
XXXV 53° 25'.16 N 005° 08'.02 E
XXXVI 53° 27'.61 N 005° 19'.92 E
XXXVII 53° 29'.96 N 005° 31'.42 E
XXXVIII 53° 32'.10 N 005° 39'.92 E
XXXIX 53° 30'.72 N 005° 45'.21 E
XXXX 53° 31'.51 N 005° 59'.92 E
XXXXI 53° 33'.56 N 006° 15'.95 E
XXXXII 53° 34'.78 N 006° 19'.92 E
XXXXIII 53° 36'.26 N 006° 24'.76 E

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 24b

Het is verboden zonder een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, aardwarmte op te sporen of te winnen.

Artikel 24c
1.

Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 24b, is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. Bij het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor deze activiteiten sluit Onze Minister aan bij de bepalingen van dit hoofdstuk, voor zover dit met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het nemen van een besluit omtrent een vergunning, bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2. Toewijzing zoekgebied aardwarmte

Artikel 24d

Onze Minister verleent op aanvraag een toewijzing zoekgebied aardwarmte.

Artikel 24e
1.

Een aanvraag om een toewijzing zoekgebied aardwarmte bevat een beschrijving van:

  • a. de aardlagen en de begrenzing ervan waar de aanvraag betrekking op heeft;
  • b. de andere gebruiksmogelijkheden van het gebied, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater en kenbare mogelijkheden tot het opslaan van stoffen;
  • c. een plan voor de wijze waarop de aanvrager voornemens is de aardwarmte op te sporen en te winnen;
  • d. de voorgenomen afzet van warmte en de afspraken hieromtrent;
  • e. de ervaring van de aanvrager met de ontwikkeling van aardwarmteprojecten en andere mijnbouwactiviteiten;
  • f. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de opsporing en winning van aardwarmte te financieren.
2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag.

Artikel 24f
1.

Zodra voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte een aanvraag is ingediend die voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 24e en deze aanvraag betrekking heeft op een zoekgebied dat beschikbaar is voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte, stelt Onze Minister met een uitnodiging in de Staatscourant anderen in de gelegenheid om voor hetzelfde zoekgebied of een deel hiervan een aanvraag in te dienen.

2.

Anderen kunnen een aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte indienen tot twaalf weken na de dag van plaatsing van de uitnodiging in de Staatscourant. Indien deze aanvragen gedeeltelijk betrekking hebben op een nieuw zoekgebied voor aardwarmte ten opzichte van het in de Staatscourant gepubliceerde zoekgebied aardwarmte, geldt voor dat deel van de aanvraag de procedure van het eerste lid en wordt dat deel van de aanvraag geacht een nieuwe aanvraag te zijn.

3.

Onze Minister stelt de aanvragers van alle ingediende aanvragen op de hoogte. De aanvragers voeren overleg over de mogelijkheden tot samenwerking dan wel aanpassing van de aanvraag.

4.

Gedurende acht weken na het op de hoogte stellen van de aanvragers, bedoeld in het derde lid, heeft een aanvrager de mogelijkheid zijn aanvraag te wijzigen of in te trekken.

Artikel 24g
1.

Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens artikel 24e voldoen stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincies en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen wier grondgebied het zoekgebied waarop de aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.

2.

Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens artikel 24e voldoen stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincies en het dagelijks bestuur van waterschappen binnen wier grondgebied het zoekgebied waarop de aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit.

Artikel 24h
1.

Onze Minister beslist op een aanvraag om een toewijzing zoekgebied aardwarmte binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag.

2.

Als ingevolge artikel 24f, tweede lid, een aanvraag wordt ingediend, beslist Onze Minister binnen zes weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 24f, vierde lid.

3.

Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.

4.

Van een beschikking tot verlening van een toewijzing zoekgebied aardwarmte wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 24i
1.

Een aanvraag om een toewijzing zoekgebied aardwarmte wordt geheel of gedeeltelijk afgewezen indien:

  • a. het opsporen of winnen van aardwarmte in de in de aanvraag aangegeven aardlagen en de begrenzing ervan bij of krachtens wet niet is toegestaan;
  • b. voor het zoekgebied al een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt.
2.

Een aanvraag om een toewijzing zoekgebied aardwarmte kan geheel of gedeeltelijk worden afgewezen:

  • a. in het belang van de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen;
  • b. indien het plan of de uitvoering ervan voor de wijze van opsporen en winnen van aardwarmte niet haalbaar wordt geacht;
  • c. indien er onvoldoende zicht is op een warmtevraag die passend is bij de te verwachten winning van aardwarmte;
  • d. indien het zoekgebied niet passend is bij de te verwachten warmtevraag;
  • e. indien onvoldoende zicht is op de financiering van de opsporing en winning van aardwarmte.
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 24j
1.

Indien er meer aanvragen om een toewijzing zoekgebied aardwarmte zijn ingediend die toegewezen zouden kunnen worden, verleent Onze Minister de toewijzing zoekgebied aardwarmte aan de aanvrager van wie de aanvraag het hoogst is gerangschikt.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de procedure van rangschikking, de rangschikkingscriteria en de onderlinge weging hiervan.

Artikel 24k
1.

Een toewijzing zoekgebied aardwarmte geldt voor een periode van vier jaar. Onze Minister kan deze termijn op verzoek van de houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte eenmaal met een jaar verlengen.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt de toewijzing zoekgebied aardwarmte, indien een aanvraag voor een startvergunning aardwarmte is ingediend, tot het moment waarop het besluit waarbij op deze aanvraag wordt beslist, onherroepelijk wordt.

3.

In afwijking van het eerste lid kan de houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, wanneer hij gelet op de voorgenomen afzet van warmte en de afspraken hieromtrent voldoende vraag naar warmte aannemelijk kan maken, iedere keer wanneer een startvergunning aardwarmte wordt aangevraagd om een verlenging van de toewijzing zoekgebied vragen voor een periode van vier jaar.

4.

Onze Minister bepaalt in de toewijzing zoekgebied aardwarmte voor welke aardlagen en begrenzing daarvan een toewijzing zoekgebied aardwarmte geldt.

Artikel 24l
1.

Onze Minister kan op aanvraag van een houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een toewijzing zoekgebied aardwarmte wijzigen of intrekken.

2.

Onze Minister kan op aanvraag van een houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een natuurlijke persoon of rechtspersoon als houder aan een toewijzing zoekgebied aardwarmte toevoegen.

3.

Onze Minister kan een toewijzing zoekgebied aardwarmte wijzigen of intrekken indien de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.

4.

Onze Minister beslist op een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 24m

Indien meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon een toewijzing zoekgebied aardwarmte houdt, worden zij gezamenlijk als houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte beschouwd.

Paragraaf 3. Startvergunning aardwarmte

Artikel 24n

Onze Minister verleent op aanvraag een startvergunning aardwarmte aan de houder van de toewijzing zoekgebied aardwarmte of aan de houder van de toewijzing zoekgebied aardwarmte en de uitvoerder aardwarmte.

Artikel 24o
1.

Een aanvraag voor een startvergunning aardwarmte bevat een beschrijving van:

  • a. de aardlagen en de begrenzing ervan waar de aanvrager voornemens is aardwarmte op te sporen en te winnen;
  • b. de andere gebruiksmogelijkheden van het gebied, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of kenbare voornemens tot het opslaan van stoffen;
  • c. de wijze waarop de aanvrager voornemens is aardwarmte op te sporen en te winnen en hoe hij voornemens is de putintegriteit te borgen;
  • d. de verwachte bodembeweging ten gevolge van de winning;
  • e. indien dit nodig is gelet op de verwachte bodembeweging:
  • 1°. de veiligheidsrisico’s voor omwonenden, het risico op schade aan gebouwen of infrastructurele werken of het risico op verstoring van de functionaliteit daarvan;
  • 2°. de maatregelen die worden genomen om bodembeweging te voorkomen of te beperken;
  • 3°. de maatregelen die worden genomen om schade door bodembeweging te voorkomen of te beperken;
  • f. overeenkomsten met betrekking tot de afzet van warmte;
  • g. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten in verband met de opsporing en winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de artikelen 46 en 47, ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, en het zo nodig geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen;
  • h. de ervaring van de aanvrager met de ontwikkeling van aardwarmteprojecten en andere mijnbouwactiviteiten.
2.

Een aanvraag voor een startvergunning aardwarmte gaat vergezeld van een aanvraag om instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte als bedoeld in artikel 24z, derde lid.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag.

Artikel 24p
1.

Als een aanvraag voor een startvergunning aardwarmte ziet op aardwarmte die zich gedeeltelijk bevindt in een aangrenzend gebied waarvoor geen toewijzing zoekgebied aardwarmte, startvergunning aardwarmte of vervolgvergunning aardwarmte is aangevraagd of verleend, doet Onze Minister hiervan mededeling in de Staatscourant.

2.

Indien het in het eerste lid aangevraagde gebied grenst aan een gebied waarvoor een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt, stelt Onze Minister de houders van de toewijzing of vergunning op de hoogte van de ingediende aanvraag.

3.

Een houder van een toewijzing of vergunning als bedoeld in het tweede lid, kan binnen acht weken na de mededeling van Onze Minister een concurrerende aanvraag voor een startvergunning aardwarmte voor dit aangrenzende gebied indienen.

4.

Onze Minister stelt de aanvragers van alle ingediende aanvragen op de hoogte. De aanvragers voeren overleg over de mogelijkheden tot samenwerking of aanpassing van de aanvraag.

5.

Gedurende vier weken na het op de hoogte stellen van de aanvragers, bedoeld in het derde lid, heeft een aanvrager de mogelijkheid zijn aanvraag te wijzigen of in te trekken.

6.

Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het vijfde lid, eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.

Artikel 24q
1.

Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens artikel 24o voldoen stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincie en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen wier grondgebied het gebied waarop de aanvraag voor een startvergunning aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.

2.

Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens artikel 24o voldoen, stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincie en het dagelijks bestuur van waterschappen binnen wier grondgebied het gebied waarop de aanvraag voor een startvergunning aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit.

3.

Indien Onze Minister voornemens is af te wijken van het advies van gedeputeerde staten van de provincie met het oog op het beheer van grondwater met het oog op de winning van drinkwater, bedoeld in het eerste lid, of het advies van gedeputeerde staten van de provincie met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit, bedoeld in het tweede lid, informeert Onze Minister Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 24r

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake de aanvraag om een startvergunning aardwarmte.

Artikel 24s
1.

In afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 24z, vierde lid, beslist Onze Minister op een aanvraag om een startvergunning aardwarmte en het tegelijkertijd ingediende verzoek om instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte binnen 32 weken na de ontvangst daarvan.

2.

Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.

3.

Van een beschikking tot verlening van een startvergunning aardwarmte wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 24t
1.

De aanvraag om een startvergunning aardwarmte wordt geheel of gedeeltelijk afgewezen indien:

  • a. het opsporen of winnen van aardwarmte in de in de aanvraag aangegeven aardlagen en de begrenzing ervan bij of krachtens wet niet is toegestaan;
  • b. voor de aardlagen en de begrenzing ervan die in de aanvraag is aangeduid aan een ander dan de aanvrager een toewijzing zoekgebied aardwarmte is verleend of een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte is verleend;
  • c. de in de aanvraag beschreven opsporing en winning onaanvaardbare risico’s met zich brengt voor de veiligheid van omwonenden of onaanvaardbare schade kan veroorzaken aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
  • d. geen financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de artikelen 46 en 47, kan worden gesteld ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater.
2.

Een aanvraag om een startvergunning aardwarmte kan geheel of gedeeltelijk worden afgewezen:

  • a. in het belang van de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen;
  • b. indien de in de aanvraag aangeduide wijze van opsporing en winning en de wijze waarop de putintegriteit wordt geborgd niet geschikt wordt geacht om reden van nadelige gevolgen voor het milieu;
  • c. indien de aardlagen en de begrenzing ervan waar de aanvrager voornemens is aardwarmte te winnen niet aansluiten bij de verwachte winning van aardwarmte en de verwachte afzet van aardwarmte;
  • d. in verband met het ontbreken van overeenkomsten met betrekking tot de afzet van aardwarmte;
  • e. in verband met de financiële mogelijkheden van de aanvrager om de kosten in verband met de opsporing en winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, te dragen en gelet op zijn voornemens om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen.
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 24u
1.

Indien er op basis van artikel 24p, derde lid, meer aanvragen om een startvergunning aardwarmte zijn ingediend die toegewezen zouden kunnen worden, verleent Onze Minister de startvergunning aardwarmte aan de aanvrager van wie de aanvraag het hoogst is gerangschikt.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de procedure van rangschikking, de rangschikkingscriteria en de onderlinge weging hiervan.

Artikel 24v
1.

Een startvergunning aardwarmte geldt voor twee jaar of, indien een aanvraag voor een vervolgvergunning aardwarmte is ingediend, tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op deze aanvraag wordt beslist, onherroepelijk wordt.

2.

Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met een jaar verlengen.

3.

Onze Minister bepaalt in een startvergunning aardwarmte voor welke aardlagen en begrenzing daarvan zij geldt.

Artikel 24w
1.

Indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, verbindt Onze Minister aan een startvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen in verband met het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de artikelen 46 en 47, ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte.

2.

Onze Minister verbindt aan de startvergunning aardwarmte het voorschrift dat geen doorboring plaatsvindt van een gebied waarvan in verband met het uitvoeren van de taken bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel c, van de Omgevingswet in een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet is vastgesteld dat doorboring ervan voor het opsporen of winnen van aardwarmte niet is toegestaan, indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder dat gebied.

3.

Onze Minister verbindt aan een startvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen in verband met het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de wijze van winning en de wijze waarop de putintegriteit wordt geborgd.

4.

Onze Minister kan aan een startvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen verbinden in verband met:

  • a. de veiligheid van omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
  • b. het belang van de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen;
  • c. de financiële mogelijkheden van de aanvrager om de kosten in verband met de opsporing en winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, te dragen en om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen.
5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld inzake de gronden, bedoeld in het derde lid, en kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid.

Artikel 24x
1.

Een startvergunning aardwarmte geldt ook voor delfstoffen die onvermijdelijk meekomen met de winning van aardwarmte, maar niet voor delfstoffen die zelfstandig economisch winbaar zijn.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de zelfstandige economische winbaarheid van meekomende delfstoffen.

Artikel 24y

Indien bij het opsporen of winnen van aardwarmte wordt geconstateerd dat de situatie van de ondergrond afwijkt van de aanvraag voor de startvergunning aardwarmte, meldt een houder van een startvergunning aardwarmte dit zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.

Artikel 24z
1.

Het verrichten van feitelijke werkzaamheden in verband met de opsporing of winning van aardwarmte waaronder het verlenen van opdracht daartoe of het buiten gebruik stellen van een boorgat, is slechts toegestaan aan één, door de houder van de startvergunning aardwarmte of de houder van de vervolgvergunning aardwarmte aangewezen uitvoerder aardwarmte.

2.

Indien de uitvoerder aardwarmte niet meer in staat is feitelijke werkzaamheden uit te voeren, wijst de houder van de startvergunning aardwarmte of de houder van de vervolgvergunning aardwarmte een nieuwe uitvoerder aardwarmte aan.

3.

De aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid, behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister kan zijn instemming slechts weigeren in verband met de technische of financiële capaciteiten waarover de uitvoerder aardwarmte beschikt.

4.

Onze Minister beslist op een aanvraag om een instemming binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Onze Minister kan de termijn eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.

5.

Onze Minister kan aan de instemming met de uitvoerder aardwarmte voorschriften of beperkingen verbinden in verband met de technische en financiële capaciteiten waarover de uitvoerder aardwarmte beschikt.

6.

Onze Minister kan de instemming, bedoeld in het derde lid, wijzigen of intrekken indien de uitvoerder aardwarmte niet meer in staat is feitelijke werkzaamheden op een verantwoorde wijze uit te voeren.

7.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

  • a. de aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid;
  • b. de instemming, bedoeld in het derde lid;
  • c. een aanvraag om een instemming als bedoeld in het vierde lid;
  • d. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vijfde lid;
  • e. het wijzigen of intrekken van de instemming, bedoeld in het zesde lid.
Artikel 24aa

Indien meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon een startvergunning aardwarmte houdt, worden zij gezamenlijk als houder van een startvergunning aardwarmte beschouwd.

Artikel 24ab
1.

Onze Minister kan op aanvraag van een houder van een startvergunning aardwarmte een startvergunning aardwarmte wijzigen of intrekken.

2.

Onze Minister kan een startvergunning aardwarmte wijzigen of intrekken:

  • a. indien de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens of omstandigheden volledig bekend waren geweest;
  • b. indien dat wordt gerechtvaardigd door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake:
  • 1°. de veiligheidsrisico’s voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
  • 2°. het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de wijze van opsporen en winnen;
  • 3°. de financiële mogelijkheden van de houder om de kosten in verband met de opsporing en winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de artikelen 46 en 47, ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, te dragen en om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen;
  • c. indien er niet langer een uitvoerder aardwarmte is waarmee Onze Minister heeft ingestemd;
  • d. indien niet overeenkomstig de startvergunning aardwarmte is of wordt gehandeld.
3.

Onze Minister beslist op een aanvraag om wijziging of intrekking van een startvergunning aardwarmte binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 24ac

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

  • a. het splitsen van een startvergunning aardwarmte, waardoor twee of meer startvergunningen aardwarmte voor twee of meer gebieden ontstaan;
  • b. het samenvoegen van delen van twee of meer startvergunningen aardwarmte, waardoor een startvergunning aardwarmte voor een gebied ontstaat.
Artikel 24ad
1.

Een houder van een startvergunning aardwarmte kan deze slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. Onze Minister kan aan een toestemming voorschriften of beperkingen verbinden.

2.

Een verzoek om overdracht gaat vergezeld van de informatie, bedoeld in artikel 24o, eerste lid, onderdeel g.

3.

Artikel 24t, tweede lid, aanhef en onderdeel e, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Indien de houder van een startvergunning aardwarmte een deel van zijn startvergunning aardwarmte op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de startvergunning aardwarmte als bedoeld in artikel 24ac, onderdeel a.

Artikel 24ae

Onze Minister verleent op aanvraag een vervolgvergunning aardwarmte aan de houder van een startvergunning aardwarmte voor het gebied of een gedeelte daarvan waarop de startvergunning aardwarmte ziet.

Artikel 24af
1.

Een aanvraag voor een vervolgvergunning aardwarmte gaat vergezeld van een beschrijving van:

  • a. de aardlaag en de begrenzing ervan waar de aanvrager aardwarmte wint;
  • b. de verwachte exploitatieduur;
  • c. de verwachte invloedssfeer van de winning en de verwachte afkoeling;
  • d. indien van toepassing, wijziging ten opzichte van de startvergunning aardwarmte in de wijze waarop de aanvrager voornemens is aardwarmte te winnen en de wijze waarop hij zijn put heeft ingericht;
  • e. de gemeten en nog te verwachten bodembeweging ten gevolge van de winning;
  • f. indien dit nodig is gelet op de nog te verwachten bodembeweging:
  • 1°. de veiligheidsrisico’s voor omwonenden, het risico op schade aan gebouwen of infrastructurele werken of het risico op verstoring van de functionaliteit daarvan,
  • 2°. de maatregelen die worden genomen om bodembeweging te voorkomen of te beperken;
  • 3°. de maatregelen die worden genomen om de schade door bodembeweging te voorkomen of te beperken;
  • g. indien van toepassing, wijziging ten opzichte van de startvergunning aardwarmte in de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten in verband met de winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de artikelen 46 en 47, ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, te dragen;
  • h. de wijze waarop de aanvrager voornemens is om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens de looptijd van de vervolgvergunning of na afloop hiervan te dragen.
2.

Indien een nieuwe uitvoerder aardwarmte wordt aangewezen, gaat de aanvraag voor een vervolgvergunning aardwarmte vergezeld van een verzoek om instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte als bedoeld in artikel 24z, derde lid.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag.

Artikel 24ag
1.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake een aanvraag om een vervolgvergunning aardwarmte indien de verlening van de vervolgvergunning aardwarmte ten opzichte van de startvergunning aardwarmte leidt tot een significant:

  • a. nadeliger gevolg voor het milieu als gevolg van de wijze van winning;
  • b. nadeliger effect van de bodembeweging ten gevolge van de winning;
  • c. groter risico voor omwonenden of grotere schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan.
2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 24ah
1.

Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincie en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen wier grondgebied het gebied waarop de aanvraag voor een vervolgvergunning aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.

2.

Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincie en het dagelijks bestuur van waterschappen binnen wier grondgebied het gebied waarop de aanvraag voor een vervolgvergunning aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit.

3.

Indien Onze Minister voornemens is af te wijken van het advies van gedeputeerde staten van de provincie met het oog op het beheer van grondwater met het oog op de winning van drinkwater, bedoeld in het eerste lid, of het advies van gedeputeerde staten van de provincie met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit, bedoeld in het tweede lid, informeert Onze Minister Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 24ai
1.

Onze Minister beslist op een aanvraag om een vervolgvergunning aardwarmte binnen twaalf weken na de ontvangst van de aanvraag.

2.

Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.

3.

Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, beslist Onze Minister, in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht en het eerste lid, op een aanvraag om een vervolgvergunning aardwarmte binnen 32 weken na de ontvangst daarvan.

4.

Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het derde lid, eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.

5.

Van een beschikking tot verlening van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 24aj
1.

Een aanvraag om vervolgvergunning aardwarmte wordt geheel of gedeeltelijk afgewezen indien:

  • a. de in de aanvraag beschreven winning onaanvaardbare risico’s met zich brengt voor de veiligheid van omwonenden of onaanvaardbare schade kan veroorzaken aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
  • b. geen financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de artikelen 46 en 47, kan worden gesteld ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater.
2.

Een vervolgvergunning aardwarmte kan geheel of gedeeltelijk worden afgewezen:

  • a. indien de in de aanvraag aangeduide wijze van winning niet geschikt wordt geacht om reden van de nadelige gevolgen voor het milieu;
  • b. indien de invloedssfeer niet aansluit bij de door de aanvrager aangegeven aardlaag en de begrenzing ervan;
  • c. in verband met de financiële mogelijkheden van de aanvrager om alle kosten in verband met de winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, te dragen;
  • d. in verband met de financiële mogelijkheden van de aanvrager om de kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens de looptijd van of na afloop van de vervolgvergunning te dragen.
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 24ak

In een vervolgvergunning aardwarmte wordt bepaald voor welk tijdvak zij geldt en voor welke aardlaag en begrenzing daarvan zij geldt.

Artikel 24al
1.

Indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, verbindt Onze Minister aan een vervolgvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen in verband met het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de artikelen 46 en 47, ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte.

2.

Onze Minister verbindt aan een vervolgvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen in verband met het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de wijze van winning en de wijze waarop de putintegriteit wordt geborgd.

3.

Onze Minister kan aan een vervolgvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen verbinden in verband met:

  • a. de veiligheid van omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
  • b. het belang van de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen;
  • c. de financiële mogelijkheden van de aanvrager om de kosten in verband met de winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, te dragen;
  • d. de financiële mogelijkheden van de aanvrager om de kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de vervolgvergunning te dragen.
4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld inzake de gronden, bedoeld in het tweede lid, en kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het eerste en derde lid.

Artikel 24am
1.

Een vervolgvergunning aardwarmte geldt ook voor delfstoffen die onvermijdelijk meekomen met de winning van aardwarmte, maar niet voor delfstoffen die zelfstandig economisch winbaar zijn.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de zelfstandige economische winbaarheid van meekomende delfstoffen.

Artikel 24an

Indien meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon een vervolgvergunning aardwarmte houden, worden zij gezamenlijk als houder van een vervolgvergunning aardwarmte beschouwd.

Artikel 24ao
1.

Onze Minister kan op aanvraag van een houder van een vervolgvergunning aardwarmte een vervolgvergunning aardwarmte wijzigen of intrekken.

2.

Onze Minister kan een vervolgvergunning aardwarmte wijzigen of intrekken:

  • a. indien de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
  • b. indien dat wordt gerechtvaardigd door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake:
  • 1°. de wijze waarop de houder aardwarmte wint;
  • 2°. de veiligheid van omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
  • 3°. de financiële mogelijkheden van de houder om de kosten in verband met de winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de artikelen 46 en 47, ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, te dragen en om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de vervolgvergunning te dragen.
  • c. in verband met de nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de wijze van winning;
  • d. indien er niet langer een uitvoerder aardwarmte is waarmee Onze Minister heeft ingestemd;
  • e. indien de houder definitief gestopt is met het winnen van aardwarmte;
  • f. indien niet overeenkomstig de vergunning is of wordt gehandeld.
3.

Onze Minister beslist op een aanvraag om wijziging of intrekking van vervolgvergunning aardwarmte binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld inzake de gronden, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 24ap

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

  • a. het splitsen van een vervolgvergunning aardwarmte, waardoor twee of meer vervolgvergunningen aardwarmte voor twee of meer gebieden ontstaan;
  • b. het samenvoegen van delen van twee of meer vervolgvergunningen aardwarmte, waardoor een vervolgvergunning aardwarmte voor een gebied ontstaat.
Artikel 24aq
1.

De houder van een vervolgvergunning aardwarmte kan deze slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden of een toestemming kan onder beperkingen worden verleend.

2.

Een verzoek om overdracht gaat vergezeld van de informatie, bedoeld in artikel 24af, eerste lid, onderdeel g en h.

3.

Artikel 24aj, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en d, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Indien de houder van een vergunning een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de vergunning als bedoeld in artikel 24ap.

Hoofdstuk 3. Vergunningen voor het opslaan van stoffen en voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen

§ 3.1. Algemene bepalingen

§ 3.2. Aanvullende bepalingen omtrent het permanent opslaan van CO2

Hoofdstuk 3a. Gebiedsverkleining

Hoofdstuk 4. De zorg voor een goede uitvoering van activiteiten

§ 4.1a.1.1. Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie

§ 4.1a.1.2. Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie

§ 4.1a.1.3. Overige documenten

§ 4.1a.2. Kennisgevingen

§ 4.2. Financiële zekerheid

§ 4.3. Verdere regels

Hoofdstuk 4a. Bijzondere regels voor het Groningenveld

Hoofdstuk 5. Financiële bepalingen

§ 5.1.1.1. Algemeen

§ 5.1.1.4. Winstaandeel

Afdeling 5.1.2. Afdrachten aan de provincie

Afdeling 5.2. Deelneming in opsporing en winning van koolwaterstoffen of aardwarmte en andere taken en activiteiten van de aangewezen vennootschap

Artikel 86a
1.

De houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte en de op grond van artikel 82, tweede lid, aangewezen vennootschap brengen een overeenkomst tot stand gericht op deelname door die aangewezen vennootschap in de voorgenomen werkzaamheden voor opsporing en winning van aardwarmte, tenzij Onze Minister bepaalt dat deze verplichting niet geldt.

2.

De overeenkomst wordt gesloten binnen een jaar na de verlening van de toewijzing zoekgebied aardwarmte. Onze Minister kan deze termijn eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.

3.

De overeenkomst en wijzigingen daarin behoeven de instemming van Onze Minister.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de deelname en de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 5.3. Afdrachten in verband met andere vergunningen dan die tot het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen of aardwarmte

Afdeling 5.4. Het stellen van zekerheid

Afdeling 5.5. Uitvoeringsregels

Afdeling 5.6. Wetenschappelijk onderzoek

Hoofdstuk 6. De Mijnraad

§ 6.1. De Mijnraad

§ 6.2. De Technische commissie bodembeweging

§ 6.3. Overige adviseurs

Hoofdstuk 7. Rapportage

Hoofdstuk 8. Toezicht, handhaving en retributies

Hoofdstuk 9. Waarborgfonds mijnbouwschade

§ 9.2. Schadevergoeding bij insolventie

Hoofdstuk 9a. Projectbesluit voor de aanleg of uitbreiding van mijnbouwwerken en pijpleidingen ten behoeve van de winning van koolwaterstoffen en de opslag van stoffen

Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten

§ 12.1. Ministerie van Economische Zaken

§ 12.2. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

§ 12.3. Ministerie van Justitie

§ 12.4. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

§ 12.5. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Bijlage. bij de artikelen 31d, 41, 45b, 45e, 46, 54, 134, 135, 142 en 145

De lijn, bedoeld in de artikelen 31d, tweede lid, 41, derde lid, 45b, tweede lid, 45e, tweede lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, eerste lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, gevormd door de bogen van grootcirkels in de volgorde tussen de punten, bedoeld op de kaart die in de tabel zijn uitgedrukt in geografische coördinaten berekend volgens het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323):

Puntnummer Noorderbreedte (NB) Oosterlengte (OL)
I 51° 26'.04 N 003° 18'.44 E
II 51° 29'.26 N 003° 19'.92 E
III 51° 29'.95 N 003° 20'.24 E
IV 51° 35'.55 N 003° 23'.24 E
V 51° 36'.98 N 003° 27'.15 E
VI 51° 39'.95 N 003° 30'.53 E
VII 51° 44'.15 N 003° 35'.32 E
VIII 51° 47'.27 N 003° 39'.92 E
IX 51° 49'.95 N 003° 43'.28 E
X 51° 52'.39 N 003° 49'.56 E
XI 51° 59'.96 N 003° 53'.98 E
XII 52° 02'.28 N 003° 59'.92 E
XIII 52° 02'.52 N 004° 04'.45 E
XIV 52° 09'.95 N 004° 14'.74 E
XV 52° 14'.49 N 004° 19'.92 E
XVI 52° 19'.95 N 004° 24'.14 E
XVII 52° 25'.73 N 004° 28'.24 E
XVIII 52° 28'.54 N 004° 27'.16 E
XIX 52° 29'.95 N 004° 29'.26 E
XX 52° 30'.86 N 004° 30'.60 E
XXI 52° 39'.95 N 004° 32'.86 E
XXII 52° 44'.15 N 004° 33'.62 E
XXIII 52° 49'.95 N 004° 36'.16 E
XXIV 52° 53'.95 N 004° 37'.92 E
XXV 52° 57'.07 N 004° 34'.56 E
XXVI 52° 59'.96 N 004° 34'.58 E
XXVII 53° 01'.90 N 004° 37'.64 E
XXVIII 53° 06'.45 N 004° 39'.92 E
XXIX 53° 09'.95 N 004° 43'.62 E
XXX 53° 16'.15 N 004° 48'.95 E
XXXI 53° 19'.27 N 004° 56'.12 E
XXXII 53° 19'.95 N 004° 58'.90 E
XXXIII 53° 20'.20 N 004° 59'.92 E
XXXIV 53° 24'.01 N 005° 03'.51 E
XXXV 53° 25'.16 N 005° 08'.02 E
XXXVI 53° 27'.61 N 005° 19'.92 E
XXXVII 53° 29'.96 N 005° 31'.42 E
XXXVIII 53° 32'.10 N 005° 39'.92 E
XXXIX 53° 30'.72 N 005° 45'.21 E
XXXX 53° 31'.51 N 005° 59'.92 E
XXXXI 53° 33'.56 N 006° 15'.95 E
XXXXII 53° 34'.78 N 006° 19'.92 E
XXXXIII 53° 36'.26 N 006° 24'.76 E

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 167o

Het bepaalde bij of krachtens paragraaf 6.2 en artikel 139 eerste lid, zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel H, van de Wet van 17 april 2024, houdende wijziging van de Gaswet en de Mijnbouwwet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld (Stb. 2024, 95), blijft van toepassing op adviezen die voorafgaand aan het moment van die inwerkingtreding aan de Technische commissie bodembeweging zijn gevraagd.

Artikel 167p
1.

Artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing op een winningsplan dat voor de datum van inwerkingtreding van dat onderdeel is ingediend.

2.

Artikel 36, vierde en vijfde lid, is niet van toepassing op een winningsplan, een gewijzigd winningsplan of een geactualiseerd winningsplan dat door de houder van een winningsvergunning op grond van artikel 34 bij Onze Minister is ingediend en waarmee nog niet is ingestemd voor de datum van inwerkingtreding van die artikelleden.

Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten

§ 12.1. Ministerie van Economische Zaken

§ 12.2. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

§ 12.3. Ministerie van Justitie

§ 12.4. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

§ 12.5. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

Bijlage. bij de artikelen 31d, 41, 45b, 45e, 46, 54, 134, 135, 142 en 145

De lijn, bedoeld in de artikelen 31d, tweede lid, 41, derde lid, 45b, tweede lid, 45e, tweede lid, 46, vijfde lid, 54, onderdelen d en e, 134, tweede lid, 135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°, 142, eerste lid, en 145, tweede lid, onderdeel a, is de lijn, gevormd door de bogen van grootcirkels in de volgorde tussen de punten, bedoeld op de kaart die in de tabel zijn uitgedrukt in geografische coördinaten berekend volgens het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323):

Puntnummer X-geografisch Y-geografisch
I 51° 26'.04 N 003° 18'.44 E
II 51° 29'.26 N 003° 19'.92 E
III 51° 29'.95 N 003° 20'.24 E
IV 51° 35'.55 N 003° 23'.24 E
V 51° 36'.98 N 003° 27'.15 E
VI 51° 39'.95 N 003° 30'.53 E
VII 51° 44'.15 N 003° 35'.32 E
VIII 51° 47'.27 N 003° 39'.92 E
IX 51° 49'.95 N 003° 43'.28 E
X 51° 52'.39 N 003° 49'.56 E
XI 51° 59'.96 N 003° 53'.98 E
XII 52° 02'.28 N 003° 59'.92 E
XIII 52° 02'.52 N 004° 04'.45 E
XIV 52° 09'.95 N 004° 14'.74 E
XV 52° 14'.49 N 004° 19'.92 E
XVI 52° 19'.95 N 004° 24'.14 E
XVII 52° 25'.73 N 004° 28'.24 E
XVIII 52° 28'.54 N 004° 27'.16 E
XIX 52° 29'.95 N 004° 29'.26 E
XX 52° 30'.86 N 004° 30'.60 E
XXI 52° 39'.95 N 004° 32'.86 E
XXII 52° 44'.15 N 004° 33'.62 E
XXIII 52° 49'.95 N 004° 36'.16 E
XXIV 52° 53'.95 N 004° 37'.92 E
XXV 52° 57'.07 N 004° 34'.56 E
XXVI 52° 59'.96 N 004° 34'.58 E
XXVII 53° 01'.90 N 004° 37'.64 E
XXVIII 53° 06'.45 N 004° 39'.92 E
XXIX 53° 09'.95 N 004° 43'.62 E
XXX 53° 16'.15 N 004° 48'.95 E
XXXI 53° 19'.27 N 004° 56'.12 E
XXXII 53° 19'.95 N 004° 58'.90 E
XXXIII 53° 20'.20 N 004° 59'.92 E
XXXIV 53° 24'.01 N 005° 03'.51 E
XXXV 53° 25'.16 N 005° 08'.02 E
XXXVI 53° 27'.61 N 005° 19'.92 E
XXXVII 53° 29'.96 N 005° 31'.42 E
XXXVIII 53° 32'.10 N 005° 39'.92 E
XXXIX 53° 30'.72 N 005° 45'.21 E
XXXX 53° 31'.51 N 005° 59'.92 E
XXXXI 53° 33'.56 N 006° 15'.95 E
XXXXII 53° 34'.78 N 006° 19'.92 E
XXXXIII 53° 36'.26 N 006° 24'.76 E

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 7. Rapportage

Hoofdstuk 8. Toezicht, handhaving en retributies

Hoofdstuk 9. Waarborgfonds mijnbouwschade

§ 9.3. Voorschotten

Hoofdstuk 9a. Projectbesluit voor de aanleg of uitbreiding van mijnbouwwerken en pijpleidingen ten behoeve van de winning van koolwaterstoffen en de opslag van stoffen

Hoofdstuk 10. Rechtsbescherming

Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten

§ 12.1. Ministerie van Economische Zaken

§ 12.2. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

§ 12.3. Ministerie van Justitie

§ 12.4. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

§ 12.5. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Hoofdstuk 13. Slotbepalingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)