Regeling houdende nadere regels met betrekking tot de veiligheid en certificering van in Nederland geregistreerde zeeschepen, alsmede regels met betrekking tot de veiligheid van buitenlandse schepen in Nederlandse wateren (Regeling veiligheid zeeschepen)
Ministeriële besluiten op grond van het eerste lid worden bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 62. Wijzigingen van richtlijnen
Een wijziging van een op grond van deze regeling toepasselijke richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type, waarop als gevolg van de inwerkingtreding van een uitvoeringsverordening scheepsuitrusting de voorschriften van richtlijn 2014/90/EU van toepassing zijn geworden, mag in afwijking van artikel 33 nog gedurende een termijn van drie jaar, gerekend vanaf die dag van inwerkingtreding aan boord van schepen worden geplaatst, mits zij voor die dag werd vervaardigd en ook de typegoedkeuring voor die dag werd verleend.
Artikel 63. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005, met uitzondering van de artikelen 4, derde lid, 5, tweede lid, en 6, tweede lid, die in werking treden op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt.
Artikel 64. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veiligheid zeeschepen.
Bijlage 1
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 1
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 1. Toepassing op vissersvaartuigen
Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
Artikel 2. Benodigde medische uitrusting
Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.
Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.
De in de kolommen A tot en met E genoemde hoeveelheden gelden voor schepen met een gemonsterde bemanning tot en met 15 personen. Bij een bemanningssterkte van meer dan 15 personen, worden deze hoeveelheden voor elke volgende groep van ten hoogste 15 personen steeds met honderd procent vermeerderd, met dien verstande dat daarbij de in de tabellen vermelde maximumhoeveelheden niet behoeven, en voor de receptplichtige middelen ook niet mogen, worden overschreden.
Artikel 3. Inhoud medicijnkisten aan boord van reddingsboten e.d.
De tot de uitrusting van reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten behorende medicijnkisten bevatten de in kolom R van de tabellen 1 en 2 voorgeschreven middelen.
De tot de uitrusting van reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten behorende medicijnkisten bevatten de in kolom R van de tabellen 1 en 2 voorgeschreven middelen.
Artikel 4. Bewaren van de medische uitrusting
De in artikel 2 bedoelde medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.
De in artikel 2 bedoelde medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.
Artikel 5. Levering en verpakking van geneesmiddelen en antidota
De geneesmiddelen en antidota worden afgenomen bij een apotheker, hetgeen moet blijken uit een merk op de verpakking.
De geneesmiddelen en antidota worden afgenomen bij een apotheker, hetgeen moet blijken uit een merk op de verpakking.
Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
Artikel 6. Jaarlijkse inspectie medische uitrusting
De jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting vindt plaats voorafgaand aan de onderzoeken waaraan het schip wordt onderworpen in verband met de voor dat schip benodigde certificaten. De inspectie heeft geen betrekking op de in artikel 3 bedoelde medische uitrusting voor reddingsvlotten.
Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.
De in de kolommen A tot en met E genoemde hoeveelheden gelden voor schepen met een gemonsterde bemanning tot en met 15 personen. Bij een bemanningssterkte van meer dan 15 personen, worden deze hoeveelheden voor elke volgende groep van ten hoogste 15 personen steeds met honderd procent vermeerderd, met dien verstande dat daarbij de in de tabellen vermelde maximumhoeveelheden niet behoeven, en voor de receptplichtige middelen ook niet mogen, worden overschreden.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 7a. Veiligheidsmanagementcertificaat (EU)
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing op passagiersschepen als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van verordening (EG) 336/2006, vrachtschepen van 500 GT of meer en verplaatsbare offshore booreenheden van 500 GT of meer voor zover deze schepen gebruikt worden voor nationale reizen.
Het eerste lid is niet van toepassing op de volgende schepen:
- a. voor andere dan handelsdoeleinden gebruikte overheidsschepen;
- b. schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voorstuwing, houten schepen met een primitieve constructie en pleziervaartuigen, tenzij zij een bemanning hebben of zullen hebben en meer dan twaalf passagiers voor handelsdoeleinden vervoeren;
- c. andere passagiersschepen dan ro-ro-passagiersveerboten als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van verordening (EG) 336/2006, varend in de zeegebieden van klasse C en D als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG.
§ 2. Onderzoeken
§ 3. Afgifte en geldigheid van certificaten
Hoofdstuk 3. Eisen aan schip en bedrijfsvoering
§ 1. Eisen aan schepen
§ 2. Eisen aan de bedrijfsvoering over schepen
§ 3. Toelatingseisen voor scheepsuitrusting
§ 4. Vrijstellingen
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de kapitein
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. Vrijstellingen
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de kapitein
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Bijlage 2. Medische uitrusting
Artikel 1. Toepassing op vissersvaartuigen
Voor de toepassing van deze bijlage wordt met de kapitein van een schip gelijkgesteld de schipper van een vissersvaartuig.
Artikel 2. Benodigde medische uitrusting
In afwijking van het tweede lid behoeven bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen de in de tabellen 1 en 2 genoemde hoeveelheden slechts met vijftig procent te worden vermeerderd. Indien de in de tabellen genoemde hoeveelheid van een middel één bedraagt, behoeft deze hoeveelheid bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen niet te worden vermeerderd.
Artikel 3. Inhoud medicijnkisten aan boord van reddingsboten e.d.
De in kolom R genoemde hoeveelheden gelden per 50 personen, met uitzondering van het middel tegen zeeziekte, waarvoor de per persoon benodigde hoeveelheden zijn vermeld.
Artikel 4. Bewaren van de medische uitrusting
Onder de Opiumwet vallende preparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een kluis, waarvan de sleutel berust bij de kapitein of bij de schepeling aan wie de kapitein het gebruik en beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.
Artikel 5. Levering en verpakking van geneesmiddelen en antidota
Voor de toepassing van deze bijlage wordt met de kapitein van een schip gelijkgesteld de schipper van een vissersvaartuig.
Artikel 2. Benodigde medische uitrusting
In afwijking van het tweede lid behoeven bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen de in de tabellen 1 en 2 genoemde hoeveelheden slechts met vijftig procent te worden vermeerderd. Indien de in de tabellen genoemde hoeveelheid van een middel één bedraagt, behoeft deze hoeveelheid bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen niet te worden vermeerderd.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 3a. Nationaal veiligheidscertificaat
Een nationaal veiligheidscertificaat is benodigd voor de volgende categorieën schepen:
- a. een vrachtschip van minder dan 500 GT met een lengte van 24 meter of meer, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel c;
- b. een vrachtschip met een lengte van minder dan 24 meter, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel c;
- c. een schip dat niet van middelen tot werktuiglijke voortstuwing is voorzien;
- d. een vrachtschip van 500 GT of meer, uitsluitend bestemd en gebruikt voor nationale reizen;
- e. een passagiersschip waarmee uitsluitend nationale reizen binnen de Caribische handelszone worden ondernomen;
- f. een offshoredienstschip met een lengte van minder dan 24 meter met ten hoogste 36 personen aan boord;
- g. een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 24 meter met ten hoogste 36 personen aan boord.
Op het nationaal veiligheidscertificaat is in ieder geval opgenomen:
- a. categorie waartoe het schip op grond van het eerste lid behoort;
- b. datum van afgifte van het certificaat;
- c. plaats van afgifte van het certificaat;
- d. vervaldatum van het certificaat;
- e. naam van het schip;
- f. hoofdafmetingen en geïnstalleerd motorvermogen van het schip;
- g. verklaring dat onderzoeken aan het schip overeenkomstig artikel 15 van het besluit zijn uitgevoerd en het schip aan de van toepassing zijnde eisen van het besluit en deze regeling voldoet.
Het nationaal veiligheidscertificaat gaat vergezeld van een uitrustingsrapport en indien van toepassing, een uitwateringschema.
Het eerste lid is tevens van toepassing op Caribisch-Nederlandse vrachtschepen met een lengte van minder dan 12 meter.
Artikel 5a. Certificaat voor offshore bevoorradings- en ondersteuningsschepen (IMO)
Voor een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82) is het bij die resolutie behorende certificaat benodigd.
Voor een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.1122(30) is het bij die resolutie behorende certificaat benodigd.
Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5b. Certificaat van overeenstemming (LY2-Code en LY3-Code)
Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12a is gekozen voor de toepassing van de LY2-Code, die als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd, is een certificaat van overeenstemming als bedoeld in de LY2-Code benodigd.
Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12a is gekozen voor de toepassing van de LY3-Code, die als bijlage 7 bij deze regeling is gevoegd, is een certificaat van overeenstemming als bedoeld in de LY3-Code benodigd.
Voor een schip als bedoeld in artikel 6 van het besluit treedt het certificaat van overeenstemming in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
§ 2. Onderzoeken
Artikel 9a. Onderzoeken van schepen waarvoor een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is
Een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, c, e, f of g, wordt ter verkrijging van het nationaal veiligheidscertificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de volgende onderzoeken:
- a. een eerste onderzoek;
- b. een tussentijds of periodiek onderzoek;
- c. een hernieuwd onderzoek in verband met vernieuwing van het certificaat;
- d. een onderzoek van de romp aan de buitenzijde;
- e. een onderzoek in verband met herstellingen en vernieuwingen aan het schip.
De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, omvatten het volgende:
- a. het in onderdeel a, b of c bedoelde onderzoek is een volledig onderzoek van de constructie van de romp, de waterdichte afsluiting, de werktuigen inclusief de stuurinrichting, de elektrische installatie, de navigatie- en radio-uitrusting, de redding-, brandblus- en veiligheidsmiddelen, de lichten en overige middelen ter voorkoming van aanvaringen;
- b. het in onderdeel e bedoelde onderzoek wordt uitgevoerd nadat een ongeval heeft plaatsgehad of een onvolkomenheid is ontdekt waardoor twijfel is ontstaan of het schip nog geschikt is voor een veilige vaart en in verband hiermee herstellingen zijn uitgevoerd.
Artikel 9b. Onderzoeken van offshore bevoorradings- en ondersteuningsschepen (IMO)
Een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82), onderscheidenlijk een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie A.1122(30) wordt ter verkrijging van de voor die schepen benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan onderzoeken ter vaststelling dat is voldaan aan de in de resoluties opgenomen richtlijnen.
Artikel 12a. Onderzoeken op grond van de LY2-Code en LY3-Code
De eigenaar van een beroepsmatig gebruikt, zeegaand schip met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers, kan ervoor kiezen het betreffende schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de LY3-Code, met uitzondering van de hoofdstukken 16.8, 21, 22 en 26 van deze Code.
De eigenaar van een beroepsmatig gebruikt, zeegaand schip van minder dan 3.000 GT met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat gebouwd is vóór 1 januari 2018 en dat ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer van niet meer dan 12 passagiers, kan er tevens voor kiezen het betreffende schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de LY2-Code, met uitzondering van de hoofdstukken 16.2.7, 21, 22 en 26 van deze Code.
Bij toepassing van de LY2-Code dan wel de LY3-Code strekken de in de artikelen 13 tot en met 15 van het besluit bedoelde onderzoeken er mede toe om na te gaan of aan de eisen van die Codes is voldaan.
§ 3. Afgifte en geldigheid van certificaten
Hoofdstuk 3. Eisen aan schip en bedrijfsvoering
§ 1. Eisen aan schepen
Artikel 18a. Eisen aan schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c
De eisen, bedoeld in paragraaf 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage 3, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c,
- a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten voor 1 januari 2018; of
- b. waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, voor 1 juli 2018 ligt, of
- c. waarvan de opleverdatum voor 1 januari 2021 ligt.
De eisen, bedoeld in paragraaf 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage 3a, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en c:
- a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2018, of
- b. waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, op of na 1 juli 2018 ligt; of
- c. waarvan de opleverdatum op of na 1 januari 2021 ligt.
Artikel 18b. Eisen aan offshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f
De eisen, bedoeld in paragraaf 1 van bijlage 3c, zijn van toepassing op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f:
- a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 15 december 2019;
- b. waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de bouwdatum als bedoeld in artikel 2, op of na 15 december 2019 ligt; of
- c. waarvan de opleverdatum op of na 15 december 2019 ligt.
§ 2. Eisen aan de bedrijfsvoering over schepen
§ 3. Toelatingseisen voor scheepsuitrusting
§ 3. Toelatingseisen voor scheepsuitrusting
Artikel 37a. Vrijstelling voor bepaalde schepen ten aanzien van het standaard en reserve magnetisch kompas en kompaspeiltoestel
Op schepen van minder dan 150 GT die nationale of internationale reizen maken en schepen van minder dan 500 GT die nationale reizen maken, zijn het standaard magnetisch kompas en het kompaspeiltoestel of hun alternatieve voorziening vrijgesteld van de eis onafhankelijk te zijn van elke elektrische krachtbron opgenomen in voorschrift 19.2.1.1, onderscheidenlijk 19.2.1.2 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, mits deze voorzieningen ten minste onafhankelijk zijn van de elektrische hoofdkrachtbron.
Schepen van 150 GT of meer, doch minder dan 500 GT, die nationale reizen maken, zijn vrijgesteld van de eis voorzien te zijn van een reserve magnetisch kompas opgenomen in voorschrift 19.2.2.1 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, mits een tweede kompas vast is opgesteld.
Artikel 37b. Vrijstellingen voor schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel a
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, zijn vrijgesteld van de eisen van de volgende voorschriften van het SOLAS-verdrag:
- a. met betrekking tot Hoofdstuk II-1:
- 1°. voorschrift 3-2;
- 2°. het hebben van de machinekamertelegraaf opgenomen in voorschrift 37;
- 3°. de tijdsduur van 18 uur als bedoeld in de voorschriften 43.2.2, 43.2.3 en 43.2.4, mits gedurende ten minste 6 uur genoemde ruimten en voorzieningen van energie kunnen worden voorzien;
- 4°. voorschrift 43.2.5, 43.2.6.1 en 43.2.6.2;
- 5°. voorschrift 43.3.1.2 en 43.3.1.3;
- 6°. voorschrift 43.3.3, 43.3.4 en 43.4;
- b. met betrekking tot Hoofdstuk II-2:
- 1°. voorschrift 10.2.2.3.3;
- 2°. voorschrift 10.2.3.3.3, mits is voorzien in een straalpijp waarmee de in voorschrift 10.2.1.6 genoemde druk kan worden gehandhaafd en een straal water, waarbij slechts gebruik wordt gemaakt van één slanglengte;
- 3°. voorschrift 10.10, mits ten minste één brandweerbijl aanwezig is;
- 4°. voorschrift 13.3.4 en voorschrift 13.4.3;
- c. met betrekking tot Hoofdstuk III:
- 1°. voorschrift 31.2 met betrekking tot het hebben van een hulpverleningsboot, mits alternatieve voorzieningen zijn getroffen om een drenkeling binnen 15 minuten horizontaal binnenboord te brengen;
- 2°. voorschrift 32.1.1 met betrekking tot de verplichte hoeveelheid reddingboeien aan boord, mits er niet minder dan 3 reddingboeien aan boord zijn waarvan ten minste 1 met lijn en 1 met licht.
Artikel 39a. Vrijstellingen op grond van LY2-Code
Vervallen
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
§ 2. Eisen aan de bedrijfsvoering over schepen
§ 2. Vrijstellingen
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de kapitein
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de kapitein
Bijlage 1
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 2
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 3
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 4
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 5. Medische uitrusting
Artikel 1. Toepassing op vissersvaartuigen
Artikel 3. Inhoud medicijnkisten aan boord van reddingsboten e.d.
De tot de uitrusting van reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten behorende medicijnkisten bevatten de in kolom R van de tabellen 1 en 2 voorgeschreven middelen.
De in kolom R genoemde hoeveelheden gelden per 50 personen, met uitzondering van het middel tegen zeeziekte, waarvoor de per persoon benodigde hoeveelheden zijn vermeld.
Artikel 1. Toepassing op vissersvaartuigen
Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
Voor de toepassing van deze bijlage wordt met de kapitein van een schip gelijkgesteld de schipper van een vissersvaartuig.
Artikel 2. Benodigde medische uitrusting
Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.
De in de kolommen A tot en met E genoemde hoeveelheden gelden voor schepen met een gemonsterde bemanning tot en met 15 personen. Bij een bemanningssterkte van meer dan 15 personen, worden deze hoeveelheden voor elke volgende groep van ten hoogste 15 personen steeds met honderd procent vermeerderd, met dien verstande dat daarbij de in de tabellen vermelde maximumhoeveelheden niet behoeven, en voor de receptplichtige middelen ook niet mogen, worden overschreden.
In afwijking van het tweede lid behoeven bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen de in de tabellen 1 en 2 genoemde hoeveelheden slechts met vijftig procent te worden vermeerderd. Indien de in de tabellen genoemde hoeveelheid van een middel één bedraagt, behoeft deze hoeveelheid bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen niet te worden vermeerderd.
Artikel 3. Inhoud medicijnkisten aan boord van reddingsboten e.d.
De tot de uitrusting van reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten behorende medicijnkisten bevatten de in kolom R van de tabellen 1 en 2 voorgeschreven middelen.
De in kolom R genoemde hoeveelheden gelden per 50 personen, met uitzondering van het middel tegen zeeziekte, waarvoor de per persoon benodigde hoeveelheden zijn vermeld.
Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 59a
Vervallen
Artikel 59b
Vervallen
Artikel 59c
Vervallen
Artikel 59d
Vervallen
Artikel 59e
Vervallen
Artikel 59f
Vervallen
Artikel 59g
Vervallen
Artikel 59h
Vervallen
Hoofdstuk 6a. Schepen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Bijlage 1
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 1
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 2
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 3
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 4. Zeegebieden van de klassen A tot en met D, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 2009/45/EG (bijlage behorend bij artikel 19, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen)
Artikel 1. Toepassing op vissersvaartuigen
Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
Artikel 2. Benodigde medische uitrusting
Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.
Artikel 3. Inhoud medicijnkisten aan boord van reddingsboten e.d.
De tot de uitrusting van reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten behorende medicijnkisten bevatten de in kolom R van de tabellen 1 en 2 voorgeschreven middelen.
Artikel 1. Toepassing op vissersvaartuigen
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
§ 2. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling veiligheid zeeschepen
Schepen bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:
De in de kolommen A tot en met E genoemde hoeveelheden gelden voor schepen met een gemonsterde bemanning tot en met 15 personen. Bij een bemanningssterkte van meer dan 15 personen, worden deze hoeveelheden voor elke volgende groep van ten hoogste 15 personen steeds met honderd procent vermeerderd, met dien verstande dat daarbij de in de tabellen vermelde maximumhoeveelheden niet behoeven, en voor de receptplichtige middelen ook niet mogen, worden overschreden.
Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.
§ 1. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 41a. Vrijstellingen betreffende de veiligheid van navigatie
Wachtalarminstallaties op de brug, die voor 1 juli 2009 zijn geplaatst, zijn vrijgesteld van de eisen van resolutie MSC.128(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO, inhoudende uitvoeringsnormen betreffende de wachtalarminstallatie op de brug (Performance standards for a bridge navigational watch alarm system (BNWAS)) of daaraan gelijkwaardige uitvoeringsnormen.
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. Vrijstellingen
Hoofdstuk 6. Buitenlandse schepen in Nederlandse wateren
Hoofdstuk 6a. Schepen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Bijlage 5. Medische uitrusting
§ 1. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b
Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
Artikel 5. Levering en verpakking van geneesmiddelen en antidota
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
§ 2. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling veiligheid zeeschepen
De in kolom R genoemde hoeveelheden gelden per 50 personen, met uitzondering van het middel tegen zeeziekte, waarvoor de per persoon benodigde hoeveelheden zijn vermeld.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 5c. Certificaten op grond van CCSS-Code (CMOU)
Voor vrachtschepen ten aanzien waarvan op grond van artikel 12b voor toepassing van de CCSS-Code is gekozen, is het bij die Code behorende veiligheidscertificaat benodigd.
Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5d. Certificaten voor passagiersschepen op grond van SCV-Code (IMO)
Voor een passagiersschip waarmee internationale reizen worden ondernomen en ten aanzien waarvan op grond van artikel 12c voor toepassing van de SCV-Code is gekozen, is tezamen met een veiligheidscertificaat voor passagiersschepen een afschrift van de kennisgeving aan de IMO met betrekking tot de gelijkwaardigheid van de SCV-Code (notification of equivalency) benodigd.
Voor een passagiersschip waarmee nationale reizen worden ondernomen, is, indien ten aanzien van dat schip op grond van artikel 12c voor toepassing van de SCV-Code is gekozen, het SCV veiligheidscertificaat, behorend bij de SCV-Code, benodigd.
Voor een schip als bedoeld in het tweede lid treedt het certificaat van inspectie, behorend bij de SCV-Code, in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5e. Certificaten voor vrachtschepen op grond van SCV-Code (IMO)
Voor een vrachtschip van minder dan 24 meter waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen in de Caribische handelszone, is het SCV veiligheidscertificaat, behorend bij de SCV-Code, benodigd.
Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats van het nationaal veiligheidscertificaat.
§ 2. Onderzoeken
Artikel 12b. Onderzoeken op grond van CCSS-Code (CMOU)
De eigenaar van een vrachtschip, van minder dan 500 GT en met een lengte van 24 meter of meer, waarmee uitsluitend reizen worden ondernomen in de Caribische handelszone, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de voorschriften van de CCSS-Code.
Indien ten aanzien van een vrachtschip is gekozen voor toepassing van de CCSS-Code, treden de in die Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 15, eerste lid, van het besluit voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 12c. Onderzoeken van passagiersschepen op grond van SCV-Code (IMO)
De eigenaar van een passagiersschip met een lengte van minder dan 24 meter, waarmee uitsluitend reizen in de Caribische handelszone worden ondernomen, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de voorschriften van de SCV-Code.
Het eerste lid is niet van toepassing op schepen, gebruikt voor het vervoer van meer dan 150 passagiers, en schepen met nachtaccommodatie voor meer dan 50 passagiers.
Indien ten aanzien van een passagiersschip is gekozen voor toepassing van de SCV-Code, treden de in die Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14, eerste lid, of 15, eerste lid, van het besluit bedoelde onderzoeken.
Artikel 12d. Onderzoeken van vrachtschepen tot 24 m op grond van SCV-Code (IMO)
Een vrachtschip waarvoor het certificaat van inspectie, behorend bij de SCV-Code, benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in die Code voorgeschreven onderzoeken.
§ 3. Afgifte en geldigheid van certificaten
Hoofdstuk 3. Eisen aan schip en bedrijfsvoering
§ 3. Afgifte en geldigheid van certificaten
§ 2. Eisen aan de bedrijfsvoering over schepen
§ 3. Toelatingseisen voor scheepsuitrusting
Artikel 34a. Typegoedkeuringen voor scheepsuitrusting op Caribisch-Nederlandse schepen
Uitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een Caribisch-Nederlands schip, gelet op de op dat schip toepasselijk eisen, een typegoedkeuring vereist is, is van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type.
Onder uitrusting waarvoor een typegoedkeuring vereist is, wordt mede verstaan uitrusting als bedoeld in voorschrift V/18.7 van het SOLAS-verdrag.
Met uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type wordt gelijkgesteld uitrusting:
- a. die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016;
- b. met betrekking waartoe een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring is verleend door de bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten of van Canada, met inachtneming van de voor die goedkeuring opgestelde richtlijnen en standaarden van de IMO.
Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de desbetreffende uitrusting worden verbonden.
§ 4. Vrijstellingen
Artikel 41b. Vaart rond de eilanden van Caribisch-Nederland
Caribisch-Nederlandse schepen die niet buiten de gebiedsbegrenzingen, bedoeld in het tweede lid, worden gebracht zijn vrijgesteld van de bepalingen van de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het besluit en hoofdstuk 3 van deze regeling, mits voldaan wordt aan de eisen, bedoeld in bijlage 6.
De gebiedsbegrenzingen, bedoeld in het eerste lid zijn:
- a. voor Bonaire: het gebied, begrensd door de lijnen gaande van de meest oostelijke punt van Bonaire (68-12'W) in de richting zuid tot de parallel van 12-00' noorderbreedte, vandaar in de richting west tot de meridiaan van 68-17' westerlengte, vandaar in de richting 327 naar een punt op 12-15' noorderbreedte en 68-27' westerlengte, vandaar in de richting 022 naar een punt op 12-20' noorderbreedte en 68-25' westerlengte en vandaar in de richting van de vuurtoren Seroe Ventana.
- b. voor Sint Eustatius: het gebied, begrensd door de parallellen 17-27' en 17-33' noorderbreedte en de meridianen van 62-55' en 63-02' westerlengte;
- c. voor Saba: het gebied, begrensd door de parallellen van 17-35' en 17-41' noorderbreedte en de meridiaan van 63-11' en 63-17' westerlengte.
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. Vrijstellingen
Hoofdstuk 6. Buitenlandse schepen in Nederlandse wateren
Hoofdstuk 6a. Schepen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 62a. Overgangsrecht voor Caribisch-Nederlandse schepen
In afwijking van artikel 3a worden op een Caribisch-Nederlands schip waarvoor op grond van hoofdstuk 6a een certificaat van deugdelijkheid is afgegeven, de bepalingen van hoofdstuk 6a, zoals dat luidde tot 1 juli 2014, toegepast tot de geldigheidsduur van het certificaat op grond van artikel 59e afloopt.
Een Caribisch-Nederlands schip dat niet buiten de in artikel 41b, tweede lid, bedoelde gebiedsbegrenzingen wordt gebracht, is tot 1 september 2016 vrijgesteld van de in artikel 3a bedoelde verplichting alsmede de in bijlage 6 opgenomen eisen.
Bijlage 1
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 2
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 1
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 1
Vervallen
Bijlage 2
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 4. Bewaren van de medische uitrusting
Onder de Opiumwet vallende preparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een kluis, waarvan de sleutel berust bij de kapitein of bij de schepeling aan wie de kapitein het gebruik en beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.
Artikel 5. Levering en verpakking van geneesmiddelen en antidota
Voor de toepassing van deze bijlage wordt met de kapitein van een schip gelijkgesteld de schipper van een vissersvaartuig.
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:
Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.
Artikel 6. Jaarlijkse inspectie medische uitrusting
In afwijking van het tweede lid behoeven bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen de in de tabellen 1 en 2 genoemde hoeveelheden slechts met vijftig procent te worden vermeerderd. Indien de in de tabellen genoemde hoeveelheid van een middel één bedraagt, behoeft deze hoeveelheid bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen niet te worden vermeerderd.
De kapitein stelt bij de inspectie een controlelijst op met daarop de benamingen en codes van alle geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota die ingevolge deze bijlage aan boord van het schip zijn vereist, en vermeldt daarbij zowel de voorgeschreven hoeveelheden als de daadwerkelijk aan boord aanwezige hoeveelheden. In voorkomend geval wordt tevens de houdbaarheidsdatum van die middelen vermeld. De controlelijst vermeldt voorts de naam, de vlag en de thuishaven van het schip.
Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
Bijlage 2
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
§ 1. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
Bijlage 3a. behorende bij artikel 18a, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen
§ 3. Eisen ten aanzien van tijdelijk onbemande machinekamers voor schepen met een lengte van minder dan 24 meter en een totaal geïnstalleerd voortstuwingsvermogen van 750 kW of minder
Schepen met een totaal geïnstalleerd voortstuwingsvermogen van 750 kW of minder, voldoen aan de volgende eisen:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 44a. Methode berekening geverifieerde brutomassa van een beladen container ingevolge voorschrift 2, vierde lid, onder 2, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag
De bepaling van de geverifieerde brutomassa van een beladen container door berekening, bedoeld in voorschrift 2, vierde lid, onder 2, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag, geschiedt door de som te nemen van de massa’s bepaald volgens de leden twee tot en met vijf.
De massa van de lading van de container wordt bepaald door de som te nemen van de massa van de afzonderlijke daarin geladen producten of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden. Voor bulkproducten is het toegestaan de massa van de lading te bepalen aan de hand van meetmomenten gedurende het productieproces van die bulkproducten zoals debietbepaling door gekalibreerde vulinstallaties of door te wegen.
De massa van de verpakking van in de container geladen producten wordt bepaald door de som te nemen van de massa’s van de productverpakkingen zoals vastgesteld door de verscheper of verstrekt door de leverancier van die verpakkingen of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden.
De massa van pallets of van stuwmateriaal in de container wordt bepaald door de som te nemen van de massa van de pallets of van het stuwmateriaal in de container zoals vastgesteld door de verscheper of verstrekt door de leverancier van de pallets of van het stuwmateriaal of door derden daarover geleverde informatie of bescheiden.
De massa van de ongeladen container, zoals verstrekt door degene die de container aan de verscheper ter beschikking stelt.
Bij de bepaling van de massa van een beladen container door berekening worden de bij circulaire MSC.1/Circ. 1475 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde ‘Guidelines regarding the verified gross mass of a container carrying cargo’ in acht genomen.
Artikel 44b. Toegestane afwijkingsmarge geverifieerde massa van een beladen container
De geverifieerde brutomassa van een beladen container bedoeld in voorschrift 2, vierde lid, deel A, hoofdstuk VI, van het SOLAS-verdrag wijkt niet meer af van de werkelijke massa dan:
- a. ten hoogste 500 kilogram indien de werkelijke massa van de geverifieerde beladen container minder dan 10 ton bedraagt;
- b. ten hoogste 5 massaprocent indien de werkelijke massa van de geverifieerde beladen container 10 ton of meer bedraagt.
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de kapitein
§ 4. Vrijstellingen
§ 2. Vrijstellingen
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
Hoofdstuk 6a. Schepen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Bijlage 3. behorende bij artikel 18a, eerste lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen
Bijlage 5. Medische uitrusting
Artikel 1. Toepassing op vissersvaartuigen
Artikel 2. Benodigde medische uitrusting
§ 2. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling veiligheid zeeschepen
§ 1. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
Artikel 2. Benodigde medische uitrusting
De in de kolommen A tot en met E genoemde hoeveelheden gelden voor schepen met een gemonsterde bemanning tot en met 15 personen. Bij een bemanningssterkte van meer dan 15 personen, worden deze hoeveelheden voor elke volgende groep van ten hoogste 15 personen steeds met honderd procent vermeerderd, met dien verstande dat daarbij de in de tabellen vermelde maximumhoeveelheden niet behoeven, en voor de receptplichtige middelen ook niet mogen, worden overschreden.
Artikel 1. Toepassing op vissersvaartuigen
Schepen bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:
Bijlage 3a. behorende bij artikel 18a, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen
§ 1. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Bijlage 6. Eisen met betrekking tot de vaart rond de eilanden van Caribisch-Nederland
§ 3. Eisen ten aanzien van tijdelijk onbemande machinekamers voor schepen met een lengte van minder dan 24 meter en een totaal geïnstalleerd voortstuwingsvermogen van 750 kW of minder
Schepen met een totaal geïnstalleerd voortstuwingsvermogen van 750 kW of minder, voldoen aan de volgende eisen:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Artikel 1a
Deze regeling berust mede op de artikelen 2, derde lid, 6, eerste lid, en 41, vierde lid, en 46, tweede lid, van het besluit.
Hoofdstuk 2. Certificaten en onderzoeken
§ 1. Benodigde certificaten
§ 3. Afgifte en geldigheid van certificaten
Hoofdstuk 3. Eisen aan schip en bedrijfsvoering
§ 1. Eisen aan schepen
§ 1. Eisen aan schepen
§ 4. Vrijstellingen
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
§ 4. Vrijstellingen
§ 2. Vrijstellingen
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
Hoofdstuk 6a. Schepen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Bijlage 2
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
§ 1. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b
Bijlage 4. Zeegebieden van de klassen A tot en met D, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 2009/45/EG (bijlage behorend bij artikel 19, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen)
Bijlage 3a. behorende bij artikel 18a, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen
§ 2. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling veiligheid zeeschepen
§ 1. Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen met een totaal geïnstalleerd voortstuwingsvermogen van 750 kW of minder, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen met een totaal geïnstalleerd voortstuwingsvermogen van 750 kW of minder, voldoen aan de volgende eisen:
Bijlage 3b. behorend bij artikel 20a, eerste lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen
Eisen aan schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen met een lengte van minder dan 24 meter
-
- Een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen voldoet aan bijlage 3a met de volgende aanvullingen:
- a. ten aanzien van vrijboord en uitwateringsmerk zijn de eisen van het Uitwateringsverdrag van toepassing;
- b. ten aanzien van de stabiliteit van het schip in onbeschadigde toestand zijn de eisen van de IS-Code 2008 van toepassing.
-
- Voor het maken van berekeningen voor lekstabiliteit worden de volgende volumepermeabiliteit toegepast: 1 Afhankelijk van het percentage dat de zwaarste eisen oplevert.
| Ruimten | Permeabiliteit (%) |
|---|---|
| Bestemd voor voorraden | 60 of 95 indien beperkte hoeveelheid voorraden aanwezig is |
| Ingenomen door verblijven | 95 |
| Ingenomen door machines | 85 |
| Bestemd voor vloeistoffen | 0 of 951 |
-
- Andere cijfers van volumepermeabiliteit kunnen worden gebruikt als deze zijn onderbouwd met berekeningen.
-
- De lekstabiliteit wordt berekend bij het volledig vervuld raken van één compartiment.
-
- Voor schepen met één romp en catamarans, niet zijnde schepen als bedoeld in punt 7, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen: Indien op een bepaalde plaats een beschadiging van kleinere omvang een gevaarlijkere toestand kan veroorzaken dan wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.
- i. langsscheeps: beschadiging tussen waterdichte dwarsschotten;
- ii. dwarsscheeps: beschadiging van kleine omvang tot waterdichte langsschotten;
- iii. verticaal: van de lijn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.
-
- Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelijke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat:
- i. de hellingshoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 7° bedraagt;
- ii. de kromme van armen van statische stabiliteit van het schip in de eindtoestand van vollopen een minimum bereik van 15° voorbij de evenwichtsstand heeft, waarbij de grootste waarde van de arm van statische stabiliteit binnen dat bereik een waarde van niet minder dan 100 mm heeft;
- iii. het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,015 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek;
- iv. de waterlijn in beschadigde toestand niet minder dan 76 mm bedraagt, gemeten van het vrijboorddek.
-
- Voor schepen met een klein waterlijnoppervlak en met een groot vrijboord in onbeschadigde toestand, zoals catamarans, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen: Van een catamaran wordt aangenomen dat een volledige romp beschadigd is, indien de twee rompen volledig onafhankelijk zijn en er geen kruisverbindingen zijn die, indien beschadigd, het andere romp- en natte dekcompartiment zouden vervullen. Van trimarans wordt beschouwd dat zij schade hebben aan vleugel- en middencompartimenten tot aan hartschip.
- i. langsscheeps: 10% van de lengte van het schip waarbij beschadiging is opgetreden langs de gehele scheepslengte tussen waterdichte dwarsschotten welke zijn geplaatst op een onderlinge afstand welke niet minder is dan de langsscheepse omvang van schade in de zijde. Wanneer de afstand tussen twee waterdichte dwarsschotten minder is dan de schadelengte, dan worden voor de lekstabiliteitberekeningen een of meer dwarsschotten genegeerd op een zodanige wijze dat de desbetreffende compartimentlengte gelijk is aan of groter is dan de schadelengte. De bovengenoemde schadelengte wordt niet toegepast binnen de voorpiek- en achterpiekcompartimenten;
- ii. dwarsscheeps: een afstand tot de hartlijn van het schip binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en steven ter hoogte van de hoogstgelegen indelingslastlijn;
- iii. verticaal: vanaf de lijn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.
-
- Indien op een bepaalde plaats een kleinere beschadiging dan in de gevallen, bedoeld in punt 7,onderdelen i tot en met iii, wordt verondersteld, die een gevaarlijkere toestand zou veroorzaken, dan wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.
-
- Als vorm van een beschadiging wordt een rechthoekig blok aangenomen. Waterdichte compartimenten aan de achterkant van de spiegel die niet deel uitmaken van de romplengte en zich niet uitstrekken tot onder de ontwerpwaterlijn, zoals overhangen en appendages, worden niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de beschadigde lengte.
-
- Elke schade aan alle voorste compartimenten van elke romp van een schip met meerderde rompen, welke valt binnen 5% van de lengte van het voorste deel van de waterdichte romp, gemeten op het midden van het schip, wordt beoordeeld op lekstabiliteit.
-
- Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelijke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat: Van het gestelde onder vii kan worden afgeweken indien:
- i. de slagzijhoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 15° bedraagt;
- ii. voldoende stroeve dekoppervlakken en geschikte vasthoudpunten zoals leuningen langs ontsnappingswegen en toegang tot ontsnappingswegen zijn aangebracht. Daarnaast is aandacht besteed aan de middelen om toegang te krijgen tot de reddingsboten, het instappen en het te water laten;
- iii. de kromme van armen van positieve statische stabiliteit ten minste 20° bedraagt, gemeten vanaf de hellingshoek waarbij statisch evenwicht optreedt tot de hoek waarbij verder vervuld raken van het schip optreedt;
- iv. de maximale waarde van de arm van statische stabiliteit in bereik van positieve statische stabiliteit ten minste 200 mm bedraagt;
- v. het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,045 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek;
- vi. de uiteindelijke waterlijn behorende bij het statisch evenwicht onder het laagste punt van elke opening is gelegen welke niet is afgesloten door een goedgekeurde waterdichte afsluiting. Dit omvat openingen zoals luchtpijpen, luikdeuren, deuren en eventuele andere waterdichte afsluitingen;
- vii. deze beschadiging er niet toe mag leiden dat het schip op een waterlijn van minder dan 76 mm drijft, gemeten van het vrijboorddek;
- –. in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen opslagruimte voor levensreddende apparaten aanwezig zijn;
- –. in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen onderdeel van een verzamelplaats, inschepingsplaats of onderdeel van een ontsnappingsroute is, en
- –. niet meer dan 10% van de lengte van de dekrand aan de beschadigde kant onder de waterlijn is en dat negatief vrijboord beperkt is tot maximaal 300 mm, gemeten vanaf de dekrand.
§ 1. Offshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f
Hogesnelheidsoffshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, voldoen aan de eisen van paragraaf 3, onderdelen a tot en met k, met de uitzonderingen:
Bijlage 7. behorende bij artikel 5b. van de Regeling veiligheid zeeschepen
§ 3. Hogesnelheidsoffshoredienstschepen als bedoeld in artikel 6d, eerste lid
Een hogesnelheidsoffshoredienstschip als bedoeld in artikel 6d, eerste lid, voldoet aan de eisen die de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994 stelt aan vrachtschepen, met de volgende aanvullingen en uitzonderingen:
Eisen voor schepen bedoeld in artikel 6f
Tijdens reizen waarop meer dan 12 personen worden vervoerd naast de bemanning, worden de te vervoeren hoeveelheden gevaarlijke stoffen beperkt tot de hoeveelheden zoals voorgeschreven in hoofdstuk 7, deel D, afdeling 7.17 van de HSC-Code 2000.
§ 1. Algemeen
In afwijking van voorschrift 13.14 is het op een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 30 meter toegestaan af te zien van een geluidsontvangstinstallatie indien er ramen aanwezig zijn aan de zijkant van de brug of indien het schip beschikt over open brugvleugels.
Artikel 3.3.9 van het Besluit bemanning zeeschepen is van overeenkomstige toepassing op hogesnelheidsoffshoredienstschepen.
Schepen als bedoeld in deartikel 6f, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen als bedoeld in deartikel 6f, voldoen aan de volgende eisen:
Schepen als bedoeld in deartikel 6f, voldoen aan de volgende eisen:
Waar wordt verwezen naar klasse B, C of D worden de zeegebieden bedoeld, genoemd in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG.
Waar wordt verwezen naar klasse B, C of D worden de zeegebieden bedoeld, genoemd in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG.
Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
Voor de toepassing van deze bijlage wordt met de kapitein van een schip gelijkgesteld de schipper van een vissersvaartuig.
De in artikel 2 bedoelde medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.
Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)