Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 2 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/F&W/05/96420, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 269
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op de artikelen 13, 17, vijfde en zesde lid, 34, tweede lid, 40, derde lid, 41, eerste lid, 55, 63, 67, 81, 95, eerste lid, 96, derde lid, 102, derde lid, 110, derde lid, 119, zesde en zevende lid, 120, tweede, zevende en achtste lid, 121 en 122 van de Wet financiering sociale verzekeringen, en de artikelen 2.2, achtste lid, en 2.3, eerste en derde lid, van het Besluit Wfsv;

Besluiten:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. De financiering van de volksverzekeringen

Artikel 2.1. Begripsbepaling

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.

Artikel 2.2. Partnerbegrip voor vaststelling premie-inkomen

Voor de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Wfsv wordt verstaan onder partner: degene, die partner is in de zin van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarbij het vierde lid, onderdeel b, van het laatstgenoemde artikel buiten toepassing blijft.

Artikel 2.3. Uitzonderingen premie-inkomen voor premieheffing

Voor de heffing van premie voor de volksverzekeringen behoren niet tot het premie-inkomen:

  • a. uitkeringen op grond van de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van die andere mogendheid;
  • b. ten aanzien van degene die verzekerd is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten het Europese deel van Nederland:
  • 1°. het gedeelte van het premie-inkomen dat onderworpen is aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden ten behoeve van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
  • 2°. het gedeelte van het premie-inkomen, waarop ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is,
  • 3°. het gedeelte van het premie-inkomen, dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid;
Artikel 2.4. Premie-inkomen bij premieplichtigheid over gedeelte kalenderjaar

Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid.

Artikel 2.5. Aanpassing maximum premie-inkomen bij gedeeltelijke premieplicht anders dan door overlijden

Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 8, derde lid, van de Wfsv vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in die wet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager premie-inkomen leidt.

Artikel 2.6. Heffingspercentage bij verschillende premiepercentages

Ingeval zich ten aanzien van een verzekerde die in de premieheffing bij wege van aanslag wordt betrokken in het kalenderjaar tijdvakken voordoen waarin anders dan ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wfsv verschillende premiepercentages gelden, wordt van hem de premie geheven naar een percentage (heffingspercentage) dat is samengesteld uit tijdsevenredige delen van die verschillende premiepercentages. Het heffingspercentage wordt afgerond op honderdsten naar beneden.

Artikel 2.7. Tijdsevenredige vaststelling

Ingeval voor de premieheffing bij wege van aanslag het premie-inkomen, het heffingspercentage of de heffingskorting moet worden bepaald door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:

  • a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;
  • b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld;
  • c. de dag waarop het tijdvak aanvangt als een gehele dag in aanmerking genomen;
  • d. de dag waarop het tijdvak eindigt niet in aanmerking genomen.

Hoofdstuk 3. De financiering van de werknemersverzekeringen

Afdeling 1. Vaststelling loon

§ 1. Bepaling loontijdvak bij twee kalenderjaren

Artikel 3.1. Bepaling loontijdvak bij twee kalenderjaren

Voor de toepassing van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Wfsv wordt een loontijdvak dat zich uitstrekt over twee kalenderjaren, geacht te behoren tot het kalenderjaar waarin het loon over dat loontijdvak wordt genoten.

§ 2. Berekening premieloon bij samenloop

Artikel 3.2. Begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. arbeidsloon: loon uit een dienstbetrekking;
  • c. aanvulling: arbeidsloon dat naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering en door de werkgever, op grond van een aan zijn werknemer toegekende aanspraak, over dezelfde periode als waarover de uitkering wordt verstrekt aan de werknemer wordt betaald.
Artikel 3.3. Uitkering bij dezelfde werkgever
1.

Indien een werknemer die van één of meerdere werkgevers arbeidsloon ontvangt, vervolgens in plaats van één of elk van die lonen uitkering en aanvulling ontvangt, wordt het totaalbedrag van die uitkering en aanvulling voor de toepassing van artikel 17 van de Wfsv geacht bij dezelfde werkgever te zijn genoten.

2.

Indien het eerste lid toepassing vindt, blijft bij de berekening van het loon waarnaar de premies op grond van hoofdstuk 3 van de Wfsv worden geheven de aanvulling buiten aanmerking voorzover de aanvulling en uitkering tezamen meer bedragen dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wfsv.

Artikel 3.4. Samenloop

Indien een werknemer van twee of meer werkgevers arbeidsloon ontvangt en vervolgens in plaats van één van die lonen een uitkering op grond van de ZW of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg ontvangt en in plaats van het overige loon of één of meer van de overige lonen een uitkering ontvangt, worden deze uitkeringen, in afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Wfsv geacht niet bij dezelfde werkgever te zijn genoten.

Afdeling 2. Premiedifferentiatie

§ 3. Berekening premies werknemersverzekeringen

Artikel 3.5. Definities

Vervallen

Artikel 3.6. Sectoronderdelen in de sector uitzendbedrijven

Vervallen

Artikel 3.7. Indeling werkgevers binnen uitzendbedrijven IA en IIA

Vervallen

Artikel 3.8. Vaststelling WW-deel van het sectorpremiepercentage

Vervallen

Artikel 3.9. Maximum gedifferentieerde premie Werkhervattingskas sector uitzendbedrijven

Voor de sector uitzendbedrijven wordt voor de premiecomponent voor de ZW-lasten van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 2.6, vierde of vijfde lid, van het Besluit Wfsv een maximum vastgesteld, dat 1,75 maal het voor die lasten in die sector met toepassing van artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit Wfsv vastgestelde percentage bedraagt.

§ 2. Premiedifferentiatie uitzendbranche

Artikel 3.10. Sectoronderdelen in de sector grafische industrie

Vervallen

Artikel 3.11. Vaststelling WW-deel, ZW-deel en WGA-lasten-deel van het sectorpremiepercentage

Vervallen

§ 3. Premiedifferentiatie sectorfondsen

Artikel 3.12. Vaststelling verschillende sectorpremiepercentages

Vervallen

Artikel 3.13. Gelijkstelling vaststelling premiepercentage voor scholieren en studenten

Vervallen

Artikel 3.14. Bepaling sectorale premiepercentages

De sectorale premiecomponenten voor de ZW-lasten en de WGA-lasten van de sectorale premiepercentages, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, van het Besluit Wfsv, zijn voor de sectoren 57 en 60, bedoeld in bijlage 1 bij deze regeling, gelijk aan het gewogen gemiddelde van deze premiecomponenten van de sectorale premiepercentages voor de sectoren 57 en 60.

Afdeling 3. Eigenrisicodragen

Artikel 3.15. Ontheffing garantieplicht overheidswerkgevers

Als overheidswerkgever als bedoeld in artikel 40, derde lid, van de Wfsv worden aangewezen:

  • a. de Koning, ten aanzien van door hem in dienst genomen overheidswerknemers die bij de Koninklijke Hofhouding werkzaam zijn en uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de Stichting tot verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau vallen;
  • b. het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen;
  • c. rechtspersonen, anders dan bedoeld in onderdeel b, die:
  • 1°. bij of krachtens de wet zijn ingesteld, en
  • 2°. overheidswerknemers rechtstreeks ten laste van de rechtspersoon bezoldigen of belonen.

Afdeling 4. Verhaal op werknemer

Artikel 3.16. Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder eigenrisicodrager: de werkgever aan wie op grond van artikel 40 van de Wfsv toestemming is verleend het risico te dragen van de betalingen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wfsv.

Artikel 3.17. Bepaling kosten verhaal eigenrisicodrager
1.

Voor de eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, een verzekering heeft gesloten, bedragen de kosten, die op grond van artikel 41, eerste lid, van de Wfsv voor verhaal op de werknemer in aanmerking komen de door hem verschuldigde premie, voor zover die premie betrekking heeft op verzekering van dat risico.

2.

Voor de werkgever die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv, geen verzekering heeft gesloten worden de kosten, die op grond van artikel 41, eerste lid, van de Wfsv voor verhaal op een werknemer in aanmerking komen, vastgesteld op een percentage van het loon van de werknemer.

3.

Het percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald door de verwachte WGA-totaallasten, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit Wfsv in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld of de WGA-totaallasten in het voorgaande kalenderjaar te delen door het totaal van het premieplichtig loon dat in dat kalenderjaar ten laste komt of in voorgaande kalenderjaar is gekomen van de eigenrisicodrager. Dit percentage bedraagt ten hoogste 1,5 maal de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 2.6, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van het Besluit Wfsv, waarbij de premiecomponent ZW-lasten niet in aanmerking wordt genomen, die ten hoogste op de werkgever van toepassing zou zijn indien hij geen eigenrisicodrager zou zijn.

4.

Indien na afloop van het kalenderjaar blijkt, dat de te verwachten bedragen in een kalenderjaar afwijken van de gerealiseerde bedragen, kan indien dit zou leiden tot een ander bedrag van de kosten voor het verhaal, het bedrag van het verhaal in het kalenderjaar volgend op dat kalenderjaar worden herzien tot ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Wfsv.

Artikel 3.18. Verhaal gedifferentieerde premie Werkhervattingskas

De werkgever kan de met betrekking tot een werknemer door hem verschuldigde premie Werkhervattingskas die betrekking heeft op de premiecomponent WGA-lasten, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel g, van het Besluit Wfsv, tot ten hoogste de helft verhalen op de werknemer.

Afdeling 3. Eigenrisicodragen

Artikel 3.19. Aangiftetijdvak

Vervallen

Artikel 3.20. Nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever na volledig genoten premiekortingsperioden

Vervallen

Artikel 3.21. Nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever na niet volledig genoten premiekortingsperiode

Vervallen

Artikel 3.22. Premiekortingsperioden bij overgang van ondernemingen

Vervallen

Artikel 3.23. Ingangsdatum toepassing premiekorting werknemer van 62 jaar en ouder

Vervallen

Hoofdstuk 4. Gemoedsbezwaarden

Artikel 4.1. Gemoedsbezwaarden
1.

De persoon, die gemoedsbezwaren heeft tegen één van de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 2 van de Wfsv, of alle werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 2 van de Wfsv, alsmede de rechtspersoon, waarbij natuurlijke personen betrokken zijn, die zodanige gemoedsbezwaren hebben, kan op zijn verzoek door de SVB worden ontheven van verplichtingen hem bij de Wfsv, of bij één van deze volksverzekeringen of werknemersverzekeringen opgelegd.

2.

In afwijking van het eerste lid kan geen ontheffing worden verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel 54 van de AWBZ, de artikelen 13 en 49 van de ZW, de artikelen 12 en 80 van de WAO, de artikelen 27 en 33 van de Wet WIA en de artikelen 13 en 25 van de WW.

Artikel 4.2. Indiening verzoek gemoedsbezwaarden
1.

Het verzoek geschiedt door indiening bij de SVB van een door de verzoeker ondertekende verklaring, waarvan het model door de SVB wordt vastgesteld.

2.

Deze verklaring houdt tenminste in, dat degene, die de verklaring indient, overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van verzekering, dat hij mitsdien noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd.

3.

Voorzover de volksverzekeringen in het geding zijn, blijkt uit de verklaring tevens, of degene, die haar indient, de in deze wetten geregelde voorzieningen al dan niet als verzekeringen beschouwt.

4.

Uit een door een werkgever bij de SVB ingediende verklaring blijkt of deze ook gemoedsbezwaren heeft tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen.

Artikel 4.3. Verzoek rechtspersoon
1.

Wanneer het verzoek een rechtspersoon betreft, wordt de verklaring ingediend bij de SVB door het op grond van een wettelijk voorschrift of statuten van die rechtspersoon daartoe bevoegde orgaan.

2.

Onverminderd artikel 4.2 houdt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, tevens in, dat de natuurlijke personen, die behoren tot het orgaan, dat op grond van een wettelijk voorschrift of de statuten bevoegd is te besluiten de ontheffing aan te vragen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben.

3.

Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, worden gevoegd:

  • a. een afschrift van de aan elk van de tot de in het tweede lid bedoelde meerderheid behorende natuurlijke personen verleende ontheffing, bedoeld in artikel 4.1;
  • b. een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de rechtspersoon, en
  • c. een gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering, waarin het besluit tot het aanvragen van de ontheffing is genomen.
Artikel 4.4. Ontheffing

De SVB verleent de ontheffing, indien de verklaring naar haar mening overeenkomstig de waarheid is. Aan een werkgever, die heeft verklaard geen gemoedsbezwaren te hebben tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen, kan op die grond een ontheffing van de hem anders dan in zijn hoedanigheid van werkgever opgelegde verplichtingen niet worden geweigerd.

Artikel 4.5. Volksverzekeringen

Voorzover volksverzekeringen in het geding zijn, wordt, indien de verzoeker heeft verklaard, dat hij de in één of meer van de genoemde wetten geregelde voorzieningen niet als verzekering beschouwt, geen ontheffing verleend van de in die wet of wetten opgelegde verplichtingen.

Artikel 4.6. Bewijs ontheffing

Van de verleende ontheffing wordt door de SVB aan de verzoeker een bewijs uitgereikt, waarvan het model wordt vastgesteld door de SVB.

Artikel 4.7. Openbaarmaking ontheffing

Degene, die is ontheven van zijn verplichtingen als werkgever, is verplicht te zorgen, dat het hem uitgereikte bewijs van ontheffing of een afschrift daarvan wordt en blijft opgehangen op een plaats, die vrij toegankelijk is voor alle in zijn dienst zijnde werknemers en waar deze geregeld plegen te komen, op zodanige wijze, dat van hetgeen op het desbetreffende stuk staat vermeld, gemakkelijk kan worden kennisgenomen.

Artikel 4.8. Mededeling ontheffing
1.

Indien degene aan wie ontheffing is verleend aan de loonbelasting is onderworpen, is hij verplicht van de hem verleende ontheffing mededeling te doen aan degene, die de inhouding verricht, door het tonen aan laatstbedoelde van het uitgereikte bewijs van ontheffing.

2.

Voor de werknemer, die niet aan de loonbelasting is onderworpen, geldt dezelfde verplichting ten opzichte van diens werkgever.

Artikel 4.9. Intrekking ontheffing
1.

Een ontheffing wordt door de SVB ingetrokken:

  • a. op verzoek van degene, aan wie de ontheffing is verleend;
  • b. indien naar het oordeel van de SVB de gemoedsbezwaren, op grond waarvan de ontheffing is verleend, niet langer geacht kunnen worden te bestaan.
2.

De ontheffing kan worden ingetrokken, indien verplichtingen, die nog op de degene aan wie ontheffing is verleend rusten ingevolge de in artikel 4.1 genoemde wetten, of die hem bij deze regeling zijn opgelegd, niet door hem worden nageleefd.

3.

De SVB kan bij de intrekking tevens bepalen, dat een verzoek om ontheffing gedaan binnen twee jaren na de dagtekening van de intrekking, enkel op die grond niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

4.

Degene, wiens ontheffing is ingetrokken, is verplicht binnen drie dagen na de dagtekening van de desbetreffende kennisgeving, het bewijs van ontheffing terug te geven aan de SVB.

5.

Indien degene, wiens ontheffing is ingetrokken, aan de loonbelasting is onderworpen, doet de SVB van de intrekking mededeling aan degene, die de inhouding verricht.

6.

Ten aanzien van de werknemer, die niet aan de loonbelasting is onderworpen, wordt eenzelfde mededeling als bedoeld in het vorige lid gedaan aan diens werkgever.

7.

Onverminderd het overigens in dit artikel bepaalde vervalt de ontheffing, die is verleend aan een rechtspersoon, na verloop van vijf jaar na de datum van ingang van de ontheffing. Met ingang van de datum, waarop een ontheffing is vervallen, kan een nieuwe ontheffing worden verleend.

Artikel 4.10. Weigering uitkering

Vervallen

Hoofdstuk 4. Gemoedsbezwaarden

Afdeling 6. Premiekorting jongere werknemer

§ 1. Indeling in sectoren

Artikel 5.1. Indeling in sectoren

Het bedrijfs- en beroepsleven wordt ingedeeld in de volgende genummerde sectoren, bedoeld in artikel 95, van de Wfsv:

    1. Agrarisch bedrijf
    1. Tabakverwerkende industrie
    1. Bouwbedrijf
    1. Baggerbedrijf
    1. Houten emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie
    1. Timmerindustrie
    1. Meubel- en orgelbouwindustrie
    1. Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie
    1. Grafische industrie
    1. Metaalindustrie
    1. Elektrotechnische industrie
    1. Metaal-en technische bedrijfstakken
    1. Bakkerijen
    1. Suikerverwerkende industrie
    1. Slagersbedrijven en poeliers
    1. Slagers overig
    1. Detailhandel en ambachten
    1. Reiniging
    1. Grootwinkelbedrijf
    1. Havenbedrijven
    1. Havenclassificeerders
    1. Binnenscheepvaart
    1. Visserij
    1. Koopvaardij
    1. Vervoer KLM
    1. Vervoer NS
    1. Vervoer posterijen
    1. Taxivervoer
    1. Openbaar Vervoer
    1. Besloten busvervoer
    1. Overig personenvervoer te land en in de lucht
    1. Overig goederenvervoer te land en in de lucht
    1. Horeca algemeen
    1. Horeca catering
    1. Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen
    1. Banken
    1. Verzekeringswezen
    1. Uitgeverij
    1. Groothandel I
    1. Groothandel II
    1. Zakelijke Dienstverlening I
    1. Zakelijke Dienstverlening II
    1. Zakelijke Dienstverlening III
    1. Zuivelindustrie
    1. Textielindustrie
    1. Steen-, cement-, glas- en keramische industrie
    1. Chemische industrie
    1. Voedingsindustrie
    1. Algemene industrie
    1. Uitzendbedrijven
    1. Bewakingsondernemingen
    1. Culturele instellingen
    1. Overige takken van bedrijf en beroep
    1. Schildersbedrijf
    1. Stukadoorsbedrijf
    1. Dakdekkersbedrijf
    1. Mortelbedrijf
    1. Steenhouwersbedrijf
    1. Overheid, onderwijs en wetenschappen
    1. Overheid, rijk, politie en rechterlijke macht
    1. Overheid, defensie
    1. Overheid, provincies, gemeenten en waterschappen
    1. Overheid, openbare nutsbedrijven
    1. Overheid, overige instellingen
    1. Werk en (re)Integratie
    1. Railbouw
    1. Telecommunicatie
Artikel 5.2. Werkzaamheden in bijlage

Tot elke sector van het bedrijfs- en beroepsleven worden gerekend de werkzaamheden, verricht in de takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan, welke in de bij deze regeling behorende bijlage 1 zijn vermeld. Werkzaamheden die een overheidswerkgever als werkgever doet verrichten, worden gerekend tot een van de sectoren 61 tot en met 66.

Artikel 5.3. Werkzaamheden niet in bijlage

Werkzaamheden, verricht in takken van bedrijf en beroep, welke niet in bijlage 1 bij deze regeling zijn vermeld, worden geacht te behoren tot een sector van het bedrijfs- en beroepsleven, waartoe takken van bedrijf en beroep behoren, waarin werkzaamheden worden verricht, welke naar de aard het meest met de eerstbedoelde werkzaamheden overeenkomen.

Artikel 5.4. Concernregelen en aansluiting van nevenbedrijven en neveninstellingen
1.

De inspecteur kan op aanvraag van twee of meer werkgevers, wier bedrijven of instellingen in juridisch opzicht zelfstandig zijn, doch tot een economische of organisatorische eenheid behoren bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat deze werkgevers aangesloten zijn bij dezelfde sector. Deze werkgevers worden aangesloten in de sector waaronder de werkzaamheden ressorteren voor welke door de gezamenlijke werkgevers het grootste bedrag aan premieplichtig loon wordt betaald of vermoedelijk zal worden betaald, tenzij de inspecteur in verband met de maatschappelijke functie van het geheel van deze bedrijven of instellingen anders beslist.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan de inspecteur op verzoek van een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de werkgever vanaf een bij de beslissing aan te wijzen datum is aangesloten bij de sector waaronder de werkzaamheden van die werkgever ressorteren.

3.

De inspecteur kan op aanvraag van werkgevers, wier bedrijven of instellingen dermate sterk verbonden zijn met een bepaalde tak van bedrijf of beroep dat deze bedrijven of instellingen geacht kunnen worden nevenbedrijven of neveninstellingen te zijn van deze tak van bedrijf of beroep bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat deze bedrijven of instellingen aangesloten worden bij de sector waaronder de bedoelde tak van bedrijf of beroep ressorteert.

4.

De inspecteur kan, ambtshalve of op verzoek van een of meer werkgevers, bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat de aansluiting van een of meer werkgevers bij een sector wordt gewijzigd of ingetrokken vanaf een bij de beslissing aan te wijzen datum.

5.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste of derde lid wordt niet in behandeling genomen indien deze is ingediend op of na 29 juni 2018, 17.00 uur.

Artikel 5.5. Aansluiting van werkgevers bij de sectoren Metaalindustrie, Elektrotechnische industrie of Metaal- en technische bedrijfstakken
1.

De werkgever die in verband met het aantal arbeidsuren van de werknemers in dienst van zijn onderneming is aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, is de eerste dag in het eerstvolgende kalenderjaar na afloop van de hierna bedoelde periode aangesloten bij de sector Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische industrie, indien het bedoeld aantal arbeidsuren per week in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren per week in de onderneming, gedurende een ononderbroken periode van onderscheidenlijk drie, twee of één jaar, te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, ten minste heeft bedragen onderscheidenlijk 1200, 2000 of 3000.

2.

De werkgever die in verband met het aantal arbeidsuren van de werknemers in dienst van zijn onderneming is aangesloten bij de sector Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische industrie, is de eerste dag in het eerstvolgende kalenderjaar na afloop van de hierna bedoelde periode aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, indien het bedoeld aantal arbeidsuren per week in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren per week in de onderneming, gedurende een ononderbroken periode van onderscheidenlijk drie, twee of één jaar, te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, minder heeft bedragen dan onderscheidenlijk 1200, 800 of 400.

3.

In geval van rechtsopvolging van een werkgever als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt voor de toepassing van deze leden aangenomen dat sprake is van eenzelfde aansluiting.

Artikel 5.6. Overgangsbepaling
1.

Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in de bijlage van deze regeling bij de sectoren Metaalindustrie, Elektrotechnische industrie en Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, doch waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar, respectievelijk ten minste 30, 50, 100 of 150 werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken.

2.

Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in de bijlage van deze regeling bij de sector Metaalindustrie en de sector Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector Metaalindustrie doch waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar respectievelijk minder dan 30, 15, 10 of 5 werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector Metaalindustrie.

3.

Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in de bijlage van deze regeling bij de sector Elektrotechnische industrie en de sector Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector Elektrotechnische industrie, doch waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar respectievelijk minder dan 30, 15, 10 of 5 werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector Elektrotechnische industrie.

4.

In geval van rechtsopvolging van een werkgever als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt voor de toepassing van deze leden aangenomen dat sprake is van eenzelfde aansluiting.

Artikel 5.7. Generaalpardonregeling
1.

Een werkgever als bedoeld in artikel 5.6 of de ondernemingsraad die aan de onderneming van die werkgever is verbonden, kan aan de inspecteur verzoeken te beslissen dat die werkgever is aangesloten bij die sector waarbij hij op grond van artikel 5.5 en zonder het bepaalde in artikel 5.6 zou zijn aangesloten.

2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt ingewilligd indien tussen de werkgever en de aan zijn onderneming verbonden ondernemingsraad daarover overeenstemming bestaat.

3.

Indien geen ondernemingsraad is verbonden aan de onderneming van de in het eerste lid bedoelde werkgever, treden de gezamenlijke werknemers in alle rechten van een ondernemingsraad wat betreft het in het eerste en tweede lid gestelde, met dien verstande dat als oordeel van de gezamenlijke werknemers geldt de met meerderheid van stemmen door hen ter zake uitgesproken mening.

Artikel 5.8. Aansluiting van werkgevers bij de sector Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen

Vervallen

§ 2. Vergoeding remigratiebijdragen

Artikel 5.9. Vergoeding remigratiebijdragen

Vervallen

Artikel 5.10. Informatieverplichting SVB

Vervallen

Artikel 5.11. Betalingsverplichting UWV

Vervallen

§ 1. Indeling in sectoren

Artikel 5.12. Begripsbepalingen

Vervallen

Artikel 5.13. De reserve voor het algemeen werkloosheidsfonds

Vervallen

Artikel 5.14. De reserves voor de sectorfondsen

Vervallen

Afdeling 2. Rekening-courant

Artikel 5.15. Begripsbepalingen

In deze afdeling en afdeling 3 wordt verstaan onder:

  • a. een rekening-courant: een rekening in de centrale administratie van ’s Rijks schatkist bij het ministerie van Financiën op naam van een rekening-couranthouder, waarop dagelijks het geldelijk tegoed (positief of negatief) wordt bijgehouden van de betrokken rekening-couranthouder bij het Rijk en de mutaties in het tegoed;
  • b. de rekening-couranthouder: de SVB, het UWV of het Zorginstituut, ieder voorzover het hem aangaat;
  • c. het verdeelpercentage: het percentage waarmee de totale opbrengst van de loonheffing (de gecombineerde heffing van loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen) en de premie voor de werknemersverzekeringen wordt verdeeld in een opbrengst van de loonheffing en in een opbrengst van de diverse premies voor de werknemersverzekeringen;
  • d. het toedelingspercentage: het percentage waarmee de opbrengst van de loonheffing respectievelijk de inkomensheffing (de gecombineerde heffing van inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen) wordt verdeeld in belastingopbrengst en opbrengst van de premie voor de volksverzekeringen;
  • e. de valutadatum: de dag waarop het bedrag van een boeking rentedragend wordt.
Artikel 5.16. Rekeningen-courant en rekening-couranthouders

In de centrale administratie van 's Rijks schatkist worden de volgende rekeningen-courant geopend:

  • a. één of meer rekeningen-courant op naam van de SVB ten behoeve van de financiële middelen van de fondsen die de SVB beheert;
  • b. één of meer rekeningen-courant op naam van het UWV ten behoeve van de financiële middelen van de fondsen die het UWV beheert;
  • c. één of meer rekeningen-courant op naam van het Zorginstituut ten behoeve van de financiële middelen van het Fonds langdurige zorg.
Artikel 5.17. Crediteringen en debiteringen
1.

Ten gunste van de rekeningen-courant van de SVB en het UWV worden geboekt:

  • a. de bijdragen van het Rijk aan de rekening-couranthouders ten behoeve van de desbetreffende fondsen;
  • b. de afdrachten van de door de rijksbelastingdienst geïnde premies aan de rekening-couranthouders ten behoeve van de desbetreffende fondsen;
  • d. de bijschrijvingen op het tegoed van ’s Rijks schatkist bij een bankinstelling door de rekening-couranthouders.
2.

Ten laste van de rekeningen-courant van de SVB en het UWV worden geboekt:

  • a. de afdrachten door de rekening-couranthouders ten gunste van het tegoed van ’s Rijks schatkist of ten gunste van het tegoed dat een derde bij ’s Rijks schatkist in rekening-courant aanhoudt;
  • b. de eventuele terugbetalingen aan de rijksbelastingdienst samenhangende met de afdrachten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
  • d. de afschrijvingen van het tegoed van ’s Rijks schatkist bij een bankinstelling door de rekening-couranthouders.
3.

De Minister van Financiën sluit met de SVB en het UWV overeenkomsten ter uitwerking van het gebruik van de rekeningen-courant.

4.

In een overeenkomst als bedoeld in het derde lid worden afspraken vastgelegd over de wederzijdse informatievoorziening tussen enerzijds de Minister van Financiën en anderzijds respectievelijk de SVB en het UWV.

5.

De boekingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden door de Minister van Financiën van valutadata voorzien, zodanig dat deze data overeenkomen met de gemiddelde data waarop de premies door de rijksbelastingdienst worden geïnd.

6.

De artikelen 4.3 en 4.4 van de Regeling zorgverzekering zijn van overeenkomstige toepassing op de rekeningen-courant op naam van het Zorginstituut ten behoeve van de financiële middelen van het Fonds langdurige zorg.

Artikel 5.18. Rente-arrangement
1.

Over de dagelijkse creditsaldi van elk van de rekeningen-courant wordt door de Minister van Financiën een rente vergoed overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Regeling schatkistbankieren RWT’s en andere rechtspersonen.

2.

Over de dagelijkse debetsaldi van elk van de rekeningen-courant wordt door de rekening-couranthouders een rente betaald overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, van de Regeling schatkistbankieren RWT’s en andere rechtspersonen.

3.

De Staat verrekent de verschuldigde creditrente met verschuldigde debetrente. Deze rente die verschuldigd is, wordt verrekend op de rekening-courant per de eerste kalenderdag na afloop van het jaar waarop de credit- respectievelijk debetrente betrekking heeft. Daartoe stelt de Minister van Financiën een rentenota op.

Artikel 5.19. Financiële middelen buiten de rekening-courant

De rekening-couranthouder is bevoegd een bedrag van ten hoogste € 2,5 miljoen buiten de rekening-courant te houden.

Artikel 5.20. Verdeelpercentage
1.

De totale opbrengsten van de gecombineerde heffing van de loonbelasting en de premies voor de sociale verzekeringen alsmede de daarop betrekking hebbende naheffingsaanslagen, belasting- en invorderingsrente en boeteontvangsten worden uitgesplitst in een voor de afdracht vastgesteld verdeelpercentage per belasting/premiejaar.

2.

Het verdeelpercentage wordt maandelijks per belasting/premiejaar door de Minister van Financiën vastgesteld op basis van de over het belasting/premiejaar ontvangen loonaangiften en opgelegde naheffingen.

3.

Alle ontvangen gelden over het belasting/premiejaar worden verdeeld op basis van het verdeelpercentage, bedoeld in het eerste lid. De mutatie ten opzichte van de vorige periode vormt het af te dragen bedrag.

4.

In het tweede jaar na afloop van het belasting/premiejaar wordt het verdeelpercentage voor het betreffende belasting/premiejaar definitief vastgesteld. Dit percentage wordt gehanteerd voor de definitieve verdeling van de ontvangen gelden over het betreffende belasting/premiejaar voor alle betalingen die daarna worden geïnd.

5.

In geval van bijzondere omstandigheden kan de Minister van Financiën, op verzoek van de rijksbelastingdienst, besluiten om de termijn, bedoeld in het vierde lid, te verlengen.

Artikel 5.21. Toedelingspercentage voor de opbrengsten van de gecombineerde heffing van de loonbelasting, inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen
1.

De opbrengsten van de gecombineerde heffing van de loonbelasting, inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen worden uitgesplitst volgens een voor de loonheffing en voor de inkomensheffing afzonderlijk vastgesteld toedelingspercentage.

2.

Voorafgaand aan het belasting/premiejaar worden in overleg tussen de beheerders van de fondsen voor de volksverzekeringen en de Minister van Financiën voorlopige toedelingspercentages vastgesteld. De toedelingspercentages worden gebaseerd op de transactieramingen voor het desbetreffende belasting/premiejaar.

3.

In het tweede jaar na afloop van het belasting/premiejaar wordt het toedelingspercentage voor de loonheffing definitief vastgesteld. In het vierde kalenderjaar na afloop van het belasting/premiejaar wordt het toedelingspercentage voor de inkomensheffing definitief vastgesteld. De definitieve vaststelling vindt plaats op basis van de gerealiseerde belastingheffing en leidt tot een correctie van de reeds afgedragen premie-opbrengsten aan de fondsen met de belastingopbrengsten.

4.

De opbrengsten van de loonheffing en de inkomensheffing die door de rijksbelastingdienst worden geïnd nadat het toedelingspercentage definitief is vastgesteld, worden uitgesplitst op basis van het definitief vastgestelde toedelingspercentage.

5.

De correctie, bedoeld in het derde lid, wordt door de Minister van Financiën met de beheerder van dat fonds afgerekend.

6.

In geval van bijzondere omstandigheden kan de Minister van Financiën, op verzoek van de rijksbelastingdienst, besluiten om de termijn, bedoeld in het derde lid, te verlengen.

Artikel 5.22. Rapportageverplichting rijksbelastingdienst
1.

De rijksbelastingdienst rapporteert uiterlijk de tiende werkdag na afloop van de maand over de opbrengsten, bedoeld in de artikelen 5.20 en 5.21 aan de Minister van Financiën en de SVB, het UWV en het Zorginstituut.

2.

In afwijking van het eerste lid vindt de rapportage over de laatste maand van het kalenderjaar uiterlijk de vijftiende werkdag na afloop van het kalenderjaar plaats.

Afdeling 2. Rekening-courant

§ 3. Reserve-vorming

Artikel 5.23. Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • b. lasten met betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds: de op grond van de AKW uit te keren kinderbijslagen, alsmede de aan de uitvoering van de AKW verbonden kosten;
  • c. overige baten en lasten met betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds: de baten verkregen met toepassing van artikel 17a van de AKW, de baten verkregen met toepassing van artikel 17 van de AKW en de baten en lasten verkregen door interesten en diversen;
  • g. valutadag: de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling;
  • h. overige baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds: wettelijke rente, proceskosten, rentelasten en de baten verkregen met toepassing van artikel 14a van de TW.

§ 3. Reserve-vorming

Artikel 5.24. Raming baten en lasten
1.

Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt de SVB aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.

2.

De bedragen in de opgave, bedoeld in het eerste lid, worden gespecificeerd naar het aantal kinderbijslaggerechtigden en het aantal kinderen naar leeftijdsklassen en naar rangorde uitgesplitst naar toepassing van artikel 12 van de Algemene Kinderbijslagwet.

Artikel 5.25. Betaling voorschot
1.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.24, eerste lid, van:

  • a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de eerste dag van elke maand, en
  • b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.

Artikel 5.26. Raming uitgaven aan uitvoeringskosten

Vervallen

Artikel 5.27. Afdracht uitvoeringskosten

Vervallen

Artikel 5.28. Afrekening
1.

In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten opgenomen, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten.

2.

Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Artikel 5.29. Vaststelling Rijksbijdrage

Vervallen

§ 2. Vergoeding remigratiebijdragen

Artikel 5.30. Raming baten en lasten
1.

Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds en het Wajong-fonds, uitgesplitst naar uitkeringslasten, tegemoetkomingen en toeslagen per maand en uitvoeringskosten per jaar.

2.

De bedragen in de opgave, bedoeld in het eerste lid, worden gespecificeerd naar de in artikel 5.29a, derde lid, genoemde wetten, met uitzondering van onderdeel b.

Artikel 5.31. Betaling voorschot
1.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.30, eerste lid, van:

  • a. geraamde uitkeringslasten, toeslagen en tegemoetkomingen met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en
  • b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met het UWV, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.

Artikel 5.32. Raming uitgaven aan toeslagen, uitkeringen en uitvoeringskosten

Vervallen

Artikel 5.33. Afdracht toeslagen, uitkeringen en uitvoeringskosten

Vervallen

Artikel 5.34. Afrekening
1.

In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.31, eerste lid, met betrekking tot hetToeslagenfonds en het Wajong-fonds opgenomen, waarbij de gegevens met betrekking tot het Toeslagenfonds tevens worden gespecificeerd naar de in artikel 5.29a, derde lid, genoemde wetten, met uitzondering van onderdeel b.

2.

De overige baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds en het Wajong-fonds kunnen in de jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, worden toegerekend aan respectievelijk de Toeslagenwet en de Wajong.

3.

Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Artikel 5.35. Vaststelling Rijksbijdrage

Vervallen

§ 1. Algemeen

Artikel 5.36. Raming baten en lasten
1.

Voor de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling SUWI verstrekt het UWV aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Arbeidsongeschiktheidsfonds, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, en artikel 3.30 van de Wet arbeid en zorg, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en uitvoeringskosten per jaar.

2.

In deze paragraaf wordt onder uitkeringen verstaan de uitkeringslasten inclusief de door het UWV over die uitkeringen verschuldigde premies en vergoedingen, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht.

Artikel 5.37. Betaling voorschot
1.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, van:

  • a. geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand, en
  • b. 1/12de deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
2.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met het UWV, van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen afwijken.

Artikel 5.38. Afrekening
1.

In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 5.37, eerste lid, uitgesplitst naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot hetArbeidsongeschiktheidsfonds opgenomen.

2.

Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Artikel 5.39. Vaststelling rijksbijdrage

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks voor 31 oktober het bedrag vast dat over het afgelopen kalenderjaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel 114, onderdeel f, van de Wet financiering sociale verzekeringen, ten gunste komt van het

Arbeidsongeschiktheidsfonds.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1. Intrekking regelingen
8.
Artikel 6.2. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006 waarbij onderdeel 19 van bijlage 1 bij deze regeling terug werkt tot en met 1 januari 2005.

Artikel 6.3. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Wfsv.

Bijlage 1. , behorend bij artikel 5.1

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

2. Tabakverwerkende industrie, omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

De baggerbedrijven, inclusief de rijswerkersbedrijven en de zand- en grindwinning.

3. Bouwbedrijf,omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

2. Tabakverwerkende industrie, omvattende:

3. Bouwbedrijf,omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

Gedetailleerde omschrijving van de metaalindustrie:

Gedetailleerde omschrijving van de metaalindustrie:

4. Baggerbedrijf, omvattende:

De baggerbedrijven, inclusief de rijswerkersbedrijven en de zand- en grindwinning.

Onder vervaardigen, als bedoeld onder I en II, wordt eveneens verstaan het assembleren, monteren en samenstellen uit van derden betrokken onderdelen.

3. Bouwbedrijf,omvattende:

4. Baggerbedrijf, omvattende:

8. Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie, omvattende:

5. Houten emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie, omvattende:

6. Timmerindustrie, omvattende:

7. Meubel- en orgelbouwindustrie, omvattende:

8. Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie, omvattende:

De baggerbedrijven, inclusief de rijswerkersbedrijven en de zand- en grindwinning.

3. Bouwbedrijf,omvattende:

Gedetailleerde omschrijving van de metaalindustrie:

6. Timmerindustrie, omvattende:

11. Elektrotechnische industrie:

Tot de elektrotechnische industrie behoort, mits in de betrokken onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren, in de regel gedurende ten minste 1200 uren per week door bij die onderneming in dienst zijnde werknemers werkzaamheden worden verricht met uitzondering van het elektrotechnische installateursbedrijf (voor zover niet betreffende het elektrotechnische scheepsinstallatiebedrijf), het radio- en televisieïnstallateurs- en reparateursbedrijf, het neoninstallateursbedrijf en het elektrotechnische nettenbouwbedrijf : het bedrijf van vervaardigen en/of herstellen van apparaten, installaties, stoffen, toestellen, voorwerpen, e.d., die elektrische energie of haar componenten afgeven, bewaren, gebruiken, meten, omzetten, overbrengen, schakelen, transformeren, verbruiken, verdelen, voortbrengen of waarneembaar maken, zoals:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

2. Tabakverwerkende industrie, omvattende:

3. Bouwbedrijf,omvattende:

4. Baggerbedrijf, omvattende:

15. Slagersbedrijven

5. Houten emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie, omvattende:

Onder vervaardigen wordt eveneens verstaan het assembleren, monteren en samenstellen uit van derden betrokken onderdelen.

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

2. Tabakverwerkende industrie, omvattende:

3. Bouwbedrijf,omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

2. Tabakverwerkende industrie, omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

De baggerbedrijven, inclusief de rijswerkersbedrijven en de zand- en grindwinning.

3. Bouwbedrijf,omvattende:

4. Baggerbedrijf, omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

1. Agrarisch bedrijf, omvattende:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)