Wet van 20 november 2006, houdende invoering van de Wet op het financieel toezicht en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht)

Type Wet
Publication 2019-07-21
State In force
Source BWB
artikelen 282
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Overgangsmaatregelen

Afdeling 1. Inleidende bepalingen

Afdeling 1. Inleidende bepalingen

Afdeling 3. Wet financiële dienstverlening

§ 3.1. Vergunningen

§ 2.1. Toezichtkosten

§ 3.3. Verbod

§ 3.4. Notificatie

§ 2.2. Register

Artikel 31

1.

Het is een financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 102, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, alsmede een financiële dienstverlener die financiële diensten verleent ten aanzien van betaalrekeningen of beleggingsobjecten, bemiddelt in spaarrekeningen of optreedt als herverzekeringsbemiddelaar, die overeenkomstig artikel 102, tweede lid, van die wet onderscheidenlijk artikel 20, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling Wfd een vergunning of ontheffing heeft aangevraagd, op welke aanvraag op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht nog niet is beslist, toegestaan zonder vergunning of ontheffing zijn werkzaamheden voort te zetten totdat de Autoriteit Financiële Markten op die aanvraag heeft beslist.

2.

De Autoriteit Financiële Markten beslist binnen twaalf maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet financiële dienstverlening op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Bij regeling van Onze Minister kan deze termijn ten hoogste twee maal worden verlengd met een termijn van telkens maximaal zes maanden. De Autoriteit Financiële Markten past op de aanvraag de Wet op het financieel toezicht toe.

3.

De financiële dienstverlener, bedoeld in het eerste lid, wordt als aanvrager in de zin van het eerste lid ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht. De Autoriteit Financiële Markten haalt deze inschrijving door zodra zij op de aanvraag heeft beslist.

4.

Met betrekking tot een financiële dienstverlener die zijn werkzaamheden zonder vergunning mag voortzetten als bedoeld in het eerste lid, blijft artikel 25 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zoals dit luidde op 31 december 2005, van toepassing totdat de inschrijving op grond van het derde lid is doorgehaald.

5.

Indien de Autoriteit Financiële Markten de aanvraag van een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, heeft afgewezen, mag de financiëledienstverlener zonder vergunning of ontheffing zijn bedrijf afwikkelen. De Autoriteit Financiële Markten kan een termijn bepalen voor de afwikkeling. De Autoriteit Financiële Markten kan de financiëledienstverlener voorschriften geven terzake van de afwikkeling met het oog op het adequaat functioneren van de financiële markten of de positie van de consumenten op die markten.

6.

Het bij en krachtens het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezicht bepaalde is van overeenkomstige toepassing op financiëledienstverleners die op grond van het eerste lid hun werkzaamheden mogen voortzetten en op financiëledienstverleners die op grond van het vijfde lid hun bedrijf mogen afwikkelen.

Artikel 32

Artikel 4:30a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op aanbieders van beleggingsobjecten, voorzover zij overeenkomsten inzake beleggingsobjecten die voor 1 januari 2006 zijn aangegaan, beheren of uitvoeren of daarbij assisteren.

Afdeling 4. Wet toezicht beleggingsinstellingen

Afdeling 5. Wet toezicht effectenverkeer 1995

Afdeling 6. Wet toezicht kredietwezen 1992

Afdeling 7. Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf

Afdeling 8. Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993

Afdeling 9. Clearinginstellingen

Afdeling 10. Waarborg- en garantiefondsen

Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de invoering te regelen van de Wet op het financieel toezicht en in verband daarmee de wetgeving aan te passen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Overgangsmaatregelen

Artikel 1

Artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op dit hoofdstuk.

Afdeling 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

De kosten van werkzaamheden die de toezichthouder op grond van artikel 1:40 van de Wet op het financieel toezicht in rekening brengt, kunnen mede betrekking hebben op de werkzaamheden die hij heeft verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond van de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993. Onder toepassing van de bedragen die direct voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht golden op grond van de in de vorige volzin bedoelde wetten, brengt de toezichthouder de hier bedoelde kosten in rekening bij de ondernemingen ten aanzien waarvan die werkzaamheden zijn verricht, voorzover deze kosten niet ten laste komen van de Rijksbegroting.

Artikel 3

De tweede volzin van artikel 1:40, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op de kosten die ingevolge artikel 2 in rekening worden gebracht.

Artikel 4

3.

Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht vermeldt de toezichthouder, voorzover van toepassing, met betrekking tot de gegevens die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht waren opgenomen in de in het eerste en tweede lid bedoelde registers en lijsten, de bepalingen uit de Wet op het financieel toezicht waarop zij berusten.

§ 2.3. Toezicht en handhaving

Artikel 5

Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht zijn met het toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij en krachtens de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, belast de personen die ingevolge artikel 1:72 van de Wet op het financieel toezicht zijn belast met het toezicht op de naleving van overeenkomstige regels bij of krachtens die wet.

Artikel 6

Een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete die is opgelegd terzake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:79 onderscheidenlijk 1:80 van laatstgenoemde wet.

Artikel 7

1.

De toezichthouder kan na inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht tot drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan een bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

2.

Op het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel 8

1.

De toezichthouder kan een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, na bekendmaking openbaar maken.

2.

Op de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel 9

Een aanwijzing die is gegeven terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 van laatstgenoemde wet.

Artikel 10

2.

Op de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel 11

Een besluit op grond van de Wet financiële dienstverlening, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 tot aanzegging dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring van een of meer door de toezichthouder aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:76 van laatstgenoemde wet.

Artikel 12

1.

De toezichthouder kan vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een besluit nemen als bedoeld in artikel 1:76, eerste lid, van die wet indien door een financiële onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn gevolg is gegeven aan een aanwijzing op grond van de Wet financiële dienstverlening, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

2.

Op de curator, bedoeld in het eerste lid, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht.

§ 2.4. Geheimhoudingsplicht en publicatiemogelijkheden

Artikel 13

Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht is afdeling 1.5.1 van die wet van overeenkomstige toepassing op gegevens en inlichtingen die zijn verstrekt of verkregen ingevolge de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

Artikel 14

De toezichthouder kan vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die waarschuwing hebben geleid, terzake van de feiten, bedoeld in de artikelen 85 van de Wet financiële dienstverlening, 33n van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, 48n van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, 90n van de Wet toezicht kredietwezen 1992, 93n van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en 188n van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, voorzover deze feiten tevens een overtreding van de Wet op het financieel toezicht opleveren.

§ 2.5. Bijzondere maatregelen

Artikel 15

Op een voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht afgegeven verklaring door een rechtbank, inhoudende de instelling van de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk X van de Wet toezicht kredietwezen 1992, hoofdstuk 8 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of hoofdstuk IX van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, blijft het voor dat tijdstip geldende recht van toepassing.

Artikel 16

Op de afhandeling van een noodregeling of een faillietverklaring van een kredietinstelling of verzekeraar die is vastgesteld onderscheidenlijk uitgesproken voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht, blijft het op het tijdstip van de vaststelling van de noodregeling onderscheidenlijk het uitspreken van de faillietverklaring geldende recht van toepassing.

Artikel 17

Een levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht ingevolge de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf verplicht is tot afwikkeling van zijn bedrijf of het betrokken gedeelte daarvan is gedurende de afwikkeling onderworpen aan de bepalingen van de Wet op het financieel toezicht.

§ 2.6. Toetsing van betrouwbaarheid en deskundigheid

Artikel 18

Indien de toezichthouder de betrouwbaarheid heeft vastgesteld van een persoon die het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepaalt of mede bepaalt of van een persoon die onderdeel is van een orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van een financiële onderneming voor de toepassing van de Wet financiële dienstverlening, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht de betrouwbaarheid van die persoon geacht buiten twijfel te staan voor de toepassing van laatstgenoemde wet.

Artikel 19

Indien de deskundigheid van een persoon die het dagelijks beleid van een financiële onderneming bepaalt of van een persoon die onderdeel uitmaakt van een orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen een financiële onderneming als voldoende is aangemerkt voor de toepassing van de Wet financiële dienstverlening, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht die persoon geacht deskundig te zijn in de zin van overeenkomstige bepalingen in laatstgenoemde wet.

§ 2.7. Beleggerscompensatie- en depositogarantiestelsel

Artikel 20

Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht de betalingsonmacht van een financiële onderneming is vastgesteld ingevolge het op grond van het op 21 september 1998 en 23 mei 2003 door de Nederlandsche Bank en een aantal representatieve organisaties overeengekomen beleggerscompensatiestelsel, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 januari 2004, of op grond van de Collectieve Garantieregeling van kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen van 17 september 1998, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 januari 2004, blijft op de afwikkeling van vorderingen op die financiële onderneming dat stelsel, onderscheidenlijk die regeling, van toepassing.

§ 2.8. Bevoegde rechter

Artikel 21

Ten aanzien van beroepen tegen besluiten genomen op grond van de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezichtartikel 1:110 van laatstgenoemde wet van overeenkomstige toepassing.

§ 2.9. Voorschriften en beperkingen

Artikel 22

Voorschriften die zijn verbonden en beperkingen die zijn gesteld aan een vergunning of een ontheffing die is verleend op grond van de Wet financiële dienstverlening, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf of de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:102, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

Afdeling 3. Wet financiële dienstverlening

§ 3.1. Vergunningen

Artikel 23

1.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor het aanbieden van een beleggingsobject of het aanbieden van een financieel product als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder 8°, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:58, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor het aanbieden van krediet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:63, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor adviseren, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor bemiddelen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:83, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

5.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor herverzekeringsbemiddelen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:89, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

6.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 11 van de Wet financiële dienstverlening voor het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:94, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

7.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:105, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 24

1.

Personen als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van laatstgenoemde wet, voor het afwikkelen van de in het eerstgenoemde artikel bedoelde overeenkomsten.

2.

Voorschriften die op grond van artikel 22, vijfde lid, van de Wet financiële dienstverlening met betrekking tot de afwikkeling van overeenkomsten zijn gegeven aan de in het eerste lid bedoelde personen berusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:102, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

§ 3.2. Ontheffingen

Artikel 25

1.

Een ontheffing van het verbod op het aanbieden van een beleggingsobject of een financieel product als bedoeld in artikel 1, onderdeel m, onder 8°, van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:55, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een ontheffing van het verbod op het aanbieden van krediet, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:60, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een ontheffing van het verbod op adviseren, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:75, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een ontheffing van het verbod op bemiddelen, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:80, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

5.

Een ontheffing van het verbod op herverzekeringsbemiddelen, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:86, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

6.

Een ontheffing van het verbod op het optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:92, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

7.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 22, tweede lid, van de Wet financiële dienstverlening berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:80, derde lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 26

1.

Een ontheffing van deskundigheidsvereisten als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:9, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot een integere bedrijfsvoering of een adequate administratieve organisatie en systeem van interne controle als bedoeld in artikel 28 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:15, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatieverstrekking als bedoeld in artikel 31 van die wet, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:20, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatievoorziening over een financieel product of een financiële dienst als bedoeld in artikel 35 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:22, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

5.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatieverstrekking door een adviseur als bedoeld in artikel 34 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

6.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de informatieverstrekking door een bemiddelaar als bedoeld in artikel 33 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:73, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

7.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening van een bemiddelaar in verzekeringen of een herverzekeringsbemiddelaar als bedoeld in artikel 29 van de Wet financiële dienstverlening, die is verleend op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:75, vijfde lid, onderscheidenlijk 4:76, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 27

Andere dan de in artikel 26 bedoelde ontheffingen die zijn verleend op grond van de Wet financiële dienstverlening gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht als ontheffingen van corresponderende vereisten in laatstgenoemde wet voor een periode van ten hoogste een jaar.

§ 3.3. Verbod

Artikel 28

Een verbod dat aan een financiële dienstverlener is opgelegd op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een verbod als bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

§ 3.4. Notificatie

Artikel 29

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening door een financiële onderneming met zetel in Nederland die vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat bemiddelt in verzekeringen onderscheidenlijk herverzekeringsbemiddelt, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:125, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2:126, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 30

Het is een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland bemiddelt in verzekeringen onderscheidenlijk herverzekeringsbemiddelt, toegestaan gedurende zes maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die wet zonder mededeling als bedoeld in artikel 2:84, eerste lid, onderscheidenlijk 2:90, eerste lid, haar werkzaamheden voort te zetten.

§ 3.5. Overig

Afdeling 4. Wet toezicht beleggingsinstellingen

§ 4.1. Vergunningen

Artikel 33

1.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen aan een beheerder van een beleggingsinstelling, anders dan bedoeld in artikel 6 van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:67 van laatstgenoemde wet.

2.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen ten behoeve van een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft en geen beleggingsmaatschappij is als bedoeld in artikel 6 van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:68 van laatstgenoemde wet.

3.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 5 ten behoeve van een beleggingsmaatschappij of beheerder als bedoeld in artikel 6 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:69 van laatstgenoemde wet en wordt geacht te zijn verleend aan de beheerder van die beleggingsmaatschappij.

Artikel 34

Een beleggingsinstelling die op 1 september 2005 beschikte over een vergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen zoals dit artikel luidde direct voorafgaand aan dat tijdstip, kan haar werkzaamheden overeenkomstig de bestaande vergunning voortzetten, indien de beheerder van die beleggingsinstelling voor 2 maart 2006 een verzoek heeft ingediend om een vergunning als bedoeld in artikel 4 van die wet zoals dit artikel luidde direct voorafgaand aan dat tijdstip, tot het moment dat onherroepelijk op het verzoek is beslist. De vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en gestelde beperkingen worden beheerst door de Wet toezicht beleggingsinstellingen zoals deze luidde direct voorafgaand aan 1 september 2005.

Artikel 35

De in de artikelen 2:67, tweede lid, 2:68, tweede lid en 2:69, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht bedoelde beheerders en beleggingsmaatschappijen waaraan vóór 1 september 2005 een vergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen is verleend, kunnen op basis van die vergunning hun werkzaamheden voortzetten tot 14 februari 2007. Een vóór 1 september 2005 verleende vergunning en de aan die vergunning verbonden voorwaarden worden, tot het moment dat de vergunning is verleend op grond van artikel 2:68 van de Wet op het financieel toezicht, beheerst door de Wet toezicht beleggingsinstellingen zoals deze luidde direct voorafgaand aan 1 september 2005, met dien verstande dat met betrekking tot informatieverstrekking artikel 4:61 van de Wet op het financieel toezicht van toepassing is.

§ 4.2. Ontheffingen

Artikel 36

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:65, derde lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 37

1.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot bepaalde financiële waarborgen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:57, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:11, vijfde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid moet voldoen dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgt, of 4:14, vierde lid, van laatstgenoemde wet, voorzover ontheffing is verleend van regels die een beheerste en integere uitoefening van het bedrijf waarborgen.

3.

Een ontheffing van de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:22, tweede lid, 4:46a, tweede lid, 4:47, vijfde lid, 4:48, derde lid of 4:49, vijfde lid, van laatstgenoemde wet, voor zover het de in het desbetreffende artikel geregelde verplichting betreft.

4.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan de toezichthouder te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:51, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.

5.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, die is verleend op grond van artikel 12, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:52, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 38

Andere dan de in artikel 37 bedoelde ontheffingen die zijn verleend op grond van de Wet toezicht beleggingsinstellingen gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht als ontheffingen van corresponderende vereisten in laatstgenoemde wet voor een periode van ten hoogste een jaar.

§ 4.3. Verklaring van geen bezwaar

Artikel 39

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 12, tiende lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet.

§ 4.4. Notificatie

Artikel 40

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 17a, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen door een beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten met zetel in een andere lidstaat die voornemens is door middel van dienstverrichting of vanuit een bijkantoor rechten van deelneming in die instelling in Nederland aan te bieden, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:72, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2:70, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 41

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 17c, tweede lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen door een beleggingsinstelling met zetel in een aangewezen staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:73, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

§ 4.5. Overig

Artikel 42

Een verbod dat op grond van artikel 17c, derde lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen is opgelegd, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:4, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 43

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 21a van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Afdeling 5. Wet toezicht effectenverkeer 1995

§ 5.1. Vergunningen

Artikel 44

1.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:99 van laatstgenoemde wet, voorzover zij strekt tot het verlenen van beleggingsdiensten waarvoor een vergunning is vereist ingevolge de Wet op het financieel toezicht.

2.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 7, zesde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:99 van laatstgenoemde wet. De houder van de vergunning wordt geacht te beschikken over een ontheffing als bedoeld in artikel 2:99, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht terzake van de vereisten waaraan de aanvrager niet kon voldoen.

Artikel 45

1.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 6, tweede lid, of 10, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:99 van laatstgenoemde wet.

2.

Beleggingsondernemingen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht worden geacht op grond van artikel 60, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van die wet te hebben, worden vanaf dat tijdstip geacht een vergunning te hebben op grond van artikel 2:99, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.

3.

Ten aanzien van beleggingsondernemingen met zetel in een andere lidstaat die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een vergunning hebben op grond van artikel 6, tweede lid, of 10, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer wordt geacht te zijn voldaan aan artikel 2:98, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht.

§ 5.2. Ontheffingen

Artikel 46

Vervallen

Artikel 47

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:27, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 48

1.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot bepaalde financiële waarborgen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:57, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:11, vijfde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de minimumvoorwaarden waaraan het beleid moet voldoen dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgt, 4:14 vierde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels die een beheerste en integere uitoefening van het bedrijf waarborgen, 4:25, tweede lid, voorzover een ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de in acht te nemen zorgvuldigheid, 4:83, tweede lid, voor een ontheffing van het vereiste dat ten minste twee natuurlijke personen het dagelijks beleid van een beleggingsonderneming bepalen of 4:88, vijfde lid, van die wet, voorzover een ontheffing is verleend van regels met betrekking tot het beleid ter zake van het voorkomen van belangconflicten tussen een beleggingsonderneming en haar cliënten en tussen haar cliënten onderling.

3.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan de toezichthouder te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:85, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een ontheffing van vereisten met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die is verleend op grond van artikel 11, vierde lid, van die wet berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:20, zesde lid, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot informatieverstrekking aan een consument of een cliënt, of 4:22, tweede lid, van die wet, voorzover ontheffing is verleend van regels met betrekking tot de informatievoorziening door een financiële onderneming over een financieel product of financiële dienst.

5.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 17, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:106, derde lid, van laatstgenoemde wet.

6.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 18b, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:68, derde lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 49

Andere dan de in artikel 48 bedoelde ontheffingen die zijn verleend op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 gelden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht als ontheffingen van corresponderende vereisten in laatstgenoemde wet voor een periode van ten hoogste een jaar.

§ 5.3. Verklaring van geen bezwaar

Artikel 50

1.

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 16, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet.

2.

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 26a, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:32, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 51

1.

Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die vóór 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:

  • a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of
2.

Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die vóór 15 september 2004 op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 is verleend ten behoeve van alle groepsmaatschappijen van een groep gezamenlijk, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend op grond van artikel 3:100 van die wet.

Artikel 52

Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op grond van artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar is ingediend waarop de Autoriteit Financiële Markten op dat tijdstip nog niet heeft beslist, wordt hierop door de Autoriteit Financiële Markten een beslissing genomen met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van de laatstgenoemde wet.

§ 5.4. Notificatie

Artikel 53

1.

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 13, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ten behoeve van een beleggingsonderneming met zetel in Nederland, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als het besluit tot instemming, bedoeld in artikel 2:127, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 14, derde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ten behoeve van een beleggingsonderneming met zetel in Nederland, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de mededeling, bedoeld in artikel 2:129, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een besluit tot instemming als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op 2:130, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

§ 5.5. Goedkeuring prospectus

Artikel 54

Vervallen

§ 5.6. Erkenning van een markt in financiële instrumenten

Artikel 55

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)