Wet van 20 november 2006, houdende invoering van de Wet op het financieel toezicht en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht)
Ten aanzien van overeenkomsten van schadeverzekering of levensverzekering die door een onderlinge waarborgmaatschappij zijn gesloten voor 26 juli 1976 en waaruit rechten en verplichtingen na 1 januari 1994 zijn of zullen worden overgedragen, geldt artikel 62, aanhef en onderdeel a, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de overdracht af, zulks in afwijking van artikel 47, tweede lid, van de Overgangswet voor het nieuwe Burgerlijk Wetboek.
Artikel 109
De artikelen 85, 86, 86a, 86b, 88 en 89 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing op een vruchtgebruik van en een pandrecht op aandelen in het waarborgkapitaal van een onderlinge waarborgmaatschappij, gevestigd voor 1 januari 1986.
Afdeling 9. Clearinginstellingen
Artikel 110
Het is een financiële onderneming met zetel in Nederland, niet zijnde een bank, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van clearinginstelling uitoefent, toegestaan zonder vergunning haar werkzaamheden voort te zetten, indien zij voldoet aan het vierde lid.
Het is een financiële onderneming met zetel buiten Nederland, niet zijnde een bank met zetel in een andere lidstaat, noch zijnde een clearinginstelling met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen ingevolge artikel 2:6, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet in Nederland het bedrijf van clearinginstelling uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor, toegestaan zonder vergunning haar werkzaamheden voort te zetten, indien zij voldoet aan het vijfde lid.
Het is een financiële onderneming met zetel buiten Nederland, niet zijnde een bank met zetel in een andere lidstaat, noch zijnde een clearinginstelling met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen ingevolge artikel 2:8, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet het bedrijf van clearinginstelling uitoefent door middel van het verrichten van diensten naar Nederland, toegestaan zonder dat zij heeft voldaan aan artikel 2:8, eerste lid, van die wet haar werkzaamheden voort te zetten, indien zij voldoet aan het zesde lid.
De financiële onderneming, bedoeld in het eerste lid, vraagt binnen één maand vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een vergunning aan bij de Nederlandsche Bank en verstrekt binnen zes maanden vanaf het tijdstip waarop die wet in werking treedt aan de Nederlandsche Bank de gegevens, bedoeld in artikel 2:5, tweede lid, van laatstgenoemde wet.
De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, vraagt binnen één maand vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een vergunning aan bij de Nederlandsche Bank en verstrekt binnen zes maanden vanaf dat tijdstip aan de Nederlandsche Bank de gegevens, bedoeld in artikel 2:7, tweede lid, van die wet.
De financiële onderneming, bedoeld in het derde lid, meldt zich binnen één maand vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht bij de Nederlandsche Bank en verstrekt binnen zes maanden vanaf dat tijdstip aan de Nederlandsche Bank de gegevens, bedoeld in artikel 2:9, eerste lid, van die wet.
Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op de daarin bedoelde financiële onderneming totdat de Nederlandsche Bank op haar vergunningaanvraag heeft beslist.
Het derde lid is van toepassing op de financiële onderneming totdat de Nederlandsche Bank heeft beslist dat is voldaan aan artikel 2:8 van de Wet op het financieel toezicht.
De Nederlandsche Bank beslist binnen 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid. Bij ministeriële regeling kan deze termijn twee maal worden verlengd met een periode van maximaal een half jaar.
De Nederlandsche Bank beslist binnen 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht of voldaan is aan artikel 2:8 van die wet. Bij ministeriële regeling kan deze termijn twee maal worden verlengd met een periode van maximaal een half jaar.
De financiële onderneming die op grond van het vierde of vijfde lid een vergunning heeft aangevraagd wordt als aanvrager ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, van de Wet op het financieel toezicht. De Nederlandsche Bank haalt deze inschrijving door zodra zij op de aanvraag heeft beslist.
De financiële onderneming die op grond van het zesde lid zich bij de Nederlandsche Bank heeft gemeld wordt ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 1:107, van de Wet op het financieel toezicht, als een onderneming die aan de Nederlandsche Bank kennis heeft gegeven van het voornemen door middel van dienstverrichting naar Nederland het bedrijf van clearinginstelling te verrichten. De Nederlandsche Bank haalt deze inschrijving door zodra zij heeft beslist dat is voldaan aan artikel 2:8 van de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 111
Het is een financiële instelling, niet zijnde een bank, met zetel in een staat die is aangewezen ingevolge artikel 2:6, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht, die op het moment van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten naar Nederland het bedrijf van clearinginstelling uitoefent, toegestaan haar werkzaamheden voort te zetten, onder de voorwaarde dat zij binnen twee maanden na de inwerkingtreding aan de Nederlandsche Bank kennis geeft van de voortzetting.
De financiële onderneming kan haar werkzaamheden blijven uitoefenen door middel van het verrichten van diensten naar Nederland nadat de kennisgeving is gedaan tenzij de Nederlandsche Bank mededeelt dat de voortzetting of de wijze van uitoefening in strijd is met de Wet op het financieel toezicht.
Indien de Nederlandsche Bank een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen, deelt zij de betrokken clearinginstelling onverwijld deze ontvangst mee.
De Nederlandsche Bank kan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de clearinginstelling mededelen welke voorwaarden om redenen van algemeen belang door de clearinginstelling in acht moeten worden genomen bij het uitoefenen van haar bedrijf vanuit het in Nederland gelegen bijkantoor.
Afdeling 10. Waarborg- en garantiefondsen
Artikel 111a
Het verbod, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op degene die op het tijdstip waarop die wet in werking treedt optreedt als waarborg- of garantiefonds, indien deze binnen twee maanden na dat tijdstip een aanvraag indient voor een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar, en voor zover de Nederlandsche Bank nog niet op die aanvraag heeft beslist.
De Nederlandsche Bank beslist binnen 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op de aanvraag. Bij ministeriële regeling kan deze termijn tweemaal worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden.
Degene die op grond van het eerste lid een vergunning heeft aangevraagd wordt als aanvrager ingeschreven in het register, bedoelt in artikel 1:107, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht. De Nederlandsche Bank haalt deze inschrijving door zodra zij op de aanvraag heeft beslist.
Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten
§ 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Artikel 112
Wijzigt de Brandweerwet 1985.
Artikel 113
Wijzigt de Wet gevolgen privatisering ABP voor het personeel van de Koninklijke Hofhouding.
Artikel 114
Wijzigt de Wet privatisering ABP.
§ 2. Ministerie van Buitenlandse Zaken
Artikel 115
Wijzigt de Sanctiewet 1977.
§ 3. Ministerie van Economische Zaken
Artikel 116
Wijzigt de Colportagewet.
Artikel 117
Wijzigt de Handelsregisterwet 1996.
Artikel 118
Wijzigt de Mededingingswet.
Artikel 119
Wijzigt de Vestigingswet Bedrijven 1954.
Artikel 120
Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming.
§ 4. Ministerie van Financiën
Artikel 121
Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Artikel 122
Wijzigt de Comptabiliteitswet 2001.
Artikel 123
Wijzigt de Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 124
Wijzigt de Invorderingswet 1990.
Artikel 125
Wijzigt de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën.
Artikel 126
Wijzigt de Noodwet financieel verkeer.
Artikel 127
Wijzigt de Wet giraal effectenverkeer.
Artikel 128
Wijzigt de Wet identificatie bij dienstverlening.
Artikel 129
Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 130
Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren.
Artikel 131
Wijzigt de Wet melding ongebruikelijke transacties.
Artikel 132
Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.
Artikel 133
Wijzigt de Wet op de dividendbelasting 1965.
Artikel 134
Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.
Artikel 135
Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Artikel 135a
Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 136
Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving.
Artikel 137
Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren.
§ 5. Ministerie van Justitie
Artikel 138
Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 1.
Artikel 139
Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 2.
Artikel 140
Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7.
Artikel 141
Wijzigt de Faillissementswet.
Artikel 142
Wijzigt de Gerechtsdeurwaarderswet.
Artikel 143
Wijzigt de Onteigeningswet.
Artikel 144
Wijzigt de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen.
Artikel 145
Wijzigt de Wet aansprakelijkheid olietankschepen.
Artikel 146
Wijzigt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
Artikel 147
Wijzigt de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 148
Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.
Artikel 149
Wijzigt de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.
Artikel 150
Wijzigt de Wet op de economische delicten.
Artikel 151
Wijzigt de Wet op het notarisambt.
Artikel 152
Wijzigt de Uitvoeringswet enkele conflictenrechtelijke bepalingen van richtlijn nr. 88/357/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988, enz..
Artikel 153
Wijzigt de Uitvoeringswet Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.
Artikel 154
Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 155
Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.
§ 6. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Artikel 156
Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer.
Artikel 157
Wijzigt de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer.
§ 7. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikel 158
Wijzigt de Pensioen- en spaarfondsenwet.
Artikel 159
Wijzigt de Wet financiering sociale verzekeringen.
Artikel 160
Vervallen
Artikel 161
Wijzigt de Wet privatisering FVP.
Artikel 162
Wijzigt de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 163
Wijzigt de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 164
Wijzigt de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.
Artikel 165
Wijzigt de Wet werk en bijstand.
§ 8. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Artikel 166
Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Artikel 167
Wijzigt de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet.
Artikel 168
Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg.
Artikel 169
Wijzigt de Zorgverzekeringswet.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 170
Wijzigt de Wet toezicht financiële verslaggeving en deze wet.
Artikel 171
Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming.
Artikel 172
Wijzigt de Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer.
Artikel 173
Vervallen.
Artikel 174
Wijzigt deze wet.
Artikel 175
Wijzigt deze wet.
Artikel 175a
Artikel 5:86 van de Wet op het financieel toezicht is van toepassing met ingang van het boekjaar aanvangt op of na het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 176
Bij ministeriële regeling kunnen, voorzover dit noodzakelijk is voor de invoering van de Wet op het financieel toezicht of van deze wet en zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen.
Na de plaatsing in de Staatscourant van een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 177
Onze Minister brengt voor plaatsing van deze wet in het Staatsblad de in deze wet voorkomende verwijzingen naar artikelen uit de Wet op het financieel toezicht in overeenstemming met de op grond van artikel 7:1 van die wet opnieuw vastgestelde nummering.
Artikel 178
De Wet van 6 december 1999, houdende bepalingen ter vrijwaring van kredietinstellingen en andere financiële instellingen tegen aansprakelijkheid in verband met maatregelen die samenhangen met sluiting van betalings- en effectenafwikkelsystemen op 31 december 1999 (Stb. 589), de Wet financiële dienstverlening, de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1, onderdelen a, e, n, o en p, 2, 5a, met dien verstande dat voor «artikel 5» wordt gelezen «artikel 5:24 van de Wet op het financieel toezicht», 6a, met dien verstande dat voor «op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs» wordt gelezen «markt in financiële instrumenten waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht», 6b, 6c, 28, eerste tot en met het derde lid, 29, eerste lid, onderdeel o, tweede en derde lid, 31, 44 en 67, alsmede de hoofdstukken IX, XIIA, XIIB en XIIC, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 worden ingetrokken.
Artikel 179
Deze wet en de Wet op het financieel toezicht treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat daarbij aan te geven artikelen of onderdelen daarvan op een later, bij koninklijk besluit te bepalen, tijdstip in werking treden.
In het koninklijk besluit kan worden bepaald dat het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van deze wet kan terugwerken tot en met 1 januari 2006.
Artikel 180
Deze wet wordt aangehaald als: Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 16a
Op een op of na 1 januari 2007 plaatsgevonden faillietverklaring van een kredietinstelling of verzekeraar of gedaan verzoek of voordracht daartoe en op de gevolgen van een op of na die datum uitgesproken faillissement van een kredietinstelling of verzekeraar ten aanzien waarvan onderscheidenlijk van wie voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht een noodregeling is uitgesproken op grond van artikel 71 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, artikel 66 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf onderscheidenlijk artikel 156 Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, is de Faillissementswet van toepassing zoals die luidt op het moment van het verzoek of de voordracht.
§ 2.6. Toetsing van betrouwbaarheid en deskundigheid
§ 2.7. Beleggerscompensatie- en depositogarantiestelsel
§ 2.8. Bevoegde rechter
§ 2.9. Voorschriften en beperkingen
Afdeling 3. Wet financiële dienstverlening
§ 3.1. Vergunningen
§ 3.2. Ontheffingen
§ 3.3. Verbod
§ 3.4. Notificatie
§ 3.5. Overig
Afdeling 4. Wet toezicht beleggingsinstellingen
§ 4.1. Vergunningen
§ 4.2. Ontheffingen
§ 4.3. Verklaring van geen bezwaar
§ 4.4. Notificatie
§ 4.5. Overig
Afdeling 5. Wet toezicht effectenverkeer 1995
§ 5.1. Vergunningen
§ 5.2. Ontheffingen
§ 5.3. Verklaring van geen bezwaar
§ 5.4. Notificatie
§ 5.5. Goedkeuring prospectus
§ 5.6. Erkenning van een markt in financiële instrumenten
§ 5.7. Overig
Afdeling 6. Wet toezicht kredietwezen 1992
§ 6.1. Vergunningen
§ 6.2. Vrijstellingen
§ 6.3. Ontheffingen
§ 6.4. Notificatie
§ 6.5. Verklaring van geen bezwaar
§ 6.6. Overig
Afdeling 7. Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
§ 7.1. Vergunning
§ 7.2. Ontheffingen
§ 7.3. Verklaring van geen bezwaar
§ 7.4. Notificatie
§ 7.5. Overig
Afdeling 8. Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
§ 8.1. Vergunning
§ 8.2. Ontheffingen
§ 8.3. Verklaring van geen bezwaar
§ 8.4. Notificatie
§ 8.5. Overig
Afdeling 9. Clearinginstellingen
Afdeling 10. Waarborg- en garantiefondsen
Hoofdstuk 2. Wijziging van andere wetten
§ 1. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
§ 2. Ministerie van Buitenlandse Zaken
§ 3. Ministerie van Economische Zaken
§ 4. Ministerie van Financiën
§ 5. Ministerie van Justitie
§ 6. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
§ 7. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
§ 8. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)