Wet van 20 november 2006, houdende invoering van de Wet op het financieel toezicht en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Wet op het financieel toezicht)

Type Wet
Publication 2019-07-21
State In force
Source BWB
artikelen 282
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Een erkenning op grond van artikel 22, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 5:26, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

§ 5.7. Overig

Artikel 56

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 28b van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Afdeling 6. Wet toezicht kredietwezen 1992

§ 6.1. Vergunningen

Artikel 57

1.

Een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:11, eerste lid, van die wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder een vergunning is vereist op grond van laatstgenoemd artikel.

2.

Een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 voor het uitoefenen van het bedrijf, bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:11 van die wet voor een periode van ten hoogste zes maanden.

3.

Een vergunning als bedoeld in het vorige lid berust ook na de in dat lid bedoelde periode op artikel 2:11 van de Wet op het financieel toezicht, indien de houder van de vergunning binnen zes maanden na inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aan de Nederlandsche Bank te kennen heeft gegeven zijn vergunning te willen behouden.

4.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:21, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 58

1.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen of op grond van artikel 62 van die wet of 7 van de Postbankwet wordt geacht te zijn verleend aan een bank met zetel in Nederland, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:11, eerste lid, van laatstgenoemde wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder van die vergunning een vergunning is vereist.

2.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen of op grond van artikel 62 van die wet wordt geacht te zijn verleend aan een bank als bedoeld in artikel 112, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:21 van die wet, voorzover voor het uitoefenen van het bedrijf van de houder van die vergunning een vergunning als bedoeld in dat artikel is vereist.

3.

Een bank als bedoeld in artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die een vergunning heeft op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen of op grond van artikel 62 van de eerstgenoemde wet wordt geacht een vergunning te hebben verkregen, en die op grond van artikel 112, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt geacht te hebben voldaan aan het bepaalde, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van die wet, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te beschikken over de mededeling, bedoeld in artikel 2:15 van laatstgenoemde wet.

Artikel 59

Een financiële onderneming die op het tijdstip waarop artikel 112a van de Wet toezicht kredietwezen 1992 in werking trad, in Nederland het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefende, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te beschikken over een vergunning als bedoeld in 2:11, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

§ 6.2. Vrijstellingen

Artikel 60

1.

Op degene op wie een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht het bepaalde in artikel 3:2 van die wet van toepassing, voorzover diegene effecten als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht aanbiedt aan het publiek of doet toelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht.

2.

Op degene op wie een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 en die effecten als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 die geen effecten zijn in de zin van de Wet op het financieel toezicht, aan het publiek aanbiedt of doet toelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht is vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht het bepaalde in artikel 3:2 van die wet van overeenkomstige toepassing voor een periode van ten hoogste een jaar. Indien de in de vorige volzin bedoelde effecten een overeenkomst betreffen met een looptijd die langer is dan een jaar, is het bepaalde in artikel 3:2 van die wet op de in de vorige volzin bedoelde aanbieder van overeenkomstige toepassing tot aan het einde van de looptijd van die overeenkomst.

§ 6.3. Ontheffingen

Artikel 61

1.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 38a, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:23, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het buiten besloten kring van anderen dan professionele marktpartijen aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:5, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon ten behoeve van het buiten besloten kring aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:3, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een ontheffing die op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is verleend aan een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 3 van de Vrijstellingsregeling Wtk 1992 die niet voldeed aan de in dat artikel bedoelde voorschriften berust, voor zover deze ontheffing betrekking heeft op die voorschriften, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:2, derde lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 62

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 83, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:7, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 63

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 42 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:5, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 64

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de mededeling, bedoeld in artikel 2:15, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 65

1.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 10, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:19, derde lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:53, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 20, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:57, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 21, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel op artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

5.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 22, derde lid, of 30c, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:17, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

6.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:71, derde lid, van laatstgenoemde wet.

7.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 30b, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 van het terzake van de vereiste solvabiliteit of liquiditeit bepaalde, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:57, zesde lid, onderscheidenlijk artikel 3:63, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

8.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 55, negende lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:72, achtste lid, van laatstgenoemde wet.

§ 6.4. Notificatie

Artikel 66

Een kennisgeving die is gedaan op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 door een kredietinstelling met zetel in Nederland, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:110, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 67

Een kennisgeving als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die is gedaan door een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de mededeling, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 68

Een kennisgeving die is gedaan op grond van artikel 32, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 door een bank met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:18, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 69

Een kennisgeving die is gedaan op grond van artikel 32a van de Wet toezicht kredietwezen 1992 door een elektronischgeldinstelling met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:19 van laatstgenoemde wet.

Artikel 70

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 48, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de instemming, bedoeld in artikel 2:112, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 71

Een bank met zetel in een andere lidstaat die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht voor het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden door middel van het verrichten van diensten in Nederland op grond van artikel 115 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt geacht te beschikken over een ontheffing als bedoeld in artikel 82 van die wet en die van de toezichthoudende instantie in de andere lidstaat een voor de uitoefening van het bedrijf van bank benodigde vergunning heeft, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 2:18, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel 72

Een financiële onderneming met zetel in een andere lidstaat die op 1 juli 2002 in Nederland door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefent, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te hebben voldaan aan artikel 2:14, eerste lid, onderscheidenlijk 2:19, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

§ 6.5. Verklaring van geen bezwaar

Artikel 73

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 voor een handeling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of 24, eerste lid, van die wet, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, artikel 3:100, onderscheidenlijk artikel 3:101 van laatstgenoemde wet.

Artikel 74

1.

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 25 van de Wet toezicht kredietwezen berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, of op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet, voorzover de handelingen waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend overeenkomen met de in artikel 3:95, eerste lid, bedoelde handelingen.

2.

Aan degene die reeds op 1 januari 1979 een gekwalificeerde deelneming hield waarvoor ingevolge de artikelen 3:95, eerste lid, onderscheidenlijk 3:96, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht een verklaring van geen bezwaar is vereist, wordt geacht een verklaring van geen bezwaar te zijn verleend op grond van de artikelen 3:97, eerste lid, 3:100, eerste lid, onderscheidenlijk 3:101 van laatstgenoemde wet.

Artikel 75

Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23 of 24 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die vóór 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:

  • a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of

§ 6.6. Overig

Artikel 76

Een besluit dat is genomen op grond van artikel 12 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:111, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 77

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 14a van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:78, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 78

Een verklaring van ondertoezichtstelling die is afgegeven op grond van artikel 45, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:110, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 79

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 55, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

Afdeling 7. Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf

§ 7.1. Vergunning

Artikel 80

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 14 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:49 van laatstgenoemde wet.

§ 7.2. Ontheffingen

Artikel 81

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 36, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:165, derde lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 82

1.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 17, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:19, derde lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 23, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:47, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 25, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:20, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 32, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:70, tweede lid, voorzover de ontheffing is verleend aan een verzekeraar met zetel in Nederland, onderscheidenlijk 3:79 van laatstgenoemde wet, voorzover de ontheffing is verleend aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, die zijn bedrijf uitoefent vanuit in Nederland gelegen bijkantoren.

5.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 38, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:69, derde lid, van laatstgenoemde wet.

6.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 45, vierde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:69, derde lid, van laatstgenoemde wet.

§ 7.3. Verklaring van geen bezwaar

Artikel 83

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 84, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, of op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet.

Artikel 84

Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 82 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf die vóór 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:

  • a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of

§ 7.4. Notificatie

Artikel 85

Een beslissing tot toestemming die is gegeven op grond van artikel 40a, vijfde lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de instemming, bedoeld in artikel 2:121, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 86

Een overlegging van bescheiden op grond van artikel 49, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf door een natura-uitvaartverzekeraar met zetel buiten Nederland, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als de kennisgeving, bedoeld in artikel 2:54, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

§ 7.5. Overig

Artikel 87

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 51, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:67, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 88

1.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 33, tweede lid, van de Wet natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 56, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:135, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 56, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:146, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

5.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 57, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136, eerste lid, voorzover de beschikking is gegeven aan een verzekeraar met zetel in Nederland of 3:147 van laatstgenoemde wet, voorzover de beschikking is gegeven aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.

6.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 57, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136, tweede lid, voorzover de beschikking is gegeven aan een verzekeraar met zetel in Nederland of 3:147 van laatstgenoemde wet, voorzover de beschikking is gegeven aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.

7.

Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 59, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:138, eerste lid, voorzover de beschikking is gegeven aan een verzekeraar met zetel in Nederland of 3:147 van laatstgenoemde wet, voorzover de beschikking is gegeven aan een natura-uitvaartverzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat.

Artikel 89

Ten aanzien van overeenkomsten van natura-uitvaartverzekering die met een onderlinge waarborgmaatschappij zijn gesloten voor 26 juli 1976 en waaruit rechten en verplichtingen na 31 december 1995 zijn of zullen worden overgedragen, geldt artikel 62, aanhef en onderdeel a, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de overdracht af, zulks in afwijking van artikel 47, tweede lid, van de Overgangswet voor het nieuwe Burgerlijk Wetboek.

Artikel 90

Ingeval voor 1 januari 1996 de faillietverklaring van een natura-uitvaartverzekeraar is uitgesproken, blijven op het faillissement en op de vereffening of de overdracht van verbintenissen de bepalingen van toepassing die voor dat tijdstip golden.

Afdeling 8. Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993

§ 8.1. Vergunning

Artikel 91

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:31, eerste lid, voorzover de vergunning is verleend aan een persoon met zetel in Nederland voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar, 2:37, eerste lid, voorzover de vergunning is verleend aan een persoon met zetel in een andere lidstaat voor het vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar dan wel op grond van artikel 2:41, eerste lid, van laatstgenoemde wet, voorzover de vergunning is verleend aan een persoon met zetel in een staat die geen lidstaat is voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een bijkantoor in Nederland.

Artikel 92

1.

Een vergunning die is verleend op grond van artikel 10 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht wordt beschouwd te zijn verkregen op grond van artikel 35 of artikel 47 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:31, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 2:41, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat die het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor uitoefent en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op grond van artikel 190, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 37 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, wordt geacht de mededelingen, bedoeld in artikel 2:35 van de Wet op het financieel toezicht te hebben ontvangen.

Artikel 93

1.

Op levensverzekeraars en schadeverzekeraars die op 20 maart 2002 een vergunning hadden om het levensverzekeringsbedrijf onderscheidenlijk het schadeverzekeringsbedrijf uit te oefenen, blijft tot 20 maart 2007 het bij of krachtens de artikelen 68 of 69 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bepaalde van toepassing zoals dit luidde op 30 november 2003.

2.

Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid op 20 maart 2007 nog niet volledig voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 68 of 96 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bepaalde, kan de Nederlandsche Bank daartoe een aanvullende termijn van ten hoogste twee jaar toestaan, mits de verzekeraar voor genoemde datum de maatregelen die hij voornemens is te nemen om de vereiste solvabiliteitsmarge te bereiken overeenkomstig artikel 138 of 144 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 ter toestemming bij de Nederlandsche Bank heeft ingediend en zij die toestemming heeft verleend.

§ 8.2. Ontheffingen

Artikel 94

1.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 28, vierde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:15, derde lid, of 3:19, derde lid, van laatstgenoemde wet.

2.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 45, vierde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:47, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 51, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:20, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 52, zevende lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:71, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

5.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 66, zevende lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:67, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.

6.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 67, derde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:67, vijfde lid, van laatstgenoemde wet.

7.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 71, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:70, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

8.

Een ontheffing die is verleend grond van artikel 76, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:165, derde lid, van laatstgenoemde wet.

9.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 94, achtste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:68, vierde lid, van laatstgenoemde wet.

10.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 99, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op 3:79 van laatstgenoemde wet.

11.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 104, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:166, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

12.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 109, tiende lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 4:71, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

13.

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 147k, elfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:156, achtste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 95

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 13, zesde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 blijft vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht voor een periode van ten hoogste een jaar geldig.

§ 8.3. Verklaring van geen bezwaar

Artikel 96

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 176, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, tweede lid, van die wet, voorzover de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een handeling als bedoeld in het eerste lid van laatstgenoemd artikel, of op artikel 3:100 van de Wet op het financieel toezicht, voorzover de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een handeling als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, van die wet.

Artikel 97

1.

Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 81 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:97, eerste lid, dan wel op artikel 3:100 van laatstgenoemde wet, voorzover de handelingen waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend overeenkomen met de in artikel 3:95, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht bedoelde handelingen.

2.

Degene die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf een gekwalificeerde deelneming hield, wordt geacht te beschikken over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel 98

Een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 175 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 die voor 15 september 2004 is verleend, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht geacht te zijn verleend voor een deelneming tot de eerstvolgende bovengrens van 20, 33, 50 of 100 procent, tenzij:

  • a. de verklaring van geen bezwaar is verleend voor een deelneming die ligt op een van genoemde grenzen; of

§ 8.4. Notificatie

Artikel 99

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 111, eerste lid, of artikel 113, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:34, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 100

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 50g, 50m, 50t of 50z van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf door een schadeverzekeraar of levensverzekeraar met zetel in een andere lidstaat, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:34, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 101

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 116, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:46, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 102

Een mededeling die is gedaan op grond van artikel 118, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 door een levensverzekeraar of een schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 2:45, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

§ 8.5. Overig

Artikel 103

Een verklaring die is afgegeven op grond van artikel 49, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht aangemerkt als een ontheffing op grond van artikel 3:60, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 104

Een machtiging die is verleend op grond van artikel 147e, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:154, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 105

2.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 100, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:72, zesde lid, van laatstgenoemde wet.

3.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 115, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:58, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

4.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 120, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:66, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

5.

Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 137, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:135, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

6.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 137a, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:132, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

7.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 138, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

8.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 138, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

9.

Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 140, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:138, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

10.

Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 140a, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:139, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

11.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 141, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:59, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

12.

Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 143, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:141, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

13.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 144 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:136 van laatstgenoemde wet.

14.

Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 146, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:144, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

15.

Een beschikking die is gegeven of machtiging die is verleend op grond van artikel 146a, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:145, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

16.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 147, tweede lid van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 1:59, tweede lid, van laatstgenoemde wet.

17.

Een beschikking die is gegeven op grond van artikel 147h van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:153 van laatstgenoemde wet.

19.

Een beschikking die is gegeven of een machtiging die is verleend op grond van artikel 153, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht op artikel 3:135, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Artikel 106

Een besluit dat is genomen op grond van een van de artikelen van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, genoemd in kolom A, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht, aangemerkt als besluit in de zin van het in kolom B genoemde artikel van de Wet op het financieel toezicht.

A. Wet toezicht verzekeringsbedrijf B. Wet op het financieel toezicht
17, vierde lid (ontheffing van artikel 17, tweede lid) 3:15. derde lid
17, vierde lid (ontheffing van artikel 17, derde lid) 3:19 derde lid
24 juncto 22, vierde lid 3:47, vierde lid
25, eerste lid 3:60, eerste lid
26, vijfde lid 4:70, achtste lid
27, tweede lid 3:70
29g, tweede lid 1:59, tweede lid
34 1:75 en 1:76
35a, tweede lid 2:165 en 2:166
37, vijfde lid 3:67, vijfde lid
42, vijfde lid 3:68, vierde lid
50e, tiende lid 4:71, zesde lid
50k, tweede lid 1:58, tweede lid (schadeverzekeraar met zetel in andere lidstaat), 1:66, tweede lid (schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is), 1:75 (voor wat betreft de voorschriften ter zake van acquisitie)
50o, eerste lid 1:58, tweede lid (schadeverzekeraar met zetel in andere lidstaat), 1:66, tweede lid (schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is), 1:75 (voor wat betreft de voorschriften ter zake van acquisitie)
50x, tweede lid 1:58, tweede lid (levensverzekeraar met zetel in andere lidstaat), 1:66, tweede lid (levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is), 1:75 (voor wat betreft de voorschriften ter zake van acquisitie)
50bb, eerste lid 1:58, tweede lid (levensverzekeraar met zetel in andere lidstaat), 1:66, tweede lid (levensverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is), 1:75 (voor wat betreft de voorschriften ter zake van acquisitie)
53c, vierde lid 3:119, vierde lid
54, eerste lid 3:140, tweede lid (levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in andere lidstaat), 3:141, eerste lid (levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is)
54, derde lid 3:140, eerste lid
55, eerste lid 3:136, eerste lid (verzekeraar met zetel in Nederland); 3:142 (levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is)
55, tweede lid 3:136 tweede lid (verzekeraar met zetel in Nederland); 3:142 (levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is)
57, eerste lid 3:138, eerste lid (verzekeraar met zetel in Nederland); 3:144, eerste lid (levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is)
83, vijfde lid 4:20

Artikel 107

1.

Voorzieningen die zijn getroffen voor 4 december 1985 en die in strijd waren met artikel 13, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, onderdelen b en c, onderdeel d, onder 2°, en onderdeel e, onder 2°, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 zoals deze wet luidde voor de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht kunnen worden voortgezet, voorzover:

  • a. zij hebben geleid tot overeenkomsten van pensioenverzekering, gesloten voor 19 december 1987;
  • b. zij na 19 december 1987 hebben geleid of leiden tot een verhoging of uitbreiding van een pensioenverzekering als bedoeld in onderdeel a, mits het fonds, de onderneming of de pensioeninstelling daartoe krachtens de voorwaarden van die verzekering of van de voorziening, zoals deze luidden op 19 december 1987, gehouden was of is;
  • c. zij in de periode vanaf 19 december 1987 tot en met 18 juni 1988 hebben geleid tot nieuwe overeenkomsten van pensioenverzekering, verhoging of uitbreiding van die verzekeringen daaronder begrepen, tot het sluiten waarvan het fonds, de onderneming of de pensioeninstelling gehouden was.
2.

Handelingen die ingevolge het eerste lid zijn toegestaan, worden niet beschouwd als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar.

Artikel 108

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)