Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)
Gelet op artikel 2, derde lid, 70, tweede lid, 109, zevende lid, en 158 van de Pensioenwet; artikel 81, tweede lid en 153 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; artikel 9, vierde lid, 23, vierde lid, 25, eerste en vijfde lid en 27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling; artikel 12, derde lid en 22, vierde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; artikel 8, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen; artikel 50, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; artikel 67, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 7, vierde lid, en artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;
Met betrekking tot de artikelen 32, 33 en 34 handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Regels op grond van de Pensioenweten de Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 1. Aanwijzingen
Artikel 1. Aangewezen werknemers
Als categorie van personen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet worden aangewezen:
- a. de personen die in de Generale regeling predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt;
- b. de bestuurders van vennootschappen als bedoeld in artikel 132, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van de directeur-grootaandeelhouder;
- c. de ambtsdragers behorende tot het Kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten;
- d. de predikanten die een pensioenovereenkomst hebben gesloten met de Stichting voor de predikantspensioenen;
- e. personen die zijn aangesteld als officieren door het Kerkgenootschap Leger des Heils in Nederland.
Artikel 2. Aangewezen instellingen
Als instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 81, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden de in bijlage 1 genoemde instellingen en aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders, aangewezen.
Artikel 3. Aangewezen verenigingen
Vervallen
Paragraaf 1a. Tijdelijke regeling pensioenknip
Artikel 4. Vaststelling toeslagenlabel
Vervallen
Artikel 5. Consistentie verzekeraars
Voor de toepassing van artikel 95, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstaan onder:
- a. gewekte verwachtingen: de toeslagambitie;
- b. financiering: hetgeen in de uitvoeringsovereenkomst over de financiering is geregeld; en
- c. het realiseren van voorwaardelijke toeslagen: de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar.
Consistentie bestaat indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de toeslagambitie.
Het rekeninstrument, bedoeld in het tweede lid, is door verzekeraars op te vragen bij het Verbond van Verzekeraars. Voor wijziging van dit rekeninstrument is instemming van De Nederlandsche Bank en Onze Minister vereist.
Artikel 6. Voorwaardelijkheidsverklaring
De voorwaardelijkheidsverklaring, bedoeld in artikel 95, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 103, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is vormvrij.
Paragraaf 3. Begroting, jaarverslag, jaarrekening of verantwoording
Artikel 7. Reële dekkingsgraad
De reële dekkingsgraad, bedoeld in artikel 133b van de Pensioenwet dan wel artikel 128b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is gelijk aan de beleidsdekkingsgraad gedeeld door de beleidsdekkingsgraad die ingevolge artikel 137, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 132, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is vereist voor voorwaardelijke toeslagverlening ter hoogte van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
Artikel 8. Vrijstelling termijn tien jaar en aantal van zes
Een fonds waarvan de dekkingsgraad op 31 december 2019, 31 december 2020, 31 december 2021 of 31 december 2022 ligt onder het niveau dat nodig is om zonder vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten in tien jaar te voldoen aan artikel 132 van de Pensioenwet dan wel artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt vrijgesteld van de termijn van tien jaar, bedoeld in artikel 138, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 133, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het, met inachtneming van dit artikel, een herstelplan indient met een looptijd van maximaal twaalf jaar.
Een fonds dat op 31 december 2019, 31 december 2020, 31 december 2021 of 31 december 2022 voor de zesde maal opeenvolgend een beleidsdekkingsgraad heeft die ligt onder het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen en die op dat tijdstip een dekkingsgraad heeft die ook ligt onder dat niveau, wordt vrijgesteld van het in artikel 140, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 135, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, genoemde aantal van zes, indien het een herstelplan indient met inachtneming van dit artikel.
Een fonds dat gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in het eerste of tweede lid, en dat op 31 december 2019, 31 december 2020, 31 december 2021 of 31 december 2022 een dekkingsgraad heeft waarbij de technische voorzieningen voor minder dan 90% door waarden worden gedekt, neemt telkens binnen zes maanden maatregelen waardoor de dekkingsgraad van het fonds direct zodanig wordt dat de technische voorzieningen voor 90% door waarden worden gedekt.
Voor zover het bij de maatregelen, bedoeld in het derde lid, een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten betreft, worden deze direct in de technische voorzieningen verwerkt en ofwel direct doorgevoerd, ofwel in beginsel evenredig gespreid in de tijd gedurende maximaal de termijn die wordt gebruikt voor het herstelplan.
Een fonds dat gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in het eerste of tweede lid:
- a. onderbouwt bij het indienen van het herstelplan waarom het vanuit het belang van deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden gebruik maakt van de vrijstelling;
- b. verklaart dat het naar verwachting zal overgaan op een collectieve waardeoverdracht die ertoe strekt om in verband met een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten dan wel een wijziging van de beroepspensioenregeling naar aanleiding van de voorgenomen stelselwijziging de waarde van de pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij het fonds overeenkomstig de gewijzigde pensioenovereenkomsten of beroepspensioenregeling; en
- c. stelt informatie over het gebruik van de regeling en de onderbouwing daarvan tijdig ter beschikking van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden of verstrekt deze informatie tijdig.
Indien een fonds gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is artikel 140, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 135, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, van overeenkomstige toepassing bij iedere volgende vaststelling van de beleidsdekkingsgraad op grond van artikel 138, zevende lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 133, zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, totdat de beleidsdekkingsgraad ligt op of boven het niveau van het minimaal vereist eigen vermogen of de beleidsdekkingsgraad en de dekkingsgraad liggen onder dat niveau en maatregelen zijn genomen waardoor de dekkingsgraad voldoet aan het minimaal vereist eigen vermogen. Artikel 142 van de Pensioenwet dan wel artikel 137 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is van overeenkomstige toepassing bij iedere volgende vaststelling.
Artikel 9. Eisen aan de toelichting bij de begroting
Vervallen
Artikel 10. Eisen aan de gewijzigde of aanvullende begroting
Vervallen
Artikel 11. Indienen van jaarverslag en jaarrekening of verantwoording
Vervallen
Artikel 12. Eisen aan jaarrekening of verantwoording
Vervallen
Artikel 13. Eisen aan het jaarverslag
Vervallen
Artikel 14. Informatie over de pensioenregeling
Vervallen
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 2a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan
Artikel 15. Berekenen risicoblootstelling maatstaven
Voor de toepassing van artikel 14u van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstaan onder:
- a. een mediaan scenario: het scenario van het 50e percentiel;
- b. een pessimistisch scenario: het scenario van het 5e percentiel.
Voor de berekening van de blootstelling behorend bij de risicomaatstaf, de verwachtingsmaatstaf en de lange termijn risicomaatstaf, bedoeld in artikel 14u van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling worden de procedure, formules en symbolen in bijlage 1a gebruikt.
Paragraaf 3. Begroting, jaarverslag, jaarrekening of verantwoording
Artikel 16. Bepaling rente
De rente, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt berekend aan de hand van het u-rendement, waarbij de periode wordt vastgesteld in volle maanden. Het aantal volle maanden wordt bepaald op het verschil in maanden en dagen tussen de overdrachtsdatum en de datum van betaling van de overdrachtswaarde, waarbij alle kalendermaanden op 30 dagen worden gesteld.
Het in het eerste lid genoemde u-rendement is het op 1 januari van het jaar waarin de overdrachtsdatum valt geldende u-rendement, zoals gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van Verzekeraars.
Artikel 17. Verschuldigde rente
Wanneer waardeoverdracht plaatsvindt van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 25, eerste en vijfde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, rekent de ontvangende uitvoerder, met toepassing van artikel 16, terug welk deel van de overdrachtswaarde als verschuldigde rente moet worden aangemerkt over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum.
Artikel 18. Het standaardtarief
Bij de vaststelling van het standaardtarief, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de periodetafel GBM/V 2010–2015 met de volgende leeftijdterugstellingen:
- a. 5 jaar voor mannelijke deelnemers;
- b. 3 jaar voor vrouwelijke deelnemers;
- c. 1 jaar voor de vrouwelijke partner van mannelijke deelnemers; en
- d. 3 jaar voor de mannelijke partner van vrouwelijke deelnemers.
De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een marktconforme disconteringsvoet.
De in het tweede lid bedoelde disconteringsvoet is de op 1 oktober geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25 jaar. De vastgestelde rente geldt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.
Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente gebruikt.
Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar.
Voor de berekening van het partnerpensioen wordt de gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling aanvangt.
Voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen dat is opgebouwd vóór 1 januari 2002, dan wel 1 januari 2006, indien sprake is van perioden van opbouw op grond van een beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in artikel 1 van bijlage 2. Mannen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar jongere partner, vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar oudere partner.
De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de overdragende uitvoerder hanteert.
Artikel 19. Berekening pensioenaanspraken
De berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gemaakt volgens de formules en symbolen, opgenomen in artikel 2 van bijlage 2.
De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioenleeftijd en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de ontvangende uitvoerder hanteert.
Indien de overdrachtswaarde lager is dan het bedrag benodigd voor de financiering van de toe te kennen pensioenaanspraken komt het verschil ten laste van de nieuwe werkgever of het ontvangende fonds.
Artikel 20. Afwijking standaardtarief
Vervallen
Paragraaf 2. Waardeoverdracht
Artikel 21. Standaardregel
De standaardregel, bedoeld in artikel 150n, derde lid, van de Pensioenwet, artikel 145m, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 46d van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, bestaat uit de volgende berekeningen in de hierna vermelde volgorde:
- 1°. vaststellen van de contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten;
- 2°. vaststellen van de contante waarde van de aanpassingskasstromen;
- 3°. vaststellen van de schalingsfactor voor de aanpassingskasstroom; en
- 4°. vaststellen van voor pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal.
Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de formules in bijlage 2a gebruikt.
Het fonds waarborgt dat bij het toepassen van de standaardregel geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen.
Artikel 22
De Nederlandsche Bank kan bij het verkrijgen van inzicht als bedoeld in artikel 33 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling gebruik maken van desgevraagd verstrekte justitiële gegevens met betrekking tot de antecedenten genoemd in debijlage behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Artikel 23. Vaststelling verschuldigd bedrag kosten
Vervallen
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 2. Waardeoverdracht
Artikel 24. Standaardmodel
Voor de berekening van het vereist eigen vermogen per risicofactor volgens het standaardmodel, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis van de volgende risicofactoren:
- a. het renterisico wordt bepaald aan de hand van het voor het fonds in termen van netto verlies meest negatieve scenario van een rentestijging c.q. rentedaling op basis van de in artikel 1 van bijlage 3 opgenomen rentefactoren;
- b. het aandelen- en vastgoedrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in:
- 1°. aandelen ontwikkelde markten en beursgenoteerd vastgoed met 30%;
- 2°. aandelen opkomende markten met 40%;
- 3°. niet-beursgenoteerde aandelen met 40%; en
- 4°. niet-beursgenoteerd vastgoed met 15%, waarbij de waarde van de beleggingen wordt aangepast voor financiering met vreemd vermogen;
- c. het valutarisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in andere valuta dan de euro met 20% voor valutarisico in ontwikkelde markten en 35% voor valutarisico in opkomende markten;
- d. het grondstoffenrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van beleggingen in grondstoffen met 35%;
- e. het kredietrisico wordt bepaald aan de hand van een stijging van de rentemarge voor het kredietrisico van het fonds, afhankelijk van een ratingklasse als bedoeld in het derde lid:
- 1°. 0,60%-punt voor beleggingen met rating AAA, met uitzondering van Europese staatsobligaties;
- 2°. 0,80%-punt voor beleggingen met rating AA;
- 3°. 1,30%-punt voor beleggingen met rating A;
- 4°. 1,80%-punt voor beleggingen met rating BBB; en
- 5°. 5,30%-punt voor beleggingen met rating BB en lager, alsook beleggingen zonder rating;
- f. het verzekeringstechnische risico;
- g. het liquiditeitsrisico bedraagt 0%;
- h. het concentratierisico bedraagt 0%;
- i. het operationeel risico bedraagt 0%; en
- j. het actief beheer risico.
Het vereist vermogen per risicofactor, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het absolute getal van de waardedaling van het eigen vermogen als gevolg van het scenario voor de betreffende risicofactor. Het vereist vermogen per risicofactor wordt vastgesteld op grond van het strategisch beleggingsbeleid waarbij het aanwezig vermogen van het fonds per berekeningsdatum wordt belegd volgens de beoogde beleggingsportefeuille, bedoeld in artikel 13a, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
Voor de vaststelling van het scenario voor kredietrisico overeenkomstig het eerste lid, onderdeel e, wordt een ratingklasse zoveel mogelijk bepaald op basis van het oordeel van een gekwalificeerde derde partij. De Nederlandsche Bank kan hierover nadere regels stellen.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen over de vaststelling van het vereist eigen vermogen per risicofactor.
Artikel 25. Correlaties
Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 tot het totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties:
- a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie ρ1 2 van 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging;
- b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie ρ’ van 0,75;
- c. tussen het renterisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρ1 5 van 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging;
- d. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρ2 5 van 0,50;
- e. tussen de risico’s die zijn onderscheiden voor het valutarisico: een correlatie van 0,50 tussen valuta in ontwikkelde markten; een correlatie van 0,75 tussen valuta in opkomende markten en een correlatie van 0,25 tussen het valutarisico voor ontwikkelde markten enerzijds en het valutarisico voor opkomende markten anderzijds; en
- f. tussen de overige risico’s: een correlatie van 0.
Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 van bijlage 3 opgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedures gebruikt.
Artikel 26. Partiële interne modellen
Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds in overleg met De Nederlandsche Bank over de invulling van een of meer partiële interne modellen in aanvulling op het standaardmodel.
Het fonds beoordeelt jaarlijks of het risicoprofiel adequaat wordt weergegeven door het standaardmodel, zo nodig aangevuld met een of meer partiële interne modellen, en legt deze beoordeling vast.
De methodieken en procedures voor het gebruik en vaststelling van een of meer partiële interne modellen sluiten aan op de aard, omvang en complexiteit van de betreffende risico’s in de portefeuille. Het fonds legt de methodieken en procedures vast.
Een partieel intern model is specifiek voor een belegging of beleggingsportefeuille van het fonds en onderscheidt zich van de risicoscenario’s zoals omschreven in artikel 24, eerste lid.
Voor de vaststelling van het vereist eigen vermogen wordt de uitkomst van de doorrekening van een partieel intern model opgeteld bij de uitkomst van het standaardmodel. Op verzoek mogen fondsen onderbouwd en na voorafgaande goedkeuring door De Nederlandsche Bank van deze methode afwijken.
De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen voorwaarden verbinden.
Artikel 27. Vereenvoudigd model
Vervallen
Artikel 28. Intern model
De Nederlandsche Bank kan toestemming verlenen voor de berekening van het vereist eigen vermogen volgens een intern model als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen indien het fonds voldoet aan door De Nederlandsche Bank gestelde regels ten aanzien van:
- a. de organisatorische inbedding van het intern model; en
- b. de te hanteren data en de technische aspecten van het interne model.
Het intern model vormt een integraal onderdeel van het risicomanagement van het fonds.
Voor het vaststellen van het vereist eigen vermogen volgens een intern model gaat het fonds uit van een stochastische benaderingswijze waarbij het fonds de risicofactoren bepaalt en rekening houdt met de waarde van de ontwikkeling van activa en passiva in hun onderlinge samenhang.
In een intern model kan gebruik worden gemaakt van elementen of benaderingsmethoden van het standaardmodel, mits deze aan het karakter van het intern model geen afbreuk doen.
Een fonds dat een intern model hanteert:
- a. geeft, als de uitkomsten van het intern model verschillen met die van het voorgaande jaar, aan De Nederlandsche Bank aan waaruit die verschillen bestaan; en
- b. dient bij De Nederlandsche Bank eens in de 3 jaar een analyse in volgens het standaardmodel als bedoeld in artikel 24.
De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.
Artikel 29. Overgangsregeling
In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan De Nederlandsche Bank een fonds dat niet voldoet aan de in artikel 28, eerste lid, genoemde regels toestemming verlenen voor het toepassen van een intern model, indien:
- a. naar het oordeel van De Nederlandsche Bank de regels waaraan het fonds niet voldoet het gebruik van een intern model niet belemmeren; en
- b. de verwachting is dat het fonds binnen twee jaren wel aan de regels zal voldoen.
Voor zover tijdens de overgangsperiode het model incompleet is, kan voor de ontbrekende onderdelen gebruik worden gemaakt van een prudente bijschatting.
Paragraaf 3. Kosten
Artikel 30. Haalbaarheidstoets
Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 30a, 30b en 30c wordt verstaan onder:
- a. rapportagedatum: de datum vanaf welke de haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd over het aantal prognosejaren;
- b. geboortejaargroep: een op de rapportagedatum bestaande groep personen met hetzelfde geboortejaar en pensioenaanspraken of pensioenrechten jegens het fonds;
- c. scenarioset: de scenarioset, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen;
- d. scenarioprijsinflatie: de veronderstelde prijsinflatie die voor ieder jaar in elk scenario in de scenarioset wordt vermeld;
- e. pensioenresultaat: een per scenario als percentage uitgedrukt quotiënt met in de teller de som van de verwachte uitkeringen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen en in de noemer de som van de verwachte uitkeringen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen, zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van de scenarioprijsinflatie.
Voor de verwachte uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt uitgegaan van de op de rapportagedatum opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en van de toekomstige opbouw van pensioenaanspraken en pensioenrechten vanaf de rapportagedatum.
Voor de haalbaarheidstoets wordt voor een op 1 januari 2015 bestaand fonds verondersteld dat op die datum de feitelijk opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten gelijk zijn aan de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten, zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van de gerealiseerde prijsinflatie voor dat moment. Voor een na 1 januari 2015 opgericht fonds geldt deze veronderstelling voor de datum van oprichting.
In de noemer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt op de rapportagedatum, gelegen na 1 januari 2015 dan wel de datum van oprichting, uitgegaan van de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten zonder toepassing van vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten en met toepassing van jaarlijkse toeslagverlening ter hoogte van een door alle fondsen te hanteren uniforme gerealiseerde prijsinflatie.
In een haalbaarheidstoets worden kalenderjaren gehanteerd. De haalbaarheidstoets omvat 60 prognosejaren.
Een haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd met een scenario-analyse als bedoeld in artikel 1 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Artikel 31. Overgangsrecht Wet toekomst pensioenen
Artikel 15 en bijlage 1a, zoals die luiden vanaf 1 juli 2023, zijn van toepassing vanaf het tijdstip dat de uitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst of gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet dan wel artikel 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, maar uiterlijk vanaf 1 januari 2028.
De artikelen 17, 18 en 20, zoals die luidden op 30 juni 2023, blijven van toepassing tot het tijdstip dat de uitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst of gewijzigde beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 220i van de Pensioenwet dan wel artikel 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, maar uiterlijk tot 1 januari 2028.
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Artikel 32
Wijzigt de Regeling voor berekening in geval van waarde-overdracht.
Artikel 33
Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening bij scheiding voor 27 november 1981.
Artikel 34
Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening over deelnemingsjaren voor 1 mei 1995.
Artikel 35
Wijzigt de Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen.
Artikel 36
Wijzigt de Regeling vermogenswaardering Ioaz.
Artikel 37. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Artikel 38. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2
Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;
het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;
het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;
het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;
het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;
de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;
de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;
de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;
de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;
de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;
de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;
de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;
de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;
de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;
de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;
19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);
20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank.
Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2
Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;
het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;
het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;
het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;
het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;
de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;
de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;
de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;
de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;
de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;
de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;
de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;
de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;
de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;
de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;
19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);
20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank.
Artikel 1
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zesde lid, luiden als volgt:
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zesde lid, luiden als volgt:
Artikel 2
In het eerste lid betekent de aanduiding ‘x’: de leeftijd van de deelnemer.
De formules voor de berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, luiden als volgt:
Deze bijlage behoort bij artikel 6, eerste lid, van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
De in het eerste lid gebruikte symbolen en afkortingen hebben de volgende betekenis:
Deze bijlage behoort bij artikel 6, eerste lid, van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zesde lid, luiden als volgt:
Matrix fondsen ten aanzien van toeslagen over pensioenaanspraken en pensioenrechten (is toeslag voor pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en deelnemers):
NP: nabestaandenpensioen;
Matrix verzekerde regelingen ten aanzien van toeslagen over pensioenaanspraken en pensioenrechten (is toeslag voor pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en deelnemers):
De in het eerste lid gebruikte symbolen en afkortingen hebben de volgende betekenis:
Deze bijlage behoort bij artikel 6, eerste lid, van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Deze bijlage behoort bij artikel 6, eerste lid, van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Bijlage 1a
Vervallen
Onderdeel b van bijlage 1a
Onderdeel b van bijlage 1a
Matrix verzekerde regelingen ten aanzien van toeslagen over pensioenaanspraken en pensioenrechten (is toeslag voor pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en deelnemers):
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zevende lid, luiden als volgt:
In het eerste lid betekent de aanduiding ‘x’: de leeftijd van de deelnemer.
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zesde lid, luiden als volgt:
De formules voor de berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, luiden als volgt:
De in het eerste lid gebruikte symbolen en afkortingen hebben de volgende betekenis:
a: de verhouding nabestaandenpensioen/ouderdomspensioen in de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;
β: de verhouding tussen een eventuele andere pensioenvorm en het ouderdomspensioen, zonodig berekend uit de totale aanspraken (zonder overdracht) volgens de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;
OP: ouderdomspensioen;
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zevende lid, luiden als volgt:
In het eerste lid betekent de aanduiding ‘x’: de leeftijd van de deelnemer.
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zevende lid, luiden als volgt:
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zevende lid, luiden als volgt:
In het eerste lid betekent de aanduiding ‘x’: de leeftijd van de deelnemer.
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zevende lid, luiden als volgt:
In het eerste lid betekent de aanduiding ‘x’: de leeftijd van de deelnemer.
Artikel 2
De formules voor de berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, luiden als volgt:
De in het eerste lid gebruikte symbolen en afkortingen hebben de volgende betekenis:
a: de verhouding nabestaandenpensioen/ouderdomspensioen in de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;
β: de verhouding tussen een eventuele andere pensioenvorm en het ouderdomspensioen, zonodig berekend uit de totale aanspraken (zonder overdracht) volgens de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
NP: nabestaandenpensioen;
OV: overige pensioenvormen;
OW: overdrachtswaarde;
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 30a. Uitvoering haalbaarheidstoets
Voor de aanvangshaalbaarheidstoets geldt:
- a. de rapportagedatum is 1 januari van het kalenderjaar waarin het fonds heeft besloten een nieuwe pensioenregeling uit te voeren of zich een significante wijziging heeft voorgedaan;
- b. de haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd op basis van de pensioenfondsbalans en de onderliggende gegevens op de rapportagedatum;
- c. er wordt gebruik gemaakt van de scenarioset die De Nederlandsche Bank beschikbaar heeft gesteld voor het kwartaal waarin het fonds heeft besloten een nieuwe pensioenregeling uit te voeren of zich een significante wijziging heeft voorgedaan, waarbij De Nederlandsche Bank bepaalt hoe in de berekeningen wordt omgegaan met de periode tussen 1 januari en het begin van dat kwartaal;
- d. de datum van inlevering bij De Nederlandsche Bank is een maand nadat het fonds heeft besloten een nieuwe pensioenregeling uit te voeren of zich een significante wijziging heeft voorgedaan.
Voor de jaarlijkse haalbaarheidstoets geldt:
- a. de rapportagedatum is 1 januari;
- b. de haalbaarheidstoets wordt uitgevoerd op basis van de pensioenfondsbalans en de onderliggende gegevens die ten grondslag liggen aan de staten, bedoeld in artikel 147 van de Pensioenwet dan wel artikel 142 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, over het aan de rapportagedatum voorafgaande boekjaar;
- c. er wordt gebruik gemaakt van de scenarioset die De Nederlandsche Bank beschikbaar heeft gesteld voor het kwartaal waarin de rapportagedatum ligt;
- d. de datum van inlevering is niet later dan de datum van inlevering van de staten, bedoeld in onderdeel b.
Na voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank kan een fonds afwijken van het eerste en tweede lid en van artikel 30, vijfde lid.
De verplichting om jaarlijks een haalbaarheidstoets uit te voeren, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, geldt niet:
- a. gedurende de jaren waarin een fonds de verwachting heeft over te gaan op een volledige collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m van de Pensioenwet dan wel artikel 145o van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en
- b. indien het fonds naar verwachting geen flexibele premieregeling met een vastgestelde uitkering uit zal voeren na de volledige collectieve waardeoverdracht, bedoeld in onderdeel a.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen over de bij de haalbaarheidstoets te leveren gegevens en de wijze waarop de gegevens worden geleverd.
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Bijlage 1a. als bedoeld in artikel 6 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Matrix ten aanzien van de toeslag pensioenaanspraken en pensioenrechten (is toeslag voor gepensioneerden, gewezen deelnemers en deelnemers):
Artikel 1
De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zesde lid, luiden als volgt:
Artikel 2
Matrix fondsen ten aanzien van toeslagen over pensioenaanspraken en pensioenrechten (is toeslag voor pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en deelnemers):
Bijlage 1b
Vervallen
Artikel 1
De in het eerste lid gebruikte symbolen en afkortingen hebben de volgende betekenis:
Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico
OP: ouderdomspensioen;
Artikel 4. Benaderingsmethode kredietrisico
kps-OP: de contantewaardefactor voor ouderdomspensioen volgens het standaardtarief;
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 18 en 19
Artikel 1
Artikel 2
Matrix fondsen ten aanzien van toeslagen over pensioenaanspraken en pensioenrechten (is toeslag voor pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en deelnemers):
Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 18 en 19
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
Artikel 3. Benaderingsmethode renterisico
Artikel 4. Benaderingsmethode kredietrisico
kps-NP: de contantewaardefactor voor nabestaandenpensioen volgens het standaardtarief;
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 4a. Fictieve dekkingsgraden continuïteitsanalyse
Vervallen
Artikel 4b. Rekeninstrument verzekeraars
Vervallen
Artikel 4c. Gebruik toeslagenlabel
Vervallen
Artikel 4d. Vormvereisten toeslagenlabel
Vervallen
Paragraaf 2a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 1. Prijsinflatie
Paragraaf 1. Prijsinflatie
Paragraaf 1. Prijsinflatie
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen vermogen
Paragraaf 2. Waardeoverdracht
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Artikel 31a. Tijdelijk rekeninstrument fondsen
Vervallen
Hoofdstuk 5. Wijziging overige Ministeriele regelingen
Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2
Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;
het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;
het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;
het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;
het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;
de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;
de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;
de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;
de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;
de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;
de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;
de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;
de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;
de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;
de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;
19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);
20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank.
Bijlage 1a
Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2
Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;
het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;
het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;
het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;
het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;
de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;
de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;
de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;
de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;
de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;
de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;
de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;
de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;
de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;
de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;
19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);
20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank.
Bijlage 1a
Artikel 1
Onderdeel b van bijlage 1a
Matrix verzekerde regelingen ten aanzien van toeslagen over pensioenaanspraken en pensioenrechten (is toeslag voor pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en deelnemers):
Bijlage 1a
Vervallen
Artikel 2
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
Artikel 3. Benaderingsmethode renterisico
kps-OV: de contantewaardefactor voor overige pensioenvormen volgens het standaardtarief.
Wanneer in het eerste lid aan OP, NP en OV de letters nw zijn toegevoegd, betekent dit dat het pensioenaanspraken in de regeling bij het overnemende uitvoeringsorgaan ondergebracht uit hoofde van de waardeoverdracht betreft.
Artikel 3. Benaderingsmethode renterisico
Voor beleggingen die gerelateerd zijn aan de reële rente, zoals inflation linked bonds, worden kleinere renteschokken toegepast (rechts in de tabel). Verondersteld is dat 50% van de nominale renteschok zichtbaar is in een schok in de reële rente en dat de overige 50% toegeschreven kan worden aan een mutatie in de (break-even) inflatie.
Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 wordt als volgt aangeduid:
Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 wordt als volgt aangeduid:
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Onderdeel a
Onderdeel a
Bijlage 1b
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)