Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)
Artikel 14j. Normen rekenmethodiek
De pensioenuitvoerder kiest de rekenmethode die passend is gegeven de kenmerken van de pensioenuitvoerder en de pensioenregelingen die worden uitgevoerd.
De onderbouwing van een doorrekening van de haalbaarheidstoets en van de projectieberekening, bedoeld in artikel 14d, derde lid, en artikel 14f, zesde lid, is gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering.
De onderbouwing van de berekening volgens de generieke rekenmethode is gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering.
De pensioenuitvoerder stelt procedures vast voor de uitvoering, vaststelling en verantwoording van de rekenmethodes.
Paragraaf 1a. Maatstaven risicohouding
Paragraaf 3. Kosten
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen vermogen
Paragraaf 2. Haalbaarheidstoets
Paragraaf 3. Overige bepalingen
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Hoofdstuk 5. Wijziging overige Ministeriele regelingen
Bijlage 1a
Vervallen
Bijlage 1b
Vervallen
Artikel 1
Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
S10 voor het vereist eigen vermogen voor het actief beheer risico.
Het vereist eigen vermogen (VEV) wordt bepaald aan de hand van de volgende formule en op basis van onderstaande procedure:
Bijlage 4
De berekening bestaat uit een algemeen deel dat voor de gehele regeling geldt en een specifiek deel dat toegepast wordt op de pensioenaanspraken van de individuele deelnemer. In het algemene deel worden de koopkrachtfactoren bepaald die gelden voor het fonds. Voor ieder scenario worden de volgende stappen 60 keer doorlopen vanwege de simulatiehorizon van 60 jaar. De berekeningsstappen die tot de verwachte pensioenbedragen leiden, zijn:
Op basis van de duratie van de uitkeringen, het fondsspecifieke beleggingsbeleid en de voorgeschreven uniforme scenarioset worden de overrendementen op de beleggingen berekend ten opzichte van de verplichtingen.
- a. Op basis van het overrendement, het dekkingsgraadeffect door premie en uitkeringen wordt een ‘dekkingsgraad vóór toeslagverlening’ bepaald;
- b. afhankelijk van de hoogte van de ‘dekkingsgraad vóór toeslagverlening’ en het toeslagbeleid wordt het toeslagpercentage voor dat jaar berekend;
- c. kortingen worden berekend;
- d. de ‘dekkingsgraad vóór toeslagverlening’ wordt aangepast in verband met de verleende toeslag en kortingen, zo resulteert de dekkingsgraad ultimo jaar.
Op basis van de aanpassingen berekend in stappen 2b, 2c en de prijsinflatie uit het scenario wordt de jaarlijkse correctiefactor berekend. De koopkrachtfactor wordt hiermee aangepast. Er wordt bij de koopkrachtfactor onderscheid gemaakt tussen reeds opgebouwd en te bereiken pensioen. Ten slotte, wordt op basis van het verschil tussen de pensioenleeftijd en huidige leeftijd van iedere deelnemer bepaald welke koopkrachtfactoren van toepassing zijn op het opgebouwde pensioen en op het nog op te bouwen pensioen. De betreffende bedragen worden met deze koopkrachtfactoren vermenigvuldigd om de te verwachten pensioenbedragen te bepalen.
Het effect van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 14h, tweede lid, is een resultante van het rendement op zakelijke waarden en vastrentende waarden van de beleggingsportefeuille en het rendement op renteafdekking, ten opzichte van de waardeverandering in de technische voorziening door wijziging van de rentetermijnstructuur.
De waardeverandering van de technische voorziening bestaat uit twee componenten; de renteverandering en het verdisconteringseffect. Het wordt als volgt bepaald:
Waarbij
De gemiddelde rentes zijn bepaald voor ieder projectiejaar in ieder scenario per interval. De intervallen zijn: [1, 1], [1, 10], [1, 20], [1, 30], etc. Het betreffende interval wordt bepaald door de duratie van de verplichtingen te vermenigvuldigen met twee en af te ronden op een tiental.
Het renteverandering effect op de vastrentende waarden wordt op vergelijkbare wijze berekend, maar dan op basis van de gemiddelde rente bij de duratie van de vastrentende waarden:
Waarbij
Het effect van een eventuele renteafdekking wordt meegenomen in het fondsrendement. Als het renteafdekkingspercentage (β) 0% is, heeft de renteafdekking geen aanvullende effect op het rendement. Het rendement van vastrentende waarden en de hierin opgenomen duratie wordt wel behaald.
Het renteafdekkingspercentage wordt uitgedrukt als percentage van de technische voorziening. Het rendement van de renteafdekking wordt alleen meegenomen als hierdoor een duratie verhogend effect optreedt, en een afname van de rentegevoeligheid, ten opzichte van de rentegevoeligheid die door de reeds aanwezige vastrentende waarden wordt veroorzaakt. In de formule wordt dit zichtbaar door het maximum te nemen van de twee grootheden en bij toename van de waarde van de verplichtingen door de gerealiseerde renteverandering. Juist bij een daling van de waarde van de verplichtingen door een renteverandering wordt het minimum van deze twee grootheden genomen:
waarbij
rβ = renteveranderingseffect renteafdekking
α = percentage aandelen volgens mapping
β = percentage afdekking renterisico
DGt = dekkingsgraad primo
Het effect van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 14h, tweede lid, is het overrendement van behaalde rendementen op de beleggingen uitgedrukt ten opzichte van de groei van de verplichtingen. Deze geeft aan in welke mate de dekkingsgraad verandert.
Het behaalde rendement op de beleggingen wordt bepaald door het rendement op aandelen, het rendement op vastrentende waarden en het rendement op de renteafdekking. Het rendement op vastrentende waarden en rente afdekking wordt bepaald door de som van het 1-jaars rente-effect plus het renteveranderingseffect van vastrentende waarden en de rente afdekking (rβ).
De verplichtingen nemen toe met de 1-jaars rente plus het renteveranderingseffect van de technische voorziening.
waarbij
rv = effect van beleggingsbeleid
rα = aandelenrendement
De ontwikkeling van de dekkingsgraad bestaat uit vier deelstappen:
Om de dekkingsgraad vóór toeslagverlening en kortingen te bepalen wordt eerst het effect van de premie en de uitkeringen bepaald.
Het verschil in de netto benodigde premie (wegens toename van de voorziening) en ontvangen netto premie komt ten gunste aan de dekkingsgraad. Bij de vaststelling van de impact van premie en koopsom op de dekkingsgraad wordt impliciet aangenomen dat de betaalde premie en de koopsom, een vast percentage van de technische voorziening zijn.
waarbij
TV = Technische voorziening
Pf = premie als toevoeging aan het vermogen
Pk = koopsom nieuwe pensioenopbouw als toevoeging aan TV
Indien uitkeringen kunnen leiden tot vrijval van middelen voor toeslagen, wordt dit meegenomen in de ontwikkeling van de dekkingsgraad. Indien uitkeringen geen invloed hebben op de toeslagen wordt dit buiten beschouwing gelaten. Dit kan vormgegeven worden door de parameter u (het % van de technische voorziening dat jaarlijks in de vorm van uitkeringen het fonds verlaat), op 0% te stellen:
De dekkingsgraad vóór toeslagverlening, bedoeld in artikel 14h, eerste lid, onderdeel a, is de dekkingsgraad uit periode t, gecorrigeerd voor het effect van het beleggingsbeleid, vermenigvuldigd met het uitkeringeneffect en het premie-effect
DGt+1-0 =DGt· (1+rv) ·effect premie op DG∙effect uitkering op DG
Waarbij
DGt+1-0 =dekkingsgraad ultimo jaar t vóór toeslagverlening
Afhankelijk van de hoogte van de ‘dekkingsgraad voor toeslagverlening’ en het toeslagbeleid wordt het toeslagpercentage voor dat jaar berekend, bedoeld in artikel 14h, vierde lid.
It =
Waarbij
Bij de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in artikel 14h, vierde lid, worden onvoorwaardelijke en voorwaardelijke kortingen onderscheiden.
Onvoorwaardelijke korting:
Waarbij
Waarbij a oploopt met de jaren als er meerdere jaren achter elkaar sprake is van onderdekking, en a gelijk is aan nul als er geen sprake is van onderdekking. Onvoorwaardelijke kortingen worden uitgesmeerd over de hiervoor geldende periode.
Waarbij
Voor fondsen waar vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten niet mogelijk is, bedoeld in artikel 14h, vijfde lid, worden Kto en Ktv beide gelijk gesteld aan 0. Om dit in de berekening te vatten, is het noodzakelijk dat in de berekening de vereiste dekkingsgraad (VDG) en minimaal vereiste dekkingsgraad (MVDG) gelijk gesteld worden aan 1%. De dekkingsgraad primo is voor die uitvoerders gelijk aan de dekkingsgraad ultimo na toeslagverlening van het vorige jaar.
Om de dekkingsgraad ultimo jaar te bepalen, bedoeld in artikel 14h, derde lid, wordt de dekkingsgraad vóór toeslagverlening aangepast in verband met de verleende toeslag.
waarbij
DGt+1 =dekkingsgraad ultimo jaar t na indexatie
De koopkrachtfactoren worden bepaald aan de hand van de jaarlijkse correctiefactor. Op basis van de toeslagverlening en kortingen berekend in stap 2b en 2c, en de prijsinflatie uit het scenario wordt de jaarlijkse correctiefactor berekend. Er wordt bij de koopkrachtfactoren onderscheid gemaakt tussen reeds opgebouwd en nieuw op te bouwen pensioen
De correctiefactor voor het reeds opgebouwde pensioen, bedoeld in artikel 14h, eerste lid, onderdeel c, is gelijk aan de aanpassing van het pensioen verminderd met de scenarioprijsinflatie. Indien de aanpassing van het pensioen minder is dan de prijsinflatie, dan daalt het reeds opgebouwde pensioen en indien de aanpassing van het pensioen hoger is dan de prijsinflatie, dan stijgt dat bedrag. De indexatieachterstand wordt in deze stap ook aangepast.
De koopkrachtfactor voor het reeds opgebouwd pensioen wordt als volgt bepaald:
Ct+1 = Ct(1 + ∆Ct +1)
waarbij
Ct=koopkrachtfactor reeds opgebouwd pensioen op tijdstip t
C 0 = 1
Bij de berekening van het scenariobedrag voor nieuw op te bouwen pensioen is het uitgangspunt dat in ieder berekeningsjaar alleen het op dat moment reeds opgebouwd pensioen wordt aangepast door het toeslagbeleid en gecorrigeerd door de scenarioprijsinflatie. De koopkrachtfactor voor nieuw op te bouwen pensioen wordt als volgt bepaald:
waarbij
Het verwachte pensioenbedrag wordt bepaald door het reeds opgebouwde pensioen te vermenigvuldigen met factor CA en op te tellen bij het nieuw op te bouwen pensioen rekening houdend met factor
.
Het uiteindelijke pensioenbedrag, bedoeld in artikel 14i, tweede lid, wordt berekend door het scenariobedrag van het reeds opgebouwde pensioen en het scenariobedrag voor het nieuw op te bouwen pensioen bij elkaar op te tellen:
waarbij
R=reeds opgebouwd pensioen
Met OPBOUW wordt bedoeld het nog op te bouwen pensioen vanaf berekeningsdatum tot het moment waarvoor het pensioenbedrag wordt berekend. Dit nog op te bouwen bedrag moet passen bij de onderliggende pensioenregeling, maar zal in beginsel neerkomen op het product van deze factoren: A, het opbouwpercentage en loonsom minus franchise waarbij rekening wordt gehouden met een eventuele deeltijdfactor.
Om te komen tot een pensioenbedrag per scenario, bedoeld in artikel 14i, derde lid, wordt vervolgens het 5%, 50% en 95% percentiel pensioenbedrag gekozen uit alle doorgerekende scenario’s.
Bij een gebroken duur tot moment A wordt lineair geïnterpoleerd tussen de twee hele duren waar tussen moment A ligt
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Paragraaf 3. Kosten
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen vermogen
Paragraaf 2. Haalbaarheidstoets
Paragraaf 3. Overige bepalingen
Hoofdstuk 5. Wijziging overige Ministeriele regelingen
Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
waarbij ρ1 2 = 0,40 en ρ1 5 = 0,40 indien voor S1 wordt uitgegaan van een rentedaling en nihil indien S1 is gebaseerd op een rentestijging, en ρ2 5 = 0,50.
Bijlage 4
Vervallen
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen vermogen
Artikel 1. De risicomaatstaf
Het gewogen gemiddelde van alle verwachte ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase van deelnemer i berekend op tijdstip t in een scenario is:
waar
wordt gedefinieerd als de reële ouderdomspensioenuitkering voor deelnemer i op tijdstip t + H en
wordt gedefinieerd als de kans dat deelnemer i, met leeftijd l(i), op tijdstip t + H nog in leven is, conditioneel op tijdstip t.
De risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de opbouwfase wordt als volgt berekend:
waarbij Px percentiel x aangeeft van alle gewogen gemiddelde uitkeringen in de verschillende scenario’s.
De risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de uitkeringsfase, met jaar op jaar afwijking, wordt vergelijkbaar berekend als:
Artikel 2. De verwachtingsmaatstaf
Het gewogen gemiddelde van alle verwachte ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase wordt berekend op basis van een hypothetisch geheel risicomijdend reëel beleggingsbeleid in een scenario als
. Vervolgens wordt getoetst aan de verwachtingsmaatstaf door:
Het hypothetisch geheel risicomijdend beleggingsbeleid,
, in de verwachtingsmaatstaf is zodanig dat het Nederlandse inflatierisico in de verwachte uitkeringsstroom door middel van reële obligaties volledig wordt afgedekt, waarbij de reële obligatieprijzen zijn afgeleid uit de uniforme scenarioset.
De verwachte uitkeringsstroom wordt bepaald op basis van de beschikbare vermogens, waarbij de reële rentetermijnstructuur wordt gehanteerd als projectierendement dan wel als projectierente.
Indien er sprake is van een solidariteitsreserve of risicodelingsreserve dan wordt deze bij de bepaling van het hypothetisch geheel risicomijdend beleggingsbeleid,
, buiten beschouwing gelaten, evenals de vul- en uitdeelregels van deze reserve.
Artikel 3. De lange termijn risicomaatstaf in de uitkeringsfase
De risicoblootstelling behorend bij de lange termijn risicomaatstaf kan op eenzelfde manier worden bepaald als de risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de opbouwfase, waarbij alleen wordt gekeken naar de nog resterende uitkeringen in de uitkeringsfase.
Definieer het gewogen gemiddelde van alle verwachte ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase van deelnemer i berekend op tijdstip t, tijdstip waarop uitkeringsfase in gaat, in een scenario als:
De risicoblootstelling behorend bij de risicomaatstaf voor de uitkeringsfase wordt vervolgens als volgt berekend:
Bijlage 1b
Vervallen
Bijlage 2a. Formules als bedoeld in artikel 21, tweede lid
Artikel 1. Vaststellen contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten
De contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten CWvoor wordt vastgesteld door eerst de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten KSvoor(i,h) voor iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde i en voor alle looptijden h > 0 vast te stellen. Vervolgens worden de kasstromen van alle deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden per looptijd gesommeerd en wordt hiervan de contante waarde vastgesteld.
Artikel 2. Vaststellen contante waarde van de aanpassingskasstromen
De contante waarde van de aanpassingskasstromen CW wordt vastgesteld door eerst de aanpassingskasstromen KS(i,h) voor iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde i en voor alle looptijden h** > 0 vast te stellen via de formule
waarbij de jaarlijks trapsgewijs stijgende functie q(h) als volgt is gedefinieerd:
met [h] de op hele jaren neerwaarts afgeronde looptijd en N de spreidingstermijn in jaren, die gelijk is aan tien jaar. Vervolgens worden de aanpassingskasstromen van alle deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden per looptijd gesommeerd en wordt hiervan de contante waarde vastgesteld.
In afwijking van N, de spreidingstermijn, van tien jaar kan een fonds een kortere of langere spreidingstermijn hanteren. Een langere spreidingstermijn is uitsluitend toegestaan voor zover de verhouding tussen het beschikbare vermogen M en de technische voorzieningen van een fonds meer dan 100 procent betreft. Hierbij is M gelijk aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt.
Bij toepassing van een andere spreidingstermijn dan tien jaar wordt bij de onderbouwing in het implementatieplan, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel i, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in ieder geval de bestandssamenstelling van het fonds betrokken. De onderbouwing bevat ook een toelichting waarom een spreidingstermijn van tien jaar tot een onevenwichtiger nadeel zou leiden dan bij de gekozen afwijkende spreidingstermijn.
Artikel 3. Vaststellen schalingsfactr voor de aanpassingskasstroom
De schalingsfactor x voor de aanpassingskasstroom wordt vastgesteld via de formule
waarbij M gelijk is aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt.
Artikel 4. Vaststellen persoonlijke pesioenvermogens
De persoonlijke pensioenvermogens worden vastgesteld door eerst de verwachte uitgaande kasstromen in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling, of flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling KSna(i,h) voor iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde i en voor alle looptijden h > 0 vast te stellen via de formule
Vervolgens is het persoonlijke pensioenvermogen in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling, of flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling voor iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde gelijk aan de contante waarde van deze kasstroom.
Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico
Het vereist eigen vermogen van het fonds, bedoeld in artikel 132 van de Pensioenwet dan wel artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt bepaald aan de hand van een iteratief proces. Dit proces bestaat uit het herhaald toepassen van het standaardmodel. Het beleggingsbeleid met de bijbehorende beleggingskarakteristieken blijft daarbij gelijk. Het belegde vermogen in de tweede toepassing en in iedere daaropvolgende herhaalde toepassing is gelijk aan het belegde vermogen in de daaraan voorafgaande toepassing minus het aan het eind van de daaraan voorafgaande toepassing bepaalde verschil tussen het eigen vermogen en de uitkomst van de formule. De herhalingsprocedure stopt indien dit verschil niet langer significant is. Dit is doorgaans het geval na twee herhalingen. De uitkomst van de formule is dan gelijk aan het vereist eigen vermogen.
In deze formule komt het vereist vermogen voor het aandelen- en beursgenoteerd vastgoedrisico S2 als volgt tot stand. In artikel 25 is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor respectievelijk aandelen ontwikkelde markten, inclusief beursgenoteerd vastgoed (S2A), aandelen opkomende markten (S2B), niet-beursgenoteerde aandelen (S2C) en niet-beursgenoteerd vastgoed (S2D) tot het totale vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico (S2) rekening wordt gehouden met de mogelijke statistische samenhang tussen de effecten van de scenario’s. Bij de aggregatie wordt uitgegaan van een uniforme correlatie ρ’ van 0,75. De componenten S2A tot en met S2D worden vervolgens gecombineerd tot het totaal vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico S2 aan de hand van de formule:
waarbij ρ' = 0,75.
In deze formule komt het vereist vermogen voor het valutarisico S3 als volgt tot stand. In artikel 25 is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor valutarisico, (S3), rekening wordt gehouden met een correlatie (ρ) van 0,50 tussen valuta in ontwikkelde markten; 0,75 tussen valuta in opkomende markten en 0,25 tussen het valutarisico voor ontwikkelde markten enerzijds en het valutarisico voor opkomende markten anderzijds. Het vereist vermogen voor valutarisico wordt vastgesteld voor enerzijds ontwikkelde markten (S3 A) en anderzijds opkomende markten (S3 B) en gecombineerd aan de hand van de volgende formules:
Het vereist vermogen voor valutarisico (S3) voor de totale portefeuille is gelijk aan de som van het vereist vermogen voor valutarisico van ontwikkelde en opkomende markten, rekening houdend met een correlatie van 0,25:
Waarbij het vereist vermogen voor valutarisico op ontwikkelde markten (S3 A) wordt bepaald als de som van exposures op individuele valuta in ontwikkelde markten, rekening houdend met een correlatie van 0,50 en een daling van deze valuta ten opzichte van de euro met 20%:
Het vereist vermogen voor valutarisico op opkomende markten (S3 B) wordt bepaald als de som van exposures op individuele valuta van opkomende markten, rekening houdend met een correlatie van 0,75 en een daling van deze valuta ten opzichte van de euro met 35%:
Bijlage 4
Vervallen
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 01. Begripsbepaling
In deze bijlage wordt verstaan onder:
- –. ieder individu: iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde;
- –. premieovereenkomst: premieovereenkomst of premieregeling;
- –. voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal: voor pensioenuitkering bestemd vermogen in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling dan wel het kapitaal in de flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling.
Artikel 1. Vaststellen contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten
De contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten CWvoor wordt vastgesteld door eerst de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten KSvoor(i,h) voor ieder individu i en voor alle looptijden h > 0 vast te stellen. Vervolgens worden de kasstromen van ieder individu per looptijd gesommeerd en wordt hiervan de contante waarde vastgesteld. Voor opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen die voortvloeien uit een premieovereenkomst is de contante waarde CWvoor gelijk aan het kapitaal voortvloeiend uit de beschikbaar gestelde premies.
Indien sprake is van een premieovereenkomst geldt in afwijking van het eerste lid dat de opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen niet hoeven te worden meegenomen in CWvoor en KSvoor(i,h), maar in de waarde P. De waarde P is dan gelijk aan de som van het kapitaal voortvloeiend uit de beschikbaar gestelde premies van ieder individu.
Indien sprake is van een premieovereenkomst met inleggarantie of rendementsgarantie wordt de waarde van de inleggarantie of rendementsgarantie in afwijking van het eerste lid opgenomen in waarde P. De waarde van de inleggarantie of rendementsgarantie is gelijk aan de specifiek hiervoor aangehouden voorziening of wordt vastgesteld door toepassing van de vba-methode, bedoeld in artikel 46c van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
De overwegingen om al dan niet van het tweede lid gebruik te maken worden overeenkomstig artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling opgenomen in het implementatieplan. De onderbouwing bevat ook een toelichting waarom de gemaakte keuze bijdraagt aan de evenwichtigheid van de transitie.
Artikel 2. Vaststellen contante waarde van de aanpassingskasstromen
De contante waarde van de aanpassingskasstromen CW wordt vastgesteld door eerst de aanpassingskasstromen KS(i,h) voor iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde i en voor alle looptijden h** > 0 vast te stellen via de formule
waarbij de jaarlijks trapsgewijs stijgende functie q(h) als volgt is gedefinieerd:
met [h] de op hele jaren neerwaarts afgeronde looptijd en N de spreidingstermijn in jaren, die gelijk is aan tien jaar. Vervolgens worden de aanpassingskasstromen van alle deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden per looptijd gesommeerd en wordt hiervan de contante waarde vastgesteld. Voor opgebouwde pensioenaanspraken, variabele uitkeringen, inleggarantie of rendementsgarantie die voortvloeien uit een premieovereenkomst en die volgens artikel 1, tweede of derde lid, worden meegenomen in waarde P wordt geen aanpassingskasstroom vastgesteld.
Om de contante waarde van de aanpassingskasstromen KS*(i,h) bij opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen die voortvloeien uit een premieovereenkomst vast te stellen, worden de volgende stappen doorlopen:
- a. Voor ieder individu i en voor alle looptijden h > 0 worden de verwachte uitgaande kasstromen KSvoor (i,h) bepaald, zodat de contante waarde hiervan gelijk is aan CWvoor. Voor deze bepaling gebruikt het fonds de hiervoor benodigde aannames en methodes, waarbij het zich baseert op zo realistisch mogelijke aannames en de op dat moment bij de uitvoerder geldende tarieven. Een fonds kan hiervan afwijken, indien toepassing van het op 30 juni 2022 in de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145 van de Pensioenwet dan wel artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vastgelegde beleidskader bijdraagt aan de evenwichtigheid van de transitie, of voor zo ver dit leidt tot een realistischere bepaling van de kasstromen KSvoor (i,h). De onderbouwing van een afwijking wordt overeenkomstig artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in het implementatieplan opgenomen.
- b. Vervolgens kan de contante waarde van de aanpassingskasstromen KS*(i,h) bepaald worden, overeenkomstig het eerste lid.
In afwijking van N, de spreidingstermijn van tien jaar, kan een fonds een kortere of langere spreidingstermijn hanteren. Een langere spreidingstermijn is uitsluitend toegestaan voor zover de verhouding tussen het beschikbare vermogen M en de technische voorzieningen van een fonds meer dan 100 procent betreft. Hierbij is M gelijk aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt.
Bij toepassing van een andere spreidingstermijn dan tien jaar wordt bij de onderbouwing in het implementatieplan, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel i, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in ieder geval de bestandssamenstelling van het fonds betrokken. De onderbouwing bevat ook een toelichting waarom een spreidingstermijn van tien jaar tot een onevenwichtiger nadeel zou leiden dan bij de gekozen afwijkende spreidingstermijn.
Artikel 3. Vaststellen schalingsfactor voor de aanpassingskasstroom
De schalingsfactor x voor de aanpassingskasstroom wordt vastgesteld via de formule
waarbij M gelijk is aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt. Voor zover de waarde P, als bedoeld in artikel 1, tweede of derde lid, niet van toepassing is, is de waarde P in deze formule gelijk aan 0.
Artikel 4. Vaststellen voor pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal
Het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel het kapitaal, waarbij gebruik is gemaakt van artikel 1, eerste lid, wordt vastgesteld door eerst de verwachte uitgaande kasstromen in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling, of flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling KSna(i,h) voor ieder individu i en voor alle looptijden h > 0 vast te stellen via de formule
Vervolgens is het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal voor ieder individu gelijk aan de contante waarde van deze kasstroom.
Het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal is gelijk aan het kapitaal voortvloeiend uit de beschikbaar gestelde premies voor ieder individu, indien gebruik is gemaakt van de waarde P, als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
Indien sprake is van een premieovereenkomst met inleggarantie of rendementsgarantie wordt het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal volgend uit het eerste of tweede lid voor ieder individu verhoogd met de in waarde P opgenomen waarde van diens inleggarantie of rendementsgarantie, als bedoeld in artikel 1, derde lid.
Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
Bij de bepaling van het vereist vermogen per individuele valuta wordt rekening gehouden met de ‘net exposure’, dat wil zeggen de gevoeligheid voor een daling in deze valuta ten opzichte van de euro rekening houdend met eventuele valutahedges.
Bijlage 4
Vervallen
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)