Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)
| soort deelnemer / soort regeling | |||
|---|---|---|---|
| Deelnemer | Gewezen deelnemer | Pensioengerechtigde | |
| Uitkeringsovereenkomsten | |||
| Eindloonregeling | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Zolang u werkt, bouwt u ieder jaar pensioen op. Dit noemen we het opgebouwde pensioen. Uw opgebouwde pensioen groeit mee met de stijging van uw loon. Hoeveel pensioen u krijgt als u stopt met werken, wordt dus helemaal gebaseerd op het loon dat u vlak daarvoor heeft ontvangen. | Label | Label |
| (Voorwaardelijk) geïndexeerde middelloonregeling | Label | Label | Label |
| Middelloonregeling zonder toeslagverlening in de opbouwfase | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Zolang u werkt, bouwt u ieder jaar pensioen op. Dit noemen we het opgebouwde pensioen. Zolang u werkt, groeit uw opgebouwde pensioen niet mee met de stijging van de prijzen. Hoeveel pensioen u krijgt als u stopt met werken, wordt gebaseerd op het gemiddelde van het loon dat u hebt verdiend. | Label | Label |
| Vastebedragenregeling | Label | Label | Label |
| Kapitaalovereenkomsten | |||
| Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Dat is niet zeker. Hoe hoog uw pensioen straks is, hangt vooral af van: – de afspraak die u hebt over hoeveel kapitaal er voor uw pensioen is, en – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Dat is niet zeker. Hoe hoog uw pensioen straks is, hangt vooral af van: – de afspraak die u hebt over hoeveel kapitaal er voor uw pensioen is, en – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Alleen als u dat zelf geregeld heeft. Uw heeft namelijk niets geregeld om uw pensioen aan te passen aan het stijgen van de prijzen. | |
| Premieovereenkomsten | |||
| Regeling voorziet in onmiddellijke aankoop van pensioenaanspraak die verhoogd kan worden met toeslagen | Label | Label | Label |
| Regeling voorziet in aankoop van kapitaal | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Die vraag kunnen we niet beantwoorden. Hoe hoog uw pensioen straks is, weten we nog niet. Hoeveel pensioen u krijgt, hangt namelijk vooral af van: – hoeveel pensioenpremie is betaald; – hoeveel kapitaal er is; – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Die vraag kunnen we niet beantwoorden. Hoe hoog uw pensioen straks is, weten we nog niet. Hoeveel pensioen u krijgt, hangt namelijk vooral af van: – hoeveel pensioenpremie is betaald; – hoeveel kapitaal er is; – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Alleen als u dat zelf geregeld heeft. Uw heeft namelijk niets geregeld om uw pensioen aan te passen aan het stijgen van de prijzen. |
| Regeling voorziet in belegging | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Die vraag kunnen we niet beantwoorden. Hoe hoog uw pensioen straks is, weten we nog niet. Hoeveel pensioen u krijgt, hangt namelijk vooral af van: – hoeveel pensioenpremie is betaald; – hoeveel kapitaal er is na het beleggen van de pensioenpremies; – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Die vraag kunnen we niet beantwoorden. Hoe hoog uw pensioen straks is, weten we nog niet. Hoeveel pensioen u krijgt, hangt namelijk vooral af van: – hoeveel pensioenpremie is betaald; – hoeveel kapitaal er is na het beleggen van de pensioenpremies; – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Alleen als u dat zelf geregeld heeft. Uw heeft namelijk niets geregeld om uw pensioen aan te passen aan het stijgen van de prijzen. |
Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2
Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;
het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;
het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;
het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;
het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;
de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;
de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;
de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;
de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;
de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;
de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;
de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;
de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;
de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;
de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;
19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);
20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank.
Artikel 1
Onderdeel a
Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 18 en 19
Artikel 1
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
S1 voor het vereist eigen vermogen voor het renterisico.
Artikel 4. Benaderingsmethode kredietrisico
S3 voor het vereist eigen vermogen voor het valutarisico.
Het scenario voor renterisico wordt bepaald door de rentefactoren in de tabel toe te passen op de rentetermijnstructuur, gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, per looptijd te vermenigvuldigen met hetzij de rentefactoren voor een rentestijging dan wel de rentefactoren voor een rentedaling, afhankelijk wat voor het fonds het meest negatieve scenario is. In het algemeen gaat het dan om een rentedaling. Indien de rente bij looptijd 16 jaar bijvoorbeeld 4% is, moet in de bepaling van de rentegevoeligheid voor deze looptijd rekening gehouden worden met een rentedaling met 0,96%-punt (= (0,76 -1) 4%) dan wel met een rentestijging met 1,28%-punt (= (1,32 -1) 4%).
Het scenario voor renterisico wordt bepaald door de rentefactoren in de tabel toe te passen op de rentetermijnstructuur, gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, per looptijd te vermenigvuldigen met hetzij de rentefactoren voor een rentestijging dan wel de rentefactoren voor een rentedaling, afhankelijk wat voor het fonds het meest negatieve scenario is. In het algemeen gaat het dan om een rentedaling. Indien de rente bij looptijd 16 jaar bijvoorbeeld 4% is, moet in de bepaling van de rentegevoeligheid voor deze looptijd rekening gehouden worden met een rentedaling met 0,96%-punt (= (0,76 -1) 4%) dan wel met een rentestijging met 1,28%-punt (= (1,32 -1) 4%).
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 6a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan
Een fonds wordt vrijgesteld van de termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 140, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 135, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, een kortetermijnherstelplan indient met een looptijd van maximaal vijf jaar.
In het kortetermijnherstelplan wordt opgenomen:
- a. hoe het fonds, zonder vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, in uiterlijk vijf jaar zal voldoen aan artikel 131 van de Pensioenwet of artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna te noemen: het minimaal vereist eigen vermogen); en
- b. welke aanvullende maatregelen, waaronder zonodig vermindering van pensioenaanspraken en/of pensioenrechten, genomen kunnen worden om opnieuw op een haalbaar herstelpad te komen indien gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan alsnog blijkt dat naar verwachting niet zal kunnen worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.
Indien De Nederlandsche Bank gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan vaststelt dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad afwijkt van de daarin veronderstelde ontwikkeling, zodanig dat naar verwachting niet aan het einde van de looptijd zal kunnen worden voldaan aan, het minimaal vereist eigen vermogen, worden uiterlijk op 1 april van het tweede jaar volgend op 31 december van enig jaar, op basis van de situatie op 31 december daaraanvoorafgaand de door het fonds gekozen aanvullende maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onder b, uitgevoerd, tenzij het fonds ten genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting opnieuw zal worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.
Voor de toepassing van het derde lid wordt de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad vastgesteld op 31 december van enig jaar.
Indien een fonds geen kortetermijnherstelplan als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan indienen omdat vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten nodig is om aan het einde van de looptijd van het plan te voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen, wordt deze vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten uiterlijk 1 januari 2011 uitgevoerd, tenzij het fonds tot genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting zonder die vermindering aan het eind van de looptijd zal worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen. Gedurende de verdere looptijd van ieder kortetermijnherstelplan als bedoeld in dit lid zijn het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Zo nodig in afwijking van het derde en vierde lid, wordt een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad, vastgesteld op de laatste dag van de looptijd van het kortetermijnherstelplan, noodzakelijk is, uiterlijk 3 maanden na afloop van het kortetermijnherstelplan onvoorwaardelijk ingeboekt en geëffectueerd.
Een fonds kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten spreiden indien de pensioenregeling per 1 januari 2013 de volgende kenmerken heeft:
- a. de in de pensioenregeling opgenomen richtleeftijd voor nieuwe pensioenopbouw is tenminste 67 jaar of, indien dit laatste niet tijdig gerealiseerd kan worden, de pensioenopbouw is verlaagd op een wijze die materieel hetzelfde effect heeft;
- b. stijgingen van de levensverwachting worden ten laste gebracht van de toeslagverlening op pensioenaanspraken en pensioenrechten; en
- c. bij een dekkingsgraad van minder dan 110% wordt geen toeslag verleend.
Een fonds met een kortetermijnherstelplan waarvan de looptijd eindigt voor 1 april 2014, kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zevende lid, als volgt spreiden:
- a. in 2013 kan de vermindering worden beperkt tot hetgeen wordt geëffectueerd per 1 april 2013;
- b. in 2014 kan de effectuering van de vermindering worden beperkt tot 7%;
- c. de resterende vermindering wordt geëffectueerd per 1 april 2015.
Een fonds met een kortetermijnherstelplan waarvan de looptijd eindigt na 1 april 2014, kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zevende lid, als volgt spreiden:
- a. in 2014 kan de vermindering worden beperkt tot hetgeen op grond van het derde lid wordt geëffectueerd per 1 april 2014, met dien verstande dat indien deze vermindering meer bedraagt dan 7%, de vermindering in 2014 kan worden beperkt tot 7%;
- b. in 2015 kan de effectuering van de vermindering worden beperkt tot 7%;
- c. de resterende vermindering wordt geëffectueerd per 1 april 2016.
Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de beslissing met betrekking tot de instemming met het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet of artikel 135 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt genomen na inwerkingtreding van dit artikel en het kortetermijnherstelplan is ingediend voor 1 januari 2011.
Paragraaf 3. Begroting, jaarverslag, jaarrekening of verantwoording
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 2. Waardeoverdracht
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Paragraaf 3. Kosten
Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen vermogen
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Hoofdstuk 5. Wijziging overige Ministeriele regelingen
Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2
Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;
het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;
het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;
het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;
het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;
de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;
de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;
de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;
de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;
de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;
de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;
de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;
de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;
de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;
de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;
19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);
20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank.
Bijlage 1a
Onderdeel a
Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 18 en 19
Artikel 1
Artikel 2
Het scenario voor renterisico wordt bepaald door de rentefactoren in de tabel toe te passen op de rentetermijnstructuur, gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, per looptijd te vermenigvuldigen met hetzij de rentefactoren voor een rentestijging dan wel de rentefactoren voor een rentedaling, afhankelijk wat voor het fonds het meest negatieve scenario is. In het algemeen gaat het dan om een rentedaling. Indien de rente bij looptijd 16 jaar bijvoorbeeld 4% is, moet in de bepaling van de rentegevoeligheid voor deze looptijd rekening gehouden worden met een rentedaling met 0,96%-punt (= (0,76 -1) 4%) dan wel met een rentestijging met 1,28%-punt (= (1,32 -1) 4%).
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
S2 voor het vereist eigen vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico.
Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico
Voor beleggingen die gerelateerd zijn aan de reële rente, zoals inflation linked bonds, worden kleinere renteschokken toegepast (rechts in de tabel). Verondersteld is dat 50% van de nominale renteschok zichtbaar is in een schok in de reële rente en dat de overige 50% toegeschreven kan worden aan een mutatie in de (break-even) inflatie.
Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 wordt als volgt aangeduid:
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
3a. Gelijkstelling met pensioen
Vervallen
3b. De tijdelijke uitkering
Vervallen
3c. De levenslange uitkering
Vervallen
3d. Resterend kapitaal
Vervallen
3e. Verplichting pensioenuitvoerder
Vervallen
Paragraaf 2. Informatie over toeslagverlening en de voorwaardelijkheidsverklaring
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 2. Waardeoverdracht
Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen vermogen
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Bijlage 1b
| soort deelnemer / soort regeling | |||
|---|---|---|---|
| Deelnemer | Gewezen deelnemer | Pensioengerechtigde | |
| Uitkeringsovereenkomsten | |||
| Eindloonregeling | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Zolang u werkt, bouwt u ieder jaar pensioen op. Dit noemen we het opgebouwde pensioen. Uw opgebouwde pensioen groeit mee met de stijging van uw loon. Hoeveel pensioen u krijgt als u stopt met werken, wordt dus helemaal gebaseerd op het loon dat u vlak daarvoor heeft ontvangen. | Label | Label |
| (Voorwaardelijk) geïndexeerde middelloonregeling | Label | Label | Label |
| Middelloonregeling zonder toeslagverlening in de opbouwfase | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Zolang u werkt, bouwt u ieder jaar pensioen op. Dit noemen we het opgebouwde pensioen. Zolang u werkt, groeit uw opgebouwde pensioen niet mee met de stijging van de prijzen. Hoeveel pensioen u krijgt als u stopt met werken, wordt gebaseerd op het gemiddelde van het loon dat u hebt verdiend. | Label | Label |
| Vastebedragenregeling | Label | Label | Label |
| Kapitaalovereenkomsten | |||
| Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Dat is niet zeker. Hoe hoog uw pensioen straks is, hangt vooral af van: – de afspraak die u hebt over hoeveel kapitaal er voor uw pensioen is, en – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Dat is niet zeker. Hoe hoog uw pensioen straks is, hangt vooral af van: – de afspraak die u hebt over hoeveel kapitaal er voor uw pensioen is, en – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Alleen als u dat zelf geregeld heeft. Uw heeft namelijk niets geregeld om uw pensioen aan te passen aan het stijgen van de prijzen. | |
| Premieovereenkomsten | |||
| Regeling voorziet in onmiddellijke aankoop van pensioenaanspraak die verhoogd kan worden met toeslagen | Label | Label | Label |
| Regeling voorziet in aankoop van kapitaal | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Die vraag kunnen we niet beantwoorden. Hoe hoog uw pensioen straks is, weten we nog niet. Hoeveel pensioen u krijgt, hangt namelijk vooral af van: – hoeveel pensioenpremie is betaald; – hoeveel kapitaal er is; – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Die vraag kunnen we niet beantwoorden. Hoe hoog uw pensioen straks is, weten we nog niet. Hoeveel pensioen u krijgt, hangt namelijk vooral af van: – hoeveel pensioenpremie is betaald; – hoeveel kapitaal er is; – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Alleen als u dat zelf geregeld heeft. Uw heeft namelijk niets geregeld om uw pensioen aan te passen aan het stijgen van de prijzen. |
| Regeling voorziet in belegging | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Die vraag kunnen we niet beantwoorden. Hoe hoog uw pensioen straks is, weten we nog niet. Hoeveel pensioen u krijgt, hangt namelijk vooral af van: – hoeveel pensioenpremie is betaald; – hoeveel kapitaal er is na het beleggen van de pensioenpremies; – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Die vraag kunnen we niet beantwoorden. Hoe hoog uw pensioen straks is, weten we nog niet. Hoeveel pensioen u krijgt, hangt namelijk vooral af van: – hoeveel pensioenpremie is betaald; – hoeveel kapitaal er is na het beleggen van de pensioenpremies; – hoeveel pensioen u met dat kapitaal kunt kopen. | Tekst in plaats van label: Kunt u met uw pensioen in de toekomst nog evenveel kopen? Alleen als u dat zelf geregeld heeft. Uw heeft namelijk niets geregeld om uw pensioen aan te passen aan het stijgen van de prijzen. |
Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 18 en 19
Artikel 1
Artikel 2
Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 24, 25 en 29
Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
Artikel 3. Benaderingsmethode renterisico
Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 wordt als volgt aangeduid:
S1 voor het vereist eigen vermogen voor het renterisico.
Artikel 4. Benaderingsmethode kredietrisico
S3 voor het vereist eigen vermogen voor het valutarisico.
S4 voor het vereist eigen vermogen voor het grondstoffenrisico.
S5 voor het vereist eigen vermogen voor het kredietrisico.
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1a. Stichting Pensioenregister
Als instelling als bedoeld in artikel 51, zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 62, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt aangewezen de Stichting Pensioenregister.
Paragraaf 1a. Tijdelijke regeling pensioenknip
Paragraaf 2. Consistentie verzekeraars en de voorwaardelijkheidsverklaring
Paragraaf 3. Reële dekkingsgraad
Paragraaf 4. Vrijstellingsregeling
Paragraaf 2. Waardeoverdracht
Paragraaf 2. Waardeoverdracht
Paragraaf 3. Betrouwbaarheid
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Hoofdstuk 5. Wijziging overige Ministeriele regelingen
Bijlage 2. als bedoeld in de artikelen 18 en 19
Artikel 2
Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 24, 25 en 29
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
S2 voor het vereist eigen vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico.
Artikel 4. Benaderingsmethode kredietrisico
S6 voor het vereist eigen vermogen voor het verzekeringstechnische risico.
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 1. Communicatiebepalingen
Paragraaf 2a. Standaardregel
Artikel 30b. Berekeningen haalbaarheidstoets
Voor de berekening van het pensioenresultaat worden de verwachte uitkeringen gecorrigeerd voor de scenarioprijsinflatie.
Het pensioenresultaat voor een geboortejaargroep wordt voor elk scenario uit de scenarioset berekend.
Het pensioenresultaat op fondsniveau is voor elk scenario uit de scenarioset gelijk aan het gewogen gemiddelde van de pensioenresultaten van de geboortejaargroepen. Er wordt gewogen naar het aantal personen in een geboortejaargroep.
Het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau is het 50e percentiel in de doorrekening van de scenarioset.
Het pensioenresultaat op fondsniveau in het slechtweerscenario is het 5e percentiel in de doorrekening van de scenarioset.
Artikel 30c. Normen haalbaarheidstoets
Bij de aanvangshaalbaarheidstoets mag het verschil in procentpunten tussen het verwacht pensioenresultaat op fondsniveau vanuit de financiële positie dat precies aan de vereisten van het vereist eigen vermogen wordt voldaan en de daarbij door het fonds gekozen ondergrens niet kleiner zijn dan het verschil in procentpunten tussen het verwacht pensioenresultaat op fondsniveau vanuit de feitelijke financiële positie en de daarbij door het fonds gekozen ondergrens.
De maximale afwijking, bedoeld in artikel 22, derde lid, onderdeel d, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, drukt het fonds uit als een percentage dat de afwijking ten opzichte van het verwachte pensioenresultaat op fondsniveau aangeeft.
De onderbouwing van de haalbaarheidstoets is gedegen en biedt voldoende inzicht in onder meer de gebruikte gegevens, veronderstellingen, grondslagen en modellering.
Het fonds stelt procedures vast voor de uitvoering, vaststelling en verantwoording van de haalbaarheidstoets.
Paragraaf 3. Overige bepalingen
Artikel 30d. Commissie Parameters
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benoemt de leden van de Commissie Parameters, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
Het secretariaat van de commissie wordt gevoerd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Het beheer van de bescheiden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het, in het tweede lid genoemd, ministerie. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de werkgroep bij het archief van dit ministerie opgeborgen.
De leden van de commissie kunnen een vergoeding ontvangen volgens de regels van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies respectievelijk het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies.
Hoofdstuk 5. Wijziging overige Ministeriele regelingen
Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2
Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;
het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;
het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;
het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;
het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;
de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;
de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;
de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;
de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;
de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;
de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;
de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;
de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;
de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;
de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;
19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);
20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank;
het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie;
het Satellietcentrum van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie.
Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 1. Communicatiebepalingen
Artikel 14a. Rekenmethodiek weergave in scenario’s
Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 14b tot en met 14j wordt verstaan onder:
- a. berekeningsdatum: de eerste dag van het kwartaal vanaf welke de rekenmethode wordt uitgevoerd over het aantal toekomstige jaren;
- b. scenarioset: de scenarioset, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, voor het kwartaal waarin de berekeningsdatum ligt;
- c. scenarioprijsinflatie: de veronderstelde prijsinflatie die voor ieder jaar in elk scenario in de scenarioset wordt vermeld;
- d. uitkeringsovereenkomst: uitkeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen dan wel uitkeringsregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen;
- e. premieovereenkomst: premieovereenkomst of premieregeling;
- f. kapitaalovereenkomst: kapitaalovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen dan wel kapitaalregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen;
- g. rekenmethodes: de toegelaten rekenmethodes, bedoeld in de onderdelen h en i, die door uitvoerders gebruikt kunnen worden;
- h. generieke rekenmethode: rekenmethode voor alle soorten pensioenovereenkomsten en pensioenuitkeringen;
- i. rekenmethode 1: rekenmethode voor uitkeringsovereenkomsten en vastgestelde uitkeringen; en
- j. pensioenbedrag: de hoogte van de op basis van een rekenmethode in een scenario op te bouwen of opgebouwde ouderdomspensioenrechten en ouderdomspensioenaanspraken op jaarbasis, op A jaren vanaf de berekeningsdatum, waarbij het aantal jaren A wordt bepaald door het moment, gerekend vanaf de berekeningsdatum, waarvoor het pensioenbedrag wordt berekend.
Indien de berekening bedoeld is voor communicatiedoeleinden kan, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, onder scenarioset ook verstaan worden: de scenarioset voor het kwartaal direct voorafgaand aan de berekeningsdatum.
Bij toepassing van de rekenmethodes kan een scenario-analyse uitgevoerd worden met minimaal 2000 scenario’s uit de scenarioset.
Artikel 14b. Uitvoering rekenmethodiek
Voor een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde wordt voor het moment, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onderdeel j, een pensioenbedrag berekend voor een verwacht scenario, een optimistisch scenario en een pessimistisch scenario. De status van deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde op de berekeningsdatum is bepalend bij de toepassing van de rekenmethode.
Bij de berekeningen voor een deelnemer of gewezen deelnemer wordt uitgegaan van de pensioenleeftijd in de pensioenregeling. Indien het moment waarvoor de pensioenbedragen worden berekend de individuele pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet is en deze afwijkt van de pensioenleeftijd, dan wordt de berekening eerst uitgevoerd op basis van de pensioenleeftijd en vindt vervolgens een herrekening plaats van het pensioenbedrag naar een pensioenbedrag op de individuele pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet op basis van de ten tijde van de berekening gebruikte vervroegingfactoren en uitstelfactoren.
Indien bij de berekeningen voor een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde de berekeningsdatum ligt na de individuele pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet en de pensioenbedragen worden berekend voor weergave in het pensioenregister, bedraagt het aantal jaren A vanaf de berekeningsdatum tien.
Voor de berekening op het individuele niveau worden een wijziging van het pensioengevend salaris en een op een looninflatie gebaseerde wijziging van andere premie- en pensioengrondslag bepalende grootheden, gebaseerd op de scenarioprijsinflatie.
Artikel 14c. Berekeningen generieke rekenmethode
De generieke rekenmethode berekent het pensioenbedrag op basis van een zo realistisch mogelijke doorrekening van het pensioenbeleid in elk scenario van de scenarioset.
Bij toepassing van de generieke methode wordt het in elk scenario van de scenarioset berekende pensioenbedrag gecorrigeerd voor de scenarioprijsinflatie over de A jaren.
Het pensioenbedrag voor een verwacht scenario, een optimistisch scenario en een pessimistisch scenario wordt als volgt bepaald:
- a. het 50e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het verwacht scenario;
- b. het 95e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het optimistisch scenario;
- c. het 5e percentiel van de pensioenbedragen van alle scenario’s, is het pensioenbedrag voor het pessimistisch scenario.
Artikel 14d. Berekeningen generieke methode uitkeringsovereenkomsten
Bij het toepassen van de generieke rekenmethode bij een uitkeringsovereenkomst wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald op basis van de op de berekeningsdatum opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en, voor de deelnemer, ook de toekomstige tijdsevenredige pensioenopbouw met medeneming van de aanpassing van het pensioen voor elk jaar van de A jaren in dat scenario.
De aanpassing van het pensioen kan zijn: toeslagverlening, vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten of een aanpassing in het kader van een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel gedurende de opbouwfase.
Voor fondsen volgt de aanpassing van het pensioen uit een doorrekening van de haalbaarheidstoets op de berekeningsdatum. Indien de berekening bedoeld is voor communicatiedoeleinden, dan kan de aanpassing van het pensioen ook volgen uit een aan de haalbaarheidstoets gelijkwaardige berekening in het kwartaal voorafgaand aan de berekeningsdatum. Voor andere uitvoerders volgt de aanpassing van het pensioen uit een zo realistisch mogelijke projectieberekening die gebaseerd is op dezelfde berekeningsdatum.
Indien bij een uitkeringsovereenkomst het premieniveau voor een bepaalde periode wordt vastgelegd en in verband daarmee de opbouw van pensioen in enig jaar kan worden aangepast, wordt in de doorrekening van het pensioenbeleid daarmee rekening gehouden.
Artikel 14e. Berekeningen generieke methode premieovereenkomsten
Bij het toepassen van de generieke rekenmethode bij een premieovereenkomst in de opbouwfase gevolgd door een variabele pensioenuitkering vanaf pensioendatum, wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald op basis van een zo realistisch mogelijke doorrekening van het pensioenbeleid.
Bij een premieovereenkomst in de opbouwfase gevolgd door een vastgestelde uitkering vanaf pensioendatum, wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in elk scenario van de scenarioset een pensioenbedrag bepaald:
- a. in het geval van een deelnemer of gewezen deelnemer, voor de opbouwfase op basis van het eerste lid, en, indien van toepassing, vanaf de pensioendatum op basis van de uit de opbouwfase voortkomende pensioenrechten op pensioendatum met medeneming van de aanpassing van het pensioen voor elk jaar van de A jaren in dat scenario vanaf de pensioendatum; en
- b. in het geval van een gepensioneerde op basis van de pensioenrechten op de berekeningsdatum met medeneming van de aanpassing van het pensioen voor elk jaar van de A jaren in dat scenario vanaf de berekeningsdatum.
Bij toepassing van het tweede lid geldt het volgende:
- a. op de aanpassing van het pensioen is artikel 14d, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing; en
- b. indien het moment op A jaren vanaf de berekeningsdatum gelegen is na de pensioendatum dan wordt in het geval van toepassing van het eerste lid voor de opbouwfase voor A jaren gelezen het aantal jaren vanaf berekeningsdatum tot de pensioendatum.
Bij een premieovereenkomst in de opbouwfase en een variabele pensioenuitkering in de uitkeringsfase geldt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde met de beleggingsportefeuille op de berekeningsdatum voor elk scenario in de scenarioset het volgende:
- a. de waarde van de beleggingsportefeuille wordt op basis van de scenarioset en conform de specifieke kenmerken van de pensioenregeling op jaarbasis ontwikkeld vanaf de berekeningsdatum over A jaren met medeneming in enig jaar van onder andere de toevoeging van premie en de onttrekking van uitkeringen, kosten en risicopremies waarbij, als het niet een geheel jaar is, de ontwikkeling in dat jaar naar evenredigheid wordt toegepast; en
- b. een omzetting van de waarde van de beleggingsportefeuille in volgens de regeling te verkrijgen pensioenrechten geschiedt op basis van de in dat scenario voorkomende marktrente en specifieke factoren van de pensioenregeling die het tarief bepalen van die omzetting.
De beleggingsportefeuille, bedoeld in het vierde lid, is opgedeeld in de twee beleggingscategorieën waarop de scenarioset wordt toegepast, risicovrije vastrentende waarden en zakelijke waarden. De vastrentende waarden worden onderverdeeld in risicovrije vastrentende waarden en zakelijke waarden op basis van de tabel in artikel 23a, vijfde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Alle niet vastrentende waarden worden ingedeeld in de categorie zakelijke waarden.
In het geval van een kapitaalovereenkomst zijn het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
- a. voor premieovereenkomst wordt gelezen kapitaalovereenkomst;
- b. in de opbouwfase voor de beleggingsportefeuille op de berekeningsdatum en de waardeontwikkeling daarvan wordt gelezen het volgens de kapitaalovereenkomst opgebouwde kapitaal en de ontwikkeling daarvan; en
- c. in de uitkeringsfase in het geval van een variabele uitkering de waarde van de beleggingsportefeuille voor de deelnemer en de gewezen deelnemer volgens het vierde lid ontwikkeld wordt vanaf de pensioendatum over de resterende jaren tot A jaren vanaf de berekeningsdatum.
Artikel 14f. Uitgangspunten berekening rekenmethode 1
Bij rekenmethode 1 wordt voor elk scenario in de scenarioset en voor elk jaar in dat scenario het volgende bepaald:
- a. de aanpassing van het pensioen, uitgedrukt als een percentage van dat pensioen, waarbij de aanpassing kan zijn toeslagverlening of vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten;
- b. de koopkrachtfactor, door de aanpassing voor dat jaar en de scenarioprijsinflatie voor dat jaar als volgt te bepalen: (1 + aanpassing) / (1 + scenarioprijsinflatie);
- c. de cumulatieve koopkrachtfactor, door de vermenigvuldiging van de koopkrachtfactoren over de voorgaande jaren tot en met dat jaar; en
- d. de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw.
In een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel gedurende de opbouwfase wordt in de aanpassing in ieder geval toeslagverlening ter hoogte van de scenarioprijsinflatie meegenomen.
De aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw is voor uitkeringsovereenkomsten waarbij het premieniveau voor een bepaalde periode wordt vastgelegd en in verband daarmee de opbouw van pensioen in enig jaar kan worden aangepast, de aangepaste pensioenopbouw voor dat jaar uitgedrukt als een percentage van de oorspronkelijke opbouw. Voor andere uitkeringsovereenkomsten is dit percentage 100%.
Uit de factoren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, worden drie rekenmethodescenario’s afgeleid. Elk rekenmethodescenario bevat voor elk jaar in de scenarioset telkens twee getallen:
- a. bij het verwacht rekenmethodescenario is het eerste getal het 50e percentiel van de cumulatieve koopkrachtfactoren in dat jaar van alle scenario’s en het tweede getal de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw voor dat jaar afkomstig uit hetzelfde scenario dat dit 50e percentiel bepaalt;
- b. bij het optimistisch rekenmethodescenario is het eerste getal het 95e percentiel van de cumulatieve koopkrachtfactoren in dat jaar van alle scenario’s en het tweede getal de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw voor dat jaar afkomstig uit hetzelfde scenario dat dit 95e percentiel bepaalt;
- c. bij het pessimistisch rekenmethodescenario is het eerste getal het 5e percentiel van de cumulatieve koopkrachtfactoren in dat jaar van alle scenario’s en het tweede getal de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw voor dat jaar afkomstig uit hetzelfde scenario dat dit 5e percentiel bepaalt.
Als er bij de factoren, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en d, onderscheid wordt gemaakt tussen de groepen deelnemers, gewezen deelnemers of gepensioneerden of deelgroepen hiervan, dan worden de drie rekenmethodescenario’s opgesteld voor elke groep.
Voor fondsen volgt de aanpassing en de aanpassingsfactor oorspronkelijke pensioenopbouw uit een doorrekening van de haalbaarheidstoets op de berekeningsdatum. Indien de berekening bedoeld is voor communicatiedoeleinden, dan kunnen deze factoren ook volgen uit een aan de haalbaarheidstoets gelijkwaardige berekening in het kwartaal voorafgaand aan de berekeningsdatum. Voor andere uitvoerders volgen deze factoren uit een zo realistisch mogelijke projectieberekening die gebaseerd is op dezelfde berekeningsdatum.
Artikel 14g. Berekeningen rekenmethode 1
In rekenmethode 1 wordt voor elke deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde met het verwachte, optimistische en pessimistische rekenmethodescenario, bedoeld in artikel 14f, vierde lid, het pensioenbedrag als volgt berekend:
- a. het op de berekeningsdatum opgebouwde ouderdomspensioen wordt vermenigvuldigd met de cumulatieve koopkrachtfactor in jaar A van het rekenmethodescenario;
- b. voor de jaren vanaf de berekeningsdatum tot en met jaar A worden voor elk jaar j de volgende drie grootheden met elkaar vermenigvuldigd:
- 1°. het op te bouwen ouderdomspensioen in jaar 1, op jaarbasis;
- 2°. het eerste getal, bedoeld in artikel 14f, vierde lid, in jaar A van het rekenmethodescenario gedeeld door het eerste getal, bedoeld in artikel 14f, vierde lid, in jaar j van het rekenmethodescenario, en
- 3°. het tweede getal, bedoeld in artikel 14f, vierde lid, in jaar j van het rekenmethodescenario; en
- c. het in onderdeel a berekende bedrag en de in onderdeel b berekende bedragen worden bij elkaar opgeteld.
Voor de gewezen deelnemer of de gepensioneerde is de grootheid in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° gelijk aan nul. Dit is ook het geval indien voor een deelnemer het pensioenbedrag berekend wordt voor alleen het op de berekeningsdatum opgebouwde ouderdomspensioen.
Als A niet een geheel aantal jaren is, dan wordt het pensioenbedrag P als volgt berekend. Laat [A] het gehele aantal jaren zijn door het naar beneden op een geheel getal afronden van A. Met het volgens dit artikel berekende pensioenbedrag P0 op [A] jaren vanaf berekeningsdatum en het volgens dit artikel berekende pensioenbedrag P1 op [A]+1 jaren wordt het pensioenbedrag P als volgt bepaald: P = P0 + (P1 – P0) * (A – [A]).
Artikel 14h. Uitgangspunten berekening rekenmethode 2
Vervallen
Paragraaf 3. Kosten
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Paragraaf 2. Haalbaarheidstoets
Paragraaf 2. Haalbaarheidstoets
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2
Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;
het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;
het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;
het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;
het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;
de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;
de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;
de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;
de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;
de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;
de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;
de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;
de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;
de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;
de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;
19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);
20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank;
het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie;
het Satellietcentrum van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie.
Bijlage 1. als bedoeld in artikel 2
Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;
het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;
het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;
het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;
het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;
de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;
de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;
de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;
de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;
de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;
de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;
de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;
de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;
de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;
de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;
de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;
de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;
19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);
20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank;
het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie;
het Satellietcentrum van de Europese Unie, bedoeld in het op 20 juli 2001 te Brussel tot stand gekomen Gemeenschappelijk optreden van de Raad betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie.
Bijlage 1a. Procedures, formules en symbolen als bedoeld in artikel 15, tweede lid
Artikel 1
Bijlage 3. als bedoeld in de artikelen 24 en 25 van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico
Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico
S7 voor het vereist eigen vermogen voor het liquiditeitsrisico.
S8 voor het vereist eigen vermogen voor het concentratierisico.
S9 voor het vereist eigen vermogen voor het operationeel risico.
Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 14i. Berekeningen rekenmethode 2
Vervallen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)