Algemene douaneregeling

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 353
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 1:3, eerste lid, onderdeel c, 1:19, tweede lid, 1:28, zesde lid, 1:35, 1:37, derde lid, 2:1, aanhef en onder a tot en met h, j, k en m, 6:1, eerste lid, 6:2, 6:3, 7:1, aanhef en onderdeel b, 7:6, vierde lid, 7:9, aanhef en onderdeel a tot en met c, 9:5, 10:11, 11:13, eerste lid, en artikel 11:14, eerste lid, van de Algemene douanewet en op de artikelen 1:5, vijfde lid, 2:1, eerste lid, 2:2, eerste en tweede lid, 3:2, derde lid, 3:3, aanhef en onderdeel c, 3:4, eerste lid, en 5:1, tweede en vierde lid, van het Algemeen douanebesluit;

Besluiten:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Algemene douanewet in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1.1. Basisdefinities en overige inleidende bepalingen

Artikel 1:1

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 1:3, eerste lid, onderdeel c, 1:6, derde lid, 1:19, tweede lid, 1:28, zesde lid, 1:35, 1:37, derde lid, 2:1, 3:2, derde lid, aanhef en onderdelen a en b, 3:5, tweede lid, 6:1, eerste lid, 6:2, 6:3, 7:1, aanhef en onder b, 7:6, vierde lid, 7:9, aanhef en onder a tot en met c, 9:5, 10:11, 11:13, eerste lid, en 11:14, eerste lid van de Algemene douanewet, de artikelen 1:5, vijfde lid, 2:1, eerste lid, 2:2, eerste en tweede lid, 3:2, derde lid, en 3:3, aanhef en onder c, van het Algemeen douanebesluit, de artikelen 2, eerste lid, onderdeel i, en artikel 5, tweede lid, van de Invorderingswet 1990, artikel 21 van de Wet op de omzetbelasting 1968, de artikelen 63, eerste lid, en 69 van de Wet op de accijns en aan de artikelen 27, eerste lid, en 31 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.

Artikel 1:2

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • c. binnenkomend schip: schip waarvoor de in artikel 139 van het Douanewetboek van de Unie bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;
  • d. binnenkomend luchtvaartuig: luchtvaartuig waarvoor de in artikel 139 van het Douanewetboek van de Unie bedoelde formaliteiten moeten worden vervuld;
  • e. Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
  • f. vervallen;
  • g. Verordening 1186/2009: Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PbEU 2009, L 324);
  • i. vervallen;
  • j. Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie: Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PbEU 2016, L 69);
  • k. vervallen;
  • q. cigarillo’s: sigaren met een maximumgewicht van 3 gram per stuk;
  • s. kanselarijbenodigdheden: officiële emblemen en documenten alsmede kantoormeubilair en kantoorbenodigdheden bestemd voor een kanselarij;
  • t. vervallen;
  • u. Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239: Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239 van de Commissie van 18 mei 2016 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten (Pb 2016, L 206);
  • v. Verordening 1308/2013: Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347);
  • z. IMO/FAL 1, 3 of 4: formulier als bedoeld in aanhangsel 1 van de bijlage bij het op 9 april 1965 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee, met Bijlage (Trb. 1966, 162), waarbij het nummer verwijst naar het specifieke formulier;
  • aa. Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/760: Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/760 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorschriften voor het beheer van tariefcontingenten voor invoer en uitvoer waarvoor een certificaat verplicht is, en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het stellen van zekerheden bij het beheer van tariefcontingenten (Pb EU, 2020, L 185);
  • ac. Verordening (EU) 2021/2115: Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435).
Artikel 1:3

Douanekantoren zijn gevestigd in de plaatsen genoemd in bijlage I.

Afdeling 1.2. Aanwijzing inspecteur en ontvanger

Artikel 1:4
1.

De directeur-generaal Douane, de algemeen directeuren en de directeur, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, zijn inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet.

2.

De directeur-generaal Douane is inspecteur en ontvanger als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet, voor zover het de belastingaangelegenheden betreft die verband houden met het Koninklijk Huis.

Artikel 1:5
1.

De directeur-generaal Douane, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 en de algemeen directeuren en de directeur, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, zijn ambtenaar als bedoeld in artikel 11:7 van de wet.

2.

Als functionarissen als bedoeld in artikel 10:15 van de wet worden aangewezen de ambtenaren van de Belastingdienst (contactambtenaren) die door de in het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn aangewezen om namens hen de bevoegdheid, bedoeld in artikel 11:7 van de wet, uit te oefenen.

3.

De directeur-generaal Douane, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling belastingdienst 2003, is op grond van artikel 1:28, zesde lid, van de wet bevoegd tot het geven van toestemming voor het vorderen van gehele ontkleding dan wel het onderzoek van het onderlichaam van degene die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen.

Artikel 1:6

De verplichtingen die ingevolge artikel 1:32 van de wet bestaan jegens de inspecteur en de ontvanger, gelden mede jegens de algemeen directeur van de FIOD alsmede jegens de door deze algemeen directeur aangewezen ambtenaren van de Belastingdienst.

Artikel 1:7
1.

De algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken is inspecteur als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet.

2.

De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor de toepassing van artikel 48 van het Douanewetboek van de Unie.

3.

De algemeen directeur, bedoeld in het eerste lid, kan bij het uitoefenen van de hem bij dat lid opgedragen taken alleen de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:23, 1:24, 1:25, 1:27, 1:31 tot en met 1:34 van de wet, toepassen.

Artikel 1:8
1.

De inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is inspecteur als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet.

2.

De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen voor de bij of krachtens in het derde lid bedoelde wettelijke voorschriften vastgestelde taken. Hierbij kunnen de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1:23, 1:24, 1:25, 1:27, 1:31 tot en met 1:34 van de wet, worden toegepast.

3.

De in het tweede lid bedoelde wettelijke voorschriften zijn de in de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3 van de wet, onder A, bedoelde voorschriften voor zover het voorschriften aangaande onderwerpen betreft die vallen onder de reikwijdte van de volgende wettelijke voorschriften en deze wettelijke voorschriften zelf, voor zover deze betrekking hebben op goederen en goederenverkeer:

Artikel 1:9

De algemeen directeur Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken is ontvanger in de zin van artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de wet en artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990, voor zover het betreft waarborgsommen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het besluit.

Artikel 1:10
1.

De directeur-generaal Douane, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, is de bevoegde douaneadministratie, bedoeld in artikel 10 van de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het gebruik van informatica op douanegebied (Trb. 1995, 287).

2.

De in het eerste lid bedoelde douaneadministratie is gehouden uitvoering te geven aan onherroepelijke beslissingen van een rechtbank of een andere bevoegde autoriteit met betrekking tot kennisneming, verwijdering of verbetering van persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onder I, II en III, van de in het eerste lid genoemde overeenkomst.

Afdeling 1.3. Elektronisch berichtenverkeer

Artikel 1:11
1.

Een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer wordt gesteld in de Nederlandse of de Engelse taal.

2.

De inspecteur stelt de technische specificaties vast van de aangiften en de kennisgeving, genoemd in het eerste lid.

Afdeling 1.3. Douaneaangiften

Artikel 1:12

Het tarief van de kosten die op grond van artikel 1:19, eerste lid, van de wet, door de belanghebbende aan het Rijk verschuldigd zijn, is:

  • a. indien het ambtelijke verrichtingen betreft: € 24 per half uur;
  • b. het bedrag, dat door derden aan de inspecteur in rekening is gebracht.

Afdeling 1.4. Kosten ambtelijke werkzaamheden

Artikel 1:13

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. certificaat van oorsprong: bewijsstuk inzake de niet-preferentiële oorsprong van goederen;
  • b. certificaat inzake goederenverkeer: certificaat EUR.1 of EUR-MED ten bewijze van de preferentiële oorsprong van goederen;
  • e. leveranciersverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Douanewetboek van de Unie;
  • f. oorsprongsverklaring: verklaring inzake de preferentiële oorsprong van goederen, in gevallen dat de toepasselijke autonome preferentiële regeling of een handels- of associatieovereenkomst daarin voorziet;
  • g. commissie: adviescommissie voor de oorsprong;
  • h. NAK: Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen;
  • i. Naktuinbouw: Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw.
Artikel 1:14
1.

Een aanvraag tot afgifte van een certificaat van oorsprong wordt ingediend bij de Kamer.

2.

De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden vastgesteld.

3.

De Kamer beslist op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Wanneer de aanvraag wordt ingewilligd, wordt het certificaat van oorsprong door de Kamer bekrachtigd.

4.

Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:

  • a. bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; of
  • b. aan een ander ten behoeve van een aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1:15
1.

Indien de aanvraag, bedoeld in artikel 1:14, eerste lid, betrekking heeft op teeltmateriaal als bedoeld in artikel 1, aanhef, onderdeel f, van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, wordt bij de aanvraag als bewijsstuk als bedoeld in artikel 1:14, tweede lid, overlegd:

  • c. enig ander bewijsstuk dat kan dienen om de oorsprong van de in de aanvraag vermelde producten vast te stellen, dat door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voor het desbetreffende teeltmateriaal is afgegeven.
2.

Een bewijsstuk als bedoeld in artikel 1:14, tweede lid, is voor een aanvraag als bedoeld in artikel 1:14, eerste lid, die betrekking heeft op groente en fruit als bedoeld in deel IX, van bijlage I, bij Verordening 1308/2013 het gewaarmerkt afschrift van het controlebewijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.

3.

Indien de producten, vermeld in de aanvraag, tegelijkertijd kunnen worden aangemerkt als teeltmateriaal als bedoeld in het eerste lid, en als groente en fruit als bedoeld in het tweede lid, wordt het eerste of het tweede lid toegepast afhankelijk van de bestemming die aan die producten wordt gegeven.

Artikel 1:16
1.

Een aanvraag tot afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer wordt ingediend bij de Kamer.

2.

De aanvraag bevat gegevens en bewijsstukken op basis waarvan de oorsprong van de in de aanvraag vermelde goederen kan worden vastgesteld.

3.

De Kamer voorziet de aanvraag van haar bevindingen en maakt deze bekend aan de inspecteur.

4.

Het is verboden onjuiste of onvolledige gegevens te verstrekken:

  • a. bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid; of
  • b. aan een ander ten behoeve van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1:17
1.

De commissie adviseert de Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp en van Financiën, en de Kamer over preferentiële en niet-preferentiële oorsprongsvraagstukken.

2.

De commissie stelt haar eigen werkwijze en samenstelling schriftelijk vast.

3.

De Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp wijst de voorzitter van de commissie aan.

Afdeling 1.6. Lijfsvisitatie

Artikel 1:18

De instellingen van apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken, zijn zodanig, dat de persoon, die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen, niet herkenbaar is op de beelden die door de apparatuur worden gegenereerd.

Afdeling 1.6. Lijfsvisitatie

Artikel 1:19

Vervallen

Artikel 1:20
1.

Ingeval de gegevens voor de vaststelling van de douanewaarde zijn uitgedrukt in een munteenheid waarvoor de Europese Centrale Bank geen referentiekoersen publiceert, wordt voor de vaststelling van de douanewaarde gebruik gemaakt van de wisselkoers van die munteenheid ten opzichte van de euro zoals die wordt gepubliceerd op de voorlaatste woensdag van de maand in de Financial Times Guide to World Currencies.

2.

De wisselkoers, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende de kalendermaand die volgt op de in het eerste lid bedoelde publicatie in de Financial Times Guide to World Currencies.

3.

Indien geen publicatie plaatsvindt op het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, wordt de voor de betrokken munteenheid laatst in de Financial Times Guide to World Currencies gepubliceerde wisselkoers van die munteenheid ten opzichte van de euro geacht de op de voorlaatste woensdag van de maand gepubliceerde wisselkoers te zijn.

Artikel 1:21
1.

De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie, kan achterwege blijven indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen wordt vastgesteld op een andere wijze dan met toepassing van artikel 70 van het Douanewetboek van de Unie.

2.

Ingeval de in het eerste lid bedoelde aangifte achterwege blijft, verstrekt de aangever afzonderlijk de gegevens met behulp waarvan de aangegeven douanewaarde is berekend. Deze gegevens omvatten ten minste:

  • –. de methode van de vaststelling van de douanewaarde, aan te duiden door vermelding van het desbetreffende artikel van het Douanewetboek van de Unie;
  • –. een verwijzing naar een door de douane genomen beslissing voor zover de douanewaarde overeenkomstig een dergelijke beslissing is aangegeven; en
  • –. een gedetailleerde opgave van de wijze van berekening.
3.

Het tweede lid is niet van toepassing indien de aangegeven douanewaarde rechtstreeks uit de factuur is afgeleid.

Artikel 1:22

Vervallen

Hoofdstuk 2. Bepalingen die op de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen van toepassing zijn tot deze een douanebestemming hebben gekregen

Afdeling 2.1. Formaliteiten met betrekking tot het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap

Artikel 2:1
1.

Binnenkomende schepen en de daarmee vervoerde goederen worden langs in bijlage II opgenomen vaarwaters overgebracht naar een haven ressorterende onder een in bijlage III opgenomen douanekantoor alwaar zij worden aangebracht.

2.

Binnenkomende luchtvaartuigen en de daarmee vervoerde goederen worden zonder tussenlanding overgebracht naar een internationale luchthaven ressorterende onder een in bijlage IV opgenomen douanekantoor alwaar zij worden aangebracht.

3.

In afwijking in zoverre van het eerste lid kan voor binnenkomende schepen een tijdelijke ligplaats worden gekozen op de plaatsen, genoemd in bijlage V. Op deze plaatsen vinden geen andere activiteiten plaats dan:

  • a. het innemen van scheepsvoorraden ten behoeve van de bemanning van het schip;
  • b. het innemen van brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of smering van het schip; of
  • c. het aan of van boord nemen van goederen voor reparatie of vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis voort te kunnen laten zetten alsmede de daadwerkelijke reparatie of vervanging van die onderdelen.
4.

Van de aankomst en van het vertrek van een schip op de plaatsen, genoemd in bijlage V, voor het verrichten van een activiteit, genoemd in het derde lid, wordt mededeling gedaan aan de inspecteur.

Artikel 2:2

Vervallen

Artikel 2:3

De artikelen 2:0, 2:1, 2:2a en 2:5 zijn niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen indien:

  • a. de laatste haven, onderscheidenlijk luchthaven, van vertrek voor aankomst in Nederland is gelegen in het douanegebied van de Unie;
  • b. geen goederen aan boord zijn waarvoor bij het in het vrije verkeer brengen rechten bij invoer of andere belastingen zijn verschuldigd of waarvoor ingevolge een wettelijk voorschrift de vervulling van bepaalde formaliteiten is vereist;
  • c. op de aan boord aanwezige goederen bij het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie geen verboden of beperkingen van toepassing zijn of zouden zijn als bedoeld in artikel 1:1, vijfde lid, van de wet; en
  • d. het schip of luchtvaartuig in de Unie thuishoort.
Artikel 2:4
1.

Degene die aan de kust goederen heeft opgevist of gered, dan wel aldaar aangespoelde of gestrande goederen heeft geborgen, geeft daarvan onverwijld kennis aan de inspecteur. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kust mede verstaan de wateren, stranden en oevers welke op grond van artikel 21 van de Wet op de strandvonderij worden beschouwd te behoren tot de zee en het zeestrand.

2.

De goederen worden zonder toestemming van de inspecteur niet verder landinwaarts gebracht dan tot de eerste plaats waar zij tegen beschadiging door het zeewater zijn beveiligd.

3.

Na de kennisgeving worden de goederen aangemerkt als binnengebrachte goederen in de zin van artikel 134, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie.

Afdeling 2.2. Summiere aangifte

Artikel 2:5
1.

De aangifte tot tijdelijke opslag bevat de in bijlage 9, aanhangsel A, onderdeel 2, van de Gedelegeerde Verordening overgangsregels Douanewetboek van de Unie genoemde vereiste gegevens.

2.

Indien de aangifte tot tijdelijke opslag betrekking heeft op een of meerdere goederen, genoemd in bijlage V, deel B, van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PbEG 2000, L 169), wordt dit, gelijktijdig met het indienen van de aangifte tot tijdelijke opslag en door de indiener van die aangifte, expliciet medegedeeld aan de douane.

Afdeling 2.2. Summiere aangifte

Artikel 2:6

Vervallen

Artikel 2:7

Vervallen

Artikel 2:8

Vervallen

Afdeling 2.3. Tijdelijke opslag

Artikel 2:9

Vervallen

Artikel 2:10

Vervallen

Artikel 2:11
1.

De formulieren enig document worden ingevuld overeenkomstig het bepaalde in de Toelichting enig document, zoals opgenomen in bijlage VI.

2.

De bij de invulling van de formulieren enig document te gebruiken codes zijn de codes opgenomen in het codeboek Douane en beschikbaar via internetadres www.douane.nl.

Artikel 2:12
1.

In de gevallen waarin op grond van wettelijke bepalingen in een aangifte de goederencode van de desbetreffende goederen moet worden vermeld, is dat de code die voor die goederen is vastgesteld in het gebruikstarief.

2.

Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is de lijst van goederenomschrijvingen met bijbehorende codes en aanduiding van de voor de desbetreffende goederen van toepassing zijnde maatregelen bij in- of uitvoer, zoals die geldt ingevolge verordeningen van de Raad van de Europese Unie of de Europese Commissie.

3.

Het in het eerste lid bedoelde gebruikstarief is beschikbaar via internetadres Home | Gebruikstarief (douane.nl).

Artikel 2:13

Indien door de inspecteur een vergunning wordt afgegeven voor het gebruik van de bijzondere regeling douane-entrepots wordt in de vergunning bepaald dat, afhankelijk van de aard van de goederen die onder de bijzondere regeling douane-entrepots worden geplaatst, de vergunninghouder en het Centraal Bureau voor de Statistiek overeenstemming bereiken over de afzonderlijke aanlevering van gegevens ten behoeve van de entrepotstatistiek.

Afdeling 2.5. Onderzoek van de goederen, bevindingen van het douanekantoor en andere door het douanekantoor te nemen maatregelen

Artikel 2:14
1.

Monsterneming vindt in tweevoud plaats, tenzij de wijze en/of aard van het onderzoek ertoe noopt meerdere monsters te nemen, en de monsters worden ter plaatse verpakt en verzegeld.

2.

Indien mogelijk wordt op verzoek van belanghebbende een extra monster genomen, dat ter plaatse wordt verpakt en verzegeld en in het bezit van belanghebbende blijft.

Artikel 2:15
1.

De speling, bedoeld in artikel 1:35 van de wet, is, indien het een verschil betreft tussen de waarde of de hoeveelheid zoals in de aangifte is aangegeven, en de waarde of de hoeveelheid van hetgeen aanwezig is: een percent van de waarde of de hoeveelheid van hetgeen aanwezig is.

2.

De speling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing:

  • a. indien het bevonden verschil niet is ontstaan ten gevolge van dwaling, onwillekeurig verzuim of natuurlijke verliezen;
  • b. indien het bevonden verschil van invloed is op de berekening van de douaneschuld;
  • c. op aantallen colli of losse voorwerpen.

Hoofdstuk 3. Landbouwproducten

Afdeling 2.5. Onderzoek van de goederen, bevindingen van het douanekantoor en andere door het douanekantoor te nemen maatregelen

Artikel 3:1

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 5, eerste en derde lid, 6, eerste, tweede en vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 6, zevende lid, 9, eerste en derde lid, 12, vierde lid, 13, eerste en zesde lid, 14, vijfde lid, onderdeel a, en zesde lid, en 15 eerste, vierde en zesde lid, onderdeel c, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239.

Artikel 3:2

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is:

  • a. de met afgifte van certificaten belaste autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, derde, vierde en vijfde lid, 7, tweede, derde en vierde lid, 10, tweede lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 2, zesde lid, 3, eerste en tweede lid, 4, eerste lid, 6, eerste, derde, vierde en zevende lid, 7, tweede lid, 9, tweede lid, 10, eerste en tweede lid, 11, 12, eerste en tweede lid, 13, tweede tot en met zesde lid, 14, vijfde, zesde en zevende lid, 15, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, 16, tweede en derde lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239;
  • b. de autoriteit, bedoeld in de artikelen 8, onderdelen c en g, en 9, vierde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237 en de artikelen 2, tweede, derde en vierde lid, 13, zevende lid, 16, eerste en tweede lid, 17, 20, eerste tot en met vierde lid, en 21, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239;
  • c. de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, derde, vierde en vijfde lid, 7, tweede, derde en vierde lid, 8, onderdelen c en g, 9, vierde lid, 10, tweede lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1237;
  • d. de met de afgifte van certificaten belaste autoriteit, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 7, zevende lid, 8, derde en vijfde lid, 9, derde lid, 10, derde en vijfde lid, 12, vierde tot en met zesde lid, 13, 14 en 15, eerste lid, en de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 10, zesde lid, en 16, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/760;
  • e. de met de afgifte van certificaten belaste autoriteit, bedoeld in de artikelen 6, vijfde lid, 8, tweede lid, 9, 10, zesde lid, 24, 44, 59, tweede lid, 62, tweede en vierde lid, 63, tweede en deerde lid, en 72, en de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 44, 50, 59, tweede lid, 62, derde en vijfde lid, 64, derde lid, en 70, tweede lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/761.
Artikel 3:3

Vervallen

Artikel 3:4

Vervallen

Artikel 3:5

Vervallen

Artikel 3:6

Vervallen

Artikel 3:7

Vervallen

Artikel 3:8

Vervallen

Artikel 3:9

De certificaten, bedoeld in artikel 3:2, tweede lid, van het besluit, zijn in het Nederlands gesteld.

Artikel 3:10

Vervallen

Artikel 3:11

Vervallen

Artikel 3:12

Vervallen

Afdeling 3.2. Certificaten; bijzondere bepalingen

Artikel 3:13
1.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel 3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor ruwe hennep van post 53 02 10 00 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af indien deze voldoet aan de voorwaarden van artikel 4, vierde lid, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2115.

2.

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur geeft de invoercertificaten, bedoeld in artikel 3:1, onder d, van het besluit, of uittreksels daarvan voor zaaizaad bestemd voor de inzaai van henneprassen van post ex 1207 99 20 van de gecombineerde nomenclatuur slechts af indien deze vergezeld gaat van het bewijs dat het gehalte aan tetrahydrocannabinol niet hoger is dan het gehalte, bedoeld in artikel 4, achtste lid, van Verordening (EU) 2021/2115.

Artikel 3:14
1.

Van het verbod op het invoeren van landbouwproducten, bedoeld in artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.

2.

Van het verbod op het uitvoeren van landbouwproducten, bedoeld in artikel 3:2 van het besluit, wordt vrijstelling verleend voor pootaardappelen van post 0701 1000 van de gecombineerde nomenclatuur.

3.

Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, is de voorwaarde verbonden dat de betrokken partij is voorzien van een etiket en een bewijsstuk als bedoeld in artikel 13 van Richtlijn 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG 2002, L 193).

4.

Het etiket en het bewijsstuk, bedoeld in het derde lid, worden afgegeven door de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen.

Artikel 3:15

Vervallen

Artikel 3:16

Vervallen

Afdeling 3.2. Certificaten; bijzondere bepalingen

Artikel 3:17

Vervallen

Artikel 3:18

Vervallen

Artikel 3:19

Vervallen

Artikel 3:20

Vervallen

Artikel 3:21

Vervallen

Artikel 3:22

Vervallen

Afdeling 3.4. Proviandering

Artikel 3:23

Vervallen

Artikel 3:24

Vervallen

Artikel 3:25

Vervallen

Artikel 3:26

Vervallen

Artikel 3:27

Vervallen

Artikel 3:28

Vervallen

Artikel 3:29

Vervallen

Artikel 3:30

Vervallen

Artikel 3:31

Vervallen

Afdeling 3.5. Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 3:32

Vervallen

Hoofdstuk 4. De douanebestemmingen

Afdeling 3.5. Regels ter uitvoering van overige Europese verordeningen

Artikel 4:1

Het document, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel ii, van Verordening (EU) 2016/1012 van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de zoötechnische en genealogische voorwaarden voor het fokken van, de handel in en de binnenkomst in de Unie van raszuivere fokdieren, hybride fokvarkens en levende producten daarvan en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014, de Richtlijnen 89/608/EEG en 90/425/EEG van de Raad en tot intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van dierfokkerij (‘Fokkerijverordening’) (PbEU 2016, L 171), dat een zending raszuivere fokdieren vergezelt bij het in het vrije verkeer brengen, wordt opgemaakt volgens het in bijlage VIII opgenomen model.

Artikel 4:2

Vervallen

Artikel 4:3

Vervallen

Artikel 4:4

Vervallen

Artikel 4:5

Vervallen

Afdeling 4.2. De economische douaneregelingen

Artikel 4:6

Aan accijns onderworpen Uniegoederen kunnen slechts in de ruimten van een douane-entrepot worden opgeslagen voor zover de Wet op de accijns in deze opslag voorziet en onder de bij of krachtens de Wet op de accijns gestelde voorwaarden en beperkingen.

Artikel 4:7

Vervallen

Artikel 4:8
1.

De bijzondere regeling tijdelijke invoer wordt toegestaan voor vervoermiddelen die hier te lande worden ingeschreven en te naam gesteld in het kentekenregister en waarvoor een kenteken wordt opgegeven bevattende de letters CD, CDJ dan wel de letters BN of GN in combinatie met twee cijfergroepen van elk twee cijfers.

2.

De in het eerste lid bedoelde vervoermiddelen kunnen onder de regeling worden geplaatst zonder schriftelijke aanvraag of vergunning.

Artikel 4:9
1.

Met inachtneming van artikel 216, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, wordt toegestaan dat vervoermiddelen welke worden betrokken uit een douane-entrepot of een ruimte voor tijdelijke opslag onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst.

2.

Voor vervoermiddelen die in overeenstemming met het eerste lid onder de regeling zijn geplaatst, wordt een kenteken opgegeven bevattende de letters BN of GN in combinatie met twee cijfergroepen van elk twee cijfers.

3.

In de gevallen, bedoeld in artikel 216, eerste lid, onderdeel a, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, heeft de tenaamstelling in het kentekenregister een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden.

4.

In de gevallen, bedoeld in artikel 216, eerste lid, onderdeel b, van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, heeft de tenaamstelling in het kentekenregister een geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden.

Afdeling 4.3. Vrije zones en entrepots

Artikel 4:10

Vervallen

Artikel 4:11

Vervallen

Artikel 4:12

Vervallen

Artikel 4:13

Vervallen

Artikel 4:14

Vervallen

Artikel 4:15

Vervallen

Artikel 4:16

Vervallen

Artikel 4:17

Vervallen

Afdeling 3.4. Proviandering

Artikel 4:18

Vervallen

Hoofdstuk 5. Verboden en beperkingen

Afdeling 4.4. Wederuitvoer, vernietiging en afstand van goederen

Artikel 5.1
1.

Met betrekking tot de in aanmerking te nemen wisselkoers, bedoeld in artikel 3:2, derde lid, onderdeel a, van de wet, is artikel 1:20 van overeenkomstige toepassing.

2.

De in aanmerking te nemen waarde van verhandelbare instrumenten aan toonder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder ii, van de Verordening liquide middelen, is de waarde die het desbetreffende instrument heeft op de meest gerede financiële markt waarop het verhandeld wordt of bij het ontbreken daarvan, de intrinsieke waarde.

3.

De in aanmerking te nemen waarde van de goederen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder iii, van de Verordening liquide middelen, of van de waardevolle goederen, bedoeld in artikel 3:4 van de wet, is de douanewaarde, vastgesteld overeenkomstig het gestelde bij of krachtens de bepalingen van titel II, hoofdstuk 3, van het Douanewetboek van de Unie.

4.

De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, van de wet, wordt stellig en zonder voorbehoud schriftelijk gedaan voorzien van dagtekening en ondertekening.

Afdeling 4.5. Uitvoer

Artikel 5:2

Vervallen

Artikel 5:3

Vervallen

Artikel 5:4

Vervallen

Artikel 5:5
1.

Het in het vrije verkeer brengen van textielproducten van oorsprong uit de Democratische Volksrepubliek Korea, genoemd in bijlage III bij Verordening (EU) 2015/936 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2015 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere invoerregeling van de Unie (Pb EU 2015, L 160), zonder vergunning van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp is verboden.

2.

Het eerste lid geldt niet indien bij het in het vrije verkeer brengen een geldige invoervergunning wordt overgelegd, afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie.

Artikel 5:6

Vervallen

Artikel 5:7

Vervallen

Artikel 5:8

Vervallen

Artikel 5:9

Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 3, 4, 5,11, 13, 16, eerste lid, of 18 van Verordening (EU) 2019/125 van het Europees Parlement en de Raad van 16 januari 2019 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PbEU 2019, L30).

Artikel 5:10
1.

Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2 van Verordening (EU) nr. 2016/793 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 ter voorkoming van verlegging van het handelsverkeer in bepaalde belangrijke geneesmiddelen naar de Europese Unie (PbEU 2016, L 135).

2.

De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de verordening, genoemd in het eerste lid, is de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.

Hoofdstuk 4. Douaneregelingen en wederuitvoer

Artikel 6:1
1.

Als douanekantoor van uitgang voor goederen die over zee het douanegebied van de Unie verlaten, worden aangewezen de douanekantoren, opgenomen in bijlage III.

2.

Als douanekantoor van uitgang voor goederen die door de lucht het douanegebied van de Unie verlaten, worden aangewezen de douanekantoren, opgenomen in bijlage IV.

Artikel 6:2
1.

Van een schip of een luchtvaartuig dat het douanegebied van de Unie over zee, onderscheidenlijk door de lucht, zal verlaten, wordt voor vertrek op elektronische wijze een aangifte ten uitklaring gedaan door het inzenden van de generale verklaring (IMO/FAL 1), onderscheidenlijk door het inzenden van de generale verklaring luchtvaart, bedoeld in bijlage 9 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165), waarin de gegevenselementen, genoemd in bijlage IXa, titel III, zijn opgenomen

2.

Van alle goederen geladen in een Nederlandse haven of luchthaven aan boord van het schip of luchtvaartuig, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk op de werkdag volgend op de dag van vertrek uit de haven, onderscheidenlijk de luchthaven, een aangifte ten uitklaring gedaan bij het douanekantoor van uitgang door het op elektronische wijze inzenden van het douanemanifest bij uitgang waarin de gegevenselementen, genoemd in bijlage IXa, titel II, zijn opgenomen.

Artikel 6:3
1.

Als vaarwaters waarlangs schepen en de daarin of daarop aanwezige goederen het douanegebied van de Unie rechtstreeks verlaten, worden aangewezen de vaarwaters, opgenomen in bijlage II.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt toegestaan dat goederen die over zee het douanegebied van de Unie zullen verlaten, worden overgeladen in een schip dat het douanegebied van de Unie zal verlaten.

3.

De toestemming, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts verleend voor het overladen van:

  • a. scheepsvoorraden ten behoeve van de bemanning van het schip;
  • b. brandstoffen of smeermiddelen bestemd voor de aandrijving of smering van het schip;
  • c. goederen welke nodig zijn voor reparatie of vervanging van onderdelen van het schip, mits deze reparatie of vervanging noodzakelijk is om het schip zijn reis te kunnen laten voortzetten.
4.

Voor het overladen, bedoeld in het tweede lid, is een vergunning van de inspecteur vereist.

Artikel 6:4

Schepen en luchtvaartuigen hoeven niet te worden aangebracht bij een douanekantoor van uitgang indien:

  • a. de eerste haven of luchthaven van bestemming is gelegen binnen het douanegebied van de Unie;
  • b. geen goederen aan boord zijn waarvoor bij de uitvoer, wederuitvoer, dan wel met het oog op de verkrijging van kwijtschelding of terugbetaling van rechten bij invoer of andere belastingen aan het douanekantoor van uitgang formaliteiten moeten worden vervuld;
  • c. op de aan boord aanwezige goederen geen verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 1:1, vijfde lid, van de wet bij het verlaten van het douanegebied van de Unie van toepassing zijn of zouden zijn; en
  • d. het schip of luchtvaartuig in de Unie thuishoort.
Artikel 6:5

Een schip dan wel een luchtvaartuig dat het douanegebied van de Unie zal verlaten, vertrekt van de haven onderscheidenlijk de internationale luchthaven, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, van artikel 2:1, niet zonder toestemming van de inspecteur.

Hoofdstuk 6. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten

Afdeling 4.2. Opslag en tijdelijke invoer

Artikel 7:1

In afwijking van het forfaitair douanerecht dat wordt toegepast op grond van bijlage I, Eerste Deel, Titel II, punt D.1 bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256) (de gecombineerde nomenclatuur) worden zonder heffing van rechten bij invoer toegelaten goederen, die in kleine zendingen of door reizigers als bagage worden vervoerd, van oorsprong uit:

  • –. Andorra, voor zover de goederen vallen onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van de gecombineerde nomenclatuur;
  • –. De ACS-staten die vallen onder Verordening (EU) 2016/1076 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 tot toepassing van de regelingen voor goederen van oorsprong uit bepaalde staten behorende tot de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), die zijn opgenomen in overeenkomsten tot instelling van, of leidende tot instelling van, een economische partnerschapsovereenkomst (PbEU 2016, L 185);
  • –. Albanië, Algerije, Gebieden onder Palestijnse autoriteit, de begunstigde landen in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS), Bosnië-Herzegovina, Ceuta, Chili, de Europese Economische Ruimte, Egypte, Faeröer, Israël, Jordanië, Kosovo, Kroatië, de Landen en Gebieden Overzee, Libanon, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Marokko, Melilla, Mexico, Moldavië, Montenegro, Peru, Servië, Syrië, Tunesië, Zuid-Afrika, Zuid-Korea of Zwitserland;
  • –. Turkije, voor zover de goederen vallen onder Protocol nr. 1 bij het Besluit van de Commissie over de sluiting van een overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en Turkije betreffende de handel in producten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing is van 29 februari 1996 (PbEG 1996, L 227) en Protocol nr. 3 bij het Besluit 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije betreffende de handelsregeling voor landbouwproducten van 25 februari 1998 (PbEG 1998, L 86).

Afdeling 4.2. Opslag en tijdelijke invoer

Artikel 7:2
1.

Voor het brengen in het vrije verkeer met vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 28, 34, 43, 44, 45, 51, 53, 57, 59, 61, 67, 68, 74 en 95 van Verordening 1186/2009, is een vergunning van de inspecteur vereist met dien verstande dat voor de vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009, een vergunning slechts is vereist indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht door een instelling of organisatie.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de goederen in het vrije verkeer worden gebracht door een openbare instelling of een instelling of organisatie, genoemd in artikel 7:4 of in de bijlagen X tot en met XVI.

Artikel 7:3
1.

Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 3, 12, 17, 20, 21, 28 en 34 van Verordening 1186/2009 wordt slechts verleend indien een door belanghebbende ondertekende lijst wordt overgelegd met een beschrijving van alle goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt.

2.

De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 12 van Verordening 1186/2009, wordt voorts slechts verleend indien belanghebbende aantoont dat zijn huwelijk heeft plaatsgehad of dat de eerste officiële stappen met het oog op zijn huwelijk zijn gezet.

3.

Een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 17 en 20 van Verordening 1186/2009 wordt voorts slechts verleend indien een door een notaris of vergelijkbare functionaris in het land van uitvoer afgegeven verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat de goederen door vererving zijn verkregen.

4.

De termijn van twaalf maanden, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van Verordening 1186/2009, wordt niet verlengd.

5.

Voor het verlenen van een vrijstelling van rechten bij invoer als bedoeld in de artikelen 67 en 68 van Verordening 1186/2009 kan de inspecteur een medische verklaring vragen aan een natuurlijke persoon die de goederen voor zijn eigen gebruik in het vrije verkeer brengt.

Artikel 7:4
1.

Als instellingen en organisaties als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen en organisaties, genoemd in bijlage X.

2.

Als instellingen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XI.

3.

Als instellingen met zetel in de Unie als bedoeld in artikel 51, tweede lid, onderdeel a, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XII.

4.

Als instellingen als bedoeld in artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen, genoemd in bijlage XIII.

5.

Als instelling als bedoeld in artikel 55, aanhef en onder a, van Verordening 1186/2009 wordt aangewezen: Stichting Sanquin Bloedvoorziening.

6.

Als instellingen als bedoeld in artikel 57 van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de ziekenhuizen, gezondheidsinstellingen en dergelijke instellingen welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bezighouden met medisch onderzoek, medische diagnose of medische behandeling.

7.

Als geadresseerden als bedoeld in artikel 59 van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de geadresseerden, genoemd in bijlage XIV.

8.

Als instellingen met een liefdadig en filantropisch karakter als bedoeld in de artikelen 61, eerste lid, onderdeel a, en 74, eerste lid, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen:

  • –. Vereniging het Nederlandse Rode Kruis;
  • –. Stichting Leger des Heils Dienstverlening;
  • –. Vereniging van Nederlandse Voedselbanken.
9.

Als instellingen en organisaties als bedoeld in de artikelen 67 en 68, eerste lid, van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de instellingen en organisaties, genoemd in bijlage XV.

10.

Als organisaties als bedoeld in artikel 112 van Verordening 1186/2009 worden aangewezen de organisaties, genoemd in bijlage XVI.

Artikel 7:5

Vervallen

Artikel 7:6

Voor de beoordeling van de vraag of monsters en stalen als bedoeld in artikel 86 van Verordening 1186/2009 een onbeduidende waarde hebben, wordt de gezamenlijke waarde van alle monsters en stalen die van eenzelfde zending deel uitmaken, in aanmerking genomen. De waarden van de zendingen die door dezelfde afzender aan verschillende geadresseerden zijn verzonden, worden niet samengeteld.

Artikel 7:7

De vrijstelling van rechten bij invoer, bedoeld in artikel 113 van Verordening 1186/2009, voor zover deze betrekking heeft op lijkkisten of urnen, wordt slechts verleend indien een laissez passer voor lijken, een lijkenpas of een overeenkomstige verklaring wordt overgelegd.

Artikel 7:8
1.

Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van diplomatieke en consulaire ambtenaren, met uitzondering van honoraire consuls, van diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen voor zover deze ambtenaren zijn geaccrediteerd of aangemeld bij Nederland en die vertegenwoordiging wordt genoemd op de lijst van vertegenwoordigingen per land of gebied die beschikbaar is gesteld via internetadres https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ambassades-consulaten-en-overige-vertegenwoordigingen.

2.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien de desbetreffende ambtenaar Nederlander is of duurzaam in Nederland verblijft dan wel indien deze vrijstelling is of zal worden verleend door een andere lidstaat van de Europese Unie.

3.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid:

  • a. is voor zover het motorrijtuigen betreft, beperkt tot twee personenvoertuigen per ambtenaar;
  • b. wordt voor alcoholhoudende producten slechts verleend onder voorwaarde van wederkerigheid;
  • c. wordt niet verleend voor tabaksproducten.
Artikel 7:9
1.

Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van leden van het administratief, technisch en bedienend personeel van de op lijst, genoemd in artikel 7:8, eerste lid, genoemde diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen voor zover die personeelsleden zijn aangemeld bij Nederland.

2.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien het desbetreffende personeelslid Nederlander is, duurzaam in Nederland verblijft, of indien er op het moment van het in het vrije verkeer brengen sinds de aanvang van de tewerkstelling in Nederland meer dan 10 jaren zijn verstreken. Voorts is de vrijstelling niet van toepassing indien deze vrijstelling is of zal worden verleend door een andere lidstaat van de Europese Unie.

3.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid:

  • a. is voor zover het motorrijtuigen betreft, beperkt tot twee personenvoertuigen per personeelslid, tenzij met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging is overeengekomen dat deze vrijstelling beperkt is tot één personenvoertuig per personeelslid;
  • b. wordt voor alcoholhoudende producten slechts verleend onder voorwaarde van wederkerigheid;
  • c. wordt niet verleend voor tabaksproducten.
Artikel 7:10
1.

Het verzoek tot het verlenen van een vrijstelling, bedoeld in artikel 7:8 en artikel 7:9, wordt gedaan door het overleggen van de aangifte voor het brengen in het vrije verkeer. Deze aangifte wordt gedaan bij de inspecteur door het overleggen van een door het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging ondertekende aangifte Douane 39.

2.

De vrijstelling wordt slechts verleend indien alle douane-exemplaren van eerder gedane aangiften ten behoeve van eenzelfde belanghebbende, voorzien van een door hem en het hoofd van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging voor gezien getekende ontvangstbevestiging, binnen drie dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur van de volgens het eerste lid gedane aangifte door de inspecteur zijn terugontvangen.

3.

Voor een motorrijtuig waarvoor vrijstelling van rechten bij invoer is verleend, wordt in het kentekenregister de aantekening opgenomen ‘vrijstelling van rechten bij invoer en/of omzetbelasting en/of belasting van personenauto’s en motorrijwielen; vervalt bij vervreemding; vrijstelling niet overdraagbaar’. De motorrijtuigen mogen zonder een dergelijke aantekening niet worden gebruikt.

4.

Het is verboden om de overeenkomstig de artikelen 7:8 en 7:9 met vrijstelling in het vrije verkeer gebrachte goederen:

  • –. uit te lenen, te verpanden, te verhuren, onder bezwarende titel of om niet over te dragen, zonder dat daartoe toestemming is verkregen van de inspecteur die de vrijstelling heeft verleend; en
  • –. te gebruiken op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt.
Artikel 7:11
1.

Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor officieel gebruik – bouwen en herstellen daaronder begrepen – van een diplomatieke of beroepsconsulaire vertegenwoordiging in Nederland, genoemd op de lijst, genoemd in artikel 7:8, eerste lid.

2.

Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de diplomatieke of beroepsconsulaire vertegenwoordiging in de door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de vertegenwoordiging bestemd zijn.

Artikel 7:12
1.

Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van kanselarijbenodigdheden die bestemd zijn voor het officiële gebruik van een honorair consulaire vertegenwoordiging in Nederland, genoemd op de lijst, genoemd in artikel 7:8, eerste lid.

2.

Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de honorair consulaire vertegenwoordiging in de door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de vertegenwoordiging bestemd zijn.

Artikel 7:13
1.

Vrijstelling van rechten bij invoer wordt verleend voor het brengen in het vrije verkeer van goederen die bestemd zijn voor het verrichten van de officiële werkzaamheden door een internationale organisatie in Nederland, genoemd in bijlage XVIII.

2.

Het bepaalde in artikel 7:10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het hoofd van de internationale organisatie in de door hem ondertekende schriftelijke verklaring op de aangifte Douane 39 bevestigt dat de goederen voor het officiële gebruik van de internationale organisatie bestemd zijn.

Artikel 7:14

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)