Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
Deel I
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.01. Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
-
- ‘vaartuig’: een schip of een drijvend werktuig;
-
- ‘schip’: een binnenschip of een zeeschip;
-
- ‘binnenschip’: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren;
-
- ‘zeeschip’: een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd;
-
- ‘sleepboot’: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;
-
- ‘duwboot’: een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel;
-
- ‘duwbak’: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
-
- ‘passagiersschip’: een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
-
- ‘schip voor dagtochten’: een passagiersschip waarop zich geen hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
-
- ‘hotelschip’: een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
-
- ‘snel schip’: een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/u;
-
- ‘drijvend werktuig’: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;
-
- ‘drijvende inrichting’ een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger of een botenhuis;
-
- ‘drijvend voorwerp’ een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip, drijvend werktuig of drijvende inrichting is;
-
- ‘samenstel’: een hecht samenstel of een sleep;
-
- ‘formatie’: vorm van de samenstelling van een samenstel;
-
- ‘hecht samenstel’: een duwstel of een gekoppeld samenstel;
-
- ‘duwstel’: een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide vaartuigen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en die worden aangeduid als ‘duwboot’ of ‘duwboten’.Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
-
- ‘gekoppeld samenstel’: een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte vaartuigen, waarvan er geen is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
-
- ‘sleep’: een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;
-
- ‘lengte’ of ‘L’: de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
-
- ‘breedte’ of ‘B’: de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen);
-
- ‘diepgang’ of ‘T’: de verticale afstand in m tussen het laagste punt van de scheepsromp, zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen, en het vlak van de grootste inzinking van het schip;
-
- ‘erkend classificatiebureau’: een classificatiebureau dat is erkend door alle Rijnoeverstaten en België, te weten: DNV, Bureau Veritas (BV) en Lloyd’s Register (LR);
-
- ‘ES-TRIN’: ES-TRIN als bedoeld in artikel 1.1 van de Binnenvaartregeling. Voor de toepassing van ES-TRIN wordt voor het begrip ‘lidstaat’ gelezen ‘een van de Rijnoeverstaten of België’.
Artikel 1.02. Toepasselijkheid van het reglement
Dit reglement is van toepassing op de volgende vaartuigen:
- a). schepen met een lengte (L) van 20 m of meer;
- b). schepen waarvan het volume, berekend uit het product lengte (L), breedte (B) en diepgang (T), 100 m³ of meer bedraagt.
Bovendien is dit reglement van toepassing op alle:
- a). sleep- en duwboten die zijn bestemd om de in het eerste lid bedoelde schepen of drijvende werktuigen te slepen, te duwen of langszijde gekoppeld mede te voeren;
- b). schepen die beschikken over een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADN;
- c). passagiersschepen;
- d). drijvende werktuigen.
Dit reglement is niet van toepassing op veerponten als bedoeld in het Rijnvaartpolitiereglement.
Artikel 1.03. Vergunning voor het in de vaart brengen
Vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvend voorwerpen, waarvoor een certificaat van onderzoek opgesteld moet worden, moeten aan de bepalingen van dit reglement en aan de eisen van ES-TRIN voldoen.
Artikel 1.04. Certificaat van onderzoek
Op de in artikel 1.02, eerste en tweede lid, bedoelde vaartuigen moeten
- a). een certificaat van onderzoek, dat door een Commissie van deskundigen, die door één der Rijnoeverstaten of België overeenkomstig de bepalingen van dit reglement is afgegeven, of
- b). een door de Centrale Commissie van de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend certificaat aan boord aanwezig zijn. Het certificaat van onderzoek wordt opgesteld overeenkomstig het model dat in bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN is opgenomen.
Artikel 1.05. Zeeschepen
Op zeeschepen, waarop het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS 1974) dan wel het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen van toepassing is, moet het betreffende geldige internationale document aan boord aanwezig zijn.
Zeeschepen, waarop SOLAS 1974 dan wel het Internationaal verdrag betreffende de uitwatering van schepen niet van toepassing is, moeten voorzien zijn van de desbetreffende documenten en van de vrijboordmerken die volgens het recht van de vlaggenstaat zijn voorgeschreven en die wat betreft bouw, inrichting en uitrusting aan de eisen van de genoemde verdragen voldoen of een vergelijkbaar niveau van veiligheid op enigerlei andere wijze kunnen garanderen.
Op zeeschepen, waarop het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL 73) van toepassing is, moet een geldig internationaal document inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee (IOPP document) aan boord aanwezig zijn.
Op zeeschepen, waarop MARPOL 73 niet van toepassing is, moet een overeenkomstig document dat volgens het recht van de vlaggenstaat is voorgeschreven aan boordaanwezig zijn.
Op zeeschepen en drijvende werktuigen die zijn toegelaten om te worden gebruikt aan de kust of op zee moet het geldige certificaat als bedoeld in bijlage 3, onderdeel IV, van ES-TRIN aan boord aanwezig zijn, indien het geldige certificaat van onderzoek als bedoeld in bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN niet aan boord aanwezig is. Daarbij dient bij drijvende werktuigen aan hoofdstuk 25 van ESTRIN ook met inachtneming van hoofdstuk 22 van ES-TRIN te zijn voldaan.
Artikel 1.06. Voorschriften van tijdelijke aard van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren, wanneer het noodzakelijk wordt geacht om:
- a). in dringende gevallen afwijkingen van dit reglement toe te laten, dan wel
- b). proefnemingen mogelijk te maken, waarbij de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden aangetast.
Artikel 1.07. Dienstinstructies voor de Commissies van deskundigen en de bevoegde autoriteiten
In het belang van een eenvoudige en uniforme toepassing van dit reglement kan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart dienstinstructies voor de Commissies van deskundigen en de volgens dit reglement bevoegde autoriteiten vaststellen. De Commissies van deskundigen en de bevoegde autoriteiten worden van deze dienstinstructie in kennis gesteld.
De Commissies van deskundigen en de bevoegde autoriteiten dienen zich aan deze dienstinstructie te houden.
De instructies overeenkomstig ES-TRIN voor de toepassing van ES-TRIN gelden als dienstinstructies in de zin van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
Hoofdstuk 2. Procedure
Artikel 2.01. Commissie van deskundigen
In bepaalde daarvoor in aanmerking komende havens zijn door de Rijnoeverstaten en België Commissies van deskundigen ingesteld.
De Commissies van deskundigen bestaan uit een voorzitter en erkend deskundigen.
Als erkend deskundigen maken van iedere Commissie van deskundigen ten minste deel uit:
- a). een personeelslid van het bevoegd gezag op het gebied van de scheepvaart;
- b). een erkend deskundige op het gebied van de bouw van binnenschepen en hun machines;
- c). een erkend nautisch deskundige die in het bezit is van een binnenvaartschipperspatent dat het voeren van het schip dat onderzocht moet worden toestaat;
- d). bij het onderzoek van traditionele vaartuigen een erkend deskundige voor traditionele vaartuigen.
De voorzitter en de erkend deskundigen van elke Commissie van deskundigen worden benoemd door de autoriteiten van de staat die de Commissie van deskundigen heeft ingesteld.
De voorzitter en de erkend deskundigen dienen bij de aanvaarding van hun functie schriftelijk te verklaren dat zij deze in alle onpartijdigheid zullen vervullen. Van ambtenaren wordt een dergelijke verklaring niet geëist.
De Commissies van deskundigen kunnen zich onder de voorwaarden, zoals door elk der betrokken staten zullen worden vastgesteld, laten bijstaan door gespecialiseerde erkend deskundigen.
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart zorgt voor het bijhouden en het publiceren van een lijst van de Commissies van deskundigen.
Artikel 2.02. Aanvraag van het onderzoek
De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger die een onderzoek hiervan wenst, moet bij de Commissie van deskundigen van zijn keuze een aanvraag indienen volgens het model van bijlage A. De Commissie van deskundigen stelt vast welke bescheiden moeten worden overgelegd.
De eigenaar van een vaartuig, waarop dit reglement niet van toepassing is, of zijn vertegenwoordiger, kan een certificaat van onderzoek aanvragen. Aan deze aanvraag dient gevolg te worden gegeven wanneer het vaartuig voldoet aan de bepalingen van dit reglement.
Artikel 2.03. Aanbieding van het vaartuig voor het onderzoek
De eigenaar of zijn vertegenwoordiger moet het vaartuig leeg, schoongemaakt en met volledige uitrusting voor onderzoek aanbieden. Hij is verplicht bij het onderzoek de noodzakelijke hulp te verlenen, bijv. een geschikte boot met personeel ter beschikking te stellen, en die delen van de romp of van de installaties bloot te leggen, die niet direct toegankelijk of zichtbaar zijn.
De Commissie van deskundigen moet bij het eerste onderzoek het vaartuig op het droge bezichtigen. Bezichtiging op het droge kan achterwege blijven wanneer een klassecertificaat of een verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd. Bij periodieke of bijzondere onderzoeken kan de Commissie van deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen. De Commissie van deskundigen moet bij het eerste onderzoek van vaartuig met eigen mechanische middelen en samenstellen, alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting proefvaarten doen plaatsvinden.
De Commissie van deskundigen kan extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen verlangen. Dit geldt tevens tijdens de bouw.
Onverminderd het derde lid, moet de Commissie van deskundigen die uiteindelijk het certificaat van onderzoek moet afgeven, door de eigenaar of zijn vertegenwoordiger vóór het begin van de bouw (nieuwbouw of verlenging van een reeds in bedrijf zijnde vaartuig) van vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m met uitzondering van zeeschepen, hiervan op de hoogte worden gesteld. Deze Commissie van deskundigen voert tijdens de bouwperiode onderzoeken uit. Zij kan hiervan afzien wanneer vóór het begin van de bouw een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd waarin het verklaart dat het op de bouw toeziet.
Artikel 2.04. Afgifte van het certificaat van onderzoek
Wanneer de Commissie van deskundigen op grond van het onderzoek van een vaartuig vaststelt dat dit beantwoordt aan de bepalingen van dit reglement en de bepalingen van ES-TRIN, geeft zij aan de aanvrager een certificaat van onderzoek volgens het model van bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN af.
De Commissie van deskundigen controleert bij afgifte van een certificaat van onderzoek of aan het desbetreffende vaartuig niet reeds een geldig certificaat is afgegeven, zoals bedoeld in artikel 1.04.
Ingeval de Commissie van deskundigen weigert een certificaat van onderzoek af te geven, moet zij dit aan de aanvrager gemotiveerd schriftelijk mededelen.
Artikel 2.05. Voorlopig certificaat van onderzoek
De Commissie van deskundigen kan een voorlopig certificaat afgeven voor:
- a). vaartuigen die met toestemming van de Commissie van deskundigen naar een bepaalde plaats willen varen om een certificaat van onderzoek te verkrijgen;
- b). vaartuigen waarvan het certificaat van onderzoek verloren, beschadigd of tijdelijk ingetrokken is, zoals bedoeld in de artikelen 2.07 of 2.13, eerste lid;
- c). vaartuigen waarvan het certificaat van onderzoek na een inspectie met positief resultaat wordt voorbereid;
- d). vaartuigen die niet aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een certificaat van onderzoek voldoen;
- e). vaartuigen die zodanige schade hebben geleden dat de staat waarin zij verkeren niet meer overeenstemt met hetgeen in het certificaat van onderzoek is gesteld;
- f). drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, in het geval dat de voor de toepassing van artikel 1.21, eerste lid, van het Rijnvaartpolitiereglement bevoegde autoriteiten de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk stelt van het verkrijgen van een voorlopig certificaat van onderzoek;
- g). vaartuigen waarvoor de Commissie van deskundigen een gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot derde lid, toestaat, voor de gevallen waarvoor de Centrale Commissie voor de Rijnvaart nog geen aanbeveling heeft gedaan.
Het voorlopige certificaat van onderzoek wordt volgens het model van bijlage 3, onderdeel II, van ES-TRIN afgegeven, wanneer de deugdelijkheid van het vaartuig, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht.
Het voorlopige certificaat van onderzoek moet de voorwaarden bevatten die door de Commissie van deskundigen nodig worden geacht en is geldig:
- a). in de in het eerste lid, onder a en d tot en met f, bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken binnen een redelijke termijn, die ten hoogste één maand mag zijn;
- b). in de in het eerste lid, onder b en c, bedoelde gevallen gedurende een redelijke termijn;
- c). in de in het eerste lid, onder g, genoemde gevallen gedurende zes maanden. Deze termijn mag slechts worden verlengd met toestemming van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
De bevoegde autoriteit stelt de Centrale Commissie voor de Rijnvaart binnen een maand na afgifte van het voorlopig certificaat overeenkomstig het eerste lid, onderdeel g, in kennis van de naam en het Europees scheepsidentificatienummer van het vaartuig, van de aard van de afwijking, alsmede van het land waarin het vaartuig is teboekgesteld of waarin zijn thuishaven is gelegen.
Artikel 2.06. Geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek
De geldigheidsduur van de volgens de bepalingen van dit reglement opgestelde certificaten van onderzoek bedraagt in geval van nieuwbouw:
- a). 5 jaren voor passagiersschepen en snelle schepen;
- b). 10 jaren voor alle andere vaartuigen.
In met redenen omklede gevallen kan de Commissie van deskundigen een kortere geldigheidsduur bepalen. De geldigheidsduur wordt in het certificaat aangetekend.
Voor vaartuigen die reeds voordat het onderzoek plaatsvindt in bedrijf waren, wordt de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek voor elk geval afzonderlijk, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, door de Commissie van deskundigen bepaald. Deze geldigheidsduur mag evenwel niet langer zijn dan bij het eerste lid is voorgeschreven.
Artikel 2.07. Aantekeningen in en wijzigingen van het certificaat van onderzoek
Elke verandering van naam, overgang van de eigendom, iedere hermeting van een vaartuig alsmede elke wijziging van de teboekstelling of van de thuishaven moet door de eigenaar of zijn vertegenwoordiger ter kennis worden gebracht van een Commissie van deskundigen. Hij moet daarbij tevens het certificaat van onderzoek aan deze Commissie ter wijziging voorleggen.
Alle aantekeningen in of wijzigingen van het certificaat van onderzoek, voorzien in dit reglement, in het Rijnvaartpolitiereglement en in andere, in gemeen overleg door de Rijnoeverstaten en België vastgestelde bepalingen, kunnen door iedere Commissie van deskundigen worden aangebracht.
Wanneer een Commissie van deskundigen in het certificaat een wijziging aanbrengt of daarin een aantekening stelt, moet zij daarvan kennisgeven aan de Commissie van deskundigen die het betrokken certificaat heeft afgegeven.
Artikel 2.08. Bijzonder onderzoek
Na iedere wezenlijke verandering of reparatie van een vaartuig die van invloed is op de hechtheid van de bouw, de vaar- of manoeuvreereigenschappen of op de kenmerkende eigenschappen moet het vaartuig, voor het weer in de vaart komt, aan een Commissie van deskundigen worden aangeboden, teneinde aan een bijzonder onderzoek te worden onderworpen.
De Commissie van deskundigen die het bijzonder onderzoek verricht, stelt, afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek, de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek vast. Deze periode mag niet langer zijn dan de lopende geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek.
De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat van onderzoek en dient ter kennis te worden gebracht van de Commissie van deskundigen die het certificaat heeft afgegeven.
Artikel 2.09. Periodiek onderzoek
Vóór afloop van de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek moet het vaartuig aan een periodiek onderzoek worden onderworpen.
Bij wijze van uitzondering kan de Commissie van deskundigen op een met redenen omkleed verzoek van de eigenaar of zijn vertegenwoordiger de geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek zonder periodiek onderzoek met ten hoogste één jaar verlengen. Deze verlenging wordt schriftelijk gegeven en moet zich aan boord van het vaartuig bevinden.
De Commissie van deskundigen die het periodiek onderzoek verricht, stelt afhankelijk van de resultaten daarvan de nieuwe geldigheidsduur van het certificaat van onderzoek vast. Hierbij wordt artikel 2.06 in acht genomen. De geldigheidsduur wordt aangetekend in het certificaat van onderzoek en dient ter kennis te worden gebracht van de Commissie van deskundigen die het certificaat heeft afgegeven.
Indien in plaats van verlenging van de geldigheidsduur het certificaat van onderzoek door een nieuw certificaat wordt vervangen, dient het oude certificaat van onderzoek te worden teruggezonden aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven.
Artikel 2.10. Vrijwillig onderzoek
De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger kan op elk moment om een vrijwillig onderzoek verzoeken. Aan dit verzoek om een onderzoek dient gevolg te worden gegeven.
Artikel 2.11. Van overheidswege gelast onderzoek
Wanneer een der bevoegde autoriteiten, belast met de zorg voor de veiligheid van de scheepvaart op de Rijn, van mening is dat een vaartuig gevaar kan opleveren voor de zich aan boord bevindende personen of voor de scheepvaart, kan zij gelasten dat het vaartuig door een Commissie van deskundigen wordt onderzocht.
De eigenaar van het vaartuig draagt slechts dan de kosten van het onderzoek, wanneer de Commissie van deskundigen erkent dat de mening van de in het eerste lid bedoelde autoriteit gegrond is.
Artikel 2.12. Verklaring van en controle door een erkend classificatiebureau of van een technische dienst
De Commissie van deskundigen kan er geheel of gedeeltelijk van afzien te onderzoeken of een vaartuig voldoet aan de in ES-TRIN voorgeschreven bepalingen, voor zover uit een geldige verklaring, afgegeven door een erkend classificatiebureau, blijkt dat het vaartuig geheel of gedeeltelijk aan die bepalingen voldoet.
Een verklaring van een erkend classificatiebureau, dan wel – voor zover dit volgens dit reglement voor bepaalde onderdelen van de uitrusting is toegelaten – van een technische dienst, mag door de bevoegde autoriteit slechts dan worden erkend, indien dat erkend classificatiebureau of die andere instantie verklaart dat het de bepalingen van de instructies van ES-TRIN in acht heeft genomen.
Voor de toepassing van ES-TRIN kunnen technische diensten niet gelegen in de Rijnoeverstaten, België of de lidstaten van de Europese Unie slechts op aanbeveling van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart worden erkend.
Artikel 2.13. Inhouding en teruggave van het certificaat van onderzoek
Wanneer de Commissie van deskundigen tijdens een onderzoek bemerkt dat een vaartuig of de uitrusting daarvan ernstige gebreken vertoont, en dat daardoor de veiligheid van de zich aan boord bevindende personen of de scheepvaart in gevaar wordt gebracht, dient het certificaat te worden ingehouden en dient de Commissie die het heeft afgegeven hiervan onverwijld in kennis te worden gesteld. Bij duwbakken dient ook de in artikel 1.10, tweede lid, van het Rijnvaartpolitiereglement voorgeschreven metalen plaat te worden ingehouden.
Wanneer de Commissie van deskundigen heeft geconstateerd dat de gebreken zijn verholpen, wordt het certificaat aan de eigenaar of zijn vertegenwoordiger teruggegeven.
Dit constateren en de teruggave van het certificaat kunnen op verzoek van de eigenaar of zijn vertegenwoordiger door tussenkomst van een andere Commissie geschieden.
Wanneer de Commissie van deskundigen die het certificaat heeft ingehouden, vermoedt dat de gebreken niet binnen afzienbare tijd worden verholpen, wordt het certificaat gezonden aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven of het laatst heeft verlengd.
Wanneer een vaartuig definitief is opgelegd of gesloopt, moet de eigenaar het certificaat terugzenden aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven.
Artikel 2.14. Duplicaten
Wanneer een certificaat van onderzoek verloren is gegaan, moet hiervan kennis worden gegeven aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven. Deze Commissie geeft dan een duplicaat van het certificaat van onderzoek af, dat als zodanig is gewaarmerkt.
Wanneer een certificaat van onderzoek onleesbaar of om enige andere reden onbruikbaar is geworden, moet de eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger het certificaat van onderzoek terugzenden aan de Commissie van deskundigen die het heeft afgegeven; deze geeft dan een duplicaat af, overeenkomstig het eerste lid.
Artikel 2.15. Kosten
Onverminderd artikel 2.11, tweede lid, draagt de eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger de kosten die voortvloeien uit het onderzoek en de afgifte van het certificaat van onderzoek, overeenkomstig het geldende tarief, dat door elk der Rijnoeverstaten en België wordt vastgesteld. Er mag hierbij geen onderscheid worden gemaakt uit hoofde van het land van teboekstelling van het vaartuig of de nationaliteit of woonplaats van de eigenaar.
De Commissie van deskundigen kan vóór het onderzoek een voorschot verlangen dat niet hoger mag zijn dan het vermoedelijke bedrag van de kosten.
Artikel 2.16. Inlichtingen
De Commissie van deskundigen kan personen, die kunnen aantonen daar om gegronde redenen belang bij te hebben, kennis laten nemen van de inhoud van het certificaat van onderzoek van een vaartuig, en op hun kosten als zodanig aangeduide uittreksels of gewaarmerkte afschriften van het certificaat verstrekken.
Artikel 2.17. Registratie van de certificaten van onderzoek
De Commissies van deskundigen geven de door hen afgegeven certificaten een volgnummer. Zij houden een register bij van alle door hen afgegeven certificaten overeenkomstig bijlage 3, onderdeel VI, van ES-TRIN.
De Commissies van deskundigen bewaren de minuut of een afschrift van elk certificaat dat zij hebben afgegeven. Daarop tekenen zij alle aantekeningen en wijzigingen, alsmede ongeldigheidsverklaringen en vervangingen van de certificaten aan en actualiseren zij volgens het eerste lid de registratie dienovereenkomstig.
Ter uitvoering van de bestuursrechtelijke maatregelen op het gebied van de scheepvaart en ter toepassing van de artikelen 2.02 tot en met 2.15 wordt aan de bevoegde autoriteiten van de Rijnoeverstaten en België, van de lidstaten van de Europese Unie en, voor zover een gelijkwaardige gegevensbescherming is gewaarborgd, aan de bevoegde autoriteiten van derde landen op grond van bestuursrechtelijke overeenkomsten het recht tot inzage in de registratie zoals bedoeld in het eerste lid verleend.
Artikel 2.18. Uniek Europees scheepsidentificatienummer
De Rijnoeverstaten en België zorgen ervoor dat ieder vaartuig overeenkomstig dit reglement en ES-TRIN een uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI-nummer) wordt toegekend.
Ieder vaartuig heeft slechts één ENI-nummer dat gedurende zijn hele levensduur onveranderd blijft.
Het ENI-nummer bestaat uit acht Arabische cijfers overeenkomstig bijlage 1 van ESTRIN.
De Commissie van deskundigen die het certificaat van onderzoek afgeeft voor een vaartuig, vult op dit certificaat het ENI-nummer in. Dit nummer wordt, voor zover het vaartuig op het moment van de afgifte van het certificaat van onderzoek nog niet over een ENI-nummer beschikt, door de bevoegde autoriteit van de staat waarin zijn plaats van teboekstelling of zijn thuishaven is gelegen, toegekend. Indien geen ENI-nummer kan worden toegekend aan een vaartuig in het land van zijn teboekstelling of van zijn thuishaven, wordt het ENI-nummer dat op het certificaat van onderzoek moet worden ingevuld, toegekend door de bevoegde autoriteit van de staat waarin de Commissie van deskundigen is gevestigd die dit certificaat afgeeft. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op zeeschepen.
De eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger moet de toekenning van het ENI-nummer bij de bevoegde autoriteit aanvragen. Hij moet tevens het ENI-nummer, dat in het certificaat van onderzoek is ingevuld, daarop doen aanbrengen.
De Rijnoeverstaten en België brengen de namen en contactgegevens van de autoriteiten die bevoegd zijn tot het afgeven van een ENI-nummer evenals de wijziging van die gegevens ter kennis van het secretariaat van de Centrale Commissie. Het secretariaat van de Centrale Commissie voor Rijnvaart houdt een register bij van deze autoriteiten.
Artikel 2.19. Europese scheepsrompdatabank
De Rijnoeverstaten en België zorgen ervoor dat de bevoegde instanties voor ieder vaartuig waarvoor een certificaat van onderzoek werd aangevraagd of afgegeven onverwijld de volgende informatie krachtens Richtlijn (EU) 2016/1629 in de EHDB invoeren:
- a). de gegevens ter identificatie en beschrijving van het vaartuig overeenkomstig bijlage 2 van ES-TRIN;
- b). de gegevens betreffende de afgegeven, vernieuwde, vervangen en ingetrokken certificaten van onderzoek, en betreffende de Commissie van deskundigen die het certificaat van onderzoek afgeeft;
- c). een digitale kopie van alle door de Commissies van deskundigen afgegeven certificaten;
- d). de gegevens over alle afgewezen of lopende aanvragen voor certificaten van onderzoek; en
- e). alle veranderingen van de in de punten b tot en met d bedoelde gegevens.
De in het eerste lid bedoelde gegevens kunnen worden verwerkt door de bevoegde instanties van de lidstaten van de Europese Unie, de Rijnoeverstaten en België en derde landen die zijn belast met taken in verband met de toepassing van Richtlijn (EU) 2016/1629 en van Richtlijn 2005/44/EG voor de volgende doeleinden:
- a). toepassen van Richtlijn (EU) 2016/1629 en van Richtlijn 2005/44/EG;
- b). waarborgen van binnenscheepvaart- en infrastructuurbeheer;
- c). vrijwaren of handhaven van de veiligheid van de scheepvaart;
- d). verzamelen van statistische gegevens.
Elke verwerking van persoonsgegevens door de Rijnoeverstaten en België vindt plaats overeenkomstig het recht van de Europese Unie inzake de bescherming van persoonsgegevens, met name Verordening (EU) 2016/679.
De bevoegde autoriteit van een van de Rijnoeverstaten of van België kan persoonsgegevens overdragen aan een derde land of een internationale organisatie, mits die overdracht uitsluitend per geval plaatsvindt en aan de voorwaarden van Verordening (EU) 2016/679 en met name die opgenomen in hoofdstuk V, is voldaan. De Rijnoeverstaten en België waarborgen dat de overdracht noodzakelijk is voor de in het tweede lid bedoelde doeleinden. De Rijnoeverstaten en België waarborgen dat het derde land of de internationale organisatie de gegevens niet overdraagt aan een ander derde land of een andere internationale organisatie, tenzij dat land of die internationale organisatie hiervoor uitdrukkelijke schriftelijke toestemming heeft verkregen en voldoet aan de door de bevoegde instantie van de Rijnoeverstaten en België gestelde voorwaarden.
De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de gegevens betreffende een vaartuig uit de in het eerste lid bedoelde databank worden gewist wanneer dit vaartuig wordt gesloopt.
Deel II. Bouw, inrichting en uitrusting
Hoofdstuk 3. Scheepsbouwkundige eisen
Artikel 3.01. Algemene regel
Vervallen
Artikel 3.02. Sterkte en stabiliteit
Vervallen
Artikel 3.03. Scheepsromp
Vervallen
Artikel 3.04. Machinekamers, ketelruimen en brandstofbunkers
Vervallen
Hoofdstuk 4. Veiligheidsafstand, vrijboord en diepgangsschalen
Artikel 4.01. Veiligheidsafstand
Vervallen
Artikel 4.02. Vrijboord
Vervallen
Artikel 4.03. Kleinste vrijboord
Vervallen
Artikel 4.04. Inzinkingsmerken
Vervallen
Artikel 4.05. Ten hoogste toegelaten inzinking van schepen waarvan de laadruimen niet altijd spatwater- en regendicht zijn gesloten
Vervallen
Artikel 4.06. Diepgangsschalen
Vervallen
Hoofdstuk 5. Manoeuvreereigenschappen
Artikel 5.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 5.02. Proefvaarten
Vervallen
Artikel 5.03. Proefvaarttraject
Vervallen
Artikel 5.04. Beladingstoestand van schepen en samenstellen tijdens de proefvaart
Vervallen
Artikel 5.05. Hulpmiddelen aan boord voor de proefvaart
Vervallen
Artikel 5.06. Snelheid (vooruitvaren)
Vervallen
Artikel 5.07. Stopeigenschappen
Vervallen
Artikel 5.08. Achteruitvaareigenschappen
Vervallen
Artikel 5.09. Uitwijkeigenschappen
Vervallen
Artikel 5.10. Keereigenschappen
Vervallen
Hoofdstuk 6. Stuurinrichtingen
Artikel 6.01. Algemene eisen
Vervallen
Artikel 6.02. Aandrijving van de stuurmachine
Vervallen
Artikel 6.03. Hydraulische aandrijfinstallatie van de stuurmachine
Vervallen
Artikel 6.04. Energiebron
Vervallen
Artikel 6.05. Handaandrijving
Vervallen
Artikel 6.06. Roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties
Vervallen
Artikel 6.07. Signalering en controle
Vervallen
Artikel 6.08. Stuurautomaat
Vervallen
Artikel 6.09. Keuring
Vervallen
Hoofdstuk 7. Stuurhuis
Artikel 7.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 7.02. Vrij zicht
Vervallen
Artikel 7.03. Algemene eisen voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten
Vervallen
Artikel 7.04. Bijzondere eisen voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten voor voortstuwingsmotoren en stuurinrichtingen
Vervallen
Artikel 7.05. Navigatielichten, lichtseinen en geluidsseinen
Vervallen
Artikel 7.06. Informatie- en navigatieapparatuur
Vervallen
Artikel 7.07. Navigatieapparatuur
Vervallen
Artikel 7.08. Interne spreekverbinding aan boord
Vervallen
Artikel 7.09. Alarminstallatie
Vervallen
Artikel 7.10. Verwarming en ventilatie
Vervallen
Artikel 7.11. Installatie voor het bedienen van hekankers
Vervallen
Artikel 7.12. In de hoogte verstelbare stuurhuizen
Vervallen
Artikel 7.13. Aantekening in het certificaat van onderzoek voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar
Vervallen
Hoofdstuk 8. Werktuigbouwkundige eisen
Artikel 8.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 8.02. Veiligheid
Vervallen
Artikel 8.03. Voortstuwingsinstallaties
Vervallen
Artikel 8.04. Uitlaatgassenleidingen van verbrandingsmotoren
Vervallen
Artikel 8.05. Brandstoftanks, -pijpleidingen en toebehoren
Vervallen
Artikel 8.06. Smeerolietanks, leidingen en toebehoren
Vervallen
Artikel 8.07. Tanks voor olie, die in krachtoverbrengingsystemen, schakel- , voortstuwings- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, leidingen en toebehoren
Vervallen
Artikel 8.08. Lensinrichting
Vervallen
Artikel 8.09. Inrichtingen voor het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie
Vervallen
Artikel 8.10. Door schepen voortgebracht geluid
Vervallen
Hoofdstuk 8A. Uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes door dieselmotoren
Artikel 8a.01. Definities
Vervallen
Artikel 8a.02. Basisprincipes
Vervallen
Artikel 8a.03. Aanvraag van een typegoedkeuring
Vervallen
Artikel 8a.04. Typegoedkeuringsprocedure
Vervallen
Artikel 8a.05. Wijziging van goedkeuringen
Vervallen
Artikel 8a.06. Conformiteit
Vervallen
Artikel 8a.07. Erkenning van andere gelijkwaardige normen
Vervallen
Artikel 8a.08. Controle van de identificatienummers
Vervallen
Artikel 8a.09. Conformiteit van de productie
Vervallen
Artikel 8a.10. Non-conformiteit met het goedgekeurde motortype, de goedgekeurde motorfamilie of de goedgekeurde motorgroep
Vervallen
Artikel 8a.11. Inbouwkeuring, tussentijdse keuring en bijzondere keuring
Vervallen
Artikel 8a.12. Bevoegde autoriteiten en technische diensten
Vervallen
Hoofdstuk 8b. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen uitgerust met voortstuwings- of hulpsystemen die brandstoffen gebruiken met een vlampunt van 55 ˚C of minder
Artikel 9.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 9.02. Systemen voor de energieverzorging
Vervallen
Artikel 9.03. Bescherming tegen aanraking, binnendringen van vreemde voorwerpen en water
Vervallen
Artikel 9.04. Bescherming tegen explosie
Vervallen
Artikel 9.05. Aarding
Vervallen
Artikel 9.06. Ten hoogste toegelaten spanningen
Vervallen
Artikel 9.07. Verdeelsystemen
Vervallen
Artikel 9.08. Aansluiting aan het walnet of ander extern net
Vervallen
Artikel 9.09. Stroomlevering aan andere vaartuigen
Vervallen
Artikel 9.10. Generatoren en motoren
Vervallen
Artikel 9.11. Accumulatoren
Vervallen
Artikel 9.12. Schakelinrichtingen
Vervallen
Artikel 9.13. Noodstopschakelaars
Vervallen
Artikel 9.14. Installatiemateriaal
Vervallen
Artikel 9.15. Kabels
Vervallen
Artikel 9.16. Verlichtingsinstallaties
Vervallen
Artikel 9.17. Navigatielantaarns
Vervallen
Artikel 9.18
Vervallen
Artikel 9.19. Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen
Vervallen
Artikel 9.20. Elektronische installaties
Vervallen
Artikel 9.21. Elektromagnetische verdraagbaarheid
Vervallen
Hoofdstuk 10. Uitrusting
Artikel 10.01. Ankeruitrusting
Vervallen
Artikel 10.02. Overige uitrusting
Vervallen
Artikel 10.03. Draagbare blustoestellen
Vervallen
Artikel 10.03a. Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten
Vervallen
Artikel 10.03b. Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers
Vervallen
Artikel 10.03c. Vast ingebouwde brandblusinstallaties ter bescherming van objecten
Vervallen
Artikel 10.04. Bijboten
Vervallen
Artikel 10.05. Reddingsboeien en reddingsvesten
Vervallen
Hoofdstuk 11. Veiligheid op de werkplek
Artikel 11.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 11.02. Bescherming tegen vallen
Vervallen
Artikel 11.03. Afmeting van de werkplekken
Vervallen
Artikel 11.04. Gangboord
Vervallen
Artikel 11.05. Toegangen tot de werkplekken
Vervallen
Artikel 11.06. Uitgangen en nooduitgangen
Vervallen
Artikel 11.07. Klimvoorzieningen
Vervallen
Artikel 11.08. Binnenruimten
Vervallen
Artikel 11.09. Bescherming tegen geluidshinder en trillingen
Vervallen
Artikel 11.10. Luiken
Vervallen
Artikel 11.11. Lieren
Vervallen
Artikel 11.12. Kranen
Vervallen
Artikel 11.13. Opslag van brandbare vloeistoffen
Vervallen
Hoofdstuk 12. Verblijven
Artikel 12.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 12.02. Bijzondere bouwkundige eisen aan de verblijven
Vervallen
Artikel 12.03. Sanitaire voorzieningen
Vervallen
Artikel 12.04. Keukens
Vervallen
Artikel 12.05. Drinkwaterinstallaties
Vervallen
Artikel 12.06. Verwarming en ventilatie
Vervallen
Artikel 12.07. Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven
Vervallen
Hoofdstuk 12. Verblijven
Artikel 13.01. Algemene eisen
Vervallen
Artikel 13.02. Gebruik van vloeibare brandstoffen, petroleumtoestellen
Vervallen
Artikel 13.03. Oliekachels met verdampingsbranders en oliestookinstallaties met verstuivingsbranders
Vervallen
Artikel 13.04. Oliekachels met verdampingsbranders
Vervallen
Artikel 13.05. Oliestookinstallaties met verstuivingsbranders
Vervallen
Artikel 13.06. Luchtverhitters
Vervallen
Artikel 13.07. Verwarming met vaste brandstoffen
Vervallen
Artikel 13.08
Vervallen
Hoofdstuk 14. Vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik
Artikel 14.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 14.02. Installaties
Vervallen
Artikel 14.03. Flessen
Vervallen
Artikel 14.04. Opstelling en inrichting van de flessenkast
Vervallen
Artikel 14.05. Reserveflessen en lege flessen
Vervallen
Artikel 14.06. Drukregelaars
Vervallen
Artikel 14.07. Druk
Vervallen
Artikel 14.08. Pijpleidingen en flexibele leidingen
Vervallen
Artikel 14.09. Distributienet
Vervallen
Artikel 14.10. Gebruiksapparaten en de opstelling daarvan
Vervallen
Artikel 14.11. Ventilatie en afvoer van de verbrandingsgassen
Vervallen
Artikel 14.12. Gebruiks- en veiligheidsinstructies
Vervallen
Artikel 14.13. Keuring
Vervallen
Artikel 14.14. Voorwaarden voor beproevingen
Vervallen
Artikel 14.15. Attest
Vervallen
Hoofdstuk 14a. Boordzuiveringsinstallaties
Artikel 15.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 15.02. Scheepsromp
Vervallen
Artikel 15.03. Stabiliteit
Vervallen
Artikel 15.04. Veiligheidsafstand en vrijboord
Vervallen
Artikel 15.05. Ten hoogste toegelaten aantal passagiers
Vervallen
Artikel 15.06. Passagiersverblijven
Vervallen
Artikel 15.07. Voortstuwingssysteem
Vervallen
Artikel 15.08. Veiligheidsinrichting en -uitrusting
Vervallen
Artikel 15.09. Reddingsmiddelen
Vervallen
Artikel 15.10. Elektrische installaties
Vervallen
Artikel 15.11. Brandbeveiliging
Vervallen
Artikel 15.12. Brandbestrijding
Vervallen
Artikel 15.13. Veiligheidsorganisatie
Vervallen
Artikel 15.14. Voorzieningen voor het verzamelen en het verwijderen van huishoudelijk afvalwater
Vervallen
Artikel 15.15. Minder zware eisen voor bepaalde schepen
Vervallen
Hoofdstuk 16. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen die zijn bestemd om deel uit te maken van een duwstel, een sleep of een gekoppeld samenstel
Artikel 16.01. Vaartuigen die geschikt zijn om te duwen
Vervallen
Artikel 16.02. Vaartuigen die geschikt zijn om te worden geduwd
Vervallen
Artikel 16.03. Vaartuigen die geschikt zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen
Vervallen
Artikel 16.04. Vaartuigen die geschikt zijn om te worden voortbewogen in een samenstel
Vervallen
Artikel 16.05. Vaartuigen die geschikt zijn om te slepen
Vervallen
Artikel 16.06. Proefvaarten met samenstellen
Vervallen
Artikel 16.07. Aantekeningen in het certificaat van onderzoek
Vervallen
Hoofdstuk 17. Bijzondere bepalingen voor drijvende werktuigen
Artikel 17.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 17.02. Afwijkingen
Vervallen
Artikel 17.03. Overige bepalingen
Vervallen
Artikel 17.04. Resterende veiligheidsafstand
Vervallen
Artikel 17.05. Resterend vrijboord
Vervallen
Artikel 17.06. Hellingproef
Vervallen
Artikel 17.07. Bewijs van stabiliteit
Vervallen
Artikel 17.08. Bewijzen van stabiliteit bij verminderd resterend vrijboord
Vervallen
Artikel 17.09. Inzinkingsmerken en diepgangsschalen
Vervallen
Artikel 17.10. Drijvende werktuigen zonder bewijs van stabiliteit
Vervallen
Hoofdstuk 18. Bijzondere bepalingen voor schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden
Artikel 18.01. Voorwaarden voor gebruik
Vervallen
Artikel 18.02. Toepasselijkheid van Deel II
Vervallen
Artikel 18.03. Afwijkingen
Vervallen
Artikel 18.04. Veiligheidsafstand en vrijboord
Vervallen
Artikel 18.05. Bijboten
Vervallen
Hoofdstuk 16. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen die zijn bestemd om deel uit te maken van een duwstel, een sleep of een gekoppeld samenstel
Artikel 19.01. Algemene bepaling
Vervallen
Artikel 19.02. Toepasselijkheid van Deel II
Vervallen
Artikel 19.03. Toepasselijkheid van Deel III
Vervallen
Hoofdstuk 17. Bijzondere bepalingen voor drijvende werktuigen
Artikel 20.01. Toepasselijkheid van Deel II
Vervallen
Artikel 20.02. Minimum bemanning
Vervallen
Artikel 20.03
Vervallen
Hoofdstuk 17. Bijzondere bepalingen voor drijvende werktuigen
Artikel 21.01. Algemene bepaling
Vervallen
Artikel 21.02. Toepasselijkheid van Deel II
Vervallen
Artikel 21.03. Toepasselijkheid van Deel III
Vervallen
Hoofdstuk 22. Stabiliteit van schepen die containers vervoeren
Artikel 22.01. Algemene bepalingen
Vervallen
Artikel 22.02. Criteria en rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die niet-vastgezette containers vervoeren
Vervallen
Artikel 22.03. Criteria en rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die vastgezette containers vervoeren
Vervallen
Artikel 22.04. Methode voor de stabiliteitscontrole aan boord
Vervallen
Hoofdstuk 20. Bijzondere bepalingen voor zeeschepen
Artikel 22a.01. Toepasselijkheid van Deel I
Vervallen
Artikel 22a.02. Toepasselijkheid van Deel II
Vervallen
Artikel 22a.03. Sterkte
Vervallen
Artikel 22a.04. Drijfvermogen en stabiliteit
Vervallen
Artikel 22a.05. Aanvullende vereisten
Vervallen
Hoofdstuk 22b. Bijzondere bepalingen voor snelle schepen
Artikel 22b.01. Algemeen
Vervallen
Artikel 22b.02. Toepasselijkheid van Deel I
Vervallen
Artikel 22b.03. Toepasselijkheid van Deel II
Vervallen
Artikel 22b.04. Zitplaatsen en veiligheidsgordels
Vervallen
Artikel 22b.05. Vrijboord
Vervallen
Artikel 22b.06. Drijfvermogen, stabiliteit en indeling
Vervallen
Artikel 22b.07. Stuurhuis
Vervallen
Artikel 22b.08. Aanvullende uitrusting
Vervallen
Artikel 22b.09. Gesloten zones
Vervallen
Artikel 22b.10. Uitgangen en vluchtwegen
Vervallen
Artikel 22b.11. Bescherming tegen brand en brandbestrijding
Vervallen
Artikel 22b.12. Overgangsbepalingen
Vervallen
Deel III. Bepalingen met betrekking tot de bemanning
Hoofdstuk 22. Stabiliteit van schepen die containers vervoeren
Artikel 23.01. Algemeen
Vervallen
Artikel 23.02. Leden van de bemanning – Bekwaamheid
Vervallen
Artikel 23.03. Leden van de bemanning – Geschiktheid
Vervallen
Artikel 23.04. Bewijs van bekwaamheid – Dienstboekje
Vervallen
Artikel 23.05. Exploitatiewijzen
Vervallen
Artikel 23.06. Verplichte rusttijd
Vervallen
Artikel 23.07. Wisseling van exploitatiewijze
Vervallen
Artikel 23.08. Vaartijdenboek – Tachograaf
Vervallen
Artikel 23.09. Uitrusting van schepen
Vervallen
Artikel 23.10. Minimum bemanning van motorschepen
Vervallen
Artikel 23.11. Minimum bemanning van duwboten, duwstellen, gekoppelde samenstellen en andere hechte samenstellen
Vervallen
Artikel 23.12. Minimum bemanning van passagiersschepen
Vervallen
Artikel 23.13. Afwijking van de in artikel 23.09 voorgeschreven minimum uitrusting
Vervallen
Artikel 23.14. Minimum bemanning van overige vaartuigen
Vervallen
Artikel 23.15. Vrijstellingen en verminderingen
Vervallen
Deel IV
Hoofdstuk 24. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 24.01. Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen
Vervallen
Artikel 24.02. Afwijkingen voor reeds in bedrijf zijnde vaartuigen
Vervallen
Artikel 24.03. Afwijkingen voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of daarvóór
Vervallen
Artikel 24.04. Overige afwijkingen
Vervallen
Artikel 24.05. (Zonder inhoud)
Vervallen
Artikel 24.06. Afwijkingen voor vaartuigen die niet onder artikel 24.01 vallen
Vervallen
Artikel 24.07
Vervallen
Artikel 24.08. Overgangsbepalingen bij artikel 2.18
Vervallen
Bijlage A. Model van de aanvraag van een onderzoek
Aanvraag van een onderzoek
Voor het hieronder beschreven vaartuig wordt bij de Commissie van Deskundigen te ..... een eerste onderzoek/bijzonder onderzoek/ aanvullend onderzoek/vrijwillig onderzoek ..... aangevraagd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)