Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
- 2.2.4.2. In abnormale omstandigheden waarbij er gevaar dreigt vanwege aanwezig gas, moet de noodstop (ESD) van onveilige installaties (ontstekingsbronnen) en gasapparatuur automatisch in werking treden, terwijl de installaties of apparatuur die onder deze omstandigheden wel in gebruik of in bedrijf blijven van een gecertificeerd veilig type moeten zijn.
- 2.2.4.3. Het ventilatiesysteem moet:
- a). een voldoende capaciteit hebben om te waarborgen dat het bruto luchtvolume binnen de machinekamer ten minste 30 maal per uur geheel kan worden ververst;
- b). ontworpen zijn om het hoofd te kunnen bieden aan het scenario van een eventuele maximale lekkage vanwege technische storingen en
- c). onafhankelijk zijn van alle andere ventilatiesystemen.
- 2.2.4.4. Onder normale bedrijfsomstandigheden wordt de machinekamer constant geventileerd met ten minste 15 luchtwisselingen per uur van het bruto luchtvolume binnen de machinekamer. Als er gas wordt gedetecteerd in de machinekamer moet het aantal luchtwisselingen automatisch worden verhoogd naar 30 luchtwisselingen per uur.
- 2.2.4.5. Indien het vaartuig is uitgerust met meer dan één motor voor het leveren van het voortstuwingsvermogen, dan moeten deze motoren zich in ten minste twee afzonderlijke machinekamers bevinden. Deze machinekamers mogen geen gemeenschappelijke scheidingsvlakken hebben. Gemeenschappelijke scheidingsvlakken kunnen echter goedgekeurd worden, mits aangetoond kan worden dat één enkele storing niet tegelijkertijd gevolgen zal hebben voor beide kamers.
- 2.2.4.6. Er moet een vast gasalarminstallatie worden geïnstalleerd dat de gastoevoer voor de desbetreffende machinekamer automatisch afsluit en alle niet-explosieveilige apparatuur of installaties uitschakelt.
- 2.2.4.7. Machinekamers voorzien van een noodstopinrichting (ESD) moeten zo zijn ontworpen dat de geometrische vorm de ophoping van gassen of het ontstaan van gasbellen tot een minimum beperkt. A goede luchtcirculatie moet worden verzekerd.
- 2.2.4.8. Een machinekamer voorzien van een noodstopinrichting (ESD) wordt als zone 1 beschouwd tenzij de risicobeoordeling volgens onderdeel 1.3 anders uitwijst.
- 2.3. Vloeibaar aardgas- (LNG) en aardgasleidingsystemen
- 2.3.1. Vloeibare aardgas-(LNG) leidingen en aardgasleidingen door andere machinekamers of niet-gevaarlijke gesloten ruimten van het vaartuig moeten met dubbelwandige leidingen of ventilatiekanalen omhuld zijn.
- 2.3.2. Vloeibare aardgas-(LNG) leidingen en aardgasleidingen moeten zich op een afstand van ten minste 1,00 m van de scheepshuid en ten minste 0,60 m van de scheepsbodem bevinden.
- 2.3.3. Alle leidingen en onderdelen die met afsluiters van het LNG-systeem geïsoleerd kunnen worden wanneer zij volledig met vloeibaar aardgas (LNG) gevuld zijn, moeten worden voorzien van overdrukventielen.
- 2.3.4. Leidingen moeten elektrisch met de scheepsromp zijn verbonden.
- 2.3.5. Zeer koude leidingen moeten waar nodig thermisch worden geïsoleerd van de aangrenzende romp. Er moet bescherming tegen onopzettelijk aanraken zijn voorzien.
- 2.3.6. De ontwerpdruk van de leidingen mag niet minder dan 150% van de maximale werkdruk bedragen. De maximale werkdruk van de leidingen in ruimten mag niet meer dan 1.000 kPa bedragen. De ontwerpdruk van de buitenste leiding of schacht van de aardgasleidingen mag niet lager liggen dan de maximale ontwerpdruk van de binnenste gasleiding.
- 2.3.7. Gasleidingen in ESD-beschermde machinekamers moeten zo ver mogelijk van alle elektrische installaties en tanks met ontvlambare vloeistoffen worden geplaatst.
- 2.4. Lenssystemen
- 2.4.1. Lenssystemen voor zones waar vloeibaar aardgas (LNG) of aardgas aanwezig kan zijn, moeten:
- a). onafhankelijk werken van en gescheiden zijn van het lenssysteem van zones waarin vloeibaar aardgas (LNG) en aardgas niet aanwezig kunnen zijn;
- b). niet in verbinding staan met pompen in niet-gevaarlijke zones.
- 2.4.2. Bij LNG-opslagsystemen waarvoor geen secundaire barrière is vereist, moet een geschikt afvoersysteem voor de tankruimen die niet in verbinding met de machinekamers staan, aanwezig zijn. Er moeten middelen voor het detecteren van lekkage van vloeibaar aardgas (LNG) zijn voorzien.
- 2.4.3. Bij LNG-opslagsystemen waarvoor een secundaire barrière is vereist, moeten geschikte voorzieningen voor het afvoeren van lekkages in de ruimten tussen de barrières aanwezig zijn. Er moeten middelen voor het detecteren van dergelijke lekkages zijn voorzien.
- 2.5. Lekbakken
- 2.5.1. Op plaatsen waar lekken kunnen optreden die de structuur van het vaartuig kunnen aantasten of waar een lek beperkt moet blijven, moeten geschikte lekbakken worden geplaatst.
- 2.6. Plaatsing van ingangen en andere openingen
- 2.6.1. Ingangen naar en andere openingen tussen een niet-gevaarlijke zone en een gevaarlijke zone zijn uitsluitend toegestaan indien noodzakelijk voor het goede verloop van de werkzaamheden.
- 2.6.2. Voor ingangen en openingen naar een niet-gevaarlijke zone op een afstand van minder dan 6,00 m van het LNG-opslagsysteem, gasverwerkingsysteem of de uitlaat van een overdrukventiel moet een geschikte luchtsluis zijn voorzien.
- 2.6.3. Luchtsluizen moeten ten opzichte van de aangrenzende gevaarlijke zone mechanisch met overdruk worden geventileerd. De deuren moeten zelfsluitend zijn.
- 2.6.4. Een luchtsluis moet zo zijn ontworpen dat er, zelfs bij kritieke situaties in de gevaarlijke zones die door de luchtsluis wordt afgescheiden, geen gas kan ontsnappen naar niet-gevaarlijke zones. Deze situaties moeten geëvalueerd worden in de risicobeoordeling als bedoeld in onderdeel 1.3.
- 2.6.5. Luchtsluizen moeten een vlotte, vrije doorgang verzekeren en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
- 2.6.6. Er moet een akoestisch en optisch alarm aan beide zijden van de luchtsluis worden afgegeven ingeval er meer dan één deur wordt geopend of ingeval er in de luchtsluis gas is gedetecteerd.
- 2.7. Ventilatiesystemen
- 2.7.1. De ventilatoren in gevaarlijke zones moeten van een gecertificeerd veilig type zijn.
- 2.7.2. De elektrische motoren die de ventilatoren aandrijven, moeten voldoen aan de voor die plaats voorgeschreven explosiebescherming.
- 2.7.3. Als de vereiste ventilatiecapaciteit niet langer gewaarborgd is, moet op een permanent bemande plek (bijvoorbeeld in het stuurhuis) een akoestisch en optisch alarm afgaan.
- 2.7.4. Leidingen die worden gebruikt voor de ventilatie van gevaarlijke zones moeten worden gescheiden van leidingen die worden gebruikt voor de ventilatie van niet gevaarlijke zones.
- 2.7.5. De vereiste ventilatiesystemen moeten ten minste twee ventilatoren met autonome stroomtoevoer hebben die elk over de vereiste capaciteit beschikken om een opeenhoping van gas te voorkomen.
- 2.7.6. De luchttoevoer voor een gevaarlijke zone moet uit een niet-gevaarlijke zone afkomstig zijn.
- 2.7.7. De luchtinlaat voor een niet-gevaarlijke zone moet zich in een niet-gevaarlijke zone, op een afstand van ten minste 1,50 m van de scheidingswanden van een gevaarlijke zone, bevinden.
- 2.7.8. Wanneer de inlaatschacht door een gevaarlijke ruimte wordt gevoerd, moet deze onder overdruk staan ten opzichte van die ruimte. Overdruk is niet vereist wanneer gewaarborgd is dat er geen gassen in de schacht kunnen lekken.
- 2.7.9. De luchtuitlaat vanuit gevaarlijke ruimten moet uitkomen in een open zone met een risicopotentieel dat niet groter mag zijn dan in de geventileerde ruimte.
- 2.7.10. De luchtuitlaat vanuit niet-gevaarlijke ruimten moet zich buiten gevaarlijke zones bevinden.
- 2.7.11. In gesloten ruimten moet de luchtuitlaat van het ventilatiesysteem zich bij het plafond van deze ruimten bevinden. Een luchtinlaat moet bij de vloer worden geplaatst.
- 2.8. LNG-bunkersysteem
- 2.8.1. Het LNG-bunkersysteem moet zo worden ingericht dat er bij het vullen van de LNG-brandstoftanks geen gas in de atmosfeer vrijkomt.
- 2.8.2. Het bunkerstation en alle voor het bunkeren gebruikte afsluiters moeten op open dek worden geplaatst, zodat er voldoende natuurlijke ventilatie aanwezig is.
- 2.8.3. Het bunkerstation moet zo worden geplaatst en ingericht dat eventuele schade aan de gasleidingen het LNG-opslagsysteem van het vaartuig niet beschadigt.
- 2.8.4. Er moeten geschikte voorzieningen worden getroffen om de druk te ontlasten en vloeistof uit de aanzuigzijde van de pomp en de bunkerleidingen te verwijderen.
- 2.8.5. Slangen die gebruikt worden om vloeibaar aardgas (LNG) over te pompen, moeten:
- a). compatibel zijn met vloeibaar aardgas (LNG) en in het bijzonder geschikt zijn voor de LNG-temperatuur;
- b). bestand zijn tegen een barstdruk die niet kleiner mag zijn dan vijf keer de maximale druk waaraan zij tijdens het bunkeren kunnen worden blootgesteld.
- 2.8.6. De bunkermanifold moet ontworpen zijn om normale mechanische krachten tijdens het bunkeren te kunnen weerstaan. De aansluitingen zijn van het type dry-disconnect overeenkomstig de Europese norm EN1474 en zijn voor de veiligheid aanvullend uitgerust met dry-break-away-koppelingen.
- 2.8.7. De hoofdafsluiter voor het LNG-bunkeren moet tijdens de bunkerhandelingen vanaf een veilige locatie op het vaartuig bediend kunnen worden.
- 2.8.8. Bunkerleidingen moeten inert en gasvrij gemaakt kunnen worden.
- 2.9. Maximale vullingsgraad van de LNG-brandstoftanks
- 2.9.1. Het LNG-niveau in de LNG-brandstoftank mag niet hoger komen dan de maximale vullingsgraad van 95% bij de referentietemperatuur. De referentietemperatuur is de temperatuur die overeenkomt met de dampdruk van de brandstof bij de openingsdruk van de overdrukventielen.
- 2.9.2. De maximale vulling bij de heersende temperatuur tijdens het vullen van vloeibaar aardgas (LNG) wordt bepaald aan de hand van een curve die met de volgende formule wordt verkregen: LL = FL • PR/PL In deze formule betekent: LL = ‘loading limit’, maximaal toegestaan vloeibaar volume in functie van de LNG-brandstoftankinhoud van de te vullen tank, uitgedrukt in percentage; FL= ‘filling limit’, vullingsgraad uitgedrukt in percentage, hier 95%; PR = relatieve dichtheid van de brandstof bij de referentietemperatuur; PL= relatieve dichtheid van de brandstof bij de bevullingstemperatuur.
- 2.9.3. Voor vaartuigen die vanwege hun bedrijfsomstandigheden blootgesteld zijn aan significante golfhoogten of bewegingen, moet de vulling uitgaande van de risicobeoordeling als bedoeld in onderdeel 1.3 dienovereenkomstig worden aangepast.
- 2.10. Gastoevoersysteem
- 2.10.1. Het gastoevoersysteem moet zo worden voorzien dat de gevolgen van vrijkomend gas zo gering mogelijk zijn, terwijl een veilige toegang voor de bediening of inspectie gewaarborgd blijft.
- 2.10.2. De onderdelen van het gastoevoersysteem die zich buiten de machinekamer bevinden, moeten zo zijn ontworpen dat een defect aan één barrière niet tot lekkage in de omgeving van de installatie kan leiden met een kans op acuut gevaar voor personen aan boord, het milieu of het vaartuig.
- 2.10.3. De inlaat en afvoer van LNG-brandstoftanks moeten zo dicht mogelijk bij de tank van afsluiters worden voorzien.
- 2.10.4. Het gastoevoersysteem naar elke motor of motorgroep moet worden voorzien van een hoofdbrandstofafsluiter. De afsluiters moeten zo dicht mogelijk bij het gasverwerkingsysteem worden geplaatst, maar in ieder geval buiten de machinekamer.
- 2.10.5. De hoofdbrandstofafsluiter moet bediend kunnen worden
- a). van zowel binnen als buiten de machinekamer;
- b). vanuit het stuurhuis.
- 2.10.6. Elke gasverbruiker moet van een set van dubbele afsluiters met afblaasventielen zijn voorzien om een veilige afsluiting van de brandstoftoevoer mogelijk te maken. De twee afsluiters moeten van het type 'fail-to-close' (sluiten bij een storing) zijn, terwijl de afblaasklep van het type 'fail-to-open' (openen bij een storing) moet zijn.
- 2.10.7. Voor installaties die uit meerdere motoren bestaan en waarvan elke motor met een afzonderlijke hoofdbrandstofafsluiter is uitgerust, of bij installaties met een enkele motor, kunnen de functies van een hoofdbrandstofafsluiter en een afsluiter met afblaasventiel worden gecombineerd. Een van de afsluiters met afblaasventiel moet tevens handmatig te bedienen zijn.
- 2.11. Uitlaatsysteem en uitschakeling van de gastoevoer
- 2.11.1. Het uitlaatsysteem moet zodanig worden geconfigureerd dat een ophoping van onverbrande brandstofgassen zo gering mogelijk blijft.
- 2.11.2. Motor- of installatieonderdelen die een mengsel van lucht en ontbrandbaar gas kunnen bevatten, moeten voorzien zijn van geschikte overdrukvoorzieningen, tenzij zij zodanig uitgevoerd zijn dat zij de overdruk als gevolg van ontbrand gas in een worst-case-scenario kunnen weerstaan.
- 2.11.3. Indien de gastoevoer voor afkoppeling niet op gasolie wordt omgeschakeld, moet het gastoevoersysteem met inbegrip van de hoofdbrandstofafsluiter en het uitlaatsysteem ontlucht worden om eventueel aanwezige gasresten te verwijderen.
- 2.11.4. Er moeten voorzieningen worden getroffen om de werking van het ontstekingssysteem te controleren en een slechte verbranding of haperende ontsteking te detecteren waardoor, terwijl de installatie in werking is, onverbrande brandstofgassen in het uitlaatsysteem kunnen voorkomen.
- 2.11.5. Indien een defect in het ontstekingssysteem optreedt, slechte verbranding of haperende ontsteking wordt gedetecteerd, moet het gastoevoersysteem automatisch worden afgesloten.
- 2.11.6. De uitlaten van met gas aangedreven motoren of dual-fuelmotoren mogen niet verbonden zijn met de uitlaatpijpen van andere motoren of installaties.
- 2.11.7. In geval van een normale uitschakeling of activering van de noodstopinrichting, mag het gastoevoersysteem niet later worden uitgeschakeld dan de ontstekingsbron. Het mag niet mogelijk zijn de ontstekingsbron uit te schakelen zonder eerst of tegelijkertijd de gastoevoer naar elke zuiger of naar de gehele motor af te sluiten.
- 2.11.8. In geval van het uitschakelen van het gastoevoersysteem naar een dual-fuelmotor, moet het mogelijk zijn de motor zonder onderbreking over te schakelen op de verbranding van gasolie.
- 3.1. Algemeen
- 3.1.1. Er moeten voor de branddetectie, -beveiliging en -bestrijding geëigende middelen aanwezig zijn, die zijn afgestemd op de vastgestelde gevaren.
- 3.1.2. Voor het gasverwerkingsysteem geldt dezelfde brandbescherming als voor een machinekamer.
- 3.2. Brandmeldinstallatie
- 3.2.1. In alle ruimten van het LNG-systeem waar brand niet kan worden uitgesloten, moet een geschikte ingebouwde brandmeldinstallatie zijn voorzien.
- 3.2.2. Voor een tijdige branddetectie is het gebruik van alleen rookmelders niet toereikend.
- 3.2.3. Het branddetectiesysteem moet de mogelijkheid bieden elke brandmelder afzonderlijk te identificeren.
- 3.2.4. Voor branddetectie in ruimten waar zich gasinstallaties bevinden, moet een gasveiligheidssysteem worden voorzien dat de relevante delen van de gastoevoer automatisch afsluit.
- 3.3. Brandbescherming
- 3.3.1. Verblijven, passagiersruimten, machinekamers en vluchtwegen waar de afstand minder is dan 3,00 m van LNG brandstoftanks en bunkerstations bovendeks, moeten afgeschermd worden met klasse A60 onderverdeling.
- 3.3.2. De zijwanden van de ruimten met LNG-brandstoftanks en ventilatieschachten in deze ruimten onder het schottendek moeten voldoen aan klasse A60. Indien de ruimte grenst aan tanks, lege ruimten of de hulpmachinekamer met weinig of geen brandgevaar, sanitaire ruimten of vergelijkbare zones, is isolatie klasse A0 toegestaan.
- 3.4. Brandpreventie en koeling
- 3.4.1. Voor de koeling en brandpreventie van onbeschermde delen van de LNG-brandstoftank(s) op open dek moet een watersproeisysteem zijn voorzien.
- 3.4.2. Het watersproeisysteem is een onderdeel van de brandblusinstallaties als bedoeld in de artikelen 10.03a of 10.03b op voorwaarde dat de vereiste capaciteit van de waterpomp en werkdruk voldoende zijn om zowel de werking van het vereiste aantal hydranten en slangen, alsook de werking van het watersproeisysteem tegelijkertijd te waarborgen. De aansluiting van het watersproeisysteem op de brandblusinstallaties als bedoeld in de artikelen 10.03a of 10.03b moet tegen onbedoeld of toevallig openen van een terugslagklep met neerschroefbare klep zijn voorzien.
- 3.4.3. Bij een brandblusinstallatie als bedoeld in de artikelen 10.03a of 10.03b aan boord van een vaartuig waarop de LNG-brandstoftank zich op open dek bevindt, moet de brandblusinstallatie voorzien zijn van een afsluiter zodat beschadigde delen van de brandblusinstallatie kunnen worden afgesloten. Afsluiting van een deel van de brandblusinstallatie mag de toevoer van water naar de achterliggende leidingen niet blokkeren.
- 3.4.4. Het watersproeisysteem moet tevens de afscheidingen van bovenliggende constructies kunnen besproeien, tenzij de tank zich op een afstand van 3,00 m of meer van deze afscheidingen bevindt.
- 3.4.5. Het watersproeisysteem moet zo zijn ontworpen dat alle hierboven genoemde zones met een debiet van 10 l/min/m2 voor horizontale oppervlakken en 4 l/min/m2 voor verticale oppervlakken besproeid kunnen worden.
- 3.4.6. Het watersproeisysteem moet vanuit het stuurhuis en een plaats aan dek in werking kunnen worden gezet.
- 3.4.7. De sproeikoppen moeten zo worden geplaatst dat zij een doeltreffende waterverspreiding in de gehele te beschermen ruimte waarborgen.
- 3.5. Brandblussers Afgezien van de voorschriften van artikel 10.03 moeten er in de nabijheid van het bunkerstation twee extra, draagbare poederblussers met een capaciteit van ten minste 12 kg worden geplaatst. Zij moeten geschikt zijn voor de brandklasse C.
- 4.1. De apparatuur voor gevaarlijke zones moet van een type zijn dat geschikt is voor de zone waarin de apparatuur geïnstalleerd is.
- 4.2. Elektriciteitsopwekking- en verdeelsystemen alsook de daartoe behorende besturingssystemen moeten zodanig zijn ontworpen dat één enkele storing niet leidt tot het vrijkomen van gas.
- 4.3. De verlichting in gevaarlijke zones moet uit ten minste twee gescheiden, vertakte, circuits bestaan. Alle schakelaars en beschermende voorzieningen moeten zich in een niet-gevaarlijke zone bevinden en bij uitval alle polen en fasen uitschakelen.
- 4.4. In LNG-opslagsystemen kunnen ondergedompelde gaspompmotoren en de bijbehorende elektriciteitskabels worden voorzien. Bij een laag vloeistofniveau moet een alarm worden afgegeven en bij een zeer laag vloeistofniveau moeten de motoren automatisch uitschakelen. Deze automatische uitschakeling kan worden bewerkstelligd met behulp van sensoren voor de meting van een lage pompdruk, lage motorstroom of een laag vloeistofniveau. Bij deze uitschakeling moet een akoestisch en optisch alarm in het stuurhuis worden afgegeven. Een gaspompmotor moet tijdens de ontgassing van de stroomtoevoer kunnen worden afgekoppeld.
- 5.1. Algemeen
- 5.1.1. Er moeten geschikte besturings-, alarm-, bewakings- en stopsystemen zijn voorzien om een veilig en betrouwbaar functioneren te garanderen.
- 5.1.2. Het gastoevoersysteem moet over een eigen onafhankelijk systeem voor de besturing en bewaking van de gastoevoer, alsook over een eigen onafhankelijk veiligheidssysteem beschikken. Elk onderdeel van deze systemen moet op de goede werking gecontroleerd kunnen worden.
- 5.1.3. Voor storingen die te snel optreden om handmatig te kunnen ingrijpen en zich voordoen in systemen die van wezenlijk belang zijn voor de veiligheid, moet een gasveiligheidssysteem worden voorzien dat de gastoevoer automatisch afsluit.
- 5.1.4. De veiligheidsfuncties moeten voorzien zijn in een daartoe geëigend gasveiligheidssysteem dat gescheiden is van het gasbesturingssysteem.
- 5.1.5. Meetinstrumenten die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het functioneren van het gehele LNG-systeem met inbegrip van het bunkeren op een veilige wijze geschiedt, moeten zodanig worden aangebracht dat wezenlijke parameters ter plekke en op afstand kunnen worden afgelezen.
- 5.2. Bewaking van het LNG-bunkersysteem en het LNG-opslagsysteem
- 5.2.1. Elke LNG-brandstoftank moet zijn voorzien van:
- a). ten minste twee niveau-indicatoren, die zodanig geplaatst moeten worden dat de goede werking daarvan is gewaarborgd;
- b). een drukmeter die over het hele bereik de werkdruk moet kunnen aangeven en waarop duidelijk afleesbaar is wat de maximale werkdruk in de LNG-brandstoftank is;
- c). een alarm bij het bereiken van een hoog vloeistofniveau dat onafhankelijk functioneert van andere niveau-indicatoren en bij inwerkingtreding een akoestisch en optisch alarm afgeeft;
- d). een onafhankelijk van het onder c bedoelde alarm werkende sensor voor de automatische bediening van de hoofdafsluiter voor het LNG-bunkeren opdat zowel een te hoge vloeistofdruk in de bunkerleidingen als overvulling van de tank wordt voorkomen.
- 5.2.2. Een overloopleiding van de gaspomp en een aansluiting aan wal voor vloeibaar of dampvormig gas moet van ten minste één lokale drukmeter zijn voorzien. In de overloopleiding moet de drukindicator tussen de pomp en de eerste afsluiter zijn geplaatst. Op iedere drukindicator moet afgelezen kunnen worden wat de ten hoogste toelaatbare druk of vacuümwaarde is.
- 5.2.3. Het LNG-opslagsysteem en de pomp moeten van een hogedrukalarm zijn voorzien. Indien vacuümbescherming is vereist, moet een lagedrukalarm zijn voorzien.
- 5.2.4. Het bunkeren moet vanaf een veilige, op enige afstand van het bunkerstation gelegen plaats bediend kunnen worden. Vanaf die bedieningslocatie moet de druk en het vulniveau in de LNG-brandstoftank bewaakt worden. De alarminstallaties voor overloop, hoge- en lagedruk en de automatische uitschakeling moeten vanaf die bedieningslocatie afgelezen kunnen worden.
- 5.2.5. Bij uitvallen van de ventilatie in de schachten waarin zich de bunkerleidingen bevinden, moet op de bedieningslocatie een akoestisch en optisch alarm worden afgegeven.
- 5.2.6. Bij het detecteren van gas in de schachten waarin zich de bunkerleidingen bevinden, moet op de bedieningslocatie een akoestisch en optisch alarm worden afgegeven en een noodstop in werking treden.
- 5.2.2. Voor het bunkeren moet voldoende geschikte beschermende kleding en geëigende apparatuur aan boord aanwezig zijn overeenkomstig de gebruiksaanwijzing.
- 5.3. Bewaking van een motor in werking
- 5.3.1. In het stuurhuis en de machinekamer moet een display zijn voorzien voor:
- a). de werking van de motor indien deze uitsluitend met gas wordt aangedreven, of
- b). de werking en modus van de motor in het geval van een dual-fuelmotor.
- 5.4. Gasalarminstallatie
- 5.4.1. Gasalarminstallatie moet worden ontworpen, ingebouwd en getest overeenkomstig een erkende standaard, zoals de Europese norm EN 60079-29-1: 2007.
- 5.4.2. Vast ingebouwde gasdetectoren moeten zijn voorzien in:
- a). zones waarin zich tankaansluitingen bevinden met inbegrip van brandstoftanks, verbindingsstukken en eerste afsluiters;
- b). schachten waarin zich gasleidingen bevinden;
- c). machinekamers waarin zich gasleidingen, gasinstallaties of gasverbruikers bevinden;
- d). de ruimte waarin zich het gasverwerkingsysteem bevindt;
- e). andere gesloten ruimten waarin zich gasleidingen of andere gasinstallaties zonder ventilatiekanalen bevinden;
- f). andere gesloten of halfgesloten ruimten waar zich gasdampen kunnen ophopen, met inbegrip van ruimten tussen barrières en tankruimen van afzonderlijke LNG-brandstoftanks voor zover deze niet van het type C zijn;
- g). luchtsluizen, en;
- h). luchttoevoeropeningen in ruimten waar zich gasdampen kunnen ophopen.
- 5.4.3. Afwijkend van onderdeel 5.4.2 kunnen in ruimten tussen barrières in dubbelwandige leidingen vast ingebouwde sensoren worden gebruikt die door middel van drukverschil gas detecteren.
- 5.4.4. Het aantal en de redundantie van de gasdetectoren in een ruimte moeten worden bepaald in functie van de omvang, indeling en ventilatie van die ruimte.
- 5.4.5. Vast ingebouwde gasdetectoren moeten worden aangebracht op plaatsen waar zich gas kan ophopen, alsmede in de luchtafvoeropeningen van deze ruimten.
- 5.4.6. Voordat de gasconcentratie 20% van de onderste explosiegrens bereikt, moet een akoestisch en optisch alarm worden afgegeven. Het gasveiligheidssysteem moet bij 40% van de onderste explosiegrens in werking treden.
- 5.4.7. Het akoestisch en optisch alarm van de gasalarminstallatie moet in het stuurhuis worden afgegeven.
- 5.5. Veiligheidsfuncties van de gastoevoerinstallatie
- 5.5.1. Indien het gastoevoersysteem wordt afgesloten als gevolg van de inwerkingtreding van een automatische afsluiter, mag de gastoevoer niet worden geopend totdat de reden voor het uitschakelen is onderzocht en de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen. Bij het bedieningspaneel voor de afsluiters van de gastoevoerleidingen moeten op een goed zichtbare plaats instructies hiervoor aanwezig zijn.
- 5.5.2. In het geval dat het gastoevoersysteem vanwege een gaslekkage wordt afgesloten, mag de gastoevoer niet weer in werking worden gesteld voordat het lek is gevonden en de nodige maatregelen zijn getroffen. Instructies hiervoor moeten op een goed zichtbare plaats in de machinekamer aanwezig zijn.
- 5.5.3. Het gastoevoersysteem moet, voor zover van toepassing, op de volgende plaatsen over een handmatig op afstand te bedienen noodstop beschikken:
- a). stuurhuis;
- b). bedieningspaneel van het bunkerstation;
- c). een voortdurend bemande plaats.
Artikel 2.20. Gelijkwaardigheid en afwijkingen
Wanneer in de bepalingen van ES-TRIN wordt bepaald dat op een vaartuig bepaalde materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken moeten worden gebruikt of aan boord moeten zijn, of dat bepaalde bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen of bepaalde opstellingen moeten worden aangehouden, kan de Commissie van deskundigen de toepassing of de aanwezigheid aan boord van dit vaartuig van andere materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken toestaan, dan wel dat andere bouwkundige maatregelen worden getroffen of dat andere opstellingen worden aangehouden, mits deze op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart als gelijkwaardig zijn erkend.
Indien de toepassing:
- a). van de in hoofdstuk 19 van ES-TRIN genoemde bepalingen, die te maken hebben met het rekening houden met de bijzondere veiligheidsbehoeften van personen met beperkte mobiliteit, of
- b). van de in hoofdstuk 32 van ES-TRIN genoemde bepalingen na afloop van de overgangsbepalingen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is of onevenredig hoge kosten met zich brengt, kan de Commissie van deskundigen op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart afwijkingen van deze voorschriften toestaan. Deze afwijkingen moeten in het certificaat van onderzoek worden aangetekend.
Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan een Commissie van deskundigen op grond van een aanbeveling van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart voor een vaartuig met nieuwe technische voorzieningen die afwijken van de technische voorschriften van ES-TRIN een certificaat van onderzoek afgeven, voor zover deze nieuwe voorzieningen een voldoende veiligheid bieden.
De bevoegde autoriteiten informeren het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart binnen één maand over de afgifte van een gelijkwaardigheid en afwijking.
De in het eerste lid tot derde lid en zesde lid genoemde gelijkwaardigheden en afwijkingen dienen in het certificaat van onderzoek te worden aangetekend.
Op vaartuigen die worden omgebouwd tot schepen met een lengte van meer dan 110m mag de Commissie van deskundigen hoofdstuk 32 van ES-TRIN slechts toepassen op grond van bijzondere aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
Artikel 2.21. Typegoedkeuringen en publicaties
Voor bepaalde onderdelen en uitrustingen van de vaartuigen wordt het voldoen aan de vereisten vastgesteld met door de bevoegde autoriteiten afgegeven typegoedkeuringen.
Deze onderdelen en uitrustingen, de vereisten alsmede de procedures voor de afgifte van de typegoedkeuringen zijn in ES-TRIN vastgelegd.
De bevoegde autoriteiten kennen aan elke typegoedkeuring een nummer toe. Dit nummer begint met de letter R. De voorschriften inzake de samenstelling van de typegoedkeuringsnummers en inzake de markering van de uitrustingen en onderdelen met deze nummers zijn in ES-TRIN vastgelegd.
De lidstaten stellen de Centrale Commissie voor de Rijnvaart in kennis van de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten.
De bevoegde autoriteiten stellen de Centrale Commissie voor de Rijnvaart in kennis van de door hen op grond van typegoedkeuringen toegelaten uitrustingen en onderdelen alsmede van de door hen voor de inbouw of het vervangen van deze uitrustingen en onderdelen erkende gespecialiseerde bedrijven.
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart publiceert:
- a). de lijsten van de voor de afgifte van typegoedkeuringen bevoegde autoriteiten en de in dit kader erkende technische diensten;
- b). de lijsten van de krachtens de op grond van dit reglement afgegeven typegoedkeuringen en krachtens de als gelijkwaardig erkende typegoedkeuringen toegelaten onderdelen en uitrustingen;
- c). de lijsten van de voor de inbouw of het vervangen van de toegelaten onderdelen en uitrustingen erkende gespecialiseerde bedrijven.
De typegoedkeuringen voor uitrustingen krachtens Richtlijn (EU) 2016/1629 zijn gelijkwaardig aan de eerdergenoemde typegoedkeuringen.
Het tweede tot en met zesde lid gelden niet voor vast ingebouwde brandblusinstallaties
Artikel 2.22. Kennisgevingen inzake het toelaten van boordzuiveringsinstallaties
De bevoegde autoriteit voor het toelaten van boorzuiveringsinstallaties bedoeld wordt: boordzuiveringsinstallaties stuurt
- a). bij iedere wijziging aan de andere bevoegde autoriteiten een lijst van de boordzuiveringsinstallatietypes (met de overeenkomstig bijlage 7, onderdeel V, van ES-TRIN vermelde gegevens), waarvan de goedkeuringen in de betrokken periode door haar zijn verleend, geweigerd of ingetrokken;
- b). op verzoek van een andere bevoegde autoriteit aan deze autoriteit
- aa). een kopie van het certificaat van typegoedkeuring van het boordzuiveringsinstallatietype, al dan niet met het informatiepakket, van ieder boordzuiveringsinstallatietype waarvoor zij een goedkeuring heeft verleend, geweigerd of ingetrokken, en zo nodig
- bb). de lijst van boordzuiveringsinstallaties die zijn vervaardigd in overeenstemming met de verleende typegoedkeuringen, omschreven in artikel 18.05, derde lid, van ES-TRIN, met de gegevens bedoeld in bijlage 7, onderdeel VI, van ES-TRIN.
Elke voor het toelaten bevoegde autoriteit zendt jaarlijks en bovendien bij ontvangst van een daartoe strekkend verzoek een kopie van het in bijlage 7, onderdeel VII, van ESTRIN bedoelde gegevensformulier betreffende boordzuiveringsinstallatietypes die sinds de laatste kennisgeving zijn goedgekeurd aan het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
1 Het onderhavige lid blijft tot 1 januari 2020 van kracht. Vanaf die datum zullen met betrekking tot de binnenschepen de voorschriften van Verordening (EU) 2016/1628 in werking treden.
De bevoegde autoriteiten stellen elkaar binnen één maand in kennis van de intrekking van een typegoedkeuring en van de redenen daarvoor en stellen tegelijkertijd het secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart daarvan in kennis.
Deel II. Bouw, inrichting en uitrusting
Hoofdstuk 3. Scheepsbouwkundige eisen
Hoofdstuk 4. Veiligheidsafstand, vrijboord en diepgangsschalen
Hoofdstuk 5. Manoeuvreereigenschappen
Hoofdstuk 6. Stuurinrichtingen
Hoofdstuk 7. Stuurhuis
Hoofdstuk 8. Werktuigbouwkundige eisen
Hoofdstuk 8A. 1 Het onderhavige hoofdstuk blijft tot 1 januari 2020 van kracht. Vanaf die datum zullen met betrekking tot de binnenschepen de voorschriften van Verordening (EU) 2016/1628 in werking treden.Uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes door dieselmotoren
Artikel 8a.13. Overgangsbepalingen van hoofdstuk 8a
Vervallen
Hoofdstuk 8b. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen uitgerust met voortstuwings- of hulpsystemen die brandstoffen gebruiken met een vlampunt van 55 ˚C of minder
Hoofdstuk 9. Elektrische installaties
Hoofdstuk 10. Uitrusting
Hoofdstuk 11. Veiligheid op de werkplek
Hoofdstuk 12. Verblijven
Hoofdstuk 13. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties die werken op brandstoffen
Hoofdstuk 14. Vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik
Hoofdstuk 14a. Boordzuiveringsinstallaties
Hoofdstuk 18. Bijzondere bepalingen voor schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden
Hoofdstuk 22a. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen met een lenge van meer dan 110 m
Hoofdstuk 22b. Bijzondere bepalingen voor snelle schepen
Deel III. Bepalingen met betrekking tot de bemanning
Hoofdstuk 23. Uitrusting van schepen met het oog op de bemanning
Deel IV
Hoofdstuk 24. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage D. als bedoeld in artikel 2.05, tweede lid
Vervallen
Bijlage E
Vervallen
Bijlage G. Model van het speciale certificaat voor zeeschepen die de Rijn bevaren
Vervallen
Bijlage H. Eisen betreffende tachografen en voorschriften voor de inbouw van tachografen aan boord in toepassing van artikel 3.10 van het onderhavige reglement
Vervallen
Bijlage I. Veiligheidstekens
Vervallen
Bijlage K
Vervallen
Bijlage O
Lijst van de aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.04 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen en modaliteiten voor de erkenning van die bevoegdheidsbewijzen
| Nr. | Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.04 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen | Modaliteiten van de erkenning | Datum van de erkenning |
|---|---|---|---|
| 1 | Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. | Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de door Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals is vastgelegd in het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. | 27 november 2008 |
| 2 | Na 6 oktober 2018 afgegeven of hernieuwde binnenschipcertificaten van de Unie, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 32 van ES-TRIN, volledig voldoen aan de voorschriften van de laatst geldende versie van Richtlijn (EU) 2016/1629. | Schepen op de Rijn, waaraan na 6 oktober 2018 een binnenschipcertificaat van de Unie is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de door Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals is vastgelegd in het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. | XX.XX.20XX |
Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip
Vervallen
Bijlage Q
Vervallen
Bijlage R
Vervallen
Bijlage S
Vervallen
Bijlage L
Vervallen
Bijlage M
Vervallen
Bijlage O
Lijst van de aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.04 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen en modaliteiten voor de erkenning van die bevoegdheidsbewijzen
| Nr. | Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.04 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen | Modaliteiten van de erkenning | Datum van de erkenning |
|---|---|---|---|
| 1 | Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. | Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de door Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals is vastgelegd in het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. | 27 november 2008 |
| 2 | Na 6 oktober 2018 afgegeven of hernieuwde binnenschipcertificaten van de Unie, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 32 van ES-TRIN, volledig voldoen aan de voorschriften van de laatst geldende versie van Richtlijn (EU) 2016/1629. | Schepen op de Rijn, waaraan na 6 oktober 2018 een binnenschipcertificaat van de Unie is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de door Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals is vastgelegd in het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. | XX.XX.20XX |
Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip
Vervallen
Bijlage Q
Vervallen
Bijlage T. Aanvullende bepalingen voor vaartuigen die worden aangedreven met brandstoffen met een vlampunt van 55 ˚C of minder
Vervallen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)