Kadasterregeling 1994

Type ZBO-regeling
Publication 2026-07-16
Laatst bijgewerkt 2026-07-17
State In force
Source BWB
artikelen 182
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het perceel waarop rente rust wordt gesplitst in appartementsrechten, dan wel in geval sprake is van wijziging, ondersplitsing of opheffing ter zake van appartementsrechten.

3.

Artikel 62, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

De in het eerste lid bedoelde rente wordt verwijderd nadat de rijksbelastingdienst heeft medegedeeld dat de rente is afgekocht. Verwijdering vindt ook plaats nadat de termijn, bedoeld in artikel 226 juncto artikel 240, veertiende lid, van de Landinrichtingswet is verstreken.

5.

Het eerste tot en met vierde lid is mede van toepassing ter zake van herverkavelingsrente, ruilverkavelingsrente, reconstructierente en herinrichtingsrente.

Artikel 64

Zodra het afschrift van een lijst van rechthebbenden, bedoeld in artikel 188 van de Landinrichtingswet, artikel 68 van de Reconstructiewet Midden-Delfland, dan wel in artikel 53 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Dentse Veenkoloniën is ontvangen, worden in de basisregistratie kadaster aantekeningen geplaatst, waaruit de afwijkingen blijken die bestaan tussen de lijst van rechthebbenden en de in de basisregistratie kadaster vermelde rechthebbenden. Desgewenst worden omtrent die lijst zo volledig mogelijke inlichtingen aan derden verstrekt.

Artikel 65
1.

De in ingeschreven stukken vermelde koopsom wordt in het percelenbestand, bedoeld in artikel 9 van het besluit, bij het desbetreffende perceel vermeld, voor zover het leveringen betreft van de eigendom, de erfpacht dan wel het recht van opstal.

2.

Indien een koopsom op verschillende percelen betrekking heeft, wordt tevens vermeld: ’met meer onroerend goed’.

Artikel 66

Vervallen

Artikel 67
1.

Na vaststelling van het complexnummer inzake splitsing in appartementsrechten, wordt in de basisregistratie kadaster melding gemaakt van de desbetreffende toekomstige appartementsrechter door vermelding van de kadastrale aanduiding daarvan in het percelenbestand. Tevens wordt bij de in de splitsing te betrekking percelen of in de ondersplitsing te betrekken appartementsrechten de aantekening gesteld: ‘Betrokken in voorgenomen splitsing, dan wel ondersplitsing of wijziging in de appartementsrechten’.

2.

Indien vóór de inschrijving van de akte van splitsing een nieuw complexnummer wordt vastgesteld, worden de in het eerste lid bedoelde vermeldingen gewijzigd of aangevuld.

Paragraaf 7. Wijze van bijwerking van de kadastrale kaarten: perceelsvorming

Artikel 68
1.

Percelen worden zo veel mogelijk op een zodanige wijze gevormd dat de grenzen daarvan rechtsgrenzen zijn.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen afzonderlijke percelen worden gevormd, indien dit in verband met toekomstige wijziging in de rechtstoestand of in verband met bestemming en gebruik gewenst is.

3.

Er worden niet meer percelen gevormd dan strikt nodig is.

Artikel 69

Kunstwerken als sluizen, bruggen, kribben en dergelijke worden in het algemeen niet als afzonderlijke percelen beschouwd.

Artikel 70

Zonodig vindt bij bestemmingsplannen de perceelsvorming zodanig plaats dat het middel van de wegen als perceelsgrens fungeert.

Artikel 71
1.

Aan elkaar grenzende percelen waarop inschrijvingen inzake hypotheken betrekking hebben die niet gelijk zijn voor elk der percelen, worden in het algemeen niet samengevoegd.

2.

Indien aan elkaar grenzende delen van een perceel blijkens verschillende ingeschreven stukken in één hand zijn gekomen vóór het tijdstip waarop de meting wordt verricht en die delen in één nieuw perceel zullen worden opgenomen, zo wordt zo mogelijk de grens tussen bedoelde delen onderling, hoewel deze niet op de kadastrale kaart wordt vermeld, op grond van aanwijzing van de belanghebbenden in het relaas van bevindingen vermeld, met het oog op een gespecificeerde vermelding van de inschrijvingen in de metingstaat.

3.

Ter zake van de toepassing van een toedeling ingevolge de Landinrichtingswet vindt geen samenvoeging plaats tussen toegedeelde kavels en buiten het blok gelegen percelen.

Artikel 72
1.

Een perceel waarvan niet de gehele begrenzing op het terrein gelijk is dan wel geacht wordt gelijk te zijn aan die van een bestaand perceel, wordt aangeduid door een nieuw nummer, onmiddellijk volgende op het laatstgebruikte nummer van de desbetreffende sectie.

2.

Een perceel waarvan de gehele begrenzing op het terrein gelijk is aan de begrenzing zoals die uit de kadastrale kaart en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden blijkt, behoudt het bestaande nummer.

3.

Indien verschil bestaat tussen de terreinsituatie en de kadastrale gegevens, wordt de in het tweede lid bedoelde begrenzing geacht gelijk te zijn gebleven, indien zulks uit de aanwijzing van alle belanghebbenden blijkt en zulks bovendien aannemelijk voorkomt.

Artikel 73

Is bij de opmeting van nieuwe gebouwen gebleken of blijkt bij de kartering van deze, dat scheidsmuren niet zijn geplaatst volgens de vóór de bouw aanwezige afpaling die indertijd als kadastrale grens werd opgemeten, dan is die afwijking, behoudens het geval, bedoeld in artikel 72, derde lid, geen reden tot redressering van de kadastrale grenzen. In dat geval wordt zonodig tot afzonderlijke perceelsvorming overgegaan.

Paragraaf 8. Berekening van de grootte van de percelen

Artikel 74
1.

De berekening van de grootte van de percelen geschiedt overeenkomstig de in de Handleiding voor de technische werkzaamheden van het Kadaster gegeven aanwijzingen, en met inachtneming van het tweede lid en de artikelen 75 en 76.

2.

Nauwkeurige grootteberekening van een perceel is mogelijk, indien alle grenzen van het perceel vaststaan en in eenzelfde meetkundig verband zijn vastgelegd, hetzij door één meting, hetzij door combinatie dan wel transformatie van gegevens, ontleend aan verschillende metingen.

Artikel 75

Bij de in artikel 74, tweede lid, bedoelde nauwkeurige grootteberekening wordt, indien de meting ambtshalve is verricht, geen hogere nauwkeurigheid nagestreefd dan verantwoord is in verband met de waarde van de onroerende zaak.

Artikel 76
1.

De wijze van afronden bij het vaststellen van de grootte van de percelen hangt af van de nauwkeurigheid van de meting.

2.

Er wordt afgerond op gehelen van centiaren. Als nauwkeurige grootteberekening niet mogelijk is, kan worden afgerond op vijf- of tienvouden van centiaren.

3.

Is bij een ingeschreven stuk een onroerende zaak van slechts enkele centiaren overgegaan en wordt deze toegevoegd aan een ander perceel dat overigens niet is veranderd en waarvan de grootte niet onjuist wordt bevonden, dan wordt de na die toevoeging verkregen grootte niet afgerond.

Paragraaf 9. Metingstaten overige bepalingen

Artikel 77
1.

De in artikel 44 bedoelde metingsstaten worden opgemaakt met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid.

2.

Bij ieder perceel of gedeelte daarvan wordt zo mogelijk verwezen naar het stukidentificatienummer van het stuk waarbij de verkrijging plaatsvond.

3.

Korte aanduidingen inzake publiekrechtelijke beperkingen worden zodanig vermeld, dat voldaan kan worden aan de artikelen 45a en 45b. Tevens vindt vermelding plaats van het resultaat van het onderzoek als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het besluit.

4.

Er wordt melding gemaakt van overgegane gedeelten die nog niet zijn gemeten, van gegevens omtrent hypotheken en beslagen en tevens van alle gegevens die nodig zijn om te kunnen voldoen aan artikel 44.

5.

Indien de metingstaat betrekking heeft op de bijhouding in verband met akten van toedeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden geen gegevens vermeld inzake het verband tussen de oude en de nieuwe percelen.

Artikel 78
1.

De perceelgrenzen, de omtrekken van opstallen en de gebruiksgrenzen of cultuurscheidingen worden op de kadastrale kaarten getekend met volle lijnen.

2.

Met korte-streeplijnen worden getekend de perceelgrenzen waarop in de regel geen blijvende afscheiding geplaatst wordt, zoals een op het terrein onzichtbare verbindingslijn van twee straathoeken, het midden van een weg of sloot, van welke weg of sloot de kanten op de kaart in volle lijnen zijn aangegeven, of een trens lopende door een vijver, een meer of ander water.

3.

Indien de onzichtbare perceelgrens, bedoeld in het tweede lid, tevens rijksgrens is, wordt deze in plaats van door een korte-streeplijn aangegeven door een kruisjeslijn; is deze een provinciegrens, dan door een kruis-streeplijn; is deze een gemeentegrens, dan door een kruispuntlijn.

4.

Indien de in het derde lid bedoelde signaturen aanleiding zouden geven tot onduidelijkheid, worden deze slechts voor gedeelten van de onzichtbare grens toegepast en wordt voor de overige gedeelten de korte-streeplijn gebruikt.

5.

Indien de onzichtbare perceelgrens sectiegrens is, wordt deze in plaats van door een korte-streeplijn aangegeven door een streep-puntlijn.

6.

De as van een spoorweg of van een kanaal wordt aangegeven door een onderbroken lange-streeplijn, waarbij de streep 4 mm en de spatie 1 mm is. Een hoogspanningslijn wordt aangegeven door een onderbroken lange-streeplijn, waarbij de streep 8 mm en de spatie 1 mm is.

Artikel 79
1.

De in artikel 27, tweede lid, bedoelde verzamelkaarten worden periodiek bijgewerkt.

2.

Bij de in het eerste lid bedoelde bijwerking worden grenzen van kadastrale gemeenten aangegeven met een volle lijn en bladgrenzen met een streep-puntlijn. Binnen de gemeente- onderscheidenlijk bladgrens wordt de naam van de kadastrale gemeente onderscheidenlijk letter en nummer van de sectie van elk blad vermeld. Strekt eenzelfde kadastrale gemeente, sectie of blad zich uit over meer dan één verzamelkaart, dan wordt binnen de figuratie van ieder deel de bijbehorende aanduiding geplaatst.

Artikel 81
1.

Inzake de bijhouding in verband met een ingeschreven akte van toedeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden zonodig nieuwe secties gevormd, dan wel aan een bestaande sectie kadastrale kaarten toegevoegd, waarbij bestaande kadastrale kaarten geheel of gedeeltelijk vervallen.

2.

Indien een akte van toedeling betrekking heeft op een gehele of gedeeltelijke kadastrale gemeente die een andere naam draagt dan de desbetreffende burgerlijke gemeente, wordt het desbetreffende gebied in beginsel ingedeeld bij, dan wel gevormd tot de kadastrale gemeente die de naam van de burgerlijke gemeente draagt.

Afdeling 2. Bijhouding

Paragraaf 1. Bijhouding op grond van ingeschreven stukken, waarbij een meting noodzakelijk is

Artikel 82
1.

De in artikel 17, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 bedoelde brief heeft de vorm van het model dat als bijlage 6 bij deze regeling is gevoegd.

2.

De in artikel 17, vierde juncto eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 bedoelde brief heeft, ingeval artikel artikel 12, eerste lid, van het besluit van toepassing is, de vorm van het model dat als bijlage 7 bij deze regeling is gevoegd en, ingeval artikel 13, eerste lid, van het besluit van toepassing is, de vorm van het model dat als bijlage 8 bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 83
1.

De bijhouding van de kadastrale kaarten, bedoeld in artikel 16, derde lid, van het besluit, vindt plaats met inachtneming van het tweede en derde lid.

2.

De door belanghebbenden aangewezen grens wordt, zonder dat perceelsvorming plaatsvindt, op de kaart vermeld, waarbij wordt aangegeven dat geen sprake is van een perceelgrens.

3.

Na inschrijving van een stuk tot verbetering wordt tot perceelsvorming overgegaan en wordt de in het tweede lid bedoelde grens tot perceelgrens gemaakt.

Paragraaf 4. Wijze van bijwerking omtrent appartementsrechten

Artikel 84
1.

De aantekening omtrent het overlijden van personen, bedoeld in artikel 17 van het besluit, wordt gesteld bij de gegevens van de desbetreffende rechthebbende en luidt: ‘overleden op ...’, onder vermelding van de datum van overlijden. Tevens wordt verwezen naar het jaar en het volgnummer van het desbetreffende stuk.

2.

Als bedoeladres wordt vermeld het adres van de echtgenoot van de overledenen, dan wel het adres van de erfgenaam die het grootste aandeel in de nalatenschap heeft. Bij gelijke aandelen wordt zoveel mogelijk het adres vermeld van de oudste in Nederland woonachtige erfgenaam.

3.

Ingeval evenwel uit de ontvangen inlichtingen van een ander boedeladres blijkt dan het in het tweede lid bedoelde, wordt in dat geval wordt het eerstbedoelde boedeladres vermeld.

Paragraaf 3. Bijhouding op grond van inlichtingen van personen die als eigenaar of beperkt gerechtigde met betrekking tot een onroerende zaak in de kadastrale registratie staan vermeld omtrent hun wettelijke woonplaats

Artikel 85

Vervallen

Paragraaf 4. Bijhouding op grond van inlichtingen of waarnemingen omtrent feiten, bedoeld in de artikelen 29 en 35 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek

Artikel 86

De in artikel 18, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 bedoelde brief heeft de vorm van het model dat als bijlage 9 bij deze regeling is gevoegd.

Paragraaf 5. Bijhouding op grond van inlichtingen of waarnemingen omtrent de feitelijke gesteld heid van onroerende zaken

Artikel 87
1.

De bijhouding op grond van inlichtingen of waarnemingen omtrent de cultuuraanduiding van gehele percelen, geschiedt op een der onder a tot en met c genoemde wijzen:

  • a. indien het inlichtingen betreft die blijken uit ingeschreven stukken; de in de basisregistratie kadaster vermelde cultuuraanduiding wordt vervangen door de in het ingeschreven stuk vermelde cultuuraanduiding, welke bijhouding gelijktijdig plaatsvindt met de in artikel 39 bedoelde bijhouding,
  • b. indien het andere dan onder a bedoelde inlichtingen betreft: de n, de basisregistratie kadaster vermelde cultuuraanduiding wordt vervangen door de nieuwe cultuuraanduiding:
  • c. indien het waarnemingen betreft: de desbetreffende gegevens worden in de metingstaat vermeld, waarna de bijhouding plaatsvindt door verwerking van de metingstaat in de basisregistratie kadaster.
2.

De vermelding van de cultuuraanduiding geschiedt overeenkomstig een door de Dienst gehanteerde gestandaardiseerde methode. Tevens vindt codering van de vermelde cultuuraanduidingen plaats.

3.

Op grond van de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt tevens bij ieder perceel melding gemaakt van de aanduiding ‘bebouwd’ dan wel ‘onbebouwd’.

4.

De bijhouding van de kadastrale kaarten geschiedt met inachtneming van de artikelen 26 en 79, eerste lid.

Artikel 88
1.

De bijhouding op grond van inlichtingen of waarnemingen omtrent de adressen met postcode en de plaatselijke benaming van onroerende zaken geschiedt op de wijze als in het tweede tot en met vierde lid is bepaald.

2.

Indien het percelen betreft waarop een gebouw staat dat een postadres heeft, vindt bijhouding uitsluitend plaats op grond van inlichtingen die door de naamloze vennootschap Koninklijke PTT Nederland N.V., of door een dochtermaatschappij van deze vennootschap zijn verstrekt. De bijhouding geschiedt door de in de basisregistratie kadaster vermelde plaatselijke aanduiding te vervangen door de nieuwe.

3.

Indien het andere dan in het tweede lid bedoelde percelen betreft, vindt bijhouding plaats op grond van inlichtingen die blijken uit ingeschreven stukken, op grond van rechtstreeks van de rechthebbende verkregen inlichtingen, alsmede op grond van waarnemingen. Artikel 87, eerste lid, onder a, b en c, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Artikel 29, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 89

De bijhouding van de coördinaten van de percelen in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting geschiedt door opneming van de coördinaten in de metingstaat, bedoeld in artikel 44, op grond waarvan in de basisregistratie kadaster de desbetreffende coördinaten worden vervangen door de in de metingstaat vermelde. De coördinaten worden vermeld in het percelenbestand, bedoeld in artikel 9 van het besluit.

Artikel 90
1.

Ten aanzien van onroerende zaken van de Staat wordt in de basisregistratie kadaster melding gemaakt van het beheer over die zaken op de wijze als in het tweede en derde lid is bepaald.

2.

Aan de naam van de rechthebbende vindt een toevoeging plaats op één van de volgende wijzen:

de Staat (Huis van de Koning),

de Staat (Hoge Colleges van Staat),

de Staat (Algemene Zaken),

de Staat (Asiel en Migratie),

de Staat (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),

de Staat (Buitenlandse Zaken),

de Staat (Defensie),

de Staat (Economische Zaken),

de Staat (Financiën, Algemeen),

de Staat (Financiën, Kroondomein),

de Staat (Infrastructuur en Waterstaat),

de Staat (Justitie en Veiligheid),

de Staat (Klimaat en Groene Groei),

de Staat (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur),

de Staat (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur – Nationale Grondbank),

de Staat (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap),

de Staat (Rijksvastgoedbedrijf),

de Staat (Sociale Zaken en Werkgelegenheid),

de Staat (Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

de Staat (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening).

3.

Ten aanzien van onroerende zaken van de Staat, waarover de Staat niet zelf het beheer voert, wordt tevens vermeld: ‘in beheer bij ...’, onder invulling van de desbetreffende gegevens.

Artikel 91

Bijhouding van de in artikel 90 bedoelde gegevens vindt plaats op grond van schriftelijke inlichtingen die van de rechthebbende zijn verkregen. Na ontvangst van bedoelde inlichtingen wordt de basisregistratie kadaster daarmee in overeenstemming gebracht onder verwijzing bij de desbetreffende gegevens naar de datum en het volgnummer van het betrokken stuk.

Artikel 92
1.

Ten aanzien van onroerende zaken van andere publiekrechtelijke rechtspersonen dan de Staat waarbij de rechthebbende niet zelf het beheer en onderhoud heeft, wordt in de basisregistratie kadaster melding gemaakt van gegevens omtrent het beheer en onderhoud, op grond van schriftelijke inlichtingen die van de rechthebbende zijn verkregen.

2.

Artikel 91 is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 6. Bijhouidng met betrekking tot voorlopige aantekeningen en doorhalingen daarvan

Artikel 93
1.

De bijhouding in de basisregistratie kadaster met betrekking tot voorlopige aantekeningen en de doorhaling daarvan, geschiedt op de wijze als in het tweede tot en met vierde lid is bepaald.

2.

Terstond nadat de aanbieding van een stuk is aangetekend in het register van voorlopige aantekeningen, wordt in de basisregistratie kadaster bij de gegevens van de in het stuk vermelde rechthebbenden, alsmede bij de desbetreffende percelen een verwijzing geplaatst naar het volgnummer van het register van voorlopige aantekeningen.

3.

In geval van wijzigingen in de basisregistratie kadaster wordt de in het tweede lid bedoelde verwijzing gehandhaafd bij de actuele gegevens.

4.

Nadat de boeking in het register van voorlopige aantekeningen is doorgehaald, wordt bij de onderhavige verwijzing vermeld: ‘doorgehaald’, onder vermelding van de datum van doorhaling.

Paragraaf 7. Bijhouding inzake splitsing of samenvoeging van percelen, ambtshalve of op verzoek

Artikel 94

De in artikel 19, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 bedoelde brief heeft de vorm van het model dat als bijlage 10 bij deze regeling is gevoegd.

Afdeling 3. Vernieuwing

Artikel 95

De in artikel 21, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 bedoelde brief heeft de vorm van het model dat als bijlage 11 bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 96
1.

De vermelding in de basisregistratie kadaster van een voornemen tot een onderzoek van vernieuwing, bedoeld in artikel 75, derde lid, van de wet geschiedt door het plaatsen bij het desbetreffende perceel van de aantekening: voornemen vernieuwing.

2.

Bij wijzigingen in de basisregistratie kadaster wordt de in het eerste lid bedoelde vermelding gehandhaafd.

3.

De in het eerste lid bedoelde vermelding wordt verwijderd terstond na inschrijving van de notariële akte van vernieuwing.

Artikel 97
1.

In het voorstel van vernieuwing wordt afzonderlijk melding gemaakt van de in artikel 76, tweede lid, van de wet bedoelde bijhouding op de wijze zoals in het tweede lid is bepaald.

2.

Aan het slot van het voorstel van vernieuwing worden in volgorde van de plaatsgehad hebbende bijhoudingen per bijhouding vermeld:

  • a. de datum en, indien de bijhouding is gegrond op een ingeschreven stuk, het stukidentificatienummer van het stuk dat tot bijhouding heeft geleid, dan wel, indien het een bijhouding betreft op grond van een niet ingeschreven stuk, het volgnummer waaronder het stuk wordt bewaard;
  • b. een korte aanduiding van de aard en de inhouding van het stuk;
  • c. tot welke bijhouding de onder a bedoelde stukken hebben geleid.
3.

Het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bijhoudingen, bedoeld in artikel 77, derde lid, van de wet.

Artikel 98
1.

Van de indiening van bezwaarschriften en van het instellen van beroep, alsmede van daarop gegeven beslissingen wordt bij het voorstel van vernieuwing dat ter inzage ligt op grond van artikel 76, zevende lid, van de wet, melding gemaakt door op het voorstel te vermelden: zie bijbehorende stukken (bijlage(n)...), onder invulling van de nummers van de bijlagen.

2.

als bijlagen worden afschriften van de in het eerste lid bedoelde stukken bij het voorstel van vernieuwing gevoegd.

Afdeling 4. Metingen

Artikel 99
1.

Bij de metingen, bedoeld in artikel 79 van de wet, houdt de met de meting belaste ambtenaar rekening met de in de Handleiding voor de technische werkzaamheden van het Kadaster voorkomende onder scheiding in gebieden waarin voor de metingen een ongelijke graad van nauwkeurigheid moet worden toegepast.

2.

De meting in eenzelfde gebeid geschiedt voor perceelgrenzen, cultuurscheidingen en omtrekken van opstallen met onderling dezelfde graad van nauwkeurigheid.

Artikel 100
1.

De metingen worden gecontroleerd en op een zodanige wijze ingericht, dat mogelijk wordt:

  • a. een goede kartering van de nieuwe grenzen in de bestaande kadastrale kaart;
  • b. latere uitzetting van die grenzen op het terrein, en wel op zo eenvoudig mogelijke wijze;
  • c. dat er in de meting een waarborging is voor nabijheidsrelaties met bestaande grenzen en topografie.
2.

Om te voldoen aan de eis gesteld in het eerste lid, onder b, wordt zonodig van de meetkundige grondslag gebruik gemaakt en worden nieuwe grenzen en verlengden van nieuwe grenzen, alsmede gebezigde oude en nieuwe meetlijnen aangemeten aan gebouwen en andere vaste terreinvoorwerpen. De meetlijnen worden zo nodig verzekerd om bij latere metingen te kunnen worden gebruikt.

3.

Om te voldoen aan de eis gesteld in het eerste lid, onder c, worden bij een meting oude grenzen in het algemeen niet aan een grensonderzoek onderworpen. Ook wordt de meting niet te veruitgebreid, uitsluitend met het doel om te komen tot een nauwkeurige groottebepaling van de te vormen percelen.

Artikel 101

Met het oog op de in artikel 100 gestelde eisen worden bij de meting behalve rechtsgrenzen zonodig ook afpalingstekens en scheidsmuren gemeten en op de relazen van bevindingen vermeld.

Artikel 102
1.

Een bestaande meetkundige grondslag kan, indien dit noodzakelijk is, worden verdicht.

2.

Bij de verdichting wordt er voor gezorgd dat de relatieve nauwkeurigheid van het stelsel gehandhaafd blijft op de wijze als aangegeven in de Handleiding voor de technische werkzaamheden van het Kadaster.

3.

De verzekering van de meetkundige grondslag geschiedt overeenkomstig de daartoe gegeven handleiding.

Artikel 103

Bij de meting van rechtsgrenzen, van cultuurscheidingen die geen rechtsgrens zijn maar bij de toepassing van de meting perceelgrens zullen worden, en van de ligging van hoofdgebouwen zorgt mede met de meting belaste ambtenaar voor een behoorlijke controle. Deze moet blijken uit de constructie van de meting. Als controlemogelijkheden komen ook in aanmerking:

  • a. meting van zogenoemde eigen maten;
  • b. hoekmetingen en
  • c. dubbele meting van afstanden.
Artikel 104
1.

Perceelsvorming kan met toestemming van alle belanghebbenden ook zonder onderzoek ter plaatse en zonder meting geschieden, indien over zodanige gegevens wordt beschikt dat omtrent de ligging van de grenzen en de rechtstoestand geen twijfel bestaat.

2.

Het afbeelden van opstallen op een kadastrale kaart of wijziging van die afbeelding kan ook zonder onderzoek ter plaatse en zonder meting geschieden, indien over zodanige meetgegevens van derde of andere gegevens wordt beschikt dat geen twijfel bestaat omtrent de af te beelden begrenzingen van de opstallen.

Artikel 106

Ingeval bij een meting op het terrein verandering wordt geconstateerd in een vroeger in kaart gebrachte cultuurgrens die wel perceelgrens doch geen rechtsgrens is, gaat de met de meting belaste ambtenaar na of deze cultuurgrens noodzakelijk als perceelgrens moet blijven bestaan. is dit niet het geval, dan laat hij de cultuurgrens geheel of gedeeltelijk op de kaart vervallen.

Artikel 107
1.

Bij landerijen behorende wegen en voetpaden die niet door sloten zijn begrensd en alleen dienen tot uit- of overweg, of tot bewerking van die landerijen, worden in het algemeen niet gemeten.

2.

Greppels, geen rechtsgrenzen zijnde en uitsluitend dienende tot afwatering of besproeiing, worden niet gemeten.

3.

Kunstwerken als sluizen, bruggen, kribben en masten van hoogspanningslijnen worden overgenomen van de grootschalige basiskaart van Nederland.

Artikel 108

Andere dan de in artikel 56d, derde lid, van de wet bedoelde metingen kunnen door anderen dan ambtenaren van de Dienst worden verricht, mits deze metingen afhankelijk zijn van de goedkeuring door de Dienst.

Afdeling 2. Bijhouding

Artikel 109
1.

De kennisgevingen van het resultaat van de bijhouding, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de wet, voor zover het een gehandhaafd perceel betreft, hebben de vorm van de modellen die als bijlagen 12 en 12a bij deze regeling zijn gevoegd.

2.

De kennisgevingen van het resultaat van de bijhouding, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de wet, voor zover het de splitsing, ondersplitsing, wijziging van de splitsing, of opheY ng van de splitsing dan wel ondersplitsing ter zake van appartementsrechten betreft, hebben de vorm van de modellen die als bijlagen 13 en 13a bij deze regeling zijn gevoegd.

3.

De kennisgevingen van het resultaat van de bijhouding, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de wet, voorzover het een nieuw gevormd perceel betreft, hebben de vorm van de modellen die als bijlagen 14, 14a en 14b bij deze regeling zijn gevoegd.

4.

De kennisgeving houdende de bekendmaking van de in artikel 59, derde lid, van de wet bedoelde beslissing, heeft de vorm van het model dat als bijlage 15 bij deze regeling is gevoegd.

5.

De mededeling, bedoeld in artikel 64, tweede lid, van de wet, heeft de vorm van het model dat als bijlage 17 bij deze regeling is gevoegd.

6.

De mededeling, bedoeld in artikel 65, tweede lid, van de wet, heeft de vorm van het model dat als bijlage 18 bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 110

Het relaas van bevindingen heeft de vorm van het model dat als bijlage 19 bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 111
1.

De beslissing van de ambtenaar op een bezwaarschrift waarbij bezwaar is gemaakt tegen de beslissing, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de wet, alsmede beslissingen van de ambtenaar op bezwaarschriften als bedoeld in artikel 56c, eerste lid, van de wet tegen beschikkingen inzake de bijwerking, worden als volgt ingedeeld:

  • a. aanhef;
  • b. beslissing omtrent de ontvankelijkheid;
  • c. nauwkeurige en objectieve weergave van alle bekende relevante feiten en omstandigheden;
  • e. deugdelijke motivering waarbij wordt vermeld de overwegingen en redenen, de daaruit getrokken conclusies die aan de beslissing ten grondslag liggen;
  • f. beslissing.
2.

De beslissing van de ambtenaar als bedoeld in het eerste lid wordt aan de belanghebbenden per brief bekendgemaakt.

Artikel 112
1.

De beslissing, bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de wet wordt, ingeval het verzoek wordt afgewezen, als volgt ingedeeld:

  • a. aanhef;
  • b. beslissing omtrent de ontvankelijkheid;
  • c. deugdelijke motivering waarbij worden vermeld de overwegingen en redenen, alsmede de daaruit getrokken conclusies die aan de beslissing ten grondslag liggen;
  • d. beslissing.
2.

De brief waarbij de in het eerste lid bedoelde beslissing aan de belanghebbenden wordt bekendgemaakt, heeft de vorm van het model dat als bijlage 21 bij deze regeling is gevoegd.

3.

Van toewijzing van het verzoek wordt mededeling gedaan bij de in artikel 86 bedoelde brief.

Artikel 113

De brief, bedoeld in de artikelen 68, tweede lid, en 70, derde lid, van de wet, heeft de vorm van het model dat als bijlage 22 bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 114
1.

Op de vorm van de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 73, tweede lid, van de wet is, ingeval het verzoek wordt afgewezen, artikel 112, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

2.

De brief waarbij de in het eerste lid bedoelde beslissing aan de belanghebbenden wordt bekendgemaakt, heeft de vorm van het model dat als bijlage 23 bij deze regeling is gevoegd.

3.

De kennisgeving houdende bekendmaking van het voorstel van vernieuwing, bedoeld in artikel 76, zesde lid, van de wet, heeft de vorm van het model dat als bijlage 24 bij deze regeling is gevoegd.

Artikel 115

Artikel 111 is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing op de in artikel 76, zesde lid, van de wet bedoelde beslissing van de ambtenaar op bezwaarschriften tegen voorstellen van vernieuwing alsmede op de brief waarbij die beslissing aan belanghebbenden wordt bekendgemaakt.

Titel 2. Bijhouding van het net van coördinaatpunten

Artikel 116

De bijhouding van het net van coördinaatpunten, bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de wet, vindt plaats door het periodiek verrichten van werkzaamheden ter controle en ter instandhouding van dit net van coördinaatpunten.

Hoofdstuk 5. Verstrekking van inlichtingen

Titel 1. Verstrekking van inlichitngen uit de openbare registers voor onroerende zaken

Afdeling 3. Vernieuwing

Artikel 119
1.

Afschriften als bedoeld in artikel 99 van de wet worden verstrekt in de vorm van mechanische reproducties van het gehele stuk of een deel daarvan. Ingeval een deel wordt verstrekt wordt dat feit op het uittreksel vermeld.

2.

Op een afschrift of uittreksel van een vóór 1 april 1950 in de openbare registers opgenomen stuk wordt melding gemaakt van het kantoor en het deel en nummer van inschrijving.

Afdeling 2. Getuigschriften

Artikel 126

De vorm van de in artikel 99, eerste lid, van de wet bedoelde getuigschriften wordt vastgesteld overeenkomstig:

  • a. voorzover betreffend het resultaat van onderzoek naar erfdienstbaarheden: het model dat als bijlage 25 bij deze regeling is gevoegd;
  • b. voorzover betreffend het resultaat van onderzoek naar erfdienstbaarheden (negatieve mededeling): het model dat als bijlage 26 bij deze regeling is gevoegd;
  • c. voorzover betreffend het resultaat van onderzoek naar ingeschreven akten: het model dat als bijlage 27 bij deze regeling is gevoegd.
Artikel 128

Op afschriften als bedoeld in artikel 99 van de wet, die zijn gevoegd bij de in artikel 126 bedoelde getuigschriften, is artikel 119 van toepassing.

Afdeling 4. Metingen

Artikel 129

Indien op een getuigschrift als bedoeld in artikel 126 percelen voorkomen ten aanzien waarvan sprake is van voorlopige aantekeningen die nog niet zijn doorgehaald, worden afschriften van de desbetreffende stukken toegevoegd. Artikel 119 is van toepassing op deze afschriften.

Artikel 130

De raadpleging van de openbare registers geschiedt door het verlenen van inzage aan het kantoor van de Dienst en digitale raadpleging.

Titel 2. Verstrekking van inlichtingen uit de kadastrale registratie, het kaartenbestand, de daaraan ten grondslag liggende bescheiden en het net van coördinaatpunten

Afdeling 3. Vernieuwing

Artikel 131
1.

Uit de basisregistratie kadaster worden de volgende uittreksels verstrekt:

  • a. het uittreksel van de basisregistratie kadaster inzake hypotheken en beslagen;
  • b. het uittreksel van de basisregistratie kadaster, met uitzondering van de gegevens inzake hypotheken en beslagen.
2.

De uittreksels bevatten een weergave van de in de basisregistratie kadaster opgenomen actuele gegevens.

3.

Een uittreksel inzake een niet-actuele toestand wordt zoveel mogelijk verstrekt in de vorm van een mechanische reproductie van het desbetreffende stuk.

4.

Artikel 129 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 132

Vervallen

Artikel 133

Vervallen

Artikel 134

Vervallen

Afdeling 4. Metingen

Artikel 135

Afschriften van de kadastrale kaart worden verstrekt in de vorm van een digitaal bestand en een plot.

Afdeling 4. Metingen

Artikel 136

De raadpleging van de basisregistratie kadaster en de kadastrale kaart geschiedt door het verlenen van inzage aan de kantoren van de Dienst die voor het publiek zijn opengesteld, via de permanente aansluiting op de geautomatiseerde basisregistratie kadaster, of door het verstrekken van inlichtingen op de daarvoor aangewezen elektronische wijze.

Afdeling 4. Inlichtingen uit bescheiden die ten grondslag liggen aan door de Dienst gehouden kaarten

Artikel 137
1.

Afschriften of uittreksels van bescheiden die ten grondslag liggen aan door de Dienst gehouden kaarten, worden verstrekt in de vorm van mechanische reprodukties van die bescheiden of aangegeven gedeelten daarvan.

2.

Op de afschriften en uittreksels wordt het volgende gesteld:

  • a. Uittreksel uit ... (dan wel: Afschrift van ...), onder invulling van de desbetreffende gegevens.
  • b. Het desbetreffende kantoor van de Dienst, de datum van verstrekking, het nummer waaronder het verzoek is geregistreerd, en het verschuldigde kadastraal recht.
  • c. De ondertekende verklaring: Voor eensluidend uittreksel (dan wel afschrift), De directeur,.
3.

Afschriften en uittreksels als bedoeld in het eerste lid, worden in zwart en wit vervaardigd, doch op verzoek worden gegevens die op het origineel anders dan in zwart en wit zijn vermeld, in de desbetreffende kleuren op het afschrift of uittreksel overgenomen.

Artikel 138

De raadpleging van de bescheiden die ten grondslag liggen aan door de Dienst gehouden kaarten, geschiedt door het verlenen van inzage aan het kantoor van de Dienst, en het verstrekken van inlichtingen, zowel mondeling als door middel van telefoon of e-mail.

Artikel 139
1.

Indien de in de artikelen 137 en 138 bedoelde bescheiden gegevens betreffen die gereed en volledig zijn, geschiedt het verstrekken van inlichtingen ook wanneer de desbetreffende kaarten ten aanzien van die gegevens nog niet zijn bijgewerkt.

2.

Indien een stuk behalve gegevens die gereed en volledig zijn ook gegevens bevat die dat nog niet zijn, vindt het verstrekken van de inlichtingen uit dat stuk slechts plaats ten aanzien van gegevens die gereed en volledig zijn.

3.

Namen van personen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de in de artikelen 137 en 138 bedoelde bescheiden, worden indien zulks wenselijk is, onleesbaar gemaakt.

Artikel 140
1.

Relazen van bevindingen zijn, voor zover de bijwerking van de kaarten nog niet heeft plaatsgevonden, openbaar vanaf de volgende tijdstippen:

  • a. voor wat betreft gegevens die aanleiding geven tot inschrijving van een stuk tot verbetering: zodra om dit stuk is verzocht;
  • b. voor wat betreft de gegevens omtrent personen die de grenzen hebben aangewezen: zodra het relaas van bevindingen is ondertekend;
  • c. voor wat betreft andere gegevens: zodra de hulpkaart is opgemaakt.
2.

In geval van verstrekking van een afschrift van relazen van bevindingen wordt daarbij op verzoek een mondelinge of schriftelijke toelichting van algemene aard verstrekt.

Afdeling 5. Inlichtingen omtrent het net van coördinaatpunten

Artikel 141

Het verstrekken van inlichtingen, bedoeld in artikel 102, vierde lid, van de wet geschiedt door het in elektronische vorm verstrekken van een afschrift van de in artikel 35 bedoelde overzichtskaarten, alsmede door het in schriftelijke dan wel elektronische vorm verstrekken van een afschrift van de in artikel 35 bedoelde coördinaatlijsten.

Afdeling 6. Overige bepalingen

Artikel 142

Met de verstrekking van de in artikel 106, tweede en derde lid, van de wet bedoelde inlichtingen zijn belast:

  • a. voor zover het betreft de kadastrale kaarten: de bewaarder van het kantoor van de Dienst waar de kaarten worden gehouden, alsmede de directeur van het kadaster en de openbare registers van dat kantoor;
  • b. voor zover het betreft het net van coördinaatpunten, bedoeld in artikel 52 van de wet: het hoofd van het bureau Rijksdriehoeksmeting, welk bureau onderdeel is van de eenheid Vastgoedinformatie en Geodesie van de concernstaf van de Dienst.

Hoofdstuk 6. Overige en slotbepalingen

Artikel 143

Ten aanzien van de wijze waarop wijzigingen, bedoeld in artikel 111, eerste lid, van de wet, in de basisregistratie kadaster en op de kadastrale kaarten worden weergegeven, zijn de artikelen 38, 44, 54, 55 en 74 tot en met 80 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 144
1.

In geval van splitsing van een kadastrale gemeente wordt bij overgang van gehele secties de indeling in secties zoveel mogelijk behouden. In geval van invoering van een nieuwe sectie blijven de bestaande perceelnummers zo veel mogelijk behouden.

2.

Een exemplaar van de wet, algemene maatregel van bestuur of besluit van provinciale staten die heeft geleid tot de gewijzigde indeling in kadastrale gemeenten, wordt gehecht aan elk van de processen-verbaal van grensbepaling van de desbetreffende kadastrale gemeenten.

Artikel 145
1.

De kennisgeving inzake ambtshalve wijziging van de kadastrale aanduiding van een onroerende zaak of van een appartementsrecht, bedoeld in artikel 111, tweede lid, juncto artikel 58, eerste lid, van de wet, heeft de vorm van het model dat als bijlage 31 bij deze regeling is gevoegd.

2.

De kennisgevingen inzake het ambtshalve opnieuw vaststellen van de grootte van een perceel, bedoeld in artikel 111, derde lid, juncto artikel 58, eerste lid, van de wet, hebben de vorm van de modellen die als bijlagen 32 en 32a bij deze regeling zijn gevoegd.

3.

Artikel 111 is van overeenkomstige toepassing op de vorm van de beslissing van de ambtenaar op bezwaarschriften als bedoeld in artikel 111, derde lid, juncto artikel 56c, eerste lid, van de wet tegen beslissingen als bedoeld in het tweedelid, alsmede op de brief waarbij de beslissing aan de belanghebbende wordt bekendgemaakt.

Artikel 146

Vervallen

Artikel 147
1.

De vergissingen, verzuimen of andere onregelmatigheden, bedoeld in artikel 116, van de wet, worden op de dag dat zulks blijkt, onverwijld hersteld. Op het desbetreffende stuk wordt een door de bewaarder gedagtekende en ondertekende aantekening gesteld, inhoudende een korte vermelding van de inhoud der onregelmatigheid en het tijdstip der herstelling.

2.

Indien het te verbeteren stuk inmiddels is vervangen door een mechanische reproductie daarvan, wordt de in het eerste lid bedoelde aantekening gesteld op de wijze, bepaald in artikel 9.

3.

Indien de bewaarder een stuk onterecht heeft ingeschreven, wordt de aanbieder van het stuk in de gelegenheid gesteld om de onterechte inschrijving te herstellen door het stuk aan te vullen, te rectificeren of waardeloos te verklaren gevolgd door inschrijving van een stuk dat voldoet aan de inschrijvingsvereisten.

4.

Indien zulks naar het oordeel van de bewaarder wenselijk is, worden de aanbieder van het desbetreffende stuk en eventueel andere hem bekende belanghebbenden in kennis gesteld van de onregelmatigheid, de verbetering daarvan en het tijdstip van verbetering.

Artikel 148

De kennelijke misslagen, begaan bij de bijwerking van de basisregistratie kadaster, bedoeld in artikel 7s, eerste lid, van de wet, worden op de dag dat zulks blijkt, onverwijld hersteld. Bij de herstelde gegevens wordt een aantekening gesteld, inhoudende een korte vermelding van de inhoud van de misslag en het tijdstip der herstelling.

Artikel 149
1.

De kennelijke misslagen begaan bij de bijwerking van door de Dienst gehouden kaarten en daaraan ten grondslag liggende bescheiden, bedoeld in artikel 7s, eerste lid, van de wet, worden op de dag dat zulks blijkt onverwijld hersteld met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid.

2.

Ingeval bij het vervaardigen van relazen van bevindingen een vroeger begane misslag wordt verbeterd, wordt op het desbetreffende relaas verwezen naar het stuk waarbij die misslag was ontstaan. Op het verbeterde stuk wordt naar het desbetreffende relaas verwezen.

3.

Een misslag of aanmerkelijke onnauwkeurigheid in de grootte van een perceel, alsmede het herstel daarvan wordt aangetekend op het formulier inzake de berekening van de grootten van percelen, alsmede in de metingstaat.

4.

Op de hulpkaart wordt bij herstelde lijnen of lijnstukken het woord redres geschreven. In het geval dat een perceelnummer ten gevolge van een misslag ten onrechte is ontstaan en derhalve van de kadastrale kaart moet worden verwijderd, wordt op de desbetreffende hulpkaart verwezen naar de nieuwe hulpkaart.

5.

Indien het herstel van een misslag leidt tot wijziging van de basisregistratie kadaster, wordt een metingstaat opgemaakt waarin de misslag en het herstel zijn vermeld.

Artikel 150
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop de Organisatiewet Kadaster in werking treedt.

2.

Deze regeling wordt aangehaald als:

Kadasterregeling 1994.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen. De bijlagen 1 tot en met 3 en 191De bijlagen 1, 2, 3 en 19 liggen met ingang van 1 mei 1994 ter inzage op de afdeling Bewaring, Juridische Zaken en Vastgoedinformatie van alle kantoren van het Kadaster, met uitzondering van het kantoor te Apeldoorn. worden ter inzage gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Bijlage 1

Ligt ter inzage op de afdeling Bewaring, Juridische Zaken en Vastgoedinformatie van alle kantoren van het Kadaster, met uitzondering van het kantoor te Apeldoorn.

Bijlage 2

Ligt ter inzage op de afdeling Bewaring, Juridische Zaken en Vastgoedinformatie van alle kantoren van het Kadaster, met uitzondering van het kantoor te Apeldoorn.

Bijlage 3

Ligt ter inzage op de afdeling Bewaring, Juridische Zaken en Vastgoedinformatie van alle kantoren van het Kadaster, met uitzondering van het kantoor te Apeldoorn.

Bijlage 4

Niet opgenomen.

Bijlage 5

Niet opgenomen.

Bijlage 6

Niet opgenomen.

Bijlage 7

Niet opgenomen.

Bijlage 8

Niet opgenomen.

Bijlage 9

Niet opgenomen.

Bijlage 10

Niet opgenomen.

Bijlage 11

Niet opgenomen.

Bijlage 12

Niet opgenomen.

Bijlage 12a

Niet opgenomen.

Bijlage 13

Niet opgenomen.

Bijlage 13a

Niet opgenomen.

Bijlage 14

Niet opgenomen.

Bijlage 14a

Niet opgenomen.

Bijlage 14b

Niet opgenomen.

Bijlage 15

Niet opgenomen.

Bijlage 16

Vervallen

Bijlage 17

Niet opgenomen.

Bijlage 18

Niet opgenomen.

Bijlage 19

Ligt ter inzage op elk van de kantoren van de directies van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers in de regio’s.

Bijlage 20. als bedoeld in artikel 111, tweede lid

Vervallen

Bijlage 21. als bedoeld in artikel 112, tweede lid

Kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te ......

Aan .......

Datum:

Beslissing op het verzoek

Naar aanleiding van uw verzoek van ...... om een onderzoek in te stellen naar het zich voorgedaan hebben van een feit als bedoeld in artikel 29(35) van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, deel ik u mede dat ik uw verzoek heb afgewezen. Een afschrift van deze beslissing treft u hierbij aan.

Indien u het met deze beslissing niet eens bent, kunt u op grond van artikel 56b, eerste lid, van de Kadasterwet bij mij een gemotiveerd bezwaarschrift indienen. Dit moet u doen binnen zes weken na de dag van verzending van deze brief.

De directeur.

Bijlage 22. als bedoeld in artikel 113

Kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te .......

Aan: ......

Datum:

Mededeling inzake niet-bijhouding van de kadastrale registratie en de kadastrale kaarten

Onder verwijzing naar het op ....... gehouden onderzoek ter plaatse naar het zich voorgedaan hebben van een feit als bedoeld in artikel 29(35) van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, deel ik u mede dat het onderzoek geen aanleiding heeft gegeven tot bijhouding.

Indien u het met deze beslissing niet eens bent, kunt u op grond van artikel 56b, eerste lid, van de Kadasterwet bij mij een gemotiveerd bezwaarschrift indienen. Dit moet u doen binnen zes weken na de dag van verzending van deze brief.

De directeur.

Bijlage 23. als bedoeld in artikel 114, tweede lid

Kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te .......

Aan: ......

Datum:

Afwijzing verzoek

Naar aanleiding van uw verzoek van ....... tot splitsing/samenvoeging van het perceel/de percelen kadastraal bekend gemeente ...... sectie ...... nr(s) ....... deel ik u mede dat ik uw verzoek heb afgewezen. Een afschrift van deze beslissing treft u hierbij aan.

Indien u het met deze beslissing niet eens bent, kunt u op grond van artikel 56b, eerste lid, van de Kadasterwet bij mij een gemotiveerd bezwaarschrift indienen. Dit moet u doen binnen zes weken na de dag van verzending van deze brief.

De directeur.

Bijlage 24. als bedoeld in artikel 114, derde lid

Kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te .......

Aan: ......

Datum:

Bekendmaking van voorstellen van vernieuwing

Hierbij deel ik u mede dat het door het Kadster uitgevoerde onderzoek van vernieuwing heeft geleid tot vernieuwing van de kadastrale registratie en kaarten

Bijgaand doe ik u toekomen het voorstel/de voorstellen van vernieuwing betreffende het perceel/de percelen waarbij u belanghebbende bent. Dit voorstel/Deze voorstellen ligt/liggen voorts ook voor een ieder ter inzage op mijn kantoor (kamer ...), en wel tot en met ...

In het voorstel/de voorstellen zijn onder meer vermeld de gegevens omtrent de rechten, de rechthebbenden, de grootte en de kadstrale aanduiding betreffende het perceel/de percelen.

Indien u het met de inhoude van het voorstel/de voorstellen van vernieuwing niet eens bent, kunt u op grond van artikel 56b, eerste lid, van de Kadasterwet bij mij een gemotiveerd bezwaarschrift indienen. Dit moet u doen binnen zes weken na de dag van de verzending van deze brief.

De directeur.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 2

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 2a

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 2b

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 3

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 4

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 4a

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 4b

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 5

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 6

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij alle Kadasterkantoren en is gepubliceerd op www.kadaster.nl/zakelijk.

Artikel 1a
1.

Het stukidentifcatienummer, bedoeld in artikel 11c, eerste lid, eerste zin, van de wet bestaat uit de vermelding van achtereenvolgens:

  • b. het nummer van het voor de inschrijving gereserveerde deel en nummer van het desbetreffende register.
2.

Een stuk tot verbetering of een bijhoudingsverklaring als bedoeld in de artikelen 42 respectievelijk 46a, eerste lid, van de wet, dan wel een procesverbaal als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Wet op het notarisambt, dat binnen 48 uur na de dag van verzending van een verzoek als bedoeld in artikel 21b, eerste lid, ter inschrijving wordt aangeboden, wordt in de openbare registers ingeschreven onder hetzelfde stukidentificatienummer als het stuk, waarop het stuk tot verbetering, de bijhoudingsverklaring of het proces-verbaal betrekking heeft.

Artikel 3a
1.

De in elektronische vorm gehouden gedeelten van de openbare registers bestaan uit een databank die is onderverdeeld in logische databanken per:

2.

Per kantoor van de Dienst wordt een logische databank voor archiefbestanden gehouden, waarin stukken in elektronische vorm worden opgeslagen, die samen met een ingeschreven stuk zijn aangeboden, maar zelf niet in de openbare registers worden ingeschreven.

3.

Stukken in elektronische vorm die gesteld zijn in een vreemde of in de Friese taal, als bedoeld in artikel 41 van de wet, worden opgeslagen in de logische databank, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3b
1.

De hoofdbewaarder onderzoekt op grond van de door de functioneel beheerder aan hem te verstrekken rapportages en overzichten tijdig of de duplicaten, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet, zijn vervaardigd in overeenstemming met de daarvoor door het bestuur van de Dienst vastgestelde maatregelen. Indien dat het geval is, maakt de hoofdbewaarder een door hem te ondertekenen verklaring op als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de wet. Deze verklaring heeft de vorm van het model dat als bijlage 2a bij deze regeling is gevoegd.

2.

Indien van een in papieren vorm gehouden gedeelte van de openbare registers een duplicaat op microfilm en een duplicaat in elektronische vorm is vervaardigd en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, is opgemaakt, vervangen deze duplicaten het desbetreffende in papieren vorm gehouden gedeelte van de openbare registers.

3.

De in het eerste lid bedoelde rapportage van de functioneel beheerder heeft de vorm van het model dat als bijlage 2b bij deze regeling is gevoegd.

Hoofdstuk 2. Openbare registers voor onroerende zaken

Titel 1. Boekingen in het register Hypotheken 4D

Titel 2. Aantekeningen in de de in papieren vorm gehouden gedeelten van openbare registers

Titel 2a. Aantekeningen in de in elektronische vorm gehouden gedeelten van de openbare registers

Artikel 11f

Het door de Dienst gehouden systeem ten behoeve van het elektronisch verzenden en ontvangen van berichten, bedoeld in artikel 11a van de wet, wordt op de in de technische handleiding beschreven wijze ingericht.

Artikel 11g

Vervallen

Artikel 11h

Vervallen

Artikel 11i
1.

Het elektronische berichtenverkeer met de Dienst vindt plaats op basis van het uitwisselingsprotocol ofwel de interactie van de aanbieder met het aanbiedportaal, zoals dat is vastgelegd in de technische handleiding.

2.

De hoofdbewaarder informeert alle aanbieders die stukken elektronisch aanbieden tijdig over wijzigingen in het uitwisselingsprotocol.

Artikel 11j
1.

Een verzoek tot vaststelling van een afwijkend uitwisselingsprotocol als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, van de wet kan worden ingediend overeenkomstig de door de bewaarder aangegeven wijze.

2.

De hoofdbewaarder wijst het verzoek, bedoeld in het eerste lid, alleen toe indien:

  • a. het afwijkende uitwisselingsprotocol geen afbreuk doet aan de doelstelling van elektronische gegevensuitwisseling;
  • b. het afwijkende uitwisselingsprotocol past bij het gebruik van geavanceerde elektronische handtekeningen, en
  • c. de kosten die verband houden met de vaststelling van het afwijkende uitwisselingsprotocol worden gedragen door degene die het verzoek indient.
3.

De hoofdbewaarder deelt na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het tweede lid, binnen een redelijke termijn aan de indiener van dit verzoek mee of een afwijkend uitwisselingsprotocol zal worden vastgesteld en over de daaraan verbonden kosten.

Artikel 11k
1.

Na ontvangst van een verzoek tot verkrijging van een permanente aansluiting op het door de Dienst gehouden systeem, bedoeld in artikel 11a, vijfde lid, van de wet, ontvangt de verzoeker de technische specificaties waaraan de permanente aansluiting moet voldoen en dient de verzoeker het certificaat voor elektronische ondertekening aan te melden waarna hij kan aanvangen met het aanbieden van stukken.

2.

In afwijking van het eerste lid, ontvangt de verzoeker die stukken elektronisch wenst aan te bieden via het aanbiedportaal, de gebruiksvoorwaarden waaronder hij gebruik kan maken van de faciliteiten van het aanbiedportaal en zal hij, na acceptatie en elektronische ondertekening van deze voorwaarden, kunnen aanvangen met het aanbieden van stukken via het aanbiedportaal.

3.

Indien de applicatiesoftware nog niet eerder gebruikt is voor het aanbieden van stukken via het aanbiedportaal, wordt voor aanvang van het gebruik van het aanbiedportaal de mogelijkheid geboden om de werking van de applicatiesoftware met het aanbiedportaal te testen in een daartoe beschikbaar gestelde exploitatie-testomgeving.

4.

De kosten verbonden aan en voortvloeiende uit de verkrijging van een aansluiting of de mogelijkheid tot gebruik van het aanbiedportaal komen voor rekening van de verzoeker.

Artikel 11l

Het bericht, bedoeld in artikel 11a, eerste lid, van de wet, voldoet aan de specificaties als genoemd in de technische handleiding en is door de aanbieder voorzien van een elektronische handtekening.

Artikel 11m
1.

Indien de bewaarder overeenkomstig artikel 11a, tweede lid, van de wet besluit om een bericht niet te aanvaarden, deelt hij dit binnen 24 uur na het tijdstip van ontvangst van het bericht mee aan de aanbieder door middel van een bericht van afkeuring in elektronische vorm. Het bericht van afkeuring voldoet aan het gestelde daarover in de technische handleiding.

2.

Indien de hoofdbewaarder overeenkomstig artikel 11a, derde lid, van de wet besluit om ook andere berichten van de aanbieder niet te aanvaarden, deelt hij dit met bekwame spoed mee aan die aanbieder.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)