Besluit rechtspositie korps politie BES
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- b. [Vervallen]
- c. ambtenaar van politie: de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar in opleiding en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;
- d. aspirant: degene die toegelaten is tot de basisopleiding;
- e. ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder a, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met uitzondering van de aspirant;
- f. ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder b, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- f1. vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder c, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- f2. vrijwillige ambtenaar in opleiding: degene die door Onze Minister is benoemd tot vrijwillige ambtenaar in opleiding en die is toegelaten tot de opleiding tot vrijwillige ambtenaar van politie;
- f3. vrijwillige ambtenaar van politie: de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar in opleiding;
- g. volledige betrekking: een betrekking met een arbeidstijd van gemiddeld 36 uur per week;
- h. deelbetrekking: een betrekking met een arbeidstijd van gemiddeld minder dan 36 uur per week;
- i. bezoldiging: het loon van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de aspirant en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken met inachtneming van de bepalingen bij of krachtens het Bezoldigingsbesluit 1998 BES vastgesteld;
- j. bezoldigingsschaal: een als zodanig bij ministeriële regeling vastgestelde, van een volgnummer voorziene reeks van bedragen;
- k. bezoldigingstrede: elk afzonderlijk binnen een bezoldigingsschaal opgenomen bezoldigingsbedrag;
- l. detachering: een tijdelijke tewerkstelling elders dan bij het korps waar de ambtenaar van politie is geplaatst;
- m. plaats van tewerkstelling: het gebouw, het gebouwencomplex, het terrein of het vaartuig dat de ambtenaar van politie voor de normale uitoefening van zijn functie is aangewezen, en bij gebrek aan een dergelijke aanwijzing,het gebouw, het gebouwencomplex, het terrein of het vaartuig waar hij gewoonlijk zijn functie uitoefent;
- n. werkgebied: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- o. functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar in zijn ambt te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door Onze Minister uitdrukkelijk of impliciet is opgedragen;
- p. maximum-bezoldiging: het bedrag behorende bij de hoogste bezoldigingstrede van een bezoldigingsschaal, waarvan de volgnummeraanduiding uitsluitend uit een getal bestaat;
- q. levensfaseverlof: levensfaseverlof, bedoeld in artikel 37d;
- r. Sectorale Overlegcommissie BES: de Sectorale Overlegcommissie Bonaire, Sint Eustatius en Saba, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit overlegstelsel BES.
In dit besluit wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven levenspartner met wie de overleden niet gehuwde ambtenaar een gemeenschappelijke huishouding voerde. Slechts één persoon kan als levenspartner worden aangemerkt.
Hoofdstuk II. Aanstelling, beoordeling en bezoldiging
§ 1. Algemeen
Artikel 2
De hoofdstukken II en III van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie, met dien verstande, dat het bepaalde bij of krachtens artikel 10 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES inzake bevordering wel van toepassing is op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie.
§ 2. Rangen
Artikel 3
Voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar, bedoeld in artikel 5, eerste lid, eerste volzin, gelden de volgende hoofdrangen:
- a. hoofdcommissaris;
- b. commissaris;
- c. hoofdinspecteur;
- d. inspecteur;
- e. hoofdagent;
- f. brigadier;
- g. agent;
- h. aspirant.
Een in het eerste lid eerder genoemde hoofdrang is hoger dan een later genoemde hoofdrang.
De volgende hoofdrangen zijn verbonden aan de volgende functies:
- a. [Vervallen]
- b. aspirant voor degene die is aangesteld om de opleiding tot agent of inspecteur te volgen, bezoldigingsschaal 4;
- c. agent voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 5 en 6;
- d. brigadier voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 7;
- e. hoofdagent voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 8;
- f. inspecteur voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 9, 10 en 11;
- g. hoofdinspecteur voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 12, 13 en 14;
- h. hoofdcommissaris en commissaris voor functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 15, 16 en 17.
Hij die is aangesteld als aspirant, heeft voor de duur dat hij praktijkstage volgt de hoofdrang die verbonden is aan de functie die hij tijdens die stage uitoefent.
Onze Minister kan om redenen van dienstbelang functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 12, 13 of 14, aanwijzen waaraan, in afwijking van het bepaalde in het derde lid, onder g en h, de hoofdrang van commissaris is verbonden.
In afwijking van het derde lid, onderdeel d, is de hoofdrang van brigadier voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die krachtens artikel 15, vijfde lid, is bekleed met deze rang, verbonden aan functies die zijn gewaardeerd op bezoldigingsschaal 6 en 7.
Artikel 3a
Voor de vrijwillige ambtenaar van politie gelden de volgende hoofdrangen:
- a. aspirant voor degene die is aangesteld als vrijwillige ambtenaar in opleiding;
- b. agent voor de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die is belast met de werkzaamheden, bedoeld in artikel 74h, eerste en tweede lid;
- c. agent, brigadier, hoofdagent, inspecteur, hoofdsinspecteur of commissaris, voor de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die is belast met de werkzaamheden, bedoeld in artikel 74i.
§ 3. Aanstellingseisen
Artikel 4
Aanstelling van de ambtenaar van politie geschiedt in tijdelijke of vaste dienst.
Aanstelling van de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie, in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.
Aanstelling van de vrijwillige ambtenaar van politie in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde tijd.
Artikel 5
De aanstelling van de aspirant geschiedt in tijdelijke dienst voor de duur dat de basisopleiding wordt gevolgd. De aanstelling van de vrijwillige ambtenaar in opleiding geschiedt in tijdelijke dienst voor de tijd dat de opleiding tot vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak wordt gevolgd
Na het voltooien van de basisopleiding respectievelijk de opleiding van de vrijwillig ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak vindt aanstelling in tijdelijke dienst plaats als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak onderscheidenlijk als vrijwillig ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak voor een proeftijd van zes maanden, zonodig in bijzondere gevallen op verzoek van betrokkene met zes maanden te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met het deel van de proeftijd dat hij niet in actieve dienst was.
[Vervallen].
[vervallen].
De ambtenaar van politie, bedoeld in het tweede lid, die de proeftijd volgens Onze Minister zonder bedenkingen heeft voltooid, wordt in vaste dienst aangesteld.
In afwijking van het vijfde lid kan de aanstelling van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die de proeftijd zonder bedenkingen heeft voltooid, in tijdelijke dienst plaatsvinden:
- a. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar van politie;
- b. ter uitvoering van werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter.
Zodra de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het zesde lid, zich niet meer voordoet vindt zo mogelijk aanstelling in vaste dienst plaats.
De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het zesde lid, onder a, kan niet langer duren dan vijf jaren.
In het geval, bedoeld in het zesde lid, onder b, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet wanneer betrokkene twee jaar, zonder onderbreking van langer dan een maand, in politiedienst werkzaam is, waarvan laatstelijk ten minste één jaar in zijn huidige functie.
Het negende lid geldt niet in die gevallen waarin vaststaat dat de werkzaamheden in de door betrokkene uitgeoefende functie binnen een jaar worden beëindigd.
Artikel 6
De aanstelling van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, kan in tijdelijke dienst voor bepaalde duur plaatsvinden:
- a. voor een proeftijd van één jaar, zonodig in bijzondere gevallen op verzoek van betrokkene met één jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met het deel van de proeftijd dat hij niet in actieve dienst was;
- b. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar van politie;
- c. ter uitvoering van werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter;
- d. indien betrokkene in dienst wordt genomen als leerling ter opleiding tot een functie binnen de politiedienst dan wel in verband met zijn verdere praktische opleiding of vorming;
- e. indien een wijziging in de taak van betrokkene of het politiedienst-onderdeel is voorgenomen.
Zodra de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, zich niet meer voordoet vindt zo mogelijk aanstelling in vaste dienst plaats.
De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan niet langer duren dan vijf jaren.
In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder c en e, wordt in ieder geval aangenomen dat de omstandigheid die leidde tot de aanstelling in tijdelijke dienst, zich niet meer voordoet wanneer betrokkene twee jaar zonder onderbreking van langer dan een maand in politiedienst werkzaam is, waarvan laatstelijk ten minste één jaar in zijn huidige functie.
Het vierde lid geldt niet in die gevallen waarin vaststaat dat de werkzaamheden in de door betrokkene uitgeoefende functie binnen een jaar worden beëindigd.
Artikel 7
Aanstelling of plaatsing in een functie vindt niet plaats van personen die op het tijdstip waarop de door Onze Minister voor die functie vastgestelde leeftijdsgrens, anders dan die genoemd in artikel 118, wordt bereikt, niet ten minste een ononderbroken diensttijd van drie jaren doorgebracht kunnen hebben in een dergelijke functie.
Artikel 8
Voor een aanstelling als aspirant komt uitsluitend in aanmerking degene die:
- a. de Nederlandse nationaliteit bezit;
- b. voldoet aan de eisen betreffende het geneeskundig en psychologisch onderzoek;
- c. ten minste de leeftijd van 17 jaar heeft;
- d. voldoet aan de eisen met betrekking tot het opleidingsniveau;
- e. op het moment van zijn aanstelling in het bezit is van het rijbewijs B of dit binnen twee jaar na zijn aanstelling behaalt.
- f. voldoet aan de bij het geschiktheidsonderzoek gestelde eisen.
Voor een aanstelling als vrijwillige ambtenaar in opleiding aangesteld voor de uitvoering van de politietaak komt uitsluitend in aanmerking degene die voldoet aan het gestelde in het eerste lid, a tot en met d en f.
Artikel 8a
Voor een aanstelling als ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak komt uitsluitend in aanmerking degene die:
- a. de Nederlandse nationaliteit bezit;
- b. ten minste de leeftijd van 18 jaar heeft;
- c. voldoet aan de eisen met betrekking tot het opleidingsniveau;
- d. voldoet aan de eisen betreffende het geneeskundig en psychologisch onderzoek.
Artikel 8b
Voor de aanstelling als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie komt in aanmerking degene die:
- a. de Nederlandse nationaliteit bezit;
- b. ten minste de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
- c. voldoet aan de gestelde eisen met betrekking tot het opleidingsniveau;
- d. voldoet aan de eisen betreffende het geneeskundig onderzoek;
- e. voldoet aan de eisen betreffende het psychologisch onderzoek, indien daaraan naar het oordeel van Onze Minister behoefte bestaat;
- f. voldoet aan de overige door Onze Minister te stellen eisen die specifiek gerelateerd zijn aan de te vervullen functie binnen het politiekorps.
Artikel 8c
Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, aanhef, en tweede lid, 8a en 8b in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan Onze Minister de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zo nodig aanvullen.
Artikel 8d
Voor toelating tot de onderwijstrajecten op kwalificatieniveau VSBO/MBO komt in aanmerking degene die in het bezit is van:
- a. een LBO-diploma;
- b. een MAVO-diploma;
- c. een VSBO-diploma praktisch basisgerichte leerweg;
- d. een VSBO-diploma theoretisch kadergerichte leerweg;
- e. een VSBO-diploma, praktisch kadergerichte leerweg, of
- f. een getuigschrift van een onderwijsinstelling waaruit blijkt dat de eerste drie jaren van een HAVO of VWO-opleiding met goed gevolg zijn afgelegd.
Voor toelating tot een onderwijstraject op kwalificatieniveau HBO komt in aanmerking degene die in het bezit is van:
- a. een HAVO-diploma, of
- b. een diploma politiemedewerker op het kwalificatieniveau VSBO/MBO.
Voor toelating tot een onderwijstraject op kwalificatieniveau WO komt in aanmerking degene die in het bezit is van:
- a. een VWO-diploma;
- b. een bewijsstuk dat op grond van een voor Nederland, Curaçao of Sint Maarten in werking getreden internationale overeenkomst toelating geeft tot het universitaire onderwijs, of
- c. in het bezit is van een diploma politiekundige bachelor op het kwalificatieniveau HBO.
Met een diploma, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, wordt voor de toepassing van deze leden gelijkgesteld een diploma vergezeld met een verklaring van de daartoe bevoegde autoriteit waarin staat dat het wordt gelijkgesteld met een diploma, genoemd in deze leden. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, onder f.
Artikel 8e
Kandidaten die niet voldoen aan de in artikel 8d gestelde eisen, kunnen een door Onze Minister goedgekeurde toelatingstoets afleggen.
Indien de toets met goed gevolg wordt afgelegd, komt de kandidaat alsnog in aanmerking voor toelating tot één van de initiële opleidingen.
Artikel 8f
De kandidaat-aspirant en de kandidaat-vrijwillige ambtenaar in opleiding wordt onderworpen aan een geschiktheidsonderzoek, bestaande uit achtereenvolgens:
- a. een taalvaardigheidsonderzoek;
- b. een cognitief capaciteitenonderzoek;
- c. een psychologisch onderzoek;
- d. een fysiek motorisch onderzoek.
De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, worden afgenomen door een door Onze Minister aangewezen instantie belast met de werving en selectie van politie met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister te bepalen regels.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek, genoemd in het eerste lid.
De in het tweede lid bedoelde instantie rapporteert aan Onze Minister naar aanleiding van de uitkomsten.
De kosten van het geschiktheidsonderzoek worden gedragen door Onze Minister.
Het taalvaardigheidsonderzoek wordt niet afgenomen bij de betrokkene die, indien tot aanstelling zou worden overgegaan, de initiële opleiding gaat volgen op het kwalificatieniveau 5 of 6, bedoeld in artikel 8d.
Artikel 8g
De uitkomst van het geschiktheidsonderzoek, bedoeld in artikel 8f, eerste lid, wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk na het voltooien van het geschiktheidsonderzoek schriftelijk meegedeeld.
De betrokkene kan een gesprek aanvragen met de psycholoog onder wiens verantwoordelijkheid het desbetreffende onderzoek is afgenomen. Binnen twee weken na deze aanvraag vindt dit gesprek plaats.
De betrokkene van wie de uitslag van het fysiek motorisch onderzoek onvoldoende is, kan binnen twee weken nadat hem deze uitslag is meegedeeld een tweede fysieke motorisch onderzoek aanvragen. Binnen drie maanden na deze aanvraag vindt het tweede fysieke motorisch onderzoek plaats.
De kosten van het gesprek, bedoeld in het tweede lid, en van het tweede onderzoek, bedoeld in het derde lid, komen ten laste van Onze Minister.
Artikel 8h
Niet tot aanstelling bij een politiekorps kan worden overgegaan indien:
- a. de betrokkene die aan het taalvaardigheidsonderzoek is onderworpen de bij regeling van Onze Minister te bepalen minimumnorm niet heeft behaald;
- b. de betrokkene niet het bij regeling van Onze minister te bepalen minimale vereiste niveau op een of meer van de stabiele persoonlijkheidseigenschappen heeft behaald;
- c. de betrokkene voor het fysiek motorisch onderzoek niet voldoet aan de bij regeling van Onze Minister te bepalen minimale vereisten; of
- d. de betrokkene niet voldoet aan de bij regeling van Onze Minister gestelde eisen met betrekking tot de onderdelen van de onderzoeken waar sprake is van een open normering.
Artikel 8i
Nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de betrokkene hebben plaatsgevonden en Onze Minister op grond daarvan voornemens is de betrokkene aan te stellen, wordt de betrokkene onderworpen aan een geneeskundig onderzoek.
Het geneeskundig onderzoek kan steeds worden verricht voorafgaand aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8l of artikel 8o.
Het geneeskundig onderzoek geschiedt door een door Onze Minister aangewezen geneeskundige, niet zijnde de behandelend arts van de betrokkene, met inachtneming van de nader bij regeling van Onze minister te bepalen richtlijnen.
De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk medegedeeld.
De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van Onze Minister.
Artikel 8j
Indien aan het geneeskundig onderzoek voor de betrokkene een negatieve gevolgtrekking dan wel een positieve gevolgtrekking onder bepaalde bedenkingen wordt verbonden, heeft betrokkene recht op een herkeuring aan de hand van de richtlijnen, bedoeld in artikel 8i, derde lid. De betrokkene maakt zijn wens daartoe met redenen omkleed aan Onze Minister kenbaar binnen twee weken nadat de genoemde gevolgtrekking aan hem is meegedeeld.
In geval van herkeuring wordt de door Onze Minister te nemen beslissing uitgesteld totdat de uitslag van de herkeuring aan Onze Minister is meegedeeld.
De herkeuring geschiedt door een commissie van drie geneeskundigen.
Onze Minister en de betrokkene wijzen elk een geneeskundige aan voor de commissie. Deze geneeskundigen wijzen een derde geneeskundige aan voor de commissie.
De geneeskundige die het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 8i, eerste lid, heeft verricht en de behandelend arts van de betrokkene maken geen deel uit van de commissie.
De kosten van de herkeuring komen ten laste van Onze Minister. Onze Minister kan van de betrokkene een redelijke bijdrage verlangen.
Artikel 8k
De betrokkene die op grond van artikel 8, eerste lid, onder g, of tweede lid, artikel 8a, onder d, of artikel 8b, onder d, is onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie.
Artikel 8l
Aanstelling als ambtenaar van politie is slechts mogelijk, indien op grond van een ten aanzien van de betrokkene door Onze Minister ingesteld onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid geen bezwaar lijkt te bestaan tegen diens aanstelling.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, omvat het inwinnen van justitiële documentatie en politiegegevens van betrokkene.
Het tweede lid is niet van toepassing indien het betreft:
- a. een aanstelling in een functie waarin technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie worden uitgevoerd, en Onze Minister heeft bepaald dat voor de functie slechts een verklaring omtrent het gedrag is vereist;
- b. een vertrouwensfunctie.
De kosten voor de verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, onder a, komen ten laste van de staat.
Een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid wordt ingesteld nadat Onze Minister de betrokkene overigens bekwaam en geschikt acht.
Artikel 8m
Indien naar het oordeel van Onze Minister de aard van de functie of van de werkzaamheden hiertoe aanleiding geeft, kan ten aanzien van de ambtenaar in de volgende gevallen opnieuw een onderzoek als bedoeld in artikel 8l, eerste lid, worden uitgevoerd:
- a. bij wijziging van werkzaamheden;
- b. bij aanstelling in een andere functie;
- c. bij de vervulling van een functie gedurende ten minste vijf dienstjaren; of
- d. bij een redelijk vermoeden van ernstig plichtsverzuim dat de integriteit of de verantwoordelijkheid van de betrokkene raakt.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het betreft een vertrouwensfunctie of een functie waarvan Onze Minister heeft bepaald dat slechts een verklaring omtrent het gedrag is vereist.
Onze Minister kan ten aanzien van functies als bedoeld in artikel 8l, derde lid, onder a, bepalen dat elke vijf jaar door de ambtenaar een verklaring omtrent het gedrag wordt overgelegd. Een functie wordt alleen aangewezen indien die kwetsbaar is voor integriteitsinbreuken.
De kosten voor de verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het derde lid, komen ten laste van de staat.
Artikel 8n
Onze Minister is verantwoordelijk voor de goede uitvoering van het onderzoek, bedoeld in artikel 8l, eerste lid.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de artikelen 8l en 8m. Deze nadere regels bevatten in ieder geval waarborgen omtrent een voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.
Artikel 8o
Aanstelling, plaatsing, of detachering in een vertrouwensfunctie, is slechts mogelijk, indien ten aanzien van de betrokkene op basis van een veiligheidsonderzoek door Onze Minister een verklaring is afgegeven dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van de vertrouwensfunctie.
Onze Minister belast de betrokkene eerst met de vervulling van een vertrouwensfunctie, nadat ten aanzien van die betrokkene een verklaring als bedoeld in het eerste lid is afgegeven.
Artikel 8p
Onze Minister meldt een ambtenaar die belast is met de vervulling van een functie die nadien als vertrouwensfunctie is aangewezen, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van het aanwijzingsbesluit aan bij het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
De in het eerste lid bedoelde aanmelding geschiedt slechts met schriftelijke instemming van de betrokken ambtenaar. Onze Minister licht de betrokkene in over de betekenis en de rechtsgevolgen van deze aanmelding.
Indien de in het tweede lid bedoelde instemming is geweigerd of indien ten aanzien van de ambtenaar een verklaring als bedoeld in artikel 8o, eerste lid, is geweigerd, ontheft Onze Minister de ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken, uit de functie.
Artikel 8q
Onze Minister draagt er zorg voor dat na het verstrijken van een termijn van vijf jaar of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 8o, eerste lid of indien blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, opnieuw een veiligheidsonderzoek wordt ingesteld. Voor het instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek is de instemming van de ambtenaar niet vereist.
Indien een verklaring als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken, ontheft Onze Minister de betrokken ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na de intrekking van voornoemde verklaring, uit de vertrouwensfunctie.
Artikel 8r
De artikelen 8o, 8p en 8q zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die door middel van de gemeenschappelijke voorziening politie beschikbaar wordt gesteld aan het politiekorps, met dien verstande dat onder «Onze Minister» wordt gelezen «Onze Minister in overeenstemming met de directeur van de gemeenschappelijke voorziening politie.»
§ 3a. Kroonbenoemingen
Artikel 8s
Bij koninklijk besluit worden benoemd, bevorderd, geschorst en ontslagen de plaatsvervangend korpschef van het politiekorps, alsmede de overige ambtenaren die behoren tot de leiding van het politiekorps en die een functie vervullen die ten minste wordt gewaardeerd overeenkomstig schaal 15.
De voordracht van het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, gehoord de procureur-generaal.
§ 3b. Beëdiging en akte van aanstelling
Artikel 9
[Vervallen]
Artikel 10
Voor de aanvaarding van zijn ambt legt de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af:
«Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke vorm dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking te doen of te laten, van niemand, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aannemen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!».
Daarna wordt door de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak de volgende eed of belofte afgelegd:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten van ons land.
Ik zweer (beloof) dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de aan mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.
Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!»
Voor de aanvaarding van zijn ambt, legt de ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie de volgende eed dan wel verklaring en belofte van zuivering af:
«Ik zweer (verklaar) dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke vorm dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking te doen of te laten, van niemand, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aannemen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!»
Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed of belofte afgelegd:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten van ons land.
Ik zweer (beloof) dat ik de aan mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben.
Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!»
De ambtenaar van politie legt de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van Onze Minister of de door deze daartoe aangewezen persoon.
Artikel 11
Aan de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie voor wat betreft onderdeel f, wordt, zo mogelijk voor de aanvaarding van zijn ambt, maar in ieder geval binnen een maand na aanvang van zijn werkzaamheden, door Onze Minister een akte van aanstelling uitgereikt waarin in elk geval worden vermeld:
- a. de naam, voornamen en geboortedatum;
- b. of de aanstelling geschiedt in tijdelijke of vaste dienst al dan niet met een proeftijd en de duur van de eventuele proeftijd, waarbij, indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, wordt vermeld of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en zo ja voor hoe lang, dan wel voor onbepaalde tijd en de toepasselijke aanstellingsgrond;
- c. de functie waarin hij wordt geplaatst;
- d. de plaats van tewerkstelling;
- e. de datum van ingang van de aanstelling;
- f. de bezoldigingsschaal en de bezoldigingstrede die zijn toegekend.
Wijziging van de gegevens, genoemd in het eerste lid, wordt de ambtenaar van politie binnen twee maanden schriftelijk door Onze Minister meegedeeld, behoudens wijziging van een regeling waarnaar is verwezen.
Artikel 12
De ambtenaar van politie wordt bij zijn aanstelling schriftelijk door Onze Minister op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.
Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, en andere voor hem geldende regelingen en schriftelijke instructies die hij bij de uitoefening van zijn functie moet naleven, worden op een voor de ambtenaar van politie gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd.
Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar van politie zo spoedig mogelijk schriftelijk door Onze Minister op de hoogte gesteld.
§ 3c. Opleidingen en opleidingseisen
Artikel 12a
Bij regeling van Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister van Justitie, worden regels gesteld over de competentiegerichte eindtermen voor het onderwijs voor de ambtenaren van politie op de kwalificatieniveaus:
- a. VSBO/MBO;
- b. HBO, en
- c. WO.
Met inachtneming van de regels, bedoeld in het eerste lid, wijst Onze Minister, en voor zover het opleidingen betreft op het terrein van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde dan wel de taken ten dienste van de justitie Onze Minister van Justitie, de initiële en postinitiële opleidingen voor de ambtenaren van politie aan.
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de instantie die is belast met:
- a. het ontwikkelen en de verzorging van de opleidingen, bedoeld in het tweede lid, en
- b. het examineren van de studenten die opleidingen, bedoeld in het tweede lid, hebben gevolgd.
In de regeling, bedoeld in het derde lid, kunnen regels worden gesteld over:
- a. het ondersteunen van de werving en het uitvoeren van de selectie van de studenten voor de initiële opleidingen;
- b. het overdragen van kennis aan de politie en het bijdragen aan de ontwikkeling van de uitoefening van de politietaak waarop het onderwijs is gericht, onder meer door het verrichten van onderzoek;
- c. het ontwikkelen of het verzorgen van andere dan in het derde lid, onder a, bedoelde opleidingen van een door Onze Minister of Onze Minister van Justitie na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat aan te wijzen categorie van personen, en
- d. andere werkzaamheden die door de instantie kunnen worden uitgevoerd, mits die werkzaamheden:
- 1°. samenhangen met de in het derde of vierde lid bedoelde taken;
- 2°. niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten, en
- 3°. tegen ten minste kostendekkende prijzen worden verricht.
§ 4. Bezoldiging, vergoedingen en toelagen
Artikel 13
Op de vrijwillige ambtenaar van politie zijn van hoofdstuk IV van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES uitsluitend de artikelen 27, 29 en 30 van toepassing.
De artikelen 14 tot en met 23 van dit besluit zijn niet van toepassing op de vrijwillige ambtenaar van politie.
Artikel 14
De bezoldiging en een met die bezoldiging verbonden vergoeding of toelage worden maandelijks of tegen het einde van de kalendermaand waarop de betaling betrekking heeft, betaald door de staat.
Wanneer de bezoldiging en een met die bezoldiging verbonden vergoeding of toelage moet worden uitbetaald over een gedeelte van een kalendermaand, wordt het te betalen bedrag berekend door het voor een maand vastgestelde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal dagen gedurende welke de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de aspirant, in dienst zijn geweest en het product te delen door dertig.
Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de aspirant betaalt Onze Minister aan de weduwe of weduwnaar een som uit gelijk aan driemaal het bedrag van de inkomsten per maand, op het tijdstip van het overlijden van betrokkene.
Indien de overleden ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de aspirant niet in actieve dienst is, wordt een som uitbetaald gelijk aan driemaal hetgeen hij als inkomsten per maand zou hebben ontvangen, indien hij op de eerste van maand van het overlijden in actieve dienst was geweest.
Indien de overleden ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de aspirant geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen worden in dit lid verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt in dit lid verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van een kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook kinderen, dan geschiedt de betaling van de vakantie-uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de overledene. Laat de overledene ook geen betrekkingen na als bedoeld in de vorige volzin, dan wordt de vakantie-uitkering geheel of ten dele aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, voor zover de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Artikel 15
Bij de indiensttreding of de overgang naar een andere functie wordt de bezoldigingsschaal bepaald met inachtneming van de aard en het niveau van de functie waarmede de betrokken ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de aspirant wordt belast.
Van het eerste lid kan worden afgeweken, indien het niet voldoen aan de opleidingseisen of gebrek aan ervaring met betrekking tot de arbeid die betrokkene in de functie moet verrichten, de verwachting aannemelijk maakt dat zijn wijze van functioneren zich tegen de toepassing van dat artikellid vooralsnog verzet. In dat geval kan de bezoldigingsschaal bepaald worden en gedurende een tijdvak van ten hoogste drie jaren bepaald blijven op ten hoogste twee volgnummers beneden de schaal die met toepassing van het eerste lid in aanmerking zou komen. Indien het functioneren van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, aan het einde van het genoemde tijdvak de toepassing van het eerste lid nog niet toelaat, wordt hij geplaatst in een functie waarvan de aard en het niveau in overeenstemming is met de schaal volgens welke hij bezoldigd wordt, of wordt hem ontslag aangezegd.
Aard en niveau van de functie worden bepaald aan de hand van functiebeschrijvingen en functieniveau-karakteristieken, welke deel uitmaken van een bij ministeriële regeling vast te stellen functiewaarderingssysteem.
Anders dan bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in hoofdstuk IX, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, geen bezoldigingsschaal worden vastgesteld die een lagere maximum-bezoldiging bevat dan die welke in de voordien voor hem geldende bezoldigingsschaal aangegeven is.
De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die tot 10 oktober 2010 in dienst was bij het Korps Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba met als plaats van tewerkstelling Sint Eustatius of Saba of bij het Korps Bonaire, bekleed is met de rang van agent en een functie vervult die is gewaardeerd op bezoldigingsschaal 6, wordt bevorderd tot de rang van brigadier.
Artikel 16
Vervallen
Artikel 17
Indien de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, anders dan bij wijze van disciplinaire straf, bedoeld in hoofdstuk IX, wordt belast met een andere functie, als gevolg waarvan zijn bezoldiging op grond van de overige bepalingen van dit besluit een verlaging zou moeten ondergaan, zonder dat de bekleding met die andere functie bij wijze van waarneming, bedoeld in artikel 22, geschiedt of zonder dat ontslag voorafgegaan is, blijft deze verlaging achterwege.
Artikel 18
De bezoldiging van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak wordt jaarlijks verhoogd tot het in de schaal naast-hogere bedrag, indien hij zijn functie naar het oordeel van zijn leidinggevende naar behoren vervult.
Het loon van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, kan worden verhoogd tot het bedrag dat behoort bij de eerste bezoldigingstrede volgend op de naasthogere bezoldigingstrede in de schaal, indien hij naar het oordeel van Onze Minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling, bedoeld in artikel 25, zijn functie zeer goed of uitstekend verricht.
Vervult de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, zijn functie naar het oordeel van Onze Minister, dat is neergelegd in een formele beoordeling als bedoeld in artikel 25 niet naar behoren, dan blijft verhoging van het loon achterwege.
De in het eerste en tweede lid bedoelde verhogingen van de bezoldiging worden toegekend zolang de ambtenaar de maximum bezoldiging van de voor hem geldende bezoldigingsschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van de maand, waarin sinds zijn aanstelling of sinds zijn overgang naar een functie waaraan een hogere bezoldiging is verbonden een jaar is verstreken, en nadien telkens na één jaar.
Artikel 19
Artikel 18 is van overeenkomstige toepassing op de aspirant, met dien verstande dat aan een verhoging, bedoeld in het eerste of derde lid, geen formele beoordeling als bedoeld in artikel 25, ten grondslag behoeft te liggen.
Artikel 20
De bezoldiging van de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een deelbetrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van de bezoldiging bij een volledige betrekking.
Artikel 21
Ingeval de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bevorderd wordt naar een functie waaraan een bezoldigingsschaal is verbonden die een hogere maximum-bezoldiging bevat dan die welke voorkomt in de schaal volgens welke hij tot dusver is bezoldigd, wordt hem de bezoldigingstrede in de nieuwe schaal toegekend waarvan het bedrag minstens even hoog is als het procentuele verschil tussen twee bezoldigingstreden in de oude schaal.
Artikel 22
Indien de taakuitvoering continuïteit in de uitoefening van een functie veronderstelt en geen andere ambtenaar van politie voor de uitvoering van die taak is aangesteld, die deze geheel of gedeeltelijk kan waarnemen, dan wel indien het dienstbelang zulks vordert, wordt de daarvoor in aanmerking komende ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, door Onze Minister met de tijdelijke waarneming van die functie belast, al dan niet met ontheffing uit zijn eigenlijke functie.
De ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die overeenkomstig het eerste lid is belast met de tijdelijke waarneming van een functie, die in belangrijkheid en verantwoordelijkheid aanmerkelijk uitgaat boven de eigenlijke functie van deze ambtenaar, heeft over de tijd van de waarneming aanspraak op toekenning door Onze Minister van een toelage boven zijn eigen bezoldiging ten bedrage van het verschil tussen de bezoldiging, welke hij zou genieten, ware hij definitief benoemd in de functie die hij waarneemt, en zijn eigen bezoldiging, indien de waarneming:
- a. 30 dagen of langer onafgebroken heeft geduurd;
- b. in een tijdvak van zes maanden in totaal gedurende 30 dagen of langer heeft geduurd;
- c. in een tijdvak van twaalf maanden in totaal 60 dagen of langer heeft geduurd.
Tijdens de waarneming worden de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de hem in zijn eigenlijke functie toekomende bezoldigingstreden toegekend, onder verrekening van de in het tweede lid bedoelde toelage, terwijl deze toelage opnieuw wordt bepaald, telkens wanneer hij in de functie die hij waarneemt, aanspraak zou hebben verkregen op een verhoging van bezoldiging, ware hij definitief in dat ambt aangesteld.
Indien uit de waarneming, bedoeld in het eerste lid, voor de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, als zodanig direct aanwijsbare en op geld waardeerbare schade voortvloeit, wordt hem de geleden schade door Onze Minister vergoed.
Artikel 23
Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die een functie bekleedt in de rang van aspirant, agent, brigadier of hoofdagent en die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijk arbeid wordt opgedragen buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster, wordt een beloning toegekend op de in artikel 25, derde tot en met zevende lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES bepaalde voet.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt een gewerkte tijd van dertig minuten of meer, doch korter dan een uur, als een vol uur aangemerkt.
Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die een functie bekleedt in de rang van inspecteur of hoger en die uit hoofde van zijn functie onvermijdelijke arbeid wordt opgedragen buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster, wordt een vergoeding in vrije tijd toegekend berekend naar de gemaakte uren en overuren en bepaald op:
- a. 100 procent, indien het een dienstuitoefening betreft wegens verschuiving van dienst binnen twee maal 24 uur van de oorspronkelijk voorgeschreven dienst;
- b. 150 procent, indien het een dienstuitoefening betreft op week- en zaterdagen, en
- c. 200 procent, indien het een dienstuitoefening betreft op roostervrije- zon- en feestdagen of arbeid opgedragen buiten het voor hem ingevolge artikel 26 vastgestelde dienstrooster in verband met buitengewone omstandigheden of calamiteiten.
De vergoeding in vrije tijd als bedoeld in het derde lid wordt genoten in dezelfde kalendermaand waarin de arbeid werd opgedragen dan wel in de daarop volgende kalendermaand.
Indien geen vrije tijd als bedoeld in het derde lid kan worden toegekend, ontvangt de ambtenaar een vergoeding overeenkomende met zijn uurloon voor arbeid opgedragen ingevolge het dienstrooster.
Artikel 23a
Aan de ambtenaar van politie die op 1 januari 2025 in dienst was, wordt een eenmalige uitkering verleend ter hoogte van USD 500 netto.
Aan de ambtenaar van politie die op 1 augustus 2025 in dienst is, wordt een eenmalige uitkering verleend ter hoogte van USD 500 netto.
Aan de ambtenaar van politie die op 1 januari 2026 in dienst is, wordt een eenmalige uitkering verleend ter hoogte van USD 500 netto.
Aan de ambtenaar van politie die op 1 augustus 2026 in dienst is, wordt een eenmalige uitkering verleend ter hoogte van USD 500 netto.
Artikel 23b
De vrijwillige ambtenaar in opleiding en de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitoefening van de politietaak die in opdracht van Onze Minister een voor zijn functie relevante cursus volgt dan wel deelneemt aan een oefening of in opdracht van Onze Minister werkelijke dienst verricht, ontvangen een bij ministeriële regeling vastgestelde vergoeding.
§ 5. Functioneringsgesprek en beoordeling
Artikel 24
Vervallen
Artikel 25
Met inachtneming van de door Onze Minister vastgestelde regels wordt de ambtenaar van politie die een verzoek daartoe indient dan wel ten aanzien van wie dit door Onze Minister nodig wordt geoordeeld, beoordeeld over de wijze waarop hij zijn functie uitoefent en over zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie.
Aan het verzoek van de ambtenaar van politie om overeenkomstig het eerste lid te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van zes maanden sedert de vaststelling van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling.
Er worden toekomstverwachtingen gemaakt over de ambtenaar van politie die in beschouwing wordt genomen voor een naar verwachting binnen afzienbare tijd vrijkomende hogere functie bij het korps.
Ook kunnen toekomstverwachtingen worden opgemaakt over een ambtenaar van politie die in de nabije toekomst om plaatsing op een andere niet hogere functie binnen het korps vraagt, mits de mogelijkheid tot een dergelijke plaatsing reëel aanwezig is en het hoofd van dienst instemt met de wens van betrokkene, of ten aanzien van wie een dergelijke plaatsing door Onze Minister wenselijk wordt geacht.
Onder toekomstverwachtingen wordt in dit artikel verstaan: een systematische bezinning op de behoefte en potentiële capaciteiten van de ambtenaar van politie, bekeken in het kader van de mogelijkheden binnen het korps, waar hij is geplaatst, welke bezinning uitmondt in concrete afspraken alsmede in het daarop tijdig ondernemen van actie.
De ambtenaar van politie wordt van de inhoud van de over hem opgemaakte beoordeling, bedoeld in het eerste lid, en van de over hem opgemaakte toekomstverwachtingen, bedoeld in de derde tot en met vijfde lid, zo spoedig mogelijk in kennis gesteld nadat deze door Onze Minister bekrachtigd zijn. Hij ontvangt een afschrift daarvan. Hij ondertekent het document voor kennisgeving van de inhoud en ontvangst ervan.
De ambtenaar van politie kan binnen zes weken na ontvangst van het document bij Onze Minister een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen tegen een voor hem opgemaakte beoordeling of toekomstverwachtingen en vragen om een heroverweging. De heroverweging geschiedt zo spoedig mogelijk.
Dit artikel is niet van toepassing op de aspirant.
Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.
Hoofdstuk III. Arbeids- en rusttijden
Artikel 26
Het bevoegd gezag stelt de werktijden vast voor de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.
Artikel 27
De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, die daartoe de wens te kennen geeft, kan in deeltijd gaan werken tenzij daar naar het oordeel van Onze Minister ernstige bezwaren voor de bedrijfsvoering uit voortvloeien.
Hoofdstuk IV. Vakantie
§ 1. Algemeen
Artikel 28
Het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES is niet van toepassing op de ambtenaar van politie.
§ 2. De aspirant
Artikel 29
Aan de aspirant wordt door Onze Minister vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van deze paragraaf.
De vakantie wordt als volgt verleend:
- a. vier aaneengesloten werkdagen onmiddellijk aansluitend aan de tweede Paasdag;
- b. een aaneengesloten periode vallend in het tijdvak waarin voor inrichtingen waar van overheidswege openbaar onderwijs wordt gegeven, de zomervakantie is of zal worden vastgesteld;
- c. vijf werkdagen rond Kerstmis en Nieuwjaarsdag.
Door Onze Minister worden elk jaar in de maand januari de vakantieperiodes vastgesteld met inachtneming van het tweede lid.
Wegens dringende reden van dienstbelang kan door Onze Minister worden bepaald dat de vakantie over een of meer periodes bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk niet wordt genoten dan wel wordt ingetrokken.
Een vakantie die of een gedeelte van een vakantie dat ingevolge het vierde lid niet is genoten dan wel is ingetrokken, wordt zo spoedig mogelijk alsnog verleend nadat de reden die daartoe heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan.
Artikel 30
Indien de aspirant tijdens een verleende vakantie blijkens een geneeskundige verklaring gedurende een of meer werkuren arbeidsongeschikt is geweest, wordt het aantal vakantieuren dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt is geweest, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten en wordt hem vrijstelling van dienst, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder b, verleend.
De aspirant kan de niet genoten vakantieuren bedoeld in het eerste lid, niet opnemen zolang hij geplaatst is op het opleidingsinstituut. De artikelen 41 en 42 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 31
De aspirant die onmiddellijk voorafgaand aan zijn aanstelling als aspirant in dienst van de staat of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius en Saba werkzaam was, anders dan als ambtenaar behorende tot het onderwijzend personeel of als personeelslid van het gesubsidieerde onderwijs, behoudt bij zijn aanstelling op zijn verzoek aanspraak op de vakantie-uren die tijdens zijn vorige dienstverband in het lopende en het voorgaande kalenderjaar waarin zijn aanstelling plaatsvindt, op grond van artikel 5 van het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES zijn ontstaan en nog niet genoten, met dien verstande dat hij de niet-genoten vakantie-uren niet kan opnemen zolang hij geplaatst is op het opleidingsinstituut.
Aan de aspirant kan, ter vervanging van de door hem in zijn vorige overheidsbetrekking niet-genoten vakantie-uren, door Onze Minister een geldelijke vergoeding worden toegekend gelijk aan het bedrag dat hem aan bezoldiging zou zijn uitgekeerd tijdens de vakantie-uren indien deze genoten zouden zijn. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de nagelaten betrekkingen van een overleden aspirant.
§ 3. Overige ambtenaren van politie
Artikel 31a
In afwijking van artikel 1, onder c, wordt in deze paragraaf onder ambtenaar van politie verstaan: ambtenaar van politie, met uitzondering van de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie.
Artikel 32
Aan de ambtenaar van politie wordt, al dan niet op zijn verzoek, in elk kalenderjaar door Onze Minister vakantie met behoud van bezoldiging verleend met inachtneming van deze paragraaf.
Indien naar het oordeel van Onze Minister voor de ambtenaar van politie geldige redenen van verhindering bestaan, wordt de vakantie niet ongevraagd verleend.
Vakantie kan wegens dringende redenen van dienstbelang geheel of gedeeltelijk door Onze Minister worden geweigerd of ingetrokken.
Artikel 33
De ambtenaar van politie heeft per kalenderjaar aanspraak op 182 vakantie-uren.
Aan de ambtenaar van politie die ingevolge het voor hem geldende dienstrooster avond- en/of nachtdienst en dienst op zon- en feestdagen moet verrichten, heeft per kalenderjaar aanspraak op 22 extra vakantie-uren.
Bij de ambtenaar van politie die in onregelmatige ploegendienst werkzaam is, en de ambtenaar van politie, bedoeld in het tweede lid, worden voor elk tijdvak van een week waarin zij vakantie genieten, evenveel vakantie-uren op het hen jaarlijks toekomend aantal vakantie-uren in mindering gebracht als bij de ambtenaar van politie voor wie de werkweek uit vijf werkdagen bestaat.
De ambtenaar van politie die onmiddellijk voorafgaand aan zijn aanstelling als ambtenaar van politie werkzaam was als ambtenaar, waarop hoofdstuk II van het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES van toepassing is, of als ambtenaar van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, anders dan als ambtenaar behorende tot het onderwijzend personeel of als personeelslid van het gesubsidieerde onderwijs, behoudt bij zijn aanstelling op zijn verzoek aanspraak op de door hem niet-genoten vakantie-uren die op grond van artikel 5 van het Besluit vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren BES zijn ontstaan in het lopende en het voorgaande kalenderjaar waarin zijn aanstelling plaatsvindt.
Artikel 34
Bij beëindiging of aanvang van de aanstelling in de loop van een kalenderjaar, wordt de aanspraak op vakantie-uren op grond van artikel 33 vastgesteld naar evenredigheid van de tijd dat de ambtenaar van politie in dat kalenderjaar werkzaamheden heeft verricht of zal verrichten.
Voor de ambtenaar van politie met een deelbetrekking wordt het aantal vakantie-uren, genoemd in artikel 33, eerste lid, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal uren van de voor hem geldende werktijd, en de noemer uit het aantal uren van de voor zijn functie gebruikelijke volledige werktijd.
Indien in de loop van een kalenderjaar wijziging optreedt in de omvang van de voor de ambtenaar van politie geldende werktijd, wordt de aanspraak op het aantal vakantie-uren die gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar ontstaat, opnieuw bepaald, rekening houdend met de nieuwe werktijd. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de werktijd verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd gehandhaafd.
Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.
Artikel 35
Over de periode gedurende welke de ambtenaar van politie in het geheel geen werkzaamheden verricht, met uitzondering van de eerste dertig dagen, heeft hij geen aanspraak op vakantie-uren.
Over de tijd gedurende welke de ambtenaar van politie gedeeltelijk werkzaamheden verricht, heeft hij aanspraak op vakantie-uren naar evenredigheid van het gedeelte van de tijd dat hij werkzaamheden verricht.
Vermindering, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats bij:
- a. verleende vakantie-uren;
- b. levensfaseverlof;
- c. niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar van politie te wijten ziekte of ongeval, voor zover de verhindering tot dienstverrichting korter duurt dan 26 weken dan wel 52 weken in geval van verhindering tot dienstverrichting wegens een dienstongeval;
- d. zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 72;
- e. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefening;
- f. vrijstelling op grond van artikel 45;
- g. buitengewoon verlof van korte duur op grond van de artikelen 48, 50, 51, 52 of 53;
- h. andere redenen op grond waarvan Onze Minister daartoe redenen aanwezig acht.
Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.
Artikel 36
Vervallen
Artikel 37
De ambtenaar van politie is vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor zover het dienstbelang zich daartegen niet verzet.
Onze Minister stelt de ambtenaar van politie ieder jaar in de gelegenheid en die ambtenaar is verplicht ieder jaar ten minste 108 uren vakantie op te nemen, waarvan ten minste 72 uur over een aaneengesloten periode.
Voor de ambtenaar van politie met een deelbetrekking worden de in dit lid genoemde aantallen uren vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het aantal uren van de voor betrokkene geldende werktijd en de noemer uit het aantal uren van 36.
De ambtenaar van politie meldt het voornemen vakantie op te nemen ruimschoots van tevoren op een door Onze Minister te bepalen wijze.
Tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten, is het de ambtenaar toegestaan op het voornemen vakantie op te nemen terug te komen, dan wel het opnemen niet voort te zetten.
Door Onze Minister kan een, zo nodig per politiedienstonderdeel verschillend, minimum aantal aaneengesloten vakantie-uren worden vastgesteld dat op een zelfde dag als vakantie-uren toegekend kan worden. Dit aantal kan niet hoger worden gesteld dan het voor de ambtenaar van politie volgens de voor hem geldende werktijd op een dag vastgestelde aantal werkuren.
De in deze paragraaf bedoelde vakantie kan wegens dringende redenen van dienstbelang door Onze Minister geheel of gedeeltelijk worden geweigerd of ingetrokken.
Artikel 38
Indien de ambtenaar van politie tijdens een verleende vakantie blijkens een geneeskundige verklaring gedurende een of meer werkuren arbeidsongeschikt is geweest, wordt het aantal vakantie-uren dat overeenkomt met het aantal werkuren gedurende welke hij arbeidsongeschikt is geweest, beschouwd niet als vakantie te zijn genoten, en wordt hem vrijstelling, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder b, verleend.
De niet-genoten vakantie-uren, bedoeld in het eerste lid, worden opnieuw verleend met in achtneming van deze paragraaf.
Artikel 39
Indien de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren geheel of gedeeltelijk is geweigerd of ingetrokken, behoudt de ambtenaar van politie zijn aanspraak op de niet-genoten vakantie-uren. Weigering of intrekking van de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren kan tot maximaal 12 maanden uitstel daarvan leiden.
Behalve in het geval dat de aanstelling wegens ontslag eindigt, kan de ambtenaar van politie in een kalenderjaar nooit meer vakantie worden verleend dan tweemaal het hem ingevolge artikel 33 toekomende aantal vakantie-uren.
In geval van intrekking van de toestemming tot het opnemen van vakantie-uren worden de vakantie-uren op een dag waarop de ambtenaar van politie deze uren als gevolg van de intrekking slechts gedeeltelijk heeft genoten, niet als vakantie-uren aangemerkt.
Indien de ambtenaar van politie als gevolg van een intrekking geldelijke schade lijdt, wordt die schade hem vergoed ten laste van de staat.
Artikel 40
Onze Minister kan toestaan, dat een ambtenaar van politie in enig kalenderjaar meer uren vakantie opneemt dan zijn aanspraak tot en met het lopende kalenderjaar bedraagt, met dien verstande, dat de opgenomen vakantie-uren de aanspraak tot en met het lopende jaar nooit met meer dan een derde van het aantal vakantie-uren waarop die ambtenaar op grond van artikel 33 over dat jaar aanspraak heeft, mag overschrijden.
De in een kalenderjaar te veel genoten vakantie-uren wordt in mindering gebracht op de aanspraak op de vakantie-uren waarop betrokkene op grond van artikel 33 aanspraak heeft over het eerstvolgende jaar.
Indien op de dag van zijn ontslag blijkt, dat de ambtenaar te veel vakantie-uren heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantie een bedrag verschuldigd ten bedrage van de bezoldiging per uur.
Het aantal vakantie-uren waarop de ambtenaar van politie na toepassing van dit artikel over een kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.
Artikel 41
Indien de ambtenaar van politie bij zijn overlijden nog niet-genoten vakantie-uren had, daaronder begrepen vakantie-uren die de overledene gespaard had ten behoeve van levensfaseverlof, wordt aan zijn weduwe of weduwnaar zo spoedig mogelijk door Onze Minister een bedrag uitbetaald gelijk aan het bedrag aan bezoldiging dat hem zou zijn uitgekeerd gedurende de vakantie-uren, indien deze zouden zijn genoten. Bij de vaststelling van het aantal uren vindt artikel 35 geen toepassing.
Indien de overleden ambtenaar van politie geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen worden in dit lid verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt in dit lid verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van een kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook kinderen, dan geschiedt de betaling van de vakantie-uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de overledene. Laat de overledene ook geen betrekkingen na als bedoeld in de vorige volzin, dan wordt de vakantie-uitkering geheel of ten dele aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, voor zover de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Artikel 42
Aanspraken op nietgenoten vakantie-uren vervallen op de datum van ingang van ontslag van de ambtenaar van politie. Indien de ambtenaar van politie uiterlijk veertien dagen daarna weer in dienst treedt, kan hij alsnog aanspraak maken op de niet-genoten vakantie-uren van het lopende kalenderjaar.
Indien op de dag van ontslag blijkt, dat de ambtenaar van politie teveel vakantie-uren heeft genoten, is hij voor ieder te veel genoten vakantie-uur schuldig een bedrag gelijk aan de bezoldiging die hij genoot per werkuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag.
Hoofdstuk V. Vrijstelling van dienst
Artikel 43
Tenzij anders is bepaald bij dit besluit of bij of krachtens de Ambtenarenwet BES, wordt de vrijstelling van dienst verleend met behoud van volle bezoldiging.
In afwijking van artikel 1, onder c, wordt in dit hoofdstuk onder ambtenaar van politie verstaan: ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie.
Artikel 44
Vrijstelling van dienst, te verlenen door Onze Minister, geniet de ambtenaar van politie die:
- a. als militair in werkelijke dienst is voor herhalingsoefening;
- b. uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is zijn functie uit te oefenen.
Aan de ambtenaar van politie wordt door Onze Minister vrijstelling van dienst verleend, voor zover hij op één van de in artikel 26, vijfde lid, genoemde dagen, tenzij het een zaterdag of een zondag betreft:
- a. werkzaamheden heeft verricht;
- b. een roostervrije dag heeft genoten als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder b;
- c. verlof heeft genoten als vergoeding voor verricht overwerk.
De dag waarop vrijstelling van dienst, bedoeld in het tweede lid, wordt verleend, wordt vastgesteld door Onze Minister. Bij de vaststelling wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar van politie.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)