Besluit rechtspositie korps politie BES
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het verrichten van werkzaamheden gedurende ten hoogste de helft van de voor de ambtenaar van politie geldende gemiddelde dagelijkse diensttijd gelijkgesteld met dienst gedurende een halve dag en wordt het verrichten van werkzaamheden gedurende meer dan de helft van de voor de ambtenaar van politie geldende gemiddelde dagelijkse diensttijd gelijkgesteld met dienst gedurende een hele dag.
Artikel 45
De ambtenaar van politie, geniet, voor zover het dienstbelang dat toelaat, vrijstelling van dienst, te verlenen door Onze Minister, indien het politiedienstonderdeel op een daartoe aangewezen kerkelijke, landelijke of eilandelijke feest- of gedenkdag gesloten is.
Aan de ambtenaar van politie wordt door Onze Minister vrijstelling van dienst verleend op een andere werkdag, voor zover hij op één van de in het eerste lid bedoelde dagen:
- a. werkzaamheden heeft verricht;
- b. een roostervrije dag als bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel b, heeft genoten;
- c. verlof heeft genoten als vergoeding voor verricht overwerk.
Artikel 44, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Buitengewoon verlof
§ 1. Algemeen
Artikel 46
[Vervallen]
Artikel 47
Aan de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie, wordt in de gevallen en onder de voorwaarden genoemd in dit hoofdstuk, buitengewoon verlof verleend door Onze Minister.
Door Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het aanvragen en verlenen van buitengewoon verlof.
§ 2. Buitengewoon verlof van korte duur
Artikel 48
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie, voor zover dat niet in zijn vrije tijd kan geschieden en omzetting van de dienst niet mogelijk is, buitengewoon verlof verleend voor de uitoefening van het kiesrecht en voor het voldoen aan een wettelijke verplichting.
Artikel 49
Aan de ambtenaar van politie die tot lid van een van de eilandsraden van de openbare lichamen is verkozen, wordt op zijn verzoek buitengewoon verlof, met behoud van vol inkomen, verleend voor het bijwonen van vergaderingen van de eilandsraad, alsmede het maken van reizen in of buiten de openbare lichamen in zijn hoedanigheid van lid van de eilandsraad.
Het eerste lid is niet van toepassing op de ambtenaar die op non-actief is gesteld of tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt of functie in verband met het lidmaatschap van de eilandsraad van een openbaar lichaam.
Aan de ambtenaar van politie wordt op zijn verzoek buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van vergaderingen van of het verrichten van werkzaamheden voor publiekrechtelijke college’s of commissies waarin hij is benoemd of waarvoor hij is aangewezen, voor zover dat niet in zijn vrije tijd kan geschieden.
[Vervallen]
Artikel 50
Aan de ambtenaar van politie wordt vakbondsverlof met behoud van volle bezoldiging verleend, tenzij de desbetreffende vakbond niet is vertegenwoordigd in de Sectorale Overlegcommissie BES of de bedrijfsvoering door het verlof ernstig wordt verstoord.
In totaal heeft de ambtenaar van politie ten hoogste 240 uur vakbondsverlof per jaar, of ten hoogste 320 uur per jaar als de ambtenaar van politie lid is van het bestuur, sectie of hoogste ledenorgaan van de vakbond.
Het verlof, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt verleend voor de volgende activiteiten:
- a. als lid, bestuurslid of afgevaardigde van een vakbond: maximaal 8 uur per jaar voor deelname aan de algemene ledenvergadering of daarmee vergelijkbare bijeenkomsten van de vakbond;
- b. als lid, bestuurslid of afgevaardigde van een vakbond: maximaal 48 uur per twee jaar voor deelname aan cursussen waarvoor de ambtenaar van politie door een vakbond is uitgenodigd;
- c. als lid, bestuurslid of afgevaardigde van een vakbond: het uitvoeren van bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten waarvoor de ambtenaar van politie door de vakbond is gevraagd en voor zover de activiteiten bijdragen aan de doelstelling van de vakbond;
- d. als bestuurslid of als afgevaardigde van een vakbond: het bijwonen van vergaderingen van de Sectorale Overlegcommissie BES, inclusief één vooroverleg per vergadering en inclusief reistijd;
- e. als bestuurslid of als afgevaardigde van een vakbond: het bijwonen van vergaderingen van in de statuten van de vakbond genoemde onderdelen, vergaderingen van centrale organisaties en internationale werknemersorganisaties waarbij de vakbond is aangesloten, inclusief één vooroverleg per vergadering; en
- f. overige vakbondswerkzaamheden.
Artikel 51
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
- a. voor het zoeken van een woning indien het dienstbelang de verhuizing vordert: ten hoogste twee werkdagen;
- b. voor verhuizing uit hoofde van het dienstbelang: twee werkdagen, zonodig, indien betrokkene een eigen huishouding voert en het een verhuizing naar een ander eilandgebied betreft, te verlengen met twee werkdagen;
- c. voor verhuizing, anders dan uit hoofde van dienstbelang, indien betrokkene een eigen huishouding voert: éénmaal per kalenderjaar ten hoogste twee werkdagen.
Artikel 52
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
- a. bij zijn ondertrouw: op de dag zelf;
- b. bij zijn huwelijk: vier werkdagen;
- c. tot het bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad: op de dag zelf;
- d. bij ernstige ziekte van zijn echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: ten hoogste vijftien werkdagen. Indien dit aantal in bepaalde omstandigheden niet toereikend is, kan artikel 55 toepassing vinden;
- e. bij het overlijden van:
-
- de onder d genoemde personen: twee werkdagen;
-
- bloed of aanverwanten tot en met de derde graad: een werkdag;
- f. indien betrokkene, in het geval bedoeld onder e, is belast met de regeling van de lijkbezorging of de nalatenschap dan wel met beide: ten hoogste vier werkdagen;
- g. bij de bevalling van zijn echtgenote: ten hoogste tweeënhalve werkdag;
- h. op de dag van zijn 10-, 20-, 30-, 35-, 40- en 45-jarig ambtsjubileum;
- i. bij zijn 25 of 40jarig huwelijksjubileum en bij het 25, 40, 50 of 60jarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders of grootouders: op de dag zelf;
- j. bij de doop, besnijdenis, kerkelijke bevestiging en Eerste Heilige Communie van betrokkene of zijn echtgeno(o)t(e), kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen: op de dag zelf.
Artikel 53
Tenzij dringende redenen van dienstbelang zich daar tegen verzetten, wordt de ambtenaar van politie buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:
- a. voor het afleggen van een examen voor het behalen van een diploma dat voor de uitoefening van zijn functie van belang kan worden geacht;
- b. voor het zitting nemen in examencommissies op politiegebied: voor ten hoogste tien werkdagen per kalenderjaar.
Artikel 54
De ambtenaar van politie die zorg draagt voor een persoon genoemd in het vierde lid, heeft aanspraak op buitengewoon verlof wegens calamiteiten met behoud van volle bezoldiging.
Onder calamiteit wordt verstaan ziekte of een andere onverwachte gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van een in het vierde lid genoemde persoon.
Het verlof is bedoeld voor de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen en bedraagt maximaal 8 werkuren per calamiteit voor maximaal 3 calamiteiten per kalenderjaar.
De personen voor wier verzorging het buitengewoon verlof kan worden verleend zijn: de echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen en aangehuwde kinderen van de ambtenaar van politie.
De ambtenaar van politie informeert Onze Minister vooraf over het opnemen van het verlof onder opgave van de reden.
Onze Minister kan verlangen dat de ambtenaar van politie achteraf aannemelijk maakt dat sprake was van een noodsituatie. Indien betrokkene daar naar het oordeel van Onze Minister niet in slaagt, worden de opgenomen uren in mindering gebracht op zijn vakantie-uren.
Artikel 55
Buitengewoon verlof van korte duur kan verder voor ten hoogste 522 werkuren per kalenderjaar worden verleend, indien Onze Minister van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat.
Tijdens dit buitengewoon verlof heeft de ambtenaar van politie aanspraak op volle bezoldiging gedurende de eerste 174 werkuren en op vijftig procent van zijn volle bezoldiging gedurende de overige werkuren.
Het buitengewoon verlof kan voor zover dat is verleend voor meer dan 174 werkuren, indien dringende redenen van dienstbelang dat vorderen, door Onze Minister worden ingekort tot minimaal 174 werkuren.
Indien de ambtenaar van politie schade lijdt door de inkorting wordt de geldelijke schade hem ten laste van de staat vergoed.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de gevallen waarin het eerste lid toegepast kan worden.
§ 1. Algemeen
Artikel 56
De ambtenaar van politie die als militair in werkelijke dienst is, anders dan voor herhalingsoefening, is van rechtswege met buitengewoon verlof van lange duur zonder behoud van bezoldiging, tenzij Onze Minister anders bepaalt.
Artikel 57
Aan de ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, kan op zijn verzoek, met inachtneming van deze paragraaf, al dan niet onder bepaalde voorwaarden buitengewoon verlof van lange duur worden verleend.
Het buitengewoon verlof gaat niet in dan nadat betrokkene het verlof met de daaraan verbonden voorwaarden heeft aanvaard.
Het buitengewoon verlof kan voor zover dat is verleend voor meer dan 522 werkuren, indien dringende redenen van dienstbelang dat vorderen, door Onze Minister worden ingekort tot minimaal 552 werkuren.
Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, schade lijdt door de inkorting wordt de geldelijke schade hem ten laste van de staat vergoed.
Artikel 58
Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, uitsluitend strekt tot het persoonlijk belang van de ambtenaar van politie, kan dit slechts worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste zes maanden.
Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen een andere functie buiten de politiedienst te gaan vervullen en met de verlofverlening niet alleen het persoonlijk belang van betrokkene maar ook het algemeen belang wordt gediend, kan dit worden verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste een jaar.
Artikel 59
Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen op te treden als bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in artikel 50, vijfde lid, dan wel van een centrale organisatie of internationale ambtenarenorganisatie waarbij die vereniging is aangesloten, wordt dit verleend zonder behoud van bezoldiging en voor ten hoogste twee jaar.
Artikel 60
Indien het verlof, bedoeld in artikel 57, ten doel heeft de ambtenaar van politie in de gelegenheid te stellen, anders dan in vaste dienst, hetzij een functie bij een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij als deskundige tijdelijk ten behoeve van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met de verlofverlening het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, kan dit voor ten hoogste drie jaar, al dan niet met behoud van volle bezoldiging, worden verleend.
In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar van politie die wenst te worden uitgezonden om in burgerlijke landsdienst van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten tijdelijk een functie te vervullen, buitengewoon verlof worden verleend op basis van het West-Indisch Detacheringsbesluit 1930.
Artikel 61
De ambtenaar van politie die na afloop van een hem verleend buitengewoon verlof van lange duur en zonder dat dit is verlengd, zijn werkzaamheden niet hervat, wordt gelijk behandeld als een ambtenaar van politie die een aanvraag tot ontslag heeft ingediend.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ambtenaar van politie binnen een termijn van drie maanden ten genoege van Onze Minister aannemelijk maakt, dat hij een geldige reden had om zijn werkzaamheden niet te hervatten. Alsdan wordt het verlof verlengd tot het tijdstip waarop de bedoelde reden heeft opgehouden te bestaan.
Hoofdstuk VII. Voorzieningen in verband met ziekte, ongeval, zwangerschap en bevalling
Artikel 61a
In afwijking van artikel 1, onder c, wordt in dit hoofdstuk, paragrafen 1, 2 en 3 onder ambtenaar van politie verstaan: ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie.
§ 2. Buitengewoon verlof van korte duur
Artikel 62
Vervallen
Artikel 63
De ambtenaar van politie die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geeft daarvan onverwijld kennis aan het hoofd van dienst.
Het hoofd van dienst kan van de ambtenaar van politie overlegging vragen van een geneeskundige verklaring. Ter verkrijging van een vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan drie achtereenvolgende dagen is overlegging van een geneeskundige verklaring verplicht.
Artikel 64
De ambtenaar van politie die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, wordt vrijstelling van dienst wegens ziekte, bedoeld in artikel 44, verleend.
De aanvankelijke duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte is ten hoogste zes maanden. Deze termijn kan telkens met ten hoogste zes maanden worden verlengd.
De duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte, inbegrepen de verlenging daarvan, is ten hoogste vier jaren voor de ambtenaar van politie in vaste dienst en ten hoogste een jaar voor de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst.
Gedurende de vrijstelling van dienst wegens ziekte heeft de ambtenaar van politie aanspraak op een bezoldiging naar reden van:
- a. voor de ambtenaar van politie in vaste dienst:
- –. zijn volle bezoldiging gedurende de eerste vierentwintig maanden;
- –. negentig procent van zijn volle bezoldiging gedurende de daaropvolgende twaalf maanden;
- –. tachtig procent van zijn volle bezoldiging gedurende de resterende maanden.
- b. voor de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst: zijn volle bezoldiging
Tijdens de vrijstelling van dienst wegens ziekte ondergaat de bezoldiging van de ambtenaar van politie dezelfde wijzigingen, welke deze zou ondergaan indien hij niet verhinderd zou zijn om zijn werkzaamheden te verrichten.
Een opnieuw ingetreden verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval wordt voor het bepalen van de in het tweede en vierde lid genoemde termijn als een voortzetting van de vorige verhindering aangemerkt, tenzij die verhindering zich voordoet nadat dertig kalenderdagen zijn verstreken sedert de ambtenaar van politie zijn werkzaamheden volledig heeft hervat.
Artikel 65
De ambtenaar van politie heeft geen aanspraak op doorbetaling van inkomsten:
- a. indien de ziekte of het ongeval is voorgewend, althans zodanig overdreven is voorgesteld dat verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval redelijkerwijs niet kan worden aangenomen;
- b. indien de ambtenaar van politie de verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt of verergerd, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand redelijkerwijs geen verwijt gemaakt kan worden;
- c. indien de ziekte of het ongeval is veroorzaakt door of het gevolg is van een kwaal of lichaamsgebrek waarover de ambtenaar van politie voor of bij zijn aanstelling opzettelijk heeft gezwegen of waaromtrent hij toen opzettelijk valse inlichtingen heeft verstrekt;
- d. indien hij tijdens de verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit door de geneeskundige, genoemd in artikel 66, de bezwaarcommissie, genoemd in artikel 67, de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, of de herkeuringscommissie, genoemd in artikel 70, wenselijk wordt geacht in het belang van het genezingsproces.
De betaling van de inkomsten wordt gestopt vanaf de dag waarop en zolang de ambtenaar van politie:
- a. weigert zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek vanwege de dienst of, na voor een dergelijk onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;
- b. zonder voldoende grond nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door zijn behandelend geneeskundige gegeven, uitgezonderd voorschriften inhoudende het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard;
- c. zich zodanig gedraagt dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
- d. in gebreke blijft op het door de geneeskundige genoemd in artikel 66, de bezwaarcommissie, genoemd in artikel 67, de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, of de herkeuringscommissie, genoemd in artikel 70, bepaalde tijdstip en in de door hen bepaalde mate zijn dienstverrichting te hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen door evengenoemde geneeskundige(n) of commissie(s) als geldig erkende reden heeft opgegeven.
De betaling van de inkomsten kan bovendien geheel of gedeeltelijk worden gestopt, indien de ambtenaar van politie zich niet houdt aan eventuele door Onze Minister vastgestelde controlevoorschriften.
In de in het eerste lid genoemde gevallen kan Onze Minister op grond van bijzondere omstandigheden bepalen, dat de ingehouden inkomsten geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald aan de betrekkingen van de ambtenaar van politie, genoemd in artikel 54.
Artikel 66
De ambtenaar van politie kan aan een geneeskundig onderzoek worden onderworpen vanwege de dienst ter beoordeling van de vraag:
- a. of sprake is van verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte of ongeval;
- b. of zich een omstandigheid voordoet, bedoeld in artikel 65, eerste en tweede lid;
- c. of maatregelen in het belang van herstel nodig zijn;
- d. wanneer en in welke mate de werkzaamheden hervat kunnen worden.
De vanwege de dienst optredende geneeskundige deelt zijn oordeel terstond mee aan de ambtenaar van politie en stelt het hoofd van dienst zo spoedig mogelijk ter zake schriftelijk in kennis.
Artikel 67
De ambtenaar van politie die zich niet kan verenigen met het medisch oordeel, bedoeld in artikel 66, kan daartegen binnen driemaal 24 uur nadat dit oordeel schriftelijk te zijner kennis is gebracht, bij Onze Minister een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen.
Desgevraagd wordt hij in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven. Hij kan zich laten bijstaan door een raadsman.
Behalve indien Onze Minister, na overleg met de geneeskundige, bedoeld in artikel 66, het bezwaar van de ambtenaar van politie reeds aanstonds gegrond acht, wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan een nieuw geneeskundig onderzoek verricht door een door Onze Minister ingestelde bezwaarcommissie bestaande uit drie geneeskundigen. De geneeskundige, bedoeld in artikel 66, kan geen deel uit maken van de bezwaarcommissie.
De bezwaarcommissie deelt haar oordeel zo spoedig mogelijk schriftelijk mee aan de ambtenaar van politie, Onze Minister en het hoofd van dienst.
De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van de staat.
Artikel 68
Vrijstelling van dienst wegens ziekte van meer dan dertig dagen of verlenging daarvan waardoor die vrijstelling van langere duur wordt dan dertig dagen, wordt slechts verleend indien uit een schriftelijke verklaring van een door Onze Minister ingestelde geneeskundige commissie, bestaande uit drie geneeskundigen, blijkt dat de betrokken ambtenaar van politie wegens ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten.
In de schriftelijke verklaring wordt aangegeven:
- a. wanneer en in welke mate de werkzaamheden hervat kunnen worden;
- b. of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 65, eerste en tweede lid;
- c. of maatregelen in het belang van herstel nodig zijn, waaronder begrepen aanpassing van de huidige functie en plaatsing in een andere functie, bedoeld in artikel 71. Indien verblijf buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba noodzakelijk is, wordt daarvan mededeling gedaan, onder opgave van de plaats van verblijf en de wijze waarop de reis daarheen moet plaats vinden.
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een ambtenaar van politie vrijstelling van dienst wegens ziekte of verlenging daarvan verlenen op grond van een schriftelijke verklaring van een geneeskundige in dienst van de overheid.
Indien een ambtenaar van politie als zodanig of in verband met het bekleden van een functie bedoeld in artikel 60, buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verblijft, kan Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, vrijstelling van dienst wegens ziekte of verlenging daarvan verlenen:
- a. indien de ambtenaar van politie zich in Europa bevindt, op grond van een schriftelijke verklaring van een door Onze Minister in Nederland aangewezen geneeskundige;
- b. indien de ambtenaar van politie zich elders bevindt, op grond van een schriftelijke verklaring van een door Onze Minister aangewezen geneeskundige.
De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van de staat.
Artikel 69
De ambtenaar van politie aan wie vrijstelling van dienst wegens ziekte is verleend voor een duur van drie of meer maanden, mag zijn werkzaamheden niet geheel of gedeeltelijk hervatten dan nadat uit een schriftelijke verklaring van de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, blijkt dat betrokkene medisch is onderzocht en in staat is bevonden tot gehele of gedeeltelijke hervatting van zijn werkzaamheden.
De ambtenaar van politie die aan het einde van de in artikel 64 genoemde maximum-duur voor vrijstelling van dienst wegens ziekte volgens een schriftelijke verklaring van de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid of de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, niet in staat is bevonden tot volledige hervatting van de dienstverrichting, kan, behoudens in het in het vierde lid genoemde geval, ontslag worden verleend conform artikel 71.
Alvorens de schriftelijke verklaring op te stellen, onderwerpt de geneeskundige-commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid of de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, de ambtenaar van politie aan een medisch onderzoek. In de verklaring wordt tevens ingegaan op de mogelijkheid tot aanpassing van de huidige functie en plaatsing in een andere functie, bedoeld in artikel 71.
Indien de geneeskundige commissie, de geneeskundige in dienst van de overheid dan wel de andere geneeskundige(n), genoemd in artikel 68, van oordeel is dat hervatting van de werkzaamheden door de ambtenaar van politie niet mogelijk is wegens een opgekomen ziekte of ongeval van voorbijgaande aard, wordt voor de duur van die ziekte of dat ongeval alsnog vrijstelling van dienst wegens ziekte verleend met behoud van 70 procent van de volle bezoldiging.
De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van de staat.
Artikel 70
Van een medisch oordeel krachtens artikel 68 of 69, staat binnen zes weken nadat de ambtenaar van politie daarvan schriftelijk in kennis is gesteld, beroep open bij een door de Onze Minister ingestelde herkeuringscommissie bestaande uit drie geneeskundigen. Een van de geneeskundigen wordt aangewezen door de ambtenaar van politie.
Het beroep moet schriftelijk en met redenen omkleed worden ingediend. Het beroepschrift vermeld tevens de naam en het adres van de geneeskundige die door de ambtenaar van politie voor benoeming in de herkeuringscommissie wordt aangewezen.
De leden van de herkeuringscommissie mogen niet betrokken zijn geweest bij het medisch oordeel, waartegen beroep is ingesteld.
De herkeuringscommissie deelt haar oordeel zo spoedig mogelijk schriftelijk mee aan de ambtenaar van politie, Onze Minister en het hoofd van dienst.
De kosten verbonden aan de uitvoering van dit artikel komen voor rekening van de staat.
Artikel 71
De ambtenaar van politie kan eervol ontslag worden verleend op grond van blijvende ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn ambt wegens ziekte of gebreken, indien:
- a. de maximum-duur van de vrijstelling van dienst wegens ziekte, genoemd in artikel 64 juncto 69, tweede lid, is verstreken; en
- b. ter zake van de ongeschiktheid wegens ziekte of ongeval een geneeskundig onderzoek is ingesteld als bedoeld in artikel 69, waaronder begrepen een eventuele heroverweging door de herkeuringscommissie, bedoeld in artikel 70; en
- c. het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar van politie, mede rekening houdend met zijn persoonlijkheid en omstandigheden, zijn huidige functie in aangepaste vorm of een andere passende functie binnen de politiedienst op te dragen, dan wel indien hij geweigerd heeft een dergelijke functie te aanvaarden.
Onder andere passende functie, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstaan:
- a. gedurende het eerste jaar dat de ambtenaar van politie ongeschikt is tot het uitoefenen van zijn functie wegens ziekte of ongeval: iedere functie die aansluit bij zijn opleiding en ervaring dan wel bij zijn opleidings- en ervaringsniveau;
- b. na het eerste jaar: iedere functie waartoe de ambtenaar van politie, gezien zijn capaciteiten, in staat is.
Indien sprake is van een plaatsing als bedoeld in het eerste lid, onder c, in een functie voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar van politie is aangesteld, dan heeft het ontslag alleen betrekking op het meerdere aantal uren.
§ 2. Zwangerschap en bevalling
Artikel 72
De vrouwelijke ambtenaar van politie heeft in verband met haar bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof met doorbetaling van het volle inkomen.
Het recht op het zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of vanaf tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft.
Het recht op bevallingsverlof gaat in op de dag na de dag van de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen, of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen.
Als een kind tijdens het bevallingsverlof vanwege zijn medische toestand in een ziekenhuis is opgenomen, wordt het bevallingsverlof verlengd met het aantal opnamedagen, te rekenen vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag van het bevallingsverlof tot een maximum van tien weken. De in de eerste zin bedoelde verlenging van het bevallingsverlof is uitsluitend van toepassing voor zover de ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee het bevallingsverlof als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van het derde lid wordt verlengd.
Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met verhindering tot dienstverrichting wegens ziekte.
Artikel 73
Aan de vrouwelijke ambtenaar van politie die een borstkind heeft, wordt op haar verzoek de gelegenheid gegeven om het kind te voeden.
§ 3. Tegemoetkoming in ziektekosten
Artikel 74
In bijzondere gevallen kan de ambtenaar van politie door Onze Minister een tegemoetkoming worden verleend in de noodzakelijk voor zichzelf of zijn medebelanghebbenden gemaakte kosten die verband houden met ziekte of ongeval, indien hierin niet ingevolge een andere regeling wordt voorzien en deze kosten redelijkerwijze niet te zijnen laste horen te blijven.
In geval van ziekte of ongeval die in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar van politie opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder die moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid te wijten is, worden hem vergoed de te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van Onze Minister, noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.
Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.
§ 4. Aanspraken bij ongeval voor de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak
Artikel 74a
Onze Minister sluit ten behoeve van de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak een ongevallenverzekering af.
De verzekering, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de bepaling dat bij blijvende arbeidsongeschiktheid aanspraak op een uitkering ineens bestaat.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder «ongeval» en «arbeidsongeschiktheid» hetgeen daaronder wordt verstaan in de door Onze Minister ter zake gesloten ongevallenverzekering.
Artikel 74b
De vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak wordt bij aanstelling in kennis gesteld van de bepalingen van de door Onze Minister te zijnen behoeve gesloten ongevallenverzekering.
Van wijzigingen in de in het eerste lid bedoelde bepalingen wordt de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak voor de inwerkingtreding ervan in kennis gesteld.
Artikel 74c
De vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die arbeidsongeschikt is, heeft, indien deze ongeschiktheid blijkens een geneeskundig onderzoek het gevolg is van een ongeval in verband met de vervulling van zijn functie, aanspraak op een uitkering overeenkomstig de bepalingen van de verzekering, bedoeld in artikel 74a, eerste lid.
Hij heeft behoudens artikel 74e geen aanspraak op enige vergoeding ten laste van Onze Minister ter zake van een ongeval.
Het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing op de gewezen vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak tot het tijdstip, bedoeld in artikel 118, eerste lid, indien hij blijvend arbeidsongeschikt is.
Artikel 74d
Indien een vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak ten gevolge van een ongeval in verband met de vervulling van zijn functie komt te overlijden, hebben zijn weduwe of weduwnaar aanspraak op een uitkering overeenkomstig de bepalingen van de ongevallenverzekering, bedoeld in artikel 74a, eerste lid.
Artikel 14, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 74e
In geval van een ongeval, ontstaan ten gevolge van de vervulling van zijn functie, ontvangt de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak een vergoeding van de kosten van geneeskundige behandeling of verzorging die te zijnen laste blijven en die naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk zijn gemaakt.
Artikel 74f
Indien geen sprake is van een ongeval, maar wel van een ziekte die is ontstaan of verergerd ten gevolge van de vervulling van de functie, stelt Onze Minister ter zake een uitkering vast voor zover de verzekering, bedoeld in artikel 74a, eerste lid, daar niet in voorziet.
Artikel 74g
De artikelen 74d, 74e en 74f zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, voor zover deze de leeftijd, bedoeld in artikel 118, eerste lid, nog niet heeft bereikt.
Hoofdstuk VIIa. Taken vrijwillige ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak
Artikel 74h
De vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, wordt belast met een of meer van de volgende werkzaamheden:
- a. het surveilleren, het treffen van maatregelen ter handhaving van de openbare orde en het verlenen van hulp op openbare plaatsen;
- b. het opsporen van overtredingen en misdrijven waarop als hoofdstraf maximaal een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vierde categorie is gesteld;
- c. het houden van toezicht op en het verzorgen van ingeslotenen; en
- d. het verrichten van werkzaamheden op de meldkamer en de receptie van het politiebureau en van administratieve werkzaamheden.
De vrijwillige ambtenaar kan tevens, met instemming van Onze Minister, worden ingezet bij specialistische werkzaamheden die niet behoren tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, voor zover hij beschikt over de daarvoor vereiste opleiding en ervaring. Tot specialistische werkzaamheden wordt in ieder geval gerekend assistentie bij opsporingsonderzoeken naar andere misdrijven dan die bedoeld in het eerste lid, onder b.
Onder ingeslotene, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt verstaan degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Onder ingeslotene wordt mede verstaan degene die ten behoeve van hulpverlening aan hem op het politiebureau is ondergebracht.
Artikel 74i
De vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak kan, na instemming van Onze Minister en voor zover hij beschikt over de daarvoor vereiste opleiding en ervaring, zelfstandig of onder begeleiding van een ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak met eenzelfde of hogere rang, werkzaamheden uitoefenen die verband houden met de volledige politietaak.
Hoofdstuk VIIb. Geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden
Artikel 74j
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ambtenaar: de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
Artikel 74k
Een ambtenaar beschikt in een bepaald kalenderjaar slechts over een geweldmiddel, indien hij in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd:
- a. de bij regeling van Onze Minister samengestelde toets geweldsbeheersing;
- b. de bij regeling van Onze Minister samengestelde toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden.
Een ambtenaar beschikt in een bepaald kalenderhalfjaar slechts over een vuurwapen, indien hij in het daaraan voorafgaande kalenderhalfjaar de bij regeling van Onze Minister samengestelde toets schietvaardigheid met voldoende resultaat heeft afgelegd.
Een ambtenaar die is belast met de uitoefening van specialistische of leidinggevende politietaken en daartoe een postinitiële opleiding heeft gevolgd, dient de in het eerste en tweede lid bedoelde toetsen tevens volgens de competentiegerichte eindtermen van de postinitiële opleiding met voldoende resultaat af te leggen. Indien voor de postinitiële opleiding niet een dergelijke toets is vastgesteld, dient de in de eerste volzin bedoelde ambtenaar de toetsen volgens de competentiegerichte eindtermen van de initiële opleiding met voldoende resultaat af te leggen.
Indien een ambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar of kalenderhalfjaar de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde toetsen nog niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, wordt het geweldmiddel in het gebruik waarvan hij dientengevolge niet langer is geoefend, door Onze Minister ingenomen.
De ambtenaar van wie een geweldmiddel op grond van het vierde lid is ingenomen, kan voor de resterende duur van het lopende kalenderjaar of kalenderhalfjaar wederom over het geweldmiddel beschikken vanaf het moment dat hij de toetsen die hij niet of niet met voldoende resultaat had afgelegd, alsnog met voldoende resultaat aflegt.
Artikel 74l
Onze Minister biedt de ambtenaar de gelegenheid tot het volgen van ten minste 32 uren training ter voorbereiding op de af te leggen toetsen, en toetsing.
Artikel 74m
De toets geweldsbeheersing, de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en de toets schietvaardigheid worden afgenomen door een door Onze Minister daartoe aangewezen toetser.
Artikel 74n
Indien een ambtenaar, op de laatste dag van de in artikel 74k bedoelde perioden, één van de in dat artikel bedoelde toetsen niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, doet de toetser hiervan onverwijld mededeling aan Onze Minister.
Artikel 74o
Onze Minister draagt zorg voor de registratie van de deelname aan en de resultaten van de in artikel 74k bedoelde toetsen.
In het jaarverslag voor het politiekorps wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken betrekkende de in artikel 74k bedoelde toetsen.
Hoofdstuk VIII. Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar van politie
Artikel 75
Hoofdstuk VII, met uitzondering van de artikelen 66, 67, 68, 71, 71a, 72 tot en met 72h en 76 en 76a van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie.
In afwijking van het eerste lid zijn regelingen op grond van artikel 77, onder a, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES mede van toepassing op de ambtenaar van politie, tenzij in die regelingen anders is bepaald.
Artikel 76
De ambtenaar van politie is gehouden zijn ambtsverplichtingen nauwgezet en ijverig te vervullen en zich overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar van politie betaamt.
Het is de ambtenaar van politie in ieder geval verboden:
- a. zich tijdens de voor hem geldende werktijd zonder geldige reden te verwijderen van de plaats waar hij zijn werkzaamheden moet verrichten;
- b. tijdens de voor hem geldende werktijd alcoholhoudende dranken te gebruiken of bij zich te hebben;
- c. in dienstlokalen,-voertuigen of -vaartuigen alcoholhoudende dranken te bewaren.
De aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie, de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie die opsporingsbevoegdheid bezit, kunnen zich niet beroepen op de omstandigheid dat zij niet in dienst zijn in die gevallen waarin hun optreden redelijkerwijze is vereist.
De ambtenaar van politie dient de door Onze Minister vastgestelde voorschriften stipt en nauwgezet na te leven.
Ter zake van de niet-naleving van wettelijke en andere voorschriften die redelijkerwijs niet geacht kunnen worden aan de ambtenaar van politie bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.
Artikel 77
De ambtenaar van politie is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn ambt ter kennis is gekomen voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt of hem uitdrukkelijk door Onze Minister is opgelegd.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet tegenover hen aan wie de ambtenaar van politie onmiddellijk of middellijk ondergeschikt is, noch in zoverre hij door Onze Minister van die verplichting is ontheven.
Artikel 78
De verstrekking van uniform- en dienstkleding en onderscheidingstekens aan de aspirant, de vrijwillige ambtenaar van politie, de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die door Onze Minister is aangewezen, alsmede het onderhoud daarvan geschieden door de zorg van Onze Minister en voor rekening van de staat. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de verstrekking en het onderhoud.
De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is verplicht de uniform- en dienstkleding en de onderscheidingstekens te dragen voor zover dat van dienstwege is voorgeschreven.
Het buiten dienst gekleed gaan in uniform is geoorloofd behalve:
- a. tijdens het vervullen van een nevenbetrekking of bij het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van derden, in welke vorm dan ook. Van dit verbod kan alleen ten aanzien van uit de openbare kas bezoldigde ambten ontheffing worden verleend door Onze Minister;
- b. bij betogingen, optochten en openbare politieke vergaderingen, tenzij daarvoor toestemming is verleend door Onze Minister;
- c. in andere door Onze Minister te bepalen zeer bijzondere gevallen.
Het is de ambtenaar van politie verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen tenzij die van dienstwege zijn verstrekt of voorgeschreven.
Het is de ambtenaar van politie verboden bij het gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij die van dienstwege zijn verstrekt of voorgeschreven dan wel tot het dragen daarvan door Onze Minister toestemming is verleend.
Artikel 79
De ambtenaar van politie die verhinderd is dienst te verrichten, geeft daarvan onverwijld kennis aan zijn hoofd van dienst.
Artikel 80
De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie, is verplicht te gaan of blijven wonen in het openbaar lichaam waar hij geplaatst wordt, behoudens een hem door Onze Minister verleende ontheffing.
De ambtenaar van politie is gehouden om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 6 maanden na zijn plaatsing in het openbaar lichaam, gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoeld verplichting.
De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie, is verplicht indien hem door Onze Minister een dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning te gedragen conform de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld. Hij draagt de onderhoudskosten die volgens wettelijk voorschrift of plaatselijk gebruik normaliter voor rekening van de huurder zijn, tenzij Onze Minister daarvan geheel of gedeeltelijk ontheffing heeft verleend.
De ambtenaar van politie die een dienstwoning bewoont, onthoudt zich van het uitsteken of hijsen van andere vlaggen dan die van het Koninkrijk, of het openbaar lichaam. Uit het uiterlijk aanzien van de dienstwoning en het bijbehorende erf mag niet blijken van een politieke gezindheid.
De aspirant geniet huisvesting en voeding van rijkswege, tenzij Onze Minister daarvan ontheffing heeft verleend.
Door Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent een door de aspirant te betalen vergoeding voor de huisvesting en voeding van rijkswege, bedoeld in het vijfde lid.
Onze Minister kan een dienstwoning die de staat in eigendom heeft of van derden huurt ten behoeve van de dienst, ter beschikking stellen aan een ambtenaar van politie tegen betaling van de huurprijs.
De huurprijs, bedoeld in het zevende lid, wordt bepaald op 16 procent van het inkomen van de ambtenaar van politie met als maximumgrondslag voor de berekening hiervan de aanvangsbezoldiging van schaal 10 van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES respectievelijk van schaal 7 van de regeling, bedoeld in artikel 1, onder j, van dit besluit. Onder inkomen als bedoeld in de eerste volzin wordt verstaan de jaarlijkse of maandelijkse bezoldiging, verhoogd met een eventuele persoonlijke toelage, kostwinnerstoelage, kindertoelage en standplaatstoelage. In het geval van twee of meer bezoldigde betrekkingen, wordt de som van de inkomens verbonden aan deze betrekkingen als inkomen aangemerkt.
De huurprijs, bedoeld in het zevende lid, wordt maandelijks voldaan door middel van inhouding daarvan op de bezoldiging van de ambtenaar van politie.
Artikel 81
Indien het belang van de dienst dat naar het oordeel van Onze Minister vordert, is de ambtenaar van politie, anders dan de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie, behoudens in het in het tweede lid genoemde geval, verplicht om binnen het korps zijn functie te vervullen op een andere plaats van tewerkstelling of binnen een ander werkgebied, dan wel een andere functie dan waarin hij geplaatst is, te vervullen hetzij op zijn plaats van tewerkstelling of binnen zijn werkgebied hetzij op een andere plaats van tewerkstelling of binnen een ander werkgebied. Behoudens in spoedeisende gevallen geschiedt zulks niet dan na overleg met betrokkene.
Aan de ambtenaar van politie die in deelbetrekking werkzaam is, kan niet zonder zijn instemming een plaats van tewerkstelling buiten het openbaar lichaam van inwoning worden opgedragen.
Indien de ambtenaar van politie in een andere functie, bedoeld in het eerste lid, wordt geplaatst, wordt een functie opgedragen die hem in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen.
De ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, die verplicht is om binnen het korps zijn functie of een andere functie dan waarin hij is geplaatst, te vervullen binnen een ander werkgebied, heeft aanspraak op een vanwege Onze Minister ingerichte woning in dat andere werkgebied. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over een toelage aan de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, die binnen een ander werkgebied zijn functie, dan wel een andere functie dan waarin hij geplaats is, dient te vervullen.
Artikel 82
Onze Minister kan een ambtenaar van politie, anders dan de aspirant en de vrijwillige ambtenaar van politie, zo mogelijk met zijn instemming, in het belang van de dienst voor de duur van ten hoogste een jaar detacheren bij een ander korps, mits de detachering plaats vindt op aanvraag van of in overeenstemming met de desbetreffende korpsbeheerder.
De periode bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd met maximaal één jaar.
Indien het een hoofd van dienst of zijn plaatsvervanger betreft is voor de detachering en de verlenging daarvan de instemming van Onze Minister vereist.
Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bij koninklijk besluit is benoemd, is voor de detachering de instemming van Onze Minister vereist.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over een detacheringstoelage aan de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 83
De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, kan – op zijn verzoek – een andere functie dan die waarin hij is geplaatst, worden opgedragen, dan wel een andere plaats van tewerkstelling of een ander werkgebied worden aangewezen hetzij binnen het korps hetzij daarbuiten doch binnen de politie.
Plaatsing geschiedt door Onze Minister.
Artikel 84
De ambtenaar van politie kan niet worden verplicht om, indien bij een particulier een staking is uitgebroken of een uitsluiting heeft plaatsgevonden, ter vervanging van de stakers of de uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of de werknemers behulpzaam te zijn bij het verrichten van hun werkzaamheden, tenzij en voor zover zulks, naar het oordeel van Onze Minister, met het oog op de openbare orde, veiligheid of gezondheid dan wel voor de regelmatige functionering van de overheid bepaaldelijk noodzakelijk is.
Artikel 85
Het is de ambtenaar van politie, onverminderd het tweede en derde lid, indien daardoor de behoorlijke vervulling van zijn plichten als ambtenaar van politie in gevaar kan worden gebracht of het aanzien van zijn ambt kan worden geschaad, verboden om:
- a. naast zijn ambt een beroep of bedrijf uit te oefenen;
- b. een nevenbetrekking te aanvaarden dan wel ten behoeve van derden, tegen betaling, werkzaamheden te verrichten in welke vorm dan ook;
- c. commissaris, bestuurder of vennoot te zijn van een rechtspersoon dan wel middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan werken, dienstverrichtingen of leveringen die direct of indirect geheel of gedeeltelijk ten laste komen van de overheid;
- d. ten behoeve van derden werkzaamheden te verrichten die, naar het oordeel van Onze Minister, de grenzen van een redelijke hulpvaardigheid overschrijden.
Het is de ambtenaar van politie verboden om tegelijk met zijn ambt een uit de eilandskas bezoldigd ambt te bekleden, tenzij daarvoor toestemming is verleend door Onze Minister.
Bij de aanvaarding van een in het tweede lid bedoeld ambt of bij voortgezette bekleding daarvan, nadat Onze Minister de in dat lid bedoelde toestemming heeft ingetrokken, wordt de ambtenaar van politie geacht ontslag te hebben gevraagd, indien aan de schriftelijke aanzegging om het ambt te laten varen niet onverwijld gevolg is gegeven.
Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het verbod, bedoeld in het eerste lid.
Aan een ambtenaar van politie kan door het bevoegd gezag met overeenkomstige toepassing van artikel 51, tweede en derde lid, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES ontheffing worden verleend voor het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder c. Deze bevoegdheid kan slechts worden gemandateerd aan de directeur-generaal van het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan wie de bevoegdheden van de Minister van Justitie en Veiligheid als korpsbeheerder van het korps politie Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn gemandateerd. Ondermandaat is niet toegestaan. Ontheffing wordt niet verleend dan nadat hierover schriftelijk overleg is gevoerd met Onze Minister of namens deze de directeur-generaal Koninkrijksrelaties van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 86
Het is de ambtenaar van politie verboden geld, geschenken, diensten of kortingen van welke aard, in welke vorm, middellijk of onmiddellijk, of van wie dan ook, met uitzondering van door de staat of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba uitgeloofde premies, aan te nemen of ten behoeve van wie ook te bedingen in verband met de uitoefening van zijn ambt.
De ambtenaar van politie is verplicht onverwijld aan Onze Minister mededeling te doen, indien een derde gepoogd heeft hem door een gift, kwijtschelding, belofte of verbintenis te bewegen in de uitoefening van zijn ambt iets te doen of na te laten.
Artikel 87
De ambtenaar van politie, die een besturende of toezichthoudende functie vervult in een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, en die voor de in die functie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan ten laste van de staat, een vergoeding ontvangt, is verplicht die vergoeding aan de staat af te dragen, indien de benoeming in die functie:
- a. plaats heeft gehad door Onze Minister; of
- b. is voortgevloeid uit een wettelijk voorschrift of een overeenkomst die met instemming van Onze Minister tot stand is gekomen.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaar van politie die een nevenfunctie vervult, die verband houdt met de uitoefening van zijn ambt en aan hem is opgedragen door Onze Minister, en die voor de in die nevenfunctie verrichte of te verrichten werkzaamheden, anders dan ten laste van de staat, een vergoeding ontvangt.
Aan de ambtenaar van politie die een functie, bedoeld in het eerste of tweede lid, uitoefent, kan ten laste van de staat een vergoeding worden toegekend door Onze Minister.
Artikel 88
Het is de ambtenaar van politie verboden overheidsgoederen te gebruiken ten bate van particuliere belangen.
De ambtenaar van politie mag een vervoermiddel dat hem vanwege de overheid ten behoeve van de dienstverrichting ter beschikking is gesteld, alleen gebruiken voor het door de dienst- verrichting vereiste vervoer. Onder zodanig vervoer wordt niet begrepen het vervoer van de ambtenaar van politie van en naar de plaats van zijn inwoning en van en naar de plaats van zijn tewerkstelling.
Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 89
Vervallen
Artikel 90
De ambtenaar van politie die in deelbetrekking werkzaam is en die op aanwijzing of met goedkeuring van Onze Minister een opleiding volgt, is verplicht aan die opleiding deel te nemen als ware hij in volle betrekking aangesteld.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet ten aanzien van opleidingen waarvoor een programma is vastgesteld dat uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van deelname door ambtenaren van politie die in deelbetrekking werkzaam zijn.
Artikel 91
Vervallen
Artikel 92
Vervallen
Artikel 93
Onze Minister kan de ambtenaar van politie verplichten de door de staat geleden schade, voor zover deze te wijten is aan zijn opzet of roekeloosheid, geheel of gedeeltelijk te vergoeden.
[Vervallen]
Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar van politie in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.
Het verhaal van de schade op de ambtenaar van politie, zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden, geschiedt conform het Burgerlijk Wetboek BES.
Artikel 94
De rekenplichtige ambtenaar van politie wordt van de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft uitgevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.
Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit aansprakelijkheid voor ondergeschikten, dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre de rekenplichtige ambtenaar van politie op het doen en laten van die ondergeschikten toezicht heeft gehouden.
De rekenplichtige ambtenaar van politie is van zijn verantwoordelijkheid ter zake ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte, ongeval of andere wettige afwezigheid het beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien zijn betrekking gedurende die tijd wordt waargenomen.
Dit artikel is alleen van toepassing voor zover de Comptabiliteitswet 2001 niet anders bepaalt.
Artikel 95
Aan de ambtenaar van politie wordt door Onze Minister vergoed de schade aan zijn goederen die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van het ambt, voor zover die schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.
De ambtenaar van politie heeft geen aanspraak op de in het eerste lid bedoelde vergoeding, indien hij ter zake van die schade tegenover derden rechten kan doen gelden.
Indien de ambtenaar van politie zijn rechten tegenover derden aan de staat cedeert, wordt hij in het genot gesteld van het in geld uitgedrukte bedrag van de schade.
Indien de staat ter zake van de rechten, verkregen middels een cessie, bedoeld in het derde lid, een civiele vordering instelt, worden de kosten die daaruit voor de staat voortvloeien, niet op de ambtenaar van politie verhaald.
Onze Minister kan ter uitvoering van het eerste tot en met derde lid nadere regels stellen.
Door de Onze Minister kan worden bepaald, in welke elders niet voorziene gevallen schadeloosstelling of vergoeding van kosten zal worden verleend aan de ambtenaar van politie.
Artikel 96
De ambtenaar van politie kan door Onze Minister de toegang tot dienstlokalen, -gebouwen en -terreinen of het werk, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.
De ambtenaar van politie is verplicht zich te gedragen conform de maatregelen van orde die door Onze Minister ten aanzien van het verblijf op de in het eerste lid bedoelde plaatsen zijn vastgesteld.
Artikel 97
De ambtenaar van politie die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarop de Wet voor de volksgezondheid BES van toepassing is, mag geen dienst verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen en het werk dan met toestemming van Onze Minister dat deze toestemming slechts kan verlenen na positief advies van de geneeskundige, bedoeld in artikel 66.
De ambtenaar van politie die verkeert in de situatie, bedoeld in het eerste lid, is verplicht daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister en het hoofd van dienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door Onze Minister of hoofd van dienst gegeven aanwijzingen, waaronder die betreffende het ondergaan van een geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 66.
Gedurende de tijd dat de ambtenaar van politie ingevolge dit artikel geen werkzaamheden verricht, geniet hij zijn volle bezoldiging.
Artikel 98
De ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie, kan door Onze Minister wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichtingen worden beloond met:
- a. een tevredenheidsbetuiging;
- b. een eenvoudige geldelijke beloning tot maximaal 10% van de aanvangsbezoldiging behorende bij bezoldigingsschaal 1;
- c. een gratificatie van ten hoogste acht en een derde procent (8 1/3%) van de bezoldiging van de betrokken ambtenaar, berekend over een kalenderjaar.
De gratificatie zal in een kalenderjaar niet meer mogen bedragen dan 100% van de inkomsten per maand van de ambtenaar van politie.
Ten aanzien van de ambtenaar van politie die in deelbetrekking werkzaam is, wordt voor de uitvoering van dit artikel in aanmerking genomen de inkomsten die hij genoten zou hebben, indien hij in volledige betrekking werkzaam was geweest.
Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige ambtenaar van politie, met dien verstande dat de beloningen zijn:
- a. een tevredenheidsbetuiging of
- b. een gratificatie van maximaal 150 procent van de per kalenderjaar krachtens artikel 23a vastgestelde vaste vergoeding.
Artikel 99
Vervallen
Artikel 100
[Vervallen]
Hoofdstuk IX. Disciplinaire straffen
Artikel 101
Hoofdstuk VIII van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie.
De ambtenaar van politie die zijn ambtelijke verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.
Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar van politie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Een strafrechterlijke vervolging wegens een feit dat mede plichtsverzuim inhoudt, sluit een disciplinaire strafoplegging wegens dat feit niet uit.
Artikel 102
De disciplinaire straffen die de ambtenaar van politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar van politie, kunnen worden opgelegd, zijn:
- a. schriftelijke berisping;
- b. buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag of op de voor de ambtenaar van politie geldende algemene en kerkelijke feestdagen en zonder de ingevolge artikel 23 voor overwerk toe te kennen toelage of tegen een lagere toelage dan deze: voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag al dan niet in aansluiting op de voor hem geldende diensttijd;
- c. geldboete: van ten hoogste vijftig procent (50%) van de aanvangsbezoldiging behorende bij bezoldigingsschaal 1;
- d. geheel of gedeeltelijke inhouding van inkomsten: tot een bedrag van ten hoogste een maand inkomsten;
- e. terugzetting naar een lagere bezoldigingstrede: voor ten hoogste twee bezoldigingstreden;
- f. uitsluiting van bevordering: voor ten hoogste vier jaren;
- g. terugzetting in de naastlagere hoofdrang, al dan niet voor bepaalde tijd en al dan niet met vermindering van de bezoldiging tot de aan die naastlagere hoofdrang verbonden bezoldiging;
- h. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van inkomsten: voor ten hoogste negen maanden;
- i. ontslag.
Aan de aspirant kan tevens worden opgelegd de disciplinaire straf van verwijdering van het opleidingsinstituut, dat de basisopleiding verzorgt, voor ten hoogste veertien dagen, met dien verstande deze straf niet wordt opgelegd op de dagen waarop de opleidingsresultaten volgens de ter zake gestelde regels worden getoetst of beoordeeld.
Onverminderd het zesde lid, worden de straffen, bedoeld in het eerste en tweede lid, opgelegd door Onze Minister.
Bij het opleggen van een straf, genoemd in het eerste lid, kan worden bepaald dat deze niet ten uitvoer wordt gelegd, indien de ambtenaar van politie zich gedurende een bij het opleggen van de straf te bepalen termijn van maximaal twee jaren, niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij de strafoplegging eventueel te stellen bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden mogen de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.
Dezelfde instantie die over de voorwaardelijke strafopschorting, bedoeld in het vierde lid, beslist, kan gelasten dat de opgeschorte straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd indien de ambtenaar van politie zich binnen de vastgestelde proeftijd wederom schuldig maakt aan plichtsverzuim dan wel zich niet houdt aan een gestelde bijzondere voorwaarde, bedoeld in het vijfde lid.
Indien het een ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd, worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met f, opgelegd door Onze Minister en worden de straffen, bedoeld in het eerste lid, onder g tot en met i, opgelegd bij koninklijk besluit.
Het eerste lid, onder a, h en i, zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige ambtenaar van politie.
Artikel 103
Indien het voornemen bestaat om de ambtenaar van politie een disciplinaire straf op te leggen, geschiedt de strafoplegging niet dan nadat hij schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om zich binnen zeven dagen tegenover de tot strafoplegging bevoegde instantie of een door deze aan te wijzen instantie te verantwoorden.
Degene tegenover wie de verantwoording plaats vindt, bepaalt of de verantwoording mondeling dan wel schriftelijk zal plaatsvinden. Bij schriftelijke verantwoording wordt de ambtenaar van politie op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld tot het geven van een mondelinge toelichting. Bij de mondelinge verantwoording kan de ambtenaar van politie zich laten bijstaan door een raadsman.
Van de mondelinge verantwoording wordt direct een verslag opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door degene tegenover wie de verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar van politie. Indien de ambtenaar van politie het verslag weigert te ondertekenen, wordt dit in het verslag, zo mogelijk onder opgave van de redenen, vermeld. De ambtenaar van politie ontvangt een afschrift van het verslag.
Indien de ambtenaar van politie dit verlangt, worden hem of zijn raadsman onverwijld kopieën verstrekt van de ambtelijke rapporten dan wel andere documenten die op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben, met uitzondering van documenten of onderdelen daarvan tegen welker kennisneming het openbaar belang zich volgens de tot strafoplegging bevoegde instantie bepaaldelijk verzet.
Artikel 104
De kennisgeving bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES, wordt zo mogelijk op de plaats van tewerkstelling aan de ambtenaar van politie tegen gedagtekend en door hem ondertekend ontvangstbewijs uitgereikt.
Indien de ambtenaar van politie niet op de plaats van tewerkstelling aanwezig is, wordt de kennisgeving aan zijn woon- of verblijfplaats tegen gedagtekend en door de ontvanger ondertekend ontvangstbewijs afgegeven aan hemzelf of aan een van zijn huisgenoten. Indien degene die met de afgifte van de kennisgeving belast is noch de ambtenaar van politie noch iemand van zijn huisgenoten aantreft, of indien degene die hij aantreft weigert de kennisgeving in ontvangst te nemen of het ontvangstbewijs te ondertekenen, wordt het aangetekend aan de woon- of verblijfplaats van de ambtenaar van politie gezonden.
In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt de betrokken ambtenaar van politie geacht met de kennisgeving bekend te zijn geworden op de dag van afgifte aan zijn woon- of verblijfplaats, onderscheidenlijk op de dag waarop het door de postdienst aan die woon- of verblijfplaats is bezorgd of aangeboden.
Artikel 105
De tot strafoplegging bevoegde instantie stelt de gestrafte ambtenaar van politie onverwijld in kennis van de strafoplegging door toezending van een afschrift daarvan. Artikel 104 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 106
De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging is bepaald dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)