Wet van 16 december 2010 tot vaststelling van de Wet Douane- en Accijnswet BES (Douane- en Accijnswet BES)

Type Wet Bes
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 401
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen zodat voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt voorzien in een belastingstelsel op het terrein van de accijnzen en het douanerecht en wordt voorzien in een regeling betreffende handels- en dienstenentrepots op het moment dat in het kader van de staatkundige vernieuwing van het Koninkrijk der Nederlanden deze eilanden als openbaar lichaam onderdeel gaan uitmaken van het land Nederland;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Treedt in werking om 00:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in het Europese deel van Nederland.

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1.1

In deze wet en de daarop gebaseerde bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

  • a. aangever: persoon die op eigen naam een aangifte doet of de persoon in wiens naam een aangifte wordt gedaan;
  • b. aangifte: de handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt aan goederen een bepaalde douanebestemming te willen geven;
  • c. carnet ATA: het bij het ATA-Verdrag (Trb. 1963, 128) vastgestelde internationale document dat wordt gebruikt ten behoeve van de tijdelijke in- en uitvoer van goederen;
  • d. besloten terreinen: terreinen die door gebouwen dan wel door muren, schuttingen of dergelijke afsluitingen van de openbare weg zijn afgescheiden;
  • e. brief: postzending in de betekenis die daaraan in het Algemeen Postverdrag (Trb. 1981, 75) wordt gegeven;
  • f. ambtenaren: degenen die namens de inspecteur een taak uitoefenen;
  • g. document: aangifte ten aanzien waarvan de inspecteur na registratie, binnen een bepaalde geldigheidsduur toestemming verleent tot het volgen van de daarin vermelde douanebestemming van goederen en die meer in het bijzonder dient ten geleide van goederen in doorgaand vervoer of ter dekking van de in-, op- of uitslag van goederen;
  • h. inspecteur of ontvanger: functionaris die met de toepassing van deze wet is belast en als zodanig bij regeling van Onze Minister van Financiën, in voorkomend geval, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, is aangewezen;
  • i. douaneformaliteiten: alle handelingen die de belanghebbenden en de inspecteur of de ontvanger dienen te verrichten om aan de wettelijke regelingen te voldoen;
  • j. wettelijke regelingen: bij of krachtens wet vastgestelde regels inzake de in-, uit- en doorvoer van goederen;
  • k. douanekantoor: elk overheidskantoor waar de in de wettelijke regelingen voorgeschreven douaneformaliteiten kunnen worden vervuld;
  • l. douaneschuld: een op een persoon rustende verplichting tot betaling van het bedrag aan invoerrechten en kosten die uit hoofde van de douanewetgeving verschuldigd zijn;
  • m. douanetoezicht: activiteiten die door de inspecteur worden ontplooid om te zorgen voor de naleving van de wettelijke regelingen;
  • n. douaneverklaring: bij het Algemeen Postverdrag vastgesteld formulier CN22/23 ten behoeve van de in- en uitklaring en de aangifte van postzendingen bij de inspecteur;
  • o. erf: het onmiddellijk aan een woning of ander gebouw gelegen, daarbij behorende en daarmee in gebruik zijnde terrein;
  • p. gebouwen: bouwwerken alsmede onroerende tanks en de daarbij behorende leidingen;
  • q. goederen: alle zaken die kunnen worden ingedeeld in het tarief van invoerrechten;
  • r. douanewetgeving: de bepalingen van of krachtens de hoofdstukken I, II en III van deze wet;
  • s. invoer van goederen: in het vrije verkeer van één van de BES eilanden brengen van goederen;
  • t. goederen in het vrije verkeer: goederen die zijn ingevoerd dan wel goederen die op één van de BES eilanden zijn verkregen, of een combinatie van beide;
  • u. invoerrechten: douanerechten die ter zake van de invoer van goederen verschuldigd zijn;
  • v. persoon: natuurlijk persoon of rechtspersoon;
  • w. schuldenaar: elke persoon die een douaneschuld verschuldigd is;
  • x. verificatie: aan een onderzoek onderwerpen van de aangifte, van alle bij te voegen documenten alsmede van de goederen;
  • y. woning: de ruimte waar een persoon zijn privé huiselijk leven leidt die gevormd wordt door een slaapplaats en alle vertrekken en overdekte ruimten die daarmee samen een geheel vormen, waarbij tot bewoning bestemde gedeelten van vervoermiddelen niet worden aangemerkt als woning;
  • z. marktdeelnemer: persoon die zich in het kader van zijn bedrijfsvoering bezighoudt met activiteiten die onder de douanewetgeving vallen;
  • aa. handels- en dienstenentrepot: een op grond van hoofdstuk V als zodanig op de BES eilanden aangewezen terrein of terreinen, gebouw of gebouwen, waar goederen kunnen worden opgeslagen, verwerkt, bewerkt, gemonteerd, verpakt, tentoongesteld en uitgeslagen dan wel andere behandelingen kunnen ondergaan, en waar of van waaruit diensten kunnen worden verleend;
  • bb. Koninkrijk: het Koninkrijk der Nederlanden;
  • cc. Rijk: het land Nederland, zijnde Nederland en de BES eilanden;
  • dd. Nederland: het in Europa gelegen deel van het Rijk;
  • ee. BES eilanden: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
  • ff. accijnsgoed:
  • 1°. op Bonaire: benzine, bier, wijn, overige alcoholhoudende producten en tabaksproducten;
  • 2°. op Saba en Sint Eustatius: benzine;
  • gg. accijnsgoederenplaats: iedere plaats op de BES eilanden waar op grond van de bepalingen van hoofdstuk IV accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden vervaardigd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden ontvangen en mogen worden verzonden;
  • hh. beschikking: een voor bezwaar vatbare schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is en die door de inspecteur of ontvanger is genomen op grond van deze wet;
  • ii. douanecontrole: door of namens de inspecteur verrichte specifieke handelingen voor de correcte toepassing van de wettelijke regelingen; dergelijke handelingen kunnen ondermeer inhouden verificatie, onderzoek van de boekhouding van personen of ondernemingen en onderzoek van andere bescheiden, controle van vervoermiddelen, controle van bagage en andere goederen die personen bij of op zich dragen;
  • jj. douanevertegenwoordiger: iedere persoon die door een andere persoon is aangewezen voor het vervullen van de voorgeschreven douaneformaliteiten bij de inspecteur of ontvanger;
  • kk. aanbrengen: mededeling aan de inspecteur in de vereiste vorm dat de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de inspecteur aangewezen of goedgekeurde plaats zijn aangekomen en beschikbaar zijn voor douanecontrole;
  • ll. inklaren: het vervullen van de voorgeschreven douaneformaliteiten bij het binnenbrengen en aanbrengen van goederen;
  • mm. uitklaren: het vervullen van de voorgeschreven douaneformaliteiten om goederen uit te laten gaan;
  • nn. USD: dollar van de Verenigde Staten van Amerika;
  • oo. tijdelijke opslag: het opslaan van goederen in daarvoor door de inspecteur goedgekeurde ruimten in afwachting van het krijgen van een toegestane douanebestemming;
  • pp. douane-entrepot: inrichting, andere dan een ruimte voor tijdelijke opslag, waar goederen onder douaneverband, in afwachting van het volgen van een nadere douanebestemming, zonder verschuldigdheid van invoerrechten kunnen worden opgeslagen;
  • qq. denatureren: het voor menselijke consumptie en voor de vervaardiging van dranken ongeschikt maken van alcoholhoudende vloeistof.
Artikel 1.2

Deze wet is van toepassing op het grondgebied van de BES eilanden met inbegrip van hun luchtruim, hun maritieme binnenwateren en territoriale zeeën, en elk gebied buiten de territoriale zeeën grenzend aan de BES eilanden, waarin het Koninkrijk, in overeenstemming met het internationale recht, jurisdictie of soevereine rechten uitoefent met betrekking tot de zeebodem, de ondergrond daarvan, het bovenliggende water en luchtruim.

Artikel 1.3
1.

De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ter handhaving van verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in, het onder zich houden op of verlaten van één van de BES eilanden van toepassing zijn.

2.

Onze Minister van Financiën sluit met Onze Ministers wie het mede aangaat convenanten aangaande de kwantitatieve en kwalitatieve inzet van de functionarissen die ressorteren onder de rijksbelastingdienst met betrekking tot de douanecontrole van de in het eerste lid bedoelde verboden of beperkingen.

3.

De bepalingen bij of krachtens deze wet strekken mede ten behoeve van de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit regelingen van internationaal en interregionaal recht tot het verlenen van wederzijdse administratieve bijstand en samenwerking inzake goederen en goederenverkeer.

Artikel 1.4
1.

Krachtens deze wet worden op de BES eilanden de volgende belastingen geheven:

  • a. invoerrechten; en
  • b. accijnzen.
2.

Krachtens deze wet worden regels gesteld betreffende handels- en dienstenentrepots op de BES eilanden.

Hoofdstuk II. Formele bepalingen

Titel 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1
1.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden bepalingen vastgesteld met betrekking tot douanekantoren.

2.

De inspecteur stelt de openingstijden van de douanekantoren vast.

3.

De beheerder van een luchthaven, haven of handels- en dienstenentrepot alsmede de beheerder van een douane-entrepot, accijnsgoederenplaats of een ruimte voor tijdelijke opslag van goederen, stelt voor de ambtenaren, kosteloos, adequate kantoor- en visitatieruimte ter beschikking ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden.

4.

De inspecteur kan op verzoek toestaan dat de douaneformaliteiten op andere plaatsen en tijden worden verricht, voor zover de noodzaak daartoe wordt aangetoond en het belang van de douane zich daar niet tegen verzet.

Artikel 2.2
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden de gevallen vastgesteld waarin de belanghebbende ter zake van het verrichten van werkzaamheden kosten aan het Rijk is verschuldigd.

2.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden de tarieven van de kosten die verschuldigd zijn krachtens het eerste lid, vastgesteld.

Artikel 2.3
1.

De in het tweede lid van artikel 2.2 bedoelde tarieven worden zodanig vastgesteld dat de verschuldigde kosten de werkelijke kosten zoveel mogelijk benaderen.

2.

De inspecteur stelt het bedrag van de door belanghebbende verschuldigde kosten bij beschikking vast.

Artikel 2.4
1.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden de modellen en authenticiteitskenmerken van de formulieren voor de verklaring tot inklaring, bedoeld in artikel 2.10, voor de aangifte van gegevens inzake de douanewaarde, bedoeld in artikel 3.9 en voor het enig document, waarbij tevens het aantal exemplaren waaruit een formulier bestaat en de toelichting op het gebruik van een formulier, vastgesteld.

2.

De modellen, bedoeld in het eerste lid, strekken tot het verkrijgen van de gegevens welke zijn vereist voor de heffing en inning van invoerrechten, en voor de statistiek.

3.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen de tarieven van de vergoedingen worden vastgesteld, tegen betaling waarvan de formulieren en toelichtingen, bedoeld in het eerste lid, verkrijgbaar zijn.

Artikel 2.5
1.

De douanevertegenwoordiger heeft geen bijzondere rechten ten opzichte van de door hem vertegenwoordigde persoon.

2.

De vertegenwoordiging kan direct zijn, in welk geval de douanevertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel indirect, in welk geval de douanevertegenwoordiger op eigen naam doch voor rekening van een andere persoon handelt.

3.

Een douanevertegenwoordiger woont op de BES eilanden of is daar gevestigd en dient aan de inspecteur te verklaren dat hij voor rekening van de vertegenwoordigde persoon handelt, en aan te geven of het een directe dan wel indirecte vertegenwoordiging betreft.

4.

De persoon die verklaart niet te handelen als douanevertegenwoordiger of die verklaart als douanevertegenwoordiger te handelen zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht op eigen naam en voor eigen rekening te handelen.

5.

De inspecteur is bevoegd van degene die verklaart als douanevertegenwoordiger te handelen, het bewijs te eisen dat hem door de vertegenwoordigde persoon vertegenwoordigingsbevoegdheid is verleend.

6.

Indien door de inspecteur wordt geconstateerd dat een douanevertegenwoordiger zodanig laakbare handelingen heeft gepleegd dat gevreesd wordt, dat bij voortzetting van de vertegenwoordiging ernstige schade wordt berokkend aan de belangen van de opdrachtgevers of aan het Rijk, wordt hem een waarschuwing uitgereikt met vermelding van de feiten waarop zij is gegrond.

7.

De inspecteur kan, na gedane waarschuwing, een douanevertegenwoordiger, al dan niet tijdelijk, uitsluiten van het optreden namens een ander, indien deze bij herhaling de handelingen, bedoeld in het zesde lid, heeft gepleegd. Deze beslissing tot uitsluiting wordt schriftelijk meegedeeld aan de betrokkene met vermelding van de duur van de uitsluiting.

Artikel 2.6
1.

De inspecteur kan bij beschikking een persoon die in het kader van een bedrijf of beroep aangifte doet op eigen naam en voor eigen rekening op een schriftelijke aanvraag als douane-expediteur toelaten. De inspecteur kan aan een toelating voorwaarden verbinden.

2.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens en informatie die bij een aanvraag tot toelating als douane-expediteur dienen te worden gevoegd en kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de kwalificaties waarover een douane-expediteur moet beschikken.

3.

De douane-expediteur die niet op de BES eilanden woont of is gevestigd, is gehouden op de BES eilanden domicilie te kiezen alvorens hij werkzaamheden als toegelaten douane-expediteur gaat verrichten.

4.

De douane-expediteur heeft een voorrecht op alle vermogensbestanddelen van de opdrachtgever voor de door hem ten behoeve van zijn opdrachtgever betaalde invoerrechten, andere belastingen, heffingen, retributies dan wel rente, interest, kosten en bestuurlijke boeten voor zover aan zijn opdrachtgever te wijten gedurende een jaar na de aan het Rijk gedane betaling.

5.

Aan de toelating tot douane-expediteur worden in elk geval de volgende voorwaarden verbonden: de douane-expediteur stelt een doorlopende zekerheid voor de douaneschuld die kan ontstaan uit hoofde van door hem gedane aangiften en is gehouden aan zijn opdrachtgever een factuur te verstrekken waarin ten behoeve van deze laatste aan de ontvanger van het desbetreffend BES eiland betaalde invoerrechten, andere belastingen, heffingen, retributies, dan wel rente en kosten en bestuurlijke boeten voor zover aan zijn opdrachtgever te wijten, duidelijk en afzonderlijk zijn omschreven.

6.

De artikelen 2.89, 2.91, tweede en derde lid, en de artikelen 2.92 tot en met 2.96, zijn van toepassing op de doorlopende zekerheid, bedoeld in het vijfde lid.

7.

De inspecteur kan een toelating als douane-expediteur bij beschikking weigeren aan een persoon die, in de laatstverlopen vijf jaren vanaf het moment van ontvangst van de schriftelijke aanvraag door de inspecteur, wegens een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld indien dat strafbaar feit naar Nederlands recht wordt aangemerkt als een misdrijf of diens eerdere toelating als douane-expediteur ingevolge het achtste lid is ingetrokken.

8.

De inspecteur kan op grond van laakbare handelingen van de douane-expediteur, gepleegd in de uitoefening van zijn bedrijf als douane-expediteur, diens toelating als douane-expediteur bij beschikking intrekken, indien hij in de drie jaren daarvoor aan de douane-expediteur wegens gepleegde laakbare handelingen een waarschuwing, houdende de feiten waarop zij is gegrond, heeft uitgereikt.

9.

In afwijking van het achtste lid kan de inspecteur de toelating als douane-expediteur bij beschikking onmiddellijk intrekken, indien de douane-expediteur onherroepelijk is veroordeeld wegens een strafbaar feit, indien dat strafbaar feit naar Nederlands recht wordt aangemerkt als een misdrijf.

10.

Aan de douane-expediteur wiens toelating is ingetrokken, wordt, behoudens in bijzondere gevallen, een nieuwe toelating niet verleend voordat vijf jaren sedert de intrekking zijn verlopen.

Artikel 2.7
1.

Niet op de BES eilanden gevestigde lucht- of scheepvaartmaatschappijen zijn verplicht bij ondertekende verklaring, te deponeren bij het douanekantoor waar de goederen aankomen, domicilie op het desbetreffend BES eiland te kiezen voor alles wat de uitvoering van de wettelijke regelingen betreft, indien een luchtvaartuig of schip van deze lucht- of scheepvaartmaatschappijen een luchthaven of haven op de BES eilanden aandoet.

2.

Indien niet aan het eerste lid wordt voldaan, worden de desbetreffende maatschappijen geacht voor gemelde doeleinden domicilie te hebben gekozen op het douanekantoor waar de goederen aankomen op het desbetreffend BES eiland.

Artikel 2.8
1.

De inspecteur verstrekt op verzoek en binnen een redelijke termijn inlichtingen over de toepassing van deze wet en de daarop gegronde bepalingen.

2.

De te verstrekken inlichtingen zullen tevens informatie omvatten over hetgeen naar het oordeel van de inspecteur met betrekking tot een bepaalde transactie van betekenis kan zijn voor de belanghebbende, ook indien in het verzoek geen welbepaalde vraag daaromtrent is opgenomen.

3.

De inlichtingen worden kosteloos verstrekt. Indien de inspecteur echter extra kosten moet maken, met name voor analyse, expertises of voor de terugzending van de goederen naar de aanvrager, kan hij van de aanvrager een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten verlangen.

Artikel 2.9
1.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden de gevallen aangewezen waarin de inspecteur op schriftelijk verzoek bij beschikking bindende inlichtingen over de toepassing van wettelijke regelingen op specifiek omschreven goederen kan verstrekken. Een bindende inlichting bindt de inspecteur slechts voor zover volledige overeenstemming bestaat tussen het in de inlichting omschreven goed en het aangegeven goed en heeft uitsluitend gelding ten aanzien van goederen die worden in- of uitgevoerd na de datum waarop de inlichting door de inspecteur is verstrekt.

2.

Een bindende inlichting is, gerekend vanaf de datum waarop de beschikking van kracht wordt, gedurende een jaar geldig.

3.

In afwijking van het tweede lid, verliest een bindende inlichting haar geldigheid indien zij:

  • a. ten gevolge van een wijziging van de wettelijke regelingen niet meer met het geldende recht in overeenstemming is;
  • b. niet langer verenigbaar is met volkenrechtelijke verplichtingen ten gevolge van de sluiting of wijziging van overeenkomsten die gelding hebben in het Rijk of met bindende internationale afspraken over de uitleg van die overeenkomsten;
  • c. niet langer verenigbaar is met een besluit over de uitleg van wettelijke regelingen of met een gerechtelijke uitspraak; of
  • d. overeenkomstig artikel 2.85, tweede lid, wordt ingetrokken of gewijzigd, mits aan de verkrijger van de inlichtingen daarvan vooraf kennis wordt gegeven.
4.

De datum waarop de bindende inlichting haar geldigheid verliest, is de datum waarop de vaststelling of wijziging van een wettelijke regeling of internationale overeenkomst in werking is getreden, onderscheidenlijk de internationale afspraak, de gerechtelijke uitspraak of het besluit, bekend is gemaakt.

5.

In afwijking van het tweede lid, mag de verkrijger van een bindende inlichting deze nog gedurende een periode van zes maanden na de bekendmaking van het verlies van de geldigheid overeenkomstig het derde lid, onderdelen c of d, gebruiken, indien hij op basis van de bindende inlichting en vóór de vaststelling van de betreffende maatregel, vaste en definitieve overeenkomsten voor de aankoop of de verkoop van de betreffende goederen heeft gesloten.

Titel 2. In-, uit- en doorvoer

Afdeling 1. Douanestelsel

Artikel 2.10
1.

Goederen die over zee of door de lucht de BES eilanden worden binnengebracht, worden onverwijld en rechtstreeks vervoerd naar de plaatsen waar douanekantoren zijn gevestigd en worden aldaar aangebracht en met een daartoe strekkende verklaring ingeklaard.

2.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden regels gesteld ten aanzien van de aanlevering van gegevens met betrekking tot binnen te brengen goederen, binnen een daarbij te stellen termijn.

3.

De verklaring, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend door de persoon die de goederen de BES eilanden heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die zich met het vervoer van de goederen heeft belast nadat deze zijn binnengebracht.

4.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden categorieën van vaartuigen en luchtvaartuigen aangewezen waarvoor de verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet geldt.

5.

De inspecteur kan op schriftelijk verzoek en onder door hem te stellen voorwaarden, ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste, tweede of derde lid, voor zover de in het geding zijnde financiële belangen zich daar niet tegen verzetten.

6.

Goederen aangevoerd over zee of door de lucht worden, behoudens tegenbewijs, geacht uit zee, onderscheidenlijk door de lucht op de BES eilanden te zijn binnengekomen.

7.

Het eerste lid is niet van toepassing op goederen die zich bevinden aan boord van schepen of luchtvaartuigen die de territoriale zee dan wel het luchtruim van één van de BES eilanden doorkruisen zonder een op deze eilanden gelegen haven of luchthaven als bestemming te hebben.

Artikel 2.11
1.

Ingeklaarde goederen worden met toestemming en onder toezicht van de inspecteur, gelost op bij regeling van Onze Minister van Financiën vastgestelde uren en plaatsen.

2.

De inspecteur bepaalt binnen welke termijn de lossing plaatsvindt.

3.

De lossing kan eerst geschieden nadat de aansprakelijkheid voor de eventueel verschuldigde invoerrechten is verzekerd dan wel een document is verkregen op een aangifte voor een douanebestemming als bedoeld in artikel 2.15.

4.

De inspecteur kan, rekening houdend met de aard van de goederen of met de douanebestemming van de goederen, een lossing buiten de vastgestelde uren en plaatsen toestaan. Zonodig wordt bij het vervoer naar een andere plaats verzegeling toegepast of vindt dit vervoer plaats onder bewaking.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op goederen waaraan de bestemming doorvoer wordt gegeven en die rechtstreeks worden doorgevoerd in het vervoermiddel waarin zij zijn aangevoerd.

Artikel 2.12
1.

Ingeklaarde goederen kunnen onder dekking van de op de verklaring tot inklaring afgegeven akte, tijdelijk worden opgeslagen in door de inspecteur goedgekeurde ruimten, op terreinen of op andere locaties en onder door hem te stellen voorwaarden. De opslag geschiedt met toestemming van de inspecteur en onder zekerheidstelling voor een eventuele douaneschuld.

2.

De aansprakelijkheid voor de eventueel verschuldigde invoerrechten wordt overgenomen door de beheerder van een ruimte voor tijdelijke opslag, zonder dat daarvoor opnieuw aangifte behoeft te worden gedaan.

3.

Aan goederen in tijdelijke opslag wordt binnen een termijn van eenentwintig dagen na het indienen van de verklaring tot inklaring, een bestemming gegeven als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid.

4.

Indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan de inspecteur op schriftelijk verzoek van de beheerder, de in het derde lid genoemde termijn, verlengen tot ten hoogste dertig dagen.

Artikel 2.13
1.

Goederen zijn aan douanetoezicht onderworpen vanaf het moment dat ten aanzien daarvan verplichtingen moeten worden nagekomen uit hoofde van wettelijke regelingen.

2.

Goederen aangetroffen op de BES eilanden worden, behoudens tegenbewijs, geacht onder douanetoezicht te zijn.

3.

Het douanetoezicht wordt beëindigd op het moment waarop de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn nagekomen dan wel ophouden te bestaan.

Artikel 2.14
1.

Goederen onder douanetoezicht die bij de inspecteur zijn aangebracht, bevinden zich tot het moment waarop zij zijn vrijgegeven dan wel tot het moment dat zij de BES eilanden daadwerkelijk verlaten onder douaneverband.

2.

Ter verzekering van de identiteit van goederen onder douaneverband, kan de inspecteur identificatiemaatregelen treffen dan wel de goederen onder bewaking stellen.

Artikel 2.15
1.

Aan ingeklaarde goederen en goederen in tijdelijke opslag wordt een van de volgende douanebestemmingen gegeven:

  • a. invoer;
  • b. tijdelijke invoer;
  • c. doorgaand vervoer;
  • d. douane-entrepot of handels- en dienstenentrepot;
  • e. actieve veredeling;
  • f. doorvoer, rechtstreeks zonder overlading dan wel met overlading; of
  • g. invoer met opslag in accijnsgoederenplaats.
2.

Anders dan in het geval van tijdelijke opslag, wordt de aangifte voor de douanebestemmingen, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk gedaan, doch uiterlijk binnen tweemaal vierentwintig uur na de indiening van de verklaring tot inklaring. Op verzoek van de aangever kan de inspecteur in naar zijn oordeel gerechtvaardigde gevallen toestaan dat deze termijn wordt verlengd met maximaal twee dagen.

3.

Het doorgaand vervoer van goederen geschiedt onder zekerheidstelling voor een eventuele douaneschuld.

Artikel 2.16
1.

Aan goederen die zijn overgebracht naar een douane-entrepot of naar een handels- en dienstenentrepot, of die overgaan van het regime van tijdelijke opslag naar de opslag in een douane-entrepot of opslag in een accijnsgoederenplaats of opslag in een handels- en dienstenentrepot, wordt de douanebestemming douane-entrepot, accijnsgoederenplaats of handels- en dienstenentrepot, gegeven.

2.

Voor de in- of uitslag is toestemming van de inspecteur vereist.

3.

Aan goederen in een douane-entrepot of in een handels- en dienstenentrepot die bestemd zijn om te worden overgebracht naar een ander douane-entrepot, naar een andere handels- en dienstenentrepot of naar een plaats buiten de BES eilanden, dan wel bestemd zijn om ten invoer te worden aangegeven, wordt de douanebestemming douane-entrepot ter overbrenging naar een ander douane-entrepot of een handels- en dienstenentrepot onderscheidenlijk doorvoer of invoer gegeven.

4.

Aan goederen in een handels- en dienstenentrepot die bestemd zijn om te worden overgebracht naar een andere handels- en dienstenentrepot, een douane-entrepot of naar een plaats buiten de BES eilanden, dan wel bestemd zijn om ten invoer te worden aangegeven, wordt de douanebestemming uitslag uit een handels- en dienstenentrepot ter overbrenging naar een andere handels- en dienstenentrepot of naar een douane-entrepot onderscheidenlijk doorvoer of invoer gegeven.

5.

De overbrenging en de doorvoer van goederen geschiedt onder zekerheidstelling voor een eventuele douaneschuld.

Artikel 2.17

Goederen in het vrije verkeer, die van de ene plaats in een openbaar lichaam over zee of door de lucht naar een andere plaats in hetzelfde openbaar lichaam worden gebracht, worden bij aankomst op die andere plaats als herkomstig uit het vrije verkeer beschouwd, voor zover zulks blijkt uit overgelegde bescheiden en de bij vertrek eventueel aangebrachte douaneverzegeling of andere identificatiemaatregel van de douane ongeschonden wordt bevonden.

Artikel 2.18
1.

Aan goederen die zich op rechtmatige wijze in het vrije verkeer bevinden en bestemd zijn om naar een plaats buiten één van de BES eilanden te worden gebracht, kan een van de volgende douanebestemmingen worden gegeven:

  • a. uitvoer onder krediet of met teruggaaf van accijns van:
  • 1°. bier;
  • 2°. wijn;
  • 3°. overige alcoholhoudende producten;
  • 4°. sigaretten;
  • 5°. rooktabak;
  • 6°. sigaren of cigarillo’s;
  • 7°. benzine;
  • b. tijdelijke uitvoer;
  • c. uitvoer in andere dan in onderdelen a of b bedoelde gevallen.
2.

Goederen die ten uitvoer zijn aangegeven en goederen waaraan de douanebestemming doorvoer is gegeven, worden bij een douanekantoor aangebracht en na de afgifte van een akte op de verklaring tot uitklaring en de toestemming tot vertrek van de inspecteur, rechtstreeks en onverwijld buiten één van de BES eilanden gebracht.

3.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden categorieën van vervoermiddelen, waarin of waarop goederen worden vervoerd, aangewezen waarvoor de verplichting genoemd in het tweede lid niet geldt.

4.

Goederen aanwezig in of op schepen op weg naar zee of bestemd om aanstonds naar zee te vertrekken, zomede goederen die op het punt staan in die schepen te worden opgenomen, worden aangemerkt als goederen die over zee één van de BES eilanden zullen uitgaan, tenzij blijkt dat de goederen bestemd zijn voor een plaats op één van de BES eilanden en het vervoer zal geschieden zonder dat het schip één van de BES eilanden uitgaat.

5.

Goederen aanwezig in luchtvaartuigen, klaar voor vertrek, en goederen die op het punt staan in die luchtvaartuigen te worden geladen, worden aangemerkt als goederen die door de lucht één van de BES eilanden zullen uitgaan.

Artikel 2.19
1.

Goederen die ten uitvoer of ten doorvoer zijn aangegeven, kunnen, in afwachting van het inladen in het uitgaande vervoermiddel, onder door de inspecteur te stellen voorwaarden tijdelijk worden opgeslagen in de door hem goedgekeurde ruimten, op terreinen of op andere locaties.

2.

Ter dekking van de opslag dient het document dat is afgegeven op de aangifte voor een van de douanebestemmingen, bedoeld in artikel 2.18, dan wel, ingeval van voorafgaande tijdelijke invoer, het voor die douanebestemming afgegeven document.

Artikel 2.20
1.

Goederen die over zee of door de lucht zijn aangevoerd, waarvan de belanghebbende niet bekend is en die zich op haven- of luchthaventerreinen bevinden, blijven onder beheer en verantwoordelijkheid van de vervoerder die de goederen heeft binnengebracht.

2.

Indien aannemelijk is dat de goederen, bedoeld in het eerste lid, als bagage door een reiziger zijn binnengebracht, besluit de inspecteur na overleg met de desbetreffende vervoerder, of het eerste lid wordt toegepast.

Artikel 2.21
1.

Goederen kunnen op verzoek van degene op wiens naam het voor de goederen afgegeven document is gesteld, aan het Rijk worden afgestaan indien:

  • a. deze zich onder douaneverband bevinden; of
  • b. daaraan de douanebestemming invoer is gegeven, doch de goederen nog niet zijn vrijgegeven.
2.

Het eerste lid vindt geen toepassing in geval van goederen ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat daarmee een strafbaar feit is gepleegd, of ten aanzien waarvan de inspecteur bij de controle van de desbetreffende aangifte te kennen heeft gegeven dat een onderzoek zal worden uitgevoerd.

Artikel 2.22
1.

Goederen als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, kunnen op verzoek van degene op wiens naam het voor de goederen afgegeven document is gesteld, onder toezicht van de inspecteur worden vernietigd.

2.

Voor de eventuele resten en afvallen van vernietiging wordt aangifte ten invoer gedaan.

3.

De inspecteur kan een beschikking tot het doen vernietigen van de goederen afgeven indien de betreffende goederen geen toegelaten douanebestemming kunnen krijgen in verband met de toepassing van verboden of beperkingen als bedoeld in artikel 2.26, eerste lid. De inspecteur stelt de houder van de goederen in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen. De aan de vernietiging verbonden kosten komen te zijner laste.

Artikel 2.23
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de instelling van een terrein van toezicht, waarvan de omvang wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Financiën.

2.

Bij de krachtens het eerste lid te stellen regels wordt, met inachtneming van de nodig geachte onderscheidingen, het vervoer, de uitslag, de inslag of het voorhanden hebben van bepaalde goederen verboden of slechts toegestaan, voor zover de inspecteur daarvoor op schriftelijk verzoek ontheffing heeft verleend.

Artikel 2.24

Bij regeling van Onze Minister van Financiën, teneinde de goede werking van deze wet te waarborgen, kunnen bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot:

  • a. de formaliteiten voorafgaand aan en aangaande het binnenbrengen op en het verlaten van de BES eilanden van schepen en luchtvaartuigen en de aan boord van deze schepen en luchtvaartuigen aanwezige goederen;
  • b. het reizigersverkeer en postverkeer;
  • c. de tijdelijke opslag;
  • d. de douaneaangifte, mede ten dienste van de statistiek van de in-, uit- en wederuitvoer;
  • e. het onderzoek van goederen en monsterneming;
  • f. identificatiemaatregelen, middelen daaronder begrepen;
  • g. zekerheid;
  • h. het in kennis stellen van de inspecteur voorafgaand aan de doorvoer dan wel de vernietiging van goederen;
  • i. de invoer van goederen met betaling van de verschuldigde invoerrechten onderscheidenlijk de invoer met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten al dan niet na tijdelijke uitvoer;
  • j. het doorgaande vervoer van binnengebrachte goederen, meer in het bijzonder de doorvoer en de overbrenging naar een ruimte voor tijdelijke opslag, een douane-entrepot of een handels- en dienstenentrepot;
  • k. de invoer van goederen waarvoor met toepassing van de regeling actieve veredeling, bedoeld in artikel 3.96, vrijstelling van invoerrecht wordt verleend, alsmede de uitvoer van goederen waarvoor met toepassing van de regeling passieve veredeling, bedoeld in artikel 3.80 gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrecht bij wederinvoer wordt verleend;
  • l. de tijdelijke invoer van goederen met vrijstelling van invoerrecht;
  • m. de uitvoer van goederen en de uitgaande opslag;
  • n. het wijzigen van de douanebestemming die aan goederen is gegeven;
  • o. de in-, op- en uitslag, het behandelen alsmede het tentoonstellen van goederen in een handels- en dienstenentrepot;
  • p. diplomatiek goederenverkeer.
Artikel 2.25
1.

In de krachtens artikel 2.24 getroffen regeling komen in elk geval bepalingen voor:

  • a. omtrent de formaliteiten die in acht worden genomen ten aanzien van goederen die aan de kust zijn gestrand, gered of opgevist;
  • b. omtrent de formaliteiten die in acht worden genomen, indien in geval van nood, een binnenkomend vaartuig of luchtvaartuig zich niet onverwijld en rechtstreeks begeeft naar een plaats als bedoeld in artikel 2.10;
  • c. omtrent de formaliteiten die in acht worden genomen, indien in geval van nood, een uitgaand vaartuig of luchtvaartuig zich niet onverwijld en rechtstreeks buiten één van de BES eilanden begeeft.
2.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen de voorwaarden worden vastgesteld waaronder, in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgezien van de heffing van invoerrechten, hetzij omdat de betreffende goederen geacht worden herkomstig te zijn uit het vrije verkeer, hetzij omdat de goederenbeweging kan worden aangemerkt als rechtstreekse doorvoer.

Artikel 2.26
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen verboden of beperkingen ten aanzien van goederen worden vastgesteld die bij het binnenbrengen op, onderscheidenlijk verlaten van de BES eilanden, van toepassing zijn.

2.

Aan goederen waarvan de invoer is verboden, doch die overigens op regelmatige wijze zijn binnengebracht en aangegeven, wordt, tenzij bijzondere wetten zich daartegen verzetten, de douanebestemming doorvoer of wederuitvoer gegeven. De verplichting tot het doen van aangifte rust op de belanghebbende bij de goederen.

3.

In bijzondere gevallen kan, in afwijking van het eerste lid, door de inspecteur worden toegestaan dat voor verboden goederen tevens afstand van de goederen wordt gedaan overeenkomstig artikel 2.21, of dat een verzoek tot vernietiging wordt gedaan overeenkomstig artikel 2.22, eerste en tweede lid, onder de voorwaarden, bedoeld bij die artikelen.

Afdeling 2. Aangiften

Artikel 2.27
1.

Van het voornemen om aan goederen een douanebestemming te geven als bedoeld in de artikelen 2.15, 2.16 en 2.18, wordt aangifte gedaan.

2.

Aangifte kan worden gedaan bij elk douanekantoor en binnen de vastgestelde openingstijden.

3.

Aangifte kan worden gedaan door elke persoon die in staat is de goederen aan de inspecteur te tonen en die alle bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de bestemming waarvoor deze goederen zijn aangegeven.

4.

De aangever is woonachtig of gevestigd op de BES eilanden.

5.

Het vierde lid is niet van toepassing op personen:

  • a. die aangifte ten uitvoer of tijdelijke invoer doen;
  • b. die incidenteel aangifte doen.
Artikel 2.28
1.

De inspecteur staat toe dat goederen onder douaneverband door of vanwege degene die daarvan aangifte zal doen, onder toezicht van de inspecteur aan onderzoek en monsterneming worden onderworpen, voordat aangifte wordt gedaan.

2.

Voor het geven van een bestemming aan de monsters die onder toezicht van de inspecteur zijn genomen, behoeft geen aparte aangifte te worden gedaan, voor zover de aangifte voor de betreffende goederenzending mede betrekking heeft op het gedeelte van de zending dat voorwerp is van monsteronderzoek.

Artikel 2.29
1.

Aangifte wordt elektronisch, dan wel in gevallen waarin dat is voorgeschreven of toegestaan, mondeling, schriftelijk of door middel van een andere handeling gedaan.

2.

Een aangifte voor de douanebestemming invoer of voor tijdelijke invoer kan door middel van een andere handeling als bedoeld in het eerste lid, worden gedaan voor de persoonlijke bagage van reizigers, mits de goederen voor vrijstelling van invoerrechten in aanmerking komen.

3.

De andere handeling, bedoeld in het eerste lid, kan, indien de verplichting bestaat om de goederen bij een douanekantoor of op enige andere door de inspecteur aangewezen plaats aan te brengen, bestaan uit:

  • a. het gebruik van het groene kanaal, niets aan te geven, bij een douanekantoor waar een dubbel controlekanaal aanwezig is; of
  • b. het passeren van een douanecontrolepost waar geen dubbel controlekanaal aanwezig is, zonder aldaar uit eigen beweging aangifte te doen.
Artikel 2.30
1.

Voor het doen van schriftelijke aangifte worden de formulieren – in originele vorm en in het vereiste aantal exemplaren – gebruikt, waarvan de modellen overeenkomstig artikel 2.4 zijn vastgesteld, behalve in geval van een vereenvoudigde aangifte.

2.

Het formulier dat wordt gebruikt voor het doen van aangifte wordt door de aangever volledig en naar waarheid ingevuld volgens de daarbij behorende toelichting en wordt door hem gedagtekend en ondertekend.

Artikel 2.31
1.

De aangever overlegt bij het doen van aangifte alle bescheiden die overeenkomstig artikel 2.36 vereist zijn.

2.

Indien handels- of administratieve bescheiden, met behulp waarvan de aangifte wordt gedaan, in een andere taal zijn gesteld dan het Engels, het Spaans of het Nederlands kan de inspecteur een vertaling daarvan eisen.

Artikel 2.32
1.

Aangifte wordt gedaan in de Nederlandse taal.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen in de gevallen waarin aangifte wordt gedaan met behulp van formulieren voorzien in een internationale overeenkomst, dan wel met gebruikmaking van een handels- of administratief bescheid, aangifte eveneens worden gedaan in een andere taal, mits het hier te lande gebruikelijke letterschrift wordt gebruikt.

Artikel 2.33
1.

Indien de aangifte voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 2.30 tot en met 2.32 wordt de aangifte dadelijk door de inspecteur aanvaard en geregistreerd. De datum van aanvaarding wordt op het formulier vermeld.

2.

Indien de aangifte niet kan worden aanvaard, wordt daarvan, onder teruggave van het betreffende formulier, gemotiveerd mededeling gedaan aan de aangever.

3.

Tegen het niet aanvaarden van de aangifte staan geen bezwaar en beroep open.

Artikel 2.34

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het wijzigen of buitenwerking stellen van een aangifte nadat deze is aanvaard, doch voordat een aanvang is gemaakt met de controle daarvan.

Artikel 2.35
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het doen van een:

  • a. onvolledige aangifte; en
  • b. vereenvoudigde aangifte.
2.

Bij een onvolledige aangifte aanvaardt de inspecteur, in naar behoren gemotiveerde gevallen, een aangifte die niet alle vereiste gegevens bevat of waar niet alle vereiste bescheiden zijn bijgevoegd. De derde afdeling van deze titel is van toepassing.

3.

Bij een vereenvoudigde aangifte aanvaardt de inspecteur, in naar behoren gemotiveerde gevallen, een handels- of administratief document, dat geheel of ten dele in de plaats treedt van een aangifteformulier of van een of meerdere gegevens in dat aangifteformulier.

4.

De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, bevat in elk geval bepalingen over de gegevens die minimaal zijn vereist ter verzekering van de identiteit van de goederen of ter berekening van de verschuldigde invoerrechten, alsmede over de termijn waarbinnen een onvolledige aangifte moet zijn aangevuld met de nog ontbrekende gegevens.

5.

Voor het doen van een onvolledige aangifte en van een vereenvoudigde aangifte is zekerheidstelling vereist.

Artikel 2.36
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bescheiden die worden gevoegd bij het formulier waarmee aangifte wordt gedaan.

2.

De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, bevat in elk geval regels met betrekking tot:

  • a. de aard van de bij te voegen bescheiden, te weten informatie ten behoeve van de controle op de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens en ten behoeve van de toepassing van de wettelijke regelingen en de authenticiteitskenmerken van dergelijke bescheiden;
  • b. de talen waarin de bescheiden mogen zijn gesteld en de gevallen waarin een vertaling kan worden geëist;
  • c. de voorwaarden waaronder de inspecteur kan toestaan dat andere informatiedragers dan originele schriftelijke stukken kunnen dienen als een bescheid als bedoeld in onderdeel a; de voorwaarden hebben in geval van elektronisch berichtenverkeer mede betrekking op de wijze waarop de authenticiteit van dergelijk verkeer wordt gewaarborgd.
Artikel 2.37
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de preferentiële oorsprong vastgesteld voor goederen die in aanmerking komen voor de preferentiële maatregelen ten gunste van de met de Europese Unie geassocieerde landen en gebieden overzee. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen over:

  • a. de aanvraag om te worden opgenomen in de lijst van geregistreerde exporteurs (REX);
  • b. de aard en wijze van het opstellen van het attest van oorsprong; en
  • c. de controle van de opgestelde attesten bij in- en uitvoer.
2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:

  • a. het model van het certificaat van oorsprong voor de uitvoer van goederen;
  • b. de voorwaarden voor de bepaling van de oorsprong van goederen die op de BES eilanden geheel en al zijn voortgebracht dan wel goederen waarvan de bestanddelen zijn ingevoerd, maar op de BES eilanden een substantiële bewerking hebben ondergaan; en
  • c. de wijze van verkrijging, de voorwaarden voor afgifte en de controle van bedoeld certificaat alsmede het drukken van certificaten van oorsprong.
Artikel 2.38

Artikel 2.29 is van overeenkomstige toepassing op de verklaring tot inklaring en de verklaring tot uitklaring als bedoeld in artikel 2.10 onderscheidenlijk artikel 2.18.

Afdeling 3. Controle van aangiften, vrijgave en wegvoering van goederen

Artikel 2.39
1.

Aangiften die aanvaard zijn worden onderworpen aan controle door de inspecteur, teneinde de nakoming van wettelijke regelingen te verzekeren.

2.

De controle geschiedt gelijktijdig met of direct na aanvaarding van de aangifte.

3.

De inspecteur schrijft de aangegeven goederen af van een eventueel voorafgaand document, uiterlijk vrijgave van de goederen, bedoeld in artikel 2.42.

Artikel 2.40
1.

Het onderzoek van een groep of partij goederen of de controle achteraf van aangiften kan geschieden door middel van een gedeeltelijk onderzoek.

2.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het gedeeltelijk onderzoek wordt uitgevoerd en kunnen de maatstaven worden vastgesteld aan de hand waarvan de onderzoeksresultaten dan wel de controle achteraf van aangiften, deel uitmakend van het deelonderzoek, als beslissend worden aangemerkt voor de gehele groep of goederen waartoe de onderzochte goederen, onderscheidenlijk de gehele groep van aangiften, waartoe de gecontroleerde aangiften behoren.

3.

De inspecteur geeft voorrang aan het onderzoek van levende dieren, spoedig aan bederf onderhevige goederen en andere goederen waarvan hij het spoedeisende karakter onderschrijft.

4.

De aangever is, op vordering van de inspecteur, gehouden de goederen aan te wijzen en deze op zijn kosten te vervoeren naar een door de inspecteur aangewezen plaats. Indien dezelfde goederen ook door andere diensten worden gecontroleerd, zal de inspecteur bevorderen dat het onderzoek gecoördineerd, en waar mogelijk op dezelfde plaats en op hetzelfde tijdstip als het onderzoek van de douane wordt verricht.

5.

De inspecteur staat op verzoek van de aangever toe dat deze aanwezig is bij het onderzoek, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet. De inspecteur kan de aangever verplichten bij het onderzoek aanwezig te zijn, indien diens medewerking het onderzoek kan vergemakkelijken.

6.

Bij douanecontrole van een aangifte worden de resultaten van het onderzoek van de goederen geacht overeen te komen met de aangifte indien de bevonden verschillen blijven binnen de spelingen die daartoe bij regeling van Onze Minister van Financiën zijn vastgesteld.

7.

Van de uitkomst van het onderzoek doet de inspecteur mededeling aan de aangever.

Artikel 2.41
1.

De inspecteur kan, overeenkomstig artikel 2.60, ten behoeve van de indeling in het geharmoniseerde systeem en waardevaststelling, alsmede met het oog op de toepassing van andere wettelijke regelingen, monsters nemen van goederen.

2.

Op verzoek van de aangever is de inspecteur gehouden monsters te nemen.

3.

Het monster of hetgeen daarvan is overgebleven wordt desverlangd aan de belanghebbende teruggegeven, zodra de inspecteur bepaalt dat het kan worden gemist.

Artikel 2.42
1.

De inspecteur geeft toestemming tot wegvoering van de goederen of geeft, indien aan de goederen de douanebestemming invoer wordt gegeven, de goederen vrij, indien:

  • a. de controle van de aangifte is beëindigd en aan de voorwaarden voor het volgen van de aangegeven douanebestemming is voldaan;
  • b. de invoerrechten, welke verschuldigd zijn of kunnen worden, zijn betaald of de daarvoor door de inspecteur verlangde zekerheid is gesteld;
  • c. de eventuele invoer- of uitvoervergunningen zijn verkregen; en
  • d. geen overtreding van de wettelijke regelingen is vastgesteld.
2.

De inspecteur kan de goederen ook vrijgeven, indien het naar zijn oordeel aannemelijk is dat de aangever alle daartoe vereiste formaliteiten zal vervullen en de invoerrechten die verschuldigd zijn of kunnen worden, kunnen worden berekend.

3.

Indien de inspecteur een onderzoek van de goederen of een monsterneming nodig acht, geeft hij de goederen slechts vrij voor zover geen verboden of beperkingen op de goederen van toepassing zijn en nadat zekerheid is gesteld.

4.

De artikelen 2.89, 2.91 tot en met 2.95 en 2.97 zijn van toepassing op de zekerheidstelling, bedoeld in het derde lid.

Artikel 2.43

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

  • a. het buitenwerking stellen van een document;
  • b. het wedergeldig verklaren van een document;
  • c. het ongeldig maken van een document; en
  • d. het verlengen van de geldigheidsduur van een document.
Artikel 2.44
1.

Degene te wiens naam een document ten geleide van goederen is afgegeven, draagt ervoor zorg dat het document, ten bewijze dat de goederen op regelmatige wijze hun bestemming hebben gevolgd, wordt gezuiverd.

2.

Daartoe dient de persoon, bedoeld in het eerste lid, het betreffende exemplaar van het document in bij de inspecteur op de plaats van bestemming, binnen de termijn die voor het gebruik van het document is bepaald. De douane op de plaats van bestemming zendt dit exemplaar, voorzien van haar bevindingen, terug aan de ambtenaren die belast zijn met de zuivering.

3.

Indien het document niet wordt terugontvangen, of wordt terugontvangen zonder te zijn voorzien van de vereiste aftekeningen en verklaringen, of slechts voorzien van de vereiste aftekeningen en verklaringen voor een gedeelte van de in het document omschreven goederen, doet de inspecteur daarvan mededeling aan de persoon, bedoeld in het eerste lid.

4.

Na verloop van vier weken na verzending van de mededeling, bedoeld in het derde lid, wordt het document geheel of gedeeltelijk als ongezuiverd aangemerkt, tenzij belanghebbende aantoont dat de goederen niettemin hun bestemming hebben gevolgd of dat zij zijn teloorgegaan. De inspecteur kan in die gevallen besluiten het document als gezuiverd te beschouwen.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de procedure bij zuivering van documenten.

Artikel 2.45

De inspecteur kan na vrijgave van de goederen, om zich van de juistheid en volledigheid van de gegevens in het document te vergewissen, overgaan tot een controle van alle bescheiden en gegevens betreffende deze goederen of betreffende voorafgaande of latere handelstransacties met deze goederen. De inspecteur kan eveneens overgaan tot onderzoek van de goederen of tot het nemen van monsters, zolang hij daartoe nog de mogelijkheid heeft.

Afdeling 4. Bijzondere regelingen

Artikel 2.46
1.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verlening van vergunningen voor:

  • a. het inklaren van goederen, voordat deze op één van de BES eilanden zijn binnengebracht;
  • b. het geven van de douanebestemming invoer aan goederen, voordat deze de BES eilanden zijn binnengebracht;
  • c. de regelmatige toepassing van artikel 2.1, vierde lid, in het bijzonder ten aanzien van de vervulling van douaneformaliteiten en de controle van aangiften, in het bedrijf van een belanghebbende;
  • e. het doen van aangifte achteraf.
2.

De in het eerste lid bedoelde regeling van Onze Minister van Financiën bevat tevens de nodige waarborgen tegen misbruik en de voorwaarde dat voor de betaling van eventueel verschuldigde invoerrechten zekerheid wordt gesteld.

Artikel 2.47
1.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder, vergunning kan worden verleend tot:

  • a. een versnelde wegvoering van ten invoer aangegeven goederen, mits minimaal vierentwintig uur voor de binnenkomst van de goederen de op die goederen betrekking hebbende vrachtbescheiden bij de inspecteur zijn ingediend;
  • b. een versnelde wegvoering van ten uitvoer of ten doorvoer aangegeven goederen, mits minimaal vierentwintig uur vóór het inladen van de goederen in het uitgaande vervoermiddel, de op die goederen betrekking hebbende vrachtbescheiden bij de inspecteur zijn ingediend.
2.

De in het eerste lid bedoelde regeling van Onze Minister van Financiën bevat tevens de nodige waarborgen tegen misbruik.

Afdeling 5. Geautoriseerde marktdeelnemer

Artikel 2.48
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen de maatstaven worden vastgesteld aan de hand waarvan de status van geautoriseerde marktdeelnemer kan worden toegekend alsmede de voorwaarden waaronder de status van geautoriseerde marktdeelnemer kan worden geschorst of ingetrokken.

2.

De status van geautoriseerde marktdeelnemer bestaat uit drie soorten vergunningen: die van geautoriseerde marktdeelnemer douanevereenvoudigingen, die van geautoriseerde marktdeelnemer veiligheid en die van douanevereenvoudigingen en veiligheid.

3.

Een marktdeelnemer die op de BES eilanden woont of gevestigd is en aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, gestelde maatstaven voldoet, kan om de status van geautoriseerde marktdeelnemer verzoeken. Deze status wordt op het schriftelijk verzoek van de marktdeelnemer bij beschikking door de inspecteur verleend, indien nodig na overleg met andere bevoegde autoriteiten, en is aan toezicht onderworpen.

4.

De geautoriseerde marktdeelnemer dient de inspecteur mededeling te doen van elk feit dat zich na de toekenning van die status voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud daarvan.

5.

Teneinde de goede werking van deze wet te waarborgen kunnen bij regeling van Onze Minister van Financiën regels worden vastgesteld met betrekking tot:

  • a. de toekenning van de status van geautoriseerde marktdeelnemer;
  • b. het soort en de omvang van de faciliteiten die aan geautoriseerde marktdeelnemers kunnen worden toegekend op het gebied van vereenvoudigingen en douanecontroles die verband houden met veiligheid;
  • c. het overleg met en de uitwisseling van informatie met andere autoriteiten.

Titel 3. Ambtelijke bevoegdheden en verplichtingen van personen

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 2.49

De inspecteur maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is en kan overeenkomstig de bepalingen van deze titel alle maatregelen nemen die hij daarvoor nodig acht.

Artikel 2.50
1.

Bij de uitoefening van zijn taak namens de inspecteur draagt de ambtenaar een legitimatiebewijs bij zich, afgegeven door of vanwege Onze Minister wie het aangaat of een door hem aangewezen ambtenaar.

2.

Het legitimatiebewijs bevat een foto van de ambtenaar en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid. Het model van het legitimatiebewijs wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

3.

Het legitimatiebewijs wordt desgevraagd onverwijld aan de belanghebbende getoond.

Artikel 2.51
1.

Een ieder is verplicht, indien dit voor de toepassing van de bij of krachtens wettelijke regelingen vastgestelde bepalingen ten aanzien van hem van belang kan zijn, op vordering van de inspecteur terstond een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES ter inzage aan te bieden.

2.

De inspecteur is bevoegd kopieën en uittreksels te maken van de identificatiebewijzen, bedoeld in het eerste lid.

3.

De inspecteur betracht de nodige zorgvuldigheid bij het omgaan met de krachtens dit artikel verkregen gegevens, kopieën en uittreksels.

Artikel 2.52
1.

Een ieder die op de BES eilanden een bedrijf of beroep uitoefent, is gehouden op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende gegevensdragers of de inhoud daarvan op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze wet duidelijk blijken.

2.

De persoon, bedoeld in het eerste lid, is gehouden de tot een administratie behorende gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de toepassing van de wettelijke regelingen, gedurende ten minste zeven jaren te bewaren.

3.

De administratie moet zodanig zijn ingericht en worden gevoerd en de gegevensdragers of de inhoud daarvan moeten op zodanige wijze worden bewaard, dat het uitvoeren van de controle door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.

4.

De administratie behoort te worden gevoerd in het Nederlands, Papiaments of Engels met gebruikmaking van de daarbij gebruikelijke cijfers.

Artikel 2.53
1.

Een ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur de:

  • a. gegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de toepassing van deze wet te zijnen aanzien van belang zijn;
  • b. gegevensdragers of de inhoud daarvan, zulks naar keuze van de inspecteur, waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten die van invloed kunnen zijn op de toepassing van deze wet te zijnen aanzien, voor dit doel ter beschikking te stellen.
2.

De gevraagde gegevens en inlichtingen worden kosteloos aan de inspecteur verstrekt.

3.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt ook voor een derde, indien deze direct of indirect is betrokken bij transacties van de persoon, bedoeld in het eerste lid. De inspecteur stelt de belanghebbende, op wie de verplichting tot het voeren van een administratie als bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, rust, wiens gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.

4.

De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, elektronisch, mondeling of schriftelijk, zulks naar keuze van de inspecteur en binnen een door hem te stellen termijn.

5.

Degene aan wie inzage van gegevensdragers of de inhoud daarvan wordt verzocht, staat toe dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor de raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan. Indien het maken van kopieën of leesbare afdrukken niet ter plaatse kan geschieden, is de inspecteur bevoegd de gegevensdragers voor dat doel mee te nemen.

6.

Niemand kan zich, voor een weigering te voldoen aan de in het eerste lid omschreven verplichtingen, beroepen op een geheimhoudingsplicht uit enigerlei hoofde, zelfs indien deze hem bij wet is opgelegd.

Artikel 2.54
1.

De inspecteur is bevoegd bij het uitoefenen van zijn taak, van de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger medewerking te verlangen en van hem kosteloze terbeschikkingstelling van de benodigde werklieden, hulpmiddelen en bijstand te vorderen. De inspecteur kan vorderen dat de medewerking en bijstand overeenkomstig zijn aanwijzingen en onder zijn toezicht worden verleend.

2.

Indien de inspecteur dit noodzakelijk acht, is hij bevoegd van de belanghebbende te vorderen dat de vervoermiddelen of andere goederen ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht, naar een door hem aangewezen plaats worden overgebracht.

3.

De belanghebbende voldoet onverwijld dan wel binnen de door de inspecteur vastgestelde termijn aan hetgeen krachtens dit artikel door hem is gevorderd of verlangd. Bij gebreke daarvan kan de inspecteur op kosten van belanghebbende en onder diens verantwoordelijkheid in het nodige voorzien.

Artikel 2.55
1.

De inspecteur is bevoegd identificatiemaatregelen, waaronder sluitingsmiddelen mede worden verstaan, te treffen met betrekking tot goederen, bergingsmiddelen, verpakkingsmiddelen, werktuigen, leidingen, vervoermiddelen, gebouwen, terreinen of delen daarvan.

2.

De beheerder van de zaken, bedoeld in het eerste lid, die door de inspecteur van het voornemen om een identificatiemaatregel tot stand te brengen in kennis is gesteld, draagt ervoor zorg dat de inspecteur deze maatregel op een deugdelijke wijze tot stand kan brengen. Sluitingsmiddelen worden zodanig aangebracht dat, zonder verwijdering of schending daarvan dan wel zonder braak, geen goederen kunnen worden onttrokken of toegevoegd.

3.

Behoudens in gevallen van overmacht, draagt de beheerder ervoor zorg dat de identificatiemaatregel die door de inspecteur is getroffen, in stand blijft.

4.

Het bestaan van overmacht wordt door de inspecteur niet aanvaard, tenzij de beheerder daar onverwijld aan de inspecteur mededeling van doet.

5.

Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de identificatiemaatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden getroffen of verwijderd door anderen dan de inspecteur.

Artikel 2.56
1.

In het kader van de uitoefening van het douanetoezicht is de inspecteur bevoegd goederen, verpakkingsmiddelen, werktuigen, leidingen, vervoermiddelen, gebouwen, terreinen of delen daarvan te bewaken, waarin, waaronder of waarop zich goederen bevinden:

  • a. ten aanzien waarvan een douaneschuld bestaat of kan ontstaan;
  • b. waarvoor een aangifte ten uitvoer is gedaan;
  • c. waarvan het vervoer aan beperkende voorwaarden is onderworpen.
2.

In geval van vermis, beschadiging of waardevermindering van de bewaakte goederen kan het Rijk niet aansprakelijk worden gesteld, tenzij zulks te wijten is aan opzet of grove schuld van de inspecteur.

3.

De beheerder van de zaken wordt door de inspecteur van het voornemen om tot bewaking over te gaan in kennis gesteld en wijst die zaken desgevorderd aan.

4.

De inspecteur en de door hem aangewezen ambtenaren zijn bevoegd personen de toegang te ontzeggen tot vervoermiddelen, gebouwen, terreinen of delen daarvan, dan wel personen daaruit te verwijderen, voor zover hetzij de werkzaamheden of de veiligheid van de ambtenaren zulks verlangen, hetzij er gegronde vrees bestaat dat die personen goederen aan het douanetoezicht zullen onttrekken.

Artikel 2.57
1.

De inspecteur en ambtenaren zijn bevoegd bij een controle geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt.

2.

Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

3.

De ambtenaren zijn bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor leven of veiligheid van de ambtenaren zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

4.

De inspecteur en ambtenaren zijn bevoegd bij toepassing van het eerste lid zo nodig de hulp in te roepen van de politie en de Koninklijke marechaussee of andere delen van de krijgsmacht. Deze zijn verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen.

5.

De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid, dient in verhouding te staan tot het voorgenomen doel en redelijk en gematigd te zijn.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Afdeling 2. Controle van goederen, bescheiden, personen, gebouwen en vervoermiddelen

Artikel 2.58
1.

De inspecteur is bevoegd goederen, die zich niet in vervoer bevinden en zich elders bevinden dan in of op een gebouw, erf of besloten terrein aan alle onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die hij nodig oordeelt.

2.

Bij de onderzoekingen en opnemingen, noodzakelijk naar het oordeel van de inspecteur, van goederen als bedoeld in het eerste lid is de persoon onder wiens beheer zich deze bevinden, gehouden op eerste vordering van de inspecteur deze inzage te verlenen van de bij de goederen behorende vracht- of ladingspapieren, alsmede van de bescheiden welke krachtens deze wet bij de goederen aanwezig moeten zijn.

3.

De persoon onder wiens beheer zich goederen als bedoeld in het eerste lid bevinden, is gehouden op vordering van de inspecteur terstond stil te staan. Artikel 2.54 is van overeenkomstige toepassing.

4.

Degene aan wie inzage van de papieren of bescheiden, bedoeld in het tweede lid, wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.

Artikel 2.59
1.

De inspecteur is bevoegd goederen, die worden vervoerd zonder zich in of op een vervoermiddel te bevinden, aan alle onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die hij nodig oordeelt.

2.

Ten behoeve van het onderzoek zijn personen die goederen vervoeren die zich niet in of op een vervoermiddel bevinden, op eerste vordering van de inspecteur gehouden terstond stil te staan en hem inzage te verlenen van de bij de goederen behorende vracht- of ladingspapieren, alsmede van de bescheiden welke krachtens wettelijke regelingen bij de goederen aanwezig moeten zijn. Artikel 2.54 is van overeenkomstige toepassing.

3.

Degene aan wie inzage van de papieren of bescheiden, bedoeld in het tweede lid, wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.

4.

Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de vordering tot stilstaan wordt gedaan.

Artikel 2.60
1.

De inspecteur is bevoegd over te gaan tot een onderzoek van goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle ingeval geen aanvaarding van een douaneaangifte heeft plaatsgevonden.

2.

Het monster of hetgeen daarvan is overgebleven wordt desverlangd, zodra het kan worden gemist, aan de belanghebbende teruggegeven.

Artikel 2.61
1.

De inspecteur is te allen tijde bevoegd vervoermiddelen aan onderzoek te onderwerpen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)