Wet van 16 december 2010 tot vaststelling van de Wet Douane- en Accijnswet BES (Douane- en Accijnswet BES)
Bij visitatie van een vervoermiddel is de inspecteur bevoegd het vervoermiddel, en de daarin, daaronder of daarop aanwezige goederen, aan alle onderzoekingen en opnemingen te onderwerpen die hij nodig oordeelt.
Ten behoeve van een visitatie is de inspecteur bevoegd van de bestuurder dan wel de gezagvoerder van het vervoermiddel te vorderen dat deze zijn vervoermiddel vaart laat minderen, bijdraait, landt, stilhoudt, naar een door hem aangewezen plaats overbrengt, aanlegt en de motor buiten werking stelt.
Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt bepaald op welke wijze de in het derde lid bedoelde vordering tot stilstaan wordt gedaan.
Bij de onderzoekingen en opnemingen, noodzakelijk naar het oordeel van de inspecteur, van goederen die zich in vervoer bevinden, is de gezagvoerder of de bestuurder van het vervoermiddel, of de beheerder van de goederen gehouden op eerste vordering van de inspecteur, deze inzage te verlenen van de bij het vervoermiddel of de goederen behorende vracht- of ladingspapieren, alsmede van de bescheiden welke krachtens deze wet bij de goederen aanwezig moeten zijn. Artikel 2.54 is van overeenkomstige toepassing.
Degene aan wie inzage van de in het vijfde lid bedoelde papieren of bescheiden wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.
Artikel 2.62
De inspecteur is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur of dieren, elke plaats te betreden en kan zich doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.
De bevoegdheid tot visitatie met het oog op de uitoefening van controle strekt zich mede uit tot gebouwen, erven of besloten terreinen, welke met voormelde gebouwen, erven of besloten terreinen middellijk of onmiddellijk gemeenschap hebben alsmede tot havens, haventerreinen, luchthavens en luchtvaartterreinen.
Ter surveillering van de kuststrook heeft de inspecteur toegang tot erven of besloten terreinen, havens en luchthavens die aan de kuststrook grenzen.
Bij de in het tweede lid bedoelde visitatie is de inspecteur bevoegd de aanwezige voorwerpen en zelfstandigheden, aan alle onderzoekingen, doorzoekingen en opnemingen te onderwerpen welke hij nodig oordeelt.
Bij de in het tweede lid bedoelde visitatie is de inspecteur tevens bevoegd inzage te verlangen van de registers en andere bescheiden die, krachtens deze wet omtrent de aldaar voorhanden zijnde in- of uitgeslagen goederen, worden bijgehouden of voorhanden moeten zijn.
De gebruiker of beheerder van een plaats, gebouw, terrein, erf of besloten terrein, alsmede haven, haventerrein, luchthaven en luchtvaartterrein is gehouden op eerste vordering van de inspecteur toegang te verschaffen tot alle in het eerste en tweede lid bedoelde plaatsen, gebouwen, erven of besloten terreinen, havens, haventerreinen, luchthavens en luchtvaartterreinen en inzage te verlenen van de in het vijfde lid bedoelde registers of andere bescheiden. Artikel 2.54 is van overeenkomstige toepassing.
Degene aan wie inzage van de in het vijfde lid bedoelde registers en andere bescheiden wordt verzocht, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij hij het tegendeel aannemelijk maakt.
Artikel 2.63
Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, verschaffen kosteloos, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen, die hun door de inspecteur worden gevraagd voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Onze Minister van Financiën kan, op verzoek, ontheffing verlenen van de in het eerste lid omschreven verplichting.
De inspecteur verstrekt kosteloos, mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan Onze Ministers, openbare lichamen en rechtspersonen die bij of krachtens een bijzondere wet rechtspersoonlijkheid hebben verkregen, de onder hen ressorterende instellingen en diensten, alsmede personen die hoofdzakelijk uitvoering geven aan het beleid van het Rijk, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen.
In afwijking in zoverre van artikel 1.2 verstrekt de inspecteur kosteloos mondeling, schriftelijk of op andere wijze – zulks ter keuze van de inspecteur – de gegevens en inlichtingen aan de inspecteur die bevoegd is in Nederland, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde bij de wetgeving die geldt in Nederland en die betrekking heeft op verboden of beperkingen die op goederen bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van het douanegebied van de Europese Unie dan wel Nederland, of die bij het kiezen van een douanebestemming in Nederland van toepassing zijn.
Artikel 2.64
Het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner mag slechts door ambtenaren die deze bevoegdheid door de inspecteur toegekend hebben gekregen en voorzien zijn van een daartoe verstrekte bijzondere schriftelijke last van de inspecteur. Bedoelde last wordt slechts bij dringende noodzakelijkheid verstrekt.
De last houdt in een aanduiding van de woning, alsmede een nauwkeurige omschrijving van het met de visitatie beoogde doel.
De ambtenaren dienen zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van binnentreden.
Van het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner wordt binnen tweemaal vierentwintig uren, onder vermelding van het tijdstip van het binnentreden en van het daarmede beoogde doel, een schriftelijk verslag opgemaakt en een afschrift daarvan aan de bewoner uitgereikt of te zijnen behoeve aan de woning bezorgd.
Artikel 2.65
De inspecteur kan ter inbeslagneming de uitlevering tegen ontvangstbewijs vorderen van brieven die aan enige instelling van vervoer zijn toevertrouwd.
Aan enige instelling van vervoer toevertrouwde brieven worden zonder goedvinden van de afzender of van de geadresseerde slechts geopend, indien de rechtercommissaris bij het voor het openbare lichaam bevoegde Gerecht in eerste aanleg waarbinnen de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartoe op verzoek van de inspecteur, machtiging heeft verleend.
De vordering, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts gedaan en de machtiging of het bevel, bedoeld in het tweede lid, wordt slechts verleend, onderscheidenlijk, gegeven, indien het vermoeden bestaat dat zich in de brief goederen bevinden.
Brieven die aan enige instelling van vervoer waren toevertrouwd en waarvan de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd, worden onverwijld aan de vervoerder ter verzending teruggegeven.
Artikel 2.66
De inspecteur is bevoegd aan lijfsvisitatie te onderwerpen:
- a. personen die aanwezig zijn in of op de terreinen van toezicht, bedoeld in artikel 2.62;
- b. personen die zich bevinden in of op een buiten de BES eilanden komend vervoermiddel of dit vervoermiddel juist hebben verlaten, waarbij personen die zich in de territoriale zee, de aansluitende zone en de maritieme binnenwateren ophouden, worden geacht zich te bevinden in een vervoermiddel komend uit een plaats gelegen buiten de BES eilanden;
- c. personen die zich bevinden in of op een naar een plaats buiten de BES eilanden vertrekkend vervoermiddel of die zich naar een zodanig vervoermiddel begeven;
- d. personen die zich bevinden in een handels- en dienstenentrepot of die een handels- en dienstenentrepot juist hebben verlaten;
- e. personen die zich bevinden in een douane-entrepot, dan wel in, op of onder een gebouw, erf, terrein of vervoermiddel waarin of waarop tijdelijke opslag van goederen is toegelaten, alsmede personen die een zodanig douane-entrepot, terrein, erf, gebouw of vervoermiddel juist hebben verlaten; en
- f. personen die zich bevinden in een fabriek of accijnsgoederenplaats, waarin goederen zijn opgeslagen die aan de heffing van accijnzen zijn onderworpen, of personen die juist een dergelijk pand hebben verlaten.
Op vordering van de inspecteur zijn reizigers, daaronder mede begrepen de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, gehouden onverwijld hun plaats- of vervoerbewijs te tonen.
Personen die aan lijfsvisitatie worden onderworpen, zijn op eerste vordering van de inspecteur gehouden stil te staan en deze te volgen naar een door hem aangewezen plaats.
Onder lijfsvisitatie wordt verstaan:
- a. het onderzoek aan de kleding; het onderzoek aan de kleding omvat het betasten van de kleding, het nauwkeurig onderzoek van de hoofdbedekking en het schoeisel;
- b. het verwijderen van de bovenkleding, teneinde deze aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen;
- c. het uitwendig en inwendig schouwen van de openingen en holten van het bovenlichaam, zonodig met de daartoe benodigde ontkleding;
- d. het geheel ontkleden en het uitwendig schouwen van het lichaam;
- e. het onderzoek van het onderlichaam; onder onderzoek van het onderlichaam wordt verstaan het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam; het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam wordt verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.
Lijfsvisitatie geschiedt op een besloten plaats door personen die, indien zij geen arts of verpleegkundige zijn, van hetzelfde geslacht zijn als de persoon die aan de visitatie wordt onderworpen.
Tot gehele ontkleding dan wel het onderzoek van het onderlichaam van degene die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen, wordt pas overgegaan na toestemming van een ambtenaar die daartoe bij regeling van Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, is aangewezen.
Onder lijfsvisitatie wordt mede verstaan het onderzoek met behulp van apparatuur waarmee door kleding van de betrokken persoon kan worden gekeken.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het geheel ontkleden of tot het onderzoek van het onderlichaam en met betrekking tot de apparatuur waarmee door kleding van personen kan worden gekeken en het gebruik daarvan. Hierbij kan worden bepaald dat het vierde lid niet van toepassing is bij het gebruik van deze apparatuur.
Afdeling 3. Inbewaringneming en inbeslagneming
Artikel 2.67
Indien met betrekking tot goederen onder douanetoezicht de belanghebbende bij de goederen nalaat de bij wettelijke regelingen voorgeschreven verplichtingen na te komen, kunnen de goederen door de inspecteur in bewaring worden genomen.
Indien de belanghebbende bij de goederen bekend is, wordt tot de inbewaringneming niet overgegaan voordat deze in staat is gesteld binnen een door de inspecteur te stellen termijn, aan zijn verplichtingen te voldoen.
Indien de belanghebbende bij de goederen onbekend is, worden de goederen terstond in bewaring genomen. Van de inbewaringneming wordt mededeling gedaan in twee plaatselijk verschijnende dagbladen met vermelding van een omschrijving van de goederen en van de voor de goederen gebezigde verpakking. Indien de belanghebbende bij de goederen bekend is, wordt schriftelijk mededeling omtrent de inbewaringneming aan belanghebbende gedaan.
De inspecteur treedt op als bewaarnemer en draagt zorg voor de opslag en inventarisatie van die goederen. De overbrenging en de opslag geschieden op kosten van de belanghebbende. In geval van vermis, beschadiging of waardevermindering van de in bewaring genomen goederen kan het Rijk niet aansprakelijk worden gesteld, tenzij zulks te wijten is aan de opzet of grove schuld van de inspecteur.
Indien binnen één maand na de mededeling omtrent de inbewaringneming de verplichtingen niet alsnog zijn nagekomen, kunnen de goederen overeenkomstig bij regeling van Onze Minister van Financiën te stellen regels in het openbaar worden verkocht of in bijzondere gevallen worden vernietigd. Onderhandse verkoop is toegestaan in de gevallen waarin de gerechtvaardigde vrees bestaat dat de opbrengst van een openbare verkoop minder zal bedragen dan de douaneschuld.
Verboden goederen waaraan, in strijd met artikel 2.26, niet de bestemming doorvoer of wederuitvoer is gegeven, worden slechts verkocht onder de voorwaarde dat de koper aan de verplichting tot doorvoer of wederuitvoer voldoet. Wordt niet aan deze voorwaarde voldaan, dan worden de goederen vernietigd op kosten van de koper.
De termijn, bedoeld in het tweede lid, geldt niet, indien de goederen aan spoedige, aanmerkelijke waardevermindering onderhevig zijn, of indien de bewaring of het onderhoud ervan gevaar oplevert dan wel hoge kosten meebrengt. De goederen kunnen in dat geval onmiddellijk worden verkocht, nadat van het voornemen daartoe op een bij regeling van Onze Minister van Financiën te bepalen wijze algemene bekendheid aan is gegeven.
De opbrengst van de goederen – in geval van uitoefening van het recht van verhaal hetgeen is overgebleven – wordt, na aftrek van de verschuldigde invoerrechten en de kosten, uitgekeerd aan de belanghebbende bij de goederen die binnen één jaar na de mededeling omtrent de inbewaringneming zulks vordert, bij gebreke waarvan de opbrengst of hetgeen is overgebleven aan het Rijk vervalt. Voor zover de goederen na het verstrijken van die termijn niet zijn verkocht, vervallen de goederen aan het Rijk.
Artikel 2.68
Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 2.61, derde lid genomen dwangmaatregelen te verijdelen, alsmede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen.
Tot inbeslagneming krachtens het eerste lid zijn, behalve de inspecteur, bevoegd de bij of ingevolge artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES aangewezen ambtenaren of personen.
Van de inbeslagneming en van de gronden daartoe doet de inspecteur zo spoedig mogelijk schriftelijke mededeling aan degene op wie de inbeslagneming heeft plaatsgehad en, indien deze niet de eigenaar van de goederen is en de identiteit en het adres van de eigenaar vaststaat, tevens aan de eigenaar. In geval van inbeslagneming op onbekende personen geschiedt die mededeling zo spoedig mogelijk in twee plaatselijk verschijnende dagbladen.
Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan het Rijk, tenzij bij een rechterlijke onherroepelijke beslissing als bedoeld in het zesde lid, de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij het Gerecht in eerste aanleg daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde, een met redenen omkleed klaagschrift indienen.
Het Gerecht in eerste aanleg beslist zo spoedig mogelijk, na de inspecteur te hebben gehoord.
Het Gerecht in eerste aanleg zendt onverwijld afschrift van het klaagschrift en van zijn beschikking aan de inspecteur.
Onze Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen de aan het Rijk vervallen vervoermiddelen en voorwerpen, onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.
Titel 4. Heffing, inning en invordering
Afdeling 1. Ontstaan douaneschuld en schuldenaar
Artikel 2.69
Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien:
- a. aan invoerrechten onderworpen goederen worden ingevoerd, tenzij aan de goederen de douanebestemming invoer van aan invoerrechten onderworpen goederen met gehele of gedeeltelijke vrijstelling wordt gegeven;
- b. aan dergelijke goederen de douanebestemming tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de invoerrechten wordt gegeven;
- c. wordt afgezien van een verleende vrijstelling van invoerrechten.
De douaneschuld ontstaat voor de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde douanebestemmingen op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard. De douaneschuld ontstaat in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op het tijdstip waarop wordt afgezien van de vrijstelling.
Schuldenaren zijn:
- a. de aangever; en
- b. in geval van indirecte vertegenwoordiging eveneens de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan.
Indien een douaneaangifte voor een van de in het eerste lid bedoelde douanebestemmingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde invoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven zijn de personen die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt en wisten, of redelijkerwijze hadden moeten weten, dat die gegevens onjuist of onvolledig waren, eveneens schuldenaar.
Artikel 2.70
Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan invoerrechten onderworpen goederen:
- a. op onregelmatige wijze op één van de BES eilanden worden binnengebracht; of
- b. uit een handels- en dienstenentrepot of een douane-entrepot op onregelmatige wijze op één van de BES eilanden worden binnengebracht.
Goederen zijn op onregelmatige wijze binnengebracht, indien niet is voldaan aan de artikelen 2.10 en 2.16.
De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.
Indien het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, worden de invoerrechten berekend naar het tarief geldend op het vroegste tijdstip waarvan wordt vastgesteld dat de douaneschuld ontstond.
Schuldenaren zijn de personen die:
- a. de goederen op onregelmatige wijze hebben binnengebracht;
- b. aan dit binnenbrengen van goederen hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde;
- c. de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die, op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze op onregelmatige wijze waren binnengebracht.
Artikel 2.70a
Indien aan de in artikel 2.29, tweede lid, bedoelde voorwaarden is voldaan, worden de betrokken goederen geacht bij de douane te zijn aangebracht in de zin van artikel 2.10, eerste lid en wordt de aangifte geacht te zijn aanvaard en de vrijgave geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de in artikel 2.29 bedoelde andere handeling wordt verricht.
Indien bij een controle blijkt dat de in artikel 2.29 bedoelde andere handeling wordt verricht zonder dat de binnenkomende goederen voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.29, tweede lid, worden deze goederen geacht op onregelmatige wijze te zijn binnengebracht.
Artikel 2.71
Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen verbonden aan de tijdelijke opslag van aan invoerrechten onderworpen goederen.
De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop:
- a. een tekort wordt vastgesteld bij opneming door de inspecteur van alle aanwezige goederen die tijdelijk zijn opgeslagen;
- b. een tekort wordt vastgesteld bij afschrijving van het document onder dekking waarvan de goederen tijdelijk zijn opgeslagen; of
- c. niet of niet tijdig wordt voldaan aan de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in artikel 2.12, derde lid.
Schuldenaar is de persoon die op grond van artikel 2.12, tweede lid, de aansprakelijkheid voor de eventueel verschuldigde invoerrechten heeft overgenomen.
Artikel 2.72
Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
- a. indien een document, dat is afgegeven ten geleide van het vervoer of ter dekking van de in-, uit- of opslag van aan invoerrechten onderworpen goederen, niet wordt gezuiverd;
- b. indien een vermis in een douane-entrepot of een handels- en dienstenentrepot wordt vastgesteld door, hetzij de inspecteur, hetzij de beheerder van het douane-entrepot of de tot het desbetreffende handels- en dienstenentrepot toegelaten rechtspersoon; of
- c. in overige gevallen waarin aan invoerrechten onderworpen goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken.
In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop wordt vastgesteld dat het document niet overeenkomstig artikel 2.44 is gezuiverd.
In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop een vermis door de inspecteur wordt vastgesteld of het tijdstip waarop de beheerder van het douane-entrepot of een tot een handels- en dienstenentrepot toegelaten rechtspersoon melding maakt van een geconstateerd vermis.
In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop door de inspecteur wordt vastgesteld dat aan invoerrechten onderworpen goederen, aan het douanetoezicht zijn onttrokken.
De schuldenaar van een douaneschuld, ontstaan ingevolge het eerste lid, is in een geval als bedoeld in:
- a. onderdeel a, de persoon te wiens naam het te zuiveren document is gesteld;
- b. onderdeel b, de beheerder van het douane-entrepot of de tot een handels- en dienstenentrepot toegelaten persoon, waarin het vermis is vastgesteld; of
- c. onderdeel c, de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken en de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht waren onttrokken, alsmede de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren onttrokken.
Artikel 2.73
Er ontstaat een douaneschuld bij invoer, indien aan met vrijstelling van invoerrechten ingevoerde goederen:
- a. zonder toestemming van de inspecteur een andere bestemming wordt gegeven dan die waarvoor de vrijstelling is verleend;
- b. de overige aan de vrijstelling verbonden voorwaarden niet, niet tijdig of niet behoorlijk zijn nagekomen; of
- c. de vrijstelling ten onrechte is verleend doordat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt dan wel andere goederen in de plaats zijn gesteld van die waarop de vrijstelling betrekking heeft.
De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop in een geval als bedoeld in:
- a. het eerste lid, onderdeel a, de goederen zijn gebruikt op een wijze of voor doeleinden waarvoor de vrijstelling niet geldt, dan wel aan de goederen een andere bestemming wordt gegeven dan die waarvoor de vrijstelling is verleend;
- b. het eerste lid, onderdeel b, de voorwaarden niet, niet tijdig, of niet behoorlijk zijn nagekomen; of
- c. het eerste lid, onderdeel c, de goederen met vrijstelling zijn ingevoerd.
De schuldenaar van een douaneschuld, ontstaan ingevolge het eerste lid, is in een geval als bedoeld in:
- a. de onderdelen a en b, de vrijstellinggenietende;
- b. onderdeel c, de vrijstellinggenietende, de aangever en andere personen die de met vrijstelling ingevoerde goederen gebruiken, bewaren, verbergen, lossen, laden, vervoeren, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaan, voor handen hebben, of daaruit uitslaan, kopen, verkopen, te koop aanbieden, leveren of als geschenk aannemen, terwijl zij redelijkerwijs kunnen weten of vermoeden dat daarvan de invoerrechten niet zijn voldaan, noch de heffing daarvan zeker is gesteld.
Artikel 2.74
Een douaneschuld gaat teniet:
- a. door betaling van het verschuldigde bedrag aan invoerrechten en kosten;
- b. door teruggaaf van het verschuldigde bedrag aan invoerrechten, als bedoeld in artikel 3.144, onderdeel b; of
- c. indien de desbetreffende aangifte of het daarop afgegeven document krachtens artikel 2.34 onderscheidenlijk artikel 2.43 buiten werking is gesteld of ongeldig is gemaakt.
Er ontstaat geen douaneschuld indien de belanghebbende bij goederen, waarvoor aangifte is gedaan, maar waarvoor geen toestemming tot wegvoering is verleend, of voor een andere bestemming dan invoer zijn aangegeven, ten genoegen van de inspecteur aantoont, dat door een oorzaak gelegen in de aard van de goederen, onvoorziene omstandigheden of overmacht, deze in hun geheel zijn vernietigd, onherstelbaar verloren zijn gegaan of anderszins voor een ieder onbruikbaar zijn geworden.
Geen invoerrechten zijn verschuldigd, indien goederen waarvoor aangifte is gedaan, maar waarvoor geen toestemming tot wegvoering is verleend, of voor een andere bestemming dan invoer zijn aangegeven, overeenkomstig artikel 2.21 aan het Rijk worden afgestaan, of overeenkomstig artikel 2.22 worden vernietigd.
Er ontstaat geen douaneschuld indien goederen waarvoor invoerrechten zijn verschuldigd, in beslag worden genomen en verbeurd worden verklaard.
Artikel 2.75
Het bedrag van de douaneschuld wordt door de inspecteur vastgesteld met inachtneming van de bevindingen bij controle. De inspecteur stelt het verschuldigde bedrag voorlopig vast na de aanvaarding van de aangifte.
Het vastgestelde bedrag van de douaneschuld, ook indien dit voorlopig is vastgesteld, wordt zo spoedig mogelijk aan de schuldenaar medegedeeld.
Indien de bevindingen bij controle aanleiding geven tot een wijziging van het voorlopig vastgestelde bedrag, dan wordt daarvan mededeling gedaan aan de aangever.
Artikel 2.76
Indien de inspecteur vaststelt dat:
- a. een douaneschuld, welke ingevolge artikel 2.69 is ontstaan, ten onrechte niet of tot een te laag bedrag is vastgesteld;
- b. in deze wet voorziene creditering van een goederenrekening ten onrechte heeft plaatsgevonden; of
- c. teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
kan hij de grondslagen vaststellen waarnaar de berekening, de creditering of de teruggaaf had moeten plaatsvinden en de alsdan verschuldigde invoerrechten, kosten en bestuurlijke boeten bij beschikking navorderen.
Het bedrag van de douaneschuld ingevolge de artikelen 2.70 tot en met 2.73, wordt door de inspecteur berekend en vastgesteld zodra hij over de benodigde gegevens beschikt. Indien de inspecteur niet over de vereiste gegevens beschikt, wordt het bedrag bepaald door middel van schatting. De douaneschuld ingevolge voornoemde artikelen wordt bij beschikking nagevorderd.
Navordering geschiedt uiterlijk binnen een termijn van vijf jaren te rekenen vanaf het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan, de creditering van de goederenrekening heeft plaatsgevonden of teruggaaf is verleend. Indien de inspecteur evenwel ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat was het juiste bedrag van de verschuldigde invoerrechten vast te stellen, kan navordering nog na het verstrijken van de genoemde termijn van vijf jaren worden gedaan.
Navordering vindt niet plaats in gevallen waarin het na te vorderen bedrag aan invoerrechten minder bedraagt dan USD 8.
Artikel 2.77
De bedragen aan invoerrechten, bedoeld in de artikelen 2.75 en 2.76, worden vastgesteld op grond van de voor de betreffende goederen geldende grondslagen en maatstaf van heffing op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneschuld is ontstaan.
Afdeling 2. Inning en invordering
Artikel 2.78
De mededeling van het bedrag aan invoerrechten aan de schuldenaar geschiedt door het toezenden van een op een aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot betaling. Het aanslagbiljet wordt voorzien van een dagtekening die geldt als dagtekening van de vaststelling van de uitnodiging tot betaling. De inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering van het daaruit blijkende bedrag aan invoerrechten aan de ontvanger ter hand.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de inspecteur te nemen beschikking strekkende tot vaststelling van het bedrag van de:
- a. teruggaaf als bedoeld in artikel 3.144;
- b. verschuldigde kosten;
- c. verschuldigde bestuurlijke boete.
Op een aanslagbiljet mogen verschillende mededelingen van bedragen aan invoerrechten en bedragen als bedoeld in het tweede lid worden vermeld.
Het model van het aanslagbiljet wordt bij regeling van Onze Minister van Financiën vastgesteld.
Het bedrag van de douaneschuld en bestuurlijke boete wordt door de schuldenaar voldaan bij de ontvanger:
- a. ingeval van mededeling op de aangifte of mededeling als bedoeld bij artikel 2.75, tweede lid: uiterlijk 10 dagen nadat de mededeling is gedaan;
- b. ingeval van navordering: uiterlijk 10 dagen nadat de beschikking is uitgereikt bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs;
- c. ingeval van uitstel van betaling verleend door de ontvanger: uiterlijk binnen de daarbij gestelde termijn;
- d. ingeval een bestuurlijke boete bij afzonderlijke beschikking is opgelegd: uiterlijk 10 dagen nadat de beschikking is uitgereikt bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs.
Indien de douaneschuld en bestuurlijke boete niet binnen de in het vijfde lid gestelde termijn is betaald, kunnen de verschuldigde invoerrechten, kosten en bestuurlijke boete op een door de schuldenaar gestelde zekerheid worden verhaald.
Een douaneschuld, ontstaan ingevolge artikel 2.69, die niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, is betaald, wordt bij beschikking nagevorderd.
Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing indien de douaneschuld minder dan USD 8 bedraagt.
Indien een aanslagbiljet of een ander stuk dient te worden uitgereikt aan degene die geen vaste woon- of vestigingsplaats heeft op één van de BES eilanden, is ten behoeve van die uitreiking artikel 8.18 van de Belastingwet BES van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.79
In afwijking van artikel 2.78, vijfde lid, kan de ontvanger op schriftelijk verzoek van de schuldenaar toestaan dat het over elke kalendermaand door hem verschuldigde bedrag aan invoerrechten binnen acht dagen na afloop van die maand wordt betaald.
De toestemming tot maandkrediet wordt bij vergunning verleend, indien de schuldenaar op de BES eilanden is gevestigd en nadat hij doorlopende zekerheid heeft gesteld.
De ontvanger kan nadere voorwaarden aan de vergunning stellen.
Artikel 2.80
Ter zake van de invordering van invoerrechten, bestuurlijke boeten, interest en kosten, zijn de bepalingen van hoofdstuk VIII, titel 5, van de Belastingwet BES, van overeenkomstige toepassing, tenzij anders is bepaald.
Artikel 2.81
De personen, die schuldenaren zijn ingevolge artikel 2.69 tot en met 2.73, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de kosten, interest, verschuldigde invoerrechten en bestuurlijke boeten.
Artikel 2.82
Elke bestuurder van een lichaam als bedoeld in artikel 1.3 van de Belastingwet BES, is hoofdelijk aansprakelijk voor door dat lichaam verschuldigde invoerrechten, bestuurlijke boeten, interest en kosten.
Voor de toepassing van dit artikel wordt ingeval een lichaam als bedoeld in het eerste lid zelf bestuurder is, onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van laatstbedoeld lichaam.
Onder bestuurders van een lichaam zijn begrepen allen, die bij of na het ontstaan van de verschuldigdheid bestuurders waren, ook voor zover zij zijn af- of uitgetreden, rekening hebben gedaan of décharge hebben bekomen.
Artikel 2.83
Invoerrechten, bestuurlijke boeten en kosten, zomede de ter zake verschuldigde interest kunnen worden verhaald op de goederen waarop de invoerrechten, bestuurlijke boeten, kosten of interest betrekking hebben, onverschillig wie de rechthebbenden op de goederen zijn, voor zover met die goederen in strijd met wettelijke regelingen is gehandeld.
Het recht van verhaal, bedoeld in het eerste lid, heeft mede betrekking op de goederen welke tot verpakking of berging van de aldaar vermelde goederen dienen.
Een ieder die goederen als bedoeld in het eerste lid onder zich heeft, geeft die goederen aan de ontvanger op zijn vordering af.
Titel 5. Beschikking, bezwaar en beroep
Artikel 2.84
De inspecteur dan wel de ontvanger geeft binnen negen maanden na ontvangst van een schriftelijk verzoek een beschikking. De beschikking wordt gemotiveerd en daarin wordt door de inspecteur dan wel de ontvanger gewezen op de mogelijkheid van bezwaar. Bij het verzoek worden alle gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het verzoek.
Een schriftelijk verzoek als bedoeld in het eerste lid kan tevens worden gedaan in gevallen waarin een belanghebbende een mondeling besluit in een schriftelijke vorm wenst te ontvangen. Een dergelijk verzoek moet binnen vier weken na de datum van het mondelinge besluit worden gedaan.
Met een beschikking wordt gelijkgesteld een weigering om een beschikking te geven dan wel het niet tijdig geven van een beschikking.
De toestemming gegeven door de ambtenaar, bedoeld in artikel 2.66, zesde lid, wordt aangemerkt als een beschikking genomen door de inspecteur. Het maken van bezwaar en het instellen van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.
Artikel 2.85
Een voor de belanghebbende gunstige beslissing wordt met terugwerkende kracht ingetrokken, indien deze werd gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en de belanghebbende van de onjuistheid of onvolledigheid van die gegevens kennis droeg of redelijkerwijze kennis had moeten dragen.
Een voor de belanghebbende gunstige beslissing wordt ingetrokken of gewijzigd indien in andere dan de gevallen, bedoeld in het eerste lid, aan een of meer daaraan verbonden voorwaarden niet is of niet meer wordt voldaan.
De intrekking of wijziging van een beslissing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan degene tot wie zij is gericht en wordt van kracht op de datum van bekendmaking of, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, op de datum waarop de beslissing is genomen.
De intrekking of wijziging van een beslissing als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aangemerkt als een beschikking.
Artikel 2.86
Degene die bezwaar heeft tegen:
- a. de toepassing van het geharmoniseerde systeem op door hem ten invoer aangegeven goederen;
- b. de berekening van invoerrechten, bestuurlijke boeten, kosten of interest; of
- c. een beschikking op grond van deze wet;
kan binnen twee maanden na de mededeling van het vastgestelde bedrag van de douaneschuld dan wel bestuurlijke boete of interest, na de dagtekening van de beschikking of de dag waarop de beschikking als geweigerd geldt, een bezwaarschrift indienen bij de inspecteur dan wel de ontvanger.
Het bezwaarschrift moet zijn gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend. De inspecteur dan wel de ontvanger staat toe dat de motivering of de bij het bezwaar eventueel over te leggen bescheiden binnen een door hen nader te bepalen termijn worden ingediend.
De inspecteur dan wel de ontvanger tekent onverwijld de datum van ontvangst aan op het bezwaarschrift en zendt de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld.
Indien de belanghebbende in zijn bezwaarschrift het verlangen daartoe te kennen geeft, wordt hij vóór de uitspraak door de inspecteur gehoord. Alle oproepingen worden gedaan op een termijn van ten minste zeven dagen.
Op het bezwaarschrift wordt binnen negen maanden uitspraak gedaan door de inspecteur dan wel de ontvanger. Indien de uitspraak nadelig is voor de betrokken persoon, wordt dit met redenen omkleed.
Met een uitspraak wordt gelijkgesteld het weigeren dan wel niet tijdig doen van de uitspraak.
Indien het bezwaarschrift is gericht tegen een krachtens artikel 2.76 opgelegde navordering met betrekking tot welke niet of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 2.52, 2.53 en 2.62, dan wordt de navordering gehandhaafd, tenzij gebleken is dat deze onjuist is.
De uitspraak is met redenen omkleed indien aan het bezwaar niet of niet ten volle wordt tegemoetgekomen.
Indien de inspecteur of de ontvanger niet bevoegd is kennis te nemen van het bezwaarschrift doch een andere instantie wel, dan bevat de uitspraak een verwijzing naar die instantie.
De inspecteur of de ontvanger reikt zo spoedig mogelijk een afschrift van de uitspraak uit aan degene die bezwaar heeft gemaakt. Aan de uitspraak wordt zo spoedig mogelijk uitvoering gegeven.
Op de vergoeding van kosten aan de schuldenaar in verband met de behandeling van zijn bezwaar, is artikel 8.95 van de Belastingwet BES van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.87
Tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur of de ontvanger staat binnen twee maanden na de dagtekening van de uitspraak onderscheidenlijk het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 2.86, vijfde lid, beroep open bij het Gerecht in eerste aanleg.
Bij het instellen van beroep bij het Gerecht in eerste aanleg zijn de bepalingen van hoofdstuk VIII, titel 8, afdeling 3, van de Belastingwet BES van overeenkomstige toepassing.
De inspecteur of de ontvanger is belast met de uitvoering van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg.
Titel 6. Zekerheid
Artikel 2.88
Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op alle gevallen waarin in de douanewetgeving in zekerheidstelling voor het bedrag van de douaneschuld is voorzien.
Zekerheid wordt gesteld door de schuldenaar of door de persoon die schuldenaar kan worden, uiterlijk op een door de inspecteur vast te stellen termijn.
Overeenkomstig de bepalingen van deze titel kan de inspecteur zekerheidstelling eisen om de betaling van het met een douaneschuld overeenkomend bedrag aan invoerrechten en kosten te garanderen.
De inspecteur eist voor bepaalde goederen of voor een bepaalde aangifte slechts één zekerheidstelling.
Artikel 2.89
Het bedrag van de zekerheid wordt vastgesteld aan de hand van de belangen en risico’s die voor het Rijk met de betreffende douanebestemming zijn gemoeid.
Indien de belangen en risico’s, bedoeld in het eerste lid, niet kunnen worden vastgesteld of het treffen van maximale waarborgen is vereist, dan wordt het bedrag van de zekerheid vastgesteld op:
- a. het bedrag van de desbetreffende douaneschuld, indien dit bedrag op het tijdstip waarop de zekerheidstelling wordt geëist, nauwkeurig kan worden bepaald; of
- b. het door de inspecteur geraamde bedrag van de douaneschuld.
Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen de gevallen worden vastgesteld waarin en de voorwaarden waaronder een forfaitaire zekerheid kan worden gesteld.
Artikel 2.90
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.88 kan zekerheidstelling achterwege blijven, in gevallen waarin het bedrag van de eventueel verschuldigde invoerrechten lager is dan USD 56.
Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen instanties of organen worden aangewezen die ontheven zijn van de verplichting tot zekerheidstelling.
Artikel 2.91
Bij beschikking gegeven op schriftelijk verzoek van de schuldenaar of persoon, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, kan de inspecteur beslissen dat ter dekking van verscheidene transacties, die tot het ontstaan van verschillende douaneschulden aanleiding geven of kunnen geven, een doorlopende zekerheid wordt gesteld.
Het bedrag van een doorlopende zekerheid wordt, met inachtneming van artikel 2.89, eerste lid, zodanig vastgesteld dat de bedragen aan invoerrechten, die door de schuldenaar verschuldigd kunnen worden, daarmee kunnen worden voldaan.
De beslissing, bedoeld in het eerste lid, kan tevens inhouden dat de doorlopende zekerheid bij meer dan één douanekantoor kan worden gebruikt.
De beslissing tot het gebruik van een doorlopende zekerheid kan bij een voor bezwaar vatbare beschikking worden ingetrokken.
Artikel 2.92
Zekerheid wordt gesteld door:
- a. de storting in contant geld;
- b. een borgstelling; of
- c. een andere vorm van zekerheidstelling als bedoeld in artikel 2.95, mits aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan.
De kosten van zekerheidstelling komen ten laste van de persoon die zekerheid stelt.
Artikel 2.93
De storting van contant geld geschiedt in USD.
Met de storting van contant geld wordt gelijk gesteld het deponeren van:
- a. een cheque waarvan de betaling door de instelling waarop deze cheque is getrokken, wordt gegarandeerd op een voor de inspecteur aanvaardbare wijze; of
- b. elk ander, door de ontvanger als betaalmiddel erkend waardepapier.
Artikel 2.94
Bij een zekerheidstelling door borgstelling moet de borg zich er schriftelijk toe verbinden hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de douaneschuld.
De borg is een op één van de BES eilanden gevestigde derde, die door de inspecteur is erkend. Ingeval van overbrenging van het domicilie buiten de BES eilanden, blijft de aansprakelijkheid bestaan, totdat de borgstelling door de inspecteur is opgezegd.
De inspecteur kan weigeren de voorgestelde borg te erkennen, indien deze naar zijn oordeel niet alle waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijn zal worden betaald.
Artikel 2.95
De inspecteur kan ten behoeve van een doorlopende zekerheid aanvaarden:
- a. het recht van hypotheek op een op de BES eilanden gelegen, onbezwaard onroerend goed, waarvan de waarde het beloop van de zekerheid met minstens de helft te boven gaat;
- b. het vestigen van pandrecht op goederen, waardepapieren of schuldvorderingen met of zonder het houderschap daarvan, waarvan de waarde het beloop van de zekerheid met minstens 25 % te boven gaat.
Artikel 2.96
Indien de inspecteur vaststelt dat de gestelde zekerheid niet of niet meer voldoende waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijnen in haar geheel zal worden voldaan, dan wordt aan de schuldenaar of persoon, bedoeld in artikel 2.88, tweede lid, schriftelijk medegedeeld dat deze naar eigen keuze, doch binnen een door de inspecteur te stellen termijn, hetzij een aanvullende zekerheid dient te stellen, hetzij de oorspronkelijke zekerheid door een nieuwe dient te vervangen.
Artikel 2.97
De gestelde zekerheid wordt vrijgegeven, zodra de douaneschuld is tenietgegaan of geacht wordt niet te zijn ontstaan overeenkomstig artikel 2.74, dan wel niet meer kan ontstaan.
Indien de douaneschuld ten dele is tenietgegaan of voor een gedeelte van het bedrag waarvoor zekerheid werd gesteld, niet meer kan ontstaan, wordt de gestelde zekerheid op verzoek van de belanghebbende dienovereenkomstig gedeeltelijk vrijgegeven, tenzij het betrokken bedrag dit niet rechtvaardigt.
Artikel 2.98
Bij regeling van Onze Minister van Financiën kunnen andere in het kader van de wet passende nadere regels worden gesteld ter aanvulling van in deze titel geregelde onderwerpen.
Titel 7. Douane-entrepots
Artikel 2.99
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk, het stelsel van douane-entrepots vastgesteld dat geldt voor de opslag van goederen onder douanetoezicht in een door de inspecteur goedgekeurde inrichting zonder verschuldigdheid van invoerrechten.
Artikel 2.100
Douane-entrepots kunnen zijn bestemd voor gebruik door eenieder of voor gebruik door een beheerder. Zij zijn ambtelijk gesloten, tenzij door de inspecteur in het geval van een douane-entrepot voor gebruik door een beheerder, wordt goedgekeurd dat onder de nodige waarborgen wordt afgezien van ambtelijke sluiting. Tot de bedoelde waarborgen behoort in elk geval dat zekerheid wordt gesteld voor de invoerrechten die verschuldigd kunnen worden.
Accijnsgoederen mogen slechts in een douane-entrepot worden opgeslagen, indien deze bij of krachtens hoofdstuk IV voor zodanige opslag vatbaar zijn verklaard.
Artikel 2.101
Voor het beheer van een douane-entrepot is een vergunning van de inspecteur vereist.
De persoon die een douane-entrepot wenst te beheren, dient daartoe een schriftelijk verzoek in bij de inspecteur. Het verzoek bevat alle gegevens en informatie die nodig zijn voor een toetsing van het verzoek aan deze titel, aan de bij of krachtens artikel 2.99 bedoelde algemene maatregel van bestuur, alsmede gegevens waaruit blijkt dat er een economische behoefte bestaat aan de opslag in douane-entrepot zoals verzocht. De vergunning wordt slechts afgegeven aan op de BES eilanden gevestigde personen.
De inspecteur geeft een vergunning tot het beheren van een douane-entrepot slechts af indien hij het toezicht en de controle daarop ongehinderd kan uitoefenen en zonder administratieve maatregelen te moeten nemen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften.
In de vergunning wordt vastgesteld onder welke voorschriften en beperkingen het douane-entrepot wordt beheerd.
De vergunning is niet overdraagbaar. Voor de overname van een douane-entrepot wordt een verzoek gedaan. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.102
Een douane-entrepot wordt niet in gebruik genomen alvorens de ligging, de afscheiding van andere percelen en de bouw daarvan zijn goedgekeurd door de inspecteur. Alle plaatsen die door de inspecteur zijn goedgekeurd als ruimten voor tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 2.12 kunnen ook als douane-entrepot worden goedgekeurd.
De in- en uitslag van goederen binnen de daarvoor vastgestelde openingstijden, geschiedt onder toezicht van de inspecteur en wordt door deze vastgelegd in een goederenrekening met degene die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van goederen onder het entrepotstelsel.
Indien de administratie van de beheerder naar het oordeel van de inspecteur daartoe voldoende waarborgen biedt, kan deze afzien van de eis van ambtelijke sluiting, doch onder zekerheidstelling voor de invoerrechten die verschuldigd kunnen worden. De administratie treedt tevens in de plaats van de goederenrekening, bedoeld in het tweede lid.
De inspecteur verricht periodiek een voorraadscontrole, teneinde vast te stellen of overeenstemming bestaat tussen de goederenrekening of administratie en de aanwezige goederen. Teveel bevonden goederen worden aangemerkt als in het douane-entrepot opgeslagen goederen.
Artikel 2.103
In een vergunning als bedoeld in artikel 2.101 wordt bepaald voor welke soort goederen de opslag in douane-entrepot wordt goedgekeurd.
De inspecteur kan, onder de nodige voorzieningen tegen misbruik en voor zover voldoende ruimte in het douane-entrepot aanwezig wordt geacht, toestaan dat goederen van een andere dan de soort, bedoeld in het eerste lid, worden opgeslagen in het douane-entrepot.
Artikel 2.104
Goederen die zijn opgeslagen in douane-entrepot, blijven in de staat waarin zij zijn aangebracht. Op schriftelijk verzoek van de beheerder van het douane-entrepot en met toestemming van de inspecteur kunnen de goederen behandelingen ondergaan ter verzekering van hun bewaring in goede staat dan wel ter verbetering van hun presentatie of hun handelskwaliteit dan wel ter voorbereiding op de distributie of wederverkoop.
Het eerste lid is niet van toepassing op accijnsgoederen, indien in hoofdstuk IV zulks is bepaald.
Artikel 2.105
Tenzij de inspecteur bepaalt dat, binnen een door hem te stellen termijn, een nadere bestemming wordt gegeven aan goederen die zijn opgeslagen in een douane-entrepot dat is bestemd voor de opslag door een ieder, kunnen goederen voor onbepaalde tijd in douane-entrepot worden opgeslagen.
Artikel 2.106
Een vergunning kan worden ingetrokken:
- a. als de vergunninghouder schriftelijk hierom verzoekt;
- b. indien niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van de vergunning;
- c. indien na gedane waarschuwing, de vergunninghouder weigert zijn verplichtingen na te komen;
- d. indien onjuiste of onvolledige gegevens werden verstrekt die van beslissende invloed zijn geweest op het besluit tot afgifte van de vergunning;
- e. als de vergunninghouder zijn bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt.
De intrekking van de vergunning wordt schriftelijk en met redenen omkleed medegedeeld aan de vergunninghouder.
Aan de goederen die op het moment van intrekking van de vergunning in het douane-entrepot zijn opgeslagen, wordt binnen een termijn van drie dagen te rekenen vanaf de datum van intrekking van de vergunning, een nadere douanebestemming gegeven. Indien na het verstrijken van bedoelde termijn geen nadere douanebestemming aan de goederen is gegeven wordt de douanebestemming invoer geacht te zijn gegeven aan de goederen. De inspecteur neemt alle nodige maatregelen om de situatie van deze goederen te regulariseren.
Titel 8. Bestuurlijke boeten en strafrechtelijke bepalingen
Afdeling 1. Bestuurlijke boeten
Artikel 2.107
Indien voor goederen de formaliteiten met betrekking tot het binnenbrengen, aanbrengen en inklaren, niet, niet tijdig of niet behoorlijk worden vervuld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die gehouden is deze formaliteiten te vervullen en degene door wiens toedoen de formaliteiten niet, niet tijdig of niet behoorlijk worden vervuld, ieder een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.
Artikel 2.108
Indien voor goederen in tijdelijke opslag de formaliteiten welke nodig zijn om aan deze goederen een douanebestemming te geven niet worden vervuld binnen de termijn, genoemd in artikel 2.12, derde lid, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die deze formaliteiten dient te vervullen en degene door wiens toedoen de formaliteiten niet binnen deze termijn worden vervuld, ieder een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.
Artikel 2.109
Indien voor goederen waaraan de douanebestemming tijdelijke invoer, doorgaand vervoer of doorvoer is gegeven, de aan deze bestemmingen verbonden formaliteiten ter beëindiging daarvan niet of niet tijdig worden vervuld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die deze formaliteiten dient te vervullen en degene door wiens toedoen die formaliteiten niet of niet tijdig worden vervuld ieder een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.
Artikel 2.110
Indien in een ruimte voor tijdelijke opslag, douane-entrepot, of in een handels- en dienstenentrepot een vermis wordt bevonden, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de beheerder van de ruimte voor tijdelijke opslag, het douane-entrepot, of degene die tot vestiging in een handels- en dienstenentrepot is toegelaten onderscheidenlijk degene die aan de goederen de douanebestemming douane-entrepot of handels- en dienstenentrepot heeft gegeven, een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.
Artikel 2.111
Indien voor uitgaande goederen de formaliteiten met betrekking tot het uitgaan van deze goederen niet, niet tijdig of niet behoorlijk worden vervuld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die gehouden is deze formaliteiten te vervullen en degene door wiens toedoen de formaliteiten niet, niet tijdig of niet behoorlijk worden vervuld, ieder een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.
Artikel 2.112
Indien voor goederen waarvoor geen invoerrechten verschuldigd zijn of die voor vrijstelling in aanmerking komen, een onjuiste aangifte wordt gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de aangever een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.
Indien voor goederen, waarvoor invoerrechten verschuldigd zijn, een onjuiste aangifte wordt gedaan welke niet van invloed is op het bedrag van de verschuldigde invoerrechten, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de aangever een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen.
Artikel 2.113
Indien voor aan invoerrechten onderworpen goederen een onjuiste aangifte wordt gedaan, ten gevolge waarvan geen of minder invoerrechten zou worden betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de schuldenaar een boete van ten hoogste 25 percent van het bedrag van de verschuldigde dan wel meerverschuldigde invoerrechten kan opleggen, met dien verstande dat bij herhaling van de handeling dit percentage telkenmale met 25 percent wordt verhoogd tot ten hoogste 100 percent.
Indien een handelen of nalaten tot een douaneschuld heeft geleid die ingevolge artikel 2.76 dan wel artikel 2.78, zevende lid, wordt nagevorderd, terwijl de schuldenaar ter zake verwijtbaar is, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de douaneschuld, met een maximum van USD 5 600 kan opleggen.
Indien het ontstaan van de douaneschuld als bedoeld in het tweede lid te wijten is aan opzet of grove schuld van de schuldenaar, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste 200 percent van het bedrag van de douaneschuld, doch ten minste USD 140 kan opleggen.
Het in het derde lid genoemde percentage wordt verhoogd tot 300% en het daarin genoemde minimum wordt tot USD 560 verhoogd, indien de schuldenaar kan worden verweten bedrieglijke handelingen te hebben gepleegd of indien nog geen twee jaren zijn verstreken sinds hem een boete ingevolge dat lid is opgelegd.
Het bedrag aan boete, dat op grond van het derde en het vierde lid wordt vastgesteld, is ten hoogste USD 14 000.
Artikel 2.114
Indien niet, niet tijdig of niet behoorlijk wordt voldaan aan een ingevolge deze wet vastgestelde voorwaarde, voorschrift of opgelegde verplichting:
- a. aan een belanghebbende tot het aanwijzen van goederen;
- b. voortvloeiend uit een vergunning welke is verleend;
- c. aan een belanghebbende tot het overleggen van een juiste en volledige tekening dan wel het verstrekken van juiste of volledige informatie of gegevens;
- d. aan een belanghebbende tot het verstrekken van inlichtingen, het verlenen van bijstand of medewerking en het overbrengen van goederen ten behoeve van visitatie;
- e. tot het ervoor zorg dragen dat een aangebrachte identificatiemaatregel in stand blijft als bedoeld in artikel 2.55, derde lid; of
- f. tot het kosteloos ter beschikking stellen van werklieden, hulpmiddelen en bijstand als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid;
vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die gehouden is deze voorwaarde, bepaling of opgelegde verplichting te vervullen een boete van ten hoogste USD 140 kan opleggen. Indien de betrokkene opzet of grove schuld kan worden verweten, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur aan hem een boete kan opleggen van ten hoogste USD 2 800.
Artikel 2.115
Het overtreden van een krachtens deze wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur of regeling van Onze Minister wie het aangaat kan bij die algemene maatregel van bestuur, onderscheidenlijk regeling van Onze Minister wie het aangaat, worden aangemerkt als een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te wijten is een boete kan opleggen van ten hoogste het in die algemene maatregel van bestuur of regeling van Onze Minister wie het aangaat te vermelden bedrag. Dat bedrag beloopt ten hoogste USD 2 800 indien het verzuim betrekking heeft op een algemene maatregel van bestuur, en beloopt ten hoogste USD 140 indien het verzuim betrekking heeft op een regeling van Onze Minister wie het aangaat.
Artikel 2.116
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete als bedoeld in deze afdeling vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop het verzuim of het vergrijp waarop de boete betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.
Afdeling 2. Voorschriften inzake het opleggen van bestuurlijke boeten
Artikel 2.117
De inspecteur legt de bestuurlijke boete op bij beschikking.
Op verzoek van degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is en die de kennisgeving van de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de inspecteur er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving van die beschikking vermelde gronden aan degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is, worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
Indien een bestuurlijke boete gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van een uitnodiging tot betaling, wordt het bedrag van de boete afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.
Artikel 2.118
Indien de grondslag voor een bestuurlijke boete wordt gevormd door het bedrag aan invoerrechten, wordt de opgelegde boete naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van invoerrechten, voor zover deze vermindering of teruggaaf, het bedrag aan invoerrechten betreft waarover de boete is berekend.
Artikel 2.119
Als degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is, is overleden, wordt aan hem geen bestuurlijke boete opgelegd.
Indien een bestuurlijke boete op het tijdstip van overlijden van degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is niet onherroepelijk vaststaat, vernietigt de inspecteur de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd op verzoek van een belanghebbende bij beschikking.
Indien een bestuurlijke boete op het tijdstip van het overlijden van degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is onherroepelijk vaststaat, maar nog niet of niet volledig is betaald, verlaagt de inspecteur op verzoek van een belanghebbende of uit eigen beweging de boete tot het op het tijdstip betaalde bedrag bij beschikking.
Het verzoek, bedoeld in het tweede, onderscheidenlijk derde lid, wordt ingediend binnen vijf jaren nadat degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is, is overleden.
Artikel 2.120
Alvorens een bestuurlijke boete wegens een vergrijp op te leggen, stelt de inspecteur degene aan wie het vergrijp te wijten is in kennis van zijn voornemen daartoe, onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
De inspecteur stelt degene aan wie het vergrijp te wijten is in de gelegenheid binnen een door hem te stellen termijn de in die kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten.
Artikel 2.121
De inspecteur kan degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is ten aanzien van wie de redelijke verwachting bestaat dat hem een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, oproepen voor een verhoor. In deze oproep deelt de inspecteur hem mee dat hij zich desgewenst kan laten bijstaan.
Voordat het verhoor aanvangt, deelt de inspecteur degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
Op verzoek van degene aan wie het verzuim of vergrijp te wijten is en die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de inspecteur er zorg voor dat een tolk wordt benoemd die degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is tijdens het verhoor kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat; aan de tolk wordt ten laste van het Rijk een vergoeding toegekend ingevolge het Besluit tarief justitiekosten strafzaken.
Artikel 2.122
De inspecteur stelt degene aan wie het verzuim of het vergrijp te wijten is op diens verzoek in de gelegenheid inzage te nemen in, dan wel kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels te vervaardigen van de gegevensdragers waarop het voornemen tot het opleggen, dan wel het opleggen van een bestuurlijke boete berust.
Artikel 2.123
De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt indien ter zake van het feit op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen degene die haar heeft belopen een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek op de zitting van het Gerecht in eerste aanleg is aangevangen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 2.147 van deze wet.
Artikel 2.124
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van anderen dan degene aan het verzuim of het vergrijp te wijten is, aan wie ingevolge de douanewetgeving een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Artikel 2.125
Van de bij beschikking opgelegde bestuurlijke boete kan door of vanwege Onze Minister van Financiën gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend.
Afdeling 3. Strafrechtelijke bepalingen
Artikel 2.126
Degene die op onregelmatige wijze goederen binnenbrengt op één van de BES eilanden wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.
Degene die een in het eerste lid genoemd feit opzettelijk begaat wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.
Artikel 2.127
Degene die in strijd met artikel 2.18 goederen naar een plaats buiten één van de BES eilanden brengt, wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vijfde categorie.
Degene die een in het eerste lid genoemd feit opzettelijk begaat wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
Artikel 2.128
Degene die een bij dit hoofdstuk vereiste aangifte dan wel een verklaring tot inklaring of tot uitklaring niet, onjuist of onvolledig doet, wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.
Met dezelfde straf wordt gestraft degene die aan goederen een douanebestemming geeft terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat verschil bestaat tussen de goederen en de omschrijving daarvan in de aangifte en op vordering van de daarmee belaste ambtenaar de goederen of een bepaald gedeelte daarvan aanwijst zonder die ambtenaar van die wetenschap of het vermoeden op de hoogte te stellen.
Met dezelfde straf wordt bestraft degene die medeplichtig is aan de in het eerste en tweede lid vermelde misdrijven.
Voor zover niet het tegendeel blijkt of is bepaald, wordt bij bevindingen van verschil tussen de goederen en de omschrijving daarvan in de aangifte dan wel de verklaring tot inklaring of tot uitklaring dit verschil reeds geacht bij het doen van de aangifte te hebben bestaan.
Degene die een in het eerste lid bedoelde feit opzettelijk begaat met het oogmerk om de invoerrechten geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen, wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste tweemaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.
Artikel 2.129
Degene die goederen, waarvoor een in dit hoofdstuk voorziene aangifte dan wel verklaring tot inklaring of tot uitklaring niet is gedaan, lost, laadt, vervoert, in enig gebouw, erf of besloten terrein inslaat, voorhanden heeft of daaruit uitslaat, koopt, verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, terwijl de invoerrechten niet zijn voldaan, noch overeenkomstig deze wet zijn verzekerd, wordt gestraft hetzij met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie of, indien de te weinig geheven invoerrechten hoger zijn dan dit bedrag, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven invoerrechten, hetzij met beide voormelde straffen.
Goederen welke in strijd met deze wet worden gelost, geladen, vervoerd, in enig gebouw, erf of besloten terrein worden ingeslagen, voorhanden gehouden of daaruit uitgeslagen, of worden vervoerd, ingeslagen, voorhanden gehouden of uitgeslagen in strijd met een daartoe strekkend verbod, worden geacht te vallen onder het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat daarvan de verschuldigde invoerrechten zijn voldaan of de heffing van die rechten overeenkomstig dit hoofdstuk is verzekerd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)