Wet van 19 mei 2011, houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren)

Type Wet
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 281
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de onderwerpen, bedoeld in het tweede lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op onder meer:

  • a. de kwalificaties van degene die is of wordt toegelaten, waaronder de opleiding en bij- of nascholing;
  • b. de gevallen waarin en de wijze waarop de handelingen, waarop de toelating betrekking heeft, worden verricht, waarbij kan worden bepaald dat die handelingen uitsluitend plaatsvinden onder leiding, op aanwijzing of onder controle van een dierenarts;
  • c. de verhouding van de persoon die wordt toegelaten, tot de dierenarts;
  • d. de gevallen waarin een toelating op aanvraag plaatsvindt, alsmede de wijze waarop de aanvraag en de toelating plaatsvindt;
  • e. de geldigheidsduur van de toelating, en
  • f. de gevallen waarin de toelating kan worden ingetrokken.
4.

Een toelating als bedoeld in het tweede lid kan onder voorwaarden en beperkingen worden verleend.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen de andere personen, bedoeld in het eerste lid, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden gelijkgesteld met dierenartsen.

Artikel 4.2. Zorgplichten

1.

Personen, die zijn toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, schieten niet door enig handelen of nalaten tekort in de zorg die zij in hun hoedanigheid:

  • a. behoren te betrachten ten opzichte van een dier met betrekking tot welke hun hulp is ingeroepen, en
  • b. verlenen of in geval van nood behoren te verlenen ten opzichte van een dier.
2.

Personen die zijn toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, schieten niet zodanig tekort in hetgeen van hen in hun hoedanigheid mag worden verwacht dat daardoor ernstige schade kan ontstaan voor de gezondheidszorg voor dieren.

3.

Het in het eerste en tweede lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren.

Artikel 4.3. Register

1.

Onze Minister houdt een openbaar register bij van personen die een opleiding op het gebied van de diergeneeskunde als bedoeld in artikel 1.1 met goed gevolg hebben voltooid en andere personen die worden toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen.

2.

Een persoon wordt niet in het register ingeschreven of zijn inschrijving wordt doorgehaald indien krachtens een onherroepelijk geworden rechterlijke of tuchtrechtelijke uitspraak zijn bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen is ingetrokken.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de registratie in het register, bedoeld in het eerste lid, waaronder regels als bedoeld in artikel 7.2, tweede en derde lid.

Artikel 4.4. Titelbescherming

1.

Aan personen die zijn opgenomen in een register als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, is het recht voorbehouden om:

  • a. in het openbaar aan te kondigen dat zij de diergeneeskundige handelingen waarop de registratie betrekking heeft beroepsmatig verrichten,
  • b. een titel, aanduiding of vermelding te bezigen die bij het publiek redelijkerwijs de indruk kan wekken dat zij de diergeneeskundige handelingen waarop de registratie betrekking heeft beroepsmatig verrichten, en
  • c. een titel als bedoeld in artikel 4.5, tweede lid, onderdeel c, te bezigen of een aanduiding of vermelding te bezigen die bij het publiek redelijkerwijs de indruk kan wekken dat zij een dergelijke titel verkregen hebben.
2.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op daarbij aangewezen personen, onder de daarbij gestelde voorwaarden.

Artikel 4.5. Specialismen

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over specialismen binnen het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen alsmede over de vermelding van de titel, behorende bij die specialismen, in het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op onder meer:

  • a. de opleiding tot de specialismen;
  • b. de aanwijzing van en de eisen aan organisaties of instellingen die zijn belast met de regeling van of de opleiding tot de specialismen;
  • c. de verkrijging en de intrekking van een titel, verbonden aan de specialismen, en
  • d. de voorwaarden waaronder personen die beschikken over een titel, verbonden aan een specialisme, het recht is voorbehouden om:
  • 1°. in het openbaar aan te kondigen dat zij de diergeneeskundige handelingen waarop de specialisatie betrekking heeft beroepsmatig verrichten,
  • 2°. een titel, aanduiding of vermelding te bezigen die bij het publiek redelijkerwijs de indruk kan vestigen dat zij de diergeneeskundige handelingen waarop het specialisme betrekking heeft beroepsmatig verrichten, en

Hoofdstuk 5. Maatregelen

§ 1. Algemeen

§ 1. Algemeen

§ 1. Algemeen

Hoofdstuk 6. Uitvoering EU-rechtshandelingen

Hoofdstuk 7. Vergunningen, erkenningen, toestemmingen, toelatingen, registraties, meldingen en registers

Hoofdstuk 7. Vergunningen, erkenningen, toestemmingen, toelatingen, registraties, meldingen en registers

§ 2. Herstelmaatregelen

§ 3. Bestuurlijke boete

§ 4. Strafrechtelijke handhaving

Artikel 8.15. Indiening klacht

1.

Bij het veterinair tuchtcollege kan een schriftelijke klacht worden ingediend tegen een dierenarts of een andere persoon die is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, wegens het in strijd handelen met artikel 4.2.

2.

Een klacht als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend door:

  • a. degene die als gevolg van het handelen, bedoeld in het eerste lid, rechtstreeks in zijn belang is getroffen, of
  • b. een ambtenaar, aangewezen door Onze Minister.

Artikel 8.16. Veterinair tuchtcollege

1.

Het veterinair tuchtcollege is gevestigd in Den Haag.

2.

Het veterinair tuchtcollege is belast met de behandeling in eerste aanleg van zaken over het handelen in strijd met artikel 4.2.

3.

Het veterinair tuchtcollege bestaat uit de volgende leden:

  • a. een rechtsgeleerde die voorzitter is;
  • b. vier praktiserende dierenartsen, en
  • c. een door Onze Ministers te bepalen aantal andere personen als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, dat op grond van dat artikellid zijn toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen en als zodanig werkzaam zijn.
4.

Het veterinair tuchtcollege heeft een secretaris en zo nodig een plaatsvervangend secretaris, die rechtsgeleerden zijn.

5.

De rechtsgeleerde leden van het veterinair tuchtcollege, de secretaris en diens plaatsvervanger, voldoen aan artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Artikel 8.17. Benoeming leden college

1.

De voorzitter en de overige leden van het veterinair tuchtcollege, alsmede voor elk van hen een of meer plaatsvervangers, worden voor de tijd van zes jaren door Onze Ministers benoemd. Zij zijn bij hun aftreden herbenoembaar. Op eigen verzoek kunnen zij door Onze Ministers worden ontslagen. De benoemingstermijn van degene die wordt benoemd ter vervulling van een tussentijdse vacature, eindigt bij het verstrijken van de benoemingstermijn van degene in wiens plaats hij is getreden.

2.

Voor de plaatsvervangers, bedoeld in het eerste lid, gelden dezelfde vereisten van benoembaarheid als voor de leden die zij vervangen.

3.

Onze Ministers verlenen aan de leden en hun plaatsvervangers ontslag met ingang van de maand, volgend op die waarin de betrokkenen de leeftijd van zeventig jaren hebben bereikt. Zij verlenen aan de leden en hun plaatsvervangers eveneens ontslag bij verlies van een vereiste voor hun benoembaarheid.

4.

De secretaris en de plaatsvervangend secretaris worden door Onze Ministers benoemd, geschorst en ontslagen.

Artikel 8.18. Verwantschap leden college

1.

Tussen de leden, de plaatsvervangende leden, de secretaris en de plaatsvervangend secretaris van het veterinair tuchtcollege mag niet bestaan de verhouding van echtgenoten, geregistreerde partners, bloed- en aanverwanten tot de derde graad ingesloten, een vennootschap of ander duurzaam samenwerkingsverband tot het uitoefenen van de diergeneeskunde of de verhouding van werkgever tot werknemer.

2.

Indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap eerst mocht worden aangegaan na de benoeming, zal de jongstbenoemde der echtgenoten of geregistreerde partners zijn ambt niet kunnen behouden.

3.

Indien de aanverwantschap eerst mocht zijn ontstaan na de benoeming, zal degene, die haar veroorzaakte, zijn ambt niet kunnen behouden, behoudens door Onze Ministers te verlenen vergunning.

Artikel 8.19. Rechtspositie leden college

De artikelen 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d, 46d, tweede lid, 46f, 46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren voor de leden van de rechterlijke macht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leden van het college en hun plaatsvervangers.

Artikel 8.20. Ambtsverwaarlozing

1.

De voorzitter van het veterinair tuchtcollege is bevoegd ambtshalve aan de leden en hun plaatsvervangers, die de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden of ambtsplichten verwaarlozen of die zich schuldig maken aan overtreding van artikel 8.21, de nodige waarschuwing te doen, na hen in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.

2.

De voorzitter van het veterinair beroepscollege, bedoeld in artikel 8.36, heeft gelijke bevoegdheid ten aanzien van de voorzitter van het veterinair tuchtcollege en diens plaatsvervangers.

Artikel 8.21. Geheimhouding

1.

Leden van het veterinair tuchtcollege en hun plaatsvervangers laten zich op geen enkele wijze uit over enige aangelegenheid, welke door hen behandeld wordt of waarvan zij weten of vermoeden dat deze door hen behandeld zal worden, in enig bijzonder onderhoud of gesprek met partijen of hun raadslieden of gemachtigden, noch nemen daarover enige bijzondere inlichting of schriftelijk stuk aan.

2.

Het is leden van het veterinair tuchtcollege en hun plaatsvervangers verboden hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te maken dan voor de uitoefening van hun functie gevorderd wordt. De verplichting tot geheimhouding geldt niet tegenover ambtenaren van politie of justitie, voor zover mededeling aan hen op grond van een wettelijk voorschrift is vereist.

3.

De leden van het veterinair tuchtcollege en hun plaatsvervangers bewaren het geheim omtrent de gevoelens die in de raadkamer over aanhangige zaken zijn geuit.

4.

Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de secretaris van het veterinair tuchtcollege en zijn plaatsvervanger.

Artikel 8.22. Vergoedingen

1.

De voorzitter en de leden van het veterinair tuchtcollege en hun plaatsvervangers ontvangen vacatiegeld, alsmede een vergoeding van reis- en verblijfkosten en van verdere onkosten.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.23. Voorlopig onderzoek

1.

Zodra een klacht is ingediend, stelt de voorzitter van het veterinair tuchtcollege een voorlopig onderzoek in. De ambtenaar, bedoeld in artikel 8.15, tweede lid, onderdeel b, verleent daarbij desgevraagd medewerking.

2.

Het intrekken van een klacht of de staking van de werkzaamheden door de persoon over wie geklaagd is, heeft geen invloed op de behandeling van de klacht indien:

  • b. wanneer de persoon over wie geklaagd is, verklaart de voortzetting van de behandeling te verlangen.

Artikel 8.24. Samenstelling tuchtcollege bij zitting

1.

Het veterinair tuchtcollege houdt zitting in een samenstelling bestaande uit vijf leden, te weten de voorzitter, alsmede:

  • a. vier dierenartsen, indien de klacht gericht is tegen een dierenarts, en
  • b. twee dierenartsen en twee leden van dezelfde beroepsgroep als de beklaagde, indien de klacht is gericht tegen een andere persoon als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, die op grond van dat artikellid is toegelaten.
2.

De voorzitter kan bepalen dat het veterinair tuchtcollege bij een gezamenlijke behandeling van klachten als bedoeld in artikel 8.28, eerste lid, zitting houdt in een van het eerste lid afwijkende samenstelling, onder de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal leden dat zitting houdt bedraagt maximaal vijf, en
  • b. voor elk van de beroepsgroepen tot welke degenen over wie is geklaagd behoren, neemt ten minste een lid deel dat tot diezelfde groep behoort.
3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, of het tweede lid, worden bepaald dat bij ontstentenis van benoemde leden van dezelfde beroepsgroep als de beklaagde, dierenartsen zitting nemen in plaats van die leden.

Artikel 8.25. Openbaarheid behandeling

1.

De behandeling van een zaak door het veterinair tuchtcollege geschiedt in een openbare zitting, tenzij het veterinair tuchtcollege om gewichtige redenen beveelt dat de behandeling van de zaak geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel daartoe houdt de overwegingen in waarop het steunt.

2.

De beslissing in een door het veterinair tuchtcollege behandelde zaak wordt in het openbaar uitgesproken.

3.

Tijd en plaats van een openbare zitting of van een openbare uitspraak worden ten minste veertien dagen en ten hoogste een maand tevoren in de Staatscourant bekendgemaakt.

Artikel 8.26. Horen van beklaagde

1.

Behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 8.30, eerste lid, neemt het veterinair tuchtcollege geen beslissing aangaande een ingediende klacht dan na verhoor, althans behoorlijke oproeping van de persoon over wie geklaagd is en van de klager.

2.

De persoon over wie geklaagd is kan, tenzij het veterinair tuchtcollege beveelt dat hij in persoon zal verschijnen, zich tijdens de zitting doen vertegenwoordigen door een daartoe gemachtigde. Hij kan zich door een raadsman doen bijstaan.

3.

Het veterinair tuchtcollege kan weigeren bepaalde personen die geen advocaat zijn, als gemachtigde of als raadsman toe te laten. Bij zodanige weigering houdt het veterinair tuchtcollege de zaak tot een volgende zitting aan.

4.

De persoon over wie geklaagd is en zijn raadsman worden in de gelegenheid gesteld ten minste veertien dagen voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek tijdens de zitting, van de processtukken kennis te nemen.

Artikel 8.27. Getuigen en deskundigen

1.

Het veterinair tuchtcollege kan getuigen en deskundigen oproepen en horen op verzoek van de persoon over wie geklaagd is, op verzoek van de klager of ambtshalve. De oproeping geschiedt bij aangetekende brief. Het is degene die als getuige of deskundige is opgeroepen verboden geen gevolg te geven aan de oproeping.

2.

Indien een getuige of een deskundige niet verschijnt op de oproeping, doet de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag op verzoek van het veterinair tuchtcollege hem dagvaarden. Het is een getuige of deskundige verboden niet te verschijnen na dagvaarding.

3.

Indien een getuige of een deskundige niet verschijnt op de dagvaarding, bedoeld in het tweede lid, doet de officier van justitie bij de rechtbank te Den Haag op verzoek van het veterinair tuchtcollege hem nogmaals dagvaarden met, voor zover verzocht door het veterinair tuchtcollege, bevel tot medebrenging.

4.

Artikel 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

5.

Ten aanzien van getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217 tot en met 219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.

6.

De getuigen en deskundigen ontvangen indien zij dit verkiezen op vertoon van hun oproeping of dagvaarding een vergoeding overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.

Artikel 8.28. Voegen en splitsen van behandeling van klachten

1.

De voorzitter van het veterinair tuchtcollege kan ten aanzien van twee of meer met elkaar samenhangende klachten bepalen dat deze ter terechtzitting gezamenlijk worden behandeld.

2.

Een gezamenlijke behandeling van klachten als bedoeld in het eerste lid vindt niet plaats ingeval de klachten zijn gericht tegen drie of meer andere personen als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, die op grond van dat artikellid zijn toegelaten, voor zover drie of meer van die personen tot verschillende beroepsgroepen behoren.

3.

De voorzitter van het veterinair tuchtcollege kan bepalen de behandeling van gevoegde zaken te splitsen.

Artikel 8.29. Wraking leden tuchtcollege

1.

Leden van het veterinair tuchtcollege en hun plaatsvervangers kunnen zich verschonen en kunnen worden gewraakt, indien ten aanzien van hen feiten of omstandigheden bestaan waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.

Over wraking of verschoning wordt zo spoedig mogelijk beslist door hen die deel uitmaken van het veterinair tuchtcollege, met uitzondering van degene die wordt gewraakt of die zich wil verschonen. Bij staking van stemmen wordt de wraking onderscheidenlijk de verschoning toegewezen.

Artikel 8.30. Beslissingen veterinair tuchtcollege

1.

Het veterinair tuchtcollege kan naar aanleiding van het voorlopig onderzoek, bedoeld in artikel 8.23, eerste lid, beslissen om, zonder nader onderzoek:

  • b. de klacht af te wijzen, indien deze kennelijk ongegrond is omdat de feiten waarop de klacht berust geen betrekking hebben op het handelen in strijd met artikel 4.2.
2.

Het veterinair tuchtcollege neemt in andere gevallen dan die, bedoeld in het eerste lid, een van de volgende beslissingen:

  • a. het ongegrond verklaren van de klacht, of
  • b. het geheel of gedeeltelijk gegrond verklaren van de klacht, al dan niet onder oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, aan degene op wie de klacht betrekking heeft.

Artikel 8.31. Tuchtrechtelijke maatregelen

1.

De maatregelen, bedoeld in artikel 8.30, tweede lid, onderdeel b, zijn:

  • a. een waarschuwing;
  • b. een berisping;
  • d. een geldboete van de vierde categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, indien de waarde van de goederen, met betrekking tot welke een overtreding is begaan, of de waarde van het wederrechtelijk genoten voordeel dat geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding is verkregen, hoger is dan het vierde gedeelte van het maximumbedrag van de geldboete dat op grond van onderdeel c, kan worden opgelegd;
  • e. een gehele of gedeeltelijke schorsing voor ten hoogste een jaar, van de bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, en
  • f. een gehele of gedeeltelijke ontzegging van de bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen.
2.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, kunnen gelijktijdig worden opgelegd met een van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e of f.

3.

Een beslissing waarbij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, is opgelegd, wordt bekendgemaakt in de Staatscourant en aan in de beslissing aangewezen tijdschriften of nieuwsbladen ter bekendmaking aangeboden, al dan niet met weglating van de namen of de woonplaatsen van de daarin genoemde personen, alsmede van andere gegevens welke aanwijzingen omtrent die personen bevatten.

4.

Bij oplegging van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, kan worden bevolen dat de beslissing overeenkomstig het derde lid wordt bekendgemaakt.

5.

Maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c, d of e, kunnen voorwaardelijk worden opgelegd.

6.

Bij toepassing van het vijfde lid worden de maatregelen geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer gelegd onder de voorwaarde dat de betrokkene zich binnen een daartoe vastgestelde proeftijd van ten hoogste drie jaren, niet schuldig maakt aan handelingen in strijd met artikel 4.2, dan wel in strijd met een bijzondere voorwaarde die aan de voorwaardelijke oplegging van de maatregel is verbonden.

7.

Een bijzondere voorwaarde als bedoeld in het zesde lid kan zijn dat de betrokkene de door zijn gedraging veroorzaakte schade, voor zover die niet meer bedraagt dan € 5 000,-, geheel of gedeeltelijk binnen een daarbij te stellen termijn, korter dan de proeftijd, vergoedt.

8.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de tenuitvoerlegging van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, en de uitvoering van de bevelen, bedoeld in het vierde lid.

9.

De geldboete, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, komt ten bate van de Staat. Degene aan wie een boete is opgelegd, wordt door een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar bij gedagtekende brief uitgenodigd de verschuldigde geldboete te betalen.

10.

Indien de schuldenaar in gebreke blijft, kan de invordering van de verschuldigde geldboete bij dwangbevel geschieden door de ambtenaar, bedoeld in het negende lid.

Artikel 8.32. Gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel

Een maatregel als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, wordt niet opgelegd indien dit door het veterinair tuchtcollege raadzaam wordt geacht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoon van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan.

Artikel 8.33. Nadere eisen aan beslissing

1.

De beslissing van het veterinair tuchtcollege over een ingediende klacht houdt de overweging in waarop zij steunt en wordt op schrift gesteld.

2.

Van de beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt door de secretaris van het veterinair tuchtcollege onverwijld een afschrift gezonden:

  • a. aan de persoon over wie geklaagd is;
  • b. aan de klager, en
3.

De secretaris van het veterinair tuchtcollege verstrekt desgevraagd aan de gerechten en het openbaar ministerie inlichtingen omtrent onherroepelijke beslissingen.

Artikel 8.34. Nietigheid beslissingen college

Beslissingen van het veterinair tuchtcollege, genomen met een ander aantal personen of in een andere samenstelling, dan bij of krachtens deze wet is voorgeschreven, zijn nietig.

Artikel 8.35. Beroep

1.

Bij het veterinair beroepscollege kan beroep worden ingesteld tegen een beslissing van het veterinair tuchtcollege op een ingediende klacht, binnen twee maanden na de dag van verzending van de aangetekende brief, bedoeld in artikel 8.33, tweede lid.

2.

Beroep als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingesteld door:

  • a. de persoon over wie geklaagd is, indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard;
  • b. de klager, voor zover hij niet-ontvankelijk is verklaard, zijn klacht is afgewezen, of zijn klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard, of
3.

Het beroep wordt ingesteld bij een met redenen omkleed beroepschrift, tezamen met een gewaarmerkt afschrift van de beslissing waartegen het beroep gericht is. Het beroep schorst de beslissing.

4.

Het veterinair beroepscollege kan het veterinair tuchtcollege uitnodigen inlichtingen te verstrekken.

5.

Indien alleen de persoon over wie geklaagd is, beroep heeft ingesteld, kan het veterinair beroepscollege slechts met eenparigheid van stemmen een beslissing geven die een wijziging ten nadele van de persoon over wie geklaagd is, brengt in hetgeen door het veterinair tuchtcollege was beslist.

Artikel 8.36. Veterinair beroepscollege

1.

Het veterinair beroepscollege is gevestigd in Den Haag.

2.

Het veterinair beroepscollege is belast met:

  • a. de behandeling in beroep van zaken over handelen in strijd met artikel 4.2, en
  • b. het waken tegen nodeloze vertraging van het onderzoek door het veterinair tuchtcollege.
3.

Het veterinair beroepscollege bestaat uit de volgende leden:

  • a. drie rechtsgeleerden waarvan één voorzitter is;
  • b. twee praktiserende dierenartsen, en
  • c. een door Onze Ministers te bepalen aantal andere personen als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, dat op grond van dat artikellid zijn toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen en als zodanig werkzaam zijn.
4.

Het lidmaatschap van het veterinair beroepscollege is niet verenigbaar met het lidmaatschap van het veterinair tuchtcollege.

5.

De artikelen 8.16, vierde en vijfde lid, 8.17, 8.18, 8.19, 8.20, eerste lid, 8.21 en 8.22 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.37. Samenstelling beroepscollege bij zitting

1.

Het veterinair beroepscollege houdt zitting in een samenstelling bestaande uit vijf leden, te weten de drie rechtsgeleerden waaronder de voorzitter, alsmede:

  • a. twee dierenartsen indien de klacht gericht is tegen een dierenarts, en
  • b. een dierenarts en een lid van dezelfde beroepsgroep als de beklaagde, indien de klacht is gericht tegen een andere persoon als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, die op grond van dat artikellid is toegelaten.
2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, worden bepaald dat bij ontstentenis van benoemde leden van dezelfde beroepsgroep als de beklaagde, dierenartsen zitting nemen in plaats van die leden.

Artikel 8.38. Procedurele aspecten bij beroepszaken

1.

De artikelen 8.25, 8.26, 8.27, 8.28, 8.29 en 8.34 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

De voorzitter kan bepalen dat het veterinaire beroepscollege bij een gezamenlijke behandeling van klachten als bedoeld in artikel 8.28, eerste lid, zitting houdt in een van artikel 8.37, eerste lid, afwijkende samenstelling, onder de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal leden dat zitting houdt bedraagt vijf of zeven;
  • b. de samenstelling bestaat voor de meerderheid uit rechtsgeleerden, en
  • c. voor elk van de beroepsgroepen tot welke degenen over wie is geklaagd behoren, neemt tenminste een lid deel dat tot diezelfde groep behoort.
3.

Artikel 8.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het tweede lid.

Artikel 8.39. Beslissingen in beroep

1.

Het veterinair beroepscollege kan in beroep de volgende beslissingen nemen:

  • a. degene die beroep heeft ingesteld niet-ontvankelijk verklaren;
  • b. het beroep verwerpen, of
  • c. het beroep gegrond verklaren.
2.

Indien het veterinair beroepscollege het beroep gegrond verklaart dan wel bij de behandeling van het beroep op andere dan de in het beroepschrift aangevoerde gronden tot het oordeel komt, dat de in eerste aanleg gegeven beslissing niet kan worden gehandhaafd, vernietigt het deze beslissing en doet de zaak zelf af.

3.

De artikelen 8.30, 8.31 en 8.32 zijn van overeenkomstige toepassing ingeval het veterinair beroepscollege op grond van het tweede lid de zaak zelf afdoet.

Artikel 8.40. Nadere eisen aan beslissingen in beroep

1.

De beslissing in beroep houdt de overweging in waarop zij steunt en wordt op schrift gesteld.

2.

De secretaris van het veterinair beroepscollege zendt van de beslissing onverwijld bij aangetekende brief afschrift:

  • a. aan de persoon over wie geklaagd is;
  • b. aan de klager;
  • d. aan het veterinair tuchtcollege.
3.

De secretaris van het veterinair beroepscollege verstrekt desgevraagd aan de gerechten en het openbaar ministerie inlichtingen omtrent beslissingen van het veterinair beroepscollege.

Artikel 8.41. Acties wegens vertraging

1.

Het veterinair beroepscollege kan zich de stukken met betrekking tot een zaak die in behandeling is bij het veterinair tuchtcollege, doen overleggen en het tuchtcollege een termijn stellen, binnen welke de beslissing wordt genomen.

2.

Indien het veterinair tuchtcollege niet voldoet aan het bepaalde krachtens het eerste lid, kan het veterinair beroepscollege de behandeling van de zaak aan zich trekken en in hoogste ressort beslissen.

3.

De artikelen 8.30, 8.31, 8.32, 8.34 en 8.40 zijn van overeenkomstige toepassing ingeval het tweede lid wordt toegepast.

Artikel 8.42. Herstel van opgelegde ontzegging

1.

In bijzondere gevallen kan bij koninklijk besluit worden bepaald, het veterinaire tuchtcollege gehoord, dat degene ten aanzien van wie de bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen geheel of gedeeltelijk is ontzegd, op zijn verzoek in die bevoegdheid wordt hersteld.

2.

Herstel kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 8.43. Nadere regels voor de goede uitvoering van tuchtrecht

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de rechtsgang ten behoeve van de waarborging van een deugdelijke berechting.

§ 6. Gidsen voor goede praktijken

§ 7. Overig

Hoofdstuk 9. Financiën

§ 1. Retributies

§ 2. Diergezondheidsfonds

§ 1. Retributies

Hoofdstuk 10. Overig

Hoofdstuk 11. Wijzigingen andere wetten en overgangsrecht

§ 1. Overgangsrecht

§ 3. Tegemoetkomingen

Artikel 11.9

Vervallen

Artikel 11.9

Vervallen

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 6. Gidsen voor goede praktijken

Hoofdstuk 10. Overig

Hoofdstuk 11. Wijzigingen andere wetten en overgangsrecht

§ 3. Tegemoetkomingen

§ 2. Wijziging andere wetten

Artikel 11.10

Vervallen

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.18a. Nadere regels over diervoeders en milieu

1.

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld over de samenstelling van diervoeders of andere stoffen die zijn bedoeld voor het voederen van dieren.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op onder meer:

  • a. een verbod op het bereiden, bewerken, verwerken, verpakken, etiketteren, in de handel brengen, in Nederland brengen, vervoeren, aanbieden, aanprijzen, afleveren, ontvangen, voorhanden of in voorraad hebben, of het vervoederen aan, het toepassen bij of het brengen in de nabijheid van dieren, van diervoeders of stoffen waarvan de hoeveelheid van een bestanddeel een bij die regeling bepaald maximum overschrijdt;
  • b. een verplichting om de hoeveelheid van een bestanddeel in de totale hoeveelheid diervoeders die een dier gebruikt, te beperken, al dan niet tot een bij die regeling bepaald maximum.
3.

Er kunnen slechts regels worden vastgesteld als bedoeld in het eerste lid indien vastgesteld is dat dit geen significant negatieve gevolgen heeft voor diergezondheid, dierenwelzijn, volksgezondheid en afzetbelangen.

§ 3. Regels over diergeneesmiddelen

Hoofdstuk 3. Dierlijke producten

§ 2. Aanvullende regels over dierlijke bijproducten

§ 3. Aanvullende regels over dierlijke producten in relatie tot het milieu

Artikel 3.7. Bescherming van het milieu

1.

Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld over het maximumgehalte aan bepaalde stoffen in dierlijke producten, voor zover dat gehalte wordt beïnvloed door de aard of de samenstelling van diervoeders of andere stoffen die zijn bedoeld voor het voederen van dieren, of door andere stoffen die door dieren worden gegeten.

2.

Er kunnen slechts regels worden vastgesteld als bedoeld in eerste lid indien vastgesteld is dat dit geen significant negatieve gevolgen heeft voor diergezondheid, dierenwelzijn, volksgezondheid en afzetbelangen.

Hoofdstuk 4. Toelating beroepen in de uitoefening van de diergeneeskunde

Hoofdstuk 5. Maatregelen

§ 2. Preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen

§ 2. Preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen

Hoofdstuk 6. Uitvoering EU-rechtshandelingen

Hoofdstuk 8. Handhaving

§ 1. Toezicht

§ 2. Herstelmaatregelen

§ 1. Toezicht

§ 6. Gidsen voor goede praktijken

§ 7. Overig

Hoofdstuk 9. Financiën

§ 2. Diergezondheidsfonds

§ 6. Gidsen voor goede praktijken

§ 6. Gidsen voor goede praktijken

Hoofdstuk 10. Overig

Hoofdstuk 11. Wijzigingen andere wetten en overgangsrecht

§ 1. Overgangsrecht

§ 2. Wijziging andere wetten

Artikel 11.9

Vervallen

Artikel 11.10

Vervallen

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5.3. Aanwijzing dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen

1.

Onze Minister kan krachtens deze paragraaf maatregelen treffen en andere handelingen verrichten ter voorkoming of bestrijding van de door hem aangewezen dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen bij door hem aangewezen diersoorten of diercategorieën.

2.

Dierziekten en zoönosen kunnen worden aangewezen indien:

  • a. zij besmettelijk zijn en verspreiding ervan niet kan worden voorkomen met normale bedrijfsmiddelen;
  • b. zij naar het oordeel van Onze Minister een gevaar voor de diergezondheid kunnen opleveren, of
  • c. zij naar het oordeel van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren;
  • d. zij zijn aangewezen in een EU-rechtshandeling betreffende overdraagbare dierziekten en naar het oordeel van Onze Minister niet kan worden volstaan met de bij of krachtens die EU-rechtshandeling voorgeschreven maatregelen.
3.

Ziekteverschijnselen kunnen worden aangewezen indien de dieren die deze verschijnselen vertonen of hun producten:

  • a. naar het oordeel van Onze Minister een gevaar voor de diergezondheid kunnen opleveren, of
  • b. naar het oordeel van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.
4.

Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, of in het derde lid, onderdeel b, vindt plaats in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

5.

Maatregelen, die krachtens deze paragraaf worden getroffen ter voorkoming of bestrijding van een dierziekte, zoönose of ziekteverschijnsel, die of dat overeenkomstig het vierde lid is aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, worden getroffen in overeenstemming met die minister.

Artikel 5.4. Dieren

1.

Onze Minister kan maatregelen treffen en andere handelingen verrichten met betrekking tot dieren, al dan niet gehouden, die:

  • a. besmet zijn of van besmetting zijn verdacht, of vatbaar zijn voor besmetting met een dierziekte of zoönose, of die een ziekteverschijnsel vertonen of kunnen vertonen, of
  • b. een gevaar kunnen opleveren voor verspreiding van een dierziekte, zoönose of ziekteverschijnsel.
2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt per dierziekte, zoönose en ziekteverschijnsel als bedoeld in artikel 5.3 geregeld in welke gevallen er bij een dier sprake is van besmetting, van verdenking van besmetting of van een ziekteverschijnsel. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan per dierziekte of zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel d, worden geregeld in welke gevallen er bij een dier sprake is van besmetting of van verdenking van besmetting.

3.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

  • a. een verplichting tot het afzonderen, het opstallen, het ophokken, het afschermen, het op een aangewezen plaats houden, het vastleggen of het opsluiten;
  • b. een verplichting tot het behandelen of het vaccineren;
  • c. een verbod op het vervoeren, het verplaatsen of het in de handel brengen;
  • d. een verbod op het bijeenbrengen;
  • e. een verbod op het in of buiten Nederland brengen;
  • f. een verbod op het winnen van sperma, eicellen en embryo’s, het insemineren of het laten bevruchten van dieren en het transplanteren van embryo’s en eicellen;
  • g. een verplichting tot het merken;
  • h. een verbod of een verplichting tot het doden van dieren;
  • i. een verplichting tot het onschadelijk laten maken van gestorven of gedode dieren;
  • j. een verplichting tot het informeren van derden over de verdenking of besmetting;
  • k. een verplichting tot het laten doen van onderzoek of een verplichting tot het dulden van onderzoek naar de aanwezigheid van ziekteverwekkers of ziekteverschijnselen of naar besmetting met een dierziekte of zoönose, en
  • l. een verplichting tot het bijhouden van gegevens.
4.

De andere handelingen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

  • a. het afzonderen, het opstallen, het ophokken, het afschermen, het op een aangewezen plaats houden, het vastleggen of het opsluiten;
  • b. het behandelen of het vaccineren;
  • c. het merken;
  • d. het doden;
  • e. het onschadelijk maken van gestorven of gedode dieren, en
  • f. het doen van onderzoek naar de aanwezigheid van ziekteverwekkers of ziekteverschijnselen of naar besmetting met een dierziekte of zoönose.
5.

Ten aanzien van een bedrijf waar dieren aanwezig zijn die van besmetting verdacht zijn verklaard, stelt Onze Minister het tijdstip vast waarop de verdenking is ontstaan en waarop zij is geëindigd, en welke, dan wel hoeveel van de op het bedrijf aanwezige dieren op het eerstgenoemde tijdstip besmet en van besmetting verdacht waren. Ten aanzien van een bedrijf waar dieren aanwezig zijn die van besmetting verdacht zijn verklaard, kan Onze Minister het tijdstip vaststellen waarop de verdenking is ontstaan en waarop zij is geëindigd, en welke, dan welk hoeveel van de op het bedrijf aanwezige dieren of het eerstgenoemde tijdstip besmet en van besmetting verdacht waren, voor zover het gaat om een besmetting of verdenking van een besmetting met een dierziekte of zoönose als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel d.

Artikel 5.5. Producten en voorwerpen

1.

Onze Minister kan maatregelen treffen en andere handelingen verrichten met betrekking tot producten of voorwerpen, voor zover deze drager van een ziekteverwekker kunnen zijn, of een gevaar voor verspreiding van een ziekteverwekker kunnen opleveren.

2.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

  • a. een verplichting tot het merken;
  • b. een verplichting tot het afzonderen, het op een plaats houden of het opslaan;
  • c. een verplichting tot het behandelen of het onschadelijk maken;
  • d. een verplichting tot het vernietigen;
  • e. een verplichting tot het verwerken;
  • f. een verbod of een verplichting tot het verplaatsen of vervoeren;
  • g. een verbod op het in of buiten Nederland brengen;
  • h. een verbod op in het in contact brengen met of het in de nabijheid brengen van dieren;
  • i. een verplichting tot het reinigen en ontsmetten;
  • j. een verplichting tot het laten doen van onderzoek of een verplichting tot het dulden van onderzoek naar de aanwezigheid van ziekteverwekkers of ziekteverschijnselen of naar besmetting met een dierziekte of zoönose, en
  • k. een verbod op het op of in de bodem brengen van dierlijke mest.
3.

De andere handelingen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

  • a. het merken;
  • b. het afzonderen, het op een plaats houden of het opslaan;
  • c. het behandelen of het onschadelijk maken;
  • d. het vernietigen;
  • e. het verwerken;
  • f. het verplaatsen of het vervoeren;
  • g. het reinigen en ontsmetten, en
  • h. het doen van onderzoek naar de aanwezigheid van ziekteverwekkers of ziekteverschijnselen of naar besmetting met een dierziekte of zoönose.

Artikel 5.6. Gebouwen, ruimten, terreinen en gebieden

1.

Onze Minister kan maatregelen treffen en andere handelingen verrichten met betrekking tot gebouwen, ruimten, terreinen, gebieden en andere onroerende zaken waar een ziekteverwekker aanwezig is of ten aanzien waarvan sprake is van een verdenking van aanwezigheid van een ziekteverwekker.

2.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

  • a. een verplichting tot het reinigen en ontsmetten;
  • b. een verbod op toegang, betreden of verlaten;
  • c. een verbod op het vervoer, het verplaatsen en het bijeenbrengen van dieren, producten of voorwerpen naar, onderscheidenlijk vanuit en in ruimten, gebouwen, terreinen, gebieden of andere onroerende zaken;
  • d. een verbod op het verrichten van bepaalde handelingen en activiteiten in, op of nabij ruimten, gebouwen, terreinen, gebieden of andere onroerende zaken, en
  • e. een verplichting tot het plaatsen van materialen ter voorkoming of bestrijding van besmettelijke dierziekten of zoönosen of ter wering van ziekteverwekkers.
3.

De andere handelingen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

  • a. het plaatsen van waarschuwingsborden en borden ter vooraankondiging;
  • b. het aanbrengen van kentekenen bij gebouwen, ruimten, terreinen, gebieden en andere onroerende zaken;
  • c. het plaatsen van materialen ter voorkoming of bestrijding van besmettelijke dierziekten of zoönosen of ter wering van ziekteverwekkers, en
  • d. het reinigen en ontsmetten.

Artikel 5.7. Afwijking andere regelgeving

De op grond van deze paragraaf of artikel 5.1, vierde lid, getroffen maatregelen ter preventie of bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen of ziekteverschijnselen kunnen zo nodig afwijken van het overige bij en krachtens deze wet bepaalde, de Meststoffenwet en artikel 4.3, in samenhang met artikel 4.31, 4.32, 4.34, 4.36 of 4.38, artikel 5.1, eerste lid, aanhef, onder f of g, tweede lid, aanhef en onder g, wel dan niet in samenhang met artikel 5.18, 5.39 of 5.40, of artikel 5.2, eerste of tweede lid, van de Omgevingswet.

Artikel 5.8. Medewerking burgemeesters

1.

Onze Minister stelt de burgemeester van de gemeente waar krachtens deze paragraaf of een EU-rechtshandeling als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, een maatregel is getroffen, hiervan onverwijld in kennis.

2.

De burgemeester van de betrokken gemeente verleent zijn medewerking bij het plaatsen en het weer verwijderen van waarschuwingsborden en kentekenen.

Artikel 5.9. Bevoegdheden ten behoeve van onderzoek

1.

Met het verrichten van onderzoek naar de aanwezigheid van ziekteverwekkers, dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren en personen.

2.

Artikel 8.2 en de artikelen 5:13 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en personen.

§ 3. Bestuurlijke maatregelen

Hoofdstuk 6. Uitvoering EU-rechtshandelingen

Hoofdstuk 8. Handhaving

§ 2. Herstelmaatregelen

§ 2. Herstelmaatregelen

§ 4. Strafrechtelijke handhaving

§ 5. Veterinair tuchtrecht

Hoofdstuk 9. Financiën

§ 1. Retributies

§ 1. Retributies

Artikel 9.2. Algemeen

1.

Er is een Diergezondheidsfonds.

2.

Het Diergezondheidsfonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016.

3.

Het Diergezondheidsfonds heeft ten doel het betalen van kosten en uitgaven in verband met de bestrijding, bewaking en preventie van en onderzoek naar dierziekten, zoönosen, ziekteverschijnselen en resistentie in brede zin.

4.

Onze Minister beheert de begroting van het Diergezondheidsfonds.

Artikel 9.3. Ontvangsten en saldi Diergezondheidsfonds

1.

De ontvangsten van het Diergezondheidsfonds worden gevormd door:

  • a. de opbrengsten van de diergezondheidsheffing, bedoeld in artikel 9.14;
  • b. bijdragen vanuit de begroting van het Ministerie van Economische Zaken;
  • c. de door de Europese Unie ter beschikking gestelde middelen, verband houdende met het weren en de bestrijding van krachtens artikel 5.3, eerste lid, of in een EU-rechtshandeling als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, aangewezen besmettelijke dierziekten;
  • d. andere ontvangsten.
2.

Het Diergezondheidsfonds sluit het begrotingsjaar niet af met een negatief saldo.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder betalingen worden verricht en over de informatieverstrekking over de besteding van de verkregen bijdragen.

Artikel 9.4. Betalingen uit Diergezondheidsfonds

1.

Uit het Diergezondheidsfonds worden betaald:

  • a. de kosten van het plaatsen van waarschuwingsborden en borden ter vooraankondiging, het aanbrengen van kentekenen bij gebouwen, ruimten, terreinen, gebieden en andere onroerende zaken, het plaatsen van materialen ter voorkoming of bestrijding van besmettelijke dierziekten of zoönosen of ter werking van ziekteverwekkers en het reinigen en ontsmetten, met uitzondering van de kosten van het reinigen van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest en voorwerpen alsmede van het reinigen en ontsmetten van markten en andere plaatsen waarop dieren afkomstig van verschillende plaatsen bijeen worden gebracht;
  • b. de kosten van het ter beschikking stellen van middelen voor reiniging en ontsmetting, en
2.

Uit het Diergezondheidsfonds kunnen betalingen worden verricht:

  • c. ter zake van door Onze Minister getroffen maatregelen, bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, of hoofdstuk 5, paragraaf 2, waaronder tevens begrepen worden de met het voorkomen en de bestrijding van een op grond van een EU-rechtshandeling als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, of artikel 5.3 aangewezen dierziekte, zoönose en ziekteverschijnsel verband houdende maatregelen getroffen met het oog op de bescherming van het welzijn van dieren dan wel met het oog op onderzoek naar de mate van verspreiding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen in Nederland;
  • d. ter zake van door Onze Minister, met het oog op het weren van een op grond van een EU-rechtshandeling als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, of artikel 5.3 aangewezen dierziekte, zoönose of ziekteverschijnsel gemaakte kosten;
  • e. ter zake van uitgaven ten behoeve van het weren van tegen antimicrobiële diergeneesmiddelen resistente bacteriën bij dieren;
  • g. ter zake van andere uitgaven.
3.

Onze Minister kan besluiten dat de kosten van het behandelen en merken van dieren, dierlijke of plantaardige producten geheel of gedeeltelijk worden betaald uit ’s Rijks kas.

§ 3. Tegemoetkomingen

Artikel 9.5. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op maatregelen, getroffen krachtens een EU-rechtshandeling als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, of hoofdstuk 5, paragraaf 2.

Artikel 9.6. Voorwaarden tegemoetkoming

1.

Uit het Diergezondheidsfonds wordt door Onze Minister aan de houder een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

  • a. dieren worden gedood, of
  • b. producten of voorwerpen onschadelijk worden gemaakt of worden vernietigd.
2.

Aan de toekenning van een tegemoetkoming kunnen door Onze Minister voorwaarden worden verbonden.

3.

De voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, kunnen betrekking hebben op:

  • a. de inrichting van het bedrijf;
  • b. de hygiëne op het bedrijf;
  • c. de herbevolking van het bedrijf;
  • d. de bedrijfsbegeleiding door een dierenarts, en
  • e. op het bedrijf te nemen preventieve maatregelen.
4.

Ingeval de houder niet bedrijfsmatig dieren houdt, kunnen de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, betrekking hebben op:

  • a. de inrichting van de verblijfsruimten voor dieren;
  • b. de hygiëne in de verblijfsruimten voor dieren;
  • c. de herbevolking van de verblijfsruimten voor dieren, en
  • d. de te nemen preventieve maatregelen.

Artikel 9.7. Gevallen van uitsluiting of vermindering tegemoetkoming

1.

Onze Minister kan besluiten dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.6, geen tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9.6 wordt toegekend, dan wel dat de tegemoetkoming op een lager bedrag wordt bepaald, voor zover:

  • a. het optreden van de dierziekte, de zoönose of het ziekteverschijnsel mede aan de betrokkene te wijten is;
  • b. de houder aan de bij of krachtens artikel 2.2 gestelde regels of de krachtens paragraaf 9.4 opgelegde verplichtingen niet of niet volledig heeft voldaan.
2.

Onze Minister kan de uitbetaling van de tegemoetkoming opschorten totdat aan de op grond van artikel 9.6, tweede lid, gestelde voorwaarden is voldaan, dan wel aan degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend, de verplichting opleggen zekerheid te stellen voor de juiste nakoming van de op grond van dat artikel gestelde voorwaarden.

3.

Onze Minister kan het bedrag van de tegemoetkoming geheel of gedeeltelijk terugvorderen, indien aan de op grond van artikel 9.6, tweede lid, gestelde voorwaarden geheel of gedeeltelijk niet is voldaan.

4.

Op een tegemoetkoming in de schade voor dieren, producten of voorwerpen die zijn gedood, onschadelijk gemaakt of vernietigd als bedoeld inartikel 9.6, eerste lid, wordt de eventuele opbrengst van die dieren, producten of voorwerpen in mindering gebracht.

Artikel 9.8. Hoogte tegemoetkoming

1.

De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

  • a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand;
  • b. voor zieke of dode dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de waarde in gezonde toestand;
  • c. voor producten: de marktwaarde, en
  • d. voor voorwerpen: de vervangingswaarde.
2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan voor bepaalde dieren, diersoorten of diercategorieën aan de tegemoetkoming in de schade een maximum worden gesteld.

3.

Voordat dieren worden gedood of producten of voorwerpen onschadelijk worden gemaakt of vernietigd, wordt de waarde daarvan vastgesteld.

4.

Van het derde lid kan in uitzonderlijke gevallen om redenen van spoedeisendheid worden afgeweken.

5.

Onze Minister stelt, op basis van een advies over de waarde opgesteld door een door hem aangewezen deskundige, de tegemoetkoming in de schade vast.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de uitvoering van de waardevaststelling, bedoeld in het derde lid. Deze regels hebben betrekking op:

  • a. het tijdstip dat als ijkmoment geldt voor de waardevaststelling;
  • b. de kwalificatie van de dieren, producten of voorwerpen waarvan de waarde moet worden vastgesteld;
  • c. de wijze van waardevaststelling, en
  • d. de herwaardering van de waardevaststelling door een of meer deskundigen.
7.

Onze Minister stelt een formulier vast waarop de onderbouwing van het advies over de waarde wordt vastgelegd. Het formulier bevat in elk geval de volgende gegevens:

  • a. de aanduiding van hetgeen waarvan de waarde wordt vastgesteld;
  • b. de voor de waardevaststelling relevante gegevens, en
  • c. de waarde en de motivering ervan.
8.

Zo spoedig mogelijk nadat de waarde is vastgesteld deelt Onze Minister aan de houder het bedrag van de tegemoetkoming in de schade mede.

Artikel 9.9. Deskundige waardevaststelling

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de vakbekwaamheid van deskundigen als bedoeld in artikel 9.8, vijfde lid, en zesde lid, onderdeel d.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in elk geval betrekking op de algemene kennis op het gebied van waardevaststellingen alsmede praktijkvaardigheden.

3.

De kosten van de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, worden betaald uit het Diergezondheidsfonds.

Artikel 9.10. Tegemoetkoming schade gebouwen, terreinen, voorwerpen

Indien door het vernietigen of onschadelijk maken van dieren, producten of voorwerpen schade wordt toegebracht aan gebouwen, terreinen of voorwerpen, wordt door Onze Minister aan de houder of gebruiker van deze gebouwen, terreinen of voorwerpen uit het Diergezondheidsfonds een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd.

Artikel 9.11. Tegemoetkoming schade bijzondere gevallen

Een tegemoetkoming in de schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, of hoofdstuk 5, paragraaf 2, kan, voor zover voor deze schade niet op grond van de artikelen 9.6 of 9.10 een tegemoetkoming kan worden gegeven, in door Onze Minister te bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit het Diergezondheidsfonds worden betaald.

Artikel 9.12. Vergoeding kosten verzorging

1.

Voor de periode tussen het moment waarop aan de houder is medegedeeld dat een maatregel als bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 2, wordt toegepast en het moment van toepassen van deze maatregel, kan door onze Minister een vergoeding worden betaald aan de houder voor de kosten die hij maakt bij de verzorging van de dieren waarop de maatregel wordt toegepast.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

  • a. de hoogte van de vergoeding;
  • b. de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergoeding, en
  • c. de periode waarop een vergoeding betrekking heeft.
3.

De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, kan worden betaald uit het Diergezondheidsfonds.

§ 4. Diergezondheidsheffing

Artikel 9.13. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van het bij en krachtens deze paragraaf bepaalde wordt verstaan onder:

  • vaccinbroedei: ei, afkomstig van pluimvee, dat zich in een broedmachine bevindt om te worden afgeleverd aan de farmaceutische industrie, dan wel bestemd is om voor dit doel in een broedmachine te worden gelegd.

Artikel 9.14. Doel diergezondheidsheffing

Onder de naam diergezondheidsheffing worden heffingen geheven voor de uitgaven van het Diergezondheidsfonds, bedoeld in artikel 9.4.

Artikel 9.15. Heffing houden van dieren in de uitoefening van een bedrijf

1.

De diergezondheidsheffing wordt geheven ter zake van het houden in de uitoefening van een bedrijf van:

  • a. kippen;
  • b. kalkoenen;
  • c. eenden;
  • d. schapen;
  • e. geiten;
  • f. varkens;
  • g. runderen.
2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere diersoorten worden aangewezen dan die, genoemd in het eerste lid, waarvoor met ingang van een datum die is gelegen na het tijdstip van inwerkingtreding van die maatregel, de diergezondheidsheffing wordt geheven met dien verstande dat, ingeval de betrokken heffing wordt ingevoerd gedurende het kalenderjaar, de heffing in dat kalenderjaar wordt geheven over het nog niet verstreken deel van dat jaar.

3.

De diergezondheidsheffing wordt, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geheven voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diersoorten indien het aantal dieren dat van die diersoort op het bedrijf wordt gehouden niet meer bedraagt dan een in die maatregel voor die diersoort bepaald aantal.

Artikel 9.16. Heffing houden van dieren anders dan in de uitoefening van een bedrijf

1.

De diergezondheidsheffing wordt geheven ter zake van het houden van schapen en geiten, anders dan in de uitoefening van een bedrijf.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere diersoorten worden aangewezen dan die, genoemd in het eerste lid, die anders dan in de uitoefening van een bedrijf worden gehouden, waarvoor met ingang van een datum die is gelegen na het tijdstip van inwerkingtreding van die maatregel, de diergezondheidsheffing wordt geheven met dien verstande dat, ingeval de betrokken heffing wordt ingevoerd gedurende het kalenderjaar, de heffing in dat kalenderjaar wordt geheven over het nog niet verstreken deel van dat jaar.

3.

De diergezondheidsheffing wordt, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geheven voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten indien het aantal dieren dat van die diersoort wordt gehouden niet meer bedraagt dan een in die maatregel voor die diersoort bepaald aantal.

4.

De diergezondheidsheffing wordt niet geheven ter zake van het houden van dieren die zich bevinden in een verzamelcentrum, een slachthuis of een vervoermiddel.

Artikel 9.17. Heffingplichtigen houden van dieren

De diergezondheidsheffing wordt geheven:

  • a. voor het houden van dieren in de uitoefening van een bedrijf: van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die, of het samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een bedrijf voert waar de dieren gehouden worden;
  • b. voor het houden van dieren anders dan in de uitoefening van een bedrijf: van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die, of het samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat de dieren houdt.

Artikel 9.18. Heffingsgrondslag houden van dieren

1.

De diergezondheidsheffing voor het houden van dieren wordt geheven naar het aantal dieren van een diersoort of diercategorie dat in een kalenderjaar wordt gehouden.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de berekeningswijze van het aantal dieren, bedoeld in het eerste lid, welke regels per diersoort of diercategorie kunnen verschillen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het aantal in een kalenderjaar gehouden dieren van een bepaalde diersoort of diercategorie wordt bepaald, indien voor die diersoort of diercategorie in onvoldoende mate gegevens over het aantal gehouden dieren in een kalenderjaar voorhanden zijn om dat aantal op die basis met voldoende zekerheid te kunnen berekenen.

4.

In afwijking van het eerste lid wordt de diergezondheidsheffing voor het houden van kippen, kalkoenen, eenden of dieren behorend tot een andere krachtens artikel 9.15, tweede lid, aangewezen soort gevogelte geheven naar het aantal dieren dat aan het begin van de periode waarin zij worden gehouden in een tot het bedrijf behorende stal of ruimte wordt binnengebracht.

Artikel 9.19. Heffing andere handelingen dan houden van dieren

1.

De diergezondheidsheffing wordt geheven ter zake van het in de uitoefening van een bedrijf:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)