Wet van 1 december 2011, houdende regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het toezicht op die markten (Wet financiële markten BES)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede met het oog op een functionele inrichting van het toezicht, wenselijk is om de bij de staatkundige hervorming als wetten van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overgenomen landsverordeningen betreffende het toezicht op financiële ondernemingen te vervangen door een op de openbare lichamen toegesneden algemene wet voor het toezicht op de financiële markten, met bijzondere aandacht voor de positie van de consument;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1:1. (begripsbepalingen)
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
- aanbieden: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf rechtstreeks of middellijk:
- a. doen van een voldoende bepaald, tot een consument of cliënt gericht voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst inzake een financieel product dan wel aangaan, beheren of uitvoeren van een dergelijke overeenkomst;
- b. doen van een voldoende bepaald, tot meer dan een persoon gericht voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst tot het kopen of anderszins verkrijgen van effecten dan wel een uitnodiging tot het doen van een aanbod op effecten;
- adviseren: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aanbevelen van één of meer specifieke financiële producten of effecten aan een bepaalde consument of cliënt;
- adviseur: degene die adviseert;
- Autoriteit Financiële Markten: Stichting Autoriteit Financiële Markten;
- beheerder: degene die het beheer voert over een beleggingsinstelling;
- beleggingsfonds: niet in een rechtspersoon ondergebracht vermogen waarin ter collectieve belegging gevraagde of verkregen gelden of andere goederen zijn of worden opgenomen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen;
- beleggingsinstelling: beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij;
- beleggingsmaatschappij: rechtspersoon die gelden of andere goederen ter collectieve belegging vraagt of heeft verkregen teneinde de deelnemers in de opbrengst van de beleggingen te doen delen;
- bemiddelaar: degene die bemiddelt;
- bemiddelen: het in de uitoefening van een beroep of bedrijf als tussenpersoon verrichten van werkzaamheden, gericht op:
- a. de totstandkoming van overeenkomsten inzake een financieel product tussen de aanbieder van dat product en een consument of cliënt;
- b. de totstandkoming van transacties in effecten voor rekening van een cliënt;
- c. het assisteren bij het beheer of de uitvoering van zodanige overeenkomsten of transacties;
- bijkantoor: duurzaam in een andere staat dan de staat van zetel aanwezig onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een financiële onderneming;
- buitenland: ander land van het Koninkrijk of andere staat, alsmede het Europese deel van Nederland;
- cliënt: een persoon, niet zijnde een professionele marktpartij, aan wie een financiële onderneming:
- a. een verzekering of recht van deelneming in een beleggingsinstelling aanbiedt of voornemens is aan te bieden, of
- b. een financiële dienst betreffende een verzekering, recht van deelneming in een beleggingsinstelling of effect verleent of voornemens is te verlenen;
- consument: een niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelende natuurlijke persoon aan wie een financiële onderneming:
- a. een financieel product aanbiedt of voornemens is aan te bieden, met uitzondering van verzekeringen en rechten van deelneming in beleggingsinstellingen;
- b. een financiële dienst verleent of voornemens is te verlenen, met uitzondering van diensten betreffende verzekeringen, rechten van deelneming in beleggingsinstellingen of effecten;
- effecten:
- a. aandeelbewijzen, schuldbrieven, winst- en oprichtersbewijzen, optiebewijzen, warrants en soortgelijke waardepapieren;
- b. rechten van deelgenootschap, opties, rechten op overdracht op termijn van zaken, inschrijvingen in aandelen- en schuldregisters en soortgelijke, al dan niet voorwaardelijke, rechten;
- c. rechten uit overeenkomsten tot verrekening van een koers- of prijsverschil en soortgelijke verhandelbare rechten en waarden;
- d. certificaten en recepissen van waarden als hiervoor bedoeld, met uitzondering van waarden die uitsluitend het karakter van betaalmiddel dragen en appartementsrechten;
- effectenbeurs: aan regels onderworpen markt voor het bijeenbrengen van vraag en aanbod van effecten;
- elektronisch geld: geldswaarde die is opgeslagen op een elektronische drager of op afstand in een centrale rekeningadministratie;
- elektronischgeldinstelling: degene die, geen kredietinstelling zijnde, zijn bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van gelden in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht aan anderen dan degene die het elektronische geld uitgeeft;
- externe deskundige: deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES;
- financieel product:
- a. betaal- of spaarrekening, met inbegrip van de daaraan verboden betaal- of spaarfaciliteiten;
- b. elektronisch geld;
- c. krediet;
- d. recht van deelneming in een beleggingsinstelling;
- e. levensverzekering, natura-uitvaartverzekering of schadeverzekering;
- f. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere producten;
- g. samenstel van twee of meer onder a tot en met f genoemde producten
- h. samenstel van effecten en een of meer onder a tot en met f genoemde producten;
- financiële dienst:
- a. adviseren of bemiddelen;
- b. optreden als vermogensbeheerder;
- c. verlenen van andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diensten;
- financiële onderneming: adviseur, beleggingsinstelling, bemiddelaar, elektronischgeldinstelling, geldtransactiekantoor, gevolmachtigde agent, houder van een effectenbeurs, kredietinstelling, kredietaanbieder, ondergevolmachtigde agent, trustkantoor, vermogensbeheerder of verzekeraar;
- geldtransactie:
- a. het wisselen van munten of bankbiljetten;
- b. het uitbetalen van munten of bankbiljetten op vertoon van een creditcard of tegen inlevering van cheques of andere waardepapieren;
- c. het in het kader van een geldelijke overmaking ter beschikking krijgen van gelden of geldswaarden teneinde deze al dan niet in dezelfde vorm aan een derde elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel het betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden die elders al dan niet in dezelfde vorm ter beschikking zijn gesteld, een en ander voor zover de geldelijke overmaking een op zichzelf staande dienst is;
- d. het verrichten van andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen verwante activiteiten;
- geldtransactiekantoor: degene die zijn bedrijf maakt van het uitvoeren van geldtransacties ten behoeve of op verzoek van derden of het verrichten van werkzaamheden, gericht op de totstandkoming van zodanige transacties;
- Gerecht: Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- gevolmachtigd agent: gevolmachtigde vertegenwoordiger van een verzekeraar, die, op grond van zijn volmacht, voor rekening van die verzekeraar overeenkomsten van verzekering met cliënten sluit;
- groep: economische eenheid van organisatorisch verbonden rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen;
- Koninkrijk: het Koninkrijk der Nederlanden;
- krediet: het aan een consument ter beschikking stellen van een geldsom of verschaffen van het genot van een roerende zaak, dan wel ten behoeve van een consument ter beschikking stellen van een geldsom aan derden, onder gehoudenheid van de consument om ter zake een of meer betalingen te verrichten;
- kredietaanbieder: degene die krediet aanbiedt;
- kredietinstelling: degene die zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen;
- levensverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van levensverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die verzekeringen;
- levensverzekering: overeenkomst van verzekering tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met het leven of de dood van de mens, met uitzondering van overeenkomsten van ongevallenverzekering;
- natura-uitvaartverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van natura-uitvaartverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die verzekeringen;
- natura-uitvaartverzekering: overeenkomst van verzekering tot het doen van uitkeringen in natura in verband met het overlijden van de mens;
- Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
- ondergevolmachtigde agent: ondergevolmachtigde vertegenwoordiger van een verzekeraar die op grond van een door een gevolmachtigde agent afgegeven ondervolmacht voor rekening van die verzekeraar overeenkomsten van verzekering met cliënten sluit;
- Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
- openbare lichamen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- opvorderbare gelden: gelden die op enig moment terugbetaald moeten worden, uit welke hoofde dan ook, en waarvan op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald;
- persoon: natuurlijke persoon of rechtspersoon;
- premie: door verzekeringnemer uit hoofde van een overeenkomst van verzekering verschuldigde, in geld uitgedrukte prestatie;
- professionele marktpartij: beleggingsinstelling, kredietinstelling, pensioenfonds, vermogensbeheerder, verzekeraar of andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen partij;
- schadeverzekeraar: degene die zijn bedrijf maakt van het sluiten van schadeverzekeringen voor eigen rekening en het afwikkelen van die verzekeringen;
- schadeverzekering: overeenkomst van verzekering, niet zijnde een levensverzekering of natura-uitvaartverzekering, met inbegrip van overeenkomsten van ongevallenverzekering;
- staat van zetel: de staat waar een onderneming haar zetel heeft, dan wel:
- a. indien de onderneming haar zetel heeft in het Caribische of het Europese deel van Nederland: het desbetreffende deel van Nederland, of
- b. indien de onderneming haar zetel heeft in een ander land van het Koninkrijk: het desbetreffende land;
- toezichtautoriteit: de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten, elk voor zover zij ingevolge de artikelen 1:5 en 1:6 zijn belast met de uitvoering of handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde;
- toezichthoudende instantie: overheidsinstantie of van overheidswege aangewezen instantie, niet zijnde de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten, die is belast met het toezicht op financiële markten of op die markten werkzame personen;
- trustdienst:
- a. het in opdracht van een derde, niet zijnde een derde die behoort tot een groep waarvan ook de verlener van de trustdienst deel uitmaakt:
- 1°. optreden als bestuurder of vennoot van een rechtspersoon of vennootschap;
- 2°. ter beschikking stellen van een adres of correspondentieadres als bedoeld in de artikelen 12, eerste lid, onderdeel b, en 13, onderdeel a, van het Handelsregisterbesluit BES aan een rechtspersoon of vennootschap, in combinatie met administratieve of adviserende werkzaamheden;
- 3°. oprichten of liquideren dan wel doen oprichten of liquideren van rechtspersonen;
- 4°. zijn van trustee in de zin van het op 1 juli 1985 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts (Trb. 1985, 141);
- b. het verkopen van rechtspersonen of daarbij bemiddelen;
- c. het ten behoeve van degene aan wie de trustdienst wordt verleend, gebruik maken van een vennootschap die behoort tot een groep waarvan ook de verlener van de trustdienst deel uitmaakt;
- d. het verrichten van andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diensten;
- trustkantoor: degene die van het verlenen van trustdiensten zijn beroep of bedrijf maakt;
- uitgevende instelling: een ieder die effecten heeft uitgegeven of voornemens is uit te geven;
- vermogensbeheerder: degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf op grond van een overeenkomst, anders dan als beheerder van een beleggingsinstelling, op discretionaire basis het beheer voert over effecten die toebehoren aan een persoon, of over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in effecten, daaronder begrepen het verrichten of doen verrichten van effectentransacties voor rekening van de persoon met wie de overeenkomst is gesloten;
- verzekeraar: levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar;
- vestiging: zetel of bijkantoor;
- zetel: plaats waar een onderneming volgens haar statuten of reglementen is gevestigd dan wel, indien zij geen rechtspersoon is, de plaats waar de onderneming haar hoofdvestiging heeft.
Artikel 1:2. (toepassingsbereik)
Deze wet is van toepassing in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 1:3. (uitzonderingen)
Deze wet is niet van toepassing op de uitvoering van socialezekerheidsregelingen en zorgverzekeringen onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De Nederlandsche Bank is geen financiële onderneming in de zin van deze wet.
Een pensioenfonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Pensioenwet BES is geen verzekeraar in de zin van deze wet.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën financiële ondernemingen worden aangewezen waarop in bij of krachtens die maatregel te bepalen gevallen deze wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.
Artikel 1:4. (rechtsgeldigheid privaatrechtelijke rechtshandelingen)
De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling, verricht in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde, is niet uit dien hoofde aantastbaar, behoudens voor zover in deze wet anders is bepaald.
§ 2. De toezichtautoriteiten
Artikel 1:5. (taakstelling de Nederlandsche Bank)
Prudentieel toezicht is gericht op de soliditeit van financiële ondernemingen en het bijdragen aan de stabiliteit van de financiële sector.
De Nederlandsche Bank heeft op de grondslag van deze wet, in het bijzonder de artikelen 3:9, eerste en tweede lid, onderdelen a en b, 3:16 tot en met 3:21, 3:27 tot en met 3:29, 3:44 tot en met 3:48, 4:5en hoofdstuk 8, tot taak prudentieel toezicht op financiële ondernemingen uit te oefenen.
De Nederlandsche Bank heeft voorts tot taak te beslissen omtrent de toelating van de in artikel 2:1, eerste lid, genoemde financiële ondernemingen tot de financiële markten en, met uitzondering van het ingevolge artikel 1:6, tweede lid, aan de Autoriteit Financiële Markten opgedragen gedragstoezicht, ten aanzien van die ondernemingen toezicht uit te oefenen op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde. Tevens heeft zij tot taak toezicht uit te oefenen op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 2:21 tot en met 2:23 gestelde regels.
Artikel 1:6. (taakstelling Autoriteit Financiële Markten)
Gedragstoezicht is gericht op ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van consumenten of cliënten.
De Autoriteit Financiële Markten heeft op de grondslag van deze wet, in het bijzonder de artikelen 3:9, eerste en tweede lid, onderdeel c, 3:11, 3:12 en hoofdstuk 5, tot taak gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen.
De Autoriteit Financiële Markten heeft voorts tot taak te beslissen omtrent de toelating van de in artikel 2:3, eerste en tweede lid, genoemde financiële ondernemingen tot de financiële markten en, met uitzondering van het ingevolge artikel 1:5, tweede lid, aan de Nederlandsche Bank opgedragen prudentiële toezicht, ten aanzien van die ondernemingen toezicht uit te oefenen op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 1:7. (bevoegdheid inlichtingen te vorderen)
De toezichtautoriteit is bevoegd van een ieder inlichtingen te vorderen, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor:
- a. de vervulling van een haar in deze wet opgedragen taak;
- b. de uitvoering van verdragen, bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties of met buitenlandse toezichthoudende instanties gesloten overeenkomsten tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen.
Een ieder is verplicht aan de toezichtautoriteit binnen de door haar gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die zij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van haar bevoegdheden.
Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
Artikel 1:8. (begroting, verantwoording en jaarverslag)
Vervallen
Artikel 1:9. (zorgvuldige taakuitvoering)
Vervallen
Artikel 1:10. (doorberekening toezichtkosten)
De aanvrager van een beschikking op grond van deze wet is de toezichtautoriteit voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag een vergoeding verschuldigd van de met de behandeling van die aanvraag verband houdende kosten.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de toezichtautoriteit de overige kosten die verband houden met de vervulling van de haar op grond van deze wet opgedragen taken, eveneens geheel of gedeeltelijk in rekening brengt bij de ingevolge deze wet onder haar toezicht staande financiële ondernemingen, overeenkomstig bij of krachtens die maatregel te stellen regels.
Bij regeling van Onze Minister worden de tarieven vastgesteld ter vergoeding van de in het eerste en tweede lid bedoelde kosten. Bij de regeling kan worden bepaald dat vergoedingen als bedoeld in het eerste lid bij vooruitbetaling verschuldigd zijn.
Artikel 1:11. (inlichtingenrecht van minister i.v.m. beleidsvoornemens)
Vervallen
Artikel 1:12. (onderzoek naar toereikendheid of uitvoering van de wet)
De toezichtautoriteit verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens en inlichtingen die nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichtautoriteit deze wet uitvoert, met uitzondering van vertrouwelijke gegevens als bedoeld in artikel 1:20, eerste lid, die:
- a. betrekking hebben of herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen;
- b. zijn ontvangen van de andere toezichtautoriteit of een buitenlandse toezichthoudende instantie, tenzij die autoriteit of instantie instemt met het verstrekken van de gegevens.
De uitzondering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geldt niet voor zover het gegevens betreft die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een financiële onderneming waarvan op grond van deze wet de vergunning is ingetrokken, of een financiële onderneming ten aanzien waarvan surseance van betaling is verleend of ten aanzien waarvan de noodregeling, bedoeld in artikel 8:9, is uitgesproken, of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.
Artikel 1:42, derde tot en met zesde lid, van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van gegevens als bedoeld in het tweede lid.
De Wet open overheid en de Wet openbaarheid van bestuur BES, de Wet Nationale ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op gegevens die Onze Minister of een in zijn opdracht werkende derde uit hoofde van dit artikel onder zich heeft.
Artikel 1:13. (taakverwaarlozing door toezichtautoriteit)
Vervallen
Artikel 1:13a. (aansprakelijkheidsbeperking toezichtautoriteiten)
De Nederlandsche Bank, de leden van haar directie en raad van commissarissen en haar werknemers zijn niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een handelen of nalaten in de uitoefening van haar op grond van een wettelijk voorschrift opgedragen taak of verleende bevoegdheid, tenzij de schade in belangrijke mate het gevolg is van een opzettelijk onbehoorlijke taakuitoefening of een opzettelijk onbehoorlijke uitoefening van bevoegdheden of in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld.
De Autoriteit Financiële Markten, de leden van haar bestuur en raad van toezicht en haar werknemers zijn niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een handelen of nalaten in de uitoefening van haar op grond van een wettelijk voorschrift opgedragen taak of verleende bevoegdheid, tenzij de schade in belangrijke mate het gevolg is van een opzettelijk onbehoorlijke taakuitoefening of een opzettelijk onbehoorlijke uitoefening van bevoegdheden of in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld.
§ 3. Samenwerking tussen toezichthoudende instanties
Artikel 1:14. (advies bij vergunningverlening)
Indien de Nederlandsche Bank in het kader van de behandeling van een aanvraag om vergunning dient te beoordelen of de aanvrager zal voldoen aan bij of krachtens de artikelen 3:9, tweede lid, onderdeel c, 3:11 of 3:12 gestelde regels, vraagt zij, alvorens op de aanvraag te beslissen, daarover advies aan de Autoriteit Financiële Markten.
Indien de Autoriteit Financiële Markten in het kader van de behandeling van een aanvraag om vergunning dient te beoordelen of de aanvrager zal voldoen aan bij of krachtens de artikelen 3:9, tweede lid, onderdeel b, 3:16, 3:17, 3:18, 3:22 of 4:5, eerste of tweede lid, gestelde regels, vraagt zij, alvorens op de aanvraag te beslissen, daarover advies aan de Nederlandsche Bank.
De om advies gevraagde toezichtautoriteit brengt haar advies schriftelijk uit binnen vier weken na het verzoek. Het advies maakt deel uit van de beslissing op de aanvraag om vergunning.
Indien de toezichtautoriteit die bevoegd is op de aanvraag te beslissen, overweegt van het in het derde lid bedoelde advies af te wijken, stelt zij de toezichtautoriteit die het advies heeft uitgebracht, in de gelegenheid om haar advies mondeling toe te lichten.
Artikel 1:15. (advies over verklaring van geen bezwaar)
De Nederlandsche Bank stelt de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid advies uit te brengen alvorens zij met betrekking tot een gekwalificeerde deelneming in een beleggingsinstelling of een vermogensbeheerder een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:28 verleent. Artikel 1:14, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:16. (advies over bestuurlijke maatregelen)
De toezichtautoriteit gaat niet over tot het treffen van een hierna genoemde maatregel, dan nadat zij de andere toezichtautoriteit in de gelegenheid heeft gesteld om daarover binnen een redelijke termijn haar zienswijze naar voren te brengen:
- a. de intrekking van een op grond van deze wet verleende vergunning;
- b. het geven van een aanwijzing, strekkende tot het doen heenzenden van een persoon die het beleid van een financiële onderneming bepaalt of mede bepaalt, of van een persoon die onderdeel is van een orgaan, belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen een financiële onderneming;
- c. de benoeming van een curator op grond van artikel 7:14 of 7:15;
- d. het opleggen van een verbod als bedoeld in artikel 7:20, eerste of tweede lid.
De zienswijze wordt schriftelijk naar voren gebracht, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het aanvragen van een faillissement op grond van de Faillissementswet BES of het aanvragen van de noodregeling op grond van artikel 8:9.
Artikel 1:17. (bindende aanbeveling bij negatieve bestuurderstoets)
Indien de toezichtautoriteit constateert dat een persoon die het beleid van een financiële onderneming waaraan door de andere toezichtautoriteit vergunning is of wordt verleend, bepaalt of mede bepaalt dan wel zal bepalen of mede bepalen, niet of niet meer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3:4 of3:5 gestelde regels, kan zij de andere toezichtautoriteit een bindende aanbeveling doen voor een door die toezichtautoriteit te treffen maatregel, te geven oordeel of te nemen beslissing.
Een aanbeveling als bedoeld in het eerste lid is met redenen omkleed en wordt, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet, schriftelijk gedaan. Indien de aanbeveling spoedshalve mondeling wordt gedaan, wordt zij zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.
De toezichtautoriteit tot wie de aanbeveling is gericht, geeft daaraan zo spoedig mogelijk uitvoering. De aanbeveling of, indien de aanbeveling mondeling is gedaan, de schriftelijke bevestiging daarvan maakt deel uit van de beslissing waarbij uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling. Artikel 1:16, eerste lid, is niet van toepassing.
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen die deel uitmaken of zullen gaan uitmaken van een orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de financiële onderneming.
Artikel 1:18. (samenwerking met andere toezichthoudende instanties)
De toezichtautoriteit werkt samen met de toezichthoudende instanties in de andere landen van het Koninkrijk, indien dat voor de vervulling van haar taak op grond van deze wet of voor de vervulling van de taak van die toezichthoudende instanties nodig is.
De toezichtautoriteit verstrekt, met inachtneming van artikel 1:21, op verzoek aan een toezichthoudende instantie in een ander land van het Koninkrijk alle gegevens en inlichtingen die voor de vervulling van de taak van die toezichthoudende instantie nodig zijn.
De toezichtautoriteit kan, met inachtneming van artikel 1:21, aan een toezichthoudende instantie buiten het Koninkrijk gegevens of inlichtingen verstrekken, voor zover de uitwisseling ten behoeve van de uitoefening van toezicht door de desbetreffende toezichthoudende instantie geschiedt.
Indien de toezichtautoriteit met een toezichthoudende instantie buiten het Koninkrijk een overeenkomst sluit met betrekking tot de uitwisseling van gegevens en inlichtingen, zendt zij onverwijld een afschrift van die overeenkomst aan Onze Minister.
Artikel 1:19. (nadere regels betreffende samenwerking)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de samenwerking tussen de toezichtautoriteiten en de samenwerking met buitenlandse toezichthoudende instanties.
§ 4. Geheimhoudingsplicht en vertrouwelijke gegevens
Artikel 1:20. (geheimhoudingsplicht)
Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van een ingevolge deze wet genomen besluit enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet zijn verstrekt of verkregen of van een instantie of persoon als bedoeld in artikel 1:21 of 1:23 zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
De toezichtautoriteit is, in afwijking van het eerste lid, bevoegd met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van haar taak op grond van deze wet, mededelingen te doen, mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.
Artikel 1:21. (gegevensuitwisseling met andere instanties)
De toezichtautoriteit is in afwijking van artikel 1:20, eerste lid, bevoegd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van een haar op grond van deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan:
- a. de andere toezichtautoriteit of een buitenlandse toezichthoudende instantie;
- b. de Belastingdienst, de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, de Koninklijke Marechaussee, het Korps Politie Caribisch Nederland, het meldpunt, en het Openbaar Ministerie met het oog op risico’s van inbreuken op de integriteit van het financiële stelsel, of onderdelen daarvan en voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van publiekrechtelijke taken en bevoegdheden van deze instanties.
Onder risico’s als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden verstaan risico’s met betrekking tot de integriteit van natuurlijke of rechtspersonen die binnen het financiële stelsel werkzaam zijn, alsmede risico’s als gevolg van het doen en nalaten van partijen binnen het financiële stelsel of onderdelen daarvan, met betrekking tot financieel-economische criminaliteit en andere ernstige vormen van criminaliteit of van terrorismefinanciering.
De toezichtautoriteit verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste lid indien:
- a. het doel waarvoor die gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt, onvoldoende bepaald is;
- b. het beoogde gebruik van die gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op die markten werkzame personen;
- c. verstrekking van die gegevens of inlichtingen zich niet verdraagt met de openbare orde of het recht van de openbare lichamen;
- d. de geheimhouding van die gegevens of inlichtingen niet voldoende is gewaarborgd;
- e. verstrekking van die gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
- f. onvoldoende is gewaarborgd dat die gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.
Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een buitenlandse toezichthoudende instantie, verstrekt de toezichtautoriteit deze niet aan de andere toezichtautoriteit of aan een andere buitenlandse toezichthoudende instantie, tenzij de instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen, heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
Indien een buitenlandse toezichthoudende instantie aan de toezichtautoriteit die vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of vierde lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de toezichtautoriteit dat verzoek slechts in:
- a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of vierde lid; of
- b. voor zover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit de openbare lichamen met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
- c. na overleg met Onze Minister van Justitie, indien het verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.
Het eerste tot en met vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen tussen de met verschillende taken belaste organisatieonderdelen van de toezichtautoriteit.
Artikel 1:22. (gegevensuitwisseling met opsporingsinstanties)
De toezichtautoriteit is in afwijking van artikel 1:20, eerste lid, bevoegd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van een haar op grond van deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan instanties die zijn belast met de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden.
Artikel 1:23. (bewindvoerder, curator en rechter-commissaris)
De toezichtautoriteit is in afwijking van artikel 1:20, eerste lid, bevoegd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van een haar op grond van deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan een op grond van de Faillissementswet BESof op grond van hoofdstuk 8 benoemde of aangestelde rechter-commissaris, bewindvoerder of curator, voor zover die gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van diens taak.
De toezichtautoriteit verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien verstrekking van die gegevens redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Voorts verstrekt zij geen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen van de andere toezichtautoriteit of een buitenlandse toezichthoudende instantie, indien de andere toezichtautoriteit of die toezichthoudende instantie niet instemt met het verstrekken van die gegevens of inlichtingen.
Een curator die is aangesteld in het faillissement van een financiële onderneming, is in afwijking van artikel 1:20, eerste lid, bevoegd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid te verstrekken aan het Gerecht, voor zover dat voor de afwikkeling van het faillissement nodig is.
Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op een naar het recht van het Europese deel van Nederland of het recht van Aruba, Curaçao of Sint Maarten benoemde of aangestelde rechter-commissaris, bewindvoerder of curator.
Artikel 1:24. (monetaire autoriteiten, externe deskundigen e.a.)
De toezichtautoriteit is in afwijking van artikel 1:20, eerste lid, bevoegd vertrouwelijke gegevens of inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van een haar op grond van deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan:
- a. de Nederlandsche Bank, handelend in haar hoedanigheid van monetaire autoriteit, of buitenlandse monetaire autoriteiten, voor zover die gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van de monetaire taak;
- b. een externe deskundige of actuaris, belast met de wettelijke controle van de jaarrekening of de staten van een financiële onderneming, voor zover de gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die onderneming en noodzakelijk zijn voor die controle;
- c. de houder van een effectenbeurs, voor zover de gegevens of inlichtingen nodig zijn voor de controle op de naleving van de voor die beurs te hanteren regels.
Artikel 1:21, eerste tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:25. (verklaringen in burgerlijke zaken)
Artikel 1:20, eerste lid, laat onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES die betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van een op grond van deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent een financiële onderneming die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden.
§ 5. Vrijstelling en ontheffing
Artikel 1:26. (vrijstelling)
Bij regeling van Onze Minister kan, zo nodig onder het stellen van aanvullende voorschriften, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 2:1, eerste lid, 2:3, eerste en tweede lid, 2:21 tot en met 2:23, 3:1 tot en met 6:17 en 8:1 tot en met 8:7 gestelde regels, indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen, zich daartegen niet verzetten.
Artikel 1:27. (ontheffing)
De toezichtautoriteit kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van:
- a. de artikelen 2:3, eerste lid, 2:21, 2:22, 3:16 tot en met 3:18, 3:24, 3:33, 3:35, 3:36, 3:45, 3:46, 4:1, tweede lid, 4:4, tweede en derde lid, 4:5, 4:10, 4:11, 4:14, tweede lid, 4:31, 4:39, 5:4, 5:5, 5:6, 5:14, 5:19 en 5:22;
- b. in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen: de krachtens deze wet gestelde regels.
Ontheffing wordt slechts verleend, indien de aanvrager aantoont dat de belangen die deze wet beoogt te beschermen, daardoor niet in het gedrang komen, dan wel dat de met de regels waarvan ontheffing wordt gevraagd, beoogde doeleinden anderszins kunnen worden bereikt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder ontheffing kan worden verleend.
De artikelen 2:5 tot en met 2:9, 2:12, 2:14, aanhef en onderdelen a, b, c, i en j, en 2:16 zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 2. Markttoegang
§ 1. Vergunningen
Artikel 2:1. (vergunning van de Nederlandsche Bank)
Het is verboden zonder daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning:
- a. in of vanuit de openbare lichamen:
- 1°. het bedrijf van kredietinstelling, elektronischgeldinstelling of geldtransactiekantoor uit te oefenen;
- 2°. als trustkantoor werkzaam te zijn;
- b. vanuit een vestiging in de openbare lichamen het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar uit te oefenen.
Een vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling geldt, tenzij in de vergunning anders is bepaald, tevens als vergunning tot uitoefening van het bedrijf van elektronischgeldinstelling of geldtransactiekantoor.
Artikel 2:2. (groepsvergunning trustkantoren)
Een vergunning om als trustkantoor werkzaam te zijn kan aan een groep van trustkantoren worden verleend.
Een op grond van het eerste lid aan een groep verleende vergunning geldt, tenzij in de vergunning anders is bepaald, in gelijke zin voor alle tot de groep behorende trustkantoren.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.
Artikel 2:3. (vergunning van de Autoriteit Financiële Markten)
Het is verboden zonder daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning in de openbare lichamen:
- a. als adviseur, bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent op te treden;
- b. als vermogensbeheerder op te treden;
- c. krediet aan te bieden;
- d. een effectenbeurs te houden.
Het is verboden in of vanuit de openbare lichamen gelden of andere goederen ter deelneming in een beleggingsinstelling waaraan geen vergunning is verleend door de Autoriteit Financiële Markten, te vragen of te verkrijgen, dan wel rechten van deelneming in zodanige beleggingsinstelling aan te bieden.
Een vergunning om als bemiddelaar op te treden geldt, tenzij in de vergunning anders is bepaald, tevens als vergunning om als adviseur op te treden.
Indien de beleggingsinstelling een beleggingsfonds is, wordt de in het tweede lid bedoelde vergunning verleend aan de beheerder van dat fonds.
Artikel 2:4. (voorkomen dubbele vergunningplicht DNB en AFM)
Artikel 2:3, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op ondernemingen waaraan vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling of verzekeraar is verleend, voor zover de in dat artikel bedoelde activiteiten betrekking hebben op een financieel product dat door de betrokken onderneming zelf of door een tot dezelfde groep behorende financiële onderneming wordt aangeboden.
Artikel 2:3, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing op ondernemingen waaraan vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling is verleend, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
Artikel 2:3, eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op ondernemingen waaraan vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling of verzekeraar is verleend, tenzij in de vergunning anders is bepaald.
Artikel 2:5. (overdraagbaarheid)
Vergunningen, verleend op grond van deze wet, zijn persoonlijk en niet overdraagbaar.
§ 2. Aanvraag van een vergunning
Artikel 2:6. (indiening aanvraag)
Een vergunning op grond van deze wet wordt aangevraagd bij de tot verlening van die vergunning bevoegde toezichtautoriteit.
De aanvrager verschaft de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden.
De toezichtautoriteit kan voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet krachtens het derde lid is voorzien.
Artikel 2:7. (niet in behandeling nemen aanvraag)
De toezichtautoriteit kan beslissen een aanvraag om vergunning niet te behandelen, indien:
- a. de aanvrager niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 2:6, derde lid, gestelde regels, dan wel de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beslissing;
- b. de aanvrager de ingevolge artikel 1:10, eerste lid, verschuldigde vergoeding, voor zover bij vooruitbetaling verschuldigd, niet heeft voldaan.
Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt de toezichtautoriteit de aanvrager in de gelegenheid om zijn aanvraag binnen een door de toezichtautoriteit gestelde termijn aan te vullen.
De beslissing om een aanvraag niet te behandelen wordt schriftelijk aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Artikel 2:8. (beslistermijn)
De toezichtautoriteit beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om vergunning.
Indien de beslissing niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden gegeven, deelt de toezichtautoriteit dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 2:9. (opschorting beslistermijn)
De in artikel 2:8 bedoelde termijn wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop de toezichtautoriteit:
- a. de aanvrager krachtens artikel 2:7, tweede lid, uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld dan wel de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
- b. de aanvrager mededeelt dat voor de beslissing op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is.
De termijn voor het geven van de beslissing wordt voorts opgeschort:
- a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd;
- b. zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend, of
- c. zolang de toezichtautoriteit door overmacht niet in staat is de beslissing te geven.
In geval van overmacht deelt de toezichtautoriteit zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.
Indien de opschorting eindigt, doet de toezichtautoriteit daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beslissing alsnog moet worden gegeven.
Artikel 2:10. (aanhouden beslissing in verband met vvgb)
In afwijking van artikel 2:8, eerste lid, houdt de toezichtautoriteit, indien er tevens een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:28 is ingediend, de beslissing op een aanvraag om vergunning aan, tot uiterlijk zes weken na het tijdstip waarop de beslissing op de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar is bekendgemaakt.
Indien binnen de in het eerste lid genoemde termijn een verzoek als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES is ingediend tegen de beslissing op de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar, houdt de toezichtautoriteit de beslissing op de aanvraag om vergunning aan tot uiterlijk twee weken na het tijdstip waarop op dat verzoek is beslist.
§ 3. Verlening, weigering en intrekking van vergunningen
Artikel 2:11. (verlening van de vergunning)
De toezichtautoriteit verleent de vergunning, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan, voor zover op de betrokken financiële onderneming van toepassing, de bij of krachtens de artikelen 3:1 tot en met 3:6, 3:8 tot en met 3:24, 3:33, 3:34 en 3:44 tot en met 3:46 gestelde regels, alsmede:
- a. voor beleggingsinstellingen: de bij of krachtens de artikelen 4:1 tot en met 4:5 en 4:10 gestelde regels;
- c. voor kredietinstellingen, elektronischgeldinstellingen en geldtransactiekantoren: de bij of krachtens de artikelen 4:18 en 4:21 gestelde regels;
- d. voor verzekeraars: de bij of krachtens de artikelen 4:25 tot en met 4:34 gestelde regels.
Artikel 2:12. (voorschriften en beperkingen)
Aan een vergunning kunnen met het oog op de belangen die deze wet beoogt te beschermen, voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.
Artikel 2:13. (weigering van de vergunning)
De toezichtautoriteit kan in afwijking van artikel 2:11 de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien:
- a. zij gronden heeft om aan te nemen dat de vergunning is aangevraagd met het oogmerk de betrokken financiële onderneming te onttrekken aan het toezicht op financiële ondernemingen in een andere staat of een ander deel van het Koninkrijk;
- b. de betrokken onderneming haar zetel in het buitenland heeft en de toezichtautoriteit van oordeel is dat de toezichthoudende instantie in de staat van zetel onvoldoende in staat is om adequaat en effectief toezicht op de onderneming uit te oefenen;
- c. de belangen die deze wet beoogt te beschermen, zich tegen verlening van de vergunning verzetten.
Artikel 2:14. (wijziging of intrekking van de vergunning)
De toezichtautoriteit kan een door haar verleende vergunning wijzigen dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken op verzoek van de vergunninghouder en voorts indien:
- a. de gegevens of bescheiden die bij de aanvraag om vergunning zijn verstrekt, onjuist of onvolledig blijken en kennis omtrent de juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing op de aanvraag zou hebben geleid;
- b. zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend, de vergunning zou zijn geweigerd;
- c. de vergunninghouder niet of niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel de aan de vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen niet naleeft;
- d. uit de verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel 3:35, tweede lid, of 3:36, tweede lid, of het actuarieel verslag, bedoeld in artikel 3:36, derde lid, niet blijkt dat de jaarrekening of de staten van de onderneming een getrouw beeld geeft of geven van de grootte en de samenstelling van de onderneming of van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
- e. de vergunninghouder geen of onvolledig gevolg heeft gegeven aan een krachtens artikel 7:12 of 7:13 gegeven aanwijzing;
- f. de vergunninghouder de bij of krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES of de Sanctiewet 1977 gestelde regels niet naleeft;
- g. niet binnen twaalf maanden na verlening van de vergunning met de vergunde activiteit daadwerkelijk een aanvang is gemaakt;
- h. de vergunninghouder de vergunde activiteit heeft beëindigd of de uitoefening van zijn beroep of bedrijf gedurende meer dan twaalf maanden heeft gestaakt;
- i. de vergunninghouder de onderneming ten behoeve waarvan de vergunning is verleend, geheel of gedeeltelijk overdraagt;
- j. de vergunninghouder oneigenlijk gebruik of misbruik maakt van de vergunning;
- k. de belangen die deze wet beoogt te beschermen, zich tegen instandhouding of ongewijzigde instandhouding van de vergunning verzetten.
Artikel 2:15. (verplichte intrekkingsgronden)
De toezichtautoriteit trekt een door haar verleende vergunning in, indien:
- a. de natuurlijke persoon waaraan de vergunning is verleend, overlijdt dan wel de rechtspersoon of vennootschap waaraan de vergunning is verleend, wordt ontbonden;
- b. de vergunninghouder onder curatele is gesteld, dan wel bij rechterlijke beschikking een of meer goederen van de vergunninghouder onder bewind zijn gesteld;
- c. de vergunninghouder in staat van faillissement is komen te verkeren.
De Nederlandsche Bank trekt een door haar verleende vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling of verzekeraar in, indien:
- a. een machtiging als bedoeld in artikel 8:10, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is verleend;
- b. een machtiging als bedoeld in artikel 8:10, eerste lid, aanhef en onderdeel c, is verleend, op het tijdstip waarop tijdens de noodregeling voor de eerste keer activa van de onderneming te gelde worden gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.
Indien van een buitenlandse financiële onderneming door de toezichthoudende instantie van de staat van zetel de vergunning van die onderneming om in de staat van zetel haar bedrijf uit te oefenen wordt ingetrokken, trekt de toezichtautoriteit tevens de op grond van deze wet aan die onderneming verleende vergunning in.
Artikel 2:16. (motivering en bekendmaking)
Een beslissing op een aanvraag om vergunning of een beslissing tot wijziging, intrekking of beperking van een vergunning is met redenen omkleed en wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de aanvrager, onderscheidenlijk de vergunninghouder.
Artikel 2:17. (afwikkeling bedrijf na intrekking vergunning)
Indien de toezichtautoriteit een vergunning intrekt, kan zij bij haar beslissing tot intrekking bepalen dat de betrokken financiële onderneming haar bedrijf binnen een door de toezichtautoriteit te bepalen termijn geheel of gedeeltelijk afwikkelt, zo nodig met inachtneming van door de toezichtautoriteit gegeven aanwijzingen.
Bij de afwikkeling van het bedrijf van een financiële onderneming wordt die onderneming, evenals de curator in het faillissement van een financiële onderneming, aangemerkt als vergunninghoudende onderneming.
Artikel 2:18. (wijzigingen na vergunningverlening)
Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet vergunning is verleend, meldt met betrekking tot onderwerpen waarover ingevolge artikel 2:6, derde lid, in het kader van een aanvraag om vergunning verstrekking van gegevens of bescheiden is voorgeschreven, aan de toezichtautoriteit alle wijzigingen waarvan zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die wijzigingen voor het door de toezichtautoriteit op die onderneming uit te oefenen toezicht van belang zijn.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de ingevolge het eerste lid te melden wijzigingen, de daarbij te volgen procedures en de daarbij te verstrekken gegevens of bescheiden.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet vergunning is verleend, niet is toegestaan om wijzigingen aan te brengen in haar rechtsvorm, statuten of ondernemingsstructuur of in de inrichting van haar bedrijfsvoering zonder voorafgaande toestemming van of melding aan de toezichtautoriteit.
§ 4. Register financiële markten
Artikel 2:19. (register financiële markten)
Er is een register financiële markten, waarin de financiële ondernemingen staan ingeschreven waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend of waarvan een kennisgeving als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, is ontvangen.
Het register is openbaar en wordt gehouden door de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten, elk met betrekking tot de ingevolge artikel 1:5, derde lid, of 1:6, derde lid, onder haar toezicht staande financiële ondernemingen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de indeling en inrichting van het register en de in het register op te nemen gegevens, alsmede regels met betrekking tot de wijziging van in het register opgenomen gegevens.
Artikel 2:20. (inschrijving in register)
Inschrijving van een financiële onderneming in het register geschiedt zo spoedig mogelijk na verlening van de vergunning, doch uiterlijk binnen veertien dagen nadien.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen in de vergunning, voor zover die wijzigingen van belang zijn voor de in het register opgenomen of op te nemen gegevens.
De inschrijving van een financiële onderneming waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt doorgehaald. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld, alsmede regels met betrekking tot de doorhaling van inschrijvingen van financiële ondernemingen waarvan een kennisgeving als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, is ontvangen.
§ 5. Bijzondere bepalingen
Artikel 2:21. (verbod op gebruik woord «bank»)
Het is een onderneming, niet zijnde een kredietinstelling waaraan op grond van deze wet vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling is verleend, verboden om de woorden «bank», «krediet» of «spaar» en vertalingen of vormen daarvan te gebruiken in haar naam of bij de uitoefening van haar bedrijf, tenzij zulks in zodanige samenhang geschiedt dat daaruit duidelijk blijkt dat de onderneming niet werkzaam is op de financiële markten.
Het in het eerste lid bedoelde verbod op het gebruik van het woord «krediet» geldt niet voor ondernemingen waaraan op grond van deze wet vergunning is verleend tot het aanbieden van krediet.
Artikel 2:22. (verbod aantrekken opvorderbare gelden)
Het is verboden in de openbare lichamen in de uitoefening van een bedrijf buiten besloten kring opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben of als tussenpersoon werkzaamheden, gericht op het aantrekken of ter beschikking krijgen van zodanige gelden, te verrichten.
Het eerste lid is niet van toepassing op het aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen:
- a. door financiële ondernemingen waaraan op grond van deze wet vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling is verleend;
- b. door de Staat der Nederlanden;
- c. als gevolg van het aanbieden van effecten overeenkomstig de bij of krachtens hoofdstuk 5, paragraaf 4, gestelde regels.
Artikel 2:23. (inkomende dienstverrichting verzekeraars)
Het is een verzekeraar met zetel in het buitenland verboden door middel van het verrichten van diensten vanuit een vestiging in het buitenland verzekeringen aan te bieden in de openbare lichamen, tenzij hij de Nederlandsche Bank hiervan kennis geeft en aantoont:
- a. zijn zetel te hebben in Curaçao, Sint Maarten of een krachtens artikel 3:1, tweede lid, aangewezen andere staat of ander deel van het Koninkrijk;
- b. naar het recht van de staat van zetel rechtspersoon te zijn;
- c. in de staat van zetel bevoegd te zijn tot uitoefening van het desbetreffende verzekeringsbedrijf en dit bedrijf daadwerkelijk vanuit een vestiging in die staat uit te oefenen, en in die staat onder prudentieel toezicht te staan.
De Nederlandsche Bank bevestigt onverwijld de ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, aan de verzekeraar die de kennisgeving heeft gedaan.
Na de ontvangstbevestiging, bedoeld in het tweede lid, mag de verzekeraar overgaan tot het aanbieden van verzekeringen in de openbare lichamen. Hij biedt geen verzekeringen aan in branches waarin hij in de staat van zetel niet bevoegd is tot uitoefening van het verzekeringsbedrijf.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)