Wet van 1 december 2011, houdende regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het toezicht op die markten (Wet financiële markten BES)

Type Wet Bes
Publication 2023-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 347
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De toezichtautoriteit kan een financiële onderneming of andere persoon die niet voldoet aan een ingevolge de artikelen 1:7, tweede lid, 1:26, 1:27, 2:1 tot en met 2:3, 2:12, 2:17, 2:18, 2:21 tot en met 2:23, de hoofdstukken 3 tot en met 5, de artikelen 7:10, vierde lid, en 7:11, eerste lid, of hoofdstuk 8, paragrafen 1 en 2, op hem of haar rustende verplichting, een aanwijzing geven.

2.

Voorts kan de Nederlandsche Bank een financiële onderneming een aanwijzing geven, indien zij tekenen ontwaart van een ontwikkeling die de integere of beheerste bedrijfsuitoefening, het eigen vermogen, de solvabiliteit of de liquiditeit van die financiële onderneming in gevaar kunnen brengen.

3.

De beslissing tot het geven van een aanwijzing is met redenen omkleed en wordt schriftelijk bekendgemaakt aan degene tot wie de aanwijzing is gericht.

4.

Een aanwijzing strekt niet tot aantasting van overeenkomsten tussen degene tot wie de aanwijzing is gericht, en derden.

Artikel 7:13. (aanwijzing aan houder van effectenbeurs)
1.

De Autoriteit Financiële Markten kan de houder van een effectenbeurs een aanwijzing geven om jegens een derde die zich niet houdt aan de in artikel 4:16, eerste lid, bedoelde regels, een bepaalde gedragslijn te volgen.

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan de houder van een effectenbeurs een aanwijzing geven om binnen een door de Autoriteit Financiële Markten gestelde redelijke termijn de handel in een bepaald effect op te schorten, te onderbreken of door te halen, indien dit met het oog op de bescherming van de belangen van de beleggers in het effect of de ordelijke handel in het effect noodzakelijk is.

3.

Nadat de Autoriteit Financiële Markten een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid heeft gegeven, kan zij het Gerecht verzoeken het desbetreffende effect uit te sluiten van de handel op de effectenbeurs, indien dit met het oog op de bescherming van de belangen van de beleggers in het effect of de ordelijke handel in het effect noodzakelijk is.

4.

Artikel 7:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanwijzing als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid.

Artikel 7:14. (benoeming van curator)
1.

De toezichtautoriteit kan een of meer personen benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming, indien die onderneming niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet bepaalde.

2.

Een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt slechts genomen, indien:

  • a. de onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn gevolg heeft gegeven aan een krachtens artikel 7:12, eerste lid, gegeven aanwijzing;
  • b. de in het eerste lid bedoelde overtreding het adequaat functioneren van de onderneming ernstig in gevaar brengt, of
  • c. de in het eerste lid bedoelde overtreding de belangen van consumenten of cliënten ernstig in gevaar brengt.
3.

In een geval als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b of c, wordt de beslissing niet genomen dan nadat de onderneming in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen.

Artikel 7:15. (gevaar voor financiële waarborgen)
1.

Onverminderd artikel 7:14 kan de Nederlandsche Bank een of meer personen benoemen als curator ten aanzien van alle of bepaalde organen of vertegenwoordigers van een financiële onderneming, indien zij tekenen ontwaart van een ontwikkeling die de integere of beheerste bedrijfsuitoefening, het eigen vermogen, de solvabiliteit of de liquiditeit van die financiële onderneming in gevaar kan brengen.

2.

Een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt slechts genomen:

  • a. nadat de onderneming niet of niet volledig binnen de gestelde termijn gevolg heeft gegeven aan een krachtens artikel 7:12, tweede lid, gegeven aanwijzing, of
  • b. indien onverwijld ingrijpen noodzakelijk is en de financiële onderneming voorafgaand in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen over de voorgenomen beslissing.
Artikel 7:16. (beslissing om curator te benoemen)
1.

De beslissing om een curator te benoemen bevat een beschrijving van de belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De beslissing is met redenen omkleed en wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de betrokken onderneming.

2.

De toezichtautoriteit benoemt de curator voor ten hoogste twee jaren, met de mogelijkheid deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen. Een verlenging wordt terstond van kracht.

Artikel 7:17. (gevolgen benoeming curator)
1.

Met ingang van het tijdstip waarop de beslissing tot benoeming van de curator aan de financiële onderneming is bekendgemaakt, mogen de betrokken organen of vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na goedkeuring door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator.

2.

Na de benoeming van een curator:

  • a. verlenen de organen en vertegenwoordigers van de financiële onderneming de curator alle medewerking;
  • b. is voor schade ten gevolge van handelingen, verricht in strijd met het eerste lid, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de onderneming dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de onderneming, tenzij het verrichten van deze handelingen hem niet te verwijten valt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;
  • c. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel b, voor zover het rechtshandelingen betreft, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de ingevolge het eerste lid vereiste goedkeuring voor die handelingen ontbrak.
3.

De kosten en beloning van een op grond van artikel 7:14 of 7:15 benoemde curator komen ten laste van de betrokken financiële onderneming.

Artikel 7:18. (bevoegdheden van toezichtautoriteit)
1.

De toezichtautoriteit kan de organen of vertegenwoordigers ten aanzien waarvan een curator is benoemd, toestaan bepaalde rechtshandelingen zonder goedkeuring van de curator te verrichten.

2.

De toezichtautoriteit kan de door haar aangewezen curator te allen tijde vervangen.

3.

Zodra de omstandigheid die tot benoeming van de curator heeft geleid, niet langer aanwezig is, trekt de toezichtautoriteit de benoeming van de curator in. De beslissing tot intrekking wordt op schrift gesteld en onverwijld bekendgemaakt aan de financiële onderneming.

Artikel 7:19. (aantrekken opvorderbare gelden)

De artikelen 7:14 en 7:16 tot en met 7:18 zijn van overeenkomstige toepassing op een ieder die in de uitoefening van een bedrijf in of vanuit de openbare lichamen buiten besloten kring opvorderbare gelden aantrekt, ter beschikking verkrijgt of ter beschikking heeft.

Artikel 7:20. (transactie- of activiteitenverbod)
1.

De toezichtautoriteit kan, indien een financiële onderneming met zetel in het buitenland geen gevolg geeft aan een krachtens artikel 7:12 of 7:13 gegeven aanwijzing, de betrokken onderneming een verbod opleggen in de openbare lichamen nieuwe overeenkomsten af te sluiten.

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan, indien een financiële onderneming, niet zijnde een onderneming waarvoor op grond van artikel 2:3 een vergunning is vereist, de ingevolge hoofdstuk 5, paragrafen 1 tot en met 3, op haar van toepassing zijnde regels niet naleeft, de betrokken onderneming een verbod opleggen de met die regels strijdige activiteiten te verrichten.

3.

De beslissing tot het opleggen van een verbod is met redenen omkleed en wordt schriftelijk bekendgemaakt aan de onderneming tot wie het verbod is gericht.

4.

Een verbod als bedoeld in het tweede lid heeft geen betrekking op de afwikkeling van overeenkomsten, gesloten voor het tijdstip waarop het verbod wordt opgelegd.

§ 4. Last onder dwangsom

Artikel 7:21. (opleggen last onder dwangsom)
1.

De toezichtautoriteit kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de in de bijlage bij deze wet genoemde artikelen, alsmede ter zake van het geen gevolg geven dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 7:12 of 7:13 gegeven aanwijzing.

2.

Een last onder dwangsom kan worden opgelegd, zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

3.

De toezichtautoriteit legt geen last onder dwangsom op, zolang een andere wegens dezelfde overtreding opgelegde last onder dwangsom van kracht is.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.

Artikel 7:22. (zienswijze overtreder)
1.

Voordat de toezichtautoriteit een last onder dwangsom oplegt, stelt zij degene aan wie zij voornemens is de last op te leggen, in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet, of indien betrokkene reeds eerder in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.

Artikel 7:23. (inhoud van de last)
1.

De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2.

Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

3.

De beslissing tot oplegging van een last onder dwangsom wordt op schrift gesteld en vermeldt:

  • a. de overtreding, alsmede het overtreden voorschrift;
  • b. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.
Artikel 7:24. (hoogte dwangsom)
1.

De toezichtautoriteit stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

2.

De toezichtautoriteit stelt tevens een bedrag vast, waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

3.

De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de dwangsom.

Artikel 7:25. (betaling verbeurde dwangsom)

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Artikel 7:26. (opheffing of vermindering dwangsom)
1.

De toezichtautoriteit die een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn, of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor die overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

2.

De toezichtautoriteit die een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, indien de beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 7:27. (beslissing tot invordering dwangsom)
1.

Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom beslist de toezichtautoriteit bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom.

2.

De toezichtautoriteit geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt.

3.

De toezichtautoriteit beslist binnen vier weken op het verzoek.

Artikel 7:28. (invordering na wijziging van de last)
1.

Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voorvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt die beschikking.

2.

De toezichtautoriteit kan een nieuwe beschikking tot invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom.

Artikel 7:29. (bezwaar en beroep)
1.

Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.

§ 5. Bestuurlijke boete

Artikel 7:30. (opleggen bestuurlijke boete)
1.

De toezichtautoriteit kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de in de bijlage bij deze wet genoemde artikelen, alsmede ter zake van het geen gevolg geven dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 7:12 of 7:13 gegeven aanwijzing.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.

Artikel 7:31. (hoogte bestuurlijke boete)
1.

Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene maatregel van bestuur. Het bedrag van de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding bedraagt ten hoogste USD 250 000, tenzij ten tijde van het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds het opleggen aan de overtreder van een bestuurlijke boete ter zake van eenzelfde overtreding, in welk geval het bedrag van de bestuurlijke boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste USD 500 000 bedraagt.

2.

De maatregel, bedoeld in het eerste lid, bepaalt voor elke daarin omschreven overtredingen het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete. De overtredingen worden gerangschikt in categorieën naar zwaarte van de overtreding met de daarbij behorende basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen.

3.

In afwijking van het eerste lid kan de toezichtautoriteit, indien het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft verkregen, groter is dan de helft van het bedrag dat op grond van de in het eerste lid bedoelde maatregel ten hoogste voor die overtreding kan worden opgelegd, het bedrag van de bestuurlijke boete vaststellen op ten hoogste twee keer het bedrag van dat voordeel.

Artikel 7:32. (uitzonderingsgronden)

De toezichtautoriteit legt geen bestuurlijke boete op, indien:

  • a. de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten;
  • b. de overtreder is overleden;
  • c. aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 7:36, derde lid, is bekendgemaakt dat voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd;
  • d. tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen of het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES.
Artikel 7:33. (zwijgrecht van overtreder)
1.

Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen.

2.

Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

Artikel 7:34. (boeterapport)
1.

De toezichtautoriteit of de voor de overtreding bevoegde toezichthouder maakt van de overtreding een rapport op.

2.

Het rapport is gedagtekend en vermeldt:

  • a. de naam van de overtreder;
  • b. de overtreding, alsmede het overtreden voorschrift;
  • c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip of de periode waarop de overtreding is geconstateerd.
3.

Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering BES is opgemaakt, treedt dit voor de toepassing van deze paragraaf in de plaats van het rapport.

Artikel 7:35. (inzagerecht van overtreder)
1.

De toezichtautoriteit stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete of het voornemen daartoe berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.

2.

Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt de toezichtautoriteit er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal.

Artikel 7:36. (zienswijze van overtreder)
1.

Voordat de toezichtautoriteit een bestuurlijke boete oplegt, stelt zij de overtreder in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen. Bij de uitnodiging daartoe wordt tevens het rapport aan de overtreder toegezonden of uitgereikt.

2.

De toezichtautoriteit zorgt voor bijstand door een tolk, indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt.

3.

Indien de toezichtautoriteit, nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, dan wel dat de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd, wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld.

Artikel 7:37. (beslissing tot opleggen bestuurlijke boete)
1.

De toezichtautoriteit beslist binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport, bedoeld in artikel 7:34, omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete.

2.

De beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt op schrift gesteld en vermeldt:

  • a. de naam van overtreder;
  • b. de overtreding, alsmede het overtreden voorschrift;
  • c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd;
  • d. het bedrag van de boete;
  • e. de termijn waarbinnen de boete moet worden betaald.
3.

De in het eerste lid bedoelde beslistermijn wordt, indien de overtreding is voorgelegd aan de officier van justitie, met ingang van de dag waarop dat is geschied, opgeschort tot de dag waarop de toezichtautoriteit weer bevoegd wordt een bestuurlijke boete op te leggen.

Artikel 7:38. (vervallen van bestuurlijke boete)
1.

Een bestuurlijke boete vervalt, indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Een onherroepelijke boete vervalt, voor zover zij op dat tijdstip nog niet is betaald.

2.

Een reeds opgelegde bestuurlijke boete vervalt, indien het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met toepassing van artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering BES voor de desbetreffende overtreding de vervolging van de overtreder beveelt.

3.

De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren na de dag waarop de overtreding heeft plaatsgevonden.

4.

Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist.

§ 6. Betaling van dwangsommen en bestuurlijke boeten

Artikel 7:39. (bestemming verschuldigde geldsommen)

Voor zover een bestuurlijke sanctie verplicht tot betaling van een geldsom, komt deze geldsom toe aan de toezichtautoriteit die de sanctie heeft opgelegd.

Artikel 7:40. (wijze van betaling)
1.

Betaling van een verbeurde dwangsom of een bestuurlijke boete geschiedt aan een door de toezichtautoriteit te bepalen kantoor dan wel door bijschrijving op een daartoe door de toezichtautoriteit bestemde bankrekening.

2.

Betaling geschiedt in het wettig betaalmiddel van de openbare lichamen, tenzij door de toezichtautoriteit anders is bepaald.

3.

De betaling heeft plaats op het tijdstip waarop de betaling aan het kantoor wordt verricht dan wel, in geval van bijschrijving, de rekening van de toezichtautoriteit wordt gecrediteerd.

4.

De kosten van betaling komen ten laste van de schuldenaar.

Artikel 7:41. (verzuim bij niet-betaling)
1.

De overtreder is in verzuim, indien hij de verbeurde dwangsom of de bestuurlijke boete niet binnen de in artikel 7:25, onderscheidenlijk artikel 7:37, onderdeel e, bedoelde termijn heeft betaald.

2.

Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES.

3.

De toezichtautoriteit stelt het bedrag van verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast.

§ 7. Verjaring van dwangsommen en bestuurlijke boeten

Artikel 7:42. (verjaring van invorderingsbevoegdheid)
1.

De bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom verjaart door verloop van één jaar na de dag waarop de dwangsom is verbeurd.

2.

De rechtsvordering tot betaling van een geldsom, voortvloeiend uit een bestuurlijke boete, verjaart door verloop van vijf jaren, nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.

Artikel 7:43. (stuiten van verjaring)
1.

De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES is van overeenkomstige toepassing.

2.

De toezichtautoriteit kan de verjaring ook stuiten door de schuldenaar schriftelijk aan te manen tot betaling.

Artikel 7:44. (nieuwe verjaringstermijn na stuiting)
1.

Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag. De nieuwe termijn is gelijk aan de oorspronkelijke.

2.

Wordt de verjaring echter gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, dan is artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7:45. (verlenging van verjaringstermijn)
1.

De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan de toezichtautoriteit wordt verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien:

  • a. de schuldenaar in surseance van betaling verkeert;
  • b. de schuldenaar in staat van faillissement verkeert.

§ 8. Openbaarmaking van overtredingen

Artikel 7:46. (openbare waarschuwing)

De toezichtautoriteit kan, met het oog op de belangen die deze wet beoogt te beschermen, bij overtreding van een verbodsbepaling uit deze wet en bij oplegging of overtreding van een verbod als bedoeld in artikel 7:20 een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot de waarschuwing hebben geleid.

Artikel 7:47. (zienswijze betrokkene)
1.

De toezichtautoriteit stelt, indien zij voornemens is een openbare waarschuwing uit te vaardigen, de betrokkene schriftelijk in kennis van de voorgenomen beslissing en stelt hem in de gelegenheid daarover zijn zienswijze naar voren te brengen.

2.

De toezichtautoriteit kan toepassing van het eerste lid achterwege laten, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet, of indien van de betrokkene geen adres bekend is en zijn adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 7:48. (beslissing tot uitvaardiging openbare waarschuwing)

De beslissing tot uitvaardiging van een openbare waarschuwing wordt op schrift gesteld en vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding, de inhoud van de openbaarmaking, de gronden waarop de beslissing berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare waarschuwing zal worden uitgevaardigd.

Artikel 7:49. (uitvaardigen van de openbare waarschuwing)
1.

Het uitvaardigen van een openbare waarschuwing geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop betrokkene overeenkomstig artikel 7:47 in kennis is gesteld van de voorgenomen beslissing om een openbare waarschuwing uit te vaardigen.

2.

Indien ter zake van de beslissing tot het uitvaardiging van een openbare waarschuwing een verzoek als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES wordt ingediend, wordt de werking van de beslissing opgeschort totdat het Gerecht op dat verzoek heeft beslist.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien van de betrokken persoon geen adres bekend is en zijn adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

4.

De toezichtautoriteit kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, de openbare waarschuwing onverwijld uitvaardigen, indien de bescherming van de belangen die deze wet beoogt te beschermen geen uitstel toelaat.

Artikel 7:50. (openbaarmaking oplegging bestuurlijke boete)
1.

De toezichtautoriteit maakt een beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van deze wet na bekendmaking van die beslissing openbaar, indien de boete is opgelegd ter zake overtreding van:

  • a. een verbodsbepaling uit deze wet of een verbod als bedoeld in artikel 7:20;
  • c. een voorschrift, gesteld bij of krachtens een in de bijlage, bedoeld in artikel 7:30, eerste lid, genoemd artikel, indien dat voorschrift bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7:30 beboetbaar is gesteld met een boete van de hoogste boetecategorie.
2.

De openbaarmaking van een beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop die beslissing aan de betrokken persoon is bekendgemaakt. De artikelen 7:47, 7:48 en 7:49, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

De toezichtautoriteit kan beslissen niet tot openbaarmaking van een beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete over te gaan, indien openbaarmaking van die beslissing in strijd is of in strijd zou kunnen komen met het doel van het door de toezichtautoriteit uit te oefenen toezicht op de naleving van deze wet.

Artikel 7:51. (openbaarmaking onherroepelijke bestuurlijke boete)

De toezichtautoriteit maakt, onverminderd artikel 7:50, een beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van deze wet openbaar, nadat die beslissing onherroepelijk is geworden. Artikel 7:50, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7:52. (openbaarmaking last onder dwangsom)

De toezichtautoriteit maakt een beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom op grond van deze wet openbaar, wanneer een dwangsom is verbeurd. De artikelen 7:47 tot en met 7:49 en 7:50, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7:53. (behandeling achter gesloten deuren)
1.

Indien een verzoek als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES is ingediend tegen een beslissing tot uitvaardiging van een openbare waarschuwing of tegen openbaarmaking van een beslissing als bedoeld in artikel 7:50, eerste lid, 7:51 of 7:52, vindt het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren.

2.

Indien het Gerecht naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES een verbod tot uitvaardiging van een openbare waarschuwing of tot openbaarmaking van een beslissing als bedoeld in artikel 7:50, eerste lid, 7:51 of 7:52 heeft opgelegd, vindt:

  • a. indien tegen de bestreden beslissing een beroepschrift is ingediend, het onderzoek ter zitting plaats met gesloten deuren;
  • b. indien omtrent de bestreden beslissing een bestuurlijke heroverweging plaatsvindt, het horen van de bezwaarde en andere partijen niet in het openbaar plaats.

Hoofdstuk 8. Bijzondere prudentiële maatregelen, noodregeling en depositogarantiestelsel

§ 1. Bijzondere prudentiële maatregelen kredietinstellingen

Artikel 8:1. (periodieke evaluatie risico’s)
1.

De Nederlandsche Bank evalueert met het oog op huidige en mogelijke toekomstige risico’s periodiek de wijze waarop een kredietinstelling aan haar verplichtingen met betrekking tot beheerste bedrijfsuitoefening voldoet, alsmede het toetsingsvermogen van die instelling.

2.

Op grond van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de Nederlandsche Bank of het door de kredietinstelling gevoerde beleid, de wijze waarop haar bedrijfsvoering is ingericht, en het toetsingsvermogen van de instelling een degelijk beheer en een solide dekking van haar huidige en mogelijke toekomstige risico’s waarborgen, mede gelet op de aard en omvang van die risico’s.

3.

De Nederlandsche Bank stemt de frequentie en de omvang van de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, af op de aard, omvang en complexiteit van de betrokken kredietinstelling, alsmede op het belang van de werkzaamheden van die instelling voor het financiële stelsel.

Artikel 8:2. (bijzondere maatregelen)
1.

De Nederlandsche Bank kan, indien een kredietinstelling niet voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 3:9, eerste en tweede lid, onderdeel b, en 3:17 met betrekking tot de beheerste bedrijfsuitoefening of het toetsingsvermogen gestelde regels, die instelling verplichten om:

  • a. een groter toetsingsvermogen aan te houden dan op grond van artikel 3:17 is voorgeschreven;
  • b. in verband met de solvabiliteitsvereisten een specifiek voorzieningenbeleid te voeren of de activa van de onderneming op een specifieke wijze te behandelen;
  • c. het risico dat door de onderneming worden gelopen, te beperken.
2.

Indien de Nederlandsche Bank op grond van de evaluatie, bedoeld in artikel 8:1, van oordeel is dat de bedrijfsvoering of het toetsingsvermogen van een kredietinstelling onvoldoende waarborgen biedt voor een beheerste en duurzame dekking van haar risico’s en dat andere maatregelen er redelijkerwijs niet toe kunnen leiden dat de beheerste en duurzame dekking van die risico’s alsnog binnen een redelijke termijn gewaarborgd wordt, kan zij de betrokken kredietinstelling verplichten om een groter toetsingsvermogen aan te houden.

3.

De Nederlandsche Bank heft een maatregel als bedoeld in het eerste lid op, zodra de kredietinstelling weer aan de bij of krachtens de artikelen 3:9, eerste en tweede lid, onderdeel b, en 3:17 gestelde regels voldoet. Zij heft een maatregel als bedoeld in het tweede lid op, zodra de bedrijfsvoering en het toetsingsvermogen van de kredietinstelling een beheerste en duurzame dekking van de risico’s van die instelling weer voldoende waarborgen.

§ 2. Bijzondere prudentiële maatregelen verzekeraars

Artikel 8:3. (herstelplan)
1.

Indien de rechten van degenen die als verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen betrokken zijn bij verzekeringen, gesloten door een verzekeraar, in het gedrang komen, kan de Nederlandsche Bank van de verzekeraar een herstelplan verlangen dat binnen acht weken of zoveel eerder als de Nederlandsche Bank bepaalt, aan haar instemming wordt onderworpen, tenzij artikel 8:5 van toepassing is.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het herstelplan, bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien de Nederlandsche Bank een herstelplan heeft verlangd en de financiële positie van die verzekeraar verslechtert, kan de Nederlandsche Bank hem verplichten een hoger minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge aan te houden dan op grond van artikel 3:17 is voorgeschreven, teneinde te waarborgen dat de verzekeraar in de nabije toekomst kan blijven voldoen aan het op grond van dat artikel voorgeschreven minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge.

4.

Bij de vaststelling van het niveau van het hogere minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge wordt uitgegaan van het herstelplan, bedoeld in het eerste lid. Tevens kan daarbij een termijn worden bepaald waarbinnen het hogere minimumbedrag dient te zijn bereikt.

Artikel 8:4. (ontoereikende technische voorzieningen)
1.

Indien een verzekeraar met zetel in de openbare lichamen niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3:19 met betrekking tot de technische voorzieningen gestelde regels, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.

2.

De verzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.

3.

De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op, zodra de verzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens artikel 3:19 gestelde regels.

Artikel 8:5. (ontoereikende solvabiliteitsmarge)
1.

Indien een verzekeraar niet meer beschikt over de ingevolge artikel 3:17 vereiste solvabiliteitsmarge, dient hij, tenzij het tweede lid van toepassing is, binnen acht weken of zoveel eerder als de Nederlandsche Bank bepaalt een saneringsplan ter instemming in.

2.

Indien de solvabiliteitsmarge is gedaald of naar het oordeel van de Nederlandsche Bank zal dalen beneden het krachtens artikel 3:17, vierde lid, vereiste garantiefonds, dient de verzekeraar bij de Nederlandsche Bank binnen acht weken of zoveel eerder als de Nederlandsche Bank bepaalt een financieringsplan ter instemming in.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het saneringsplan en het financieringsplan, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid.

4.

De Nederlandsche Bank kan op verzoek van de verzekeraar wijzigingen in een goedgekeurd plan toestaan. Eveneens kan de Nederlandsche Bank bij gewijzigde omstandigheden wijzigingen in het plan eisen of de instemming intrekken.

Artikel 8:6. (opgave waarden ter dekking van technische voorzieningen)

Een verzekeraar wiens solvabiliteitsmarge niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3:17 met betrekking tot de solvabiliteitsmarge gestelde regels, doet aan de Nederlandsche Bank binnen een door haar te bepalen termijn een opgave van de in artikel 3:19 bedoelde waarden en van de wijzigingen die daarin optreden.

Artikel 8:7. (beperking te beschikken over waarden)
1.

De Nederlandsche Bank kan, indien zich in het geval, bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de financiële positie van de verzekeraar nog verder zal verslechteren, evenals in het geval, bedoeld in artikel 8:5, tweede lid, de vrije beschikking door de verzekeraar over zijn waarden, waar zij zich ook bevinden, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank over deze waarden te beschikken.

2.

Artikel 8:4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op, zodra de verzekeraar weer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen met betrekking tot de solvabiliteitsmarge.

§ 3. Noodregeling en faillissement

Artikel 8:8. (geen faillietverklaring dan na intrekking vergunning)
1.

Een vordering of verzoek tot faillietverklaring van een kredietinstelling of verzekeraar, eigen aangifte daaronder begrepen, wordt niet in behandeling genomen zolang de betrokken onderneming in het bezit is van een op grond van deze wet verleende vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar.

2.

Indien de vergunning van een kredietinstelling of verzekeraar is ingetrokken, wordt op het verzoek of de vordering tot faillietverklaring niet beslist dan nadat het Gerecht de Nederlandsche Bank in de gelegenheid heeft gesteld haar gevoelen daaromtrent kenbaar te maken.

3.

De wettelijke bepalingen inzake surseance van betaling zijn niet van toepassing op kredietinstellingen en verzekeraars.

Artikel 8:9. (uitspreken noodregeling)
1.

Indien de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling waaraan op grond van deze wet vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling is verleend, tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling vertoont en redelijkerwijs in die ontwikkeling geen of onvoldoende verbetering te voorzien is, of indien het belang der gezamenlijke schuldeisers een bijzondere voorziening vordert, kan het Gerecht op verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van die kredietinstelling de noodregeling uitspreken.

2.

Indien het belang der gezamenlijke schuldeisers van een verzekeraar waaraan op grond van deze wet vergunning tot uitoefening van het bedrijf van verzekeraar is verleend, een bijzondere voorziening bij de afwikkeling van het bedrijf van die verzekeraar vordert, kan het Gerecht op verzoek van de Nederlandsche Bank ten aanzien van die verzekeraar de noodregeling uitspreken.

3.

Indien de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling of verzekeraar, niet zijnde een onderneming waaraan op grond van deze wet vergunning tot uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling of verzekeraar is verleend, zodanig is dat redelijkerwijs is te voorzien dat de onderneming haar verplichtingen aan haar schuldeisers niet of slechts ten dele kan nakomen, kan het Gerecht op verzoek van de Nederlandsche Bank in het belang van de gezamenlijke schuldeisers ten aanzien van die kredietinstelling of verzekeraar de noodregeling uitspreken.

Artikel 8:10. (machtiging DNB bij uitspreken noodregeling)
1.

Bij het uitspreken van de noodregeling machtigt het Gerecht de Nederlandsche Bank tot:

  • a. overdracht van het geheel of een gedeelte van de verbintenissen van de kredietinstelling, die zij in de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling tot het ter beschikking krijgen van gelden heeft aangegaan onderscheidenlijk van het geheel of van een gedeelte van de verbintenissen van de verzekeraar krachtens overeenkomsten van verzekering;
  • b. gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de kredietinstelling, onderscheidenlijk van de portefeuille van de verzekeraar, indien de vergunning is ingetrokken, of
  • c. zowel overdracht als bedoeld in onderdeel a als liquidatie als bedoeld in onderdeel b.
2.

In geval van een machtiging met betrekking tot een verzekeraar, strekt de machtiging, bedoeld in de onderdelen b en c, mede tot vereffening van het vermogen van de onderneming van de verzekeraar, zolang nog niet blijkt dat de verzekeraar een negatief eigen vermogen heeft.

3.

De Nederlandsche Bank kan in haar verzoek op grond van artikel 8:9 vermelden welke van de machtigingen, bedoeld in het eerste lid, naar haar oordeel het meest passend is.

Artikel 8:11. (behandeling verzoek tot uitspreken noodregeling)
1.

Het Gerecht behandelt het verzoek van de Nederlandsche Bank tot het uitspreken van de noodregeling met de meeste spoed op een niet-openbare terechtzitting, op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan in deze paragraaf niet is afgeweken.

2.

Het Gerecht is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen van de boeken en zakelijke bescheiden van de kredietinstelling of verzekeraar. De artikelen 7:10, tweede en derde lid, en 7:11 zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Het Gerecht geeft geen beschikking dan nadat de kredietinstelling of verzekeraar en de Nederlandsche Bank in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord.

4.

Een door de kredietinstelling of verzekeraar tegen de intrekking van een vergunning ingesteld beroep schorst de behandeling van het verzoek van de Nederlandsche Bank tot het uitspreken van de noodregeling niet.

5.

De beschikking van het Gerecht is met redenen omkleed en wordt, indien het verzoek van de Nederlandsche Bank wordt toegewezen, op een openbare terechtzitting uitgesproken. De griffier maakt de zakelijke inhoud van de beschikking bekend in de Staatscourant en stelt de Nederlandsche Bank onverwijld in kennis van de beschikking.

6.

Indien de machtiging, bedoeld in artikel 8:10, eerste lid, strekt tot overdracht als bedoeld in onderdeel a van dat artikel, kan op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de Nederlandsche Bank de machtiging worden uitgebreid tot een machtiging als bedoeld in onderdeel c van genoemd artikel.

7.

Tegen de beschikking staat generlei voorziening open, behoudens cassatie in het belang der wet.

Artikel 8:12. (gevolgen uitspreken noodregeling)
1.

Indien een verzoek tot het uitspreken van de noodregeling tegelijk met een verzoek of vordering tot faillietverklaring aanhangig is, wordt de behandeling van het verzoek of de vordering tot faillietverklaring geschorst, totdat op het verzoek tot het uitspreken van de noodregeling is beschikt. Indien het Gerecht de noodregeling uitspreekt, vervalt het verzoek of de vordering tot faillietverklaring van rechtswege.

2.

Het uitspreken van de noodregeling heeft mede tot gevolg dat de kredietinstelling of verzekeraar ten aanzien waarvan de noodregeling is uitgesproken, slechts in staat van faillissement kan worden verklaard overeenkomstig artikel 8:22.

3.

Het Gerecht kan op verzoek van de Nederlandsche Bank de noodregeling intrekken. De griffier maakt de intrekking bekend in de Staatscourant.

4.

Indien ten aanzien van een verzekeraar de noodregeling wordt uitgesproken, mogen vanaf de dag van het uitspreken van de noodregeling aan de in 3:19 bedoelde waarden geen andere waarden worden toegevoegd dan de sindsdien ontvangen premies of de met die premies verkregen waarden, voor zover deze dienen tot dekking van de technische voorzieningen.

5.

Indien het faillissement van een verzekeraar wordt uitgesproken zonder voorafgaande noodregeling of later dan een maand na beëindiging van de noodregeling, geldt het in het vierde lid bedoelde verbod vanaf de dag van faillietverklaring.

Artikel 8:13. (uitoefening bevoegdheden bestuurders en commissarissen)
1.

Indien het Gerecht de noodregeling uitspreekt, oefent de Nederlandsche Bank bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders en de commissarissen van de kredietinstelling of verzekeraar uit. De Nederlandsche Bank waakt voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.

2.

De bestuurders en de commissarissen van de kredietinstelling of verzekeraar zijn verplicht bij de uitoefening door de Nederlandsche Bank van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alle door de Nederlandsche Bank gevraagde medewerking te verlenen.

3.

De Nederlandsche Bank is bevoegd de bestuurders van de kredietinstelling of verzekeraar te machtigen bepaalde handelingen te verrichten.

4.

De Nederlandsche Bank is bevoegd bestuurders en commissarissen namens de kredietinstelling of verzekeraar te ontslaan. Bij dit ontslag worden de overeengekomen of wettelijke termijnen in acht genomen, met dien verstande dat een termijn van zes weken in elk geval voldoende is.

5.

De Nederlandsche Bank kan personen machtigen alle of een deel van de bevoegdheden uit te oefenen, die zij ingevolge het eerste lid heeft. Zij kan het Gerecht verzoeken een beloning voor de gemachtigden vast te stellen. De Nederlandsche Bank maakt de naam en woonplaats van een door haar gemachtigde persoon, alsook de intrekking van een machtiging, bekend in de Staatscourant.

Artikel 8:14. (besluiten van aandeelhouders of leden)
1.

Indien de noodregeling is uitgesproken ten aanzien van een kredietinstelling of verzekeraar met zetel in de openbare lichamen, behoeft een besluit van de aandeelhouders of leden om van kracht te zijn de goedkeuring van de Nederlandsche Bank.

2.

Wordt een besluit van de aandeelhouders of leden, dat volgens de statuten van een in het eerste lid bedoelde kredietinstelling of verzekeraar voor een handeling vereist is, niet genomen of verkrijgt dit besluit niet de volgens de statuten vereiste goedkeuring, dan kan de Nederlandsche Bank dit besluit nemen.

Artikel 8:15. (stortingen op aandelen en naheffingen)

De Nederlandsche Bank is, ongeacht hetgeen daaromtrent in de statuten van de kredietinstelling of verzekeraar is bepaald, ingevolge de haar op grond van artikel 8:10 verleende machtiging bevoegd:

  • a. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal van de kredietinstelling uit te schrijven en te innen;
  • b. alle nog niet gedane stortingen op de aandelen in het geplaatste kapitaal, onderscheidenlijk het waarborgkapitaal, van de verzekeraar uit te schrijven en te innen;
  • c. naheffingen op te leggen en te innen tot het in de statuten bepaalde maximum, indien de verzekeraar de rechtsvorm van onderlinge waarborgmaatschappij bezit.
Artikel 8:16. (gevolgen voor schuldeisers)
1.

Het uitspreken van de noodregeling heeft tot gevolg dat de kredietinstelling of verzekeraar niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van schulden die voor de uitspraak zijn ontstaan. Aangevangen executiën worden geschorst en gelegde beslagen vervallen. Artikel 32 van de Faillissementswet BES is van overeenkomstige toepassing op de in de eerste volzin bedoelde schulden.

2.

De Nederlandsche Bank kan uitkeringen doen op vorderingen waarop het eerste lid van toepassing is, voor zover dit gelet op de liquiditeitspositie van de kredietinstelling of verzekeraar verantwoord is.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de verzekeraar zijn gedekt, en termijnen van huurkoop.

4.

Voor zover vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, niet op de verbonden zaak kunnen worden verhaald, werkt de uitspraak wel ten aanzien van deze vorderingen.

5.

Het uitspreken van de noodregeling werkt niet ten voordele van de medeschuldenaren en borgen van de kredietinstelling of verzekeraar.

6.

Artikel 231a van de Faillissementswet BES is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:17. (schuldvergelijking en schuldoverneming)
1.

Met betrekking tot schuldvergelijking en schuldoverneming vinden de artikelen 224 en 225 van de Faillissementswet BES overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de schuldenaar van de kredietinstelling of verzekeraar die zijn schuld wil vergelijken met een schuldvordering aan order of toonder, gehouden is te bewijzen dat hij reeds op het ogenblik van de uitspraak waarbij het verzoek tot machtiging werd toegewezen, te goeder trouw eigenaar was van het order- of toonderpapier.

2.

Met betrekking tot wederkerige overeenkomsten in het algemeen en tot termijnzaken, overeenkomsten van huurkoop, huurovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten in het bijzonder, waarbij een kredietinstelling of verzekeraar ten aanzien waarvan de noodregeling is uitgesproken, partij is, vinden de artikelen 226, 226a, 227, 227a, 228 en 229 van de Faillissementswet BES overeenkomstige toepassing.

3.

Met betrekking tot de voldoening van een schuld aan de kredietinstelling of verzekeraar nadat de noodregeling is uitgesproken, vindt artikel 230 van de Faillissementswet BES overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:18. (bijzondere machtiging aan DNB)
1.

Het Gerecht kan, tegelijk met de in artikel 8:10, eerste lid, bedoelde machtiging of nadien, de Nederlandsche Bank op haar verzoek een bijzondere machtiging verlenen tot:

  • a. wijziging, bij de overdracht van rechten en verplichtingen krachtens overeenkomsten tot het ter beschikking verkrijgen van gelden of krachtens overeenkomsten van verzekering, van die overeenkomsten, met dien verstande dat bedingen in overeenkomsten waaruit vorderingen voortvloeien als bedoel in artikel 8:16, derde en vierde lid, vorderingen die door pand of hypotheek op goederen van de kredietinstelling worden gedekt, of termijnen van huurkoop daarbij niet kunnen worden gewijzigd;
  • b. verkorting van de duur van overeenkomsten tot het ter beschikking verkrijgen van gelden of van overeenkomsten van verzekering.
2.

Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die op de overeenkomsten van levensverzekering betrekking hebben, kunnen niet tot gevolg hebben dat aan verzekeringnemers meer verplichtingen worden opgelegd.

3.

Ten aanzien van de bijzondere machtiging is artikel 8:11, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

4.

Zodra overdracht van rechten en verplichtingen krachtens de in artikel 8:10, eerste lid, bedoelde machtiging heeft plaatsgevonden, maakt de Nederlandsche Bank deze overdracht en, zo door haar handelingen zijn verricht krachtens de in het eerste lid bedoelde bijzondere machtiging, die handelingen bekend in de Staatscourant en in ten minste twee door het Gerecht aan te wijzen dagbladen. De Nederlandsche Bank kan, indien zij dit in het belang van de schuldeisers van een kredietinstelling, onderscheidenlijk het belang van verzekeringnemers, verzekerden of gerechtigden op uitkeringen, nodig acht, bedoelde overdracht en handelingen tevens op andere wijze bekendmaken.

5.

De overdracht en de wijziging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden ten aanzien van alle andere belanghebbenden van de betrokken kredietinstelling of verzekeraar van kracht met ingang van de dag, volgende op die waarop de bekendmaking in de Staatscourant is geschied.

Artikel 8:19. (geen nadeel overdracht van rechten)

Een overdracht van rechten en verplichtingen ingevolge dit hoofdstuk mag geen nadeel toebrengen aan de rechten van de overblijvende schuldeisers.

Artikel 8:20. (kosten noodregeling)
1.

Het Gerecht stelt het bedrag vast van de kosten van de noodregeling. Deze kosten komen ten laste van de betrokken kredietinstelling of verzekeraar.

2.

De kosten van de noodregeling omvatten de door of namens de Nederlandsche Bank ter zake gedane uitgaven en de vergoeding van de door of namens haar ter zake verrichte werkzaamheden.

Artikel 8:21. (gelijkstelling noodregeling met faillissement)

Voor de toepassing van de artikelen 200, 355, 356 en 360 van het Wetboek van Strafrecht BES wordt met faillissement gelijkgesteld de rechtstoestand waarin een kredietinstelling of verzekeraar verkeert zolang te zijnen aanzien de noodregeling van kracht is.

Artikel 8:22. (faillietverklaring op verzoek van DNB)
1.

De Nederlandsche Bank dient een verzoek tot faillietverklaring van de kredietinstelling of verzekeraar in, indien haar blijkt dat de betrokken onderneming een negatief eigen vermogen heeft en hetzij het met de noodregeling te bereiken doel is of niet meer kan worden verwezenlijkt, hetzij – indien niet tevoren de noodregeling werd uitgesproken – geen redelijk vooruitzicht meer bestaat dat het met de noodregeling te bereiken doel alsnog kan worden verwezenlijkt.

2.

Bij de beoordeling van de omvang van het eigen vermogen van een verzekeraar met zetel in het buitenland worden uitsluitend de activa en passiva in aanmerking genomen die naar het oordeel van de Nederlandsche Bank behoren tot het vanuit de vestigingen in de openbare lichamen uitgeoefende verzekeringsbedrijf.

3.

De faillietverklaring wordt uitgesproken ongeacht of de kredietinstelling of verzekeraar verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. De eerste titel van de Faillissementswet BES is overigens van toepassing.

Artikel 8:23. (beëindiging noodregeling bij faillietverklaring)

De noodregeling houdt van rechtswege op van kracht te zijn, indien de kredietinstelling of verzekeraar in staat van faillissement wordt verklaard. Alsdan, zomede indien de faillietverklaring wordt uitgesproken binnen een maand na het intrekken van de noodregeling, gelden de volgende bepalingen:

  • a. het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 39 van de Faillissementswet BES, aanvangt, wordt berekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking tot het uitspreken van de noodregeling uitvoerbaar is geworden;
  • b. een beroep op schuldvergelijking kan in afwijking van artikel 49 van de Faillissementswet BES slechts worden gedaan, indien de schuldvordering en de schuldplichtigheid beide zijn ontstaan vóór het tijdstip waarop de beschikking tot het uitspreken van de noodregeling uitvoerbaar is geworden, dan wel voortvloeien uit een handeling vóór dat tijdstip met de gefailleerde verricht;
  • c. handelingen, ingevolge de artikelen 8:13, 8:14 en 8:15 door of namens de Nederlandsche Bank verricht gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, gelden als handelingen van de curator, terwijl boedelschulden, gedurende die tijd ontstaan, ook in het faillissement als boedelschulden gelden;
  • d. de boedel is niet aansprakelijk voor verbintenissen van de kredietinstelling of verzekeraar die in strijd met artikel 8:13, eerste en derde lid, zijn aangegaan gedurende de tijd dat de noodregeling van kracht was, behoudens voor zover deze daardoor is gebaat;
  • e. vorderingen uit overeenkomsten van levensverzekering kunnen in afwijking van artikel 105, eerste lid, van de Faillissementswet BES worden ingediend door overlegging van de polis of een afschrift daarvan, zonder dat het bedrag van de vordering behoeft te worden vermeld. Voor zover de curator de vordering erkent, stelt hij de omvang daarvan vast.
Artikel 8:24. (verslag aan minister)

De Nederlandsche Bank brengt na beëindiging van en desgevraagd tijdens de noodregeling daaromtrent zo spoedig mogelijk verslag uit aan Onze Minister.

Artikel 8:25. (bevoorrechte vorderingen)
1.

In geval van noodregeling of faillissement worden de boedelschulden van een verzekeraar, overeenkomstig de Faillissementswet BES, al naar gelang de aard van de betrokken boedelschuld hetzij mede over de in artikel 3:19 bedoelde waarden omgeslagen, hetzij uitsluitend van een bepaalde bate van de boedel afgetrokken.

2.

Onverminderd het eerste lid dienen in geval van noodregeling of faillissement de in het eerste lid bedoelde waarden uitsluitend tot voldoening van de vorderingen ten laste van de verzekeraar ter zake van uitkeringen krachtens de vanuit de vestigingen in de openbare lichamen gesloten overeenkomsten van verzekering, niet zijnde uitkeringen, krachtens overeenkomst van herverzekering aan een andere verzekeraar verschuldigd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)