Wet van 3 juli 2013 houdende nieuwe regels voor een basisregistratie personen (Wet basisregistratie personen)

Type Wet
Publication 2025-11-11
State In force
Source BWB
artikelen 250
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van de doelmatige voorziening van persoonsgegevens, in het bijzonder bij de vervulling van overheidstaken, de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens te moderniseren, de regelgeving te vereenvoudigen en de mogelijkheid te verruimen om gegevens op te nemen over niet-ingezetenen ten aanzien van wie de Nederlandse overheid taken vervult en derhalve nieuwe regels te stellen ter zake van de basisregistratie personen, daarbij in aanmerking nemend dat uitvoering wordt gegeven aan richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) en dat ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer uitvoering dient te worden gegeven aan artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1. Algemeen

Artikel 1.1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
  • b. de basisregistratie: de basisregistratie personen, bedoeld in artikel 1.2;
  • d. de inschrijving: de opneming van een persoonslijst in de basisregistratie;
  • e. de ingeschrevene: degene ten aanzien van wie een persoonslijst in de basisregistratie is opgenomen;
  • f. de ingezetene: de ingeschrevene die zijn adres heeft in een gemeente in Nederland en op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of van vertrek uit Nederland als actueel gegeven is opgenomen;
  • g. de systematische verstrekking van gegevens of het systematisch verstrekken van gegevens: de verstrekking of het verstrekken van gegevens uit de basisregistratie, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid;
  • h. de bijhoudingsgemeente: de gemeente waarvan het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 1.4 verantwoordelijk is voor de bijhouding van de persoonslijst;
  • i. een vreemdeling: degene die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld;
  • j. de aangifte van verblijf en adres: de aangifte, bedoeld in artikel 2.38;
  • l. de aangifte van adreswijziging: de aangifte, bedoeld in artikel 2.39;
  • m. de aangifte van vertrek: de aangifte, bedoeld in artikel 2.43;
  • n. een authentiek gegeven: een in de basisregistratie opgenomen gegeven dat op grond van artikel 1.6 als authentiek wordt aangemerkt;
  • o. het woonadres:
  • 1°. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
  • 2°. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten;
  • p. het briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen;
  • q. het adres: het woonadres, dan wel bij het ontbreken hiervan of bij toepassing van artikel 2.40 of 2.41, het briefadres;
  • r. de briefadresgever: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in artikel 2.42, die een briefadres ter beschikking stelt;
  • t. een overheidsorgaan:
  • 1°. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of
  • 2°. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed;
  • u. een derde: elke natuurlijke persoon, niet zijnde een overheidsorgaan of de ingeschrevene, en elke rechtspersoon die niet krachtens publiekrecht is ingesteld, noch met enig openbaar gezag is bekleed;
  • v. de openbare lichamen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
  • w. een inschrijfvoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 2.64;
  • x. het Besluit bevolkingsboekhouding: het Besluit bevolkingsboekhouding zoals dat gold op de laatste dag voor de intrekking van de Wet bevolkings- en verblijfsregisters;
  • y. de verordening: Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119);
  • z. het tijdelijk verblijfsadres: het adres in Nederland, niet zijnde het woonadres of het briefadres, waar betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een maand meestentijds en gedurende een half jaar minder dan twee derde van de tijd zal overnachten;
  • aa. contactgegevens: telefoonnummer en e-mailadres van de niet-ingezetene;
  • ab. de ingezetene van een openbaar lichaam: de ingeschrevene die zijn adres heeft in een van de openbare lichamen, en op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of van zijn vertrek uit een van de openbare lichamen als actueel gegeven is opgenomen;
  • ac. Nederland: het Europese deel van Nederland.

Artikel 1.2

Er is een basisregistratie personen. De basisregistratie bevat persoonsgegevens over de ingezetenen van Nederland. De basisregistratie bevat persoonsgegevens over niet-ingezetenen en de ingezetenen van een openbaar lichaam voor zover deze wet daarin voorziet.

Artikel 1.3

1.

De basisregistratie heeft tot doel overheidsorganen te voorzien van de in de registratie opgenomen gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.

2.

De basisregistratie heeft mede tot doel derden te voorzien van de in de registratie opgenomen gegevens, in bij of krachtens deze wet aangewezen gevallen.

Artikel 1.4

1.

Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor het bijhouden van persoonsgegevens in de basisregistratie overeenkomstig afdeling 1 van hoofdstuk 2.

2.

Onze Minister is verantwoordelijk voor het bijhouden van persoonsgegevens in de basisregistratie overeenkomstig afdelingen 2 en 3 van hoofdstuk 2.

Artikel 1.5

1.

Onze Minister is verantwoordelijk voor de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie die hij doet bij of krachtens hoofdstuk 3.

2.

Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie die hij doet bij of krachtens hoofdstuk 3.

§ 2. Verplicht gebruik

Artikel 1.6

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke van de algemene gegevens, bedoeld in de artikelen 2.7 en 2.69, worden aangemerkt als authentieke gegevens.

Artikel 1.7

1.

Het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, gebruikt voor die informatie dat gegeven.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien:

  • a. bij het gegeven een aantekening als bedoeld in artikel 2.26 of 2.76 is geplaatst;
  • c. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;
  • d. een goede vervulling van de taak van het bestuursorgaan door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet.

Artikel 1.8

Een ingeschrevene aan wie door een bestuursorgaan een gegeven wordt gevraagd, waarop artikel 1.7, eerste lid, van toepassing is, behoeft dat gegeven niet mede te delen, behoudens voor zover het gegeven naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijk is voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van betrokkene.

§ 3. Inrichting, werking en beveiliging

Artikel 1.9

1.

De basisregistratie bestaat uit gemeentelijke en centrale voorzieningen.

2.

Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor de gemeentelijke voorziening.

3.

Onze Minister is verantwoordelijk voor de centrale voorzieningen.

4.

Onze Minister draagt zorg voor een stelsel van berichtuitwisseling ten behoeve van de bijhouding en de raadpleging van de basisregistratie en de systematische verstrekking van gegevens.

Artikel 1.10

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

  • a. de technische en administratieve inrichting en werking en de beveiliging van de basisregistratie;
  • b. de uitwisseling van berichten tussen de centrale voorzieningen en de gemeentelijke voorzieningen en tussen de centrale voorzieningen en de overheidsorganen waaraan en derden aan wie systematisch gegevens worden verstrekt;

Artikel 1.11

1.

Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg dat de gemeentelijke voorziening functioneert overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 1.10.

2.

Onze Minister draagt zorg dat de centrale voorzieningen functioneren overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 1.10.

3.

Het overheidsorgaan waaraan of de derde aan wie systematisch gegevens worden verstrekt draagt zorg dat de uitwisseling van berichten in verband met de systematische verstrekking van gegevens van zijn kant geschiedt overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 1.10.

Artikel 1.12

1.

Onze Minister kan een onderzoek verrichten om vast te stellen of een overheidsorgaan waaraan systematisch gegevens worden verstrekt, voldoet aan de regels, bedoeld in artikel 1.10.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op organen van gemeenten, provincies of gemeenschappelijke regelingen waaraan zij deelnemen.

3.

Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald op welke wijze het overheidsorgaan medewerking verleent aan het onderzoek.

4.

Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een derde aan wie systematisch gegevens worden verstrekt.

Artikel 1.13

Artikel 37 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming is van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Kosten in verband met de uitvoering van deze wet

Artikel 1.14

1.

De gemeenten en de overheidsorganen waaraan en derden aan wie op grond van artikel 3.2, 3.3, 3.13 of 3.14 gegevens worden verstrekt of informatie ter beschikking wordt gesteld, dragen bij in de kosten in verband met de uitvoering van deze wet. Indien een van deze betrokkenen geen rechtspersoonlijkheid bezit, komt de bijdrage ten laste van de rechtspersoon waartoe de betrokkene behoort.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke categorieën van kosten het betreft en worden de grondslagen bepaald van de bijdragen van de betrokkenen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de vaststelling en de betaling van de bijdragen. Daarbij kan worden bepaald dat Onze Minister het in rekening te brengen bedrag op nul vaststelt, voor zover een voorziening is getroffen in de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die in de plaats treedt van de bijdrage van de betrokkene.

§ 5. Overleg

Artikel 1.15

1.

Onze Minister overlegt periodiek met representatieve vertegenwoordigingen van de gemeenten, van de aangewezen bestuursorganen als bedoeld in artikel 2.65 en van de overheidsorganen en derden aan wie op grond van artikel 3.2, 3.3 of 3.13 gegevens uit de basisregistratie worden verstrekt.

2.

Alle onderwerpen die bij of krachtens deze wet worden geregeld, lenen zich voor overleg. In ieder geval wordt overleg gepleegd over:

  • a. wijzigingen in het bepaalde bij of krachtens deze wet;
  • b. de uitgangspunten van het te voeren kwaliteitsbeleid;
3.

Onze Minister kan met betrekking tot het overleg nadere regels stellen.

Hoofdstuk 2. De bijhouding van de basisregistratie

Afdeling 1. Ingezetenen

§ 1. Algemeen

Artikel 2.1

1.

Deze afdeling is van toepassing op personen die als ingezetene in de basisregistratie zijn of worden ingeschreven en op ingeschrevenen die op het moment van hun overlijden ingezetene waren.

2.

Met betrekking tot de ingeschrevene die geen ingezetene meer is, worden krachtens deze afdeling geen nieuwe algemene gegevens opgenomen.

3.

In afwijking van het eerste of tweede lid worden gegevens opgenomen krachtens deze afdeling, voor zover:

  • a. het feiten betreft die zich hebben voorgedaan in de tijd dat de ingeschrevene nog ingezetene was, of
  • b. dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.

§ 2. De inschrijving

Artikel 2.2

De inschrijving in de basisregistratie geschiedt op grond van de geboorteakte, de aangifte van de betrokkene of ambtshalve.

Artikel 2.3

Op grond van de geboorteakte, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland, waarop als geboorteplaats een plaats in Nederland is vermeld, geschiedt de inschrijving van het kind dat niet reeds is ingeschreven en waarvan de moeder uit wie het kind is geboren op de geboortedatum van het kind als ingezetene is ingeschreven. De inschrijving geschiedt door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar die moeder als ingezetene is ingeschreven.

Artikel 2.4

1.

Op grond van zijn aangifte van verblijf en adres wordt degene die rechtmatig verblijf geniet, niet in de basisregistratie is ingeschreven en naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, ingeschreven in de basisregistratie door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn adres heeft.

2.

Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college ambtshalve zorg voor de inschrijving. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de betrokkene alsnog op grond van zijn aangifte in te schrijven, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

3.

Inschrijving geschiedt niet dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

Artikel 2.5

1.

Inschrijving op grond van artikel 2.4 van een persoon die komt vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of een van de openbare lichamen, vindt niet plaats, dan nadat hij een hem betreffend verhuisbericht, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven, heeft overgelegd.

2.

In het geval dat anderszins blijkt dat het vertrek van de betrokken persoon is verwerkt in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven, of blijkt dat betrokkene daarin niet als ingezetene was ingeschreven, kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 2.6

1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën bepaald van personen, die in verband met hun bijzondere verblijfsrechtelijke positie niet in aanmerking komen voor inschrijving.

2.

Bij of krachtens de maatregel kunnen regels worden gesteld ten aanzien van een persoon die behoort tot een categorie als bedoeld in het eerste lid, omtrent:

  • a. het niet-inschrijven van de persoon;
  • b. het aanmerken van de persoon die reeds is ingeschreven als een ingeschrevene die wegens zijn vertrek uit Nederland niet als ingezetene is ingeschreven.

§ 3. De opneming van persoonsgegevens

Artikel 2.7

1.

In de basisregistratie worden over de ingeschrevene uitsluitend de volgende gegevens opgenomen:

  • a. algemene gegevens:
  • 1°. gegevens over de burgerlijke staat waar het betreft de naam, de geboorte, het geslacht, de ouders, het huwelijk, dan wel geregistreerd partnerschap en eerdere huwelijken of eerder geregistreerde partnerschappen, de echtgenoot dan wel geregistreerd partner en eerdere echtgenoten of geregistreerde partners, de kinderen en het overlijden;
  • 2°. gegevens over kinderen die op het moment van de geboorte niet meer in leven zijn of omtrent wie een akte in Nederland is opgemaakt die vermeldt dat het kind op het ogenblik van de aangifte niet in leven is, dan wel die zijn overleden zonder zelf ingeschrevene te zijn;
  • 3°. gegevens over curatele;
  • 4°. gegevens over het gezag dat over de minderjarige wordt uitgeoefend;
  • 5°. gegevens over de nationaliteit, met dien verstande dat geen gegevens over een vreemde nationaliteit worden opgenomen naast gegevens over het Nederlanderschap of het feit dat de betrokkene als Nederlander wordt behandeld;
  • 6°. gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling;
  • 7°. gegevens over de bijhoudingsgemeente en het adres in die gemeente, alsmede over het verblijf in Nederland en het vorige verblijf buiten Nederland en over het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland;
  • 8°. gegevens over het burgerservicenummer van de ingeschrevene;
  • 9°. gegevens over de burgerservicenummers van de ouders, de echtgenoot, de eerdere echtgenoten, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partners en de kinderen;
  • 10°. gegevens over het gebruik door de ingeschrevene van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner;
  • 11°. gegevens, noodzakelijk in verband met de uitvoering van de Kieswet;
  • 12°. gegevens, noodzakelijk in verband met de uitvoering van de Paspoortwet.
  • b. administratieve gegevens:
  • 1°. gegevens in verband met de inschrijving en de wijziging van de bijhoudingsgemeente;
  • 2°. gegevens ter aanduiding van akten en andere geschriften waaruit algemene gegevens zijn verkregen, dan wel van de rechtsgrond krachtens welke gegevens over het Nederlanderschap zijn opgenomen;
  • 3°. gegevens ter aanduiding van de onjuistheid van een opgenomen algemeen gegeven of van strijd met de Nederlandse openbare orde van een opgenomen gegeven over de burgerlijke staat dan wel over een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede andere gegevens, noodzakelijk in verband met de bijhouding van de basisregistratie;
  • 4°. gegevens over de beperking van de verstrekking van gegevens aan derden.
2.

De algemene en administratieve gegevens worden nader bepaald bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

3.

Een algemeen gegeven dat is opgenomen, blijft opgenomen, behoudens het bepaalde in artikel 2.57 en behoudens de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 11° en 12°.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de verwijdering en de vernietiging van de algemene gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 11° en 12°, en de administratieve gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder b, geregeld.

Artikel 2.8

1.

De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich in Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a en bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b:

  • a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de burgerlijke stand in Nederland;
  • b. een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte, een besluit, een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak of een notariële akte, over het desbetreffende feit.
2.

De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

  • a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;
  • b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;
  • c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
  • d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;
  • e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.
3.

De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich in Nederland hebben voorgedaan en waarvan een in Nederland geaccrediteerde consulaire ambtenaar van een ander land bevoegd een akte heeft opgemaakt die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, ontleend aan die akte.

Artikel 2.9

1.

Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, dan wel artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend over het huwelijk dat is gesloten tussen echtgenoten van wie er ten minste één vreemdeling is, dan nadat de echtgenoten een verklaring hebben afgelegd dat hun huwelijk niet is aangegaan met het oogmerk om verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen.

2.

De verklaring is niet vereist indien:

  • a. sedert de voltrekking van het huwelijk ten minste tien jaren zijn verstreken of het huwelijk inmiddels is geëindigd,
  • b. de gegevens ambtshalve worden opgenomen, of
3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een geregistreerd partnerschap.

Artikel 2.10

1.

Indien aannemelijk is dat omtrent een gegeven over de familierechtelijke betrekkingen tot de ouders of de kinderen, over het huwelijk en de eerdere huwelijken, over de echtgenoot en de eerdere echtgenoten, over het geregistreerd partnerschap en de eerdere geregistreerde partnerschappen of over de geregistreerde partner en de eerdere geregistreerde partners een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c of d, kan worden verschaft, mogen deze gegevens niet worden ontleend aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder e.

2.

Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

3.

Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

4.

Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder e, worden geen gegevens ontleend, dan nadat de gegevens voor zover mogelijk zijn geverifieerd door raadpleging van de basisregistratie en zo nodig van andere registers of van geschriften die door de betrokkene zijn overgelegd.

Artikel 2.11

1.

Op de persoonslijst van een persoon worden geen gegevens over zijn kind opgenomen indien het kind ten tijde van de inschrijving van de persoon reeds is overleden en het kind zelf geen ingeschrevene is.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de persoon die een verzoek doet als bedoeld in artikel 2.56a, eerste lid.

Artikel 2.12

1.

Bij gerede twijfel over de toepassing van artikel 2.8, tweede en derde lid, en artikel 2.10, eerste en tweede lid, wordt advies ingewonnen van de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente.

2.

Indien na het advies, bedoeld in het eerste lid, gerede twijfel blijft bestaan of het voornemen bestaat van het advies af te wijken, wordt het advies van de Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit ingewonnen.

Artikel 2.13

1.

De gegevens over curatele worden ontleend aan het curatele- en bewindregister.

2.

De gegevens over het gezag dat over de minderjarige wordt uitgeoefend, worden ontleend aan het gezagsregister.

Artikel 2.14

1.

Gegevens over het Nederlanderschap worden opgenomen met toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap, van andere op het Nederlanderschap betrekking hebbende wettelijke bepalingen en van verdragen waaruit het Nederlanderschap voortvloeit.

2.

Indien omtrent een ingeschrevene akten als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder b, c en d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap zijn opgenomen in het in dat lid bedoelde register, wordt aan deze akten het gegeven over het Nederlanderschap ontleend. Indien omtrent een ingeschrevene een afschrift wordt overgelegd van de in de eerste volzin bedoelde akten uit het register, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de genoemde wet, wordt het gegeven over het Nederlanderschap aan dit afschrift ontleend.

3.

Een gegeven over het Nederlanderschap wordt ontleend aan de bevestiging van de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap, waarvan de uitreiking of bekendmaking op andere wijze heeft plaatsgevonden in de gemeente waar de betrokkene is ingeschreven, onderscheidenlijk aan de door de betrokkene in die gemeente afgelegde verklaring van afstand van het Nederlanderschap, dan wel aan de mededeling van de burgemeester van een andere gemeente omtrent de verkrijging, de verlening of de afstand van het Nederlanderschap die betrekking heeft op de ingeschrevene, indien de uitreiking of bekendmaking van de bevestiging van de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap of van het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap op andere wijze, heeft plaatsgevonden, onderscheidenlijk de verklaring van afstand is afgelegd, in een andere gemeente dan de gemeente waar de betrokkene is ingeschreven. Voor zover het in deze gevallen gaat om verkrijging of verlening van het Nederlanderschap wordt daarbij afgeweken van het tweede lid.

4.

In de gevallen bedoeld in artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, worden de gegevens over het Nederlanderschap ontleend aan een afschrift van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van een rechterlijke instantie in Nederland.

5.

Indien een afschrift wordt overgelegd van een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba krachtens artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap, worden de gegevens over het Nederlanderschap aan dit afschrift ontleend.

6.

Gegevens over de behandeling als Nederlander van een persoon die niet het Nederlanderschap bezit, worden opgenomen met toepassing van de Wet betreffende de positie van Molukkers.

Artikel 2.15

1.

Gegevens over een vreemde nationaliteit worden ontleend aan een beschikking of uitspraak van een daartoe volgens het ter plaatse geldend recht bevoegde administratieve of rechterlijke instantie, die tot doel heeft tot bewijs te dienen van de betreffende nationaliteit, dan wel opgenomen met toepassing van het betreffende nationaliteitsrecht.

2.

Indien gegevens over een vreemde nationaliteit niet overeenkomstig het eerste lid kunnen worden verkregen, kunnen deze gegevens worden ontleend aan een geschrift van een volgens het ter plaatse geldend recht bevoegde autoriteit, dat gegevens vermeldt over die nationaliteit.

3.

Indien de nationaliteit niet kan worden vastgesteld, wordt dit gegeven opgenomen. Indien een rechterlijke uitspraak op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap is gedaan, waarbij is vastgesteld dat de betrokkene niet de Nederlandse nationaliteit bezit, wordt daarvan melding gemaakt.

4.

Het gegeven dat betrokkene geen nationaliteit bezit wordt ontleend aan een beschikking als bedoeld in artikel 4 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid of opgenomen met toepassing van artikel 5 van die wet.

Artikel 2.16

Gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling worden ontleend aan mededelingen daarover van Onze Minister van Justitie en Veiligheid aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 2.17

Bij de inschrijving van een vreemdeling op grond van artikel 2.4, worden gegevens inzake de geboortedatum en de nationaliteit die niet als zodanig kunnen worden opgenomen overeenkomstig de artikelen 2.8 en 2.15, eerste tot en met derde lid, ontleend aan een mededeling daarover van Onze Minister van Justitie en Veiligheid voor zover deze gegevens door hem zijn vastgesteld in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland.

Artikel 2.18

Bij de inschrijving op grond van artikel 2.3 worden de gegevens omtrent het adres ontleend aan de persoonslijst van de moeder uit wie het kind is geboren. Als datum van inschrijving wordt de geboortedatum opgenomen.

Artikel 2.19

1.

Aan de aangifte van verblijf en adres van degene die rechtmatig verblijf geniet, naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden en die zijn adres heeft in de betrokken gemeente, worden gegevens betreffende het verblijf in Nederland, het adres en het vorige verblijf buiten Nederland ontleend.

2.

Indien aannemelijk is dat een gegeven betreffende het vorige verblijf buiten Nederland onjuist is, wordt dit gegeven niet opgenomen.

3.

Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het verblijf, het adres en het vorige verblijf buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

4.

Als datum van aanvang van het verblijf in Nederland en van vestiging van het adres in de gemeente wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het verblijf en adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.

5.

De gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

6.

Indien de betrokkene komt vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of een van de openbare lichamen, is artikel 2.5 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.20

1.

Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

2.

Indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

3.

Als datum van adreswijziging wordt opgenomen:

  • a. de in de aangifte vermelde datum van adreswijziging, als tijdig aangifte is gedaan;
  • b. de dag waarop de aangifte is ontvangen, in de overige gevallen waarin de gegevens aan de aangifte van de betrokkene worden ontleend;
  • c. de dag waarop van het voornemen tot opneming aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan, bij ambtshalve opneming van de gegevens.
4.

De gewijzigde gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

Artikel 2.21

1.

Aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, worden gegevens betreffende het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland ontleend.

2.

Indien de ingezetene in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de ingezetene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

3.

Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek aan de ingeschrevene schriftelijk mededeling is gedaan.

4.

De gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.

5.

Indien de ingezetene in de aangifte van vertrek meldt te gaan verblijven in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, verstrekt het college van burgemeester en wethouders aan hem kosteloos een verhuisbericht, volgens een door Onze Minister vast te stellen model.

Artikel 2.22

1.

Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.

2.

Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt.

Artikel 2.23

1.

Indien het woonadres ontbreekt dan wel artikel 2.40 of artikel 2.41 van toepassing is, wordt op aangifte een briefadres opgenomen.

2.

Het college van burgemeester en wethouders neemt ambtshalve een briefadres op indien het woonadres ontbreekt en geen aangifte wordt gedaan van een briefadres.

3.

Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt als briefadres opgenomen met instemming van een briefadresgever als bedoeld in artikel 2.42 diens adres of, indien geen instemming van een briefadresgever wordt verkregen, een adres van de gemeente.

Artikel 2.24

1.

Het burgerservicenummer dat aan een persoon is toegekend overeenkomstig artikel 8 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer wordt opgenomen op zijn persoonslijst, voordat over de betrokken persoon voor de eerste keer gegevens worden verstrekt.

2.

De gegevens over het burgerservicenummer van de ouders, de echtgenoot, de eerdere echtgenoten, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partners en de kinderen worden ontleend aan de desbetreffende persoonslijsten.

Artikel 2.25

De gegevens over het gebruik van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner worden opgenomen op schriftelijk verzoek van de daartoe krachtens artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bevoegde ingeschrevene, dan wel op grond van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 2.26

Omtrent de beslissing dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede omtrent de omstandigheid dat de ingeschrevene geen ingezetene meer is, wordt een aantekening geplaatst bij de desbetreffende gegevens.

§ 4. De verplichtingen van overheidsorganen

Artikel 2.27

1.

De ambtenaar van de burgerlijke stand die in een van de onder hem berustende registers melding heeft gemaakt van een feit dat van belang is voor de bijhouding van de basisregistratie, brengt de gegevens ter zake terstond ter kennis van zijn college van burgemeester en wethouders.

2.

Een hem ingevolge een verdrag inzake de internationale uitwisseling van gegevens op het gebied van de burgerlijke stand toegezonden kennisgeving doet hij terstond toekomen aan zijn college.

3.

Hij verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders dat daarom vraagt, zo spoedig mogelijk alle inlichtingen die dat college nodig heeft voor de bijhouding van de basisregistratie.

4.

De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, die wegens het ontbreken van een akte in de onder hem berustende registers geen latere vermelding als bedoeld in artikel 20 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek toevoegt van een hem op grond van artikel 20e van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek toegezonden besluit, rechterlijke uitspraak of notariële akte, brengt een afschrift van dat besluit, die uitspraak of die akte ter kennis van zijn college van burgemeester en wethouders.

Artikel 2.28

1.

De griffier van de rechtbank die in het curatele- en bewindregister melding heeft gemaakt van een rechterlijke uitspraak waarbij met betrekking tot een persoon een voorziening in de curatele is getroffen, doet daarvan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente, onder vermelding van de persoon die het betreft en de datum waarop de rechtsgeldigheid van de voorziening ingaat.

2.

De griffier doet overeenkomstige mededeling van elke beslissing, houdende vernietiging van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in het eerste lid, en van beëindiging van de curatele.

3.

De griffier van de rechtbank die in het gezagsregister aantekening heeft gehouden van een rechtsfeit dat betrekking heeft op de gezagsuitoefening over een minderjarige, welk van belang is voor de bijhouding van de basisregistratie, met betrekking tot de in artikel 2.7, eerste lid, onder a, onderdeel 4°, bedoelde gegevens, doet van dit rechtsfeit mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente van de minderjarige.

4.

De in het derde lid bedoelde mededeling geeft uitsluitend aan welke minderjarige het betreft, welk rechtsfeit met betrekking tot de gezagsuitoefening heeft plaatsgevonden alsmede de datum waarop het rechtsgevolg hiervan intreedt.

Artikel 2.29

1.

Indien Onze Minister van Justitie en Veiligheid in het openbaar register, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, melding heeft gemaakt van het feit dat een persoon een verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap of een verklaring van afstand van het Nederlanderschap heeft afgelegd, dan wel dat een persoon door verlening het Nederlanderschap heeft verkregen of door intrekking het Nederlanderschap heeft verloren, doet hij daarvan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente. De mededeling bevat de datum waarop de verklaring in ontvangst is genomen of de datum waarop het Nederlanderschap is verkregen of verloren.

2.

Een mededeling als bedoeld in het eerste lid blijft achterwege indien artikel 2.14, derde lid, van toepassing is.

3.

De griffier van de rechtbank Den Haag dan wel de griffier van de Hoge Raad zendt een afschrift van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak houdende de vaststelling van het Nederlanderschap of de vaststelling van het niet-bezitten van het Nederlanderschap, aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente.

Artikel 2.30

Onze Minister van Justitie en Veiligheid doet van de gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling die voor de bijhouding van de basisregistratie van belang zijn, mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente.

Artikel 2.31

Bij algemene maatregel van bestuur worden gevallen bepaald waarin het college van burgemeester en wethouders aan een korpschef als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 een afschrift toezendt van een beslissing als bedoeld in artikel 2.60 om op grond van artikel 2.10, tweede lid, een gegeven betreffende een vreemdeling niet in de basisregistratie op te nemen.

Artikel 2.32

De griffier van het betrokken gerecht zendt een afschrift van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak als bedoeld in artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente van de onbevoegd verklaarde.

Artikel 2.33

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan overheidsorganen verplichtingen worden opgelegd tot het doen van mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente inzake het van toepassing zijn van artikel 2.6.

Artikel 2.34

1.

Een bestuursorgaan dat in verband met de verstrekking van een authentiek gegeven uit de basisregistratie gerede twijfel heeft over de juistheid van dat gegeven, doet hiervan mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente.

2.

Onze Minister wijst de bestuursorganen aan die tevens mededeling doen in verband met de verstrekking van andere dan authentieke gegevens.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de gevallen waarin en de wijze waarop de mededeling wordt gedaan, alsmede de kennisgeving van het college van burgemeester en wethouders aan het bestuursorgaan naar aanleiding van een mededeling, geregeld.

4.

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen omtrent het doen van mededeling door en de kennisgeving aan bestuursorganen die een orgaan zijn van de desbetreffende gemeente en kan een of meer van deze bestuursorganen aanwijzen om tevens mededeling te doen in verband met de verstrekking van andere dan authentieke gegevens.

5.

Voor zover een mededeling als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gegeven dat op grond van een andere wet is overgenomen uit een andere registratie, zendt het college van burgemeester en wethouders die mededeling door aan de verantwoordelijke voor de verwerking van dat gegeven in die andere registratie.

Artikel 2.35

1.

Een college van burgemeester en wethouders dat van de ambtenaar van de burgerlijke stand in zijn gemeente gegevens heeft ontvangen die van belang zijn voor de bijhouding van de basisregistratie door een andere gemeente, doet terstond mededeling van die gegevens aan het college van burgemeester en wethouders van de andere gemeente.

2.

Een college dat van de ambtenaar van de burgerlijke stand in zijn gemeente een ingevolge een verdrag inzake de internationale uitwisseling van gegevens op het gebied van de burgerlijke stand toegezonden kennisgeving heeft ontvangen die van belang is voor de bijhouding van de basisregistratie door een andere gemeente, doet die kennisgeving terstond toekomen aan het college van burgemeester en wethouders van de andere gemeente.

3.

Onze Minister, dan wel een college van burgemeester en wethouders, verstrekt aan een college van burgemeester en wethouders dat daar belang bij heeft spontaan of op verzoek zo spoedig mogelijk alle inlichtingen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de taak met betrekking tot de basisregistratie.

Artikel 2.36

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan overheidsorganen verplichtingen worden opgelegd tot het verschaffen aan het college van burgemeester en wethouders van de gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder a, onderdelen 11° en 12°.

Artikel 2.37

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de verplichtingen bedoeld in deze paragraaf moet worden voldaan.

§ 5. De verplichtingen van de burger

Artikel 2.38

1.

Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, meldt zich uiterlijk op de vijfde dag na de aanvang van zijn verblijf in persoon bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres en meldt hij zich binnen de gestelde termijn bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.

2.

Hij doet in de aangifte mededeling van de gegevens over zijn toekomstig verblijf in Nederland, over zijn adres in de gemeente en over het vorige verblijf buiten Nederland.

3.

Hij geeft bij de aangifte de inlichtingen en legt de geschriften over ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, legt hij een hem betreffend verhuisbericht over, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven.

4.

Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, doet aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid, op het moment dat hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 2.6.

5.

In een geval als bedoeld in het vierde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in dat lid bedoelde situatie is ingetreden.

6.

Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien:

  • a. het verblijf aanvangt door geboorte en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte,
  • b. de betrokkene behoort tot een categorie van personen als bedoeld in artikel 2.6, of
  • c. de betrokkene een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf geniet.

Artikel 2.39

1.

De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.

2.

Hij doet niet eerder aangifte dan vier weken vóór de beoogde datum van adreswijziging en niet later dan de vijfde dag na de adreswijziging. Hij doet in de aangifte mededeling van de datum van adreswijziging en van de gegevens over het nieuwe en het vorige adres.

3.

Indien een ingezetene geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.40

1.

Degene die zijn woonadres heeft in een instelling die is aangewezen op grond van het derde of het vierde lid kan, in afwijking van de artikelen 2.38, eerste lid, en 2.39, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.

2.

Een instelling wordt slechts aangewezen indien de aard van de instelling meebrengt, dat door opneming van het adres daarvan in de basisregistratie de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen onevenredig zou kunnen worden geschaad.

3.

Onze Minister kan categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft:

  • a. instellingen voor gezondheidszorg;
  • b. instellingen op het gebied van de kinderbescherming;
  • c. penitentiaire instellingen.
4.

Het college van burgemeester en wethouders kan een in de gemeente gevestigde instelling aanwijzen waarin beschermd wonen of opvang wordt verstrekt als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

5.

Het hoofd van een aangewezen instelling doet aan de betrokken personen tijdig schriftelijk mededeling van de mogelijkheid tot aangifte van een briefadres.

Artikel 2.41

1.

Voor zover het opnemen van een woonadres naar het oordeel van de burgemeester om veiligheidsredenen niet wenselijk is, kan de betrokkene in afwijking van artikel 2.38, eerste lid, en 2.39, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.

Artikel 2.42

Als briefadresgever kan worden gekozen:

  • a. een natuurlijke persoon die als ingezetene is ingeschreven;
  • b. een rechtspersoon die zijn zetel heeft in Nederland en die door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen om als briefadresgever in zijn gemeente op te treden.

Artikel 2.43

1.

De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.

2.

De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland.

3.

Ter uitvoering van het eerste lid verschijnt de ingezetene in persoon bij het college, indien:

  • a. niet alle ingezetenen met hetzelfde woonadres die echtgenoot, geregistreerde partner, levensgezel dan wel bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad zijn van de persoon die aangifte van vertrek doet, de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervullen; of
  • b. niet voor alle ingezetenen met hetzelfde woonadres die echtgenoot, geregistreerde partner, levensgezel dan wel bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad zijn van de persoon die aangifte van vertrek doet, de verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt vervuld.
4.

Een minderjarige verschijnt in persoon, tenzij alle ingezetenen, bedoeld in het derde lid, met hetzelfde woonadres als de minderjarige de verplichting, bedoeld in het eerste lid, vervullen of deze verplichting voor hen wordt vervuld.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent bijzondere gevallen waarin het eerste of vierde lid niet van toepassing is.

Artikel 2.44

De ingezetene brengt alle feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, zo spoedig mogelijk ter kennis aan het college van burgemeester en wethouders. Hij verstrekt aan het college, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

Artikel 2.45

1.

Degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en artikel 2.43, geeft op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de inlichtingen ter zake van zijn aangifte die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Deze verplichting is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het overleggen van geschriften. De betrokkene verschijnt hierbij desgevraagd in persoon.

2.

In de aangifte van een briefadres worden de redenen voor de aangifte van een briefadres medegedeeld. Bij de aangifte wordt een schriftelijke verklaring van instemming gevoegd van de briefadresgever.

3.

De briefadresgever draagt zorg dat voor de houder van het briefadres bestemde geschriften of inlichtingen daarover, aan hem worden doorgegeven of medegedeeld.

4.

De briefadresgever verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, ter zake van dat briefadres de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met vierde lid.

Artikel 2.46

De ingezetene verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

Artikel 2.47

Degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43, verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en legt de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.

Artikel 2.48

De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 tot en met 2.47, rusten op:

  • a. ouders, voogden en verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar;
  • b. ouders, voogden en verzorgers voor inwonende minderjarigen van 16 jaar of ouder, tenzij de minderjarige zelf de verplichting vervult;
  • c. curatoren voor onder curatele gestelden.

Artikel 2.49

1.

De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.39 en 2.44 tot en met 2.46, kunnen worden vervuld door:

  • a. de ouder en zijn meerderjarige kind, indien beiden hetzelfde woonadres hebben, voor elkaar;
  • b. echtgenoten dan wel geregistreerde partners die hetzelfde woonadres hebben, voor elkaar;
  • c. elke meerderjarige voor een persoon die hem daartoe schriftelijk gemachtigd heeft;
  • d. het hoofd van een instelling voor gezondheidszorg voor een in die instelling verblijvende persoon die wegens de toestand van zijn gezondheid niet in staat kan worden geacht aan zijn verplichtingen te voldoen of een machtiging daartoe te geven, dan wel de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel of de bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad van een zodanig persoon, onder overlegging van een schriftelijke verklaring ter zake van het hoofd van de desbetreffende instelling.
2.

In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, kan het college van burgemeester en wethouders de vertegenwoordigde overeenkomstig de genoemde artikelen oproepen om in persoon te verschijnen tot het verstrekken van inlichtingen.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.38 vermelde verplichtingen voor zover het bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen betreft. De maatregel bepaalt tevens de gevallen waarin kan worden afgeweken van de in dat artikel vermelde verplichting om zich in persoon te melden bij het college van burgemeester en wethouders. De maatregel bepaalt slechts gevallen waarin er om zwaarwegende redenen van kan worden afgezien dat de betrokkene zelf de verplichtingen vervult en zich daartoe in persoon meldt bij het college.

4.

Het eerste lid, onderdelen a, b en d, en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 2.43 vermelde verplichting, met dien verstande dat, behoudens bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, een ouder en zijn meerderjarige kind en echtgenoten dan wel geregistreerde partners voor elkaar slechts de aangifteplicht kunnen vervullen, indien:

  • a. zij die verplichting ook voor zichzelf vervullen, en
  • b. alle andere ingezetenen met hetzelfde woonadres die echtgenoot, geregistreerde partner, levensgezel dan wel bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad zijn die verplichting vervullen of die verplichting voor hen wordt vervuld.

De tweede en derde volzin van het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt met betrekking tot de verplichtingen, vermeld in artikel 2.39, onder woonadres het nieuwe woonadres verstaan.

Artikel 2.50

Het hoofd van een instelling of bedrijf waar personen verblijf plegen te houden, de instellingen, bedoeld in artikel 2.40 daaronder begrepen, verstrekt, indien de instelling of het bedrijf ter zake door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen, op door het college te bepalen tijdstippen aan het college de door het college gevraagde inlichtingen over de personen die naar redelijke verwachting in de instelling of het bedrijf voor onbepaalde tijd verblijf zullen houden dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zullen overnachten.

Artikel 2.51

De echtgenoot, de geregistreerde partner en andere nabestaanden tot en met de tweede graad van een ingezetene die in het buitenland is overleden, verstrekken op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene is ingeschreven, aan het college, voor zover mogelijk, de inlichtingen over dat overlijden en leggen de geschriften over die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.

Artikel 2.52

1.

Degene die ter uitvoering van ingevolge deze paragraaf op hem rustende verplichtingen in persoon bij het college van burgemeester en wethouders verschijnt, legt desgevraagd met het oog op de vaststelling van zijn identiteit een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht over.

2.

De in artikel 2.48 bedoelde ouders, voogden, verzorgers en curatoren van minderjarigen of onder curatele gestelden, laten desgevraagd de minderjarige of de onder curatele gestelde met het oog op de vaststelling van de identiteit verschijnen bij het college van burgemeester en wethouders en leggen desgevraagd een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in het eerste lid over.

§ 6. De rechten van de burger

Artikel 2.53

1.

Een verzoek als bedoeld in deze paragraaf wordt gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente.

2.

Een verzoek als bedoeld in artikel 2.55 kan ook worden gericht aan het college van enige andere gemeente in Nederland.

3.

Een verzoek als bedoeld in artikel 2.55 kan ook worden gericht aan Onze Minister. In dat geval treedt Onze Minister voor de toepassing van artikel 2.55 in de plaats van het college van burgemeester en wethouders en wordt het verzoek gedaan door tussenkomst van een inschrijfvoorziening.

Artikel 2.54

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)