Wet van 3 juli 2013 houdende nieuwe regels voor een basisregistratie personen (Wet basisregistratie personen)
Het college van burgemeester en wethouders zendt binnen vier weken na een inschrijving als bedoeld in de artikelen 2.3 en 2.4, alsmede binnen vier weken nadat een ingeschrevene die geen ingezetene was ingezetene is geworden, aan de ingeschrevene in begrijpelijke vorm een volledig overzicht van zijn persoonslijst.
Bij minderjarigen jonger dan 16 jaar en bij onder curatele gestelden geschiedt de toezending aan de ouders, voogden of verzorgers, onderscheidenlijk aan de curator.
De in de artikelen 13 en 14 van de verordening bedoelde informatie wordt medegedeeld bij de toezending van de persoonslijst. In aanvulling op deze informatie wordt tegelijkertijd mededeling gedaan van de hoofdlijnen van de ter zake van de basisregistratie geldende regels die niet in de verordening zijn opgenomen, de regels betreffende de rechten van de ingeschrevene en de wijze waarop rechten van de ingeschrevene in overeenstemming met artikel 23 van de verordening zijn beperkt.
Degene die aangifte van verblijf en adres doet, wordt bij die gelegenheid schriftelijk op de hoogte gesteld van het recht, bedoeld in artikel 2.59.
Artikel 2.55
Het college van burgemeester en wethouders voldoet binnen vier weken aan het verzoek van eenieder die het recht van inzage, bedoeld in artikel 15 van de verordening, uitoefent.
De verzoeken, bedoeld in het eerste lid, worden gedaan door:
- a. ouders, voogden of verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar;
- b. curatoren voor onder curatele gestelden.
De kopie van de persoonsgegevens, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de verordening, kan desgewenst worden gewaarmerkt.
Het college draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.
Artikel 2.56
Het college van burgemeester en wethouders neemt op schriftelijk verzoek van de daartoe krachtens artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bevoegde ingeschrevene binnen vier weken kosteloos op zijn persoonslijst de gegevens op over het gebruik van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner.
Het college doet van de opneming van de gegevens terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker.
Artikel 2.57
Het college van burgemeester en wethouders verwijdert op schriftelijk verzoek van een adoptiefkind van 16 jaar of ouder, binnen vier weken kosteloos van de persoonslijst van het adoptiefkind, de vóór de adoptie geldende algemene gegevens voor zover het betreft:
- a. gegevens over de naam;
- b. gegevens over één of beide ouders;
- c. gegevens over de bij de adoptie verloren nationaliteit;
- d. gegevens over de bijhoudingsgemeente en het adres in die gemeente alsmede over het verblijf in Nederland en het vertrek uit Nederland.
Het college verwijdert op schriftelijk verzoek van de ouder met wie door een uitspraak van adoptie de familierechtelijke betrekkingen tot een kind zijn verbroken, binnen vier weken kosteloos van de persoonslijst van die ouder de algemene gegevens over dat kind.
Het college verwijdert op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene binnen vier weken kosteloos van zijn persoonslijst de algemene gegevens die zijn gewijzigd in verband met een wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte van de ingeschrevene, voor zover deze gegevens golden vóór de wijziging en het betreft:
- a. gegevens over de naam;
- b. gegevens over het geslacht;
- c. gegevens over het gebruik van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner.
Het college verwijdert op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, binnen vier weken kosteloos van zijn persoonslijst de algemene gegevens over de naam en het geslacht van een ouder, een echtgenoot of een geregistreerde partner, een eerdere echtgenoot of een eerdere geregistreerde partner of het algemeen gegeven over de naam van het kind van de ingeschrevene, die zijn gewijzigd in verband met een wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte van de ouder, echtgenoot, geregistreerde partner, eerdere echtgenoot, eerdere geregistreerde partner of het kind dan wel die golden voorafgaand aan die wijziging.
Artikel 2.55, vierde lid, is van toepassing op een verzoek als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. Op een verzoek als bedoeld in het derde of vierde lid is bovendien artikel 2.55, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Het college doet van de verwijdering terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker.
Artikel 2.58
Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.
Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.
Het college voldoet binnen vier weken aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en kan de termijn, voor zover noodzakelijk, met telkens acht weken verlengen, indien het verzoek gegevens over de burgerlijke staat of de nationaliteit betreft. Het college doet terstond mededeling van de verlenging aan de verzoeker.
Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het college van burgemeester en wethouders doet van de uitvoering van het verzoek terstond mededeling aan de verzoeker.
Artikel 2.59
Het college van burgemeester en wethouders vermeldt op schriftelijk verzoek van de betrokkene kosteloos op zijn persoonslijst een aantekening omtrent het niet verstrekken van gegevens aan derden. Het college geeft binnen vier weken gevolg aan het verzoek en doet daarvan terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de geldende regels ter zake. Indien het verzoek bij gelegenheid van een aangifte van verblijf en adres wordt gedaan, wordt aan dat verzoek bij die gelegenheid gevolg gegeven.
Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.60
Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:
- a. aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven;
- b. een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken;
- c. een gegeven over de nationaliteit niet op te nemen;
- d. ambtshalve over te gaan tot inschrijving, of tot opneming van gegevens in het geval dat inschrijving of opneming op grond van een aangifte had moeten geschieden;
- e. ambtshalve over te gaan tot verbetering, aanvulling of verwijdering van een algemeen gegeven;
- f. bij een opgenomen algemeen gegeven een aantekening over de onjuistheid van dat gegeven of over de strijdigheid daarvan met de Nederlandse openbare orde te plaatsen;
- g. niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 2.55 tot en met 2.59,
wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2.61
Indien de rechter het beroep, ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 2.60, gegrond verklaart met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onderdeel b, of vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, doet hij dat met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.
Voor zover een besluit als bedoeld in artikel 2.60 het Nederlanderschap betreft, kan de betrokkene zich uitsluitend wenden tot de rechtbank Den Haag met een verzoek als bedoeld in artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Voor zover een besluit als bedoeld in artikel 2.60 het niet-bezitten van enige nationaliteit betreft, kan de betrokkene zich uitsluitend wenden tot de rechtbank Den Haag met een verzoek als bedoeld in artikel 2 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid.
Afdeling 2. Niet-ingezetenen
§ 1. Algemeen
Artikel 2.62
In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een aangewezen bestuursorgaan: een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 2.65, voor zover het betreft de taken en gevallen waar de in dat artikel bedoelde aanwijzing betrekking op heeft.
Artikel 2.63
Deze afdeling is van toepassing op personen die niet als ingezetene of ingezetene van een openbaar lichaam in de basisregistratie zijn ingeschreven, met uitzondering van personen die op het moment van hun overlijden ingezetene of ingezetene van een openbaar lichaam waren.
In afwijking van het eerste lid worden geen gegevens opgenomen krachtens deze afdeling in een geval als bedoeld in artikel 2.1, derde lid.
De krachtens deze afdeling over een ingeschrevene opgenomen gegevens worden zodra hij ingezetene wordt opnieuw vastgesteld met inachtneming van de eerste afdeling van dit hoofdstuk.
De gegevens over het tijdelijk verblijfsadres en contactgegevens worden indien de ingeschrevene ingezetene wordt niet opnieuw vastgesteld.
Artikel 2.64
Onze Minister houdt in Nederland en in een of meerdere van de openbare lichamen voorzieningen in stand ten behoeve van de uitvoering van deze wet inzake:
- a. het inschrijven van niet-ingezetenen;
- b. het indienen van verzoeken van niet-ingezetenen aan Onze Minister.
Artikel 2.65
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen worden aangewezen die bevoegd zijn om Onze Minister een verzoek te doen als bedoeld in artikel 2.68, eerste lid, of een opgave als bedoeld in artikel 2.70, derde lid, onderdeel a. Bij de maatregel wordt bepaald op welke taken van het bestuursorgaan de aanwijzing betrekking heeft. Daarbij kan tevens bepaald worden op welke gevallen de aanwijzing betrekking heeft.
Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan ook betrekking hebben op bestuursorganen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES.
§ 2. De inschrijving
Artikel 2.66
Onze Minister schrijft een persoon in de basisregistratie in op grond van een verzoek als bedoeld in artikel 2.67 of artikel 2.68.
Inschrijving geschiedt niet als de betrokkene reeds in de basisregistratie is ingeschreven.
Artikel 2.67
Eenieder kan Onze Minister verzoeken om hem in te schrijven in de basisregistratie. Een dergelijk verzoek kan, waar het gaat om de inschrijving van minderjarigen jonger dan 16 jaar, worden gedaan door ouders, voogden of verzorgers.
Bij zijn verzoek legt de betrokkene ten minste de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen bescheiden ten behoeve van een juiste inschrijving over.
Onze Minister gaat niet over tot inschrijving dan nadat de betrokkene ten behoeve van de vaststelling van zijn identiteit in persoon bij de inschrijfvoorziening is verschenen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen van de verschijning in persoon kan worden afgezien.
Onze Minister gaat niet over tot inschrijving dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.
Onze Minister gaat niet over tot inschrijving als de betrokkene op grond van de eerste of derde afdeling van dit hoofdstuk voor inschrijving in aanmerking komt.
Artikel 2.68
Een aangewezen bestuursorgaan kan Onze Minister verzoeken om een persoon in te schrijven in de basisregistratie.
Het bestuursorgaan verzoekt alleen om inschrijving als het zelf gegevens over de betrokkene verwerkt in verband met de uitoefening van zijn taak.
Het bestuursorgaan verzoekt niet om inschrijving dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld.
Het bestuursorgaan verzoekt niet om inschrijving als de betrokkene op grond van de eerste afdeling van dit hoofdstuk voor inschrijving in aanmerking komt.
§ 2. De inschrijving
Artikel 2.69
In de basisregistratie worden over de ingeschrevene uitsluitend de volgende gegevens opgenomen:
- a. algemene gegevens:
- 1°. gegevens over de burgerlijke staat waar het betreft de naam, de geboorte, het geslacht en het overlijden;
- 2°. gegevens over de nationaliteit, met dien verstande dat geen gegevens over een vreemde nationaliteit worden opgenomen naast gegevens over het Nederlanderschap of het feit dat de betrokkene als Nederlander wordt behandeld;
- 3°. gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling;
- 4°. gegevens over het woonadres;
- 5°. gegevens over het burgerservicenummer van de ingeschrevene;
- 6°. gegevens over het tijdelijk verblijfsadres;
- 7°. contactgegevens;
- b. administratieve gegevens:
- 1°. gegevens in verband met de inschrijving;
- 2°. gegevens over het niet-ingezetenschap;
- 3°. gegevens over de opgave van algemene gegevens die het aangewezen bestuursorgaan heeft gedaan of over het verzoek van de ingeschrevene om opneming van algemene gegevens;
- 4°. gegevens ter aanduiding van de bron waaruit algemene gegevens zijn verkregen, dan wel van de rechtsgrond krachtens welke algemene gegevens zijn opgenomen;
- 5°. gegevens ter aanduiding van de onjuistheid van een opgenomen algemeen gegeven of van strijd met de Nederlandse openbare orde van een opgenomen gegeven over de burgerlijke staat dan wel over een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede andere gegevens, noodzakelijk in verband met de bijhouding van de basisregistratie;
- 6°. gegevens over de beperking van de verstrekking van gegevens aan derden.
Artikel 2.7, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.70
Onze Minister neemt de gegevens over de burgerservicenummers op, overeenkomstig artikel 2.24.
Onze Minister neemt bij een inschrijving als bedoeld in artikel 2.67 de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen algemene gegevens op.
Onze Minister neemt in de overige gevallen algemene gegevens op:
- a. door ontlening aan een opgave van een aangewezen bestuursorgaan;
- b. op verzoek van de ingeschrevene;
- c. door ontlening aan een mededeling van de ambtenaar van de burgerlijke stand van een gemeente die in het onder hem ressorterende register melding heeft gemaakt van het overlijden van een ingeschrevene.
Onze Minister draagt zorg voor het opnemen van de administratieve gegevens die betrekking hebben op de algemene gegevens.
Artikel 2.71
Het aangewezen bestuursorgaan dat een opgave doet als bedoeld in artikel 2.70, derde lid, onder a, geeft daarbij toepassing aan de artikelen 2.72 tot en met 2.75a.
Indien het bestuursorgaan op grond van een wet, een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie gehouden is de desbetreffende gegevens te ontlenen aan een opgave van een buitenlands orgaan, ontleent het bestuursorgaan deze gegevens aan die opgave.
Indien Onze Minister gegevens opneemt, anders dan door ontlening aan een opgave van een aangewezen bestuursorgaan, geeft hij daarbij toepassing aan de artikelen 2.72 tot en met 2.75a.
Artikel 2.72
De gegevens over de burgerlijke staat worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 2.8 en 2.10.
Artikel 2.73
De gegevens over de nationaliteit worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 2.14 en 2.15.
Artikel 2.74
De gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling worden ontleend aan de gegevens die Onze Minister van Justitie en Veiligheid daarover tot zijn beschikking heeft.
Artikel 2.75
De gegevens over het woonadres en de gegevens over het tijdelijk verblijfsadres worden ontleend aan een opgave van de ingeschrevene.
Indien aannemelijk is dat een gegeven in de opgave onjuist is, wordt het gegeven niet aan de opgave ontleend.
Als de ingeschrevene geen opgave heeft gedaan of aannemelijk is dat de opgave onjuiste gegevens bevat, kunnen de gegevens ambtshalve worden vastgesteld.
Artikel 2.76
Omtrent de vaststelling dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede omtrent de omstandigheid dat de ingeschrevene geen ingezetene is, wordt een aantekening geplaatst bij de desbetreffende gegevens.
§ 4. Overige bepalingen
Artikel 2.77
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 2.68 en een opgave als bedoeld in artikel 2.70, derde lid, worden gedaan en omtrent de informatie die daarbij wordt overgelegd.
Artikel 2.78
Een aangewezen bestuursorgaan doet alleen een opgave als bedoeld in artikel 2.70, derde lid, onder a, voor zover het zelf de desbetreffende gegevens verwerkt in verband met de uitoefening van zijn taak. Als het bestuursorgaan bij die uitoefening de beschikking krijgt over gegevens over een ingeschrevene, die door middel van een dergelijke opgave kunnen leiden tot bijhouding van de basisregistratie, doet het bestuursorgaan opgave aan Onze Minister.
Indien bij een algemeen gegeven een aantekening is geplaatst omtrent een onderzoek naar de onjuistheid of strijdigheid met de openbare orde, bevordert een aangewezen bestuursorgaan de goede vaststelling van het gegeven, voor zover het bestuursorgaan zelf het gegeven verwerkt in verband met de uitoefening van zijn taak.
De ambtenaar van de burgerlijke stand doet de mededeling, bedoeld in artikel 2.70, derde lid, onder c, terstond aan Onze Minister.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het eerste, tweede en derde lid.
Artikel 2.79
De persoon die aan Onze Minister een verzoek als bedoeld in deze afdeling richt, doet dit door tussenkomst van een inschrijfvoorziening.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de indiening van een verzoek als bedoeld in het eerste lid en de informatie die daarbij wordt overgelegd.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de door de verzoeker verschuldigde rechten wegens handelingen ter uitvoering van het verzoek. Rechten kunnen slechts worden geheven voor zover de handelingen niet kosteloos moeten worden verricht.
Artikel 2.80
Indien Onze Minister in verband met het opnemen van gegevens in de basisregistratie over een persoon aan de betrokkene verzoekt om een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht met het oog op de vaststelling van diens identiteit, is de betrokkene verplicht een dergelijk op hem betrekking hebbend document over te leggen.
Artikel 2.81
Onze Minister stelt binnen vier weken na een inschrijving als bedoeld in artikel 2.66 aan de ingeschrevene in begrijpelijke vorm een volledig overzicht ter beschikking van zijn persoonslijst.
Onze Minister vermeldt op schriftelijk verzoek van de betrokkene op zijn persoonslijst kosteloos een aantekening omtrent beperking van de verstrekking van gegevens aan derden. Onze Minister geeft binnen vier weken gevolg aan het verzoek en doet daarvan terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de geldende regels ter zake.
De artikelen 2.54, tweede en derde lid, 2.55, 2.56a, vierde lid, 2.57, 2.58, 2.58a, 2.60 en 2.61 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van niet-ingezetenen met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van het college van burgemeester en wethouders en dat voor de toepassing van artikel 2.60, onderdeel a, voor «aangifte» wordt gelezen: verzoek.
Een verzoek als bedoeld in artikel 2.55 kan ook worden gericht aan het college van burgemeester en wethouders van enige gemeente in Nederland.
Op een verzoek als bedoeld in artikel 2.53, derde lid, is artikel 2.79, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. De verstrekking van gegevens uit de basisregistratie
Afdeling 1. De verstrekking aan overheidsorganen en derden
§ 1. De verstrekking door Onze Minister
Artikel 3.1
Deze paragraaf is van toepassing op de systematische verstrekking van gegevens uit de basisregistratie.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld welke verstrekkingen systematische verstrekkingen zijn en worden nadere regels gesteld over deze verstrekkingen.
Artikel 3.2
Onze Minister verstrekt gegevens aan een overheidsorgaan, voor zover dit is bepaald in een besluit van Onze Minister.
Onze Minister neemt het besluit op verzoek van het overheidsorgaan. Het verzoek bevat de gronden voor de verstrekking en de gegevens waarop het verzoek betrekking heeft.
Bij de bepaling van de gegevens die worden verstrekt, worden de gegevens opgenomen die in het verzoek zijn vermeld voor zover het overheidsorgaan aantoont dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van zijn taak.
Bij het besluit wordt in ieder geval bepaald over welke categorieën van personen gegevens worden verstrekt, welke gegevens het betreft en in welke gevallen gegevens worden verstrekt.
Aan het besluit kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden in het belang van een zorgvuldige en doelmatige gegevensverstrekking.
Onze Minister maakt het besluit bekend in de Staatscourant.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de indiening van het verzoek en de bekendmaking van het besluit.
Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid weigeren te nemen of het besluit intrekken, indien de gevraagde gegevensverstrekking zodanig is dat verstrekking op grond van paragraaf 2 aangewezen is.
Indien een overheidsorgaan verschillende taken uitoefent waarvoor gegevens worden gevraagd, kan Onze Minister bij het besluit de verschillende taken in aanmerking nemen.
Artikel 3.3
Bij algemene maatregel van bestuur worden door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang aangewezen, ten behoeve waarvan gegevens uit de basisregistratie kunnen worden verstrekt. De maatregel bepaalt tevens de categorieën van derden die voor de verstrekking in aanmerking komen en bepaalt of artikel 3.21 op de verstrekking van toepassing is. De maatregel kan beperkingen bevatten ten aanzien van de gegevens die kunnen worden verstrekt.
Bij de maatregel worden slechts werkzaamheden aangewezen die samenhangen met een overheidstaak, strekken tot het in stand houden van een voorziening voor burgers die onderwerp is van overheidszorg, of waarbij anderszins gelet op de overheidsbemoeienis met die werkzaamheden, ondersteuning daarvan door gegevensverstrekking uit de basisregistratie gerechtvaardigd is.
Artikel 3.2 is van overeenkomstige toepassing.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 4. Overige bepalingen
Artikel 3.4
Deze paragraaf is van toepassing op de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie, anders dan de systematische verstrekking, bedoeld in paragraaf 1.
Krachtens deze paragraaf kunnen gegevens worden verstrekt over alle ingeschrevenen.
Artikel 3.5
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt op verzoek van een overheidsorgaan aan hem gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van zijn taak.
Het verzoek bevat de gronden voor de verstrekking.
Voor zover krachtens het bepaalde in deze paragraaf gegevens kunnen worden verstrekt, wordt op verzoek een gewaarmerkt afschrift van de in het verzoek aangewezen gegevens verstrekt.
Het college weigert het verzoek indien de gevraagde gegevensverstrekking zodanig is dat verstrekking op grond van paragraaf 1 aangewezen is. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent gevallen waarin het college het verzoek moet weigeren.
Artikel 3.6
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt op verzoek van een derde aan hem gegevens voor zover:
- a. het gebruik van die gegevens is voorgeschreven in een algemeen verbindend voorschrift,
- b. de derde voorafgaande schriftelijke toestemming heeft van de ingeschrevene over wie gegevens worden verstrekt, of
- c. de verstrekking in overeenstemming is met het tweede lid.
Bij algemene maatregel van bestuur worden door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang aangewezen, ten behoeve waarvan gegevens uit de basisregistratie kunnen worden verstrekt. De maatregel bepaalt tevens de categorieën van derden die voor de verstrekking in aanmerking komen en bepaalt of artikel 3.21 op de verstrekking van toepassing is. De maatregel kan beperkingen bevatten ten aanzien van de gegevens die kunnen worden verstrekt.
Artikel 3.3, tweede lid en artikel 3.5, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§ 2. De verstrekking door de colleges van burgemeester en wethouders
Artikel 3.7
Deze paragraaf is van toepassing op de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie door het college van burgemeester en wethouders, anders dan de verstrekking, bedoeld in paragraaf 2.
Krachtens deze paragraaf worden uitsluitend gegevens verstrekt over ingeschrevenen ten aanzien van wie het college op grond van artikel 1.4 verantwoordelijk is voor de bijhouding van de persoonslijst.
Artikel 3.8
Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels gesteld worden omtrent de verstrekking van gegevens aan overheidsorganen die een orgaan zijn van de gemeente.
Aan een overheidsorgaan worden slechts gegevens verstrekt voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van zijn taak.
Artikel 3.9
Op verzoek van een derde kunnen aan hem gegevens worden verstrekt voor zover daarin is voorzien bij gemeentelijke verordening en voor zover:
- a. de derde voorafgaande schriftelijke toestemming heeft van de ingeschrevene over wie gegevens worden verstrekt, of
- b. de verstrekking in overeenstemming is met het tweede lid.
Bij gemeentelijke verordening kunnen door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang voor de gemeente worden aangewezen, ten behoeve waarvan gegevens uit de basisregistratie kunnen worden verstrekt. De verordening bepaalt tevens de categorieën van derden die voor de verstrekking in aanmerking komen. De verordening staat slechts verstrekking toe voor zover deze noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de derde en het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de ingeschrevene niet aan de verstrekking in de weg staan.
Aan een overheidsorgaan van, dan wel een persoon of organisatie gevestigd in een land buiten de Europese Unie worden slechts gegevens verstrekt overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, indien een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie in de verstrekking van die gegevens voorziet.
De verstrekking kan uitsluitend betrekking hebben op algemene gegevens over de naam, het geslacht, de geslachtsnaam van de echtgenoot dan wel geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of eerdere geregistreerde partner, het gebruik door de ingeschrevene van de geslachtsnaam van de echtgenoot dan wel geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of eerdere geregistreerde partner, het adres, de bijhoudingsgemeente, de geboortedatum en de datum van overlijden.
Artikel 3.3, tweede lid en artikel 3.5, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 1. De verstrekking door Onze Minister
Artikel 3.10
Voor zover een algemeen gegeven wordt verstrekt waarbij een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 2.26, 2.59, 2.76 of 2.81, tweede lid, wordt dat gegeven uitsluitend verstrekt onder mededeling van die aantekening.
De verstrekking van algemene gegevens die zijn opgenomen krachtens artikel 2.70, tweede of derde lid, geschiedt met de mededeling van de bron waaruit de gegevens zijn verkregen, dan wel van de rechtsgrond krachtens welke de gegevens zijn opgenomen. Indien de gegevens zijn opgenomen krachtens artikel 2.70, derde lid, onder a, wordt tevens medegedeeld welk bestuursorgaan de opgave heeft gedaan.
Artikel 3.11
Het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de verstrekking van gegevens houdt gedurende twintig jaren volgend op de verstrekking aantekening van de verstrekking.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald van welke verstrekkingen geen aantekening wordt gehouden in verband met de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing of vervolging van strafbare feiten.
Artikel 3.12
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de verstrekking van algemene en administratieve gegevens aan een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in een basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie aan een daarbij aangewezen autoriteit in een van de openbare lichamen, Aruba, Curaçao of Sint Maarten voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de bij of krachtens een rijkswet aan de desbetreffende autoriteit opgedragen taak.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie aan autoriteiten in een van de openbare lichamen, Aruba, Curaçao of Sint Maarten voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van bij of krachtens de maatregel aangewezen andere taken dan bedoeld in het eerste en tweede lid waarmee zij op grond van de voor hen geldende wetgeving zijn belast.
Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het tweede of derde lid worden regels gesteld omtrent de vaststelling van de kosten in verband met de verstrekking van de gegevens en de wijze waarop deze kosten dienen te worden vergoed.
Indien op grond van het eerste, tweede of derde lid een regeling wordt getroffen omtrent de systematische verstrekking van gegevens is artikel 3.2 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.13
Een andere verstrekking uit de basisregistratie dan die bedoeld in de paragrafen 1, 2 of 3 of in artikel 3.12 is slechts toegestaan voor zover daarin is voorzien bij algemene maatregel van bestuur en voor zover:
- a. de verstrekking plaatsvindt voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden;
- b. de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig wordt geschaad;
- c. door de ontvanger van de gegevens de nodige voorzieningen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat de verdere verwerking uitsluitend geschiedt ten behoeve van de onder a genoemde doeleinden.
Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verstrekking en de wijze waarop deze plaatsvindt.
Artikel 3.14
Onze Minister kan aan een overheidsorgaan of aan een derde informatie ter beschikking stellen die is verkregen door bewerking van gegevens uit de basisregistratie. Het betreft uitsluitend informatie die niet herleidbaar is tot gegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare ingeschrevene.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het ter beschikking stellen van informatie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.15
Indien op grond van artikel 15, derde lid, van de verordening in samenhang met artikel 2.55, derde lid, dan wel artikel 3.5, derde lid, 3.6, derde lid, of 3.9, vijfde lid, een gewaarmerkt afschrift wordt verstrekt van gegevens ten aanzien van een vreemdeling op wiens persoonslijst geen actuele gegevens zijn opgenomen in verband met het verblijfsrecht, wordt hiervan mededeling gedaan op dat afschrift.
Artikel 3.16
Een derde kan bij het verwerken van persoonsgegevens gebruikmaken van het burgerservicenummer voor zover dit noodzakelijk is in verband met de juiste verstrekking van gegevens aan hem uit de basisregistratie.
Artikel 3.17
De verstrekking van gegevens op grond van de artikelen 3.2, 3.3 en 3.13 geschiedt kosteloos, onverminderd het bepaalde in artikel 1.14.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het ter beschikking stellen van informatie, bedoeld in artikel 3.14.
Andere verstrekkingen aan een overheidsorgaan en verstrekkingen op grond van artikel 3.12 geschieden kosteloos.
Artikel 3.18
Een beslissing op grond van deze afdeling omtrent het verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van informatie wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Afdeling 2. De rechten van de burger
Artikel 3.19
Een verzoek als bedoeld in de artikelen 3.22 en 3.23 kan worden gericht aan het college van burgemeester en wethouders van enige gemeente.
Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan ook worden gericht aan Onze Minister. In dat geval treedt Onze Minister voor de toepassing van de artikelen 3.22 en 3.23 in de plaats van het college en wordt het verzoek gedaan door tussenkomst van een inschrijfvoorziening.
Een verzoek als bedoeld in artikel 3.22a, eerste lid, wordt elektronisch gericht aan Onze Minister zonder tussenkomst van een inschrijfvoorziening.
Artikel 3.20
De verstrekking aan de betrokkene van hem betreffende gegevens geschiedt ingevolge artikel 15 van de verordening, in samenhang met artikel 2.55 of in samenhang met de artikelen 2.81 en 2.55.
Artikel 3.21
Indien op de persoonslijst een aantekening omtrent beperking van de verstrekking van gegevens aan derden is vermeld, worden geen gegevens van de persoonslijst verstrekt op grond van:
- a. de artikelen 3.3 en 3.6, voor zover de beperking van de verstrekking van toepassing is;
- b. artikel 3.9.
In afwijking van het eerste lid verstrekt het college van burgemeester en wethouders gegevens op grond van artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en c, indien de persoonlijke levenssfeer daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
Het college maakt een beschikking, waarmee het toepassing geeft aan het tweede lid, terstond bekend aan de betrokkene. Het geeft geen uitvoering aan de beschikking binnen een bij die beschikking gestelde termijn.
Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het college neemt passende maatregelen om ten minste eens per jaar aan de ingezetenen het recht, bedoeld in het eerste lid, bekend te maken. De bekendmaking vindt plaats via één of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze.
Artikel 3.22
Het college van burgemeester en wethouders deelt binnen vier weken aan de betrokkene in verband met de uitoefening van het recht van inzage, bedoeld in artikel 15 van de verordening, op diens verzoek mede of gegevens die de betrokkene betreffen gedurende de periode van twintig jaren voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt uit de basisregistratie aan een overheidsorgaan of derde.
Het college voldoet niet aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, voor zover:
- a. van de verstrekking geen aantekening is gehouden krachtens artikel 3.11, tweede lid; of
- b. dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat of de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan nader worden geregeld in welke gevallen toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onderdeel b.
Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.23
Het college van burgemeester en wethouders doet op schriftelijk verzoek van de betrokkene, indien op grond van het verzoek, bedoeld in de artikelen 2.57 en 2.58, een besluit als bedoeld in artikel 2.60, dan wel de uitspraak van de rechter, bedoeld in artikel 2.61, ten aanzien van hem gegevens zijn verbeterd, aangevuld of verwijderd, van de wijziging mededeling aan overheidsorganen en derden aan wie gedurende twintig jaren voorafgaand aan het verzoek en in de sedert dat verzoek verstreken tijd, de desbetreffende gegevens zijn verstrekt, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.
Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan de betrokkene aan het college richten tot uiterlijk acht weken nadat hij van de wijziging kennis heeft kunnen nemen.
Het college doet aan de verzoeker desgevraagd opgave van degenen aan wie de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan. Artikel 3.22, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien gegevens ten aanzien van de betrokkene zijn verbeterd, aangevuld of verwijderd op grond van een verzoek als bedoeld in artikel 2.81 in samenhang met de artikelen 2.57, 2.58, 2.60 en 2.61.
Artikel 3.24
Een beslissing op een verzoek als bedoeld in deze afdeling wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 4. Toezicht, overgangs-, straf- en slotbepalingen
Afdeling 1. Toezicht, onderzoek en informatieverstrekking
Artikel 4.1
De artikelen 14 tot en met 21 en 38 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming zijn van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van de taken en bevoegdheden van de Autoriteit persoonsgegevens in het kader van deze wet.
De artikelen 124 en 268 van de Gemeentewet blijven buiten toepassing ten aanzien van het toezicht op het college van burgemeester en wethouders inzake de uitvoering van de hoofdstukken 2 en 3.
Artikel 4.2
Het college van burgemeester en wethouders wijst ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger ingevolge hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 5.
Artikel 4.3
Het college van burgemeester en wethouders verricht periodiek een onderzoek naar de inrichting, de werking en de beveiliging van de basisregistratie, alsmede naar de verwerking van gegevens in de basisregistratie, voor zover het de gemeentelijke voorziening betreft of het college verantwoordelijk is voor de bijhouding.
Het college van burgemeester en wethouders zendt periodiek een uittreksel van de resultaten van het onderzoek aan de Autoriteit persoonsgegevens.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op Onze Minister met dien verstande dat het onderzoek betrekking heeft op de centrale voorzieningen.
Het college van burgemeester en wethouders zendt periodiek een uittreksel van de resultaten van het onderzoek aan Onze Minister ten behoeve van een landelijk beeld van de in het eerste lid bedoelde aspecten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de periodiciteit en de uitvoering van de onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, en de periodiciteit van de in het tweede en vierde lid bedoelde verzendingen en de inhoud van de in die leden bedoelde uittreksels.
Afdeling 2. De rechten van de burger
§ 1. De oude registers
Artikel 4.4
Het college van burgemeester en wethouders is ten behoeve van de uitvoering van deze wet tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens in het persoonsregister, bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid bedoelde verwerking van persoonsgegevens. Daarbij kan worden bepaald dat het persoonsregister op een andere wijze dan in de vorm van persoonskaarten, bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding, kan worden aangehouden en kan de vernietiging van de persoonskaarten worden geregeld.
Uit het persoonsregister worden geen andere gegevens verstrekt dan:
- a. gegevens als bedoeld in artikel 2.7;
- b. gegevens uit vak 23 van de persoonskaart.
Op de verstrekking, bedoeld in het derde lid, is hoofdstuk 3, met uitzondering van de artikelen 3.1 tot en met 3.3, van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 2.53, eerste lid, 2.55 en 2.57 tot en met 2.61 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.5
Onze Minister is ten behoeve van de uitvoering van deze wet tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens in het persoonskaartenarchief en het schakelregister, bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding.
Onze Minister kan de verantwoordelijkheid voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid, overdragen aan het college van burgemeester en wethouders van een gemeente. De overdracht geschiedt slechts na instemming van dat college.
Ten aanzien van het persoonskaartenarchief is artikel 4.4, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van het schakelregister is artikel 4.4, tweede, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.6
Onze Minister, of het in artikel 4.5, tweede lid, bedoelde college van burgemeester en wethouders, verstrekt op verzoek van het college dat een persoon inschrijft van wie in het persoonskaartenarchief een persoonskaart is opgenomen, de gegevens die zijn vermeld op de desbetreffende persoonskaart. Deze gegevens blijven berusten bij het college waaraan ze zijn verstrekt, waarbij artikel 4.4 van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 4.7
Er is een centraal archief van overledenen, bestaande uit de persoonskaarten, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van het Besluit bevolkingsboekhouding.
Onze Minister is verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens in het centraal archief van overledenen, bedoeld in het eerste lid. Hij treft een regeling ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Artikel 4.8
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent heffingen in verband met de verstrekking van gegevens uit de hierna genoemde registraties, voor zover Onze Minister verantwoordelijk is voor de verwerking van persoonsgegevens in deze registraties:
- a. het persoonskaartenarchief;
- b. het schakelregister;
- c. het centraal archief van overledenen.
Op grond van de in het eerste lid bedoelde regels kunnen uitsluitend heffingen ingesteld worden in verband met de verstrekking van gegevens aan derden, anders dan de verstrekking overeenkomstig artikel 3.3, en in verband met de verstrekking aan de betrokkene van hem betreffende gegevens.
§ 1. De oude registers
Artikel 4.9
Naast de in artikel 2.7 bedoelde algemene gegevens worden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum over de op grond van hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 2 ingeschreven personen de volgende algemene gegevens opgenomen:
- a. het administratienummer van de ingeschrevene;
- b. de administratienummers van de ouders, de echtgenoot, de eerdere echtgenoten, de geregistreerde partner, de eerdere geregistreerde partners en de kinderen;
- c. de data waarop de onder a en b bedoelde nummers van kracht zijn geworden of beëindigd.
Naast de in artikel 2.69 bedoelde algemene gegevens worden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum over de op grond van hoofdstuk 2, afdeling 2, paragraaf 2 ingeschreven personen de volgende algemene gegevens opgenomen:
- a. het administratienummer van de ingeschrevene;
- b. de datum waarop het nummer van kracht is geworden of beëindigd.
Naast de in artikel 2.84 bedoelde algemene gegevens worden tot een bij Koninklijk Besluit te bepalen datum over de op grond van hoofdstuk 2, afdeling 3, paragraaf 2 ingeschreven personen de volgende algemene gegevens opgenomen:
- a. het administratienummer van de ingeschrevene;
- b. de datum waarop het nummer van kracht is geworden of beëindigd.
Tot de laatste van de in de aanhef van het eerste en tweede lid bedoelde data blijft artikel 50 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing. Tot dat moment wordt aan een niet-ingezetene die wordt ingeschreven in de basisregistratie een administratienummer toegekend. Daarbij is het hiervoor bedoelde artikel 50, eerste, tweede, derde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het nummer wordt toegekend door Onze Minister. Onze Minister neemt de gegevens, bedoeld in het tweede lid, op in de basisregistratie.
Een overheidsorgaan kan tot de in het vierde lid bedoelde datum bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van zijn taak gebruikmaken van het administratienummer.
Een derde kan tot de in het vierde lid bedoelde datum bij het verwerken van persoonsgegevens gebruikmaken van het administratienummer voor zover dit noodzakelijk is in verband met de juiste verstrekking aan hem van gegevens uit de basisregistratie.
Na de in het vierde lid bedoelde datum wordt het administratienummer niet meer gebruikt.
§ 2. Het gebruik van het administratienummer
Artikel 4.10
Een besluit als bedoeld in artikel 91, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldt na de inwerkingtreding van deze wet als een besluit als bedoeld in artikel 3.2.
Een besluit als bedoeld in artikel 99, zevende lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldt na de inwerkingtreding van deze wet als een besluit als bedoeld in artikel 3.3.
§ 2. Het gebruik van het administratienummer
Artikel 4.11
Een persoonslijst als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldt na de inwerkingtreding van deze wet als een persoonslijst als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel c, van deze wet.
§ 2. Het gebruik van het administratienummer
Artikel 4.12
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verwijderen en vernietigen van gegevens over een vreemde nationaliteit naast gegevens over het Nederlanderschap of het feit dat de betrokkene als Nederlander wordt behandeld. Daarbij kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.69.
§ 1. De oude registers
Artikel 4.13
Dit artikel is van toepassing op gevallen als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, met uitzondering van het geval dat de betrokkene op het moment van zijn overlijden ingezetene was.
De voormalige bijhoudingsgemeente doet aan Onze Minister een opgave van de gegevens die in de basisregistratie moeten worden opgenomen.
Onze Minister neemt de gegevens op door deze te ontlenen aan de in het tweede lid bedoelde opgave.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop een opgave wordt gedaan en de informatie die daarbij wordt overgelegd.
Dit artikel is van toepassing tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 4.14
Vervallen
§ 4. Persoonslijsten
Artikel 4.15
Een college van burgemeester en wethouders geeft uitvoering aan deze wet met behulp van de gemeentelijke voorziening waarmee uitvoering werd gegeven aan de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (de oude gemeentelijke voorziening) of met de gemeentelijke voorziening die is toegesneden op de basisregistratie personen (de nieuwe gemeentelijke voorziening).
De overgang van gemeenten van de oude naar de nieuwe voorzieningen geschiedt per gemeente of groep van gemeenten.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld in verband met de overgang, waaronder regels omtrent het tijdstip van de overgang. Bij deze regels kan worden afgeweken van de hoofdstukken 2 en 3 van deze wet, voor zover het betreft:
- a. de conversie van gegevens, indien een gemeente met een oude voorziening de bijhoudingsgemeente wordt;
- b. het doen van verzoeken als bedoeld in artikel 2.53 aan een ander dan de bijhoudingsgemeente;
- c. het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 2.59;
- d. het verstrekken van gegevens op grond van de artikelen 3.5 en 3.6 over personen waarvoor de gemeente niet de bijhoudingsgemeente is;
- e. het doen van verzoeken als bedoeld in artikel 3.19 aan een ander dan de bijhoudingsgemeente, en
- f. overige aspecten inzake de bijhouding en verstrekking van gegevens, voor zover de afwijking noodzakelijk is in verband met een goede bijhouding en verstrekking van de gegevens in de basisregistratie gedurende de overgang van de oude naar de nieuwe voorzieningen.
Artikel 4.16
Een overheidsorgaan waaraan of een derde aan wie systematisch gegevens worden verstrekt wisselt berichten uit met de centrale voorzieningen op de wijze waarop de berichtuitwisseling plaats vond onder de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (de oude berichtuitwisseling) of op de wijze die is toegesneden op de basisregistratie personen (de nieuwe berichtuitwisseling).
De overgang van de in het eerste lid bedoelde overheidsorganen of derden van de oude naar de nieuwe berichtuitwisseling geschiedt per overheidsorgaan of derde, of per groep van organen of derden. De overgang kan betrekking hebben op delen van de organisatie van het overheidsorgaan of de derde en op verschillende wijzen van systematische verstrekking.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)