Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 23 juni 2017, nr. 1214771 tot intrekking van toezichtkaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017
De organisatie en verantwoordelijkheidsverdeling dienen zodanig te zijn ingericht dat het stelsel van kwaliteitszorg ook daadwerkelijk van invloed is op de onderwijskwaliteit en die invloed bijvoorbeeld niet beperkt blijft tot bestuur of management. De verantwoordelijkheidsverdeling is neergelegd in de statuten en/of het bestuursreglement (artikel 9.1.4, artikel 9.1.7 en artikel 9.1.8 WEB).
KA2. Kwaliteitscultuur
Het bestuur en de opleiding kennen een professionele kwaliteitscultuur en functioneren transparant en integer.
Basiskwaliteit
4.7.3. omgevingsfactoren
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteitscultuur en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
4.7.4. Expertoordeel
Het bestuur dient in het bestuursverslag verantwoording af te leggen over hoe het omgaat met de Branchecode goed bestuur in het mbo (artikel 2.5.4 WEB), waaronder begrepen afwijkingen van deze code – ofwel het principe ‘pas toe of leg uit’. In de branchecode zijn diverse voorwaarden voor een transparante en integere bestuurscultuur neergelegd, die ook weer samenhangen met het functioneren van het stelsel van kwaliteitszorg (artikel 1.3.6 WEB).
4.1. Oordeelsvorming op drie niveaus
Het stelsel van kwaliteitszorg dient tot slot zodanig in de organisatie te zijn verankerd dat het daadwerkelijk van invloed is op de onderwijskwaliteit en die invloed bijvoorbeeld niet beperkt blijft tot bestuur of management. Dit houdt tevens in dat men op alle niveaus resultaatgericht werkt en aanspreekbaar is op gemaakte afspraken. Het onderwijskundig leiderschap is herkenbaar in de organisatie.
KA3. Verantwoording en dialoog
5.1. Jaarlijkse prestatieanalyse en vierjaarlijks onderzoek
Basiskwaliteit
4.3. Normering kwaliteitsgebieden
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van de verantwoording en dialoog, en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
5.2. Onderdelen vierjaarlijks onderzoek
De instelling dient een studentenraad, een ondernemingsraad, eventueel een ouderraad en een raad van toezicht te hebben (artikel 8a.1.2, artikel 8a.1.3 en artikel 9.1.4 WEB).87Dat de instelling een Ondernemingsraad moet hebben, volgt uit de Wet op de ondernemingsraden. Wel bevat de WEB in hoofdstuk 8a een aantal aanvullende eisen met betrekking tot de ondernemingsraad. Met betrekking tot de studentenraad en eventuele ouderraad dient de instelling daarbij de mogelijkheid tot een volwaardige, goed functionerende en effectieve medezeggenschap van studenten en eventueel ouders te faciliteren (artikel 8a.1.4, eerste lid, artikel 8a.2.1 en artikel 8a.2.2a WEB). Eenzelfde zorgplicht geldt jegens de raad van toezicht (artikel 9.1.4, vierde en vijfde lid en artikel 9.1.7, eerste lid, onder a, WEB).
Het functioneren van deze organen hangt ook samen met het functioneren van het stelsel van kwaliteitszorg en bijbehorende regelmatige beoordeling van de onderwijskwaliteit (artikel 1.3.6 WEB). Los van deze organen zullen ook andere (onafhankelijke) interne en externe deskundigen en belanghebbenden bij deze beoordeling moeten worden betrokken (artikel 1.3.6, eerste lid, WEB). De externe deskundigen dienen onder andere afkomstig te zijn uit het bedrijfsleven (o.a. gezien artikel 6.1.3, eerste lid, artikel 7.1.2, tweede lid, artikel 7.2.8 en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB).
De instelling maakt de uitkomsten van deze beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, openbaar (artikel 1.3.6, tweede lid, WEB). De instelling rapporteert hierover in het bestuursverslag (artikel 2.5.4 WEB). Ook de raad van toezicht levert hier een bijdrage aan en daarnaast ligt het voor de hand dat ook de examencommissie dat doet (artikel 1.3.6, tweede lid, artikel 2.5.4 en artikel 9.1.4, derde lid, onder g, WEB).
Kwaliteitsgebied Financieel beheer
We voeren een onderzoek uit bij opleidingen waarvan het vermoeden bestaat dat zij onvoldoende kwaliteit bieden (artikel 11, derde lid, WOT) of op bestuursniveau risico’s vertonen ten aanzien van het financieel beheer. Dit vermoeden kan voortkomen uit de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Het risico kan ook zichtbaar worden tijdens een verificatieonderzoek. Het kwaliteitsonderzoek moet antwoord geven op de vraag of er sprake is van wettelijke tekortkomingen en of een opleiding voldoet aan de basiskwaliteit. De omvang van het onderzoek is afhankelijk van de informatie die het bestuur over de onderwijskwaliteit en/of de continuïteit kan geven. De selectie van te onderzoeken standaarden wordt daarop afgestemd.
4.4.2. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs
De instelling is financieel gezond en kan op korte en langere termijn voldoen aan haar financiële verplichtingen.
Basiskwaliteit
5.3. Specifiek onderzoek
Voor continuïteit is het van belang dat het bestuur inzicht heeft in de financiële uitgangspositie en de ontwikkelingen in de komende drie jaar, en daar beleid op voert. Het bestuur bespreekt dit regelmatig met de raad van toezicht en medezeggenschap, treft zo nodig corrigerende maatregelen en verantwoordt zich over het geheel in het bestuursverslag.
4.6. Beoordeling kwaliteitsgebied Examinering en diplomering
De instelling dient haar middelen op zodanige wijze te beheren dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd (artikel 2.8.3 WEB). Dit betekent dat de instelling alle financiële verplichtingen op de korte en langere termijn moet kunnen nakomen, hetgeen onder meer blijkt uit de liquiditeit en solvabiliteit, de ontwikkeling van het exploitatieresultaat en de hoogte van de salarislasten. Uit de verplichting een jaarrekening en een bestuursverslag, inclusief een continuïteitsparagraaf op te stellen, vloeit verder voort dat de instelling inzicht in haar financiële uitgangspositie dient te hebben (artikel 2.5.3 en artikel 2.5.4 WEB en artikel 4, vierde lid, RJO).
De WEB vereist dat de raad van toezicht de begroting, de jaarrekening, het bestuursverslag en eventueel het strategisch meerjarenplan van de instelling goedkeurt (artikel 9.1.4, derde lid, onder c, WEB). De raad van toezicht dient hierover ook zelf verantwoording af te leggen in het bestuursverslag (artikel 9.1.4, derde lid, onder g, WEB). De raad van toezicht kan deze taken niet vervullen zonder regelmatig met het bestuur te spreken over het financieel beheer van de instelling. Het bestuur stelt de studentenraad voorts periodiek in de gelegenheid de algemene gang van zaken met het bestuur te bespreken; daarnaast kan de studentenraad op eigen initiatief met het bestuur in gesprek en dient deze raad desgevraagd door het bestuur te worden geïnformeerd over onder andere het financieel beheer (artikel 8a.1.5, eerste en tweede lid en artikel 8a.2.1 WEB). Naar aanleiding van deze besprekingen met de raad van toezicht en/of de studentenraad dient het bestuur zo nodig corrigerende maatregelen te treffen (artikel 2.8.3 WEB). Tot slot behoeft het bestuur de voorafgaande instemming over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting door een gezamenlijke vergadering van de studentenraad, de ondernemingsraad en, in voorkomende gevallen, de ouderraad (artikel 8a.1.6 WEB).
FB2. Doelmatigheid
Het bestuur maakt efficiënt en effectief gebruik van de onderwijsbekostiging.
Basiskwaliteit
Het bestuur besteedt de onderwijsbekostiging zo dat deze adequaat ten goede komt aan de in het beleid geformuleerde ambities inzake effectief onderwijs en de ontwikkeling van alle studenten.
Toelichting wettelijke eisen
4.7. Oordeelsvorming
4.7.1. Beoordelen naleven deugdelijkheidseisen
Het bestuur verwerft en besteedt de onderwijsbekostiging conform wet- en regelgeving.
6.2. Expertanalyse risico’s
Het bestuur beschikt over de vereiste deskundigheid en handelt integer en transparant met betrekking tot de besteding van de bekostiging. Het legt verantwoording af over de verwerving en besteding van de bekostiging, hetgeen vooral wordt beoordeeld door een accountant die wordt aangesteld door de raad van toezicht. Deze accountant opereert volgens de beroepsmaatstaven van de NBA88Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA). en speciaal volgens het Onderwijsaccountantsprotocol dat door de inspectie is opgesteld.
6.1. Jaarlijkse prestatieanalyse
Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige aanwending van de bekostiging (artikel 2.5.3, tweede lid, WEB). Hieruit vloeit voort dat de instelling de bekostiging rechtmatig dient te besteden (zie ook artikel 2.5.9, tweede lid, WEB). Titel 9, Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, artikel 3, onder a, van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs (RJO) en de Richtlijn Jaarverslag Onderwijs alsmede het Onderwijsaccountantsprotocol89https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/toezicht-op-financieel-beheer/informatie-onderwijsaccountantsprotocol-ocw-ez-en-bes. bevatten voorts tal van nadere regels ten aanzien van een transparante verantwoording, respectievelijk de controle daarop door de accountant.
De raad van toezicht wijst een instellingsaccountant aan (artikel 9.1.4, derde lid, onder f, WEB). Deze instellingsaccountant dient volgens het Onderwijsaccountantsprotocol te werken en tot slot een controleverklaring bij de jaarrekening af te geven (artikel 2.5.3, vierde lid, 2 RJO jo. artikel 2:393 BW).
3.4. Overige wettelijke vereisten
Het waarderingskader omvat niet alle deugdelijkheidseisen zoals die in de sectorwet(ten) en andere onderwijswetten zijn opgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Verklaring omtrent het gedrag (VOG), de schoolkosten en het voorkomen van voortijdig schoolverlaten (vsv). De deugdelijkheidseisen die niet aan een standaard in het waarderingskader zijn verbonden, vatten we samen onder de noemer ‘overige wettelijke vereisten’.
In ons jaarwerkplan, dat op de website van de inspectie wordt gepubliceerd, geven we aan welke thema’s en/of specifieke wettelijke vereisten we in het kader van het toezicht onderzoeken (zie hoofdstuk 10). Niet-naleving van (een of meer van) de overige wettelijke vereisten kan dan niet leiden tot een oordeel Onvoldoende, of tot het oordeel Zeer zwak. Wel dient de opleiding/het bestuur de tekortkoming binnen een door de inspectie te bepalen tijd te herstellen. De herstelopdracht wordt in het rapport vastgelegd.
Als de expertanalyse nog onvoldoende uitsluitsel biedt over de vraag of de geconstateerde risico’s tot kwaliteitsproblemen en/of financiële problemen leiden, dan nodigen we het bestuur uit voor een gesprek. In dit gesprek bespreken we de risico’s bij specifieke opleidingen, gaan we na of het bestuur zelf zicht heeft op de risico’s en tekortkomingen bij de betreffende opleidingen en maken we een inschatting van de mate waarin het bestuur in staat is de kwaliteitsproblemen zelf aan te pakken. Bij financiële risico’s vragen we het bevoegd gezag zo mogelijk een eigen risicoanalyse te maken en daarop aansluitend een plan van aanpak op te stellen.
6.2. Expertanalyse risico’s
Doel:Expertoordeel over de ernst en omvang van de risico’s.
5.1. Jaarlijkse prestatieanalyse en vierjaarlijks onderzoek
Het oordeel op de standaard leidt tot een oordeel op het kwaliteitsgebied (paragraaf 4.3) én tot een oordeel over de opleiding als geheel (paragraaf 4.4). In de volgende paragrafen werken we dat uit.
Afhankelijk van de ernst en urgentie van de uitkomst van de analyse organiseren we een bestuursgesprek. Als er op korte termijn een vierjaarlijks onderzoek staat gepland, dan nemen we de expertanalyse mee in de voorbereiding van dit onderzoek (par. 7.2.1).
Of een standaard als Voldoende of Onvoldoende wordt beoordeeld, is alleen gebaseerd op de vraag of het bestuur/de opleiding voldoet aan de deugdelijkheidseisen. Voor de waardering Goed worden de eigen aspecten van kwaliteit90Een eigen aspect van kwaliteit kan ook zijn: de ambitie om uit te stijgen boven de basiskwaliteit zoals die is vastgelegd in een wettelijk kwaliteitsaspect. als volgt bij de oordeelsvorming betrokken:
Doel:Oordeelsvorming over de mate waarin het bestuur effectief de risico’s bestrijdt.
Als een kwaliteitsgebied Voldoende is, dan voldoet het gebied aan de basiskwaliteit. Het oordeel of de waardering over de kwaliteitsgebieden komt als volgt tot stand:
5.2. Onderdelen vierjaarlijks onderzoek
Is de sturing op kwaliteit op orde en is er sprake van deugdelijk financieel beheer?
6.4. Kwaliteitsonderzoek bij risico’s
Waardering Goed
De waardering Goed op het niveau van de opleiding spreken we uit als het bestuur een verzoek heeft ingediend om te onderzoeken of een door het bestuur geselecteerde opleiding van goede kwaliteit is. Die verzoeken kunnen worden ingediend bij de vierjaarlijkse onderzoeken (zie hoofdstuk 7).
Het doel van het onderzoek naar kwaliteitszorg en financieel beheer is vast te stellen of het bestuur een doeltreffend systeem van kwaliteitszorg hanteert, waarmee het de kwaliteit en de continuïteit van de aangeboden onderwijs garandeert en of het tot verdere kwaliteitsverbetering stimuleert.
Voor mbo geldt naast het eindoordeel over de opleiding altijd een oordeel op het niveau van het kwaliteitsgebied Examinering en diplomering. De examenkwaliteit van een opleiding is Onvoldoende in de zin van artikel 6.1.5b en artikel 6.2.3b van de WEB als aan een van de drie standaarden in dit kwaliteitsgebied niet is voldaan.91Vanaf 1 augustus 2017 moeten opleidingen voldoen aan de nieuwe eisen ten aanzien van de examencommissie. Bij de beoordeling van de drie examenstandaarden hanteren we de werkwijze zoals beschreven in paragraaf 2.3.1.
4.4.2. Wettelijke norm zeer zwak onderwijs
Zeer zwak onderwijs wordt beschouwd als onderwijs van onvoldoende kwaliteit in de zin van artikel 6.1.4 en 6.2.2 van de WEB (zie verder hoofdstuk 9). Een bestuur kan bezwaar en beroep aantekenen tegen de uit het oordeel Zeer zwak voortvloeiende waarschuwing (als bedoeld in artikel 6.1.5 en artikel 6.2.3 van de WEB).
We analyseren het jaarverslag en relevante andere documenten zoals beleidsplan(nen), en documenten die de evaluatie en beoordeling van de kwaliteit betreffen. Deze documenten vormen de basis van de expertanalyse. Daarnaast baseren wij ons op signalen, toezichthistorie en data, zoals resultaatgegevens en andere kengetallen.
Op bestuursniveau geven we twee oordelen: op het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie en op het kwaliteitsgebied Financieel beheer. We hanteren daarbij onderstaande norm:
Op basis van de uitkomst van de expertanalyse stellen we de agenda op voor het startgesprek met het bestuur.
De standaarden voor de examenkwaliteit met bijbehorende normering geven de vereiste basiskwaliteit weer voor de examinering (inclusief diplomering) waar elke opleiding aan moet voldoen. Besturen dienen daarvoor zorg te dragen. De inspectie geeft op basis van de standaarden bedoeld in artikel 7.4.4 van de WEB, een oordeel over de examenkwaliteit. Een apart oordeel over de examenkwaliteit is nodig om te borgen dat ten minste sprake is van basiskwaliteit op het gebied van Examinering en diplomering. Als dat niet het geval is, kan de Minister het recht op examinering voor de betreffende opleiding ontnemen. Om deze reden is er sprake van een apart kwaliteitsgebied Examinering en diplomering.
In de nieuwe kwalificatiestructuur bestaat een beroepsopleiding uit een basisdeel, een profieldeel en een of meerdere keuzedelen.92Dit geldt voor beroepsopleidingen waarvan het eerste studiejaar is gestart op of na 1 augustus 2016. Het basisdeel en het profieldeel vormen samen de kwalificatie: datgene wat een gediplomeerde aan het eind van de mbo-opleiding moet kennen en kunnen als hij/zij als beginnend beroepsbeoefenaar op de arbeidsmarkt start. Kwalificaties staan beschreven in het basis- en profieldeel van het kwalificatiedossier. Het keuzedeel staat naast de kwalificatie en kan verdiepend of verbredend zijn of gericht op doorstroom. Alleen bij entreeopleidingen en opleidingen niveau 2 mag een keuzedeel ook remediërend zijn.
7.2.1. Expertanalyse bestuurlijke verantwoording
Tot augustus 2021 vermelden we opvallende zaken – ook in onze rapporten – die de keuzedelen betreffen, zonder daaraan een oordeel te verbinden.
Beoordeling Nederlands, rekenen en Engels
5.2.4. Onderzoek op verzoek bij goede opleidingen
Als de resultaten van het centraal examen voor rekenen laag zijn, zullen we onderzoek doen naar de wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven (kwaliteitsgebied Onderwijsproces).
4.7. Oordeelsvorming
Op basis van de uitkomst van de expertanalyse stellen we de agenda op voor het startgesprek met het bestuur.
Bij onze oordeelsvorming hanteren we bovengenoemde normering als richtlijn. De mate waarin de onderwijspraktijk de essentie en bedoeling van met name de deugdelijkheidseisen tentoonspreidt, is bepalend voor ons oordeel. Daarbij hanteren we het uitgangspunt dat voor een oordeel Voldoende aan de deugdelijkheidseisen behorende bij de standaard moet worden voldaan. We beoordelen echter niet de naleving van elke deugdelijkheidseis per standaard op zichzelf, maar in relatie tot de kwaliteit die met de standaard wordt beoogd. Het kan zijn dat een opleiding op een standaard een positief beeld laat zien, maar dat aan een bepaald element van de standaard niet wordt voldaan. Als het niet-naleven van die deugdelijkheidseis – naar het oordeel van de inspectie – beperkt van invloed is op de aangetroffen kwaliteit én als het punt eenvoudig en op korte termijn kan worden hersteld, dan geven we het oordeel Voldoende op de standaard. Het bestuur krijgt dan een opdracht tot herstel, en ziet zelf toe op herstel van naleving (zie ook hoofdstuk 9).
4.7.2. Waarderen eigen aspecten van kwaliteit
6. Monitor bestuur en opleidingen
Bij besturen met meer onderwijssectoren (vo/mbo) specificeren wij in het onderzoeksplan welke vo-scholen en welke mbo-opleidingen wij gaan onderzoeken.
7.2.4. Presentatie door opleidingen
Hoewel omgevingsfactoren dus niet van invloed zijn op het oordeel, spelen zij wel een rol bij het bepalen van passende interventies in het kader van vervolgtoezicht. Het effect van het niet-naleven van een deugdelijkheidseis kan verschillen per doelgroep; dit wegen we mee in het bepalen van de herstelopdracht. Interventies kunnen afhankelijk van de contextfactoren een meer of minder directief karakter hebben. In hoofdstuk 9 gaan we hier verder op in.
Resultaat: Het inspectieteam heeft een zo volledig mogelijk beeld van de visie, ambities, doelen en resultaten van de opleiding.
Het karakter van het waarderingskader met enerzijds een stevige wettelijke basis en anderzijds ruimte voor de dialoog over eigen aspecten van kwaliteit, stelt hoge eisen aan onze expertise. Met het waarderingskader als instrument beoordelen we de feitelijke realisatie van het onderwijs zoals studenten dat ontvangen. We typeren het inspectieoordeel en onze waarderingen daarom als een expertoordeel.Met onze deskundigheid als toezichthouder en met kennis van zaken op de onderscheiden kwaliteitsgebieden zijn we in staat om in gelijke situaties tot gelijke oordelen te komen. Onze oordelen hebben een wettelijke basis en komen tot stand met gebruik van meerdere bronnen, zoals documenten van de instelling en gesprekken met docenten, studenten, praktijkopleiders en medezeggenschapsorganen. We passen hoor en wederhoor toe. We werken in teams; onze oordelen komen in consensus tussen de inspecteurs tot stand en referenten beoordelen in de rapportagefase de onderbouwing van onze bevindingen. Met deze werkwijze komen we tot een afgewogen oordeel.
Voor de waardering van de eigen aspecten van kwaliteit kiezen we de rol van critical friend. Het bestuur en de opleiding zijn hier zelf aan zet en we passen onze toezichtstijl daarop aan. Onze focus gedurende het gehele proces is dat we recht doen aan de onderwijs- en examenkwaliteit die we aantreffen.
Doel:Informatie en verantwoording van doel, opzet, inhoud en reikwijdte van het vierjaarlijks onderzoek voor het bestuur en de geselecteerde opleidingen.
Hiervoor hebben we beschreven waar we bij de uitvoering van het toezicht naar kijken (het waarderingskader in hoofdstuk 3) en hoe we dat beoordelen (hoofdstuk 4). In dit hoofdstuk beschrijven we de hoofdlijnen van onze werkwijze. Deze is gebaseerd op twee pijlers: de jaarlijkse prestatieanalyse en het vierjaarlijks onderzoek. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk geven we dit schematisch weer.
5.1. Jaarlijkse prestatieanalyse en vierjaarlijks onderzoek
We monitoren voortdurend de prestaties van besturen en opleidingen93En als de instelling deelneemt in een samenwerkingscollege, van het samenwerkingscollege (zie paragraaf 11.7).. Als we daarbij risico’s signaleren, leidt dit tot een kwaliteitsonderzoek. Dat onderzoek voeren we uit aan de hand van het waarderingskader. We stellen in dat onderzoek vast of het bestuur en/of de opleiding voldoet aan de basiskwaliteit. Deze continue monitoring van risico’s ondersteunt ons in de uitvoering van onze waarborgfunctie (zie hoofdstuk 6).
Als er sprake is van kwaliteitsrisico’s dan starten we een kwaliteitsonderzoek. Als er sprake is van financiële risico’s dan onderzoeken we dit op bestuursniveau.
Om een beeld te krijgen van de mate waarin een bestuur zelf de kwaliteit en continuïteit bewaakt en monitort, voeren we daarnaast eens in de vier jaar bij alle besturen een onderzoek uit. We kijken dan niet alleen of en hoe een bestuur mogelijke risico’s ten aanzien van de onderwijskwaliteit en/of het financieel beheer aanpakt, we krijgen ook zicht op de ambities van het bestuur en de wijze waarop het streeft naar verbetering. De kern van het vierjaarlijks onderzoek is het onderzoek naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur. Het startpunt van dit onderzoek wordt gevormd door de verantwoording hierover van het bestuur. Om te zien in welke mate het bestuur effectief de kwaliteit bewaakt en verbetert, doen we verificatieonderzoek bij opleidingen.
Deze combinatie van de kortcyclische prestatieanalyse en de langcyclische bestuursgerichte onderzoeken geven in samenhang een betrouwbaar beeld van de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer. In paragraaf 5.4 geven we de toezichtcyclus schematisch weer. In hoofdstuk 6 beschrijven we de inrichting en organisatie van de jaarlijkse prestatieanalyse. Hieronder geven we een overzicht van de onderdelen van het vierjaarlijks onderzoek. De organisatie daarvan staat beschreven in hoofdstuk 7.
5.2. Onderdelen vierjaarlijks onderzoek
In het vierjaarlijks onderzoek naar bestuur en opleidingen doen we uitspraken over de kwaliteitszorg van het bestuur, het financieel beheer en de onderwijs- en examenkwaliteit van een deel van de opleidingen. We doen dus onderzoek op twee niveaus: op het niveau van het bestuur, en op het niveau van de opleidingen94En als de instelling deelneemt in een samenwerkingscollege, eventueel op het niveau van het samenwerkingscollege (zie paragraaf 11.7).. Op het niveau van het bestuur doen we onderzoek naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur (paragraaf 5.2.1). Op het niveau van de opleidingen onderscheiden we drie typen onderzoek om (onderdelen van) de onderwijskwaliteit te beoordelen: verificatieonderzoek (paragraaf 5.2.2), onderzoek naar risico-opleidingen (paragraaf 5.2.3) en onderzoek naar goede opleidingen (paragraaf 5.2.4).
Analysevraag: Zijn de risico’s bij het bestuur bekend en zo ja: handelt het bestuur effectief in de aanpak daarvan?
Het bestuur is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs van al zijn opleidingen. Het bestuur is verantwoordelijk voor de doelen die worden afgesproken met de opleidingen en heeft zicht op de onderwijskwaliteit. De informatie over de onderwijskwaliteit biedt het bestuur de mogelijkheid om te evalueren of de doelstellingen worden gehaald en of bijsturing noodzakelijk is.
Het bestuur kan per opleiding specifieke doelen stellen, maar kan ook doelstellingen formuleren die voor alle opleidingen gelden.
6.4. Kwaliteitsonderzoek bij risico’s
Om antwoord te krijgen op de vraag of de kwaliteitszorg en het financieel beheer van het bestuur op orde zijn, voeren we de volgende onderzoeksactiviteiten uit:95We voeren daarnaast onderzoek uit naar risico-opleidingen en naar goede opleidingen. Die onderzoeken leveren ook informatie op over de vraag of de kwaliteitszorg op bestuursniveau toereikend is. Verificatie is daar feitelijk een nevendoel.
Het bestuur kan in reactie op het conceptrapport eventuele feitelijke onjuistheden en algemene opmerkingen schriftelijk aan de inspectie melden.
7.4.2. Feedbackgesprek
Het gaat ons bij verificatieonderzoek niet alleen om de vraag of de informatie van het bestuur juist is, maar ook om de vraag of de sturing op kwaliteit werkt. Om vast te stellen of het systeem werkt, kan onder meer worden nagegaan of het beleid van het bestuur doorwerkt tot op het niveau van de docenten en de studenten. We nemen de informatie waarover het bestuur beschikt als startpunt van het onderzoek. Daarbij gaat het onder meer om de jaarverantwoording, maar ook om evaluatierapporten en zelfevaluaties. We verifiëren de juistheid van de informatie over de onderwijskwaliteit.
7.1. Doel en onderzoeksvragen
We gaan uit van onderzoek bij een beredeneerde steekproef van opleidingen. We houden daarbij rekening met de inrichting van de instelling en we kijken naar een een evenwichtige verdeling over de opleidingen. We onderzoeken bij deze opleidingen één standaard of een beperkt aantal standaarden. We beoordelen in ieder geval ook onderdelen van de kwaliteitszorg op het niveau van de opleidingen, omdat dit informatie geeft over de doorwerking van het systeem naar de werkvloer. Een verificatieonderzoek gebeurt op grond van artikel 11, achtste lid, van de WOT.
Als we tijdens de verificatieonderzoeken op onverwachte risico’s stuiten, dan kunnen we een kwaliteitsonderzoek starten (paragraaf 5.2.3). De termijn waarbinnen dit gebeurt, is afhankelijk van de ernst en omvang van de risico’s.
Op opleidingsniveau geven we op basis van bespreking van concrete casuïstiek en/of vragen die opleidingen hebben, een toelichting op onze oordelen. Daarbij kunnen we meer informatie teruggeven aan docenten en leidinggevenden dan in de rapporten is verwerkt.
We voeren een onderzoek uit bij opleidingen waarvan het vermoeden bestaat dat zij onvoldoende kwaliteit bieden (artikel 11, derde lid, WOT) of op bestuursniveau risico’s vertonen ten aanzien van het financieel beheer. Dit vermoeden kan voortkomen uit de expertanalyse ter voorbereiding van het vierjaarlijks onderzoek. Het risico kan ook zichtbaar worden tijdens een verificatieonderzoek. Het kwaliteitsonderzoek moet antwoord geven op de vraag of er sprake is van wettelijke tekortkomingen en of een opleiding voldoet aan de basiskwaliteit. De omvang van het onderzoek is afhankelijk van de informatie die het bestuur over de onderwijskwaliteit en/of de continuïteit kan geven. De selectie van te onderzoeken standaarden wordt daarop afgestemd.
Als de kwaliteitszorg van het bestuur in vorige onderzoeken als Voldoende of Goed is beoordeeld, dan kan een onderzoek bij opleidingen met risico’s op verzoek van de inspectie door het bestuur zelf worden uitgevoerd.
5.2.4. Onderzoek op verzoek bij goede opleidingen
7.4.2. Feedbackgesprek
In het eindgesprek worden de conclusies toegelicht en worden zo nodig aanvullende afspraken gemaakt over herstel en verbetering. Hierbij onderscheiden we ‘wat beter moet’ (deugdelijkheidseisen) en ‘wat beter kan’ (eigen aspecten van kwaliteit). Ook benoemen we wat goed gaat. Afhankelijk van het oordeel over de kwaliteitszorg van het bestuur maken we afspraken over de rol die het bestuur zelf krijgt bij het uitvoeren van (her)onderzoek (paragraaf 9.1). Op basis van dit gesprek stellen wij het definitieve rapport op en sturen dat naar het bestuur. Het bestuur kan desgewenst een zienswijze indienen (paragraaf 8.3).
Op grond van artikel 15 van de WOT kan de inspectie ter uitvoering van haar taken uit eigen beweging dan wel op verzoek van de Minister specifiek onderzoek verrichten. Aanleiding voor het verrichten van specifiek onderzoek kan onder meer liggen in de ernst en omvang van risico’s ten aanzien van de naleving van wettelijke vereisten, de kwaliteit van het onderwijs en/of het financieel beheer van een bestuur, of bij klachten en/of berichten in de media daarover. De inspectie voert dan een onderzoek uit bij de betreffende opleiding(en) en/of het bestuur. Als het reguliere waarderingskader inhoudelijk niet toereikend blijkt voor het onderzoek, bijvoorbeeld op het terrein van veiligheid, dan stelt de inspectie een passend beoordelingskader op. Afhankelijk van de aard en ernst van de problematiek kan de inspectie het onderzoek zonder aankondiging uitvoeren.
Een bijzondere vorm van onderzoek op grond van artikel 15 van de WOT is het onderzoek naar bestuurlijk handelen (paragraaf 9.3.2).
De totale doorlooptijd van het vierjaarlijks onderzoek is grotendeels afhankelijk van het aantal opleidingen dat bij een onderzoek is betrokken.
Op opleidingsniveau geven we op basis van bespreking van concrete casuïstiek en/of vragen die opleidingen hebben, een toelichting op onze oordelen. Daarbij kunnen we meer informatie teruggeven aan docenten en leidinggevenden dan in de rapporten is verwerkt.
Voor de uitvoering van onze waarborgfunctie is het van belang dat we de prestaties van besturen en hun opleidingen monitoren en daarmee eventuele risico’s tijdig detecteren. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we dit doen. We onderscheiden daarbij drie fasen: jaarlijkse prestatieanalyse, expertanalyse risico’s en het bestuursgesprek.
6.1. Jaarlijkse prestatieanalyse
Doel: Tijdige detectie van mogelijke risico’s ten aanzien van de onderwijskwaliteit en het financieel beheer bij besturen en hun opleidingen.
Analysevraag: Laten de prestaties van het bestuur en zijn opleiding(en) risico’s zien die nadere analyse vergen?
De monitoring van de prestaties op het niveau van de besturen en hun opleidingen96En in het geval de instelling deelneemt in een samenwerkingscollege, op het niveau van het samenwerkingscollege (zie paragraaf 11.7). helpt ons om tijdig eventuele risico’s op het spoor te komen. We doen dit op de volgende onderwerpen en kengetallen: onderwijsresultaten, financiële kengetallen, personele en materiële kosten, ontwikkeling studentenpopulatie, bestuurlijke inrichting, beschikbare onderzoeken naar veiligheid, en resultaten tevredenheidsonderzoeken.
Bij de beoordeling van de onderwijsresultaten maken we gebruik van zes indicatoren (zie bijlage 1): Jaarrendement, Diplomarendement, Startersresultaat, Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom.
De indicatoren Jaarrendement, Diplomarendement en Startersresultaat kennen een absolute norm en leiden tot een oordeel ‘(on)voldoende’. De indicatoren Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom zijn niet genormeerd. We gebruiken deze om met de opleiding en/of het bestuur het gesprek te voeren over hun (beoogde en gerealiseerde) prestaties. Voor het niet-bekostigd onderwijs gelden andere indicatoren (zie bijlage 1).
Ten minste eenmaal per jaar voeren we een analyse uit op de data die we met de monitor verkrijgen. Als er geen vermoeden van risico’s is, wordt de analyse afgesloten. Besturen worden dan niet actief van de uitkomst van de prestatieanalyse op de hoogte gesteld. Als er een vermoeden van risico’s is dan voeren we een expertanalyse risico’s uit (paragraaf 6.2).
Voorbeeld 2. Bestuursoverzicht verificatie onderwijskwaliteit
Doel: Expertoordeel over de ernst en omvang van de risico’s.
8.1. Rapport vierjaarlijks onderzoek
De expertanalyse risico’s bevestigt al dan niet de vermoedens van tekortkomingen ten aanzien van de onderwijskwaliteit en/of het financieel beheer. De analyse wordt uitgevoerd door een expertteam, waarin kennis en deskundigheid op het terrein van data-analyse, onderwijs- en examenkwaliteit en financieel beheer aanwezig is. Zo ontstaat een integraal beeld van de onderwijskwaliteit, de aansturing en financiën. De expertanalyse wordt in eerste instantie uitgevoerd op basis van de prestatieanalyse in combinatie met het jaarverslag, eventuele signalen die bij ons bekend zijn en de toezichthistorie. Zo nodig vragen we aanvullende informatie op bij het bestuur.
Afhankelijk van de ernst en urgentie van de uitkomst van de analyse organiseren we een bestuursgesprek. Als er op korte termijn een vierjaarlijks onderzoek staat gepland, dan nemen we de expertanalyse mee in de voorbereiding van dit onderzoek (paragraaf 7.2.1).
¹ Zie bijlage 1, Normering en beoordeling van onderwijsresultaten.
Doel: Oordeelsvorming over de mate waarin het bestuur effectief de risico’s bestrijdt.
Analysevraag: Zijn de risico’s bij het bestuur bekend en zo ja: handelt het bestuur effectief in de aanpak daarvan?
8.1.4. Afspraken vervolgtoezicht
Op basis van het bestuursgesprek bepalen we of er voldoende vertrouwen is in het bestuur om zelf tot een effectieve aanpak van de risico’s te komen of dat we aanleiding zien voor een kwaliteitsonderzoek bij opleidingen op basis van artikel 11, derde lid van de WOT (paragraaf 6.4), of bij het bestuur op basis van artikel 15 van de WOT (paragraaf 5.3).
We geven aan wanneer we een herstelonderzoek gaan doen. In het rapport leggen we tevens vast wat het bestuur zelf doet om het herstel van naleving en/of de kwaliteitsverbetering te onderzoeken. Ook leggen we de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (zie hoofdstuk 9).
We voeren een onderzoek uit bij opleidingen waarvan het vermoeden bestaat dat zij onvoldoende kwaliteit bieden (artikel 11, derde lid, WOT) of risico’s vertonen ten aanzien van het financieel beheer door het bestuur. Dit vermoeden kan voortkomen uit de jaarlijkse prestatieanalyse.
8.1.3. Ontwikkeling van kwaliteitszorg en onderwijskwaliteit
7. Vierjaarlijks onderzoek bestuur en opleidingen
In dit hoofdstuk beschrijven we de organisatie van het vierjaarlijks onderzoek. Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de uitgangspunten zoals geformuleerd in hoofdstuk 2 en met behulp van het waarderingskader en de normering zoals beschreven in hoofdstuk 3 en 4. Het vierjaarlijks onderzoek kent drie fasen: de voorbereiding (paragraaf 7.2), de uitvoering (paragraaf 7.3) en de afronding (paragraaf 7.4). We starten met de onderzoeksvragen.
Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking (niet tegen de inhoud) van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3).
Het vierjaarlijks onderzoek heeft tot doel een antwoord te formuleren op de volgende centrale vraag en daarvan afgeleide deelvragen:
Centrale vraag:
7.3.2. Onderzoek op bestuursniveau
Deelvragen:
Het onderzoek naar deze deelvragen is daarmee gericht op de standaarden binnen de kwaliteitsgebieden Kwaliteitszorg en ambitie, en Financieel beheer.
Bij besturen waar wij het oordeel uitspreken dat de Kwaliteitszorg Goed is106Dat betekent dat de drie standaarden van kwaliteitszorg in elk geval voldoende zijn, en dat bovendien de standaard Kwaliteitscultuur goed is. én het Financieel beheer Voldoende is, hebben wij het vertrouwen dat het bestuur zelf goede informatie verstrekt over zijn kwaliteit, en daar waar nodig verbeteringen doorvoert. Bij die besturen nemen wij een link op naar de website van de onderwijsinstellingen zelf. We nemen in dat geval tevens bij elke (niet onderzochte) opleiding op onze website de tekst op dat de inspectie het bestuur onderzocht heeft en dat de inspectie vertrouwen heeft in de informatie die het bestuur over zijn opleidingen verstrekt. De volgende tekst wordt bij elke opleiding opgenomen: ‘Het bestuur heeft inzicht in de kwaliteit van zijn opleidingen en verbetert de kwaliteit daar waar nodig. Het bestuur is bovendien financieel gezond. U kunt voor meer informatie de website van de instelling raadplegen.’ Bij opleidingen die we zelf hebben onderzocht, plaatst de inspectie een kwaliteitsprofiel op de website.
7.2.1. Expertanalyse bestuurlijke verantwoording
7.4.1. Rapport
Resultaat: Expertanalyse als basis voor het bestuursgesprek.
Ieder onderzoek start met een expertanalyse van de informatie die de inspectie beschikbaar heeft. We bekijken of de informatie van de instelling actueel is en of deze betrekking heeft op onze onderzoeksvragen (paragraaf 7.1) en daarmee ook de kwaliteitsgebieden van het waarderingskader dekt.
We analyseren het jaarverslag en relevante andere documenten zoals beleidsplan(nen), en documenten die de evaluatie en beoordeling van de kwaliteit betreffen. Deze documenten vormen de basis van de expertanalyse. Daarnaast baseren wij ons op signalen, toezichthistorie en data, zoals resultaatgegevens en andere kengetallen.
Indien nodig vragen we aanvullende documenten op bij het bestuur. De gegevensverzameling voor de expertanalyse kan plaatsvinden op basis van papieren documenten, databestanden, via een login van het bestuur en/of op locatie. In bijzondere gevallen vragen we aanvullende documenten op bij het bestuur.
8.6. Kennis delen
We willen onze kennis over de onderwijskwaliteit binnen de sector meer toegankelijk maken voor besturen en opleidingen. We doen dat onder meer met de hiernavolgende activiteiten.
Doel: Verkrijgen van een voorlopig beeld van de prestaties en ontwikkelingen van bestuur en opleidingen en bepalen van de inrichting van het onderzoek op hoofdlijnen.
Resultaat: Afspraken over de selectie van opleidingen waar verificatieonderzoek, kwaliteitsonderzoek of een onderzoek naar goede opleidingen plaatsvindt.
In het startgesprek vragen we het bestuur een analyse van de prestaties en ontwikkelingen van zijn opleidingen te presenteren. We toetsen dat aan onze eigen expertanalyse. De opbrengst van het gesprek is tevens de start van de oordeelsvorming over de stand van de kwaliteitszorg en het financieel beheer.
Op basis van de expertanalyse en de aanvullende informatie die het bestuur geeft, wordt in hoofdlijnen afgesproken bij welke opleiding(en) een verificatieonderzoek wordt uitgevoerd. Als uit de expertanalyse is gebleken dat er sprake is van een of meer opleidingen met een kwaliteitsrisico, dan wordt bij deze opleidingen een kwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het bestuur kan daarnaast het verzoek doen om een onderzoek te laten uitvoeren bij een ‘goede opleiding’. Voor een beschrijving van de aangegeven onderzoekstypen verwijzen we naar hoofdstuk 5.
Het bestuur informeert de geselecteerde opleidingen over het inspectieonderzoek. Het maakt daarbij gebruik van de informatie die wij daartoe leveren.
9.1. Vervolgtoezicht na het vierjaarlijks onderzoek
Bij de selectie van opleidingen waar we een verificatieonderzoek doen, hanteren we de volgende werkwijze: op basis van de verantwoording van het bestuur selecteren we een of meer kwalificaties. Vervolgens kijken we hoe het onderwijs binnen de instelling is georganiseerd en op basis daarvan bepalen we het object van onderzoek:98Het object van onderzoek is datgene waarvan we de kwaliteit willen onderzoeken, bijvoorbeeld (alle opleidingen binnen) een kwalificatiedossier. een team, een kwalificatiedossier, een enkele opleiding, een locatie, enzovoorts. Oordelen spreken we uit over het object van toezicht en/of de crebo(’s) die zijn onderzocht.
Bepalen van object van onderzoek bij risico-opleidingen
Als er sprake is van risico’s op het niveau van een of meer opleidingen, vormen de betreffende crebo’s het vertrekpunt voor de inrichting van ons onderzoek. Omdat risico’s bij één opleiding zich mogelijk uitstrekken tot meer opleidingen binnen een kwalificatiedossier of een team, bepalen we op basis van deze informatie wat ons object van onderzoek moet zijn. Ook hier spreken we oordelen uit over het object van toezicht en/of de crebo(‘s) die zijn onderzocht. Dit kunnen er dus meer zijn dan de opleiding waar zich in eerste instantie de risico’s manifesteerden.
We onderscheiden grofweg vier scenario’s.
Doel: Informatie en verantwoording van doel, opzet, inhoud en reikwijdte van het vierjaarlijks onderzoek voor het bestuur en de geselecteerde opleidingen.
7.5. Doorlooptijden
Wij maken een onderzoeksplan op basis van de expertanalyse en de uitkomst van het bestuursgesprek. Het onderzoeksplan is een gestructureerd en helder overzicht van de activiteiten die in de verschillende onderzoeksfasen plaatsvinden. Wij bepalen daarin wat wij willen verifiëren/onderzoeken en hoe we dat doen. Uit het plan blijkt welke opleidingen we onderzoeken voor de verificatie, en op welke standaarden. Ook geeft het plan inzicht in de opleidingen die we willen onderzoeken naar aanleiding van risico’s en eventuele onderzoeken naar goede opleidingen die het bestuur voordraagt (paragraaf 5.2.4). Het onderzoeksplan omvat tevens de standaarden die in het kader van het stelseltoezicht worden onderzocht (zie hoofdstuk 10). Voor de planning en organisatie van de onderzoeksactiviteiten zoeken we zo veel mogelijk afstemming met het bestuur. Het bestuur bekijkt het onderzoeksplan op organisatorische en logistieke haalbaarheid voor de instelling. Zo nodig en zo mogelijk voeren we wijzigingen door.
8. Rapporteren en communiceren
Als een bestuur de kwaliteitszorg niet op orde heeft, dan is het aannemelijk dat de geconstateerde tekortkomingen bij de onderzochte opleidingen niet op zichzelf staan. De kwaliteitszorg is niet op orde als een van de standaarden binnen dit kwaliteitsgebied Onvoldoende is. De inspectie kan er dan voor kiezen om nog een of meer kwaliteitsonderzoek(en) te doen naar risico’s.
Doel: Verkrijgen van een beeld van de opleiding, vanuit het perspectief van de opleiding zelf.
8.1. Rapport vierjaarlijks onderzoek
We willen zo veel mogelijk aansluiten bij het beeld dat het team zelf geeft van de opleiding en bij de informatie die zij ons daarover beschikbaar stelt. We bieden opleidingen daarom de gelegenheid om bij de start van het onderzoek een presentatie te verzorgen waarin zij (het team) een zo volledig mogelijk beeld geven van ‘waar ze staan’: hun visie, ambities, doelen en beoogde/behaalde resultaten. De vorm is vrij. Wij luisteren, kijken en stellen vragen om zo veel mogelijk relevante informatie te verwerven voor de inrichting van het onderzoek. Een presentatie kan zowel bij opleidingen die we onderzoeken ter verificatie, als bij kwaliteitsonderzoeken naar risico’s en/of onderzoeken naar een ‘goede opleiding’. De planning van de presentatie wordt in overleg met de opleiding bepaald.
De beslissing over de inrichting van het vervolgtoezicht wordt vastgelegd in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek naar bestuur en opleidingen. Hierin wordt ook vastgelegd in hoeverre het bestuur onderzoek uitvoert, en bij welke opleidingen de inspectie herstelonderzoek uitvoert.
Bij grotere besturen kan het voorkomen dat bij het vierjaarlijks onderzoek niet alle opleidingen zijn onderzocht waar we risico’s vermoeden. In dat geval kunnen we (aanvullend) kwaliteitsonderzoek uitvoeren. Ook in dit geval is het oordeel over de kwaliteitszorg van het bestuur leidend voor de vraag welke rol het bestuur zelf krijgt bij het (aanvullend) onderzoek en de eventuele verbeteracties.
9.1.2. Monitoren van herstel en verbetering
Resultaat: Een voorlopig oordeel over de zorg die het bestuur heeft voor de feitelijke onderwijskwaliteit en voorlopige oordelen over de onderzochte standaarden op opleidingsniveau.
Het verificatieonderzoek, de eventuele kwaliteitsonderzoeken en het mogelijke onderzoek op verzoek, worden conform het onderzoeksplan uitgevoerd. Bij de oordeelsvorming hanteren we het waarderingskader. Het gebruik van meerdere bronnen (o.a. studenten, docenten, management, praktijkopleiders) en consensus binnen het onderzoeksteam over de oordelen vormen daarbij een belangrijk uitgangspunt. Het bestuur draagt er zorg voor dat de onderzoeksactiviteiten volgens plan kunnen verlopen.
8.1.2. Kwaliteitsprofiel opleidingen
Bij een kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s worden de standaarden die door ons zijn beoordeeld in een tabel weergegeven. We noemen dit het kwaliteitsprofiel. Wanneer een bestuur als onderdeel van het vierjaarlijks onderzoek een onderzoek bij een goede opleiding heeft aangevraagd, dan wordt ook dit onderzoek samengevat in een kwaliteitsprofiel. We vermelden in het overzicht onze oordelen op de standaarden en kwaliteitsgebieden én op het niveau van de opleiding. We geven daarbij een eindoordeel over de opleiding (voorbeeld 3).
Doel: Het delen van de bevindingen op opleidingsniveau en daarmee tevens verkrijgen van aanvullende informatie over de kwaliteitszorg en financiën ten behoeve van de oordeelsvorming.
9.2.1. Herstelopdracht en herstelonderzoek
Op basis van de bevindingen op opleidingsniveau stellen wij voorlopige oordelen op, die we met het bestuur bespreken. Onze voorlopige oordelen toetsen wij aan het beeld dat het bestuur hierover heeft. Worden de geconstateerde risico’s herkend en hoe stuurt het bestuur op verbetering? En levert de verificatie een bevestiging op van wat het bestuur hierover heeft verantwoord? Het bestuur kan zo nodig aanvullende informatie verstrekken.
7.4. Afronding100Als we ook onderzoek op het niveau van het samenwerkingscollege hebben gedaan, nemen we het oordeel daarover ook op in het rapport en mee in onze andere afrondende werkzaamheden. Het deel van het rapport dat het samenwerkingscollege betreft, wordt ook aan de andere deelnemende instelling(en) aangeboden.
Om te onderbouwen dat het herstel is doorgevoerd, kunnen besturen een eigen onderzoek of een analyse uitvoeren. Dat het bestuur zo’n onderbouwing moet sturen, kan onderdeel zijn van de herstelopdracht.
Doel: Het vastleggen en onderbouwen van de oordelen en bevindingen op zodanige wijze dat het bestuur (en opleidingen) zich in de oordelen herkennen en gestimuleerd worden noodzakelijke en wenselijke verbeteringen door te voeren.
8.2. Rapport kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s
Het inspectieteam stelt het conceptrapport op, nadat de voorlopige oordelen en bevindingen zijn besproken. Het rapport beschrijft de conclusie op de hoofdvraag en deelvragen en de onderbouwing daarbij. De oordelen en waarderingen over de opleidingen en de eventuele herstelopdrachten zijn opgenomen in het rapport. Dat geldt zowel voor de opleidingen die ter verificatie zijn onderzocht als voor de opleidingen die zijn onderzocht omdat er risico’s waren. Ook de uitkomsten van het eventuele onderzoek op verzoek worden in het rapport opgenomen. Het rapport is beknopt en gericht aan het bestuur.
Het bestuur kan in reactie op het conceptrapport eventuele feitelijke onjuistheden en algemene opmerkingen schriftelijk aan de inspectie melden.
7.4.2. Feedbackgesprek
Doel: Herkennen en erkennen van oordelen en waarderingen.
Resultaat: Draagvlak voor oordelen en aanknopingspunten voor herstel en verbetering.
9.2.3. Herstel financieel beheer
Feedbackgesprekken worden op verzoek van de opleiding georganiseerd en hebben alleen betrekking op een kwaliteitsonderzoek naar aanleiding van risico’s. Feedback naar aanleiding van verificatieonderzoeken vindt plaats op bestuursniveau.
Op opleidingsniveau geven we op basis van bespreking van concrete casuïstiek en/of vragen die opleidingen hebben, een toelichting op onze oordelen. Daarbij kunnen we meer informatie teruggeven aan docenten en leidinggevenden dan in de rapporten is verwerkt.
Het beste moment voor een feedbackgesprek wordt in overleg bepaald.
Indien er vertraging in het herstel optreedt, waardoor studenten (te lang) onderwijs van onvoldoende kwaliteit krijgen, de examenkwaliteit niet herstelt, of de tekorten ten aanzien van kwaliteitszorg of financieel beheer niet verminderen, dan volgt escalatie van het toezicht. Dit heeft tot doel te bewerkstelligen dat het bestuur alsnog en zo snel mogelijk de tekortkoming(en) herstelt. We maken daarbij gebruik van interventies die de druk op herstel doen toenemen, zoals een bestuursgesprek waarin we bijvoorbeeld prestatieafspraken vastleggen.
Doel: Informeren van het bestuur over de conclusies op de onderzoeksvragen en (zo nodig) afspraken maken over herstel en verbetering.
Resultaat: Definitief rapport.
In het eindgesprek worden de conclusies toegelicht en worden zo nodig aanvullende afspraken gemaakt over herstel en verbetering. Hierbij onderscheiden we ‘wat beter moet’ (deugdelijkheidseisen) en ‘wat beter kan’ (eigen aspecten van kwaliteit). Ook benoemen we wat goed gaat. Afhankelijk van het oordeel over de kwaliteitszorg van het bestuur maken we afspraken over de rol die het bestuur zelf krijgt bij het uitvoeren van (her)onderzoek (paragraaf 9.1). Op basis van dit gesprek stellen wij het definitieve rapport op en sturen dat naar het bestuur. Het bestuur kan desgewenst een zienswijze indienen (paragraaf 8.3).
In het feedbackgesprek kan al voldoende informatie zijn gewisseld over de bevindingen en conclusies, waarmee een afrondend bestuursgesprek overbodig kan zijn.
Parallel aan onze publieksinformatie zien we dat sectorraden hun besturen ondersteunen met het bieden van actuele informatie over prestaties van besturen en opleidingen. De publieksinformatie van de inspectie vormt daarbij een van de bronnen en draagt daarmee bij aan een transparante verantwoording van onderscheiden besturen en de sector als geheel. Als die informatie toereikend is, kunnen wij in de toekomst meer verwijzen naar die publieke informatie.
De totale doorlooptijd van het vierjaarlijks onderzoek is grotendeels afhankelijk van het aantal opleidingen dat bij een onderzoek is betrokken.
8. Rapporteren en communiceren
Al onze onderzoeken worden afgerond met een rapport en alle rapporten zijn openbaar101Artikel 15 van de WOT bepaalt dat rapporten openbaar zijn, tenzij aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.. We zijn daarmee transparant in onze werkwijze en onze oordelen en waarderingen. In dit hoofdstuk geven we een toelichting op de verschillende rapportagevormen. In de laatste paragraaf beschrijven we hoe we de kennis en informatie die we met onze onderzoeken opdoen, breed willen benutten.
In uitzonderlijke gevallen kan een situatie ontstaan waarin de interventiemogelijkheden van de inspectie zijn uitgeput en waarin we er geen vertrouwen in hebben dat het bestuur erin zal slagen om de afspraken over de noodzakelijke verbeteringen binnen een redelijke termijn na te komen. Dit kan het geval zijn bij een combinatie van aanhoudende risico’s ten aanzien van de kwaliteit en risico’s ten aanzien van het financieel beheer. Zo’n situatie kan zich ook voordoen naar aanleiding van een zeer ernstig incident. Het ministerie en de inspectie vormen dan samen een escalatieteam en maken afspraken over de te volgen lijn en ieders rol daarin. De samenwerking is erop gericht de best passende oplossing voor het probleem te arrangeren, zodat de voorwaarden voor kwaliteit van het onderwijs en/of het financieel beheer worden gegarandeerd.
9.3.4. Overige sancties
We rapporteren op twee manieren over de verificatieonderzoeken. In de beschrijving van de kwaliteitszorg van het bestuur geven we beknopt weer wat we hebben aangetroffen bij de opleidingen, en in hoeverre dat strookt met de informatie waarover het bestuur beschikt. We beschrijven tevens hoe het kwaliteitszorgsysteem doorwerkt, aan de hand van doelstellingen van het bestuur die we hebben geselecteerd om dat vast te stellen. Daarnaast rapporteren we de resultaten van de verificatie over de kwaliteit op de geselecteerde standaarden bij de betreffende opleidingen.102Op de standaarden van de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Examinering en diplomering, Schoolklimaat, Onderwijsresultaten en Kwaliteitszorg en ambitie.
Met onze onderzoeken verzamelen we veel kennis en informatie. Veel leggen we vast in onze rapporten, maar veel informatie gaat door onze drang naar beperking ook verloren.
We vatten onze oordelen en waarderingen op bestuursniveau in een bestuursprofiel samen. Hieronder zijn twee voorbeelden opgenomen.
Overzicht verificatie op opleidingsniveau
In onderstaand voorbeeld zijn alleen de standaarden opgenomen die ter verificatie van de kwaliteitszorg op bestuursniveau bij een of meer opleidingen door ons zijn onderzocht. Door onze oordelen te confronteren met de informatie van het bestuur, kunnen we verifiëren of die informatie juist en volledig is. De tabel betreft een voorbeeld.
8.1.2. Kwaliteitsprofiel opleidingen
Bij een kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s worden de standaarden die door ons zijn beoordeeld in een tabel weergegeven. We noemen dit het kwaliteitsprofiel. Als een bestuur als onderdeel van het vierjaarlijks onderzoek een onderzoek bij een goede opleiding heeft aangevraagd, dan wordt ook dit onderzoek samengevat in een kwaliteitsprofiel.
9.1. Vervolgtoezicht na het vierjaarlijks onderzoek
1 Zie bijlage 1, Normering en beoordeling van onderwijsresultaten.
8.1.3. Ontwikkeling van kwaliteitszorg en onderwijskwaliteit
Naast het bestuursprofiel en de kwaliteitsprofielen van de opleidingen geven we ook een beeld van de ontwikkeling van het bestuur (terugblikkend en vooruitkijkend) en we beschrijven daarbij de omgevingsfactoren die mede van invloed zijn op de onderwijskwaliteit zoals we die hebben aangetroffen.
We kunnen met ons toezicht bovendien meer effect sorteren als we de relatie tussen het toezicht op individuele opleidingen en instellingen, en het stelseltoezicht versterken. We richten het stelseltoezicht zodanig in dat we enerzijds de (gestandaardiseerde en niet-gestandaardiseerde) informatie die we op opleidings- en instellingsniveau verkrijgen, benutten voor de keuze van stelselonderzoeken. Anderzijds richten we onze instellingsonderzoeken proportioneel in, mede op basis van breed verkregen stelselinformatie. We doen dit op hoofdlijnen waar het goed gaat en verdiepend waar het nodig blijkt.
9.1.2. Monitoren van herstel en verbetering
We geven aan wanneer we een herstelonderzoek gaan doen. In het rapport leggen we tevens vast wat het bestuur zelf doet om het herstel van naleving en/of de kwaliteitsverbetering te onderzoeken. Ook leggen we de termijnen vast waarbinnen de tekortkoming(en) moet(en) zijn hersteld (zie hoofdstuk 9).
8.2. Rapport kwaliteitsonderzoek gericht op risico’s
Als een kwaliteitsonderzoek wordt uitgevoerd naar aanleiding van de jaarlijkse prestatieanalyse dan maken we een rapport van bevindingen en ook dan is de adressant het bestuur. Naast een beschrijving van de bevindingen worden de oordelen op de kwaliteitsgebieden en standaarden in een kwaliteitsprofiel weergegeven. Ook wordt het eindoordeel toegevoegd (voorbeeld 3). Het rapport en het kwaliteitsprofiel van de opleiding worden op onze website geplaatst.
8.3. Openbaarmaking, zienswijze en bezwaar
Onze rapporten zijn openbaar. We plaatsen een rapport in de vijfde week na vaststelling op onze website (artikel 21, eerste lid, WOT). Als het bestuur op basis van het definitieve rapport een eigen zienswijze heeft opgesteld, voegen we die toe aan het rapport. De zienswijze betreft geen feitelijke onjuistheden; deze zijn op basis van het conceptrapport gecorrigeerd.
Een bestuur kan bezwaar maken tegen de openbaarmaking (niet tegen de inhoud) van een rapport als het een onderzoek is dat wordt uitgevoerd op basis van artikel 15 van de WOT (specifiek onderzoek, paragraaf 5.3).
Op basis van de stelselmonitoring kiezen we jaarlijks enkele thema’s. Prioritering vindt plaats aan de hand van criteria die verband houden met nut en noodzaak van een verdere verkenning en de rol die de inspectie daarbij betekenisvol kan vervullen (stimulerend, agenderend, activerend). We kijken wat de beste manier is om een bepaald thema onder de aandacht te brengen: met een thematisch onderzoek, of bijvoorbeeld door het organiseren van expertbijeenkomsten of symposia, of bijvoorbeeld door informatiedeling via een webinar of e-magazine. Een thema kan sectorspecifiek zijn of meerdere sectoren omvatten en de selectie van thema’s wordt vastgelegd in ons jaarwerkplan.
We hebben een publieke taak en dat betekent dat we ouders, studenten en samenleving actief informeren over onze bevindingen. We doen dit met onze rapporten, via onze website en via het onderwijsloket.
Van ieder bestuur en van alle door ons onderzochte opleidingen plaatsen we het rapport op onze website. Bovendien wordt het kwaliteitsprofiel van de opleiding(en), dat in de rapporten is opgenomen, ook op een toegankelijke wijze op de website geplaatst. Het rapport van het vierjaarlijks onderzoek wordt integraal geplaatst op de pagina op onze website waar informatie over de betreffende instelling te vinden is. Ook het kwaliteitsprofiel van het bestuur (oordelen over de kwaliteitszorg en financieel beheer) plaatsen we op onze website, bij het betreffende bestuur.
Als we in het kader van het vierjaarlijks onderzoek een of meer risico-opleidingen hebben onderzocht, dan is informatie over deze opleidingen in het vierjaarlijks onderzoeksrapport opgenomen. We plaatsen bovendien een kwaliteitsprofiel over deze opleidingen op onze website. We nemen een link op naar het rapport, waarin de informatie over de betreffende opleiding is opgenomen.
De oordelen en waarderingen die voortkomen uit de verificatieonderzoeken zijn opgenomen in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek. We verwijzen op onze website bij de betreffende opleiding waar we verificatieonderzoek hebben gedaan, naar het rapport op bestuursniveau. We maken hiervan echter geen kwaliteitsprofiel, omdat we slechts enkele standaarden hebben onderzocht.
9.2.2. Herstel examenkwaliteit
Als uit herstelonderzoek (hoofdstuk 9) is gebleken dat een bestuur de aangetroffen tekortkomingen heeft hersteld, dan wordt dit nieuwe oordeel ook zichtbaar als publieksinformatie via de website. In situaties dat het bestuur in opdracht van de inspectie zelf een onderzoek uitvoert, worden bij voldoende kwaliteit de resultaten op de inspectiesite gemeld via een verwijzing naar de site van de instelling.
Parallel aan onze publieksinformatie zien we dat sectorraden hun besturen ondersteunen met het bieden van actuele informatie over prestaties van besturen en opleidingen. De publieksinformatie van de inspectie vormt daarbij een van de bronnen en draagt daarmee bij aan een transparante verantwoording van onderscheiden besturen en de sector als geheel. Als die informatie toereikend is, kunnen wij in de toekomst meer verwijzen naar die publieke informatie.
9.2.3. Herstel financieel beheer
Als er op het gebied van financieel beheer sprake is van risico’s ten aanzien van de continuïteit of van niet naleven van wettelijke vereisten, dan leggen we vast welke maatregelen het bestuur moet treffen voor de verbetering van de financiële positie of de financiële beheersing. Als er sprake is van het oordeel onvoldoende op financieel beheer (vanwege een of meer standaarden), dan spreken we van aangepast financieel toezicht. De interventie is erop gericht dat de risico’s of tekorten binnen een beperkte periode zijn opgeheven. Doorgaans moet dit binnen twee jaar het geval zijn. We leggen tevens vast op welke wijze en op welk moment het bestuur ons de gevraagde informatie levert. We maken daarbij gebruik van nadere richtlijnen voor de stappen bij het aangepast financieel toezicht. Het bestuur wordt geïnformeerd over het escalatietraject als herstel niet binnen de gestelde termijn is gerealiseerd (par. 9.3).
Een specifieke vorm van rapportage betreft De Staat van het Onderwijs. Dit rapport publiceren we jaarlijks in april. Hierin beschrijven we hoe het staat met de kwaliteit van de onderscheiden onderwijssectoren. We benutten de onderzoeksgegevens uit onze vierjaarlijkse onderzoeken naar besturen en hun opleidingen, uit themaonderzoeken en uit specifieke onderzoeken om een actueel beeld te geven van de prestaties van de sector als geheel.
11.1. Niet-bekostigd mbo
Om in aanmerking te (blijven) komen voor het recht op diploma-erkenning dienen opleidingen van niet-bekostigde instellingen aan de eisen genoemd in artikel 1.4.1 van de WEB te voldoen.109Niet-bekostigde opleidingen kunnen ook worden verzorgd door bekostigde mbo-instellingen. In zo’n geval hanteren we op bestuursniveau de standaarden uit het waarderingskader mbo (hoofdstuk 3) en op opleidingsniveau de standaarden uit het waarderingskader voor niet-bekostigd mbo, zoals opgenomen in bijlage 2. De diploma-erkenning kan de bol/bbl of de derde leerweg betreffen. Voor niet-bekostigde instellingen gelden op basis hiervan dus enkele uitzonderingen op en afwijkingen van het waarderingskader mbo 2017 en de totstandkoming van het eindoordeel/waardering. Hieronder geven we de voor niet-bekostigde instellingen uitgezonderde wettelijke bepalingen in een overzicht weer (paragraaf 11.1.1) en vervolgens geven we de afwijkingen aan ten aanzien van de beoordeling van het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten.
We willen onze kennis over de onderwijskwaliteit binnen de sector meer toegankelijk maken voor besturen en opleidingen. We doen dat onder meer met de hiernavolgende activiteiten.
9.3.1. Opschorten of inhouden van de bekostiging
Met onze onderzoeken verzamelen we veel kennis en informatie. Veel leggen we vast in onze rapporten, maar veel informatie gaat door onze drang naar beperking ook verloren. We voeren daarom in de afronding van onze onderzoeken feedbackgesprekken met besturen en opleidingen, waarin we hen uitvoeriger kunnen informeren over bevindingen die ten grondslag liggen aan onze oordeelsvorming. Dit leidt tot herkenning en erkenning van onze oordelen, maar ook biedt het opleidingen en besturen concrete aanknopingspunten voor verbetering.
Compliance assistance (hulp bij nalevingsvragen)
11.1.2. Werkwijze
Themabijeenkomsten/toezichtlab
Aan de hand van onze onderzoeken en De Staat van het Onderwijs selecteren we jaarlijks thema’s waarover we in dialoog gaan met het onderwijsveld. We organiseren daartoe bijeenkomsten/toezichtlabs waarbij we ons primair richten op management, besturen en raden van toezicht.
9. Herstel en verbetering
In de vorige hoofdstukken hebben we beschreven hoe wij onze onderzoeken inrichten en hoe wij met behulp van het waarderingskader tot een oordeel komen. In dit hoofdstuk beschrijven we het vervolgtoezicht: wat we doen als er sprake is van niet-naleving van de deugdelijkheidseisen. We sluiten het hoofdstuk af met een beschrijving van onze stimulerende rol bij verbeteringen die een bestuur aanvullend op de basiskwaliteit wil realiseren.
9.1. Vervolgtoezicht na het vierjaarlijks onderzoek
Eens in de vier jaar voeren we een onderzoek uit naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer op bestuursniveau. We beoordelen dan of het bestuur de onderwijskwaliteit goed in beeld heeft, daarbij zo nodig verbetering doorvoert en of het de financiën op orde heeft. We leggen onze bevindingen vast in een rapport en maken (waar nodig) afspraken over herstel van tekortkomingen en het doorvoeren van verbeteringen. In deze paragraaf beschrijven we de inrichting van het vervolgtoezicht.
9.1.1. Oordeel kwaliteitszorg bestuur is leidend
Het oordeel over het financieel beheer en met name de kwaliteitszorg op bestuursniveau is leidend voor de inrichting van het vervolgtoezicht. Daarbij stellen we de vraag: wat moet op basis van de inspectieoordelen worden hersteld of verbeterd en welke rol krijgt het bestuur zelf bij de monitoring en beoordeling van dit herstel of de verbetering? We maken daarbij onderscheid tussen ‘herstelonderzoek’, dat de inspectie uitvoert, en ‘eigen onderzoek’, dat in opdracht van het bestuur wordt uitgevoerd.
We onderscheiden grofweg vier scenario’s.
11.3. Overige educatie
In het gunstigste scenario zijn er geen (of beperkte) tekortkomingen geconstateerd en zijn er geen of slechts beperkte risico’s op opleidingsniveau. Als daarbij de kwaliteitszorg en het financieel beheer op orde zijn, spreken we vertrouwen uit in het bestuur en komen we in principe na vier jaar opnieuw langs. We maken afspraken met het bestuur over wanneer en hoe het bestuur zich verantwoordt over het eventuele herstel van de tekortkomingen en risico’s. Wij verifiëren of de verbeteringen zijn gerealiseerd.
10. Stelseltoezicht
2. Kwaliteitszorg op orde, maar tekortkomingen: afspraken met bestuur over eigen rol bij vervolgtoezicht
11.3.1. Aanpassing waarderingskader
De rol van de inspectie kan in dit scenario variëren van ‘vinger aan de pols’ tot uitvoering van een volledig herstelonderzoek. Bij de rolverdeling wordt meegewogen wat de omvang van de geconstateerde tekortkoming(en) is en wat de impact is bij niet spoedig herstel.
3. Kwaliteitszorg niet op orde: inspectie voert kwaliteits- en/of herstelonderzoek uit
Als een bestuur de kwaliteitszorg niet op orde heeft, dan is het aannemelijk dat de geconstateerde tekortkomingen bij de onderzochte opleidingen niet op zichzelf staan. De kwaliteitszorg is niet op orde als een van de standaarden binnen dit kwaliteitsgebied Onvoldoende is. De inspectie kan er dan voor kiezen om nog een of meer kwaliteitsonderzoek(en) te doen naar risico’s.
Het bestuur krijgt een herstelopdracht opgelegd, met als belangrijk onderdeel de verbetering van de kwaliteitszorg. In het vervolgtoezicht voert de inspectie het herstelonderzoek uit.
4. Financieel beheer niet op orde: combinatie van scenario’s
10.2. Stelselmonitoring
Er is geen eenduidige beslisregel voor de keuze van een scenario. Dit is onder meer afhankelijk van het aantal opleidingen en de omvang ervan onder een bestuur, de complexiteit (aantal sectoren) van het bestuur, de ernst en omvang van de tekortkomingen en de eventuele risico’s, de mate en snelheid van herstel van lopende toezichttrajecten, de toezichthistorie en de ontwikkeling van de kwaliteit en de kwaliteitszorg.
De beslissing over de inrichting van het vervolgtoezicht wordt vastgelegd in het rapport van het vierjaarlijks onderzoek naar bestuur en opleidingen. Hierin wordt ook vastgelegd in hoeverre het bestuur onderzoek uitvoert, en bij welke opleidingen de inspectie herstelonderzoek uitvoert.
Bij grotere besturen kan het voorkomen dat bij het vierjaarlijks onderzoek niet alle opleidingen zijn onderzocht waar we risico’s vermoeden. In dat geval kunnen we (aanvullend) kwaliteitsonderzoek uitvoeren. Ook in dit geval is het oordeel over de kwaliteitszorg van het bestuur leidend voor de vraag welke rol het bestuur zelf krijgt bij het (aanvullend) onderzoek en de eventuele verbeteracties.
9.1.2. Monitoren van herstel en verbetering
De afspraken met het bestuur over het vervolgtoezicht worden in principe bepaald voor de periode van maximaal vier jaar, volgend op het laatste vierjaarlijkse onderzoek. Deze afspraken kunnen in de tussentijd worden aangepast, afhankelijk van het verloop van het herstel van eventuele eerder vastgestelde tekortkomingen en van nieuwe ontwikkelingen (zowel positief als negatief) die naar voren komen in de jaarlijkse prestatieanalyse. Het eerdere oordeel over de kwaliteitszorg van het bestuur is hierbij leidend. Dit kan, afhankelijk van het tempo van herstel en de aanwezigheid van nieuwe risico’s of signalen ertoe leiden dat het bestaande scenario tussentijds kan worden verlicht of kan worden verzwaard. Dit betekent dat de inspectie, afhankelijk van de keuze van het scenario en de afspraken met het bestuur naar aanleiding van het vorige vierjaarlijkse onderzoek, bepaalt hoe om te gaan met eventuele risico’s die naar voren komen in de daarop volgende jaren en tot welke eventuele aanpassingen van de afspraken met het bestuur dit moet leiden.
Bij besturen waar Kwaliteitszorg en/of Financieel beheer als Onvoldoende zijn beoordeeld, kan het oordeel tussentijds worden aangepast naar Voldoende als de tekortkomingen zijn hersteld. In de tussenliggende jaren kan het oordeel over deze kwaliteitsgebieden worden bijgesteld op basis van een herstelonderzoek/bestuursonderzoek op maat. Het is dus niet noodzakelijk om een volledig vierjaarlijks bestuursonderzoek uit te voeren om tot bijstelling van het oordeel over het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie te komen.
Bij besturen waar Kwaliteitszorg als Voldoende was beoordeeld, maar waar zich in de tussenliggende jaren (ernstige en/of veelvuldige) nieuwe risico’s voordoen of bij wie het herstel achterblijft, kan het toezicht tussentijds worden verzwaard door versneld een onderzoek uit te voeren bij dat bestuur.
De hierna beschreven werkwijze is van toepassing voor scholen en opleidingen die de basiskwaliteit op orde hebben op 1 augustus 2017, of daarna voor de eerste keer de basiskwaliteit bereiken. Voor scholen en opleidingen in het po, vo en mbo waar dit nog niet het geval is, blijven de kaders over het bereiken van de basiskwaliteit geldig tot 1 januari 2019.110Zie de beschrijving van de basiskwaliteit (maart 2011) op de website van de inspectie. Voor po en vo: http://www.onderwijsinspectie.nl/binaries/content/assets/publicaties/2011/basiskwaliteit-po-en-vo-brochure.pdf en voor mbo en sociale kanstrajecten voor jongeren: http://www.onderwijsinspectie.nl/publicaties/2011/05/de-basiskwaliteit-van-het-middelbaar-beroepsonderwijs-mbo-en-de-sociale-kanstrajecten-jongeren-skj-caribisch-nederland.html. Bij deze scholen/opleidingen houden we intensief toezicht en zij worden in elk geval jaarlijks door de inspectie bezocht. Voor het Expertisecentrum onderwijszorg (eoz) en de sociale kanstrajecten jongeren (skj) blijven de werkwijze en het waarderingskader geldig zoals afgesproken in de documenten over basiskwaliteit.
Herstel van naleving is gericht op opleidingen en besturen die niet voldoen aan de deugdelijkheidseisen. Voor een opleiding heeft dit betrekking op de onderwijskwaliteit, voor een bestuur betreft dit de kwaliteitszorg en het financieel beheer. Opleidingen en besturen schieten dusdanig tekort in wat zij studenten bieden, voldoen niet aan de vereisten voor kwaliteitszorg en/of lopen dusdanige financiële risico’s, dat herstel van die tekorten vereist is. Vanuit onze waarborgfunctie zien wij toe op dat herstel.
Tekortkomingen op de wettelijke eisen kunnen leiden tot een oordeel Onvoldoende op standaarden. Een oordeel Onvoldoende op een standaard leidt tot een herstelopdracht (paragraaf 9.2). Daarbij gelden de beschreven herstelprocedures. Als standaarden niet zijn gebaseerd op een wettelijke eis, wordt het oordeel Onvoldoende niet gegeven. In plaats daarvan geeft de inspectie bij tekortschietende kwaliteit de waardering ‘Kan beter’.
Bij het opleggen van een herstelopdracht hebben we drie opties:
De herstelopdracht zoals bedoeld onder 1, 2 en 3 omvat de formulering van de wettelijke tekortkoming, de aard van het herstel en de termijn waarbinnen dit herstel moet zijn gerealiseerd. Dit wordt vastgelegd in het rapport. De mate waarin wij directief optreden bij het bepalen van de herstelopdracht is mede afhankelijk van de ernst en omvang van de tekortkomingen en de omgevingsfactoren die op het niet-naleven van invloed zijn.
Om te onderbouwen dat het herstel is doorgevoerd, kunnen besturen een eigen onderzoek of een analyse uitvoeren. Dat het bestuur zo’n onderbouwing moet sturen, kan onderdeel zijn van de herstelopdracht.
11. Specifieke toepassingen van het waarderingskader
Het herstelonderzoek kan een volledig kwaliteitsonderzoek zijn, of een verificatie van de informatie die we van het bestuur hebben gekregen. Als de kwaliteitszorg van het bestuur op orde is, maken we bij voorkeur gebruik van informatie waarover het bestuur zelf beschikt. Dat komt de proportionaliteit van ons toezicht ten goede. Na uitvoering van het herstelonderzoek worden de dan vastgelegde oordelen opgenomen op onze website. We leggen onze bevindingen vast in een rapport conform artikel 20 en 21 van de WOT.
11.1. Niet-bekostigd mbo
Het herstelonderzoek heeft tot doel te beoordelen of eerder door ons geconstateerde tekortkomingen in de naleving van de deugdelijkheidseisen door het bestuur en/of de opleiding zijn hersteld.
9.2.2. Herstel Examenkwaliteit
Artikelen 6.1.5b en 6.2.3b van de WEB bieden de mogelijkheid om bij onvoldoende Examenkwaliteit het recht op examinering te ontnemen. Als de instelling het recht op examinering voor de betreffende opleiding wordt ontnomen, behoudt de instelling het recht op het verzorgen van de opleiding. Andersom geldt dat niet.
Bij een oordeel ‘onvoldoende Examenkwaliteit’ meldt de inspectie dit aan de Minister en het bestuur ontvangt een brief met een formele waarschuwing. We leggen de termijn vast waarbinnen de vereiste verbetering van Examenkwaliteit moet zijn gerealiseerd. Indien niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing, kan de Minister het recht op examinering voor de betreffende opleiding intrekken. In dat geval moet de instelling de examinering van de betreffende opleiding volledig uitbesteden aan een andere instelling die over het betreffende recht beschikt.
De hoofdregel zoals voortvloeiend uit het Besluit vbo-groen in een aoc 2016 is dat de inrichting en het examen van het vbo-groen worden bepaald door de WVO. Hieronder worden ook de vereisten voor de benoeming van het onderwijspersoneel verstaan. Waar hierover toch nog onduidelijkheid kan bestaan, wordt een aantal artikelen uit de WEB en de WVO met genoemd besluit expliciet buiten toepassing verklaard.
11.1.2. Werkwijze
Als herstel van naleving niet binnen de afgesproken termijn plaatsvindt en/of het bestuur niet bij machte blijkt om het herstel te realiseren, dan kunnen we besluiten tot versnelling van het vierjaarlijks onderzoek. Een andere mogelijkheid is dat we de aard van de interventie(s) verzwaren. We noemen dit ‘escalatie’.
9.3. Escalatie bij voortduren niet-naleving
Indien er vertraging in het herstel optreedt, waardoor studenten (te lang) onderwijs van onvoldoende kwaliteit krijgen, de examenkwaliteit niet herstelt, of de tekorten ten aanzien van kwaliteitszorg of financieel beheer niet verminderen, dan volgt escalatie van het toezicht. Dit heeft tot doel te bewerkstelligen dat het bestuur alsnog en zo snel mogelijk de tekortkoming(en) herstelt. We maken daarbij gebruik van interventies die de druk op herstel doen toenemen, zoals een bestuursgesprek waarin we bijvoorbeeld prestatieafspraken vastleggen.
Bij instellingen die ernstig onderpresteren zal de inspectie ook het interne toezicht bij haar toezicht betrekken (artikel 9.1.4 WEB). Dit zal enerzijds de vraag inhouden in hoeverre het interne toezicht zijn wettelijke taak uitvoert, en anderzijds de vraag op welke wijze de raad van toezicht een rol kan spelen bij de noodzakelijke verbetering.104Voor raden van toezicht mbo staan wettelijke taken omschreven in artikel 9.1.4 van de WEB. Deze komen erop neer dat de raden toezicht houden op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door de colleges van bestuur en hen met raad en daad terzijde staan. Ook in artikel 9.1.7. en 9.1.8 zijn zaken omtrent het interne toezicht geregeld. De inspectie ziet daarmee ook toe op de relatie tussen het college van bestuur en de raad van toezicht.
9.3.1. Opschorten of inhouden van de bekostiging
Indien een bestuur na een herstelopdracht niet binnen de afgesproken termijn de desbetreffende wettelijke eis naleeft, kan een bekostigingssanctie worden opgelegd.105Dit geldt niet voor niet-bekostigde instellingen. De Minister heeft de bevoegdheid om de bekostiging geheel of gedeeltelijk op te schorten of in te houden (artikel 11.1 WEB). De bevoegdheid om de bekostiging geheel of gedeeltelijk op te schorten is gemandateerd aan de inspectie. De bevoegdheid om de bekostiging in te houden is eveneens gemandateerd aan de inspectie, voor ten hoogste 15 procent van de bekostiging. De manier waarop de Minister en de inspectie met hun bevoegdheden omgaan, is vastgelegd in de Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen.
Voorafgaand aan een besluit tot opschorting of inhouding van de bekostiging wordt het bestuur van dit voornemen in kennis gesteld en gevraagd een zienswijze te geven. Deze zienswijze wordt meegewogen in het uiteindelijke besluit.
9.3.2. Onderzoek bestuurlijk handelen
Als we bij besturen ernstige tekortkomingen hebben vastgesteld op het gebied van de kwaliteitszorg en/of de financiën en het bestuur heeft deze niet binnen de afgesproken termijn hersteld, dan kunnen we een onderzoek doen naar het bestuurlijk handelen. Het functioneren van het intern toezicht en de medezeggenschap maakt veelal deel uit van het onderzoek.
11.3. Overige educatie
Voor opleidingen overige educatie geldt dat zij moeten voldoen aan de eisen genoemd in artikel 1.4a1 van de WEB.
In uitzonderlijke gevallen kan een situatie ontstaan waarin de interventiemogelijkheden van de inspectie zijn uitgeput en waarin we er geen vertrouwen in hebben dat het bestuur erin zal slagen om de afspraken over de noodzakelijke verbeteringen binnen een redelijke termijn na te komen. Dit kan het geval zijn bij een combinatie van aanhoudende risico’s ten aanzien van de kwaliteit en risico’s ten aanzien van het financieel beheer. Zo’n situatie kan zich ook voordoen naar aanleiding van een zeer ernstig incident. Het ministerie en de inspectie vormen dan samen een escalatieteam en maken afspraken over de te volgen lijn en ieders rol daarin. De samenwerking is erop gericht de best passende oplossing voor het probleem te arrangeren, zodat de voorwaarden voor kwaliteit van het onderwijs en/of het financieel beheer worden gegarandeerd.
We willen de komende jaren met het veld indicatoren voor het vervolgsucces ontwikkelen. We gaan met de instellingen in gesprek over de ontwikkeling in het vervolgsucces en het zicht dat de instelling daarop heeft. In deze cyclus van vier jaar wordt deze indicator niet in de beoordeling betrokken. Na afloop van deze cyclus zal worden bepaald of en in hoeverre dat wel het geval zal zijn.
3. Entreeopleidingen
We onderzoeken Studiesucces en Vervolgsucces van entreeopleidingen aan de hand van drie indicatoren: Onderwijsresultaat, Uitstroom naar werk en Bindend studieadvies. Voor Onderwijsresultaat en Uitstroom naar werk wordt de komende vier jaar geen norm vastgesteld, maar gelden de indicatoren als risico-indicatoren. De resultaten op deze indicatoren geven een beeld van de prestaties van de instelling ten opzichte van hun eigen doelen en ambities en in vergelijking met het landelijk gemiddelde. Het aandeel studenten met een negatief bindend studieadvies zal onderwerp zijn van gesprek en zal kwalitatief en in samenhang met de andere indicatoren worden geduid.
Bij het oordeel ‘Zeer zwakke opleiding’ legt de inspectie het betreffende bestuur een herstelopdracht op. De inspectie stelt een toezichtplan op dat sturend is voor het verdere verloop van het toezicht. Er mag niet langer dan een jaar sprake zijn van zeer zwak onderwijs. Het herstelonderzoek vanwege zeer zwak onderwijs wordt altijd uitgevoerd door de inspectie. Als het herstelonderzoek uitwijst dat de kwaliteit niet is verbeterd, melden we de opleiding bij de Minister. Deze kan besluiten de rechten op onderwijs en/of examinering in te trekken c.q. de bekostiging te beëindigen. De inspectie adviseert de Minister over de maatregelen die genomen moeten worden.
11.3.2. Werkwijze
Bij de beschrijving van de onderwijsresultaten betrekken we de overige indicatoren Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom.
11.4. Onderwijs in Caribisch Nederland
De oordeelsvorming op het niveau van de opleiding (bc-code x niveau) op basis van de drie genormeerde indicatoren leidt tot een van de volgende oordelen en waardering:
Toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en de examinering richt zich naast het toezicht op besturen en hun opleidingen ook op het stelsel als geheel. In de eerste negen hoofdstukken van dit onderzoekskader hebben we beschreven hoe we de kwaliteit van individuele besturen en hun opleidingen beoordelen. In dit hoofdstuk beschrijven we het stelseltoezicht zoals we dat voor de sectoren po, vo, (v)so en mbo vormgeven.
De onderwijsresultaten (de zes indicatoren) op het niveau van de subgroep en het domein zullen de aanleiding vormen voor de instellingsanalyse op basis waarvan we met de instelling in gesprek gaan over het niveau en de ontwikkeling van de onderwijsresultaten op instellingsniveau.115De inspectie zal de definitie, berekeningswijze en in aanloop de eerste tijd ook de resultaten via het ISD per instelling beschikbaar stellen.
Onder stelselkwaliteit verstaan we de mate waarin het stelsel van opleidingen en besturen erin slaagt de kernfuncties van onderwijs – kwalificatie, socialisatie en selectie/allocatie – met succes én in evenwicht te realiseren. Onze periodieke onderzoeken bij opleidingen en besturen geven daarvan een aardig beeld, maar stelselkwaliteit is niet een optelsom van de oordelen en kwaliteitsbeelden die we met het instellingstoezicht verkrijgen. Daar is meer voor nodig.
11.4.1. Aanpassing waarderingskader
We kunnen met ons toezicht bovendien meer effect sorteren als we de relatie tussen het toezicht op individuele opleidingen en instellingen, en het stelseltoezicht versterken. We richten het stelseltoezicht zodanig in dat we enerzijds de (gestandaardiseerde en niet-gestandaardiseerde) informatie die we op opleidings- en instellingsniveau verkrijgen, benutten voor de keuze van stelselonderzoeken. Anderzijds richten we onze instellingsonderzoeken proportioneel in, mede op basis van breed verkregen stelselinformatie. We doen dit op hoofdlijnen waar het goed gaat en verdiepend waar het nodig blijkt.
We selecteren jaarlijks onderwerpen die herkenbaar zijn in het onderwijsveld. Afhankelijk van de aard van de problematiek en de oplossingsrichting communiceren we met relevante partijen over de uitkomsten en dringen we aan op een oplossing van het probleem.
11.4.2. Werkwijze
De hoogte van de genormeerde indicator is voor een periode van twee jaar na overleg met het onderwijsveld vastgesteld.117De normen die worden vastgesteld gaan uit van de recentst bekende onderwijsresultaten op 1 augustus 2017. De norm dient fair te zijn. De norm zal voor de opleidingen met overwegend deelnemers jonger dan 23 jaar beoordelend zijn. Voor de andere groepen hanteren we de norm alleen beschrijvend.
We volgen permanent de belangrijkste kenmerken van en ontwikkelingen in het onderwijsstelsel. Dat doen we op verschillende onderdelen. Naast de drie kernfuncties – kwalificatie, socialisatie en selectie/allocatie – doen we dit ook op aspecten van voorwaarden en doelmatigheid, zoals beschikbaarheid en besteding van financiële middelen, bestuurlijk handelen en kwaliteitszorg, personeelsbeleid en faciliteiten.
Om tot een beeld van het stelsel als geheel te komen, brengen we in kaart hoe het ervoor staat, per sector maar ook voor het stelsel. We maken daarbij gebruik van de jaarlijkse prestatieanalyse van besturen en opleidingen (paragraaf 6.1). Daarnaast hanteren we diverse bronnen, zoals informatie uit gesprekken bij instellingsonderzoeken, informatie uit inspectieonderzoeken, signalen die bij de inspectie binnenkomen, kennis uit externe (wetenschappelijke) onderzoeken, berichten in de media, bestuurlijke overleggen, informatie van toezichthouders op verwante domeinen. We maken ook gebruik van informatie die door anderen verzameld is, zoals inschrijvingen en stroomgegevens van studenten, financiële gegevens en demografische gegevens.
De resultaten van de monitoring geven inzicht in ontwikkelingen in het onderwijs en mogelijke tekortkomingen in het stelsel. Deze worden jaarlijks intern en met externe belanghebbenden besproken. De belangrijkste trends, opvallende ontwikkelingen en tekortkomingen beschrijven we in De Staat van het Onderwijs. Ook tussendoor publiceren we onderzoeksresultaten en organiseren we themabijeenkomsten.
10.3. Themakeuze en werkwijze
Op basis van de stelselmonitoring kiezen we jaarlijks enkele thema’s. Prioritering vindt plaats aan de hand van criteria die verband houden met nut en noodzaak van een verdere verkenning en de rol die de inspectie daarbij betekenisvol kan vervullen (stimulerend, agenderend, activerend). We kijken wat de beste manier is om een bepaald thema onder de aandacht te brengen: met een thematisch onderzoek, of bijvoorbeeld door het organiseren van expertbijeenkomsten of symposia, of bijvoorbeeld door informatiedeling via een webinar of e-magazine. Een thema kan sectorspecifiek zijn of meerdere sectoren omvatten en de selectie van thema’s wordt vastgelegd in ons jaarwerkplan.
7. Vavo
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)