Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 23 juni 2017, nr. 1214771 tot intrekking van toezichtkaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017
Bij het vierjaarlijks onderzoek bij besturen en opleidingen kiezen we jaarlijks één tot drie standaarden die altijd bij elk (verificatie)onderzoek bij twee of meer van de sectoren po, vo (v)so, mbo worden beoordeeld. Op deze manier ontstaat een representatief beeld op stelselniveau. Daarnaast kan iedere sector een of meer sectorspecifieke standaarden aanwijzen die in een bepaalde periode bij alle onderzoeken binnen de betreffende sector worden beoordeeld. De keuze voor de ‘stelselstandaarden’ wordt altijd gebaseerd op de analyse van de stelselmonitor. Deze analyse kan er tevens toe leiden dat een of meer standaarden uit het waarderingskader op voorhand niet worden onderzocht bij het instellingstoezicht, omdat de analyse daar geen aanleiding toe geeft.
Bijlage 2. Waarderingskader niet-bekostigd mbo
Zo geldt dit ook voor sectorspecifieke thema’s, zoals de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming in het mbo of de samenwerking van besturen in po, vo en (v)so in het kader van passend onderwijs. Een derde mogelijkheid is dat we een volledig kwaliteitsgebied stelselbreed onderzoeken.
11.6. Agrarische opleidingscentra
De resultaten van het (aan het vierjaarlijks onderzoek gekoppeld) themaonderzoek worden opgenomen in De Staat van het Onderwijs (paragraaf 8.5) en worden niet separaat in de rapporten van de vierjaarlijkse onderzoeken vermeld. Het bestuur wordt hierover apart geïnformeerd.
Een thematisch onderzoek kan niet altijd worden gekoppeld aan het vierjaarlijks onderzoek naar besturen en hun opleidingen. De aard van het vraagstuk bepaalt of een koppeling met het vierjaarlijks onderzoek mogelijk is.
Een urgent stelselprobleem kan leiden tot voorrang op de onderzoeksagenda.
11. Specifieke toepassingen van het waarderingskader
Het waarderingskader mbo in hoofdstuk 3 beschrijft de kwaliteitsgebieden en standaarden die gelden voor het toezicht op het bekostigd beroepsonderwijs. In dit hoofdstuk en bijbehorende bijlagen beschrijven we specifieke toepassingen van het waarderingskader en eventuele afwijkingen in de normering. Dit betreft de niet-bekostigde mbo-instellingen (hierna: niet-bekostigde instellingen), vavo, (overige) educatie, mbo in Carabisch Nederland en exameninstellingen.
11.1. Niet-bekostigd mbo
Om in aanmerking te (blijven) komen voor het recht op diploma-erkenning dienen opleidingen van niet-bekostigde instellingen aan de eisen genoemd in artikel 1.4.1 van de WEB te voldoen.106Niet-bekostigde opleidingen kunnen ook worden verzorgd door bekostigde mbo-instellingen. In zo’n geval hanteren we op bestuursniveau de standaarden uit het waarderingskader mbo (hoofdstuk 3) en op opleidingsniveau de standaarden uit het waarderingskader voor niet-bekostigd mbo, zoals opgenomen in bijlage 2. De diploma-erkenning kan de bol/bbl of de derde leerweg betreffen. Voor niet-bekostigde instellingen gelden op basis hiervan dus enkele uitzonderingen op en afwijkingen van het waarderingskader mbo 2017 en de totstandkoming van het eindoordeel/waardering. Hieronder geven we de voor niet-bekostigde instellingen uitgezonderde wettelijke bepalingen in een overzicht weer (paragraaf 11.1.1) en vervolgens geven we de afwijkingen aan ten aanzien van de beoordeling van het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten.
Het toezicht richt zich bij de standaard Onderwijsprogramma zowel op de geprogrammeerde inrichting van de opleiding als op de feitelijke uitvoering daarvan.
De volgende wettelijke bepalingen uit de verantwoording van de standaarden zijn niet van toepassing op niet-bekostigde instellingen.
Binnen het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten is de standaard Studiesucces voor niet-bekostigde mbo-instellingen dezelfde als die voor bekostigde mbo-instellingen, maar wordt deze beoordeeld aan de hand van andere indicatoren. Dit zijn: Cohortrendement, Verblijfsduur en Passende plaatsing/passend diploma. Cohortrendement wordt op basis van een norm beoordeeld, de resultaten op beide andere indicatoren worden beschreven. Zie voor de uitwerking bijlage 1.
Het volledige waarderingskader niet-bekostigd mbo en de normering zijn opgenomen in bijlage 2.
11.1.2. Werkwijze
De werkwijze van het toezicht op het niet-bekostigd mbo is zoals beschreven in hoofdstuk 4 t/m 9.
Basiskwaliteit
3. Entreeopleidingen
Voor niet-bekostigde vavo-opleidingen geldt dat zij moeten voldoen aan de eisen genoemd in artikel 1.4a.1 van de WEB. Voor niet-bekostigde opleidingen vavo gelden op basis hiervan dus weer enkele uitzonderingen op het waarderingskader vavo. Niet-bekostigd vavo wordt veelal uitgevoerd door niet-bekostigde instellingen voor voortgezet onderwijs (zogenoemde B2-scholen).
Is er aanvullend beleid op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Het waarderingskader vavo kent ten opzichte van het waarderingskader mbo drie aanpassingen met betrekking tot de standaarden op opleidingsniveau. Bij de standaard Studiesucces sluiten we aan bij de corresponderende standaard van het voortgezet onderwijs (Resultaten); binnen het kwaliteitsgebied Examinering en diplomering kijken we alleen naar de standaard Kwaliteitsborging examinering en diplomering; de standaard Beroepspraktijkvorming is niet van toepassing. Daarnaast is – waar nodig – de tekst van de uitwerking en verantwoording van de betreffende standaarden aangepast. Zoals gezegd zijn de standaarden op bestuursniveau grotendeels gelijk aan de corresponderende standaarden van het waarderingskader mbo. Het volledige waarderingskader vavo en de normering zijn opgenomen in bijlage 3.
4. Studiesucces: oordeelsvorming en werkwijze
De instelling dient in een ondersteuningsaanbod voor studenten met een extra ondersteuningsbehoefte te voorzien en de studenten tijdig en volledig hierover te informeren (artikel 7.4.8, tweede lid, WEB). In de onderwijsovereenkomst moeten in voorkomende gevallen bepalingen worden opgenomen die de extra ondersteuning betreffen (artikel 8.1.3, derde lid, onder g, WEB).
De werkwijze is zoals beschreven in hoofdstuk 4 t/m 9. Onderzoek naar vavo kan deel uitmaken van het vierjaarlijks onderzoek.
Het didactisch handelen van het docententeam stelt studenten in staat tot leren en ontwikkelen.
Voor opleidingen overige educatie geldt dat zij moeten voldoen aan de eisen genoemd in artikel 1.4a1 van de WEB.
5. Beschrijving resultaten niet-genormeerde indicatoren
We houden toezicht op educatie bij roc’s en andere instellingen die een diploma-erkenning voor (een) opleiding(en) overige educatie hebben.
11.3.1. Aanpassing waarderingskader
Het mbo-kader geldt als uitgangspunt voor het waarderingskader overige educatie, maar is aangepast waar de WEB op grond van artikel 1.4a.1aan overige educatie andere eisen stelt.
Het toezicht op overige educatie omvat het onderwijsproces, de examinering en de kwaliteitsborging. Voor opleidingen overige educatie geldt daarom een beperkt waarderingskader. Voor het gebied Kwaliteitszorg en ambitie verwijzen we naar het waarderingskader niet-bekostigd mbo. In bijlage 4 is het volledige waarderingskader met de normering opgenomen.
OP7. Beroepspraktijkvorming
De werkwijze is zoals beschreven in hoofdstuk 4 t/m 9. Onderzoek naar overige educatie kan deel uitmaken van het vierjaarlijks onderzoek.
Basiskwaliteit
Sinds 10 oktober 2010 zijn Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (BES) bijzondere gemeenten van Nederland. De eilanden worden ook wel 'Caribisch Nederland' genoemd. We houden toezicht op het onderwijs in Caribisch Nederland (po, vo, mbo, ho, sociale kanstrajecten jongeren en expertisecentra onderwijszorg). Tevens hebben we de taak van vertrouwensinspecteur voor Caribisch Nederland.
In 2011 is de Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland, 'Samen werken aan kwaliteit', tot stand gekomen. Het doel van de Onderwijsagenda is dat in 2016 de onderwijskwaliteit in Caribisch Nederland op een naar Nederlandse en Caribische maatstaven aanvaardbaar niveau is. Anders gezegd: het onderwijs dient op alle scholen en opleidingen in 2016 voldoende basiskwaliteit te hebben. Op basis van de Onderwijsagenda heeft de inspectie de kenmerken van de basiskwaliteit beschreven. Alle scholen en opleidingen hebben verbeterplannen opgesteld met activiteiten om de basiskwaliteit te bereiken.
Vervolgens is in 2014 en 2016 gekeken welke voortgang is geboekt. De inspectie concludeerde in 2016 in het rapport ‘De ontwikkeling van het onderwijs in Caribisch Nederland 2014-2016’, dat het merendeel van de scholen in Caribisch Nederland de basiskwaliteit heeft bereikt. Voor de verdere ontwikkeling van alle scholen zijn er afspraken gemaakt tussen alle betrokkenen in de Tweede Onderwijsagenda voor Caribisch Nederland 2017-2020 ‘Samenwerken aan de volgende stap’. Het doel van de onderwijsagenda is dat alle leerlingen in Caribisch Nederland in 2020 onderwijs krijgen waarvan de kwaliteit minimaal voldoet aan Europees Nederlandse maatstaven en die vervolgens ook aantoonbaar en voortdurend wordt verbeterd.
7. Vavo
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Bijlage 2. Waarderingskader Niet-bekostigd mbo
Een andere bijzonderheid is dat nog niet alle artikelen van de WPO BES, WVO BES en WEB BES in werking zijn getreden. Daarom zijn sommige standaarden nu nog voorzien van eigen aspecten van kwaliteit, die gebaseerd zijn op wetgeving die in de toekomst alsnog in werking zal treden. Vanaf het moment van inwerkingtreding gelden deze onderdelen als deugdelijkheidseisen. Waar dit van toepassing is, is dat in het waarderingskader aangegeven. Het volledige waarderingskader en de normering zijn te vinden in bijlage 5.
De instelling dient daarnaast te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma evenwichtig in te delen (artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat er sprake moet zijn van een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Om de beroepspraktijk in de opleiding te verankeren dient de instelling ook contacten met het (regionaal) bedrijfsleven te onderhouden. Verder betekent dit dat passende en gestructureerde leeractiviteiten op de werkplek moeten worden geboden, gebaseerd op (het tijdens de bpv te behalen deel van) de kwalificatie of de bijbehorende keuzedelen (artikel 7.1.2, tweede lid en artikel 7.2.8, tweede lid, onder c, WEB).
De hierna beschreven werkwijze is van toepassing voor scholen en opleidingen die de basiskwaliteit op orde hebben op 1 augustus 2017, of daarna voor de eerste keer de basiskwaliteit bereiken. Voor scholen en opleidingen in het po, vo en mbo waar dit nog niet het geval is, blijven de kaders over het bereiken van de basiskwaliteit geldig tot 1 januari 2019. Bij deze scholen/opleidingen houden we intensief toezicht en zij worden in elk geval jaarlijks door de inspectie bezocht. Voor het Expertisecentrum onderwijszorg (eoz) en de sociale kanstrajecten jongeren (skj) blijven de werkwijze en het waarderingskader geldig zoals afgesproken in de documenten over basiskwaliteit.
De inspectie oordeelt in Caribisch Nederland op dezelfde wijze over de standaarden als in Europees Nederland, met uitzondering van de standaarden voor Onderwijsresultaten. Voor onderwijsresultaten zijn voor Caribisch Nederland geen normen vastgesteld. Daarnaast geeft de inspectie een eindoordeel op opleidings- of afdelingsniveau107Mbo-opleidingen in Caribisch Nederland worden zoals gezegd verzorgd door scholengemeenschappen in de zin van de WVO BES. De opleidingen zijn vaak kleinschalig en vallen allemaal onder één afdeling (ook wel ‘unit’ genoemd) van de betreffende scholengemeenschap. Daarom onderzoeken wij de kwaliteit van het onderwijs vaak op afdelings- in plaats van of naast het opleidingsniveau.. Voor het mbo kan het eindoordeel Zeer zwak en ook de waardering Goed in Caribisch Nederland nog niet worden gegeven. De eindoordelen Voldoende en Onvoldoende kunnen wel worden gegeven.
Tekortkomingen op de wettelijke eisen kunnen leiden tot een oordeel Onvoldoende op standaarden. Een oordeel Onvoldoende op een standaard leidt tot een herstelopdracht (paragraaf 9.2). Daarbij gelden de beschreven herstelprocedures. Als standaarden niet zijn gebaseerd op een wettelijke eis, wordt het oordeel Onvoldoende niet gegeven. In plaats daarvan geeft de inspectie bij tekortschietende kwaliteit de waardering ‘Kan beter’.
Tijdens een kwaliteitsonderzoek beoordelen wij de standaarden voor kwaliteitszorg per opleiding of afdeling en indien van toepassing ook op bovenschools directieniveau108In sommige gevallen is er tussen het bestuur en de unitdirecties nog een bovenschools directieniveau.. We bespreken de kwaliteit van het onderwijs en de kwaliteitszorg met het bestuur en spreken het aan op zijn verantwoordelijkheden. Een oordeel op bestuursniveau geven wij vooralsnog echter niet. Vanwege de specifieke context in Caribisch Nederland, beoordelen we op bestuursniveau alleen de financiële standaarden. Dit gebeurt door de directie Rekenschap van de inspectie in separate rapportages.
In dit stadium van de schoolontwikkeling in Caribisch Nederland worden alle scholen/opleidingen en besturen één keer in de twee jaar bezocht. In het tussenliggende jaar wordt met elk bestuur een bestuursgesprek gevoerd. Als tijdens het meest recente onderzoek Onvoldoendes op een of meerdere standaarden zijn geconstateerd, verantwoordt het bestuur tijdens dit gesprek welke verbeteringen zijn gerealiseerd. De inspectie kan daarbij een onderzoek uitvoeren om het oordeel van het bestuur te verifiëren.
Basiskwaliteit
Een mbo-instelling kan de examinering door een exameninstelling laten verzorgen. Voor exameninstellingen geldt dat zij moeten voldoen aan de eisen genoemd in artikel 1.6.1. van de WEB. De prestaties van de exameninstellingen maken deel uit van de jaarlijkse analyse en ten minste eens in de vier jaar vindt een onderzoek plaats. Het onderzoek heeft in navolging van artikel 1.6.1 van de WEB vooral betrekking op de kwaliteit van de examinering en diplomering.
Eigen aspecten van kwaliteit
Het waarderingskader voor de exameninstellingen omvat het kwaliteitsgebied Examinering en diplomering en het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie. De standaarden van het kwaliteitsgebied Examinering en diplomering (hoofdstuk 3) zijn ongewijzigd van toepassing op exameninstellingen. In het gebied Kwaliteitszorg en ambitie zijn enkele wijzigingen opgenomen. Het volledige waarderingskader en de normering zijn opgenomen in bijlage 6.
Toelichting wettelijke eisen
De werkwijze is zoals beschreven in hoofdstuk 4 t/m 9.
ED2. Exameninstrumentarium
Agrarische opleidingscentra (aoc’s) zijn instellingen zoals bedoeld in de WEB (artikel 1.3.3). Op het voorbereidend beroepsonderwijs dat binnen aoc’s wordt verzorgd, geldt echter ook de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). Dit leidt ertoe dat op het ‘vbo-groen’ twee wetten van toepassing zijn, met deels overlappende of juist van elkaar verschillende bepalingen. De wetgever heeft daarom in zowel de WVO als de WEB de mogelijkheid geboden om bij of krachtens Algemene maatregel van bestuur bepalingen van deze wetten buiten toepassing te verklaren voor het vbo-groen (artikel 19 WVO en artikel 2.6a WEB). In het Besluit vbo-groen in een aoc 2016 is vervolgens geregeld welke artikelen uit de WEB en de WVO níet van toepassing zijn.
De hoofdregel zoals voortvloeiend uit het Besluit vbo-groen in een aoc 2016 is dat de inrichting en het examen van het vbo-groen worden bepaald door de WVO. Hieronder worden ook de vereisten voor de benoeming van het onderwijspersoneel verstaan. Waar hierover toch nog onduidelijkheid kan bestaan, wordt een aantal artikelen uit de WEB en de WVO met genoemd besluit expliciet buiten toepassing verklaard.
Voor de beoordeling van de onderwijskwaliteit van het vbo-groen sluiten we daarom op schoolniveau aan bij de standaarden uit het waarderingskader vo, inclusief het gebied Kwaliteitszorg en ambitie op schoolniveau. Op bestuursniveau gelden de standaarden uit het waarderingskader mbo, inclusief het gebied Kwaliteitszorg en ambitie op bestuursniveau.
Eigen aspecten van kwaliteit
Sinds 1 augustus 2018 kunnen instellingen onder gezamenlijke verantwoordelijkheid één of meer opleidingen verzorgen binnen een samenwerkingscollege. De eisen waaraan zo’n samenwerking moet voldoen, zijn opgenomen in de WEB. Zo moeten de deelnemende instellingen een samenwerkingsovereenkomst sluiten en daarin onder andere afspraken maken over de leiding van het samenwerkingscollege (art. 8.6.1 van de WEB). Verder moet in BRON geregistreerd worden welke studenten van de deelnemende instellingen onderwijs volgen aan het samenwerkingscollege (art. 2.3.6a, tweede lid, onder n, en 2.5.5a, tweede lid, onder t, van de WEB)109Op dit moment is registratie op het niveau van het samenwerkingscollege in BRON nog niet mogelijk. Dit zal op korte termijn mogelijk worden gemaakt door DUO.. Ook moet het feit dat een student onderwijs volgt binnen het samenwerkingscollege in de onderwijsovereenkomst tot uitdrukking komen (art. 8.1.3, derde lid, onder b, van de WEB).
Voor het toezicht op de samenwerkingscolleges kan een eigen toezichtcyclus worden gestart die los staat van het toezicht op de deelnemende instellingen. De opleidingen binnen een samenwerkingscollege moeten aan dezelfde eisen voldoen als alle andere opleidingen. De standaarden op opleidingsniveau worden dus ongewijzigd gehanteerd, maar de berekening van de onderwijsresultaten kan op een andere wijze plaatsvinden110Het is wenselijk om op het niveau van het samenwerkingscollege inzicht in de opbrengsten te hebben. De berekening van de onderwijsresultaten is mogelijk anders, omdat op de opleidingen van samenwerkingscolleges studenten van meerdere instellingen kunnen zitten. De berekening van de opbrengsten is nog in ontwikkeling. Zodra de berekening gereed is, zal deze aan de instellingen ter beschikking worden gesteld.. Ook spreken we een oordeel uit over de standaarden uit het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie. Dan lezen wij bij de standaarden van het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie in plaats van ‘het bestuur’ ‘het samenwerkingscollege’. Indien nodig bespreken we dan de bevindingen met het college van bestuur van de deelnemende instellingen. De uitkomsten van het onderzoek kan dan worden neergelegd in een zelfstandig rapport dat wordt geadresseerd aan alle deelnemende instellingen. Indien de uitkomsten van het onderzoek naar het samenwerkingscollege daartoe aanleiding geven, kan er een (specifiek) onderzoek worden gedaan bij de deelnemende instellingen.
De drie standaarden op het gebied van examinering en diplomering en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en de normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2017.
Het kwaliteitsgebied Onderwijsresultaten bestaat voor het bekostigd beroepsonderwijs uit twee standaarden: Studiesucces en Vervolgsucces. In deze bijlage beschrijven we de normering, de oordeelsvorming en de specifieke uitzonderingen en/of toepassingen daarvan.
De inrichting en uitvoering van het examenproces van afname en beoordeling is deugdelijk.
Bij opleidingen op niveau 2, 3 en 4 beoordelen we de standaard Studiesucces aan de hand van drie indicatoren: Jaarresultaat (JR), Diplomaresultaat (DR) en Startersresultaat (SR). We beschrijven voorts de standaard aan de hand van de indicatoren Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom.
Voor de eerste drie indicatoren geldt een absolute norm, waarvan de hoogte na overleg met het onderwijsveld is vastgesteld op basis van percentiel dertig voor het oordeel Voldoende, en die is ingegaan op 1 augustus 2017 voor een periode van vier jaar. De waardering Goed bij hoge onderwijsresultaten wordt voor jaar- en diplomaresultaat bepaald op basis van percentiel tachtig. Voor startersresultaat geldt dan wederom percentiel dertig. De resultaten leiden tot een waardering Goed en een oordeel Voldoende of Onvoldoende op standaardniveau.
Voor de drie overige indicatoren wordt geen norm vastgesteld. De resultaten op deze indicatoren geven een beeld van de prestaties van de instelling ten opzichte van haar eigen doelen en ambities en ten opzichte van het landelijk gemiddelde. De resultaten leggen de relatie naar het primaire onderwijsproces en vormen daarmee een aanleiding voor het gesprek met de onderwijsteams en de instelling.
1 Het betreft de benchmark van het landelijk gemiddelde van het specifieke domein, de specifieke subgroep of de specifieke opleiding. Bij bbl-opleidingen kan de beroepscontext een rol spelen in de plaatsing.
Toelichting wettelijke eisen
Met de standaard Vervolgsucces beschouwen we het vervolg op het middelbaar beroepsonderwijs. Het vraagt van de instellingen om over gegevens te beschikken over het vervolg van de loopbaan van studenten die de opleiding voortijdig of met een diploma hebben verlaten, en om die gegevens voor zover mogelijk te relateren aan hun eigen doelstellingen of ambities op dat punt. Eén indicator zal betrekking hebben op de doorstroom naar het vervolgonderwijs. De ander zal gaan over de aansluiting op de arbeidsmarkt.
We willen de komende jaren met het veld indicatoren voor het vervolgsucces ontwikkelen. We gaan met de instellingen in gesprek over de ontwikkeling in het vervolgsucces en het zicht dat de instelling daarop heeft. In deze cyclus van vier jaar wordt deze indicator niet in de beoordeling betrokken. Na afloop van deze cyclus zal worden bepaald of en in hoeverre dat wel het geval zal zijn.
Vervolgsucces niveau 2, 3 en 4
De instelling behaalt met haar studenten resultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.
We onderzoeken Studiesucces en Vervolgsucces van entreeopleidingen aan de hand van drie indicatoren: Onderwijsresultaat, Uitstroom naar werk en Bindend studieadvies. Voor Onderwijsresultaat en Uitstroom naar werk wordt de komende vier jaar geen norm vastgesteld, maar gelden de indicatoren als risico-indicatoren. De resultaten op deze indicatoren geven een beeld van de prestaties van de instelling ten opzichte van hun eigen doelen en ambities en in vergelijking met het landelijk gemiddelde. Het aandeel studenten met een negatief bindend studieadvies zal onderwerp zijn van gesprek en zal kwalitatief en in samenhang met de andere indicatoren worden geduid.
Samen met de instellingen en het veld wil de inspectie de komende jaren hiermee kennis over de onderwijsresultaten van de entreeopleidingen opbouwen om langs die weg te komen tot een goede/faire beschrijving van het niveau van de onderwijsresultaten van entreeopleidingen.
1 Informatie van uitstroom naar werk zullen instellingen zelf moeten bijhouden. We streven ernaar op termijn gebruik te maken van de informatie van het CBS hierover.
Is er aanvullend beleid op studiesucces en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Het resultaat op de drie genormeerde indicatoren wordt berekend op het niveau van de opleiding (bc-code x niveau), de subgroep en het domein. De onderwijsresultaten zijn indien mogelijk gebaseerd op driejaarsgemiddelden, of ten minste op de resultaten van het meest recente onderwijsresultatenjaar en een ander jaar. Indien te weinig informatie aanwezig is omdat indicatoren ontbreken, is het mogelijk dat het oordeel Niet te bepalen is.
De oordeelsvorming op het niveau van de opleiding (bc-code x niveau) op basis van de drie genormeerde indicatoren leidt tot een van de volgende oordelen en waardering:
Bij de beschrijving van de onderwijsresultaten betrekken we de overige indicatoren Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom.
De onderwijsresultaten (de zes indicatoren) op het niveau van de subgroep en het domein zullen de aanleiding vormen voor de instellingsanalyse op basis waarvan we met de instelling in gesprek gaan over het niveau en de ontwikkeling van de onderwijsresultaten op instellingsniveau.111De inspectie zal de definitie, berekeningswijze en in aanloop de eerste tijd ook de resultaten via het ISD per instelling beschikbaar stellen.
KA1. Kwaliteitszorg
De resultaten op de drie niet-genormeerde indicatoren Passende plaatsing, Passend diploma en Opstroom worden in het rapport beschreven op het niveau van de opleiding en/of instelling, maar niet van een oordeel voorzien. De resultaten, die worden vergeleken met het landelijk gemiddelde van soortgenoten, geven in samenhang een beeld van de inspanningen die de opleiding en instelling leveren, leggen nadrukkelijk een relatie met de kwaliteit van het onderwijsproces en vormen de input voor het gesprek over de doelen en ambities van de opleiding en instelling.
Basiskwaliteit
De standaard Studiesucces wordt voor niet-bekostigde instellingen aan de hand van de volgende indicator beoordeeld: Cohortrendement. We beschrijven voorts het studiesucces op basis van de indicatoren Jaarresultaat op instellingsniveau, Verblijfsduur en Passende plaatsing.
Voor de indicator Cohortrendement hanteren we een indeling per doelgroep: opleidingen die overwegend studenten jonger dan 23 jaar hebben, opleidingen die overwegend studenten ouder dan 23 jaar hebben en opleidingen van de derde leerweg (OVO).
De hoogte van de genormeerde indicator is voor een periode van twee jaar na overleg met het onderwijsveld vastgesteld.113De normen die worden vastgesteld gaan uit van de recentst bekende onderwijsresultaten op 1 augustus 2017. De norm dient fair te zijn. De norm zal voor de opleidingen met overwegend studenten jonger dan 23 jaar beoordelend zijn. Voor de andere groepen hanteren we de norm alleen beschrijvend.
1 Deze indicator zal worden ontwikkeld op basis van de data uit DUO Brondata.
2 Deze indicator zal verder worden ontwikkeld op basis van de data uit DUO Brondata.
3 De populatie betreft alle ingeschreven studenten in enig jaar.
Om het instellingsbeeld over de onderwijsresultaten te bepalen zullen we op instellingsniveau het jaarrendement per jaar bepalen. We zullen met de instellingen over de ontwikkeling van dit rendement tijdens het instellingsonderzoek het gesprek aangaan.
Studiesucces: oordeelsvorming en werkwijze
We berekenen het cohortrendement als volgt: het aandeel geslaagde studenten van startjaar Y van het totaal aantal gestarte studenten in startjaar Y. Dit aandeel moet ten minste aan de norm voldoen. Deze norm betreft ingeschreven studenten die in het startjaar nog geen 23 jaar zijn.
Basiskwaliteit
Het gemiddelde cijfer voor het centraal examen wordt over drie jaar berekend. Het gemiddelde verschil tussen het schoolexamen (SE) en het centraal examen (CE) wordt eveneens over drie jaar berekend.114Vanwege de doorgroei van het Onderwijsnummer komen meer gegevens beschikbaar en onderzoeken we of aanpassingen en aanvullingen in de indicatoren mogelijk zijn.
Eigen aspecten van kwaliteit
In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor het niet-bekostigd mbo opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en/of de normering is te vinden in paragraaf 11.1.
Toelichting wettelijke eisen
OP1. Onderwijsprogramma
Het onderwijsprogramma bereidt de studenten voor op beroepspraktijk, vervolgonderwijs en samenleving.
Basiskwaliteit
De opleiding biedt een onderwijsprogramma dat is toegespitst op de doelgroep en de beroepspraktijk waartoe de opleiding kwalificeert en diplomeert. Het programma is afgestemd op de onderwijs- en vormingsdoelen van het kwalificatiedossier, de daarbij behorende keuzedelen en eventuele wettelijke beroepsvereisten alsmede op de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding zelf. Het programma kent een duidelijke opbouw en samenhang, is passend bij de opleidingsduur en er zijn voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming. Het verwerven van generieke competenties, waaronder die met betrekking tot loopbaan en burgerschap, maakt deel uit van het programma. Het programma biedt mogelijkheden voor maatwerk. Het programma is voor studenten tijdig en voor aanvang van de opleiding bekend.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het onderwijsprogramma en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
Het toezicht richt zich bij de standaard Onderwijsprogramma zowel op de geprogrammeerde inrichting van de opleiding als op de feitelijke uitvoering daarvan.
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Het programma dient te zijn gebaseerd op de onderwijs- en vormingsdoelen van het kwalificatiedossier, de daarbij behorende keuzedelen en eventuele wettelijke beroepsvereisten alsmede de onderwijs- en vormingsdoelen van de opleiding zelf (artikel 7.1.2, tweede lid, artikel 7.2.6, tweede lid en artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB). Het kwalificatiedossier omvat onder andere generieke competenties (zie voor die met betrekking tot loopbaan en burgerschap ook artikel 17a, derde lid, WEB en bijlage 1 van het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB).
Daarnaast dient het programma zodanig te zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de door de instelling vastgestelde studieduur kunnen bereiken (artikel 7.2.7, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat het programma dient te zijn toegespitst op de doelgroep en zo nodig ook in maatwerk voor individuele studenten dient te voorzien (artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Het programma dient verder evenwichtig te zijn ingedeeld en voldoende uren begeleide onderwijstijd en beroepspraktijkvorming te omvatten (artikel 7.2.7 WEB). Deze urennormen zijn overigens weer afhankelijk van de door de instelling vastgestelde studieduur (artikel 1.4.1, eerste lid, onder b, WEB).
De studenten moeten tijdig voor aanvang van de opleiding bekend zijn met het programma door middel van een daartoe vastgestelde onderwijs- en examenregeling (artikel 7.4.8, tweede lid, WEB).
OP2. Ontwikkeling en begeleiding
De opleiding volgt de ontwikkeling van de studenten met als doel het onderwijs voor hen vorm te geven en passende begeleiding en extra ondersteuning te bieden.
Basiskwaliteit
Studenten worden voorafgaand aan de aanmelding zodanig voorgelicht dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen en worden na de aanmelding passend geplaatst en begeleid. De voortgangsbegeleiding is gestructureerd en zorgvuldig, en is afgestemd op de behoeften van de student en de vereiste competentieontwikkeling. De opleiding stelt de student in staat de opleiding op het vereiste niveau en binnen de geprogrammeerde tijd te behalen. Docenten gaan regelmatig na in welke mate de studenten profiteren van het geboden onderwijs en hoe hun ontwikkeling verloopt. Zij analyseren de oorzaken bij afwijkende prestaties. Er is een ondersteuningsaanbod voor studenten met extra ondersteuningsbehoeften en de opleiding informeert studenten (en ouders) volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op ontwikkeling en begeleiding en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient aspirant-studenten zodanige informatie te verstrekken dat zij in staat zijn een passende opleiding te kiezen (artikel 6.1.3a, eerste lid, WEB). De instelling dient daarnaast te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma zodanig in te richten dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de door de instelling vastgestelde studieduur kunnen bereiken (artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat studenten passend moeten worden geplaatst. Verder betekent dit dat studenten gestructureerde en zorgvuldige begeleiding moet worden geboden, afgestemd op de behoeften van de student en de vereiste competentieontwikkeling (artikel 7.1.2, tweede lid, WEB). Docenten dienen de ontwikkeling van de studenten hiertoe te volgen en regelmatig na te gaan in welke mate de studenten profiteren van het geboden onderwijs.
De instelling dient in een ondersteuningsaanbod voor studenten met een extra ondersteuningsbehoefte te voorzien en de studenten tijdig en volledig hierover te informeren (artikel 7.4.8, tweede lid, WEB). In de onderwijsovereenkomst moeten in voorkomende gevallen bepalingen worden opgenomen die de extra ondersteuning betreffen (artikel 8.1.3, derde lid, onder g, WEB).
OP3. Didactisch handelen
Het didactisch handelen van het docententeam stelt studenten in staat tot leren en ontwikkelen.
Basiskwaliteit
De didactische aanpak van het docententeam is passend voor het niveau van de opleiding. Het team zorgt voor effectieve leersituaties; leerdoelen en gestructureerde leeractiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de competenties. Het team realiseert een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Docenten stemmen hun aanpak af op de behoeften van groepen en individuele studenten, zodat deze actief en betrokken zijn.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het didactisch handelen en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma evenwichtig in te delen (artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat er sprake moet zijn van een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Daarnaast dient het programma zodanig te zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de door de instelling vastgestelde studieduur kunnen bereiken (artikel 7.2.7, eerste lid, WEB). Om dit te kunnen realiseren, is onder meer vereist dat het docententeam zorgt voor effectieve leersituaties waarbinnen de leerdoelen en -activiteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de vereiste competenties (artikel 7.1.2, tweede lid en artikel 7.2.7, vijfde lid, WEB). Tot slot betekent het dat docenten zo nodig moeten kunnen differentiëren tussen groepen en/of individuele studenten (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB).
OP7. Beroepspraktijkvorming
De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de beroepspraktijkvorming zijn doeltreffend.
Basiskwaliteit
De student en het leerbedrijf ontvangen tijdig informatie over de inrichting van de beroepspraktijkvorming. De opleiding draagt zorg voor een geschikte praktijkplaats, begeleidt de student bij de voorbereiding en keuze daarvan, en draagt zorg voor de totstandkoming van de praktijkovereenkomst. De opleiding realiseert een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Leerdoelen en leeractiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de competenties van de individuele student in de beroepspraktijk. Er is sprake van passende en gestructureerde leeractiviteiten op de werkplek.
De opleiding zorgt ervoor dat het leerbedrijf de student op de afgesproken wijze begeleidt. De opleiding volgt de voortgang van de student, stuurt zo nodig bij en werkt hiertoe samen met het leerbedrijf. De opleiding beoordeelt deugdelijk of de studenten de beroepspraktijkvorming met een positieve beoordeling heeft voltooid.
De opleiding initieert en onderhoudt contacten met het regionaal bedrijfsleven met als doel de beroepspraktijk in de opleiding te verankeren. De instelling werkt samen met SBB om ervoor te zorgen dat de praktijkplaatsen adequaat zijn.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient de studenten tijdig voor aanvang van de opleiding over de inrichting van de beroepspraktijkvorming (bpv) te informeren (artikel 7.4.8, tweede lid, WEB). De instelling heeft verder de taak zorg te dragen voor de beschikbaarheid van een geschikte praktijkplaats en de student dus te begeleiden bij het vinden daarvan (artikel 7.2.9, eerste lid, WEB). Vervolgens dient de instelling zorg te dragen voor de totstandkoming van de praktijkovereenkomst (artikel 7.2.9, eerste lid, WEB).
De instelling dient daarnaast te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma evenwichtig in te delen (artikel 7.2.7, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Dit betekent onder meer dat er sprake moet zijn van een evenwichtige verbinding tussen het leren in de beroepspraktijk en het leren op de instelling. Om de beroepspraktijk in de opleiding te verankeren dient de instelling ook contacten met het (regionaal) bedrijfsleven te onderhouden. Verder betekent dit dat passende en gestructureerde leeractiviteiten op de werkplek moeten worden geboden, gebaseerd op (het tijdens de bpv te behalen deel van) de kwalificatie of de bijbehorende keuzedelen (artikel 7.1.2, tweede lid en artikel 7.2.8, tweede lid, onder c, WEB).
De praktijkovereenkomst dient afspraken te bevatten over de begeleiding en beoordeling van de student, maar de instelling blijft eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van de opleiding als geheel (artikel 7.2.8, tweede en derde lid en artikel 7.2.9 WEB). De instelling dient daarom regelmatig na te gaan of de afspraken worden nagekomen en zal zo nodig moeten bijsturen. Verder dient zij deugdelijk te beoordelen of de student de bpv met een positieve beoordeling heeft voltooid (artikel 7.2.8, derde lid en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Hiervoor is samenwerking met het leerbedrijf vereist.
Indien de instelling en de SBB na het sluiten van de praktijkovereenkomst vaststellen dat de bpv niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, bevordert de instelling in overleg met SBB dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld (artikel 7.2.9, tweede lid, WEB). Hiervoor is tot slot samenwerking met SBB vereist, hetgeen tevens van belang is om de SBB in staat te stellen zorg te dragen voor een goede kwaliteit van de bpv-plaatsen (zie met betrekking tot deze taak van SBB ook artikel 7.2.10 WEB).
Toelichting wettelijke eisen
ED1. Kwaliteitsborging examinering en diplomering
Bijlage 3. Waarderingskader vavo
Basiskwaliteit
De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma, een certificaat of een instellingsverklaring. De examencommissie bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de exameninstrumenten, van de afname en beoordeling en van de diplomering, en ziet in voorkomende gevallen toe op de realisatie van verbetermaatregelen. De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering de deskundigheid van de betrokken personen. Het beroepenveld is betrokken bij de examinering. De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op over de examenkwaliteit per opleiding aan de hand van de examenstandaarden en over haar werkzaamheden. Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bevoegd gezag.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteitborging examinering en diplomering en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De drie standaarden op het gebied van examinering en diplomering en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en de normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2017.
ED2. Exameninstrumentarium
Het exameninstrumentarium sluit aan op de uitstroomeisen en voldoet aan de toetstechnische eisen.
Basiskwaliteit
Het exameninstrumentarium dekt de eisen van de kwalificatie. Dit geldt ook voor de eisen van het keuzedeel of de keuzedelen van de opleiding van de betreffende student.116Dit geldt voor opleidingen waarvan het eerste studiejaar is gestart op of na 1 augustus 2016. De examenvormen zijn afgestemd op de exameninhoud. Het exameninstrumentarium heeft een passende taakcomplexiteit. Het instrumentarium maakt evenwichtige waardering mogelijk en doet recht aan de kerntaken, werkprocessen en overige vereisten uit het kwalificatiedossier en die van de keuzedelen. De cesuur ligt op het niveau waarop de student aan de eisen voldoet. Het beoordelingsvoorschrift maakt objectieve beoordeling mogelijk.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het exameninstrumentarium en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De drie standaarden op het gebied van examinering en diplomering en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en de normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2017.
ED3. Afname en beoordeling
De inrichting en uitvoering van het examenproces van afname en beoordeling is deugdelijk.
Basiskwaliteit
De afnamecondities en beoordelingen zijn voor studenten gelijkwaardig. De condities doen recht aan de context van het toekomstig beroep; onderdelen van het examen vinden in de (reële) beroepspraktijk plaats. De beoordeling levert betrouwbare uitkomsten op, vindt deskundig plaats en is gericht op een passende balans in vereiste kennis, houding en vaardigheden. De inrichting van het examen, de planning van de examenperiodes, de beoordelingswijze en de procedure voor beroep en bezwaar zijn tijdig voor studenten beschikbaar en voor alle betrokkenen transparant en eenduidig.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van de afname en beoordeling en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De drie standaarden op het gebied van examinering en diplomering en de bijbehorende normering in dit waarderingskader komen overeen met de standaarden en de normering in de Regeling standaarden examenkwaliteit mbo 2017.
Het bestuur en de opleiding hebben een stelsel van kwaliteitszorg. Dit stelsel van kwaliteitszorg heeft betrekking op de onderwijskwaliteit en besteedt in ieder geval aandacht aan het onderwijsproces, de examinering en diplomering, de onderwijsresultaten en het onderhoud van de bekwaamheid van het personeel. Het bestuur en de opleiding beoordelen de onderwijskwaliteit regelmatig en betrekken daarbij onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden. Er zijn toetsbare doelen gesteld en er wordt regelmatig geëvalueerd of deze doelen worden gehaald. De uitkomsten zijn op toegankelijke wijze beschikbaar. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit worden geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doorgevoerd.
OR1. Studiesucces
De instelling behaalt met haar studenten resultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.
Basiskwaliteit
De onderwijsresultaten laten zien dat de opleiding studenten voldoende in staat stelt een diploma op het gewenste niveau te behalen. De opleiding zorgt ervoor dat zij een succesvolle start maken en de studie binnen de door de instelling vastgestelde studieduur doorlopen. De resultaten laten tevens zien dat er doorstroom is naar hogere opleidingsniveaus.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op studiesucces en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De ‘norm’ voor studiesucces wordt jaarlijks na overleg met het onderwijsveld bepaald in de vorm van opbrengstindicatoren zoals uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader. We beoordelen het studiesucces aan de hand van deze norm op het niveau van het kwalificatiedossier.
De norm voor studiesucces hangt ten eerste samen met de plicht te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Beroepsopleidingen moeten verder zodanig zijn ingericht dat studenten de kwalificatie en de daarbij behorende keuzedelen binnen de door de instelling vastgestelde studieduur kunnen bereiken (artikel 7.2.7, eerste lid, WEB). Gezien de relatie tussen studiesucces en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg van de instelling worden verwacht dat zij hier inzicht in heeft en beleid op voert (artikel 1.3.6 WEB).
Basiskwaliteit
KA1. Kwaliteitszorg
Het bestuur en de opleiding hebben een stelsel van kwaliteitszorg ingericht en verbeteren op basis daarvan het onderwijs.
Basiskwaliteit
Het bestuur en de opleiding hebben een stelsel van kwaliteitszorg. Dit stelsel van kwaliteitszorg heeft betrekking op de onderwijskwaliteit en besteedt in ieder geval aandacht aan het onderwijsproces, de examinering en diplomering, de onderwijsresultaten en het onderhoud van de bekwaamheid van het personeel. Het bestuur en de opleiding beoordelen de onderwijskwaliteit regelmatig en betrekken daarbij onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden. Er zijn toetsbare doelen gesteld en er wordt regelmatig geëvalueerd of deze doelen worden gehaald. De uitkomsten zijn op toegankelijke wijze beschikbaar. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit worden geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doorgevoerd.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteitszorg en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en in dat verband regelmatig de onderwijskwaliteit te beoordelen (artikel 1.3.6 WEB). Uit artikel 1.3.6 blijkt expliciet dat hierbij aandacht moet worden besteed aan de examens en de maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Verder hangt de onderwijskwaliteit vanzelfsprekend samen met het onderwijsproces en de onderwijsresultaten; ook daaraan dient het stelsel van kwaliteitszorg derhalve aandacht te besteden.
Bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit dient de instelling (het oordeel van) studenten en onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden te betrekken (artikel 1.3.6, eerste lid, WEB). Naar aanleiding van de uitkomsten daarvan dient zij beleid te formuleren (artikel 1.3.6, tweede lid, onder c, WEB). Het stellen van toetsbare doelen, een regelmatige beoordeling van de realisatie van die doelen en de implementatie van verbetermaatregelen zijn daarbij onmisbare elementen. Bovendien hangt de implementatie van verbetermaatregelen samen met de verplichting te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering en (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB).
De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar en dienen, tezamen met het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten, te worden beschreven in een tevens openbaar verslag (artikel 1.3.6 WEB).
KA3. Verantwoording en dialoog
Het bestuur en de opleiding leggen intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over doelen en resultaten en voeren daarover actief een dialoog.
Basiskwaliteit
Het bestuur en de opleiding betrekken interne en externe deskundigen en belanghebbenden, met name het bedrijfsleven, bij de ontwikkeling van het beleid alsmede bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit en staan open voor hun voorstellen. Het bestuur brengt regelmatig verslag uit over de doelen en resultaten die het behaalt. Het bestuur verantwoordt zich aan de overheid en belanghebbenden op een toegankelijke wijze.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de verantwoording en dialoog en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en in dat verband regelmatig de onderwijskwaliteit te beoordelen (artikel 1.3.6 WEB). Deze beoordeling dient te geschieden met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden (artikel 1.3.6, eerste lid, WEB). De externe deskundigen dienen onder andere afkomstig te zijn uit het bedrijfsleven (o.a. gezien artikel 7.1.2, tweede lid, artikel 7.2.8 en artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Het stelsel van kwaliteitszorg kan voorts niet functioneren als de instelling daarbij niet openstaat voor hun input. De instelling maakt de uitkomsten van deze beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, openbaar (artikel 1.3.6, tweede lid, WEB).
Normering
De normering voor het niet-bekostigd mbo is deels vergelijkbaar met de normering voor het bekostigd mbo. Voor het kwaliteitsgebied Kwaliteitszorg en ambitie is deze anders, omdat het niet-bekostigd mbo binnen dit gebied twee standaarden heeft.
Het oordeel of de waardering op de standaarden leidt als volgt tot een oordeel op het niveau van de opleiding:
Relatie examenkwaliteit en oordeel opleiding tot 2021
Bovenstaande tabel geeft de situatie vanaf augustus 2021 weer. Voor examinering en diplomering geldt tot die tijd dat we deze nog niet betrekken bij het samenvattend eindoordeel van de opleiding. We geven wel een oordeel/waardering over het kwaliteitsgebied Examinering en diplomering. Verder geldt tot die tijd dat de opleiding niet de waardering Goed kan krijgen als de Examenkwaliteit Onvoldoende is. Vanaf augustus 2021 betrekken we het oordeel en de waardering over het kwaliteitsgebied Examinering en diplomering wel bij het eindoordeel van de opleiding.
ONDERWIJSPROCES (OP)
In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor het vavo opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en/of de normering is te vinden in paragraaf 11.2. Standaarden of onderdelen die niet gelden voor niet-bekostigd vavo zijn aangeduid met een asterisk (*).
Het programma bereidt de cursisten voor op vervolgonderwijs en samenleving.
OP1. Onderwijsprogramma
Het programma bereidt de studenten voor op vervolgonderwijs en samenleving.
Basiskwaliteit
De opleiding biedt een onderwijsprogramma dat is toegespitst op de doelgroep en het diploma waartoe de opleiding diplomeert. Het programma is dekkend voor de examenprogramma’s. Het programma kent een duidelijke opbouw en samenhang en er zijn voldoende begeleide onderwijsuren. Het programma sluit aan bij het voorafgaand onderwijs, bereidt voor op het aanbod van vervolgonderwijs en biedt mogelijkheden voor maatwerk. Het programma is voor studenten tijdig en voor aanvang van de opleiding bekend.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het onderwijsprogramma en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
Het toezicht richt zich bij de standaard Onderwijsprogramma zowel op de geprogrammeerde inrichting van de opleiding als op de feitelijke uitvoering daarvan.
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). In het Eindexamenbesluit VO (EB) is vastgelegd uit welke stof en vakken een eindexamen bestaat (artikel 7, 11, 12, 13 en 22 EB). Het onderwijsprogramma dient dus dekkend te zijn met betrekking tot het examenprogramma en de studenten in staat te stellen het diploma mavo, havo of vwo of onderdelen daarvan te behalen (artikel 7.1.2, derde lid, artikel 7.3.4, eerste lid, WEB en artikel 7 EB). Dit betekent onder meer dat het programma moet zijn toegespitst op de doelgroep en voldoende begeleide onderwijstijd moet omvatten. Verder betekent dit dat de opleiding voor alle studenten maatwerk dient te bieden, nu de ene student voor andere vrijstellingen in aanmerking zal komen dan de andere student (artikel 9 en artikel 48, vierde lid, EB). De opleiding dient dus aan te sluiten op door de betreffende student gevolgd (en deels afgerond) voorafgaand onderwijs en daarnaast ook op het vervolgonderwijs (artikel 1.3.5, onder b, WEB*).
De studenten moeten tijdig voor aanvang van de opleiding bekend zijn met het programma door middel van een daartoe vastgestelde onderwijs- en examenregeling en een programma voor toetsing en afsluiting (artikel 7.4.8, tweede lid, jo. 7.4.11, zesde lid, WEB en 31 EB).
OP2. Ontwikkeling en begeleiding
De opleiding volgt de ontwikkeling van haar studenten met als doel het onderwijs voor hen vorm te geven en passende begeleiding en extra ondersteuning te bieden.
Basiskwaliteit
Studenten worden na aanmelding passend geplaatst en begeleid. De opleiding werkt hiertoe zo nodig samen met voorafgaand onderwijs*. De voortgangsbegeleiding is gestructureerd en zorgvuldig, en is afgestemd op de behoeften van de student en het examenprogramma behorend bij het te halen diploma. De opleiding stelt de student in staat het diploma of onderdelen daarvan te behalen. Docenten gaan regelmatig na in welke mate de studenten profiteren van het geboden onderwijs en hoe hun ontwikkeling verloopt. Zij analyseren de oorzaken bij afwijkende prestaties. Er is een ondersteuningsaanbod voor studenten met extra ondersteuningsbehoeften en de opleiding informeert studenten (en ouders) volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van ontwikkeling en begeleiding en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma zodanig in te richten dat studenten in staat worden gesteld het diploma mavo, havo of vwo of onderdelen daarvan te behalen (artikel 7.1.2, derde lid, artikel 7.3.4, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). Dit betekent onder meer dat studenten passend moeten worden geplaatst (artikel 1.3.5, onder b, WEB*). Zo nodig dient de opleiding hiertoe samen te werken met voorafgaand onderwijs. Verder betekent dit dat studenten gestructureerde en zorgvuldige begeleiding moet worden geboden, afgestemd op de behoeften van de student en het toepasselijke examenprogramma (artikel 7.1.2, derde lid, artikel 7.3.4, eerste lid, WEB en artikel 7 EB). Docenten dienen de ontwikkeling van de studenten hiertoe te volgen en regelmatig na te gaan in welke mate de studenten profiteren van het geboden onderwijs.
De instelling dient in een ondersteuningsaanbod te voorzien voor studenten met een extra ondersteuningsbehoefte en de studenten tijdig en volledig hierover te informeren (artikel 7.4.8, tweede lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB; zie ook artikel 1.3.5, onder a, WEB). In de onderwijsovereenkomst moeten in voorkomende gevallen bepalingen worden opgenomen die de extra ondersteuning betreffen (artikel 8.1.3, derde lid, onder g, WEB).
OP3. Didactisch handelen
Het didactisch handelen van het docententeam stelt de studenten in staat tot leren en ontwikkeling.
Basiskwaliteit
De didactische aanpak van het docententeam is passend voor het niveau van de opleiding. Het team zorgt voor effectieve leersituaties; leerdoelen en gestructureerde leeractiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de studenten. Docenten stemmen hun aanpak af op de behoeften van groepen en individuele studenten, zodat deze actief en betrokken zijn.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteit van het didactisch handelen en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en dit programma zodanig in te richten dat studenten in staat worden gesteld het diploma mavo, havo of vwo of onderdelen daarvan te behalen (artikel 7.1.2, derde lid, artikel 7.3.4, eerste lid en artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). Om dit te kunnen realiseren is onder meer vereist dat het docententeam zorgt voor effectieve leersituaties, waarbinnen de leerdoelen en -activiteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de vereiste competenties (artikel 7.1.2, derde lid en artikel 7.3.4, eerste lid, WEB en artikel 7 EB). Tot slot betekent het dat docenten zo nodig moeten kunnen differentiëren tussen groepen en/of individuele studenten (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB).
ED2. Exameninstrumentarium
ED1. Kwaliteitsborging examinering en diplomering
De examencommissie borgt deugdelijke examinering en diplomering.
Basiskwaliteit
De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of een student voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een diploma of een certificaat. De examencommissie vergewist zich met gepaste grondigheid van de volledigheid van het examendossier inclusief de centrale examens. De examencommissie bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de schoolexamens, van de afname en beoordeling en van de diplomering en ziet in voorkomende gevallen toe op de realisatie van verbetermaatregelen. De examencommissie borgt in alle fasen van de examinering de deskundigheid van de betrokken personen. De instelling betrekt de bevindingen van de examencommissie over de examenkwaliteit in haar verantwoording over de kwaliteit van de examens in een openbaar, jaarlijks verslag. Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is voldoende gewaarborgd door het bevoegd gezag.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteitsborging examinering en diplomering en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
Bijlage 4. Waarderingskader overige educatie
De instelling dient jaarlijks een verslag openbaar te maken over de beoordeling van de kwaliteit van de examens, de uitkomsten van die beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten (artikel 1.3.6, tweede lid, WEB). Wij gaan ervan uit dat bedoelde verantwoording door de instelling en bijbehorend beoordelingsproces niet goed mogelijk is zonder de input van de examencommissie. De instelling dient ervoor te zorgen dat het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie voldoende is gewaarborgd (artikel 7.4.5, derde lid, jo. artikel 7.4.11, tweede lid, WEB).
Het bestuur en de opleiding hebben een stelsel van kwaliteitszorg. Dit stelsel van kwaliteitszorg heeft betrekking op de onderwijskwaliteit en besteedt in ieder geval aandacht aan het onderwijsproces, de examinering en diplomering, de onderwijsresultaten en het onderhoud van de bekwaamheid van het personeel. Het bestuur en de opleiding beoordelen de onderwijskwaliteit regelmatig en betrekken daarbij onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden. Er zijn toetsbare doelen gesteld en er wordt regelmatig geëvalueerd of deze doelen worden gehaald. De uitkomsten zijn op toegankelijke wijze beschikbaar. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit worden geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doorgevoerd.
OR1. Resultaten118Voor het vavo hanteren we de standaard Resultaten uit het vo in plaats van Studiesucces in het mbo.
De opleiding behaalt met haar studenten leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.
Basiskwaliteit
De leerresultaten laten zien dat de opleiding studenten voldoende in staat stelt een diploma op het gewenste niveau te halen. De leerresultaten liggen de afgelopen drie jaar op het niveau dat op grond van de kenmerken van de studentenpopulatie verwacht mag worden. Dit betekent dat de studenten voor het eindexamen cijfers halen die op of boven de normering liggen die daarvoor geldt. Daarbij is het verschil (op opleidingsniveau) tussen het cijfer voor het schoolexamen en het centraal examen op een aanvaardbaar niveau.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de onderwijsresultaten en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De norm voor de onderwijsresultaten wordt na overleg met het onderwijsveld bepaald in de vorm van opbrengstindicatoren, uitgewerkt in bijlage 1 van dit onderzoekskader. We beoordelen de onderwijsresultaten op het niveau van de opleiding.
De norm voor de onderwijsresultaten hangt ten eerste samen met de plicht te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). De opleiding moet verder zodanig zijn ingericht dat studenten in staat worden gesteld het diploma mavo, havo of vwo of onderdelen daarvan te behalen (artikel 7.1.2, derde lid en artikel 7.3.4, eerste lid, WEB). Instellingen dienen voorts zorg te dragen voor het aanbieden van doelmatige leerwegen, onder andere door ervoor te zorgen dat de opleiding aansluit op het voorafgaand onderwijs en vervolgonderwijs (artikel 1.3.5, onder b, WEB)*. Gezien de relatie tussen de onderwijsresultaten en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg van de instelling worden verwacht dat zij hier inzicht in heeft en beleid op voert (artikel 1.3.6 WEB).
OR3. Vervolgsucces119De indicatoren voor de standaard Vervolgsucces zijn nog in ontwikkeling.*
De bestemming van de studenten na het verlaten van de opleiding is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding.
Basiskwaliteit
De instelling beschikt over toereikende gegevens over het vervolg van de loopbaan van studenten die de opleiding voortijdig of met een diploma hebben verlaten. Het vervolgsucces voldoet ten minste aan de verwachtingen van de opleiding.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op vervolgsucces en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). Een goede aansluiting van de opleiding op het vervolgonderwijs maakt daar onderdeel van uit en vloeit tevens voort uit de taak zorg te dragen voor het aanbieden van doelmatige leerwegen (artikel 1.3.5, onder b, WEB). Kennis van (het verwachte succes in) het vervolgonderwijs is verder noodzakelijk om studenten loopbaanoriëntatie en -begeleiding te kunnen bieden (artikel 1.3.5, onder c, WEB). Gezien de relatie tussen vervolgsucces en de onderwijskwaliteit mag in het kader van de kwaliteitszorg van de instelling worden verwacht dat zij hier inzicht in heeft en beleid op voert (artikel 1.3.6 WEB).
OP1. Onderwijsprogramma
KA1. Kwaliteitszorg
Het bestuur en de opleiding hebben een stelsel van kwaliteitszorg ingericht en verbeteren op basis daarvan het onderwijs.
Basiskwaliteit
Het bestuur en de opleiding hebben een stelsel van kwaliteitszorg. Dit stelsel van kwaliteitszorg heeft betrekking op de onderwijskwaliteit en besteedt in ieder geval aandacht aan het onderwijsproces, de examinering en diplomering, de onderwijsresultaten en het onderhoud van de bekwaamheid van het personeel. Het bestuur en de opleiding beoordelen de onderwijskwaliteit regelmatig en betrekken daarbij onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden. Er zijn toetsbare doelen gesteld en er wordt regelmatig geëvalueerd of deze doelen worden gehaald. De uitkomsten zijn op toegankelijke wijze beschikbaar. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit worden geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doorgevoerd.
De inrichting van de organisatie en de verantwoordelijkheidsverdeling maken een functionerend stelsel van kwaliteitszorg mogelijk*.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteitszorg en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient een stelsel van kwaliteitszorg in te richten en in dat verband regelmatig de onderwijskwaliteit te beoordelen (artikel 1.3.6 WEB). Uit artikel 1.3.6 blijkt expliciet dat hierbij aandacht moet worden besteed aan de examens en de maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt (zie met betrekking tot het personeel ook artikel 1.3.6a en hoofdstuk 4,titel 2 en 2a, WEB). Verder hangt de onderwijskwaliteit vanzelfsprekend samen met het onderwijsproces en de onderwijsresultaten; ook daaraan dient het stelsel van kwaliteitszorg derhalve aandacht te besteden.
Bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit dient de instelling (het oordeel van) studenten en onafhankelijke deskundigen en belanghebbenden te betrekken (artikel 1.3.6, eerste lid, WEB). Naar aanleiding van de uitkomsten daarvan dient zij beleid te formuleren (artikel 1.3.6, tweede lid, onder c, WEB). Het stellen van toetsbare doelen, een regelmatige beoordeling van de realisatie van die doelen en de implementatie van verbetermaatregelen zijn daarbij onmisbare elementen. Bovendien hangt de implementatie van verbetermaatregelen samen met de verplichting te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar en dienen, tezamen met het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten, te worden beschreven in het bestuursverslag (artikel 1.3.6 en artikel 2.5.4, eerste lid, WEB).
De organisatie en verantwoordelijkheidsverdeling dienen zodanig te zijn ingericht dat het stelsel van kwaliteitszorg ook daadwerkelijk van invloed is op de onderwijskwaliteit en die invloed bijvoorbeeld niet beperkt blijft tot bestuur of management. De verantwoordelijkheidsverdeling is neergelegd in de statuten en/of het bestuursreglement (artikel 9.1.4, 9.1.7 en 9.1.8 WEB)*.
KA2. Kwaliteitscultuur*
Het bestuur en de opleiding kennen een professionele kwaliteitscultuur en functioneren transparant en integer.
Basiskwaliteit
Het bestuur handelt volgens de Branchecode goed bestuur in het mbo en legt uit wanneer het daarvan afwijkt. Deze handelwijze leidt tot een integere en transparante organisatiecultuur waarin ieder vanuit zijn eigen rol werkt aan de versterking van de onderwijskwaliteit. Het bestuur en de opleiding werken gezamenlijk aan een voortdurende verbetering van de professionaliteit van het personeel. Het stelsel van kwaliteitszorg en het onderwijskundig leiderschap zijn verankerd en herkenbaar in de organisatie. Op alle niveaus werkt men resultaatgericht, is men aanspreekbaar op gemaakte afspraken en wordt dit ook van anderen gevraagd.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de kwaliteitscultuur en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
Het bestuur dient in het bestuursverslag verantwoording af te leggen over hoe het omgaat met de Branchecode goed bestuur in het mbo (artikel 2.5.4 WEB), waaronder begrepen afwijkingen van deze code – ofwel het principe ‘pas toe of leg uit’. In de branchecode zijn diverse voorwaarden voor een transparante en integere bestuurscultuur neergelegd, die ook weer samenhangen met het functioneren van het stelsel van kwaliteitszorg (artikel 1.3.6 WEB).
De instelling dient de kwaliteit van het onderwijspersoneel duurzaam te borgen (artikel 1.3.6a WEB). De instrumenten en maatregelen ten behoeve van het onderhoud van de bekwaamheid van het personeel maken expliciet onderdeel uit van het stelsel van kwaliteitszorg (artikel 1.3.6, eerste lid, WEB). De instelling dient docenten een zelfstandige verantwoordelijkheid te geven bij de beoordeling van de onderwijsprestaties van studenten en voldoende zeggenschap te geven waar het gaat om het vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische proces in de instelling (artikel 4.1a.1, eerste t/m derde lid, WEB).
Het stelsel van kwaliteitszorg dient zodanig in de organisatie te zijn verankerd dat het daadwerkelijk van invloed is op de onderwijskwaliteit en die invloed niet beperkt blijft tot bijvoorbeeld bestuur of management. Dit houdt tevens in dat men op alle niveaus resultaatgericht werkt en aanspreekbaar is op gemaakte afspraken. Het onderwijskundig leiderschap is herkenbaar in de organisatie.
KA3. Verantwoording en dialoog
Het bestuur en de opleiding leggen intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over doelen en resultaten en voeren daarover actief een dialoog.
Basiskwaliteit
De instelling faciliteert de mogelijkheid tot tegenspraak door onder andere de raad van toezicht, de ondernemingsraad en de studentenraad. Het bestuur en de opleiding betrekken interne en externe deskundigen en belanghebbenden bij de ontwikkeling van het beleid alsmede bij de beoordeling van de onderwijskwaliteit en staan open voor hun voorstellen. Het bestuur brengt regelmatig verslag uit over de doelen en resultaten die het behaalt. Het bestuur verantwoordt zich aan de intern toezichthouder, de overheid en belanghebbenden op een toegankelijke wijze.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de verantwoording en dialoog en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient een studentenraad, een ondernemingsraad, eventueel een ouderraad en een raad van toezicht te hebben (artikel 8a.1.2, artikel 8a.1.3 en artikel 9.1.4 WEB).120Dat de instelling een ondernemingsraad moet hebben, volgt uit de Wet op de ondernemingsraden. Wel bevat de WEB in hoofdstuk 8a een aantal aanvullende eisen met betrekking tot de ondernemingsraad. Met betrekking tot de studentenraad en eventuele ouderraad dient zij daarbij de mogelijkheid tot een volwaardige, goed functionerende en effectieve medezeggenschap van studenten en eventueel ouders te faciliteren (artikel 8a.1.4, eerste lid, artikel 8a.2.1 en artikel 8a.2.2a WEB). Eenzelfde zorgplicht geldt jegens de raad van toezicht (artikel 9.1.4, vierde en vijfde lid en artikel 9.1.7, eerste lid, onder a, WEB).
Het functioneren van deze organen hangt ook samen met het functioneren van het stelsel van kwaliteitszorg en bijbehorende regelmatige beoordeling van de onderwijskwaliteit (artikel 1.3.6 WEB). Los van deze organen zullen ook andere (onafhankelijke) interne en externe deskundigen en belanghebbenden bij deze beoordeling moeten worden betrokken (artikel 1.3.6, eerste lid, WEB).
De instelling maakt de uitkomsten van deze beoordeling en het voorgenomen beleid in het licht van die uitkomsten regelmatig, en voor zover het de examens betreft jaarlijks, openbaar (artikel 1.3.6, tweede lid, WEB). De instelling rapporteert hierover in het jaarlijkse bestuursverslag (artikel 2.5.4 WEB). Ook de raad van toezicht levert hier een bijdrage aan en daarnaast ligt het voor de hand dat ook de examencommissie dat doet (artikel 1.3.6, tweede lid, artikel 2.5.4 en artikel 9.1.4, derde lid, onder g, WEB).
Normering
Als een kwaliteitsgebied Voldoende is, dan voldoet het gebied aan de basiskwaliteit. Het oordeel of de waardering over de kwaliteitsgebieden komt als volgt tot stand:
Het oordeel of de waardering op de standaarden leidt als volgt tot een oordeel op het niveau van de opleiding:
Onvoldoende examenkwaliteit
De examenkwaliteit is Onvoldoende in de zin van artikel 6a.2.1, eerste lid, onder a, WEB en eventueel in verbinding met het vijfde lid, als aan de standaarden in het gebied Examinering en diplomering niet is voldaan. Op basis van artikel 6a.2.1, derde lid, WEB en evt. jo. vijfde lid, kan dit leiden tot een waarschuwing tot ontneming van het recht op examinering. Een bestuur kan tegen deze waarschuwing bezwaar en beroep aantekenen.
Norm zeer zwak onderwijs
Er is sprake van zeer zwak onderwijs indien het oordeel voor de standaarden Resultaten én Didactisch handelen Onvoldoende is.
Toelichting wettelijke eisen
In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor overige educatie opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en/of de normering is te vinden in paragraaf 11.3.
Onderwijsproces (OP)
OP1. Onderwijsprogramma
Het programma bereidt de cursisten voor op vervolgonderwijs en samenleving.
Basiskwaliteit
De opleiding biedt een onderwijsprogramma dat is toegespitst op de doelgroep. Het programma is afgestemd op de eindtermen, kent een duidelijke opbouw en samenhang, is passend bij de opleidingsduur, en er zijn voldoende begeleide onderwijsuren. Het programma biedt mogelijkheden voor maatwerk en het is tijdig, voor aanvang, bekend.
Toelichting wettelijke eisen
Het toezicht richt zich bij de standaard Onderwijsprogramma zowel op de geprogrammeerde inrichting van de opleiding als op de feitelijke uitvoering daarvan.
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). De opleiding moet gericht zijn op de zelfredzaamheid van volwassenen en moet bestaan uit een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van de eindtermen (artikel 7.1.2, derde lid, artikel 7.3.3 WEB, de Regeling vaststelling eindtermen en zie ook artikel 1.2.1, eerste lid, WEB). Om cursisten in staat te stellen deze eindtermen te verwezenlijken, dient de opleiding een passende opleidingsduur te hebben en voldoende begeleide onderwijsuren te bieden. Verder betekent dit dat het programma dient te zijn toegespitst op de doelgroep en zo nodig ook in maatwerk voor individuele cursisten dient te voorzien (artikel 7.4.8, eerste lid, WEB). Met het onderscheid tussen opleidingen educatie en andere opleidingen, bestaande uit een grotere mate van vrijheid, heeft de wetgever bovendien beoogd dat opleidingen educatie meer op het individu kunnen worden toegesneden.
Cursisten moeten tijdig, voor aanvang van de opleiding, bekend zijn met het programma door middel van een daartoe vastgestelde onderwijs- en examenregeling (artikel 7.4.8, tweede lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB).
OP2. Ontwikkeling en begeleiding
De opleiding volgt de ontwikkeling van haar cursisten met als doel het onderwijs voor hen vorm te geven en passende begeleiding en extra ondersteuning te bieden.
Basiskwaliteit
Cursisten worden na aanmelding passend geplaatst en begeleid. De voortgangsbegeleiding is gestructureerd en zorgvuldig en is afgestemd op de behoeften van de cursist en het beoogde doel. De opleiding stelt de cursist in staat de opleiding op het gewenste niveau en zo mogelijk binnen de geprogrammeerde tijd te behalen. Docenten gaan regelmatig na in welke mate de cursisten profiteren van het geboden onderwijs en hoe hun ontwikkeling verloopt. Zij analyseren de oorzaken bij afwijkende prestaties. Er is een ondersteuningsaanbod voor cursisten met extra ondersteuningsbehoeften en de opleiding informeert cursisten volledig en tijdig over de mogelijkheden voor extra ondersteuning.
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en te zijn gericht op de verwezenlijking van de eindtermen (artikel 7.1.2, derde lid en artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). Dit betekent onder meer dat cursisten passend moeten worden geplaatst. Verder betekent dit dat cursisten gestructureerde en zorgvuldige begeleiding moet worden geboden, afgestemd op de behoeften van de cursist en de gewenste ontwikkeling (artikel 7.1.2, derde lid, WEB). Docenten dienen de ontwikkeling van de cursisten hiertoe te volgen en regelmatig na te gaan in welke mate de cursisten profiteren van het geboden onderwijs.
De instelling dient in een ondersteuningsaanbod te voorzien voor cursisten met een extra ondersteuningsbehoefte en de cursisten tijdig en volledig hierover te informeren (artikel 7.4.8, tweede lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB).
OP3. Didactisch handelen
Het didactisch handelen van het docententeam stelt de cursisten in staat tot leren en ontwikkeling.
Basiskwaliteit
De didactische aanpak van het docententeam is passend voor het niveau van de opleiding. Het team zorgt voor effectieve leersituaties; leerdoelen en gestructureerde leeractiviteiten zijn gericht op de ontwikkeling van de cursisten. Docenten stemmen hun aanpak af op de behoeften van groepen en individuele cursisten, zodat deze actief en betrokken zijn.
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). Dit betekent onder meer dat het programma zodanig moet zijn ingericht dat cursisten de eindtermen zo mogelijk binnen de vastgestelde studieduur kunnen verwezenlijken (artikel 7.1.2, derde lid, WEB). Om dit te kunnen realiseren is onder meer vereist dat het docententeam zorgt voor effectieve leersituaties, waarbinnen de leerdoelen en -activiteiten zijn gericht op de gewenste ontwikkeling. Tot slot betekent het dat docenten zo nodig moeten kunnen differentiëren tussen groepen en/of individuele cursisten (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB).
Basiskwaliteit
ED1. Kwaliteitsborging examinering en diplomering
De examencommissie borgt deugdelijke examinering en diplomering.
Basiskwaliteit
De examencommissie stelt op objectieve en deskundige wijze vast of het diploma op juiste gronden is verstrekt. De examencommissie vergewist zich met gepaste grondigheid van de volledigheid van het examendossier. De examencommissie bewaakt, monitort en analyseert de kwaliteit van de exameninstrumenten, van de afname en beoordeling en van de diplomering, en ziet in voorkomende gevallen toe op de realisatie van verbetermaatregelen. De examencommissie borgt in alle fases van de examinering de deskundigheid van de betrokken personen. De instelling betrekt de bevindingen van de examencommissie over de examenkwaliteit in haar verantwoording over de kwaliteit van de examens in een openbaar, jaarlijks verslag. Het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie is door de instelling voldoende gewaarborgd.
Toelichting wettelijke eisen
De instelling dient te zorgen voor een goede organisatie en kwaliteit van de examinering (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB). Dit betekent onder meer dat de examencommissie slechts vrijstellingen kan verlenen en certificaten en/of diploma’s kan uitreiken indien de student daarvoor aan de vereiste voorwaarden heeft voldaan. De examencommissie dient zich hiervoor met gepaste grondigheid te vergewissen van de volledigheid van het examendossier. Verder betekent dit dat de examencommissie zich met gepaste grondigheid dient te vergewissen van de kwaliteit van de examinering en diplomering, waaronder de deskundigheid van bij de examinering betrokken personen, en zo nodig op de realisatie van verbetermaatregelen dient toe te zien (artikel 7.4.8, eerste lid, jo. artikel 7.4.11, zesde lid, WEB).
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)