Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/205700, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (Regeling basisregistratie ondergrond)
1.6.2.1. Attribuutsoort details Modelgebied naam
1.3.2. Het proces
1.6.2.3. Attribuutsoort details Modelgebied datum ingang
1.6.2.4. Attribuutsoort details Modelgebied datum einde
1.6.2.5. Attribuutsoort details Modelgebied dekkingsgebied
1.6.2.6. Attribuutsoort details Modelgebied grensvlak top
1.5.2. Observatie
1.6.3.1. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving boornummer
1.6.3.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving geometrie
1.6.3.3. Attribuutsoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving einddiepte
1.6.3.4. Relatiesoort details Geïnterpreteerde boormonsterbeschrijving behoort tot
1.5.2.1. Metadata observatie
1.6.4.1. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval interval
1.6.4.2. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval lithologie
1.6.4.3. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval zandmediaan
1.6.4.4. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval zandmediaanklasse
1.4. WaterML
1.6.4.6. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging silt
1.6.4.7. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging zand
1.6.4.8. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval bijmenging grind
1.5.2.2. Gerelateerde observaties
1.5. Belangrijkste entiteiten
1.6.4.11. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval schelpenfractie
1.5.1. Grondwaterstandonderzoek
1.6.4.13. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval micafractie
1.6.4.14. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval glauconietfractie
1.5.3. Observatieproces
1.6.4.16. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval kalkgehalte
1.6.4.17. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval consistentie klei
1.6.4.18. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval hoofdkleur
1.6.4.19. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval lutumpercentage
1.5.2. Observatie
1.6.4.21. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval indicatie schelpen aanwezig
1.6.4.22. Attribuutsoort details Boorbeschrijvingsinterval indicatie kleibrokjes aanwezig
1.5.4. Tijdmeetwaardereeks
1.6.5. Objecttype Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval
1.5.2.1. Metadata observatie
1.6.5.2. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geologische eenheid
1.5.5. Tijdmeetwaardepaar
1.6.5.4. Attribuutsoort details Geïnterpreteerd geologische eenheid-interval geulgeneratie
1.5.5.1. Metadata tijdmeetwaardepaar
1.6.6. Objecttype Geinterpreteerd lithoklasse-interval
1.6.6.1. Attribuutsoort details Geinterpreteerd lithoklasse-interval interval
1.6.6.2. Attribuutsoort details Geinterpreteerd lithoklasse-interval lithoklasse
1.6.6.3. Relatiesoort details Geinterpreteerd lithoklasse-interval behoort tot
1.5.2.2. Gerelateerde observaties
1.6.7.1. Attribuutsoort details Laag grensvlak top
1.6.7.2. Attribuutsoort details Laag grensvlak basis
1.6.7.3. Attribuutsoort details Laag dikte
1.6.7.4. Attribuutsoort details Laag geologische eenheid
1.6.7.5. Attribuutsoort details Laag breuk
1.5.3. Observatieproces
1.6.7.7. Relatiesoort details Laag maakt deel uit van
1.6.8. Objecttype Voxel
1.6.8.1. Attribuutsoort details Voxel geologische eenheid
1.6. Impact kwaliteitsregime IMBRO/A
1.6.8.3. Attribuutsoort details Voxel geometrie
1.6.8.4. Attribuutsoort details Voxel kans op organisch materiaal (veen)
1.6.8.5. Attribuutsoort details Voxel kans op klei
1.5.4. Tijdmeetwaardereeks
1.7. Hiërarchie in gebruiksplicht
1.6.8.8. Attribuutsoort details Voxel kans op matig grof zand
1.8. Samenhang en consistentie tussen verschillende registratieobjecten in het Grondwaterdomein
1.5.5. Tijdmeetwaardepaar
1.6.8.11. Attribuutsoort details Voxel kans op schelpen
1.5.5.1. Metadata tijdmeetwaardepaar
1.6.8.13. Attribuutsoort details Voxel modelonzekerheid lithoklasse
1.9. Inspire
1.6.9. Referentielijst Lithoklasse
1.6.9.1. Referentie element details Lithoklasse code
1.6.9.2. Referentie element details Lithoklasse naam
1.6.9.3. Referentie element details Lithoklasse voxelnummer
1. Gegevensdefinitie
1.1. Registratieobject
1.2. Het domeinmodel
1.3. Entiteiten en attributen
1.3.1. Bodemkaart
1.3.1.1. naam
1.3.1.2. soort
1.3.1.3. citation
1.6. Impact kwaliteitsregime IMBRO/A
1.3.2.1. staringreeks bouwsteen
1.3.3. Bodemlaag
1.3.3.1. afzettingskarakteristiek
1.3.4. Profiellaag
1.7. Hiërarchie in gebruiksplicht
1.3.5.1. geometrie
1.8. Samenhang en consistentie tussen verschillende registratieobjecten in het Grondwaterdomein
1.3.6.1. bodemhelling
1.3.6.2. gerelateerd bodemlichaam
1.3.7. Vlak van bodemkundig belang
1.3.7.1. bodemkundig belang
1.9. Inspire
Het doel van de Europese kaderrichtlijn INSPIRE is het harmoniseren en openbaar maken van ruimtelijke gegevens van overheidsorganisaties ten behoeve van het milieubeleid. Het registratieobject grondwaterstandonderzoek valt onder het INSPIRE-thema Environmental Monitoring Facilities, en om die reden moeten de gegevens in het registratieobject geschikt gemaakt worden voor uitwisseling volgens de INSPIRE-standaard. Dit wordt voor dit registratieobject geïmplementeerd middels een mapping van het gegevensmodel van het registratieobject grondwaterstandonderzoek op het gegevensmodel van het INSPIRE-thema. De inhoud van deze mapping is geen onderdeel van deze catalogus.
GeoTOP is een driedimensionaal geologisch model van de laagopbouw en grondsoort (bijvoorbeeld klei, zand, veen) van de ondiepe ondergrond van Nederland tot een diepte van maximaal 50 m onder NAP. In GeoTOP is de ondergrond onderverdeeld in een regelmatig driedimensionaal grid (raster) van aaneengesloten voxels (volumecellen) van 100 x 100 m in de horizontale richtingen en 0,5 m in de verticaal. Aan elke voxel zijn eigenschappen gekoppeld. Dit zijn de lithostratigrafische c.q. geologische eenheid (laag) waartoe een voxel behoort, de lithoklasse (grondsoort) die representatief is voor de voxel en een aantal attributen die tezamen een maat van modelonzekerheid vormen. Behalve voxels bevat GeoTOP ook een gedetailleerd lagenmodel en de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen die bij het maken van het model gebruikt zijn.
Deze bijlage betreft de catalogus van het registratieobject bodemkaart en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.
Versie ter vaststelling (v1.09) 26 oktober 2020
1. Gegevensdefinitie
Een belangrijk aspect van GeoTOP is dat het is opgedeeld in modelgebieden. GeoTOP wordt niet in één keer landelijk samengesteld maar regio-gewijs ontwikkeld. De prioriteitstelling vindt plaats in samenspraak tussen de Geologische Dienst Nederland en de gebruikers, onder auspiciën van de bronhouder (het Ministerie van BZK). Historische modelgebieden, die nog niet gemodelleerd zijn onder het kwaliteitsregime van de BRO (zoals vastgelegd in het Totstandkomingsrapport) worden in de BRO opgenomen als zijnde ‘in onderzoek’.
Op GeoTOP is versiebeheer van toepassing. Het versiebeheer geldt zowel voor individuele modelgebieden als voor GeoTOP als geheel. De in de BRO uitgeleverde actuele versie van GeoTOP omvat alle op dat moment actuele modelgebieden.
De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk viawww.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.
Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.
1.3.1.1. naam
1.3.1.2. soort
De belangrijkste gegevensbron voor GeoTOP zijn boormonsterbeschrijvingen. Elk van deze boormonsterbeschrijvingen geeft vaak gedetailleerde informatie over de opbouw van de ondergrond op één specifieke locatie. Voor het overgrote deel van de gridcellen en voxels geldt echter dat ze niet doorboord zijn. Dit betekent dat we een schatting moeten doen op basis van de in de omgeving van de gridcel of voxel aanwezige boormonsterbeschrijvingen. Hoe goed het model hiertoe in staat is, is onder andere afhankelijk van:
Alle maatstaven van onzekerheid in GeoTOP zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In GeoTOP spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.
1.3.2.1. staringreeks bouwsteen
Van elke gemodelleerde geologische eenheid in het lagenmodel is van zowel de top als de basis een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke diepteligging van de gemodelleerde top en basis van de geologische eenheid. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de diepteligging van de top of basis een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid en per modelgebied verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.
1.3.3.1. afzettingskarakteristiek
In het voxelmodel wordt de lithoklasse met behulp van stochastische interpolatietechnieken geschat. Deze technieken komen er in essentie op neer dat het model een groot aantal (bijvoorbeeld 100) keer wordt doorgerekend met telkens een andere, maar statistisch gezien even waarschijnlijke, uitkomst. Voor de lithoklasse van een voxel wordt dan bijvoorbeeld 80 keer klei geschat, 10 keer veen en 10 keer kleiig zand. Uit de verschillende schattingen wordt voor elke lithoklasse de kans op voorkomen berekend door het aantal keren dat de lithoklasse is geschat te delen door het aantal modelberekeningen (bijvoorbeeld 100). In het eerder beschreven voorbeeld is de kans op klei dan 0,8, de kans op veen 0,1 en de kans op kleiig zand eveneens 0,1.
De verschillende uitkomsten van de modelberekeningen geven aan hoe goed het model in staat is om een eenduidige schatting te geven: in het beste geval leidt elke modelberekening tot dezelfde uitkomst, in het slechtste geval komen alle mogelijke uitkomsten even vaak voor.
Voor individuele voxels kan de kansverdeling worden weergegeven in een histogram, waarmee een visualisatie van de modelonzekerheid in de betreffende voxel wordt verkregen (Figuur 3.5).
1.3.6. Bodemvlak
Naast de kans op lithoklasse bevat het voxelmodel een maat van modelonzekerheid die in één getalswaarde wordt uitgedrukt in plaats van een reeks afzonderlijke kansen voor elke mogelijke lithoklasse of geologische eenheid. Deze maat is afgeleid van het concept van informatie-entropie. In plaats van de term informatie-entropie wordt in GeoTOP de term modelonzekerheid gebruikt.
De modelonzekerheid van lithoklasse is de mate waarin het model in staat is om een eenduidige schatting te geven van de voor de voxel representatieve lithoklasse en heeft de volgende eigenschappen:
In onderstaande tabel is de modelonzekerheid (H) uitgewerkt voor een model met drie mogelijke lithoklassen (bijvoorbeeld zand, klei, veen, met kansen p1, p2, p3).
In de eerste situatie is de kans op de eerste lithoklasse 1, en hebben de beide andere lithoklassen een kans 0. Hieruit volgt dat het model zeer goed in staat is om een schatting te geven en de modelonzekerheid is daarom 0.
In de tweede situatie zijn de kansen op de drie lithoklassen aan elkaar gelijk. Het model is niet in staat om een eenduidige schatting te geven en de modelonzekerheid is daarom 1.
In de derde situatie zijn er twee lithoklassen met gelijke kansen. Het model kan geen eenduidige schatting geven van de eerste twee lithoklassen, maar lithoklasse 3 komt zeker niet voor.
In de laatste situatie wordt een kleine kans op lithoklasse 3 (p3 = 0.02 of 2%) geïntroduceerd waardoor de modelonzekerheid relatief sterk toeneemt.
1.3.8.3. landgebruik
De modelonzekerheid van geologische eenheid is de mate waarin het model in staat is om een eenduidige schatting te geven van de geologische eenheid waartoe de voxel behoort. Net als de modelonzekerheid op lithoklasse is deze onzekerheid afgeleid van het concept van informatie-entropie en heeft vergelijkbare eigenschappen. Bij de berekening van de modelonzekerheid wordt gebruik gemaakt van de standaarddeviaties van de top en de basis van de verschillende geologische eenheden uit het lagenmodel.
1.3.9. Bodemvlakcollectie
GeoTOP is een subregionaal ondergrondmodel met een gebruiksschaal die past bij toepassingen op provinciaal, gemeentelijk of wijkniveau. Deze gebruiksschaal is vergelijkbaar met de schaal van 1:50.000 die bij Geologische Kaart van Nederland, een voorloper van GeoTOP, gehanteerd werd. Bij ondergrondvraagstukken op een grotere schaal (straatniveau of individuele gebouwen) kan GeoTOP dienen als raamwerk waarbinnen meer detail kan worden aangebracht.
1.3.9.2. citation
1.3.10. ChemischeBodemkenmerken
De kwaliteit van GeoTOP is sterk afhankelijk van de volgende factoren:
De hoeveelheid beschikbare boormonsterbeschrijvingen. De gebruikte boormonsterbeschrijvingen zijn niet gelijkmatig over Nederland verdeeld. Er zijn gebieden met een zeer hoge boordichtheid, bijvoorbeeld Zuid-Holland en grote delen van Midden-Nederland. Andere delen van het land, zoals de Veluwe, hebben een veel lagere boordichtheid. Bovendien geldt dat de boordichtheid snel met de diepte afneemt. In het algemeen kan gesteld worden dat de afnemende datadichtheid dieper dan 30 m onder maaiveld leidt tot een sterk verminderde kwaliteit van de schatting van de lithoklasse.
De kwaliteit van de boormonsterbeschrijvingen. De gebruikte boormonsterbeschrijvingen zijn niet specifiek voor GeoTOP verzameld en de kwaliteit loopt, afhankelijk van het doel en de methode waarmee ze gezet zijn, sterk uiteen.
De ouderdom van de brongegevens. De te modelleren werkelijkheid zoals die in boormonsterbeschrijvingen en op geologisch en bodemkundig kaartmateriaal is weergegeven kan intussen zijn veranderd. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd, vergravingen (havens, vaargeulen), of zich verleggende geulsystemen in de Waddenzee.
De lijst met de afzettingskarakteristieken vanuit bodemkundig perspectief.
De toepassing waarin GeoTOP gebruikt wordt. Verschillende toepassingen stellen verschillende kwaliteitseisen.
De klasse van de overheersende helling in het Bodemvlak in procenten
1.3.10.8. veensoort
Generalisatie van bodemtypen op basis van moedermateriaal (grondsoort en afzettingswijze) en bodemvorming.
Aansluitingsproblemen zijn te herkennen aan onrealistische sprongen in de diepteligging van de top of basis van een geologische eenheid en abrupte overgangen in lithoklasse precies op de modelgebiedgrens. Het verdient daarom aanbeveling om in de nabijheid van een modelgebiedgrens niet alleen het model zelf, maar ook de geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen aan weerszijden van de grens te raadplegen. De grenzen van de modelgebieden zijn opgenomen in de BRO.
1.3.11. FysischeBodemKenmerken
1.3.11.1. leemgehalte
Opsomming van de toegestane waarden van specifieke kenmerken in de eerste 40 cm van het bodemprofiel.
Ook de manier waarop de monsters zijn beschreven en de vakkundigheid van de beschrijver spelen een belangrijke rol. Het besluit om de laagopbouw van een boring al dan niet uitgebreid te beschrijven, hangt o.a. af van het doel van de boring en de daarvoor beschikbare financiële middelen.
1.3.11.4. lutumgehalte
Uitgangspunt voor GeoTOP is dat alle beschikbare boormonsterbeschrijvingen worden meegenomen in de modellering. Voor een deel van de boormonsterbeschrijvingen geldt echter dat de kwaliteit zodanig laag is, dat GeoTOP er niet beter maar slechter door zou worden. Om deze boormonsterbeschrijvingen te traceren en uit te sluiten wordt een kwaliteitsfilter toegepast. Een eerste filter sluit boormonsterbeschrijvingen uit waarvan alleen kopgegevens bekend zijn of waarvan de kopgegevens maaiveldhoogte, einddiepte of locatie (x- en y-coördinaat) ontbreken.
Gebieden op de bodemkaart waar door bijzondere omstandigheden de bodem niet getypeerd kan worden.
Boormonsterbeschrijvingen die worden uitgesloten worden vastgelegd in een lijst met uit te sluiten boornummers, met een (korte) omschrijving van de reden waarom ze uitgesloten zijn. Deze lijst wordt in latere modelleerstappen op basis van controles van het lagenmodel nog handmatig aangevuld. Afhankelijk van het modelgebied wordt in het algemeen maximaal 10% van de boormonsterbeschrijvingen op basis van het automatische kwaliteitsfilter uitgesloten.
1.3.11.8. 10-percentiel zandmediaan
Boormonsterbeschrijvingen zijn een momentopname van de beschreven ondergrond. De opbouw van de ondergrond ter plaatse van de boormonsterbeschrijving kan in de tijd die verstreken is tussen het maken van de beschrijving en het construeren van het model veranderd zijn. Denk aan veen in een boormonsterbeschrijving dat inmiddels is geoxideerd, vergravingen (havens, vaargeulen), of zich verleggende geulsystemen in de Waddenzee.
1.3.11.10. siltgehalte
Bij het construeren van een modelgebied wordt op een zeker moment een momentopname (‘snapshot’) gemaakt van de brondatabase met boormonsterbeschrijvingen en de bijbehorende boormonsterbeschrijvingsintervallen. De interpretaties van de boormonsterbeschrijvingen worden vervolgens gebaseerd op deze momentopname. Alle wijzigingen die in de brondatabase na de momentopname worden aangebracht, zullen daarom niet zichtbaar zijn in het betreffende modelgebied.
1.3.12. Bodemeenheid
Door de omvang van de dataset is het ondoenlijk alle boormonsterbeschrijvingen handmatig te voorzien van een indeling in geologische eenheden. Bovendien bestaat bij handmatige werkzaamheden het gevaar van inconsistentie waarbij vergelijkbare boormonsterbeschrijvingen verschillend worden geïnterpreteerd. GeoTOP voorziet daarom in geautomatiseerde procedures om de boormonsterbeschrijving in geologische eenheden te interpreteren.
Code voor de bodemfysische eenheid (grondsoort).
1.3.12.3. kenmerken bovenlaag
De lijst met de soorten veen.
2. Uitbreidbare waardelijsten
De Bodemkaart is één van de registratieobjecten in de BRO, en wordt aangeduid als een ‘model’. Voor de bodemkaart betekent dit dat de kaart zelf het ‘model’ is, dat tot stand gekomen is via de bodemkundige kartering. De kaart is een resultaat van de interpretatie van data die in het veld zijn ingewonnen door experts, de ‘veldbodemkundigen’. Dit is Informatie die ook in de BRO is opgenomen, met name in de registratieobjecten bodemkundig boormonsteronderzoek (BHR-p) en bodemkundig wandonderzoek (SFR-p), en grondwaterdynamiek zijn hiervoor van belang. In deze objecten wordt profielopbouw met fysische en chemische analyses geregistreerd.
De lijst met de afzettingskarakteristieken vanuit bodemkundig perspectief.
De bodem is het buitenste deel van de aarde. Het materiaal waaruit de bodem bestaat (het moedermateriaal of uitgangsmateriaal) is in ons land grotendeels van elders aangevoerd, o.a. door de wind (löss, dekzand, stuifzand, duinzand), de rivieren (rivierklei en -zand), de zee (zeeklei en -zand) en door het landijs (smeltwaterafzettingen, keileem), soms is het ter plaatse ontstaan (veen).
2.5.5. Breuken
Binnen de modellering van GeoTOP wordt rekening gehouden met breuken. Per breuksegment is aangegeven in welke basis van een geologische eenheid dit breuksegment nog invloed heeft. Om modeltechnische redenen worden in de modellering van de geologische eenheden van GeoTOP de breuken verondersteld verticaal te zijn.
2.5.6. Lagenmodel
2.4. Bodemklasse
Een bodemklasse is een onderverdeling van de bodemhoofdklasse tot een bodemeenheid (ookwel: legenda-eenheid).
2.5. BodemkenmerkenBovenlaag
Opsomming van de toegestane waarden van specifieke kenmerken in de eerste 40 cm van het bodemprofiel.
2.6. BodemkenmerkenOnderlaag
Opsomming van de toegestane waarden van specifieke kenmerken in het bodemprofiel dieper dan 40 cm.
Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.
3.3.2. De bodemkaart als bodemkundig model
De Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50.000 vormt de basis voor het bodemkundig model in de Basisregistratie Ondergrond. De kaart geeft voor het landelijk gebied door middel van kaartvlakken informatie over de bodemopbouw en bodemkenmerken tot een diepte van ca. 1,2 m-mv. [Steur-Heijink1991]. Elk kaartvlak of object bevat een code voor de bodemeenheid. De bodemkaart is een 2-dimensionaal model dat de bodem als profiel tot 1,2 m -mv beschrijft, waarmee het impliciet voor een deel 3D eigenschappen meekrijgt.
Aanduiding van de soorten Bodemvlakcollecties.
2.9. Landgebruik
2.5.7.1. Stochastisch model
Bij het construeren van het voxelmodel wordt een stochastische interpolatietechniek gebruikt om de lithoklasse van de voxels te schatten. De procedure leidt tot een set van bijvoorbeeld 100 verschillende, maar statistisch gezien even waarschijnlijke schattingen. Via een speciaal daarvoor ontwikkelde methode worden de lithoklassen gemiddeld tot de ‘meest waarschijnlijke lithoklasse’. Daarnaast wordt voor elke lithoklasse de kans op voorkomen berekend door het aantal keer dat in een voxel de lithoklasse geschat is te delen door het aantal schattingen.
2.5.7.2. Verschillen tussen voxelmodel en lagenmodel
De afgeleide profielen geven een beschrijving van de laagopbouw tot 1,20 m diepte. Ze bevatten per horizont of laag informatie over:
Code voor de bodemfysische eenheid (grondsoort).
De afgeleide profielen zijn opgesteld met informatie uit het Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) van Alterra. Dit is een database met beschrijvingen en geanalyseerde gegevens van de bodemopbouw op meer dan 5.000 locaties. Per bodemeenheid zijn de gegevens voor de afzonderlijke horizonten geselecteerd, zoals begin- en einddiepte van de horizont, modale, minimum en maximum gehalten, enz. Als eindcontrole zijn de resultaten van de selecties geverifieerd met gegevens uit de toelichtingen bij de afzonderlijke kaartbladen van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50.000. Bij bepaalde eenheden van de bodemkaart komen regionale afwijkingen voor. In Flevoland zijn bijvoorbeeld de kleidekken bij de zandgronden (kHn21) kalkrijk, terwijl de kleidekken elders in Nederland veelal kalkarm zijn. Informatie over de kalk komt bij deze gronden niet in de code tot uiting. Hetzelfde geldt ook voor de veengronden met een zanddek of kleidek in Flevoland. Daarnaast zijn er gronden met veenmosveen (Vs) die zowel in hoogveengebieden in het oosten van het land als in laagveengebieden in het westen voorkomen. In het westen van het land zijn deze gronden met lutum verrijkt. Voor dit soort eenheden zijn twee afgeleide profielen beschikbaar die gekoppeld zijn op basis van de regio.
3.3.4. Inventarisatiemethoden
Rond 1960 is Stiboka in Zeeland gestart met de landelijke kartering van de bodem op schaal 1: 50 000. De kaart is uitgegeven per kaartblad van de topografische kaart, schaal 1: 50 000, met daarbij een toelichting in boekvorm. Door de aanpak per kaartblad verschilt de periode van opname van blad tot blad (fig. 2). Het veldwerk voor het laatste kaartblad is in 1995 afgerond. De bodemkaart is als GIS-bestand beschikbaar (versie 1). Hiervoor zijn de analoge kaarten gedigitaliseerd. Na de eerste opname zijn vanaf 2010 fragmenten van de kaart geactualiseerd. De inventarisatiemethode bij de actualisatie wijkt af van de methode die bij de eerste opname is gehanteerd.
3.3.4.1. Uitgebreide veldverkenning voor de eerste opname van de bodemkaart
3.1. Bodem en bodemkartering
De bodem is het buitenste deel van de aarde. Het materiaal waaruit de bodem bestaat (het moedermateriaal of uitgangsmateriaal) is in ons land grotendeels van elders aangevoerd, o.a. door de wind (löss, dekzand, stuifzand, duinzand), de rivieren (rivierklei en -zand), de zee (zeeklei en -zand) en door het landijs (smeltwaterafzettingen, keileem), soms is het ter plaatse ontstaan (veen).
2.6.2. Gebruiksschaal
Nabij het aardoppervlak heeft GeoTOP een gebruiksschaal van circa 1:50.000. Door de afnemende datadichtheid met de diepte geldt op grotere dieptes een kleinere gebruiksschaal. Door verschillen in datadichtheid zijn er daarnaast regionale verschillen in de gebruiksschaal van het model. Zie ook de toelichting in 5.4.
2.6.3. Gebiedsaanduiding
Omdat informatie in het stedelijk gebied ontbreekt is de bodemkaart niet geschikt voor het oplossen van stedelijke vraagstukken. Op locaties waar na de kartering stedelijk gebied is ontstaan kan de bodemopbouw op die locatie gewijzigd zijn. De beoordeling of het geleverde informatieniveau nog bruikbaar is voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker.
2.6.4. Horizontale begrenzing
De horizontale begrenzing is zowel voor het model als geheel als voor elk modelgebied afzonderlijk vastgelegd in een polygoon.
2.6.5. Verticale begrenzing
Versie: 0.99
De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk via www.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.
Artikel 1. Definities
Geomorfologische Kaart 1:50.000 – overzicht – Ontwerp conceptueel model voor de Geomorfologische kaart, ten behoeve van de Basisregistratie Ondergrond (BRO).
De Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50.000 vormt de basis voor het bodemkundig model in de Basisregistratie Ondergrond. De kaart geeft voor het landelijk gebied door middel van kaartvlakken informatie over de bodemopbouw en bodemkenmerken tot een diepte van ca. 1,2 m-mv. [Steur-Heijink1991]. Elk kaartvlak of object bevat een code voor de bodemeenheid. De bodemkaart is een 2-dimensionaal model dat de bodem als profiel tot 1,2 m -mv beschrijft, waarmee het impliciet voor een deel 3D eigenschappen meekrijgt.
3.3.3. Indeling bodemeenheden
Een bodemeenheid verstrekt informatie over belangrijke kenmerken van het bodemprofiel tot een diepte van ca. 1,2 m-mv. De hoofdindeling van de bodemeenheden is in hoofdlijnen een indeling naar moedermateriaal (grondsoort en afzettingswijze) en bodemvorming. De verdere onderverdeling in hoofdklassen sluit nauw aan bij die van het Systeem van Bodemclassificatie voor Nederland [Bakker-Schelling1989] tot en met het niveau van de subgroep. Dit niveau is in de legenda naamgevend. De hoofdklassen worden op de bodemkaart gecodeerd met één of twee hoofdletters. De volgende hoofdklassen worden onderscheiden:
Bijlage XV. behorend bij artikel 11, onderdeel n, van de Regeling basisregistratie ondergrond
Deze bijlage betreft de catalogus van het registratieobject digitaal geologisch model en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.
De Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50.000, onderscheidt meer dan 1700 unieke eenheden, verdeeld over iets meer dan 52.000 verschillende kaartvlakken. Alterra-rapport 654 (De Vries, 1999) bevat documentatie over deze landelijke bodemeenheden. Voor alle bodemeenheden met een landelijke oppervlakte van tenminste 2.000 ha geven afgeleide profielen informatie over belangrijke kenmerken. Afgeleide profielen (ook wel standaardprofielen of profielschetsen genoemd) zijn representatieve bodemprofielen voor de eenheden op de bodemkaart. In totaal zijn er 315 verschillende bodemeenheden beschreven, gezamenlijk beslaan deze eenheden ca. 83% van de Nederlandse oppervlakte. De eenheden van de bodemkaart met een gering oppervlakte (< 2.000 ha) zijn geassocieerd met aanverwante beschreven eenheden. Op deze manier is de fysischchemische karakterisering voor alle eenheden van de Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50.000, beschikbaar.
De afgeleide profielen geven een beschrijving van de laagopbouw tot 1,20 m diepte. Ze bevatten per horizont of laag informatie over:
1.2.2. Referentielijst ToevoegingBedekking
1.2.3. Referentielijst Genese
3.3.4. Inventarisatiemethoden
1.2.4. Referentielijst ReliefCodeDal
3.3.4.1. Uitgebreide veldverkenning voor de eerste opname van de bodemkaart
1.2.5. Referentielijst ReliefCodeNietDal
1.2.5.1. Overzicht referentie elementen
1.2.6. Referentielijst Landvormgroep
3.3.4.2. Digitale bodemkartering voor de actualisatie van de bodemeenheden
1.3.1. Union Reliefcode
1.3.1.1. Overzicht keuze elementen
1.4. Gestruktureerde datatypen
1.4.1. Gestructureerd datatype Landvormeenheid
1.4.1.1. Overzicht data elementen
1.4.2. Gestructureerd datatype LandvormSubgroepType
1.4.2.1. Overzicht data elementen
Artikel 1. Definities
1.4.3.1. Overzicht data elementen
1.1. Objecttypen
1.1.1. Objecttype Geomorfologische kaart
1.1.2. Objecttype Dijk van geomorfologisch belang
1.1.3. Objecttype Geomorfologisch vlak
1.2. Referentielijsten
1.2.1. Referentielijst ToevoegingRelief
1.2.1.1. Overzicht referentie elementen
1.2.2. Referentielijst ToevoegingBedekking
1.2.3. Referentielijst Genese
1.2.3.1. Overzicht referentie elementen
1.2.4. Referentielijst ReliefCodeDal
1.2.4.1. Overzicht referentie elementen
1.2.5. Referentielijst ReliefCodeNietDal
1.2.5.1. Overzicht referentie elementen
1.2.6. Referentielijst Landvormgroep
1.3. Unions
1.3.1. Union Reliefcode
1.3.1.1. Overzicht keuze elementen
1.4. Gestruktureerde datatypen
1.4.1. Gestructureerd datatype Landvormeenheid
1.4.1.1. Overzicht data elementen
1.4.2. Gestructureerd datatype LandvormSubgroepType
1.4.2.1. Overzicht data elementen
1.4.3. Gestructureerd datatype ReliefType
1.4.3.1. Overzicht data elementen
1.4.4. Gestructureerd datatype Bestand
1.4.4.1. Overzicht data elementen
1.5. Primitieve datatypen
1.5.1. Primitief datatype Identifier
1.5.2. Primitief datatype EX_Extent
1.5.3. Primitief datatype GM_MultiSolid
1.5.4. Primitief datatype GM_MultiSurface
1.6. Codelijsten
1.7. Enumeraties
1.8. Attribuut- en relatiesoort details
1.8.1. Objecttype Geomorfologische kaart
1.8.1.1. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart identificatie
1.8.1.2. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart naam
1.8.1.3. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart soort
1.8.1.4. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart bron
1.8.1.5. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart bereik
1.8.1.6. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart inventarisatiemethode
1.8.1.7. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart schaal
1.8.1.8. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart beginLifespanVersion
1.8.1.9. Attribuutsoort details Geomorfologische kaart endLifespanVersion
1.8.1.10. Relatiesoort details Geomorfologische kaart bestaat uit
1.8.1.11. Relatiesoort details Geomorfologische kaart is gedocumenteerd in
1.8.1.12. Relatiesoort details Geomorfologische kaart bestaat uit
1.8.2. Objecttype Dijk van geomorfologisch belang
1.8.2.1. Attribuutsoort details Dijk van geomorfologisch belang identificatie
1.8.3. Objecttype Geomorfologisch vlak
1.8.3.1. Attribuutsoort details Geomorfologisch vlak identificatie
1.8.3.2. Attribuutsoort details Geomorfologisch vlak landvormeenheid
1.8.4. Referentielijst ToevoegingRelief
1.8.4.1. Referentie element details ToevoegingRelief code
1.8.4.2. Referentie element details ToevoegingRelief omschrijving
1.8.5. Referentielijst Genese
1.8.5.1. Referentie element details Genese code
1.8.5.2. Referentie element details Genese vormbepalende factoren
1.8.6. Referentielijst ReliefCodeDal
1.8.6.1. Referentie element details ReliefCodeDal diepte
1.8.6.2. Referentie element details ReliefCodeDal steilste verhang
1.8.6.3. Referentie element details ReliefCodeDal maximaal hoogteverschil
1.8.6.4. Referentie element details ReliefCodeDal maximaal verval
1.8.6.5. Referentie element details ReliefCodeDal code
1.8.7. Referentielijst ReliefCodeNietDal
1.8.7.1. Referentie element details ReliefCodeNietDal reliëf
1.8.7.2. Referentie element details ReliefCodeNietDal helling
1.8.7.3. Referentie element details ReliefCodeNietDal lokaal maximaal hoogteverschil
1.8.7.4. Referentie element details ReliefCodeNietDal code
1.8.8. Keuze Reliefcode
1.8.8.1. Union element details Reliefcode reliefCodeDalWaarde
1.8.8.2. Union element details Reliefcode reliefCodeNietDalWaarde
1.8.9. Gestructureerd datatype Landvormeenheid
1.8.9.1. Data element details Landvormeenheid relief
Digitaal Geologisch Model (DGM) is een registratieobject in het domein modellen. Het gaat in dit domein om schematische weergaven van de werkelijkheid in twee of drie dimensies. Deze schematische weergaven geven een schatting of voorspelling van de opbouw en eigenschappen van de bodem of ondergrond. Modellen zijn sterk afhankelijk van de hoeveelheid en kwaliteit van de beschikbare ondergrondgegevens zoals boormonsterbeschrijvingen. De kwaliteit van de modellen zal daarom toenemen naarmate er meer ondergrondgegevens in de BRO beschikbaar komen.
De informatie op de Geomorfologische Kaart van Nederland 1 : 50.000, die de basis vormt voor het geomorfologisch model in de Basisregistratie Ondergrond, heeft betrekking op reliëf, genese en ouderdom van het landschap. Er wordt continu gewerkt aan actualisatie en verdere detaillering. De kaart geeft veelal nog geen informatie over de stedelijke gebieden. De geomorfologische kaart is geschikt voor het vaststellen van aardkundige waarden, monitoring van veranderingen in het landschap, het maken van Omdat informatie in het stedelijk gebied ontbreekt is de geomorfologische kaart niet geschikt is voor het oplossen van stedelijke vraagstukken. De beoordeling of het geleverde informatieniveau nog bruikbaar is voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker.
De geomorfologische kaart is geschikt voor het afleiden van thematische kaarten ten behoeve van bovengenoemde toepassingen. Deze thematische kaarten vallen echter niet binnen de verantwoordelijkheid van de Basisregistratie Ondergrond. In het gebruik voor nationale, regionale en lokale toepassingen geldt dat de informatiebehoefte per oppervlakte-eenheid toeneemt naarmate het probleem grootschaliger (lokaler) wordt. De opnameschaal van de data is 1:50.000 en geeft op dat schaalniveau het bijbehorende detail. De beoordeling of het geleverde informatieniveau overeenkomt met de informatiebehoefte voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker.
De onderlinge samenhang van de in de BRO opgenomen geïnterpreteerde boormonsterbeschrijvingen en het lagenmodel is geïllustreerd in Figuur 3.1 – 3.2.
1.8.10. Gestructureerd datatype LandvormSubgroepType
De klassen die we op de geomorfologische kaart onderscheiden noemen we landvormen. Voor de classificatie van de landvormen worden drie niveaus gehanteerd. Op het hoogste niveau worden 11 landvormgroepen onderscheiden die in hun uiterlijke gedaante bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben zoals bijvoorbeeld terrassen, dalen en vlakten. Landvormgroepen worden op basis van hun genese verder onderverdeeld in subgroepen voor de landvorm; de landvormgroep ‘vlakte’ wordt onderverdeeld in bijvoorbeeld dekzandvlakten, vlakten van getij-afzettingen en rivierkomvlakten. Het laagste indelingsniveau is dat van de ‘landvormeenheid’, waarbij de subgroepen worden onderverdeeld naar reliëf, de aanwezigheid van afwijkende geologische afzettingen in de bovengrond en of sprake is van een actief morfologisch proces.
De klassen voor geomorfologische eenheden vormen de brug tussen waarneming en model. Het is een in klasse gevatte karakteristiek van de landvorm. Bestond de oude classificatie nog uit drie onderdelen, in de nieuwe opzet bestaat deze voor een geomorfologische eenheid uit 7 onderdelen:
Een uitgebreide toelichting op de legenda van de Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 is online beschikbaar [Maas2017].
1.8.11. Gestructureerd datatype ReliefType
1.8.11.1. Data element details ReliefType reliefCode
Als er wijzigingen zijn in een waardelijst, wordt er uiterlijk twee maanden vóór inwerkingtreding een notificatie op die website gezet, zodat gebruikers nog tijd hebben om hun eigen omgeving op de wijzigingen aan te passen.
Alle maatstaven van onzekerheid in DGM zijn gebaseerd op de in het model gebruikte (stochastische) interpolatietechnieken. Het is belangrijk om te beseffen dat deze technieken niet expliciet rekening houden met de onzekerheidsmarges in de gebruikte brongegevens (waaronder de boormonsterbeschrijvingen). In DGM spreken we daarom van modelonzekerheid in plaats van onzekerheid.
1.8.12.1. Data element details Bestand naam
Van elke gemodelleerde geologische eenheid van het lagenmodel is van zowel de top, basis als de dikte een standaarddeviatieraster berekend. Deze rasters geven voor elke rastercel de modelonzekerheid weer, uitgedrukt in de standaarddeviatie (in m) van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke diepteligging van de gemodelleerde top en basis van de geologische eenheid en de daaruit afgeleide dikte. Met de standaarddeviatie is het mogelijk om de kans te bepalen dat de dikte of de diepteligging van de top of basis een bepaalde afwijking vertoont van de door het model geschatte, meest waarschijnlijke waarde. De manier waarop de standaarddeviatie berekend wordt kan per geologische eenheid verschillen. Welke manier van toepassing is wordt beschreven in het Totstandkomingsrapport dat met het model in de BRO is opgenomen.
1.8.13. Codelijst details ReliefKlasse
Alleen voor de vormgroep dalvormige laagten (dalen) geldt een classificatie, waarbij vier reliëfkenmerken onderscheidend zijn:
1.8.15. Enumeratie details NaamBestand
De toevoeging reliëf geeft aanvullende informatie over het reliëf. Er zijn 5 verschillende reliëf-toevoegingen onderscheiden. In een aantal gevallen komen reliëfverschillen voor die niet onderscheidend zijn qua vormgroep en reliëfklasse, maar wel relevante informatie bevatten voor het kaartbeeld. [Maas2017]
Toelichting
2.5.1. Algemeen
De Geomorfologische kaart is een van de registratieobjecten in de BRO, en wordt aangeduid als een ‘model’. Voor de Geomorfologische kaart betekent dit dat de kaart zelf het ‘model’ is dat tot stand gekomen is via een interpretatie van het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN) en de Bodemkaart 1: 50:000. Deze laatste is ook als registratieobject in de BRO is opgenomen.
Geomorfologie is de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van de vormen van het aardoppervlak en de processen die bij het ontstaan daarvan een rol spelen of hebben gespeeld. De geomorfologische kaart (het ‘model’) is het product van een kartering van reliefpatronen op basis van hoogtegegevens van het aardoppervlak, gecombineerd met hulpinformatie over de opbouw en samenstelling van de bodem en de ondergrond en actuele- en historische landgebruiksdata. Daarnaast vindt in het veld een controle van de kartering plaats waarbij op basis van visuele waarnemingen waar nodig wijzigingen in de begrenzing landvorm worden aangebracht.
2.1. Geomorfologisch onderzoek en -kartering
2.3.6. Toevoeging ‘Bovengrond’
Onderzoek en educatie; de geomorfologische kaart en kennis van de geomorfologie is belangrijk bij environmental science studies en onderzoeken in dat vakgebied [Koomen-Maas2004].
2.2. Gebruikersperspectief
De informatie op de Geomorfologische Kaart van Nederland 1 : 50.000, die de basis vormt voor het geomorfologisch model in de Basisregistratie Ondergrond, heeft betrekking op reliëf, genese en ouderdom van het landschap. Er wordt continu gewerkt aan actualisatie en verdere detaillering. De kaart geeft veelal nog geen informatie over de stedelijke gebieden. De geomorfologische kaart is geschikt voor het vaststellen van aardkundige waarden, monitoring van veranderingen in het landschap, het maken van Omdat informatie in het stedelijk gebied ontbreekt is de geomorfologische kaart niet geschikt is voor het oplossen van stedelijke vraagstukken. De beoordeling of het geleverde informatieniveau nog bruikbaar is voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker.
De geomorfologische kaart is geschikt voor het afleiden van thematische kaarten ten behoeve van bovengenoemde toepassingen. Deze thematische kaarten vallen echter niet binnen de verantwoordelijkheid van de Basisregistratie Ondergrond. In het gebruik voor nationale, regionale en lokale toepassingen geldt dat de informatiebehoefte per oppervlakte-eenheid toeneemt naarmate het probleem grootschaliger (lokaler) wordt. De opnameschaal van de data is 1:50.000 en geeft op dat schaalniveau het bijbehorende detail. De beoordeling of het geleverde informatieniveau overeenkomt met de informatiebehoefte voor de specifieke vraagstelling is ter beoordeling aan de gebruiker.
2.3. Classificatie, legenda en geomorfologische karteringen
Met ingang van 2017 heeft de Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 een nieuwe opzet, is de terminologie aangepast en is de gebruikte classificatie herzien.
2.5.2.4. Interpretatie in geologische eenheden
De klassen voor geomorfologische eenheden vormen de brug tussen waarneming en model. Het is een in klasse gevatte karakteristiek van de landvorm. Bestond de oude classificatie nog uit drie onderdelen, in de nieuwe opzet bestaat deze voor een geomorfologische eenheid uit 7 onderdelen:
Een uitgebreide toelichting op de legenda van de Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 is online beschikbaar [Maas2017].
2.3.1. Versiebeheer
De beheerder van een model maakt zijn waardenlijsten (codelijsten en/of referentielijsten) bekend op een algemeen bekend formaat (PDF en als downloadable bestand) en maakt deze toegankelijk via www.basisregistratieondergrond.nl. De waardenlijsten worden meegeleverd bij de modellevering.
2.5.4. Lagenmodel
2.3.2. Vormgroep
Tot een vormgroep behoren landvormen die in hun uiterlijke gedaante bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben. Binnen de landvormen worden 11 vormgroepen onderscheiden. De vormgroepen zijn individueel te onderscheiden landvormen en gerangschikt naar de sterkte van het reliëf. Van (sterk) boven hun omgeving uitstekend naar (sterk) beneden hun omgeving liggend. Niet alle landvormen Als zijn als gevolg van de kaartschaal 1:50.000 zijn niet overal alle landvormen overal individueel te karteren. In die gevallen zijn de Geomorfologische patronen die meerdere landvormen omvatten worden landvormen die er voorkomen samengevoegd in de zogenaamde worden tot de vormgroep complexe landvormen in één vormgroep gerekend. Voor elke landvormgroep gelden specifieke reliëfklassen. [Maas2017]
2.3.3. Reliëf
Reliëf is de verticale dimensie van het landschap; het geheel van hoogtes en laagtes in het landschap. De reliëfcode die gebruikt wordt in de codering van de geomorfologische eenheden is een classificatie op basis van een aantal reliëfkenmerken. Voor de niet-dalvormige landvormgroepen geldt de indeling waarbij het reliëf uit twee onderscheidende kenmerken bestaat:
Alleen voor de vormgroep dalvormige laagten (dalen) geldt een classificatie, waarbij vier reliëfkenmerken onderscheidend zijn:
2.6. Metadata
2.6.1. Resolutie
Datum: 07 mei 2019
Artikel 1. Definities
De landschapsvormen in Nederland zijn vooral ontstaan onder invloed van landijs (stuwwallen en smeltwaterdalen), wind (dekzandruggen, dekzandvlaktes, zandduinen en lössvlaktes), rivieren (stroomruggen en kommen), de zee (op- en aanwasvlaktes en geulen) en veenvorming (veenvlaktes). In Zuid-Nederland is tektoniek van invloed geweest op het ontstaan van hoogtes en laagtes. En in de recente tijd is door allerlei ingrepen van de mens het reliëf vervlakt of juist versterkt. Er zijn 10 vormbepalende factoren onderscheiden. [Maas2017]
2.3.5. Landvormsubgroep
Vormen binnen de vormgroep en met dezelfde genese, maar met andere specifieke vormkenmerken. [Maas2017]
2.3.6. Toevoeging ‘Bovengrond’
Met deze toevoeging wordt aanvullende informatie geven over afwijkende sedimentpakketten die van invloed zijn op de uiterlijke reliëfkenmerken van de landvorm. Alleen in die gevallen waar de landvorm qua reliëf afwijkt door een min of meer lokaal voorkomende bedekking met een afwijkend sediment (textuur) wordt deze toevoeging toegepast. Niet bij alle landvormen wordt informatie gegeven over afdekkende lagen, omdat die niet van invloed is op het reliëf. Daarvoor is de Bodemkaart van Nederland 1:50.000 beschikbaar.
1.1.4. Objecttype Boorbeschrijvingsinterval
De verticale begrenzing aan de bovenkant wordt bepaald door het maaiveld- en waterbodemhoogtebestand. Dit bestand is een raster met cellen van 100 x 100 m. Elke rastercel geeft de hoogteligging van het maaiveld resp. de waterbodem ten opzichte van NAP weer.
Indien er geomorfologische processen actief op een landvorm inwerken krijgt de landvorm de aanduiding dynamiek. De aanduiding dynamiek is een aanvulling op het onderdeel genese van de vormeenheid en sluit aan bij de vormbepalende factor die van toepassing is. Er zijn 5 vormbepalende factoren die in combinatie met de aanduiding dynamiek kunnen voorkomen.
1.2. Referentielijsten
Alle coördinaten in DGM zijn gegeven in meter in het Rijksdriehoekstelsel (RD).
Of een landvorm onderhevig is aan actieve fluviatiele of mariene processen is afhankelijk van het feit of de vormen binnen- of buitendijks liggen. Voor de karakterisering van de landvorm is dat essentieel. (Primaire) dijken vormen de scheiding tussen actieve en niet-actieve landvormen.
2.5. Inventarisatiemethoden
Alle hoogten in het lagenmodel van DGM zijn gegeven in meter ten opzichte van NAP.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Domeinmodel geologisch booronderzoek – Boormonsterbeschrijving
Domeinmodel geologisch booronderzoek – Boormonsteranalyse deel 1
Domeinmodel geologisch booronderzoek – Boormonsteranalyse deel 3
3.56.2. fractie 75tot90um
3.56.4. fractie 105tot125um
3.56.5. fractie 125tot150um
3.56.7. fractie 180tot200um
3.56.8. fractie 200tot210um
3.56.9. fractie 210tot250um
De lijst met de materialen waarmee het boorgat na het boren is opgevuld.
De lijst met de exogene processen die in het terrein actief zijn.
De lijst met de procedures voor de uitvoering van de geologische boormonsteranalyse.
De lijst met de apparaten waarmee is gestoken of gekernd.
De lijst voor de classificatie van het deel van het oppervlak dat door vlekken van een bepaalde kleur in beslag wordt genomen.
De lijst met de kwaliteitsniveaus van de boormonsters die de bemonstering heeft beoogd op te leveren.
De lijst met de methoden voor het uit de ondergrond nemen van boormonsters.
De lijst met de procedures voor bemonstering.
De lijst met de categorieën van hydrofysische eigenschappen die van het materiaal zijn bepaald.
De lijst met de materialen waarmee het boorgat na het boren is opgevuld.
De lijst met de exogene processen die in het terrein actief zijn.
De lijst met de procedures voor de uitvoering van de geologische boormonsteranalyse.
De lijst met de apparaten waarmee is gestoken of gekernd.
De lijst voor de classificatie van het aandeel in de associatie.
De lijst voor de classificatie van het deel van het oppervlak dat door vlekken van een bepaalde kleur in beslag wordt genomen.
De lijst met de kwaliteitsniveaus van de boormonsters die de bemonstering heeft beoogd op te leveren.
De lijst met de methoden voor het uit de ondergrond nemen van boormonsters.
De lijst met de procedures voor bemonstering.
De lijst met de categorieën van hydrofysische eigenschappen die van het materiaal zijn bepaald.
De lijst met de categorieën van samenstellingseigenschappen die van het materiaal zijn bepaald.
De lijst met de methoden die voor de bepalingen in de geologische monsteranalyse worden toegepast.
De lijst met de procedures die voor de bepalingen in de geologische monsteranalyse worden toegepast.
De lijst met de materialen waaruit de lagen in een boorprofiel bestaan.
De lijst met de kwaliteitsniveaus van de geologische boorprofielen.
De lijst met de plekken waar het beschrijven van boormonsters wordt uitgevoerd.
De lijst met de procedures voor geologische boormonsterbeschrijving.
De lijst met de procedures voor boren.
De lijst met de materialen waaruit de buizen die in het boorgat zijn achtergebleven bestaan.
De lijst voor de classificatie van de stijfheid van fijne grond.
De lijst met de vloeistoffen en de gassen die in bepalingen zijn gebruikt.
De lijst met de waarden voor de geologische typering van de wording van lagen en laagjes.
De lijst met de grondsoorten vanuit geologisch perspectief.
De lijst voor de classificatie van de mediaan van de grindfractie
De lijst met de bronnen waaruit de waarde die wordt gebruikt als rekenwaarde is overgenomen.
De lijst met de horizontcodes.
De lijst met de hulpmiddelen die voor het maken van de geologische boormonsterbeschrijving kunnen worden gekozen.
De lijst met de hydrologische omstandigheden van het terrein.
De lijst met de kleuren van grond en slib.
De lijst met de categorieën voor het indelen van zandkorrels naar kleur.
De lijst met de kwaliteitsniveaus van de monsters op het moment van de uitvoering van de beschrijving.
De lijst met de landschapselementen.
De lijst met de menselijke sporen die de laagopbouw verstoren.
De lijst met de methoden voor het bepalen van de locatie van het onderzoek.
De lijst met de methoden voor het bepalen van de verticale positie van de sliblaag.
De lijst met de methoden voor het bepalen van de verticale positie van het onderzoek.
De lijst met de kwaliteitsniveaus van de monsters op het moment van de uitvoering van de bepaling.
De lijst voor de codes van de witheid in het Munsellsysteem.
De lijst voor de codes van de zuiverheid in het Munsellsysteem.
De lijst voor de classificatie van het aandeel organische stof in grond volgens NEN 5104.
De lijst met de redenen waarom een interval niet is beschreven.
De lijst met de referentiestelsels waarin de coördinaten zijn gedefinieerd.
De lijst met de statussen waarin het registratieobject zich bevindt.
De lijst met de sedimentaire fenomenen.
De lijst voor de classificatie van de bolrondheid van korrels.
De lijst met de bestanddelen van lagen die vanuit archeologisch oogpunt interessant zijn.
De lijst met de bijzondere bestanddelen van grond.
De lijst met de categorieën dierlijke fossielen.
De lijst met de soorten gesteente.
De lijst met de soorten grind.
De lijst met de soorten grond die als brokje, insluitsel, lens of afwijkend laagje voorkomen.
De lijst met de soorten plantenresten die als bestanddeel van de veenfractie voorkomen.
De lijst met de namen van de taxonomische categorieën schelpen.
De lijst met de soorten veen.
De lijst met de materialen die aan werkwater zijn toegevoegd.
De lijst met de redenen waarom met de activiteit in het veld is opgehouden.
De lijst met de waarden voor de interne opbouw van lagen.
De lijst voor de classificatie van de mate van vezeligheid van organische grond.
De lijst met de waarden voor tijdelijke verandering in het terrein.
De lijst met de gebruikte modellen voor de vertaling van meetresultaten van de laserdiffractie naar de korrelgrootteverdeling.
De lijst met de discontinuïteiten die de laagopbouw verstoren.
De lijst met de omschrijvingen van de wijze waarop een antropogene laag is ontstaan.
De lijst met de vakgebieden waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd.
De lijst met de referentievlakken waarin de verticale positie is gedefinieerd.
De lijst met de omschrijvingen van de aard van een geleidelijke verticale verandering in een laag.
De lijst met de materialen die zijn verwijderd.
De lijst met de methoden voor het verwijderen van koolzure kalk.
De lijst met de methoden voor verzadiging die voor de bepalingen in de geologische monsteranalyse worden toegepast.
Een booronderzoek is in de basisregistratie ondergrond het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek booronderzoek dat op een specifiek moment en op een specifieke locatie in Nederland en onder een bepaalde opdracht is uitgevoerd. Booronderzoek levert een grote verscheidenheid aan gegevens en dat vraagt om ordening van informatie. Het belangrijkste gegeven om het onderzoek in te delen is het vakgebied.
De lijst met de kleuren van vlekken.
De lijst met de standaardclassificatie van volumepercentages in het vakgebied geologie.
Het specialistische karakter van het onderzoek komt onder meer naar voren in de eigen manier van het beschrijven van boormonsters. Die beschrijving is erop gericht gegevens vast te leggen die het mogelijk maken natuurlijke eenheden te identificeren. Daartoe wordt de samenstelling van het materiaal in detail vastgelegd en er wordt bijvoorbeeld gelet op allerlei aspecten die informatie in zich dragen over de omstandigheden waaronder het materiaal is gevormd en over de herkomst en de ouderdom ervan. Dat soort gegevens is nodig voor het maken van interpretaties die weer gebruikt worden voor het maken van de modellen. De interpretaties en de modellen vallen in de systematiek van de basisregistratie niet onder het booronderzoek. Modellen vormen een apart registratiedomein en alleen bepaalde landelijke modellen worden in de basisregistratie opgenomen. De modellen waarvoor de gegevens worden ingewonnen hebben een definiërend karakter en leveren de kaders voor praktisch alle vormen van onderzoek aan de ondergrond, waaronder booronderzoek vanuit andere vakgebieden.
De lijst met de werkzaamheden die tijdens het boren zijn uitgevoerd om een interval te prepareren ten behoeve van de bemonstering.
De indeling naar vakgebied heeft haar beperkingen. In de werkelijkheid komt het voor dat booronderzoek een multidisciplinair karakter heeft en vanuit een combinatie van vakgebieden wordt uitgevoerd. Wanneer het om multidisciplinair onderzoek gaat dat een combinatie is van vakgebieden die onder de reikwijdte van de basisregistratie vallen, zullen de bijzondere eisen die ervoor gelden worden vastgelegd in de catalogus die voor het booronderzoek in zijn geheel gaat gelden.
De lijst met de werkzaamheden die voor het boren zijn uitgevoerd.
De lijst met de vormen van voorkomens van andere soorten grond of gesteente in grond.
De lijst met de materialen die zijn weggegraven.
De kwaliteit van de monsters is van een groot aantal factoren afhankelijk: hoe er geboord is, hoe de monsters genomen zijn, met wat voor apparaat, hoe de monsters boven de grond zijn behandeld, getransporteerd en opgeslagen. De gegevens over het boren, bemonsteren en de relevante specificaties van het apparaat zijn in deze catalogus opgenomen. Die gegevens bepalen het maximaal te bereiken kwaliteitsniveau. Om die kwaliteit in het verdere proces te kunnen behouden, zijn binnen het werkveld van de geotechniek procedures opgesteld en die worden ook in het geologisch werkveld gevolgd. Monsters worden ingedeeld in 5 klassen op basis van de NEN-EN-ISO 22475 en voor iedere klasse is vastgelegd hoe de monsters behandeld moeten worden vanaf het moment dat ze boven de grond zijn gekomen. De classificatie geeft aan in welke mate de oorspronkelijke toestand van de grond bewaard is gebleven. Geroerde monsters, dat wil zeggen monsters waarin de oorspronkelijke samenhang van de grond al door het boren verloren is gegaan, vormen één klasse. De andere klassen hebben betrekking op ongeroerde monsters, monsters waarin de oorspronkelijke samenhang van de grond in enige mate bewaard is gebleven. In hoeverre de kwaliteit op het moment dat de monsters worden beschreven of geanalyseerd afwijkt van de initiële kwaliteit, wordt vastgelegd als onderdeel van het onderzoek.
Geologisch booronderzoek omvat gewoonlijk drie van de vier deelonderzoeken die in booronderzoek kunnen worden onderscheiden en dat zijn de boormonsterbeschrijving, de boormonsterfotografie en, de boormonsteranalyse. Het vierde deelonderzoek, de boorgatlogging, het onderzoek waarin het boorgat wordt bemeten, wordt niet zo vaak uitgevoerd. Van de vier deelonderzoeken zijn er twee in deze versie van de catalogus opgenomen, de boormonsterbeschrijving en de boormonsteranalyse (Figuur 1).
De lijst voor de classificatie van de spreiding van de korrelgrootte van de zandfractie.
De lijst voor de classificatie van het aandeel van zeer grove korrels in de grond.
Met het van kracht worden van de nieuwe norm zijn de al bestaande verschillen tussen geologisch en geotechnisch booronderzoek groter geworden. Dat geldt ook voor het verschil tussen geologisch en toegepast geologisch onderzoek. Toegepast geologisch booronderzoek zal aansluiten op de NEN-EN-ISO 14688.
De lijst met de methoden voor het corrigeren voor het gehalte aan opgeloste zouten.
Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat de gegevens die het booronderzoek identificeren en allerlei administratieve gegevens die betrekking hebben op onder meer de herkomst van het onderzoek in de registratie. Zo geeft de entiteit informatie over het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd (kader inwinning), en de grondslag voor de verplichting tot aanlevering (kader aanlevering).
De catalogus voor het geologisch booronderzoek beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van het booronderzoek dat vanuit het vakgebied van de geologie is uitgevoerd. De catalogus beschrijft de algemene gegevens van dit booronderzoek samen met de gedetailleerde uitwerking van de gegevens van de boormonsterbeschrijving, en van de gegevens die voortkomen uit het analyseren van boormonsters, en kent een aantal beperkingen. De boormonsterbeschrijving omvat alleen de gegevens die onder de standaard boorbeschrijvingsmethode die binnen de Geologische Dienst Nederland wordt gebruikt worden vastgelegd en de beschrijving van gesteente is nog niet opgenomen. Verder beperkt deze versie zich tot onderzoek dat onder kwaliteitsregime IMBRO valt. Het kwaliteitsregime IMBRO/A, dat bedoeld is voor historische gegevens, beperkt zich tot de uitgebreide beschrijvingen die onder de standaard boorbeschrijvingsmethode zijn vastgelegd. De eisen voor IMBRO/A voor andere historische gegevens, worden in een volgende versie opgenomen.
Voor de gegevens die onder de basisregistratie ondergrond vallen, wordt een indeling in vijf verschillende vakgebieden gehanteerd. Naast geologie zijn dat toegepaste geologie, bodemkunde, cultuurtechniek en geotechniek. De catalogus voor het registratieobject komt in delen tot stand. Eerst wordt voor ieder vakgebied een catalogus gemaakt. Wanneer de vijf catalogi gereed zijn wordt een nieuwe catalogus gemaakt die alle vakgebieden omvat en waarin de ongewenste verschillen zijn weggenomen. Die catalogus geeft een samenhangende beschrijving van het registratieobject booronderzoek.
De indeling van het booronderzoek naar vakgebied is bedoeld om categorieën van gegevens te onderscheiden zodat per categorie een catalogus kan worden gemaakt. Het ene vakgebied is breder dan het andere. De categorie die met geologisch booronderzoek wordt aangeduid is betrekkelijk smal. Het onderzoek heeft een specialistisch karakter en dekt met name de gegevens die ingewonnen worden met als doel ze te gebruiken voor het maken en verbeteren van modellen die de opbouw van de ondergrond in termen van hydrogeologische en geologische eenheden beschrijven. Dat is het typisch geologisch booronderzoek. In de praktijk wordt onderzoek dat voor andere doelen wordt uitgevoerd ook tot het geologisch booronderzoek gerekend als het qua methodiek en gegevensinhoud met dit type overeenkomt.
Geologisch booronderzoek wordt zowel op land als op zee uitgevoerd en kan tot duizenden meters diepte onder maaiveld of waterbodem reiken. Op grote diepte bestaat de ondergrond niet langer uit grond maar uit gesteente. Geologisch onderzoek richt zich vooral op de natuurlijke ondergrond, maar ook de grondlichamen die door de mens zijn neergelegd worden in het onderzoek meegenomen.
De indeling naar vakgebied heeft haar beperkingen. In de werkelijkheid komt het voor dat booronderzoek een multidisciplinair karakter heeft en vanuit een combinatie van vakgebieden wordt uitgevoerd. Wanneer het om multidisciplinair onderzoek gaat dat een combinatie is van vakgebieden die onder de reikwijdte van de basisregistratie vallen, zullen de bijzondere eisen die ervoor gelden worden vastgelegd in de catalogus die voor het booronderzoek in zijn geheel gaat gelden.
Archeologisch en milieukundig booronderzoek vallen echter buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond. Wanneer geologisch onderzoek wordt gecombineerd met archeologisch of milieukundig onderzoek wordt alleen het geologische deel van het onderzoek in de basisregistratie ondergrond opgenomen. In zo’n geval wordt wel gepreciseerd dat slechts een deel van de resultaten is geregistreerd.
Het doel van het boren is dat er monsters uit de ondergrond worden gehaald. Dat kan op allerlei manieren gebeuren en tijdens het boren kan men herhaaldelijk van manier wisselen (Bemonsterd interval).
Booronderzoek omvat vormen van onderzoek die ermee beginnen dat de ondergrond door boren wordt ontsloten. Wat onder boren moet worden verstaan is in verreweg de meeste gevallen triviaal, het is het maken van een gat met behulp van een apparaat dat we een boor noemen. In de definities wordt duidelijk dat er ook andere manieren zijn om een gat in de ondergrond te maken en die worden gemakshalve toch tot het boren gerekend. Er worden echter ook gaten in de ondergrond gemaakt met afwijkende methoden die buiten het bereik van deze catalogus vallen. Dat zijn allemaal methoden die op water worden gebruikt en die tot doel hebben een hap uit de waterbodem te nemen. Apparaten die daarvoor gebruikt worden zijn bijvoorbeeld de boxcorer en de Van Veen-bodemhapper. Onderzoek dat gebaseerd is op dergelijke technieken valt helemaal buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond en de reden daarvoor is dat de resultaten een zeer geringe waarde voor hergebruik hebben, omdat de diepte van het bemonsterde interval niet goed bepaald is en de waterbodem binnen korte tijd kan veranderen.
Geologisch booronderzoek omvat gewoonlijk drie van de vier deelonderzoeken die in booronderzoek kunnen worden onderscheiden en dat zijn de boormonsterbeschrijving, de boormonsterfotografie en, de boormonsteranalyse. Het vierde deelonderzoek, de boorgatlogging, het onderzoek waarin het boorgat wordt bemeten, wordt niet zo vaak uitgevoerd. Van de vier deelonderzoeken zijn er twee in deze versie van de catalogus opgenomen, de boormonsterbeschrijving en de boormonsteranalyse (Figuur 1).
Met het van kracht worden van de nieuwe norm zijn de al bestaande verschillen tussen geologisch en geotechnisch booronderzoek groter geworden. Dat geldt ook voor het verschil tussen geologisch en toegepast geologisch onderzoek. Toegepast geologisch booronderzoek zal aansluiten op de NEN-EN-ISO 14688.
Over het hele boortraject zijn monsters met een relatief lage kwaliteit, geroerde monsters, genomen. Daarnaast zijn van bepaalde dieptes monsters met een hoge kwaliteit, ongeroerde monsters, verkregen. Het verschil in kwaliteit is zo groot dat de monsters apart beschreven moeten worden. In het eerste geval ontstaat een continu profiel, in het tweede een discontinu profiel.
De registratiegeschiedenis van een booronderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.
De bronhouder beslist of hij de resultaten van een booronderzoek in delen of in hun geheel gerapporteerd wil krijgen. Wanneer een rapport dat onder de wettelijke verplichtingen valt door de bronhouder is geaccepteerd, wordt het ter registratie aan de landelijke voorziening aangeboden. De rapportagegeschiedenis geeft de essentie van het verloop van de rapportage en vormt de zgn. materiële geschiedenis van het object booronderzoek.
Lagen die genetische eenheden zijn, bestaan op allerlei schalen, maar in de beschrijfpraktijk ligt de dikte vaak in het bereik van een decimeter tot een meter. De minimale dikte is voor de beschrijving vastgesteld op 2 millimeter; een maximale dikte is niet vastgelegd.
Bij het boren gebruikt men een bepaalde techniek om het apparaat dat men gekozen heeft de grond in te drijven. Bij onderzoek dat zich tot geringe diepte beperkt boort men vaak met de hand, voor ander onderzoek gebeurt dat veelal mechanisch. Tijdens het boren kan men herhaaldelijk van techniek wisselen, en voor een goed begrip van de onderzoeksresultaten is het van belang te weten welk deel van de ondergrond met welke techniek is doorboord (Geboord interval).
Het doel van het boren is dat er monsters uit de ondergrond worden gehaald. Dat kan op allerlei manieren gebeuren en tijdens het boren kan men herhaaldelijk van manier wisselen (Bemonsterd interval).
Wanneer men ten slotte klaar is met boren kan het ontstane gat op een bepaalde manier worden afgewerkt. Dat kan weer per diepte-interval verschillen (Afgewerkt interval).
Het deel van de grond dat uit grind (minerale korrels die in grootte variëren van 2 tot 63 mm) bestaat wordt apart beschreven. Het gaat daarbij onder meer om de vorm (hoekigheid, sfericiteit), de kleur (bontheid) en de grootte van de korrels (bijv. grindmediaanklasse). Specialisten benoemen ook nog de herkomst van het grind en het soort minerale korrels (Grindbestanddeel).
Het deel van de grond dat uit zand (minerale korrels die in grootte variëren van 0,063 tot 2 mm) bestaat wordt apart beschreven. Het gaat daarbij onder meer om de vorm (hoekigheid), de kleur (bontheid) en de grootte van de korrels (bijv. zandmediaanklasse). Specialisten benoemen ook nog de verdeling van de korrels naar kleur (Zandbestanddeel).
Een boorprofiel heeft een bepaalde beschrijfkwaliteit en dat wil zeggen dat de kwaliteit van de monsters waarop de beschrijving gebaseerd is en de mate van detail in de beschrijving over het hele profiel vergelijkbaar zijn. Een geval waarin een boormonsterbeschrijving twee boorprofielen oplevert is wanneer op een bepaalde plaats een boring is gezet die op twee manieren bemonsterd is (Figuur 4).
Wat een laag in een geologisch boorprofiel voorstelt, hangt echter af van de kwaliteit van de monsters.
In een boorprofiel dat betrekking heeft op geroerde monsters, is de laag een bemonsteringseenheid en vertegenwoordigt iedere laag een monster. Zo’n laag wordt beschreven als een lithologisch homogeen geheel en heeft een soort grond (Grond).
Lagen die genetische eenheden zijn, bestaan op allerlei schalen, maar in de beschrijfpraktijk ligt de dikte vaak in het bereik van een decimeter tot een meter. De minimale dikte is voor de beschrijving vastgesteld op 2 millimeter; een maximale dikte is niet vastgelegd.
In het meest voorkomende geval (Figuur 5a) is de laag een lithologisch homogeen geheel of kan de laag als zodanig worden beschreven. Zo’n laag kan structuurloos zijn of een bepaalde structuur hebben en bestaat uit een soort grond die in detail wordt beschreven. In een dergelijke laag kunnen een of enkele laagjes voorkomen die uit een afwijkende grondsoort bestaan, maar die worden alleen globaal beschreven.
Onder SBB 6 versie 2022 wordt van grond altijd de grondsoort, de kleur, de hoeveelheid glauconiet en het al dan niet voorkomen van sporen van beworteling vastgelegd. Om de gegevens beter bruikbaar te maken voor de geotechniek wordt naast de geologische naam van de grondsoort, ook de geotechnische naam volgens NEN-EN-ISO 14688 vastgelegd.
Voor de korrelgrootteverdeling wordt de samenstelling van het materiaal bepaald vanuit het perspectief dat grond een mengsel van minerale deeltjes van verschillende grootte is. De deeltjes worden korrels genoemd. Volgens een bepaalde methode, of combinatie van methoden, wordt het aandeel van de gekozen groottefracties in het totale mengsel bepaald. De fracties bij elkaar vormen een aaneensluitende reeks die het groottebereik volledig dekt.
Voorafgaand aan de bepaling wordt standaard organische stof verwijderd en in de meeste gevallen ook koolzure kalk. Als voorbehandeling worden in het materiaal kleiner dan 2 mm samengeklonterde korreltjes van elkaar los gemaakt (dispersie).
De korrelgrootteverdeling wordt in eerste instantie gebruikt om het materiaal te classificeren.
Wanneer de grond gevlekt is wordt het voorkomen van de vlekken beschreven (Vlek).
Het kalkgehalte is een basisparameter die primair gebruikt wordt om de grond te classificeren.
Het gehalte aan organische stof wordt bepaald door het organisch materiaal op een bepaalde manier te verwijderen en het verlies aan massa te meten. Bij de berekening van het gehalte kan het nodig zijn te corrigeren voor het verlies van water dat aan klei is gebonden (lutumcorrectie) of aan ijzeroxiden (vrij ijzercorrectie).
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)