Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2017, nr. IENM/BSK-2017/205700, houdende regels met betrekking tot de basisregistratie ondergrond (Regeling basisregistratie ondergrond)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 67
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De indeling van het booronderzoek naar vakgebied is bedoeld om categorieën van gegevens te onderscheiden zodat per categorie een catalogus kan worden gemaakt. Het ene vakgebied is breder dan het andere. De categorie die met geologisch booronderzoek wordt aangeduid is betrekkelijk smal. Het onderzoek heeft een specialistisch karakter en dekt met name de gegevens die ingewonnen worden met als doel ze te gebruiken voor het maken en verbeteren van modellen die de opbouw van de ondergrond in termen van hydrogeologische en geologische eenheden beschrijven. Dat is het typisch geologisch booronderzoek. In de praktijk wordt onderzoek dat voor andere doelen wordt uitgevoerd ook tot het geologisch booronderzoek gerekend als het qua methodiek en gegevensinhoud met dit type overeenkomt.

Het specialistische karakter van het onderzoek komt onder meer naar voren in de eigen manier van het beschrijven van boormonsters. Die beschrijving is erop gericht gegevens vast te leggen die het mogelijk maken natuurlijke eenheden te identificeren. Daartoe wordt de samenstelling van het materiaal in detail vastgelegd en er wordt bijvoorbeeld gelet op allerlei aspecten die informatie in zich dragen over de omstandigheden waaronder het materiaal is gevormd en over de herkomst en de ouderdom ervan. Dat soort gegevens is nodig voor het maken van interpretaties die weer gebruikt worden voor het maken van de modellen. De interpretaties en de modellen vallen in de systematiek van de basisregistratie niet onder het booronderzoek. Modellen vormen een apart registratiedomein en alleen bepaalde landelijke modellen worden in de basisregistratie opgenomen. De modellen waarvoor de gegevens worden ingewonnen hebben een definiërend karakter en leveren de kaders voor praktisch alle vormen van onderzoek aan de ondergrond, waaronder booronderzoek vanuit andere vakgebieden.

Geologisch booronderzoek wordt zowel op land als op zee uitgevoerd en kan tot duizenden meters diepte onder maaiveld of waterbodem reiken. Op grote diepte bestaat de ondergrond niet langer uit grond maar uit gesteente. Geologisch onderzoek richt zich vooral op de natuurlijke ondergrond, maar ook de grondlichamen die door de mens zijn neergelegd worden in het onderzoek meegenomen.

De indeling naar vakgebied heeft haar beperkingen. In de werkelijkheid komt het voor dat booronderzoek een multidisciplinair karakter heeft en vanuit een combinatie van vakgebieden wordt uitgevoerd. Wanneer het om multidisciplinair onderzoek gaat dat een combinatie is van vakgebieden die onder de reikwijdte van de basisregistratie vallen, zullen de bijzondere eisen die ervoor gelden worden vastgelegd in de catalogus die voor het booronderzoek in zijn geheel gaat gelden. Archeologisch en milieukundig booronderzoek vallen echter buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond. Wanneer geologisch onderzoek wordt gecombineerd met archeologisch of milieukundig onderzoek wordt alleen het geologische deel van het onderzoek in de basisregistratie ondergrond opgenomen. In zo’n geval wordt wel gepreciseerd dat slechts een deel van de resultaten is geregistreerd.

Booronderzoek omvat vormen van onderzoek die ermee beginnen dat de ondergrond door boren wordt ontsloten. Wat onder boren moet worden verstaan is in verreweg de meeste gevallen triviaal, het is het maken van een gat met behulp van een apparaat dat we een boor noemen. In de definities wordt duidelijk dat er ook andere manieren zijn om een gat in de ondergrond te maken en die worden gemakshalve toch tot het boren gerekend. Er worden echter ook gaten in de ondergrond gemaakt met afwijkende methoden die buiten het bereik van deze catalogus vallen. Dat zijn allemaal methoden die op water worden gebruikt en die tot doel hebben een hap uit de waterbodem te nemen. Apparaten die daarvoor gebruikt worden zijn bijvoorbeeld de boxcorer en de Van Veen-bodemhapper. Onderzoek dat gebaseerd is op dergelijke technieken valt helemaal buiten het bereik van de basisregistratie ondergrond en de reden daarvoor is dat de resultaten een zeer geringe waarde voor hergebruik hebben, omdat de diepte van het bemonsterde interval niet goed bepaald is en de waterbodem binnen korte tijd kan veranderen.

De gegevens over de opbouw en de eigenschappen van de ondergrond die uit booronderzoek voortkomen, zijn gebaseerd op monsters die uit de ondergrond genomen zijn. Voor het hergebruik van de gegevens is het van belang te weten in welke mate de monsters waarop de waarnemingen en metingen zijn gebaseerd representatief geacht kunnen worden voor de situatie in-situ. Anders gezegd, voor hergebruik is het van belang de kwaliteit van de monsters vast te leggen.

De kwaliteit van de monsters is van een groot aantal factoren afhankelijk: hoe er geboord is, hoe de monsters genomen zijn, met wat voor apparaat, hoe de monsters boven de grond zijn behandeld, getransporteerd en opgeslagen. De gegevens over het boren, bemonsteren en de relevante specificaties van het apparaat zijn in deze catalogus opgenomen. Die gegevens bepalen het maximaal te bereiken kwaliteitsniveau. Om die kwaliteit in het verdere proces te kunnen behouden, zijn binnen het werkveld van de geotechniek procedures opgesteld en die worden ook in het geologisch werkveld gevolgd. Monsters worden ingedeeld in 5 klassen op basis van de NEN-EN-ISO 22475 en voor iedere klasse is vastgelegd hoe de monsters behandeld moeten worden vanaf het moment dat ze boven de grond zijn gekomen. De classificatie geeft aan in welke mate de oorspronkelijke toestand van de grond bewaard is gebleven. Geroerde monsters, dat wil zeggen monsters waarin de oorspronkelijke samenhang van de grond al door het boren verloren is gegaan, vormen één klasse. De andere klassen hebben betrekking op ongeroerde monsters, monsters waarin de oorspronkelijke samenhang van de grond in enige mate bewaard is gebleven. In hoeverre de kwaliteit op het moment dat de monsters worden beschreven of geanalyseerd afwijkt van de initiële kwaliteit, wordt vastgelegd als onderdeel van het onderzoek.

Geologisch booronderzoek omvat gewoonlijk drie van de vier deelonderzoeken die in booronderzoek kunnen worden onderscheiden en dat zijn de boormonsterbeschrijving, de boormonsterfotografie en, de boormonsteranalyse. Het vierde deelonderzoek, de boorgatlogging, het onderzoek waarin het boorgat wordt bemeten, wordt niet zo vaak uitgevoerd. Van de vier deelonderzoeken is er een in deze versie van de catalogus opgenomen, de boormonsterbeschrijving (figuur 1).

In de boormonsterbeschrijving wordt het materiaal dat uit de ondergrond naar boven is gehaald, beschreven op een manier die inzicht geeft in de opbouw van de ondergrond en de globale eigenschappen ervan. De boormonsterbeschrijving is het deelonderzoek dat traditioneel de grondslag levert voor (hydro)geologische modellen.

Voor 2017 hadden boormonsterbeschrijvingen in de geologie, de toegepaste geologie en de geotechniek een gemeenschappelijke grondslag en dat was de NEN 5104. Voor de geotechniek is internationaal inmiddels een nieuwe norm van kracht geworden en in 2019 is daarvan een Nederlandse invulling gemaakt (NEN-EN-ISO 14688). De nieuwe norm is op een andere leest geschoeid dan de oude. In de beschrijving van grond onder NEN 5104 staat de samenstelling van grond centraal en in de beschrijving onder NEN-EN-ISO 14688 het gedrag van grond. Dit verschil in benadering maakt de beschrijvingen minder geschikt voor de geologen die de landelijke (hydro)geologische modellen maken. Voor dat doel moet juist de samenstelling van de grond centraal staan in de beschrijving. De Geologische Dienst Nederland die de landelijke modellen maakt, blijft zich daarom baseren op een eigen, op de NEN 5104 gebaseerde, methode: de Standaard Boor Beschrijvingsmethode (SBB).

Met het van kracht worden van de nieuwe norm zijn de al bestaande verschillen tussen geologisch en geotechnisch booronderzoek groter geworden. Dat kan ook gaan gelden voor het verschil tussen geologisch en toegepast geologisch onderzoek. Hoewel nog niet vaststaat welke methode in het toegepast geologisch booronderzoek gevolgd gaat worden, is de verwachting dat die eerder zal aansluiten op de NEN-EN-ISO 14688 dan op de SBB.

De SBB kent verschillende kwaliteitsniveaus en die staan voor verschillen in expertiseniveau en monsterkwaliteit. Het expertiseniveau van de beschrijver bepaalt tot in welk detail de grond wordt beschreven en de kwaliteit van de monsters bepaalt welke aspecten worden beschreven. Van geroerde monsters worden met name de samenstelling en de kleur van de grond beschreven. De beschrijving van ongeroerde monsters is gericht op het herkennen van de lagen waaruit de ondergrond is opgebouwd. Van een laag worden allerlei aspecten vastgelegd die inzicht geven in de omstandigheden waaronder de laag is gevormd.

Deze entiteit draagt de naam van het registratieobject zelf en bevat de gegevens die het booronderzoek identificeren en allerlei administratieve gegevens die betrekking hebben op onder meer de herkomst van het onderzoek in de registratie. Zo geeft de entiteit informatie over het doel waarvoor het onderzoek is uitgevoerd (kader inwinning), en de grondslag voor de verplichting tot aanlevering (kader aanlevering).

Booronderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld en die worden in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer booronderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd2De eisen die voor de gegevens van deze vorm van booronderzoek moeten gelden zijn nog niet vastgesteld..

De registratiegeschiedenis van een booronderzoek geeft de essentie van de geschiedenis van het object in de registratie ondergrond, de zgn. formele geschiedenis. De registratiegeschiedenis vertelt bijvoorbeeld wanneer voor het eerst gegevens van het object zijn geregistreerd en of er na registratie correcties zijn doorgevoerd.

De bronhouder beslist of hij de resultaten van een booronderzoek in delen of in hun geheel gerapporteerd wil krijgen. Wanneer een rapport dat onder de wettelijke verplichtingen valt door de bronhouder is geaccepteerd, wordt het ter registratie aan de landelijke voorziening aangeboden. De rapportagegeschiedenis geeft de essentie van het verloop van de rapportage en vormt de zgn. materiële geschiedenis van het object booronderzoek.

De kernactiviteit in het veld is het maken van het gat, de boring. Voor het onderzoek is het van het grootste belang de gegevens vast te leggen die van invloed zijn op de uiteindelijke resultaten van het onderzoek. Daarnaast betekent boren dat men de toestand van de ondergrond verandert. Om de gevolgen van die ingreep later te kunnen beoordelen is het van belang te weten hoe men de ondergrond heeft achtergelaten.

Aan het maken van een boorgat kunnen voorbereidende werkzaamheden zijn voorafgegaan. Het weggraven van materiaal is een bijzondere vorm van voorbereiding omdat daaruit ook gegevens over de opbouw van de ondergrond kunnen voortkomen. Wanneer het weggegraven materiaal globaal is beschreven wordt dat apart vastgelegd (Weggegraven laag) en niet als onderdeel van het deelonderzoek Boormonsterbeschrijving.

Bij het boren gebruikt men een bepaalde techniek om het apparaat dat men gekozen heeft de grond in te drijven. Bij onderzoek dat zich tot geringe diepte beperkt boort men vaak met de hand, voor ander onderzoek gebeurt dat veelal mechanisch. Tijdens het boren kan men herhaaldelijk van techniek wisselen, en voor een goed begrip van de onderzoeksresultaten is het van belang te weten welk deel van de ondergrond met welke techniek is doorboord (Geboord interval).

Het doel van het boren is dat er monsters uit de ondergrond worden gehaald. Dat kan op allerlei manieren gebeuren en tijdens het boren kan men herhaaldelijk van manier wisselen (Bemonsterd interval).

Tijdens het boren kan men constateren dat er in bepaalde intervallen sporen van verontreiniging voorkomen (Verontreinigd interval) en dat wordt dan vastgelegd om latere gebruikers te kunnen informeren.

Wanneer men ten slotte klaar is met boren kan het ontstane gat op een bepaalde manier worden afgewerkt. Dat kan weer per diepte-interval verschillen (Afgewerkt interval).

In het geval men monsters gestoken of gekernd heeft worden ook specificaties vastgelegd van het apparaat dat daarvoor gebruikt is. In figuur 2 en figuur 3 wordt geïllustreerd wat de belangrijkste kenmerken zijn.

Voor, tijdens of direct na het boren kunnen in het veld waarnemingen worden gedaan die deel uitmaken van het booronderzoek. Die waarnemingen hebben betrekking op de toestand van het terrein. Dat begrip wordt in nogal ruime zin opgevat en dekt alle gegevens die vastgelegd worden om een goed begrip te krijgen van de ruimtelijke context waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd.

Bij boren op water kan er op de waterbodem een laag slib blijken te liggen. Wanneer dat voor het onderzoek relevant geacht is, worden enkele kenmerken daarvan vastgelegd.

Boormonsterbeschrijving is het deelonderzoek dat betrekking heeft op het beschrijven van de monsters met als doel een of meer boorprofielen te maken. Een boormonsterbeschrijving onder SBB 2020 resulteert in maximaal twee boorprofielen.

Een boorprofiel is het resultaat van de boormonsterbeschrijving en beschrijft de laagopbouw van het deel van de ondergrond dat bemonsterd is.

Een boorprofiel heeft een bepaalde beschrijfkwaliteit en dat wil zeggen dat de kwaliteit van de monsters waarop de beschrijving gebaseerd is en de mate van detail in de beschrijving over het hele profiel vergelijkbaar zijn. Een geval waarin een boormonsterbeschrijving twee boorprofielen oplevert is wanneer op een bepaalde plaats een boring is gezet die op twee manieren bemonsterd is (figuur 4).

Over het hele boortraject zijn monsters met een relatief lage kwaliteit, geroerde monsters, genomen. Daarnaast zijn van bepaalde dieptes monsters met een hoge kwaliteit, ongeroerde monsters, verkregen. Het verschil in kwaliteit is zo groot dat de monsters apart beschreven moeten worden. In het eerste geval ontstaat een continu profiel, in het tweede een discontinu profiel.

Het uitgangspunt is dat het boorprofiel alle met een bepaalde kwaliteit bemonsterde intervallen dekt en dat de bemonsterde intervallen compleet zijn beschreven. Het kan echter zijn dat dit niet gelukt is, bijvoorbeeld omdat er per ongeluk een monster verdwenen is. De intervallen die niet beschreven konden worden, worden expliciet in het profiel opgenomen (Niet-beschreven interval) en de reden waarom het niet beschreven is wordt vastgelegd.

De belangrijkste entiteiten in een boorprofiel zijn de lagen. Een laag bestaat uit grond of uit bijzonder materiaal (of uit gesteente, maar dat valt nog buiten het bereik van de catalogus). Een laag die uit bijzonder materiaal bestaat wordt summier beschreven, een laag die uit grond bestaat wordt uitvoerig beschreven. Een laag heeft een boven- en ondergrens en is van natuurlijke of menselijke (antropogeen) oorsprong.

Wat een laag in een geologisch boorprofiel voorstelt, hangt echter af van de kwaliteit van de monsters.

In een boorprofiel dat betrekking heeft op geroerde monsters, is de laag een bemonsteringseenheid en vertegenwoordigt iedere laag een monster. Zo’n laag wordt beschreven als een lithologisch homogeen geheel en heeft een soort grond (Grond).

In een boorprofiel dat betrekking heeft op ongeroerde monsters, is de laag idealiter een geheel dat onder bepaalde omstandigheden is gevormd, een genetische eenheid. De ideale situatie doet zich alleen voor wanneer er sprake is van een continu profiel waarin alle grenzen zichtbaar zijn. Wanneer dat niet het geval is, zoals verbeeld in figuur 4, is een deel van de grenzen door de bemonstering bepaald.

Lagen die genetische eenheden zijn, bestaan op allerlei schalen, maar in de beschrijfpraktijk ligt de dikte vaak in het bereik van een decimeter tot een meter. De minimale dikte is voor de beschrijving vastgesteld op 2 millimeter; een maximale dikte is niet vastgelegd.

Een laag die een genetische eenheid is, kan in andere aspecten dan de samenstelling van de grond van aangrenzende lagen verschillen en hoeft in lithologisch opzicht geen homogeen geheel te zijn. Er zijn verschillende mogelijkheden om een dergelijke laag te beschrijven.

In het meest voorkomende geval (figuur 5a) is de laag een lithologisch homogeen geheel of kan de laag als zodanig worden beschreven. Zo’n laag kan structuurloos zijn of een bepaalde structuur hebben en bestaat uit een soort grond die in detail wordt beschreven. In een dergelijke laag kunnen een of enkele laagjes voorkomen die uit een afwijkende grondsoort bestaan, maar die worden alleen globaal beschreven.

In het tweede geval (figuur 5b), dat overigens niet zo vaak voorkomt, is de laag een regelmatige afwisseling van dunne laagjes die uit verschillende soorten grond bestaan. Een dergelijke laag heet inhomogeen gelaagd en de grond wordt per type laagje (Laagje) in detail beschreven.

In het derde, zeer sporadisch voorkomende geval (figuur 5c) bestaat de laag uit verschillende soorten grond die grillige lichamen vormen. De structuur van een dergelijke laag wordt omschreven als onregelmatig vervormden de grond wordt per deel (Laagdeel) in detail beschreven.

Onder SBB 2020 wordt van grond altijd de grondsoort, de kleur, de hoeveelheid glauconiet en het al dan niet voorkomen van sporen van beworteling vastgelegd. Om de gegevens beter bruikbaar te maken voor de geotechniek wordt naast de geologische naam van de grondsoort, ook de geotechnische naam volgens NEN-EN-ISO 14688 vastgelegd.

Wanneer de grond bestanddelen bevat die niet als een normaal onderdeel van grond gelden, wordt het voorkomen ervan beschreven (Bijzonder bestanddeel) en hetzelfde geldt voor brokjes van een andere grondsoort (Brokje). Welke kenmerken er verder worden vastgelegd hangt af van de grondsoort en de beschrijfkwaliteit.

Het deel van de grond dat uit grind (minerale korrels die in grootte variëren van 2 tot 63 mm) bestaat wordt apart beschreven. Het gaat daarbij onder meer om de vorm (hoekigheid, sfericiteit), de kleur (bontheid) en de grootte van de korrels (bijv. grindmediaanklasse). Specialisten benoemen ook nog de herkomst van het grind en het soort minerale korrels (Grindbestanddeel).

Het deel van de grond dat uit zand (minerale korrels die in grootte variëren van 0,063 tot 2 mm) bestaat wordt apart beschreven. Het gaat daarbij onder meer om de vorm (hoekigheid), de kleur (bontheid) en de grootte van de korrels (bijv. zandmediaanklasse). Specialisten benoemen ook nog de verdeling van de korrels naar kleur (Zandbestanddeel).

Het deel van de grond dat uit schelpmateriaal bestaat wordt apart beschreven. In alle gevallen worden de relatieve hoeveelheden gruis, fragmenten en hele schelpen bepaald en wordt het voorkomen van een aantal kenmerkende schelpensoorten vastgelegd (Schelpenbestanddeel). Van ongeroerde monsters wordt ook het voorkomen van schelpdoubletten beschreven. Andere kenmerken worden alleen door beschrijvers met bijzondere expertise beschreven

Het deel van de grond dat uit veen bestaat wordt wanneer het om ongeroerde monsters gaat, apart beschreven. Standaard wordt alleen het soort veen benoemd (soort veen), maar specialisten benoemen ook het voorkomen van verschillende soorten plantenresten (Veenbestanddeel).

Bij de beschrijving van grond van ongeroerde monsters wordt niet alleen op het voorkomen van brokjes van andere grondsoorten gelet. Andere grondsoorten kunnen ook voorkomen in de vorm van laagjes (Afwijkend laagje), als lenzen die sedimentair van oorsprong zijn (Sedimentlens) of als grillig verlopende lichamen die door de verstoring van dunne laagjes zijn ontstaan (Insluitsel).

Wanneer de grond gevlekt is wordt het voorkomen van de vlekken beschreven (Vlek).

3.56.1. fractie 63tot75um

3.56.3. fractie 90tot105um

Bijlage V. behorend bij artikel 11, onderdeel d, van de Regeling basisregistratie ondergrond

25 maart 2020

3.56.12. fractie 355tot420um

3.56.13. fractie 420tot500um

3.56.15. fractie 600tot630um

3.56.17. fractie 710tot850um

3.56.20. fractie 1200tot1400um

3.56.21. fractie 1400tot1700um

3.57. Minimale verdeling fractie 63umtot2mm

3.57.2. fractie 90tot105um

3.57.4. fractie 125tot150um

3.57.5. fractie 150tot180um

3.57.7. fractie 200tot210um

3.57.9. fractie 250tot300um

3.57.11. fractie 355tot420um

3.57.12. fractie 420tot500um

3.57.14. fractie 600tot630um

3.57.15. fractie 630tot710um

3.57.17. fractie 1000tot1400um

3.58.1. fractie 63tot300um

3.58.3. fractie 420tot600um

3.58.4. fractie 600tot630um

3.58.5. fractie 630tot1000um

3.58.7. fractie 1200tot1400um

3.58.8. fractie 1400umtot2mm

3.59. Standaardverdeling fractie groter2mm

3.59.3. fractie 6.3tot10mm

3.59.5. fractie 16tot20mm

3.59.7. fractie 37.5tot63mm

3.60. Bepaling kalkgehalte

3.60.2. bepalingsmethode

3.60.4. bijzonderheid uitvoering

3.60.5. bijzonderheid materiaal

3.60.6. kalkgehalte

3.61. Massaverlies kalkgehalte

3.61.2. massa800gradenCelsius

3.61.3. massa1000gradenCelsius

3.62. Bepaling organischestofgehalte

3.62.1. bepalingsprocedure

3.62.2. bepalingsmethode

3.65.2. bepalingsmethode

3.24.4. kleur

1.19. BijzonderheidUitvoering

3.24.6. disperse inhomogeniteit

1.20. BijzonderMateriaal

3.24.8. scheve gradering

3.24.10. holtes aanwezig

1.22. Bontheid

3.24.12. stabiliteit

1.23. Boorprocedure

3.25.1. verkleuring

1.25. Buismateriaal

1.26. ConsistentieFijneGrond

1.27. ConsistentieOrganischeGrond

3.26.3. reden niet beschreven

1.28. Coördinaattransformatie

3.27.1. begindiepte

3.27.3. in gesteente

1.30. Droogtemperatuur

3.27.5. samengestelde discontinuïteit

1.31. Droogtijd

3.27.7. glad

1.32. FractieverdelingLab

3.27.9. opvulmateriaal

1.33. GebruiktMedium

1.34. GenetischeTypering

1.35. GeologischeGrondsoort

3.29.3. monsterkwaliteit

1.37. Glimmergehalteklasse

3.29.5. watergehalte bepaald

1.38. Grensbepaling

3.29.7. kalkgehalte bepaald

1.39. Grindgehalteklasse

3.29.9. volumieke massa vaste delen bepaald

3.30. Onderzocht materiaal

1.41. Grindmediaanklasse

3.30.4. kleur

1.43. HerkomstRekenwaarde

1.44. Hoekigheid

3.30.8. zandmediaanklasse

1.45. Horizontcode

1.46. Hulpmiddel

1.47. HydrologischeOmstandigheid

1.48. InhoudMonsterhouder

3.31.7. wandwrijvingcorrectiemethode

3.31.9. lagerwrijvingcorrectie toegepast

3.31.11. bijzonder resultaat

1.51. KaderstellendeProcedure

3.32. Verzadigingsfase bij samendrukken

3.32.2. gebruikt medium

1.54. Korrelkleur

1.55. KwaliteitBeschrevenMonsters

1.56. Laagaandeelklasse

3.33.1. stapnummer

3.33.3. verticale spanning

1.58. Landschapselement

3.33.7. 24uursrekpunt

3.35. Zettingstoestand

1.61. MassaPercentageklasse

3.35.2. verticale rek

3.37. Spanning bij bepaalde zetting

1.64. MethodeLocatiebepaling

1.65. MethodePositiebepalingSliblaag

1.66. MethodeVerticalePositiebepaling

1.67. Monsterkwaliteit

1.68. Monstervochtigheid

3.38.6. ongedraineerde schuifsterkte

3.38.8. hoogste ongedraineerde schuifsterkte

1.70. MunsellWitheid

1.71. MunsellZuiverheid

1.72. NaamGebeurtenis

3.39.5. monstervochtigheid

1.73. Organischestofgehalteklasse

3.39.7. beginhoogte

1.74. OrganischestofgehalteklasseNEN5104

1.4. Kwaliteit van de monsters

1.2.5. Bemonsteringsapparaat

3.58.4. verticale spanning

1.5. Deelonderzoeken

1.2.7. Sliblaag

1.6. Methode van beschrijven

1.2.8. Boormonsterbeschrijving

3.59.7. vloeigrens

2. Belangrijkste entiteiten

3.60. Plasiticiteit bij bepaald watergehalte

2.2. Registratiegeschiedenis

2.3. Rapportagegeschiedenis

3.61.3. fractieverdeling

3.61.4. verwijderd materiaal

1.2.11. Grond

2.5. Bemonsteringsapparaat

1.2.12. Grindfractie

1.2.13. Zandfractie

1.2.14. Schelpenfractie

2.8. Boormonsterbeschrijving

2.9. Boorprofiel

3.64.1. fractie 0tot2um

2.10. Laag

1.2.18. Fractieverdeling

1.2.19. Post-sedimentaire discontinuïteit

1.2.20. Boormonsteranalyse

3.65.3. fractie 125tot180um

2.11. Grond

3.65.7. fractie 500tot710um

2.12. Grindfractie

2.13. Zandfractie

1.2.23. Bepaling van de korrelgrootteverdeling

3.65.13. fractie 8tot16mm

2.15. Veenfractie

3.65.15. fractie 31.5tot63mm

1.2.24. Bepaling van het kalkgehalte

1.2.25. Bepaling van het organischestofgehalte

2.19. Post-sedimentaire discontinuïteit

2.26. Bepaling van het organisch koolstofgehalte

2.28. Bepaling van de verzadigde waterdoorlatendheid

2.29. Bepaling van het watergehalte

2.30. Bepaling van de volumieke massa

3.2.6. tijdstip laatste correctie

3.2.7. in onderzoek

Artikel 1. Definitie van registratieobject, entiteiten en attributen

1. Registratieobject

2. Het domeinmodel

3. Entiteiten en attributen

3.1.1. BRO-ID

3.1.2. bronhouder

3.1.3. object-ID bronhouder

3.1.4. dataleverancier

3.1.5. kwaliteitsregime

3.1.6. kader aanlevering

3.1.7. kader inwinning

3.1.8. vakgebied

3.1.9. rapportagedatum onderzoek

3.1.11. terreintoestand bepaald

3.1.12. uitvoerder onderzoek

3.2. Registratiegeschiedenis

3.2.1. tijdstip registratie object

3.2.2. registratiestatus

3.2.4. tijdstip voltooiing registratie

3.2.5. gecorrigeerd

3.2.6. tijdstip laatste correctie

3.2.7. in onderzoek

3.2.9. uit registratie genomen

3.2.10. tijdstip uit registratie genomen

3.2.12. tijdstip weer in registratie genomen

3.3. Rapportagegeschiedenis

3.3.1. startdatum rapportage

3.3.2. einddatum rapportage

3.4. Tussentijdse gebeurtenis

3.4.1. naam gebeurtenis

3.4.2. datum gebeurtenis

3.5.1. coördinaten

3.5.2. referentiestelsel

3.5.3. datum locatiebepaling

3.5.5. uitvoerder locatiebepaling

3.6. Aangeleverde verticale positie

3.6.1. lokaal verticaal referentiepunt

3.6.3. waterdiepte

3.6.4. verticaal referentievlak

3.6.5. datum verticale positiebepaling

3.6.6. methode verticale positiebepaling

3.6.7. uitvoerder verticale positiebepaling

3.7.1. coördinaten

3.7.3. coördinaattransformatie

3.8.1. bodemgebruik

3.8.2. ligging op grondlichaam

3.9. Boring

3.9.3. voorbereiding

3.9.7. gesteente aangeboord

3.11.2. einddiepte

3.12. Boorsnelheid

3.13.1. begindiepte

3.13.6. georienteerd gestoken

3.14.2. containerdiameter

3.15.4. in het veld vastgesteld

3.17.1. begindiepte

3.17.4. diameter permanente verbuizing

3.18. Sliblaag

De catalogus voor het geotechnisch booronderzoek beschrijft de gegevens die in de registratie ondergrond zijn opgenomen van het booronderzoek dat vanuit het vakgebied van de geotechniek is uitgevoerd. De catalogus beschrijft de algemene gegevens van dit booronderzoek samen met de gedetailleerde uitwerking van de gegevens van de boormonsterbeschrijving, en van de gegevens die voortkomen uit het analyseren van boormonsters.

Een booronderzoek is het geheel van gegevens dat betrekking heeft op een specifiek booronderzoek dat op een specifiek moment en op een specifieke locatie in Nederland is uitgevoerd en onder een bepaalde opdracht is uitgevoerd. De belangrijkste gegevens om het onderzoek te preciseren zijn het vakgebied en de uitgevoerde deelonderzoeken.

Booronderzoek in de basisregistratie ondergrond omvat onderzoek uit vijf verschillende vakgebieden. Naast geotechniek zijn dat bodemkunde, geologie, toegepaste geologie en cultuurtechniek. De catalogus voor het registratieobject komt in delen tot stand. Eerst wordt voor ieder vakgebied een catalogus gemaakt. Wanneer de vijf catalogi gereed zijn wordt een nieuwe catalogus gemaakt die alle vakgebieden omvat en waarin de ongewenste verschillen zijn weggenomen. Die catalogus geeft een samenhangende beschrijving van het registratieobject booronderzoek.

3.21.3. ondergrens

3.21.12. gelaagdheid

3.22.3. grindgehalteklasse

3.22.6. kleur

Sinds 2017 is onder verantwoordelijkheid van NEN gewerkt aan een Nederlandse annex op NEN-EN-ISO 14688-1. Dat deel van de norm gaat over de identificatie van grond en vervangt binnen de wereld van de geotechniek NEN 5104. De verandering is groot omdat er op een manier naar grond wordt gekeken die wezenlijk anders is dan wat gebruikelijk was. In NEN-EN-ISO 14688-1 is de identificatie van grond geheel en al gebaseerd op visuele en tactiele waarneming, op zien en voelen. Bij het voelen staan de aspecten centraal die over het gedrag van grond gaan.

De oude NEN 5104 was eerder een classificatiesysteem waarmee het mogelijk was een willekeurig mengsel precies te benoemen wanneer het gehalte aan grind, zand, silt, lutum en organische stof nauwkeurig was bepaald. Die benadering werkt prima wanneer de gehaltes werkelijk gemeten zijn door proeven uit te voeren. Om de benadering toe te passen bij het beschrijven van monsters gebaseerd op alleen zintuigelijke waarneming, moesten referentiemonsters waarvan de samenstelling door metingen was bepaald gebruikt worden. Dat bleef in de praktijk dikwijls achterwege. Bovendien kende de methode bezwaren van meer fundamentele aard, waardoor al lange tijd werd ervaren dat de norm niet meer goed aansloot op de eisen van het geotechnisch werkveld.

3.22.9. disperse inhomogeniteit

3.22.14. vermengd

Booronderzoek begint eigenlijk altijd met activiteiten in het veld en die worden in bepaalde gevallen gevolgd door activiteiten binnenshuis, veelal in een laboratorium. Er is maar een geval waarin er geen werkzaamheden in het veld worden uitgevoerd en dat is wanneer booronderzoek gebruik maakt van de resultaten uit eerder veldwerk of uit veldwerk dat voor een andere opdrachtgever is uitgevoerd3De eisen die voor de gegevens van deze vorm van booronderzoek moeten gelden zijn nog niet vastgesteld..

3.22.18. matig grof grind gehalteklasse

3.22.20. zandmediaanklasse

3.22.22. soort veen

De kernactiviteit in het veld is het maken van het gat, de boring. Voor het onderzoek is het van het grootste belang de gegevens vast te leggen die van invloed zijn op de uiteindelijke resultaten van het onderzoek. Daarnaast betekent boren dat men de toestand van de ondergrond verandert. Om de gevolgen van die ingreep later te kunnen beoordelen is het van belang te weten hoe men de ondergrond heeft achtergelaten.

3.23.2. sfericiteit

3.24.2. soort cement

3.24.4. kleur

3.24.7. kalkgehalteklasse

Onder NEN-EN-ISO 14688-1 heeft het begrip beschrijfkwaliteit wel onderscheidende waarde. Het betekent dat de kwaliteit van de monsters waarop de beschrijving gebaseerd is en de mate van detail in de beschrijving over het hele profiel vergelijkbaar zijn. Figuur 4 illustreert het geval waarin een booronderzoek twee boorprofielen oplevert.

3.24.14. verweerd

3.26.1. begindiepte

3.27. Post-sedimentaire discontinuïteit

3.27.4. type discontinuïteit

3.27.6. onderlinge afstand

In de boormonsteranalyse worden aan een of meer intervallen bepalingen gedaan, de onderzochte intervallen. De kwaliteit van het monster en de beschikbare hoeveelheid materiaal bepalen in eerste instantie wat er allemaal van een interval kan worden bepaald. De beperking in hoeveelheid materiaal betekent dat bepaalde bepalingen elkaar in de praktijk uitsluiten en dat bepalingen die wel gecombineerd kunnen worden elkaar veelal in een strikte volgorde moeten opvolgen.

Welke bepalingen er zijn uitgevoerd, wordt voor ieder interval vastgelegd. Het gaat om een aantal basisparameters die op de toestand of de samenstelling van het materiaal betrekking hebben, en om de zettingseigenschappen, ongedraineerde schuifsterkte, schuifspanningsverloop bij belasting en schuifspanningsverloop bij horizontale vervorming, consistentiegrenzen en korrelgrootteverdeling en verzadigde waterdoorlatendheid.

Het materiaal waaruit een proefstuk bestaat dat de volledige doorsnede van een niet verstoord boormonster omvat, wordt pas na afloop van de bepaling beschreven (zie figuur 5). Het resultaat wordt apart vastgelegd en alleen de aspecten die na afloop van de bepaling nog als representatief voor het oorspronkelijk monster kunnen worden beschouwd, worden beschreven. In het uitzonderlijke geval dat het interval uit bijzonder materiaal bestaat, wordt alleen de naam van het materiaal vastgelegd.

Grond vervormt bij belasting en wanneer de vervorming alleen in verticale richting plaatsvindt, spreekt men van zetting. Bij zetting wordt de ruimte tussen de korrels (de poriën) kleiner en verliest de grond water. Het zettingsproces bestaat uit twee fasen, de consolidatiefase en de kruipfase. Tijdens de consolidatiefase verliest de grond water. Wanneer de belasting volledig door het korrelskelet wordt gedragen is de grond in een toestand van evenwicht gekomen, en zegt men dat de grond volledig is geconsolideerd. De eerste fase in het zettingsproces, de consolidatiefase, is dan afgesloten. Tijdens de kruipfase blijft het water in de grond en wordt het volume van de grond heel langzaam kleiner.

Door een proefstuk samen te drukken en het zettingsverloop of het spanningsverloop bij zetting te bepalen, verwerft men inzicht in het zettingsgedrag van de grond. Het zettingsgedrag is afhankelijk van de belasting die de grond al in de ondergrond heeft ondergaan en van de materiaaleigenschappen, met name van de waterdoorlatendheid en de weerstand van het korrelskelet4Onder korrelskelet wordt verstaan het vaste materiaal en het daaraan gebonden water. tegen druk. De waterdoorlatendheid is van belang omdat de snelheid van vervorming voornamelijk afhangt van de snelheid waarmee het aanwezige water kan wegstromen.

Zettingseigenschappen worden alleen bepaald van cohesief materiaal en dat wil zeggen materiaal dat samenhang vertoont. De bepaling vereist een proefstuk uit een niet verstoord boormonster en dat wordt op maat gemaakt zodat het past in de metalen ring die in een apparaat wordt ingebouwd. Het zettingsverloop wordt op een andere manier bepaald dan het spanningsverloopbijzetting en met een ander apparaat.

Voor het bepalen van het zettingsverloop wordt de ring met het proefstuk in een samendrukkingsapparaat geplaatst (figuur 6) dat met water gevuld wordt. De ring wordt aan de boven- en onderzijde afgedekt met poreuze stenen die het water doorlaten. Op de bovenste poreuze steen ligt de drukplaat die dient om de belasting over te brengen op het proefstuk. De proef kent een aantal stappen en in iedere bepalingsstap wordt het proefstuk een bepaalde belasting opgelegd en gemeten hoe snel de hoogte van het proefstuk verandert. De verandering in hoogte wordt verticale rek genoemd.

Het spanningsverloop tijdens zetting wordt bepaald met een CRS-apparaat en die afkorting staat voor constant rate of strain (figuur 7). Het grootste verschil met het samendrukkingsapparaat is dat de ring hier in een drukcel wordt geplaatst waarvan de druk geregeld kan worden door water toe- en af te voeren. Het proefstuk wordt eerst met water verzadigd (Verzadigingsfase). Ook deze proef kent een aantal stappen, maar hier wordt het proefstuk in iedere bepalingsstap een bepaalde snelheid van vervormen opgelegd en worden de spanningen in het proefstuk gemeten. De snelheid van vervormen wordt ter controle altijd precies gemeten (verlopen tijd en verticale rek).

De registratie van de metingen vindt geautomatiseerd plaats en er worden gewoonlijk bepaalde correcties toegepast. Wanneer het proefstuk de volledige doorsnede van een monster beslaat, wordt het samengedrukte materiaal na afloop van de bepaling beschreven.

De schuifsterkte is de schuifspanning waarbij materiaal bezwijkt. Ongedraineerd wil zeggen dat het water dat in het materiaal aanwezig is, er tijdens de bepaling in blijft zitten. Het water neemt dan een deel van de opgelegde druk op.

De ongedraineerde schuifsterkte wordt alleen bepaald van cohesief materiaal. Er wordt een handvin (torvane) of een zakpenetrometer gebruikt. Dat zijn eenvoudige apparaten en de proeven kunnen snel en goedkoop uitgevoerd worden.

Bepalingen met deze apparaten leveren indicatieve waarden. Een enkelvoudige bepaling is altijd een puntmeting. Standaard wordt op twee verschillende punten in het monster een meting uitgevoerd en wordt het gemiddelde van de metingen vastgelegd.

Grond vervormt bij belasting en wanneer de vervorming zich als gevolg van horizontale drukverschillen niet tot de verticale richting beperkt, kan de grond instabiel worden en gaan schuiven. Dat risico bestaat bijvoorbeeld bij zware constructies of grondlichamen die op het maaiveld liggen, bij afgravingen (bouwputten en gegraven watergangen), en bij constructies in de ondergrond (tunnels en parkeergarages). Om inzicht te krijgen in dat proces wordt het schuifspanningsverloop bij belasting bepaald. De schuifspanning is het directe gevolg van een verschil in verticale en horizontale spanning in de grond. Als gevolg van schuifspanning gaat de grond bij een horizontaal drukverschil in horizontale richting vervormen. De schuifspanning kan oplopen tot het moment waarop de grond bezwijkt. De waarde van de schuifspanning op het moment van bezwijken is de schuifsterkte.

Het schuifspanningsverloop wordt bepaald van grond. Het precieze doel van het onderzoek en de soort grond bepalen of er een proefstuk uit een niet verstoord boormonster wordt gestoken of dat er in het laboratorium een proefstuk wordt gemaakt (Gemaakt proefstuk). Dat laatste gebeurt door het materiaal op een bepaalde manier voor te behandelen (maakmethode) zodat het de gewenste eigenschappen krijgt.

Het proefstuk wordt altijd heel precies tot een cilinder gevormd, tussen twee poreuze stenen in een waterdicht membraan verpakt en in de drukcel van een triaxiaalapparaat geplaatst (figuur 8). De drukcel is gevuld met vloeistof. Op de bovenste poreuze steen ligt de drukplaat die dient om de belasting over te brengen op het ingepakte proefstuk. De druk van de vloeistof in de cel kan geregeld worden en via de poreuze stenen kan ook de waterdruk in het proefstuk geregeld worden. Door het proefstuk te belasten gaat het vervormen en de proefopstelling is zo ontworpen dat vervorming in alle richtingen kan optreden.

De bepaling kent meestal drie fasen en dan wordt het proefstuk eerst verzadigd met water (Verzadigingsfase), vervolgens laat men het proefstuk onder druk consolideren (Consolidatiefase) en tenslotte gaat men het proefstuk belasten (Belastingfase). De eerste twee fasen kunnen worden overgeslagen en dan spreekt men van ongeconsolideerde uitvoering. De belastingfase wordt altijd uitgevoerd, want dat is de fase waarin het schuifspanningsverloop wordt bepaald.

Tijdens ieder van de fasen worden metingen uitgevoerd. Van de verzadigingsfase worden alleen enkele kengetallen vastgelegd (verzadigingsdruk, verticale rek en spanningsverschil).

Tijdens de consolidatiefase wordt het proefstuk op een bepaalde manier onder druk gezet (consolidatiemethode). De veranderingen worden geregistreerd door gedurende een bepaalde tijd de volumeverandering van het proefstuk te meten. De druk in de cel en, afhankelijk van de consolidatiemethode, ook de belasting worden omgerekend naar de spanning in het proefstuk (consolidatiespanning). Het uiteindelijke resultaat wordt vastgelegd in het Volumeverloop bij consolidatie. Ook worden enkele kengetallen van de consolidatiefase gegeven (verticale rek, neutrale gronddrukcoëfficiënt).

Tijdens de belastingfase laat men het proefstuk onder verticale druk vervormen door het te belasten en daarbij de belasting zo te regelen dat de snelheid van verticaal vervormen constant blijft. In de bepalingsmethode ligt vast of er tijdens deze fase water in en uit het proefstuk kan stromen. De veranderingen in het proefstuk worden geregistreerd door gedurende een bepaalde tijd de belasting te meten en, afhankelijk van de bepalingsmethode, de waterspanning of het volume van het proefstuk. De meetwaarden worden omgerekend naar verticale spanning, schuifspanning en volumeverandering of verschilwaterspanning. Het uiteindelijke resultaat wordt vastgelegd als het Schuifspanningsverloop bij belasting. De snelheid van vervormen wordt ter controle altijd precies gemeten (verlopen tijd en verticale rek). Aan het einde van de bepaling wordt de vorm van het proefstuk vastgelegd (vorm proefstuk).

Het schuifspanningsverloop kan ook bepaald worden door een proefstuk onder horizontale druk te vervormen. Het schuifspanningsverloop wordt bepaald van cohesieve grond en stelt dezelfde eisen aan een proefstuk als bij de bepaling bij belasting.

Het proefstuk wordt altijd heel precies tot een cilinder gevormd, tussen twee poreuze stenen in een waterdicht membraan verpakt en dan in metalen ringen in een DSS-apparaat geplaatst (figuur 9). De afkorting staat voor direct simple shear. De metalen ringen zorgen er voor dat het proefstuk tijdens de bepaling niet lateraal kan vervormen. In plaats van ringen kan ook een met ijzerdraad verstevigd membraan worden gebruikt.

Men kan het proefstuk de gelegenheid gegeven om tijdens de bepaling water op te nemen of water uit het proefstuk te laten stromen (gedraineerd). Dat kan via een slangetje of het deel van het apparaat waar het proefstuk in wordt geplaatst wordt met water gevuld. In enkele gevallen krijgt het proefstuk de gelegenheid om voorafgaand aan de bepaling water op te nemen (waterverzadigd).

De bepaling kent twee fasen en dan laat men eerst het proefstuk onder belasting consolideren (Consolidatiefase) en vervolgens gaat men het proefstuk vervormen (Schuiffase).

Tijdens ieder van de fasen worden metingen uitgevoerd. Tijdens de consolidatiefase wordt het proefstuk in één of meerdere stappen belast. Tijdens deze fase kan het voetstuk vast worden gezet. De veranderingen worden geregistreerd door gedurende een bepaalde tijd de verandering in hoogte van het proefstuk te meten. Het resultaat wordt vastgelegd in Hoogteverloop bij consolidatie.

Tijdens de schuiffase laat men het proefstuk onder horizontale druk vervormen door de bovenkant of onderkant van het proefstuk met een constante snelheid in horizontale richting te verplaatsen. Gedurende de fase wordt het proefstuk op gelijke hoogte gehouden. De veranderingen in het proefstuk worden geregistreerd door gedurende een bepaalde tijd de horizontale verplaatsing en de horizontale en verticale druk te meten. De meetwaarden worden omgerekend naar schuifrek, schuifspanning en verticale spanning en het uiteindelijke resultaat wordt vastgelegd als het Schuifspanningsverloop bij horizontale vervorming.

Cohesieve grond heeft een zekere samenhang. De mate van samenhang, de consistentie, wordt bepaald door de verhouding tussen de hoeveelheid water en de hoeveelheid vaste materie en door de samenstelling van de vaste materie. Door bij verschillende watergehalten metingen uit te voeren bepaalt men de zgn. Atterbergse grenzen: de vloeigrens, de uitrolgrens en de krimpgrens. In standaard geotechnisch onderzoek worden alleen de vloeigrens en de uitrolgrens bepaald. Tussen die twee grenzen gedraagt de grond zich plastisch. Bij een watergehalte boven de vloeigrens gedraagt grond zich als een vloeistof, bij een watergehalte onder de uitrolgrens is de grond niet makkelijk vervormbaar en noemt men de grond semi-vast. De uitrolgrens wordt altijd op dezelfde manier bepaald, voor de vloeigrens heeft men de keuze uit de Casagrande-methode en de valconus-methode. De laatste methode krijgt in de uitvoeringspraktijk meer en meer de voorkeur.

Voor de korrelgrootteverdeling wordt de samenstelling van het materiaal bepaald vanuit het perspectief dat grond een mengsel van minerale deeltjes van verschillende grootte is. De deeltjes worden korrels genoemd. Volgens een bepaalde methode, of combinatie van methoden, wordt het aandeel van de gekozen groottefracties in het totale mengsel bepaald. De fracties bij elkaar vormen een aaneensluitende reeks die het groottebereik volledig dekt.

De opdracht en de aard van het materiaal bepalen welke methode is gebruikt en welke fracties zijn onderscheiden. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is. Als voorbehandeling kan het nodig zijn samengeklonterde korreltjes van elkaar los te maken (dispersie).

De metingen worden altijd omgerekend naar een percentage van de totale massa en wanneer de lasermethode gekozen is, wordt een zekere correctie doorgevoerd. In alle gevallen wordt in het resultaat onderscheid gemaakt tussen de fractie groter en de fractie kleiner dan 63µm; bij die grootte ligt de grens tussen wat fijn en wat grof wordt genoemd. Ieder van de fracties kent een standaardonderverdeling en die wordt in de meeste onderzoeken toegepast. De opdracht kan een meer gedetailleerde onderverdeling vragen en met name voor de grove fractie bestaan verscheidene opties.

De korrelgrootteverdeling wordt in eerste instantie gebruikt om het materiaal te classificeren.

De waterdoorlatendheid van met waterverzadigde grond is de snelheid waarmee water erdoorheen stroomt. In de geotechniek wordt de verzadigde waterdoorlatendheid bepaald volgens de constant head methode of de falling head methode. Bij beide methoden laat men water van een bepaalde soort (gebruikt medium) door de grond stromen, en daarvan wordt vastgelegd of de daarin aanwezige gassen eruit verwijderd zijn (water ontgast). Men laat het water meestal van onder naar boven door het proefstuk stromen. De variabelen die van invloed zijn op het resultaat worden vastgelegd (temperatuur, maximale gradiënt).

De constant head methode wordt gebruikt voor niet-cohesieve grond en daarvan wordt volgens een bepaalde methode een proefstuk gemaakt (maakmethode) die een bepaalde dichtheid krijgt (droge volumieke massa). Het proefstuk kan tevoren met CO2 worden verzadigd. De verzadigde waterdoorlatendheid wordt een aantal malen bepaald steeds bij een andere droge volumieke massa.

De falling head methode wordt gebruikt voor cohesieve grond en wordt bijna altijd bepaald aan een proefstuk dat met een ring uit een niet verstoord boormonster is gestoken. Bij een dergelijk proefstuk leg je vast of de doorlatendheid verticaal is gemeten (verticaal bepaald). In het laboratorium kiest men of de poreuze stenen in de proefstelling nat of droog moeten zijn en of in de steekring een waterafstotende laag moet krijgen en legt men het proefstuk een bepaalde belasting op. Aan het einde van de proef wordt het watergehalte bepaald. Het resultaat van de proef is de verzadigde waterdoorlatendheid bij de opgelegde druk.

Het watergehalte wordt bepaald door het in het materiaal aanwezige water op een bepaalde manier te verwijderen, het massaverlies te meten en het resultaat uit te drukken in de verhouding tussen de hoeveelheid water en de hoeveelheid droge stof. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is. Temperatuur en droogtijd zijn van belang en voor de aanwezigheid van zouten in het poriënwater wordt een bepaalde correctie doorgevoerd. In sommige gevallen wordt het gegeven bij twee verschillende temperaturen bepaald.

Het watergehalte is een basisparameter die altijd samen met andere gegevens gebruikt wordt in berekeningen.

Het gehalte aan organische stof wordt bepaald door het organisch materiaal op een bepaalde manier te verwijderen en het verlies aan massa te meten. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is. Bij de berekening van het gehalte kan het nodig zijn te corrigeren voor het verlies van water dat aan klei is gebonden (lutumcorrectie).

Het organische stofgehalte is een basisparameter die primair gebruikt wordt om de grond te classificeren.

Het gehalte aan kalk wordt bepaald door het aanwezige calciumcarbonaat (koolzure kalk) op een bepaalde manier te verwijderen en het verlies aan massa te meten. Het is van belang te weten of er voorafgaand aan de bepaling materiaal verwijderd is.

Het kalkgehalte is een basisparameter die primair gebruikt wordt om de grond te classificeren.

De volumieke massa, de massa per eenheid van volume, wordt bepaald door de massa en het volume op een bepaalde manier te meten.

Het gegeven is een basisparameter die altijd samen met andere gegevens gebruikt wordt in berekeningen.

De volumieke massa van de vaste delen wordt bepaald door de massa en het volume van gedroogd materiaal te meten. Zo nodig wordt het materiaal vergruisd en worden de korrels van elkaar los gemaakt zodat het volume van de ruimte tussen de korrels nauwkeurig kan worden bepaald. Dat volume wordt bepaald door die ruimte met gas of vloeistof te vullen.

Het gegeven is een basisparameter die altijd samen met andere gegevens gebruikt wordt in berekeningen.

Het doel van de Europese kaderrichtlijn INSPIRE is het harmoniseren en openbaar maken van ruimtelijke gegevens van overheidsorganisaties ten behoeve van het milieubeleid. Het registratieobject booronderzoek valt wat het geotechnisch onderzoek betreft onder het INSPIRE-thema Geology, en om die reden moeten de gegevens in het registratieobject geschikt gemaakt worden voor uitwisseling volgens de INSPIRE-standaard. Dit wordt geïmplementeerd middels een mapping van het gegevensmodel van het Geotechnisch booronderzoek op het gegevensmodel van het INSPIRE-thema. De inhoud van deze mapping is geen onderdeel van deze catalogus.

Bijlage VI. behorend bij artikel 11, onderdeel e, van de Regeling basisregistratie ondergrond

Deze bijlage betreft de catalogus van de registratieobjecten wandonderzoek – bodemkundige wandbeschrijving en wandmonsteranalyse en is tevens gepubliceerd op www.basisregistratieondergrond.nl.

Datum 25 maart 2020

3.39. Bepaling schuifspanningsverloop bij belasting

3.39.1. bepalingsprocedure

3.39.2. bepalingsmethode

3.39.3. proefstuk gemaakt

3.39.4. proefstuk getrimd

3.39.5. monstervochtigheid

3.39.6. begindiameter

3.39.8. drukplaat kantelbaar

3.39.9. filterpapier gebruikt

3.39.10. drainagestroken gebruikt

3.39.11. membraan vooraf verzadigd

3.39.12. apparaatrekcorrectie toegepast

3.39.13. celrekcorrectie toegepast

3.39.14. stopcriterium

3.39.15. bijzonderheid uitvoering

3.40.1. correctiemethode

3.40.2. dikte

3.40.3. stijfheidsklasse

3.41. Drainagestrookcorrectie

3.41.2. plaatsing

3.42. Gemaakt proefstuk voor belasten

3.42.1. maakmethode

3.42.2. watergehalte

3.42.3. volumieke massa

3.43. Verzadigingsfase bij belasten

3.43.2. poreuze stenen ruw

3.43.3. gebruikt medium

3.43.4. constante hoogte

3.43.5. celdruk automatisch gestuurd

3.43.6. verzadigingsdruk

3.43.7. effectieve druk

3.43.8. Skempton B coëfficient

3.43.10. verticale rek

3.43.11. spanningsverschil

3.44. Consolidatiefase bij belasten

3.44.1. afstroming tweezijdig

3.44.3. verticale consolidatiespanning

3.44.4. horizontale consolidatiespanning

3.44.5. verticale rek

3.44.6. neutrale gronddrukcoëfficient

3.45. Volumeverloop bij consolidatie

3.46. Volume bij bepaalde consolidatie

3.46.1. verlopen tijd

3.46.2. volumeverandering

3.46.4. horizontale spanning

3.47. Belastingfase

3.47.1. vervormingssnelheid

3.47.2. vorm proefstuk

3.48. Schuifspanningsverloop bij belasting

3.49.1. verlopen tijd

3.49.2. verticale rek

3.49.3. verticale spanning

3.49.4. schuifspanning

3.49.5. volumeverandering

3.49.6. verschilwaterspanning

3.50. Bepaling schuifspanningsverloop bij horizontale vervorming

3.50.2. bepalingsmethode

3.50.3. proefstuk gemaakt

3.50.4. monstervochtigheid

3.50.6. poreuze stenen nat

3.50.8. zijdelingse ondersteuning

3.50.9. begindiameter

3.50.10. beginhoogte

3.50.11. stopcriterium

3.50.12. bijzonderheid uitvoering

3.50.13. bijzonderheid materiaal

3.50.14. membraancorrectie toegepast

3.50.15. apparaatrekcorrectie toegepast

3.50.16. lagerwrijvingcorrectie toegepast

3.51. Gemaakt proefstuk voor horizontaal vervormen

3.51.1. maakmethode

3.51.2. watergehalte

3.51.3. volumieke massa

3.52. Consolidatiefase bij horizontaal vervormen

3.53. Consolidatiestap

3.53.1. stapnummer

3.53.2. verticale spanning

3.54. Hoogteverloop bij consolidatie

3.55.1. verlopen tijd

3.56. Schuiffase

3.56.1. vervormingssnelheid

3.56.2. actieve hoogtesturing

3.57. Schuifspanningsverloop bij horizontale vervorming

3.58.1. verlopen tijd

3.58.2. schuifrek

3.58.3. schuifspanning

3.58.4. verticale spanning

3.59. Bepaling consistentiegrenzen

3.59.1. bepalingsprocedure

3.59.2. bepalingsmethode

3.59.3. fractie groter500um

3.59.4. gebruikt medium

3.59.5. conustype

3.59.6. bijzonderheid uitvoering

3.59.7. vloeigrens

3.59.8. uitrolgrens

3.59.9. plasticiteitsindex

3.60. Plasiticiteit bij bepaald watergehalte

3.60.1. watergehalte

3.60.2. indringingsdiepte

3.60.3. aantal vallen

3.61. Bepaling korrelgrootteverdeling

3.61.1. bepalingsprocedure

3.61.2. bepalingsmethode

3.61.3. fractieverdeling

3.61.4. verwijderd materiaal

3.61.5. dispersiemethode

3.61.6. rekenwaarde bezinksnelheid

3.61.7. herkomst rekenwaarde

3.61.8. toegepast optisch model

3.61.9. bijzonderheid uitvoering

3.61.10. bijzonderheid materiaal

3.62. Basis korrelgrootteverdeling

3.62.1. fractie kleiner63um

3.62.2. fractie groter63um

3.63. Standaardverdeling fractie kleiner63um

3.63.1. fractie 0tot2um

3.63.2. fractie 2tot32um

3.63.3. fractie 32tot50um

3.63.4. fractie 50tot63um

3.64. Uitgebreide verdeling fractie kleiner63um

3.64.1. fractie 0tot2um

3.64.2. fractie 2tot4um

3.64.3. fractie 4tot8um

3.64.4. fractie 8tot16um

3.64.5. fractie 16tot32um

3.64.6. fractie 32tot50um

3.64.7. fractie 50tot63um

3.65. Standaardverdeling fractie groter63um

3.65.1. fractie 63tot90um

3.65.2. fractie 90tot125um

3.65.3. fractie 125tot180um

3.65.4. fractie 180tot250um

3.65.5. fractie 250tot355um

3.65.6. fractie 355tot500um

3.65.7. fractie 500tot710um

3.65.8. fractie 710tot1000um

3.65.9. fractie 1000tot1400um

3.65.10. fractie 1400umtot2mm

3.65.11. fractie 2tot4mm

3.65.12. fractie 4tot8mm

3.65.13. fractie 8tot16mm

3.65.14. fractie 16tot31.5mm

3.65.15. fractie 31.5tot63mm

3.65.16. fractie groter63mm

3.66. Uitgebreide verdeling fractie groter63um

3.66.1. fractie 63tot90um

3.66.2. fractie 63tot75um

3.66.3. fractie 75tot90um

3.66.4. fractie 90tot125um

3.66.5. fractie 90tot106um

3.66.6. fractie 106tot125um

3.66.7. fractie 125tot180um

3.66.8. fractie 125tot150um

3.66.9. fractie 150tot180um

3.66.10. fractie 180tot250um

3.66.11. fractie 180tot212um

3.66.12. fractie 212tot250um

3.66.13. fractie 250tot355um

3.66.14. fractie 355tot500um

3.66.15. fractie 500tot710um

3.66.16. fractie 710tot1000um

3.66.17. fractie 1000tot1400um

3.66.18. fractie 1400umtot2mm

3.66.19. fractie 2tot4mm

3.66.20. fractie 4tot8mm

3.66.21. fractie 4tot5.6mm

3.66.22. fractie 5.6tot8mm

3.66.23. fractie 8tot16mm

3.66.24. fractie 8tot11.2mm

3.66.25. fractie 11.2tot16mm

3.66.26. fractie 16tot31.5mm

3.66.27. fractie 31.5tot63mm

3.66.28. fractie groter63mm

3.67. Bepaling verzadigde waterdoorlatendheid

3.67.1. bepalingsprocedure

3.67.2. bepalingsmethode

3.67.3. proefstuk gemaakt

3.67.4. maakmethode

3.67.5. verzadigd met CO2

3.67.6. verticaal bepaald

3.67.7. poreuze stenen nat

3.67.8. ring waterafstotend

3.67.9. stroming neerwaarts

3.67.10. gebruikt medium

3.67.11. water ontgast

3.67.12. temperatuur

3.67.13. zwel geconstateerd

3.67.14. bijzonderheid materiaal

3.67.15. bijzonderheid uitvoering

3.67.16. maximale gradient

3.67.17. watergehalte na afloop

3.68. Verzadigde waterdoorlatendheid bij bepaalde droge volumieke massa

3.68.1. droge volumieke massa

3.68.2. verzadigde waterdoorlatendheid

3.69. Verzadigde waterdoorlatendheid bij bepaalde belasting

3.69.1. belasting

3.69.2. verzadigde waterdoorlatendheid

3.70. Bepaling watergehalte

3.70.1. bepalingsprocedure

3.70.2. bepalingsmethode

3.70.3. monstervochtigheid

3.70.4. verwijderd materiaal

3.70.5. bijzonderheid uitvoering

3.70.6. bijzonderheid materiaal

3.71. Resultaat bepaling

3.71.1. watergehalte

3.71.2. droogtemperatuur

3.71.3. droogtijd

3.71.4. zoutcorrectiemethode

3.72. Bepaling organischestofgehalte

3.72.1. bepalingsprocedure

3.72.2. bepalingsmethode

3.72.3. verwijderd materiaal

3.72.4. bijzonderheid uitvoering

3.72.5. lutumcorrectie toegepast

3.72.6. organischestofgehalte

3.73. Bepaling kalkgehalte

3.73.1. bepalingsprocedure

3.73.2. bepalingsmethode

3.73.3. verwijderd materiaal

3.73.4. bijzonderheid uitvoering

3.73.5. kalkgehalte

3.74. Bepaling volumieke massa

3.74.1. bepalingsprocedure

3.74.2. bepalingsmethode

3.74.3. monstervochtigheid

3.74.4. bijzonderheid uitvoering

3.74.5. volumieke massa

3.75. Bepaling volumieke massa vaste delen

3.75.1. bepalingsprocedure

3.75.2. bepalingsmethode

3.75.3. verwijderd materiaal

3.75.4. gebruikt medium

3.75.5. inhoud monsterhouder

3.75.6. bijzonderheid uitvoering

3.75.7. volumieke massa vaste delen

Artikel 2. Beschrijving van uitbreidbare waardelijsten

1.1. Aanvulmateriaal

1.2. Afzettingskarakteristiek

1.3. Analyseprocedure

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)