Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/91091, houdende nadere regels over het bemannen van zeeschepen (Regeling bemanning zeeschepen)
Gelet op de artikelen 2, derde, vierde, zesde en zevende lid, 4, derde en zesde lid, 6, tweede lid, 7, derde lid, 9, zesde lid, 18, tweede lid, 19, eerste en zevende lid, 20, zesde lid, 21, vijfde lid, 22, vierde en vijfde lid, 23, vierde lid, 24, derde en vijfde lid, 25, derde, vierde en zesde lid, 26, tweede en derde lid, 27, derde en vijfde lid, 29, 30, vierde lid, 31, achtste lid, 32, 35, tweede lid, 36, derde lid, 37, vierde lid, 38, vierde lid, 39, derde tot en met vijfde lid, 40, tweede lid, 43, tweede lid, 45, 76, tweede lid, 77, tweede lid, 79, eerste en tweede lid, van de Wet bemanning zeeschepen, de artikelen 1.2, derde lid, 2.1.2, derde en vierde lid, 2.1.3, zesde lid, 2.1.10, eerste lid, aanhef en onderdeel c, 2.2.2, 2.2.3, eerste lid, 2.2.4, vierde lid, 2.3.1, vijfde lid, 2.3.2, 2.4.7, zesde lid, 3.1.1, derde lid, 3.1.3, tweede en derde lid, 3.1.6, eerste en tweede lid, 3.1.7, eerste en derde lid, 3.1.8, 3.1.9, vijfde lid, 3.1.10, derde lid, 3.2.1, tweede lid, 3.2.7, tweede lid, 3.2.8, tweede lid, 3.2.23, 3.3.1, vierde lid, aanhef en onderdeel a, 3.3.2, derde lid, aanhef en onderdeel a, 3.3.4, vijfde lid, 3.3.10, 3.4.14, 3.5.7, 3.6.1, 3.6.3, eerste en tweede lid, 3.6.7, zevende lid, 4.1.1, eerste tot en met vierde lid, 4.2.1, eerste en tweede lid, 4.2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, en derde lid, en 4.2.3, derde lid, van het Besluit bemanning zeeschepen, en artikel 33, eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning zeeschepen in werking treedt.
Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- besluit: Besluit bemanning zeeschepen;
- bestaand vissersvaartuig: vissersvaartuig waarvan de kiel is gelegd voor 12 mei 1977;
- Caribische handelszone: Caribische handelszone (Caribbean Trading Area) als bedoeld in hoofdstuk 1, artikel 3, onderdeel 6, van de SCV-code;
- commercieel jacht: zeeschip van minder dan 3.000 GT met een loodlijnlengte van 24 meter of meer, dat is ontworpen en gebouwd en uitsluitend wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van 12 of minder passagiers en waarop de LY2-code dan wel de LY3-code, bedoeld in artikel 1 van de Regeling veiligheid zeeschepen kan worden toegepast;
- crebo: centraal register beroepsopleidingen;
- croho: centraal register opleidingen hoger onderwijs;
- diensttijd zeilschepen minder dan 500 GT: diensttijd in een bepaalde functie aan boord van in de vaart zijnde zeilschepen van minder dan 500 GT, uitgedrukt in seizoenen;
- ETO: elektrotechnisch officier;
- garnalenkotter: vissersvaartuig van 125 GT of minder, met een lengte van minder dan 24 meter met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 750 kW, gebruikt voor de vangst van garnalen waarvoor een bemanningscertificaat is afgegeven voor reizen die zich niet verder uitstrekken dan beperkte wateren vissersvaartuigen en waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling visserij voor het vangen van garnalen is afgegeven;
- keuring: medisch onderzoek als bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, van het besluit;
- keurling: natuurlijke persoon die zich aan een keuring onderwerpt;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- marof-N: maritiem officier als bedoeld in artikel 1 van het besluit, die gespecialiseerd is in het nautische vakgebied;
- marof-T: maritiem officier als bedoeld in artikel 1.1 van het besluit, die gespecialiseerd is in het technische vakgebied;
- onderofficier: gezel die dienst doet in een toezichthoudende functie of in een functie met bijzondere verantwoordelijkheid en die door de zeewerkgever als zodanig wordt beschouwd;
- passagiers: alle personen aan boord, met uitzondering van:
- 1°. de kapitein en de zeevarenden;
- 2°. andere personen, die in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn;
- 3°. kinderen, die op de dag van inscheping de leeftijd van een jaar nog niet hebben bereikt;
- referentielastlijn:
- a. voor een zeeschip waarop het Uitwateringsverdrag van toepassing is, de lijn voor zomeruitwatering als bedoeld in bijlage 1, voorschrift 6, tweede lid, onderdeel a, van het Uitwateringsverdrag; of
- b. voor een zeeschip waarop het Uitwateringsverdrag niet van toepassing is, de lijn parallel aan de ontwerplastlijn gelegen op een afstand van 20 procent van de holte naar de mal als bedoeld in bijlage 1, voorschrift 3, vijfde lid, van het Uitwateringsverdrag, maar niet meer dan 1 meter onder het vrijboorddek als bedoeld in bijlage 1, voorschrift 3, negende lid, van het Uitwateringsverdrag;
- schelpdiervaartuig: vissersvaartuig met een lengte van minder dan 45 meter met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 1.125 kW, gebruikt voor de vangst van schelpdieren waarvoor een bemanningscertificaat is afgegeven voor reizen die zich niet verder uitstrekken dan beperkte wateren vissersvaartuigen;
- seizoen: periode van 180 kalenderdagen, al dan niet aaneengesloten;
- SCV-code: in februari 2001 onder auspiciën van de IMO opgestelde en bij circulaire SLS.14/Circ.396, als voor het Koninkrijk der Nederlanden geldende equivalente regeling, aangemelde Code voor de veiligheid van kleine commerciële zeeschepen waarmee reizen worden ondernomen in het Caribisch gebied (Code of Safety for Small Commercial Vessels);
- sleepboot: zeeschip, in hoofdzaak bestemd voor het slepen of bergen van vaartuigen, en waarmee in de regel geen andere personen of goederen worden vervoerd dan die welke tot de eigen bemanning en uitrusting of tot die van het gesleept wordende, te slepen of te bergen object behoren, dan wel bij het bergingswerk nodig zijn;
- Uitwateringsverdrag: op 5 april 1966 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van zeeschepen (Trb. 1966, 275) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen;
- vaargebied zeilvaart I: gebied dat zich uitstrekt van de monding van de Eems over de Duitse Wadden, begrensd door de laagwaterlijn op het Noordzeestrand van de Duitse Waddeneilanden tot de oostpunt van Spiekeroog, en vervolgens van de lijn van de oostpunt van Spiekeroog – Harleboei – vuurschip Weser – vuurschip Elbe I en de Elbemonding tot Brunsbüttel, begrensd door de rode boeienlijn, tevens omvattend het Noord-Oostzeekanaal, het Kielerfjord, de westelijke Oostzee, Belten en Sont, begrensd door de lijn Grenaa – Kullen in het Noorden en in het Oosten door de lijn Falster Bo – Cap Arkona, inclusief het bodden- en haffengebied ten zuiden van Rügen;
- vaargebied zeilvaart II: gebied kustwater van 25 mijl uit de kust te beginnen dwars van Nieuwpoort tot de monding van de Elbe (Elbe I) en de Eider (Toenning), tevens omvattend het Noord-Oostzeekanaal en de westelijke Oostzee, Belten en Sont en het Kattegat in het Noorden begrensd door de lijn Skagen – Göteborg en in het Oosten door de lijn Simrishamn – oostkust Bornholm -Stettin, met dien verstande dat Bornholm in het Oosten op maximaal 25 mijl gepasseerd mag worden;
- vaargebied zeilvaart III: gehele Oostzee, de Noordzee, in het Noorden begrensd door de lijn van 63° 30’ Noorderbreedte (tot niet meer dan 25 mijl uit de Noorse kust) – 61° Noorderbreedte, 1° Westerlengte – Strathie Head verbonden met de lijn van Barony Point – Mull – oostkust Colonsay -Islay (Ardmore Point) – Inishowen Head (Noord-Ierland) en vervolgens in het Zuidwesten van Old Head of Kinsale (Zuid-Ierland nabij Cork Harbour) naar 48° Noorderbreedte, 6° Westerlengte (ca. 25 mijl west van Pointe du Raz) tot de zuidoever van de Gironde (45° Noorderbreedte, 2° 35’ Westerlengte); tot vaargebied III behoort tevens de gehele Middellandse Zee vanaf de Straat van Gibraltar;
- vaargebied zeilvaart IIIA: zuidelijke Noordzee, in het noorden begrensd door de parallel van 53° Noorderbreedte en in het zuiden begrensd door de lijn Calais-Dover, alsmede de wateren tot 30 mijl uit de Europese kusten binnen het vaargebied zeilvaart III;
- vaargebied zeilvaart IV: onbeperkt vaargebied;
- verblijf: dag- of slaapverblijf en alle ruimten voor sanitaire doeleinden, voedselvoorziening, ziekenverpleging en recreatie aan boord van een zeeschip, bestemd voor gebruik door zeevarenden;
- zeeschip voor bijzondere doeleinden: zeeschip waarop de SPS-code of de SPS-code 2008 van toepassing is.
Artikel 1.2. Personen niet aangemerkt als zeevarenden
De volgende categorieën van personen aan boord van een zeeschip, worden voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de wet niet aangemerkt als zeevarenden:
- a. passagiers;
- b. meevarende relaties en familie van zeevarenden, die geen werkzaamheden verrichten die onderdeel uitmaken van de normale werkzaamheden aan boord;
- c. militairen, inspecteurs en loodsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Loodsenwet;
- d. personen die uitsluitend in een haven of een havenfaciliteit als bedoeld in artikel 1, onderdeel f onderscheidenlijk c, van de Havenbeveiligingswet aan boord van een zeeschip zijn;
- e. personen die als particulier maritiem beveiligingspersoneel op een transport worden ingezet als bedoeld in artikel 7 van de Wet ter Bescherming Koopvaardij;
- f. andere personen wier werkzaamheden geen onderdeel uitmaken van de normale werkzaamheden aan boord in het kader van het gebruik van het zeeschip.
Artikel 1.3. Niet commercieel gebruikte zeeschepen
Een niet commercieel gebruikt zeeschip als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de wet is in ieder geval een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen.
Artikel 1.4. Uitzondering zeeschepen niet-continue vaart
De artikelen 4.1.4 tot en met 4.1.7 zijn niet van toepassing op een zeeschip van minder dan 500 GT waarop de zeevarenden ten hoogste 13 uur per etmaal en ten hoogste 84 uur in elke periode van 7 dagen aan boord verblijven, indien:
- a. per zeevarende een zitplaats in een dagverblijf beschikbaar is; en
- b. per ten hoogste zes zeevarenden een toiletruimte, een wastafel en een bad of douche beschikbaar is.
Artikel 1.5. Uitzondering zeeschepen ingezet door de politie of een organisatie belast met toezicht op de naleving van regelgeving en belast met het opsporen van strafbare feiten in de territoriale zone, met een lengte van minder dan 12 meter
De wet, met uitzondering van de artikelen 4, eerste lid, 8, 9 tot en met 18, en 41 tot en met 66, is niet van toepassing op een zeeschip met een lengte van minder dan 12 meter, ingezet door de Nationale Politie of door een organisatie belast met toezicht op de naleving van regelgeving en belast met het opsporen van strafbare feiten binnen de territoriale zone, indien de bemanning in het bezit is van:
- a. het door de Nationale Politie afgegeven vaarbekwaamheidsbewijs politie voor het besturen van een klein politievaartuig op alle binnenwater of een kwalificatiecertificaat schipper als bedoeld in artikel 14 van het Binnenvaartbesluit;
- b. het door de Nationale Politie afgegeven getuigschrift vaartraining snelle motorboten of het door Havenbedrijf Rotterdam N.V. afgegeven getuigschrift meerdaagse vaartraining snelle motorboten op zee inclusief noodprocedures;
- c. het getuigschrift levensreddend handelen afgegeven door de Nationale Politie of een getuigschrift levensreddend handelen afgegeven volgens de eisen van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid;
- d. het bekwaamheidsbewijs basisveiligheid; en
- e. het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie of het algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie.
Artikel 1.6. Vrijstelling garnalenkotters 48-uursregeling
Aan de scheepsbeheerder van een garnalenkotter wordt vrijstelling verleend van de verplichting de garnalenkotter te bemannen overeenkomstig de in artikel 2.2.1 van het besluit voorgeschreven bemanningssamenstelling voor telkens een periode van ten hoogste 48 uur, gerekend vanaf het tijdstip van uitvaren tot binnenkomst, indien:
- a. de bemanning bestaat uit ten minste een schipper en een plaatsvervangend schipper;
- b. bij aanwezigheid op het dek de opvarenden een opblaasbare reddinggordel dragen, die is voorzien van een persoonlijk noodradiobaken, en die voldoet aan het bepaalde in artikel 7.24 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 of die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in artikel 1 van de Wet scheepsuitrusting 2016; en
- c. de garnalenkotter is voorzien van:
- 1°. een koppeling van het wachtalarm met de automatische stuurinrichting;
- 2°. een geautomatiseerde spoel- en sorteermachine voor de scheiding van garnalen en vis; en
- 3°. een geautomatiseerde kookinrichting waarbij geen handmatige handelingen hoeven te worden verricht.
Artikel 1.7. Vrijstelling garnalenkotters 12-uursregeling
Aan de scheepsbeheerder van een garnalenkotter wordt vrijstelling verleend van de verplichting de garnalenkotter te bemannen overeenkomstig de in artikel 2.2.1 van het besluit voorgeschreven bemanningssamenstelling voor telkens een periode van ten hoogste 12 uur, gerekend vanaf het tijdstip van uitvaren tot binnenkomst, en:
- a. de bemanning bestaat uit ten minste een schipper en een wachtlopend gezel;
- b. bij aanwezigheid op het dek de opvarenden een opblaasbare reddinggordel dragen die is voorzien van een persoonlijk noodradiobaken, en die voldoet aan het bepaalde in artikel 7.24 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 of die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in artikel 1 van de Wet scheepsuitrusting 2016.
Artikel 1.8. Vrijstelling schelpdiervaartuigen voor de vaart tussen het Waddengebied en de Oosterschelde
Aan de scheepsbeheerder van een schelpdiervaartuig wordt vrijstelling verleend van de verplichting het schelpdiervaartuig te bemannen overeenkomstig de in artikel 2.2.1 van het besluit voorgeschreven bemanningssamenstelling, uitsluitend de vaart betreffend over zee tussen het Waddengebied en de Oosterschelde, indien:
- a. de bemanning bestaat uit ten minste een schipper en een plaatsvervangend schipper;
- b. de opvarenden bij aanwezigheid op het dek een opblaasbare reddinggordel dragen die is voorzien van een persoonlijk noodradiobaken, en die voldoet aan het bepaalde in artikel 7.24 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 of die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in artikel 1 van de Wet scheepsuitrusting 2016;
- c. niet wordt gevist; en
- d. de tijdspanne tussen binnenkomst in en vertrek uit het gebied door het schelpdiervaartuig ten minste 12 uren bedraagt.
Artikel 1.9. Vrijstelling schelpdiervaartuigen daglichtregeling
Aan de scheepsbeheerder van een schelpdiervaartuig wordt vrijstelling verleend van de verplichting het schelpdiervaartuig te bemannen overeenkomstig de in artikel 2.2.1 van het besluit voorgeschreven bemanningssamenstelling voor telkens een periode gerekend vanaf het tijdstip van zonsopgang tot zonsondergang, indien:
- a. de bemanning bestaat uit ten minste een schipper, een plaatsvervangend schipper en een wachtlopend gezel;
- b. de opvarenden bij aanwezigheid op het dek een opblaasbare reddinggordel dragen die is voorzien van een persoonlijk noodradiobaken, en die voldoet aan het bepaalde in artikel 7.24 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 of die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in artikel 1 van de Wet scheepsuitrusting 2016;
- c. het schelpdiervaartuig is voorzien van:
- 1°. een koppeling van het wachtalarm met de automatische stuurinrichting; en
- 2°. een geautomatiseerde verwerkingslijn.
Hoofdstuk 2. Het bemannen van zeeschepen
Paragraaf 2.1. Bemanning
Artikel 2.1.1. Gegevens bemanningsplan
In het bemanningsplan worden ten minste de gegevens opgenomen die zijn vermeld op een door de minister ter beschikking gesteld formulier.
De minister kan het model van het formulier ter beschikking stellen in de vorm een digitaal bestand.
Artikel 2.1.2. Gegevens bemanningscertificaat vissersvaartuig
De gegevens die bij de aanvraag voor een bemanningscertificaat voor een vissersvaartuig, niet zijnde een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 2.2.5 van het besluit worden ingediend zijn, voor zover van toepassing:
- a. de datum van de aanvraag;
- b. de naam van de scheepsbeheerder;
- c. het postadres van de scheepsbeheerder;
- d. de contactpersoon van de scheepsbeheerder;
- e. het telefoonnummer en het elektronisch postadres van de scheepsbeheerder;
- f. de naam van het vissersvaartuig;
- g. het letterteken en het nummer waaronder het vissersvaartuig is ingeschreven in het visserijregister, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998;
- h. de categorie waartoe het vissersvaartuig behoort;
- i. het bouwjaar van het vissersvaartuig;
- j. het voortstuwingsvermogen van het vissersvaartuig;
- k. de lengte van het vissersvaartuig;
- l. het vaargebied, waarbinnen met het vissersvaartuig zal worden gereisd;
- m. indien een vrijstelling als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, van het besluit is verleend, de aan het vissersvaartuig opgelegde beperkingen; en
- n. de handtekening van de scheepsbeheerder.
Artikel 2.1.3. Bemanningslijst
Met toepassing van artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht kan de scheepsbeheerder worden verplicht de bemanningslijsten over een bepaalde periode van één of meer van zijn zeeschepen onverwijld aan de minister toe te sturen.
Paragraaf 2.2. Nationaliteit kapitein
Artikel 2.2.1. Vrijstelling buitenlandse kapiteins handelsvaart en zeegaande waterbouw
Vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet wordt verleend aan een houder van een vaarbevoegdheidsbewijs die de nationaliteit bezit van Australië, Canada, Chili, China, Ethiopië, Filippijnen, Georgië, Ghana, Hong Kong, India, Indonesië, Jamaica, Kaapverdië, Montenegro, Nieuw-Zeeland, Oekraïne, Oman, Pakistan, Peru, de Russische Federatie, Singapore, Turkije, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten van Amerika, Vietnam of Zuid-Afrika.
Artikel 2.2.2. Bewijs van toestemming
De scheepsbeheerder die een persoon uit één van de in artikel 2.2.1 genoemde staten als kapitein op een zeeschip aanstelt, beschikt over een geldig, aan deze scheepsbeheerder gerichte toestemming als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet waarop de naam van die persoon is vermeld.
Artikel 2.2.3. Aanwezigheid bewijs van toestemming
De toestemming, bedoeld in artikel 2.2.2, is te allen tijde beschikbaar aan boord van het zeeschip waarop een persoon uit één van de in artikel 2.2.1 genoemde staten als kapitein dienstdoet.
De scheepsbeheerder bewaart een kopie van de toestemming bij de bemanningslijst van het zeeschip.
Artikel 2.2.4. Vrijstelling nationaliteitseis schippers vissersvaartuigen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet wordt verleend aan een houder van een vaarbevoegdheidsbewijs die de nationaliteit bezit van een lidstaat van de Europese Unie, van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
Artikel 2.2.5. Informatie over de arbeidsmarkt voor Nederlandse zeevarenden
De commissies, bedoeld in artikel 19, vijfde lid, van de wet, verstrekken informatie over de arbeidsmarkt voor Nederlandse zeevarenden in het afgelopen jaar vóór 1 oktober aan de minister.
De informatie, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste:
- a. het aantal zeevarenden op Nederlandse vloot, gerangschikt naar functie, leeftijd en nationaliteit;
- b. het aantal Nederlandse officieren dat in het verstreken jaar voor het eerst, anders dan als stagiair, is gemonsterd op Nederlandse zeeschepen;
- c. het aantal beschikbare stageplaatsen;
- d. het aantal Nederlandse studenten dat als stagiair is geplaatst;
- e. het aantal buitenlandse studenten dat als stagiair is geplaatst, alsmede de nationaliteit van deze stagiairs, en
- f. het aantal afgegeven geldige toestemmingen tot het aanstellen van een persoon in een andere nationaliteit in de functie van kapitein tot 1 oktober, uitgesplitst naar aantal scheepsbeheerders dat aanvragen heeft ingediend en nationaliteit van de kapitein.
Artikel 2.2.6. Vervanging van privaatrechtelijke regelingen
Ingeval de privaatrechtelijke regelingen, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, zijn vervallen zonder dat de werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector koopvaardij en zeegaande waterbouw hebben voorzien in de vervanging hiervan, geeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat nog gedurende zes maanden na de vervaldatum op aanvraag vaarbevoegdheidsbewijzen van erkenning af ten behoeve van scheepsbeheerders die vallen onder deze sectoren, zonder dat een bewijs van toestemming is overgelegd.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 2.2.2 en 2.2.3 van deze regeling niet van toepassing.
Paragraaf 2.3. Monsterboekje of alternatieve diensttijdverklaring
Artikel 2.3.1. Afgifte monsterboekje
De minister geeft een monsterboekje af aan degene die bij de aanvraag voldoet aan het tweede lid.
Voor de afgifte van een monsterboekje komt uitsluitend in aanmerking, degene die aantoont:
- a. een zee-arbeidsovereenkomst of zee-arbeidsovereenkomst in de zeevisserij te zijn aangegaan of zal aangaan, dan wel deelneemt of zal deelnemen aan een maatschapsovereenkomst of vennootschap onder firma in de zeevisserij; of
- b. een opleiding te volgen voor een functie waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs vereist is.
Indien wordt aangetoond dat het monsterboekje nodig is ten behoeve van de uitoefening van hun beroep aan boord van een zeeschip, komen tevens de volgende personen voor de afgifte van een monsterboekje in aanmerking:
- a. nautisch/technisch surveyor van erkende organisaties;
- b. registerloods;
- c. gecertificeerde Noordzeeloods;
- d. schipper zoute veren als bedoeld in artikel 2.10 van de Binnenvaartregeling;
- e. maritiem wetenschappelijk onderzoeker;
- f. personeel met dienstverlenende taken aan boord van zeeschepen;
- g. nautisch of technisch onderhoudspersoneel;
- h. nautisch of technisch ondersteunend personeel;
- i. medewerker van nautische of technische inspecties van scheepsbeheerders;
- j. detacheringsmedewerker, te werk gesteld via een uitzendbureau of een detacheringsbureau, voor het verrichten van werkzaamheden aan boord van zeeschepen;
- k. ambtenaar belast met toezichthoudende of handhavende taken aan boord van zeeschepen;
- l. degene die het monsterboekje naar het oordeel van de minister ten behoeve van zijn beroepsuitoefening nodig heeft;
- m. andere zeevarenden dan bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, onderdeel a, die in het bezit zijn van een geldig Nederlands vaarbevoegdheidsbewijs.
Artikel 2.3.2. Bewijsstukken bij verzoek monsterboekje
Bij het verzoek om afgifte van een monsterboekje worden de volgende bescheiden overgelegd:
- a. een geldig paspoort of ander geldig nationaliteitsbewijs van de aanvrager;
- b. een recente pasfoto;
- c. het burgerservicenummer van de aanvrager indien deze de Nederlandse nationaliteit heeft;
- d. de bewijsstukken, waarmee wordt aangetoond dat de aanvrager voldoet aan artikel 2.3.1, tweede lid;
- e. zo nodig aanvullende informatie die nodig is om de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, in het monsterboekje te kunnen opnemen.
In plaats van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde bescheiden kunnen kopieën daarvan worden overgelegd.
In plaats van het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde burgerservicenummer kan, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf niet in Nederland heeft, worden volstaan met bescheiden die in het land van herkomst gebruikelijk zijn.
De aanvraag wordt niet eerder in behandeling genomen dan nadat het tarief, bedoeld in artikel 79, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet, is betaald.
Artikel 2.3.3. Aantekeningen monsterboekje of een alternatieve diensttijdverklaring
Alvorens het monsterboekje af te geven, tekent de minister in elk geval de volgende gegevens erin aan:
- a. van de zeevarende:
- 1°. achternaam en voornamen;
- 2°. plaats en datum van geboorte; en
- 3°. nationaliteit;
- b. de plaats en datum van afgifte;
- c. de datum, waarop de geldigheid vervalt.
Voorts bevat het monsterboekje:
- a. een recente pasfoto;
- b. de handtekening van de houder.
Een monsterboekje is slechts geldig indien het de handtekening van de zeevarende bevat.
De kapitein tekent in het monsterboekje van de zeevarende aan, dan wel reikt een alternatieve diensttijdverklaring als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet uit aan een zeevarende, waarin is aangegeven:
- a. de dag en plaats van aanmonstering;
- b. de dag en plaats van afmonstering;
- c. de functie waarin de zeevarende heeft dienstgedaan;
- d. de naam en roepletters van het zeeschip en voor een passagiersschip van meer dan 100 GT of meer of een zeeschip, niet zijnde een passagiersschip, van 300 GT of meer, het IMO-nummer of ingeval het ontbreken daarvan het CFR-nummer;
- e. het brutotonnage van het zeeschip of de scheepslengte in geval van een vissersvaartuig;
- f. het vermogen van de hoofdvoortstuwingsinstallatie in kW;
- g. het soort zeeschip, onderscheiden naar handelsvaartschip, vissersvaartuig, zeilschip, alsmede werktuiglijke voortbeweging door middel van een inwendige verbrandingsmotor, een elektrische voortstuwingsinstallatie of door een stoomturbine of gasturbine gedreven voortstuwingsinstallatie;
- h. het type zeeschip, indien van toepassing, onderscheiden naar olietankschip, chemicaliëntankschip, vloeibaargastankschip, IGF-schip, hogesnelheidschip of passagiersschip.
In het monsterboekje dan wel de alternatieve diensttijdverklaring wordt het loon noch enige gedragsbeoordeling opgenomen.
Artikel 2.3.4. Verlies monsterboekje
Bij de aanvraag van een vervangend monsterboekje wegens verlies van het reeds afgegeven monsterboekje overlegt de aanvrager naast de in artikel 2.3.2, eerste lid, genoemde bescheiden, een verklaring over inzake de vermissing van het monsterboekje.
De artikelen 2.3.1, tweede lid, 2.3.2 en 2.3.3 zijn van overeenkomstige toepassing bij de afgifte van een monsterboekje wegens verlies van het eerder afgegeven monsterboekje.
Artikel 2.3.5. Personen naast de kapitein bevoegd tot het maken van aantekeningen
Het bevoegd gezag van een door de minister erkende training als bedoeld in artikel 24, vierde lid, of 25, vijfde lid, van de wet is bevoegd tot het maken van aantekeningen in het monsterboekje betreffende het door de zeevarende met goed gevolg hebben afgerond van die training.
Een monsterboekje is ongeldig, indien een ander dan een van de in het eerste lid bedoelde personen de daarbij genoemde aantekeningen of wijzigingen heeft aangebracht.
Degene die onbevoegd aantekeningen of wijzigingen heeft aangebracht in een monsterboekje, draagt de kosten van de vervanging van dat monsterboekje.
Artikel 2.3.6. Teruggave monsterboekje
De kapitein bewaart het monsterboekje aan boord van het zeeschip na de aanmonstering en geeft het aan de zeevarende terug bij de afmonstering.
Indien de kapitein het monsterboekje niet kan teruggeven aan de zeevarende, doet hij het toekomen aan de scheepsbeheerder die het, onder vermelding van de reden voor het niet teruggeven, zendt aan de minister.
Hoofdstuk 3. Vaarbevoegdheden en beroepseisen
Paragraaf 3.1. Algemene bepalingen
Artikel 3.1.1. Afgifte vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs
Bij de aanvraag om afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan de minister:
- a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
- b. een geldig paspoort of ander geldig nationaliteitsbewijs van de aanvrager;
- c. een recente pasfoto;
- d. het burgerservicenummer van de aanvrager indien deze de Nederlandse nationaliteit heeft;
- e. het kennisbewijs of bekwaamheidsbewijs op grond waarvan afgifte wordt gevraagd;
- f. de voor het gewenste vaarbevoegdheidsbewijs vereiste bekwaamheidsbewijzen en schriftelijke bewijzen;
- g. een geldige geneeskundige verklaring zeevaart, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet; en
- h. een bewijs dat is voldaan aan de vereiste goedgekeurde diensttijd voor het gewenste bewijs.
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs is het eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.1.2. Relevante diensttijd
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3 van het besluit wordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan in een functie als kapitein of officier in de dekdienst aan boord van zeeschepen van 100 GT of meer niet zijnde vissersvaartuigen, of vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer.
Indien diensttijd is opgedaan aan boord van zeeschepen van minder dan 100 GT, niet zijnde vissersvaartuigen of vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter, wordt bij vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.2 en 3.2.3 van het besluit het vaarbevoegdheidsbewijs beperkt tot zeeschepen van minder dan 3.000 GT.
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.4 tot en met 3.2.8 van het besluit wordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan in een functie als kapitein of officier in de dekdienst aan boord van zeeschepen.
Aanvullend op het eerste lid kan de diensttijd in aanmerking worden genomen die is opgedaan aan boord van zeeschepen van minder dan 100 GT, indien er geen sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid en indien ten minste 24 maanden diensttijd kan worden aangetoond.
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de dekdienst als bedoeld in de artikelen 3.4.2 tot en met 3.4.9 wordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan in een functie als kapitein of officier in de dekdienst aan boord van zeeschepen.
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de machinekamerdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.11 tot en met 3.2.13 of 3.4.11 tot en met 3.4.13 van het besluit wordt de diensttijd in aanmerking genomen die is opgedaan als officier in de machinekamerdienst aan boord van zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW of meer.
Indien de diensttijd is opgedaan aan boord van zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 750 kW wordt bij de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie in de machinekamerdienst als bedoeld in de artikelen 3.2.11 tot en met 3.2.13 van het besluit, het vaarbevoegdheidsbewijs beperkt tot zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 3.000 kW.
Aanvullend op het zesde lid kan de diensttijd in aanmerking worden genomen die is opgedaan aan boord van zeeschepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van minder dan 750 kW, indien er geen sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid en indien 24 maanden diensttijd kan worden aangetoond.
Artikel 3.1.3. Diensttijd maritiem officier
Aanvullend op artikel 3.1.2 wordt de diensttijd opgedaan in de functie van een maritiem officier, eerste maritiem officier of stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen voor de helft daarvan in aanmerking genomen voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs als officier in de dekdienst en voor de helft daarvan voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs als officier in de machinekamerdienst.
Aanvullend op artikel 3.1.2 komt voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs van een maritiem officier, eerste maritiem officier of stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen de diensttijd, opgedaan in een functie als kapitein of officier in de dekdienst en de diensttijd, opgedaan in een functie als officier in de machinekamerdienst, in aanmerking.
Voor de berekening van de opgedane diensttijd in 2 functies tezamen als bedoeld in het tweede lid wordt slechts de diensttijd in acht genomen voor zover deze zich in gelijke mate verhoudt.
Artikel 3.1.4. Diensttijd verschillende sectoren bij vernieuwing vaarbevoegdheidsbewijs
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie als kapitein of officier aan boord van een zeeschip in de dekdienst, wordt de diensttijd opgedaan in een relevante functie aan boord van een zeeschip in de handelsvaart, zeevisvaart of zeezeilvaartgelijkgesteld, met dien verstande dat er op het moment van de aanvraag tot vernieuwing geen sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid.
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie als officier aan boord van een zeeschip in de dekdienst, waarbij er sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid, wordt diensttijd opgedaan op zeeschepen in de handelsvaart, zeevisvaart of zeezeilvaart gelijkgesteld, met dien verstande dat in de bedrijfstak waarvoor de vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs is aangevraagd, ten minste drie maanden diensttijd is opgedaan in een functie als officier waarvoor een vaarbevoegdheidsbewijs is vereist.
In afwijking van het tweede lid wordt voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie als officier aan boord van een zeeschip in de dekdienst, waarbij er sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid, diensttijd opgedaan op vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer gelijkgesteld aan diensttijd op zeeschepen in de handelsvaart.
Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie aan boord van een zeeschip als officier in de machinekamerdienst, wordt de diensttijd opgedaan in een relevante functie aan boord van een zeeschip in de handelsvaart of zeevisvaart, gelijkgesteld.
De diensttijd opgedaan als wachtofficier, navigatieofficier of commandant op zeeschepen van de Koninklijke Marine van 500 GT of meer wordt gelijkgesteld met diensttijd als bedoeld in het eerste lid. In het geval deze diensttijd wordt gebruikt voor het vernieuwen van een vaarbevoegdheidsbewijs, waarbij er sprake is van ophoging van de vaarbevoegdheid, dan is het tweede lid van toepassing.
De diensttijd opgedaan als wachtofficier of technisch officier van de technische dienst op zeeschepen van de Koninklijke Marine met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 750 kW of meer, voor zover daadwerkelijk diensttijd is opgedaan in de technische centrale en machinekamer wordt gelijkgesteld met diensttijd als bedoeld in het vijfde lid.
Voor de berekening van de diensttijd, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, wordt de diensttijd, opgedaan in één van de functies als maritiem officier en in de functie stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen, herleid naar diensttijd, opgedaan in de functies als stuurman of werktuigkundige, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1.3.
Artikel 3.1.5. Diensttijd bij vernieuwing bekwaamheidsbewijs
Voor de vernieuwing van een bekwaamheidsbewijs, is artikel 3.1.1 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van onderdeel f, en met dien verstande dat de in onderdeel h vereiste diensttijd is opgedaan:
- a. aan boord van olie- of chemicaliëntankschepen, indien het betreft het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen;
- b. aan boord van gastankschepen, indien het betreft het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen;
- c. aan boord van olie- en chemicaliëntankschepen, indien het betreft het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen voor gevorderden;
- d. aan boord van gastankschepen, indien het betreft het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden.
Artikel 3.1.6. Vergelijkbare functies
Vergelijkbare functies als bedoeld in artikel 3.1.3, derde lid, van het besluit zijn:
- a. voor de functies van kapitein, eerste stuurman of wachtstuurman:
- 1°. registerloods;
- 2°. Noordzeeloods;
- 3°. nautisch surveyor van zeeschepen van een erkende organisatie;
- 4°. medewerker van nautische inspecties van scheepsbeheerders;
- 5°. ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport, voor zover betrokken bij het toezicht op zeeschepen;
- 6°. simulatorinstructeur op een door de Inspectie Leefomgeving en Transport erkende simulator voor stuurhuisactiviteiten Nautisch A, zoals opgenomen in de Leidraad maritieme simulatoren;
- 7°. schipper zoute veren als bedoeld in artikel 2.10 van de Binnenvaartregeling; en
- 8°. schipper van een zeegaand reddingvaartuig van de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM).
- b. voor de functie van werktuigkundige:
- 1°. technisch surveyor van zeeschepen van een erkende organisatie;
- 2°. medewerker van technische inspecties van scheepsbeheerders;
- 3°. ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport, voor zover daadwerkelijk betrokken bij het toezicht op zeeschepen;
- 4°. simulatorinstructeur op een door de Inspectie Leefomgeving en Transport erkende simulator machinekameractiviteiten Technisch A, zoals opgenomen in de Leidraad maritieme simulatoren;
- 5°. werktuigkundige, werkzaam in de binnenvaart;
- 6°. werktuigkundige, werkzaam op elektriciteitscentrales, gemalen en de procesindustrie;
- 7°. werktuigkundige, werkzaam op zeeschepen zonder eigen voortstuwing;
- 8°. werktuigkundige, werkzaam op installaties in de offshore-industrie; en
- 9°. inbedrijfsteller scheepsinstallaties.
De minister kan andere functies dan de functies, bedoeld in het eerste lid, als vergelijkbare functie aanmerken.
Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop kan worden vernieuwd indien de houder daarvan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing, ten minste vierentwintig maanden een functie als bedoeld in het eerste of tweede lid heeft vervuld.
De bevoegdheden waarvoor het vernieuwde vaarbevoegdheidsbewijs geldig is, zijn niet ruimer dan die, welke bij aanvang van de vergelijkbare functie bestonden.
Artikel 3.1.7. Erkenning van buitenlandse vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen
Bij de aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs op grond van voorschrift I/10 van het STCW-verdrag of hoofdstuk I, voorschrift 7, van het STCW F-verdrag, legt de aanvrager de volgende bescheiden over aan de minister:
- a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
- b. een geldig identiteitsbewijs waaruit zijn nationaliteit blijkt;
- c. een recente pasfoto;
- d. het vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs waarvan erkenning wordt gevraagd; en
- e. de geneeskundige verklaring zeevaart, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet.
Indien het vaarbevoegdheidsbewijs waarvan erkenning wordt gevraagd de functie kapitein betreft en is afgegeven door de bevoegde autoriteit van een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Bondsstaat Zwitserland, overlegt de aanvrager tevens het bewijs van schriftelijke toestemming, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet.
Een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste lid afgegeven door een staat als bedoeld in het tweede lid, heeft een geldigheidsduur die gelijk is aan die van het door de bevoegde autoriteit van die staat afgegeven oorspronkelijke bewijs, maar niet langer dan vijf jaar.
Het eerste lid is niet van toepassing op de aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs door een migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 2 van de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties zeevisserij.
Het tweede lid is niet van toepassing op de aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs voor het dienstdoen in de functie van schipper op vissersvaartuigen.
Artikel 3.1.8. Bewijs van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs
Bij een aanvraag om afgifte van een bewijs van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 27, vierde lid, van de wet overlegt de aanvrager naast de in artikel 3.1.7, eerste lid, bedoelde bescheiden, tevens een verklaring van:
- a. de zeewerkgever omtrent het afgesloten zijn van een arbeidsovereenkomst, waarbij de aanvrager zich heeft verbonden arbeid aan boord van een zeeschip te verrichten; en
- b. de scheepsbeheerder omtrent de authenticiteit van de door de aanvrager overgelegde bescheiden en de juistheid van de door deze verstrekte gegevens, voor zover dit door hem kan worden beoordeeld.
Paragraaf 3.2. Vaarbevoegdheidsbewijzen zeeschepen, niet zijnde zeilschepen
Artikel 3.2.1. Vaarbevoegdheid zeeschepen, niet zijnde zeilschepen minder dan 500 GT
Voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor een functie aan boord van een zeeschip, niet zijnde een zeilschip van minder dan 500 GT, is de aanvrager in het bezit van de in bijlage 1 en 2 vastgestelde kennisbewijzen en bekwaamheidsbewijzen en wordt ten minste voldaan aan de vastgestelde diensttijdvereisten.
Paragraaf 3.3. Bijzondere beroepseisen bepaalde scheepstypen en afgifte bekwaamheidsbewijzen
Artikel 3.3.1. Bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen, bedoeld in artikel 3.3.1, eerste lid, van het besluit, is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basisveiligheid en heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-1, eerste lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.2. Bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling olietankschepen voor gevorderden
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs olietankschepen voor gevorderden, bedoeld in artikel 3.3.1, tweede lid, van het besluit, is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen en heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-1, tweede lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.3. Bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling chemicaliëntankschepen voor gevorderden
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling chemicaliëntankschepen voor gevorderden, bedoeld in artikel 3.3.1, derde lid, van het besluit, is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie- en chemicaliëntankschepen en heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-1, derde lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.4. Bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen, bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, van het besluit, is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basisveiligheid en heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-2, eerste lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.5. Bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden, bedoeld in artikel 3.3.2, tweede lid, van het besluit, is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen en heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/1-2, tweede lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.6. Schriftelijk bewijs dienstverlening aan passagiers
Voor de afgifte van het schriftelijk bewijs dienstverlening aan passagiers, bedoeld in artikel 3.3.3, tweede lid, van het besluit, heeft de aanvrager met goed gevolg een training afgerond die voldoet aan sectie A-V/2, tweede lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.7. Bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs groepsbegeleiding
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs groepsbegeleiding, bedoeld in artikel 3.3.3, derde lid, van het besluit, heeft de aanvrager met goed gevolg een training afgerond die voldoet aan sectie A-V/2, derde lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.8. Bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs crisisbeheersing en menselijk gedrag
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs crisisbeheersing en menselijk gedrag, bedoeld in artikel 3.3.3, vierde lid, van het besluit, heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/2, vierde lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.9. Bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs passagiersveiligheid, ladingveiligheid en waterdichtheid van de scheepsromp
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs passagiersveiligheid, ladingveiligheid en waterdichtheid van de scheepsromp, bedoeld in artikel 3.3.3, vijfde lid, van het besluit, heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/2, vijfde lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.10. Bekwaamheidsbewijs basistraining IGF-code
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basistraining IGF-code, bedoeld in artikel 3.3.4, tweede lid, van het besluit, heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/3, eerste lid, van de STCW-code.
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basistraining IGF-code komen tevens in aanmerking zeevarenden die in het bezit zijn van het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen of het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden.
Artikel 3.3.11. Bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining IGF-code
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining IGF-code, bedoeld in artikel 3.3.4, derde lid, van het besluit:
- a. is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basistraining IGF-code;
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/3, tweede lid, van de STCW-code; en
- c. heeft de aanvrager ten minste een maand ervaring opgedaan met ten minste drie bunkeroperaties aan boord van zeeschepen waarop de IGF-code van toepassing is. Twee van de drie bunkeroperaties kunnen worden vervangen door simulatortraining als onderdeel van de in onderdeel b genoemde training.
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining IGF-code komen tevens in aanmerking kapiteins, werktuigkundigen, maritiem officieren en overige zeevarenden die in het bezit zijn van het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden, bedoeld in artikel 3.3.2, tweede lid, van het besluit, mits zij tevens:
- a. voldoen aan de voorschriften V/3, zesde lid, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993;
- b. voldoen aan voorschrift V/3, achtste lid, onderdeel 2, van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993 of hebben deelgenomen aan ten minste drie ladingsoperaties aan boord van een gastankschip;
- c. gedurende vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag ten minste drie maanden dienst hebben gedaan aan boord van:
- 1°. zeeschepen waarop de IGF-code van toepassing is;
- 2°. tankschepen met als lading brandstoffen waarop de IGF-code van toepassing is; of
- 3°. zeeschepen die gas of brandstof met een laag vlampunt gebruiken als brandstof.
Artikel 3.3.12. Bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code voor zeeschepen die in polaire wateren varen
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code, bedoeld in artikel 3.3.5, eerste lid, van het besluit, heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/4, eerste lid, van de STCW-code.
Artikel 3.3.13. Bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining Polar-code voor zeeschepen die in polaire wateren varen
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs gevorderdentraining Polar-code, bedoeld in artikel 3.3.5, tweede lid, van het besluit:
- a. is de aanvrager in het bezit van het bekwaamheidsbewijs basistraining Polar-code;
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-V/4, tweede lid, onderdeel 1, van de STCW-code; en
- c. heeft de aanvrager gedurende ten minste twee maanden dienstgedaan in een relevante functie.
Artikel 3.3.14. Bekwaamheidsbewijs type rating HSC
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs type rating HSC, bedoeld in artikel 3.3.9, eerste lid, van het besluit heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan voorschrift 18.3.3 van de HSC-code.
Artikel 3.3.15. Bekwaamheidsbewijs stoomvoortstuwing
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs stoomvoortstuwing, bedoeld in artikel 3.2.14 van het besluit:
- a. is de aanvrager in het bezit van ten minste een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 3.2.11 van het besluit; en
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-III/2 van de STCW-code, voor wat betreft het aspect voortstuwing door middel van stoomturbines.
Artikel 3.3.16. Bekwaamheidsbewijs gasturbinevoortstuwing
Voor de afgifte van het bekwaamheidsbewijs gasturbinevoortstuwing, bedoeld in artikel 3.2.15 van het besluit:
- a. is de aanvrager in het bezit van ten minste het vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 3.2.11 van het besluit; en
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg een door de minister erkende training afgerond die voldoet aan sectie A-III/2 van de STCW-code, voor wat betreft het aspect voortstuwing door middel van gasturbines.
Paragraaf 3.4. Kennisbewijzen officieren en bekwaamheidsbewijzen gezel
Artikel 3.4.1. Kennisbewijs hoger maritiem officier alle zeeschepen of middelbaar maritiem officier alle zeeschepen
Voor de afgifte van het kennisbewijs hoger maritiem officier alle zeeschepen of middelbaar maritiem officier alle zeeschepen:
- a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993:
- 1°. voorschrift II/1, tweede lid, onderdelen 2 tot en met 6;
- 2°. voorschrift II/2, tweede lid, onderdeel 2;
- 3°. voorschrift III/1, tweede lid, onderdelen 2 tot en met 5; en
- 4°. voorschrift III/2, tweede lid, onderdeel 2;
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-code:
- 1°. sectie A-II/1, eerste lid, onderdeel 1, en tweede tot en met zesde lid;
- 2°. sectie A-II/2, eerste tot en met zevende lid, waarbij het in het vierde lid bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en waarbij het in het vijfde lid bedoelde niveau alle zeeschepen betreft;
- 3°. sectie A-III/1, eerste tot en met zesde lid, en negende lid; en
- 4°. sectie A-III/2, eerste tot en met zevende lid, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines, en waarbij het in het vierde lid bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige alle zeeschepen betreft; en
- c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste twaalf maanden diensttijd opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door of namens de kapitein of hoofdwerktuigkundige af te tekenen stageboek.
Artikel 3.4.2. Kennisbewijs stuurman-werktuigkundige kleine zeeschepen
Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige kleine zeeschepen:
- a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993:
- 1°. voorschrift II/1, tweede lid, onderdelen 2 tot en met 6;
- 2°. voorschrift II/2, vierde lid, onderdeel 3;
- 3°. voorschrift III/1, tweede lid, onderdelen 2 tot en met 5; en
- 4°. voorschrift III/3, tweede lid, onderdeel 2;
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-code:
- 1°. sectie A-II/1, eerste lid, onderdeel 1, en tweede tot met zesde lid;
- 2°. sectie A-II/2, eerste tot en met zevende lid, waarbij het in het vierde lid, bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en het in vijfde lid bedoelde niveau zeeschepen van minder dan 3.000 GT betreft;
- 3°. sectie A-III/1, eerste tot en met zesde lid, en negende lid; en
- 4°. sectie A-III/2, eerste tot en met zevende lid, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines, en waarbij het in het vierde lid bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige zeeschepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen betreft; en
- c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste twaalf maanden diensttijd opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door of namens de kapitein of hoofdwerktuigkundige af te tekenen stageboek.
Artikel 3.4.3. Kennisbewijs stuurman alle zeeschepen en stuurman waterbouw
Voor de afgifte van het kennisbewijs stuurman alle zeeschepen of stuurman waterbouw:
- a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993:
- 1°. voorschrift II/1, tweede lid, onderdelen 2 tot en met 6; en
- 2°. voorschrift II/2, tweede lid, onderdeel 2;
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-code:
- 1°. sectie A-II/1, eerste lid, onderdeel 1, en het tweede tot en met zesde lid; en
- 2°. sectie A-II/2, eerste tot en met zevende lid, waarbij het in het vierde lid bedoelde kennisniveau de functie van kapitein betreft en waarbij het in het vijfde lid bedoelde kennisniveau alle zeeschepen betreft; en
- c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste twaalf maanden diensttijd opgedaan, waarvan zes maanden gedurende wachtwerkzaamheden op de brug, onder bijhouding van een door of namens de kapitein af te tekenen stageboek.
Artikel 3.4.4. Kennisbewijs wachtstuurman tot 3.000 GT
Voor de afgifte van het kennisbewijs wachtstuurman tot 3.000 GT:
- a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993:
- 1°. voorschrift II/1, tweede lid, onderdelen 2 tot en met 6; en
- 2°. voorschrift II/2, vierde lid, onderdeel 3;
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-code:
- 1°. sectie A-II/1, eerste lid, onderdeel 1, en tweede tot en met zesde lid; en
- 2°. sectie A-II/2, eerste tot en met zevende lid, waarbij het in het vierde lid bedoelde kennisniveau de functie kapitein betreft en het in het vijfde lid, bedoelde niveau zeeschepen van minder dan 3.000 GT betreft; en
- c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste twaalf maanden diensttijd opgedaan, waarvan zes maanden gedurende wachtwerkzaamheden op de brug, onder bijhouding van een door of namens de kapitein af te tekenen stageboek.
Artikel 3.4.5. Kennisbewijs scheepswerktuigkundige alle zeeschepen en scheepswerktuigkundige waterbouw
Voor de afgifte van het kennisbewijs scheepswerktuigkundige alle zeeschepen of scheepswerktuigkundige waterbouw:
- a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993:
- 1°. voorschrift III/1, tweede lid, onderdelen 2 tot en met 5; en
- 2°. voorschrift III/2, tweede lid, onderdeel 2;
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-code:
- 1°. sectie A-III/1, eerste tot en met zesde lid, en negende lid; en
- 2°. sectie A-III/2, eerste tot en met zesde lid, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines, en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige alle zeeschepen betreft; en
- c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste twaalf maanden diensttijd opgedaan, waarvan zes maanden gedurende wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door of namens de hoofdwerktuigkundige af te tekenen stageboek.
Artikel 3.4.6. Kennisbewijs wachtwerktuigkundige tot 3.000 kW
Voor de afgifte van het kennisbewijs wachtwerktuigkundige tot 3.000 kW:
- a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993:
- 1°. voorschrift III/1, tweede lid, onderdelen 2 tot en met 5; en
- 2°. voorschrift III/3, tweede lid, onderdeel 2;
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-code:
- 1°. sectie A-III/1, eerste tot en met zesde lid, en negende lid; en
- 2°. sectie A-III/3, eerste tot en met zevende lid, met uitzondering van de aspecten voorstuwing door middel van stoomturbines en voorstuwing door middel van gasturbines, en waarbij het in onderdeel 4 bedoelde kennisniveau de functie hoofdwerktuigkundige zeeschepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen betreft; en
- c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste twaalf maanden diensttijd opgedaan, waarvan zes maanden gedurende wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door of namens de hoofdwerktuigkundige af te tekenen stageboek.
Artikel 3.4.7. Kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied
Voor de afgifte van het kennisbewijs schipper-machinist beperkt werkgebied:
- a. voldoet de aanvrager aan de volgende onderdelen van voorschriften van bijlage I bij richtlijn (EU) 2022/993:
- 1°. voorschrift II/3, vierde lid, onderdelen 2.2.1, 3 tot en met 5; en
- 2°. voorschrift III/1, tweede lid, onderdeel 4;
- b. heeft de aanvrager met goed gevolg examen afgelegd ter afsluiting van een opleiding die voldoet aan de volgende onderdelen van de STCW-code:
- 1°. sectie A-II/3, eerste tot en met zesde lid, met uitzondering van de aspecten opgenomen in de secties A-VI/2 en A-VI/3; en
- 2°. sectie A-III/1; en
- c. heeft de aanvrager als onderdeel van de in onderdeel b bedoelde opleiding gedurende ten minste zes maanden diensttijd opgedaan, die in gelijke mate bestaat uit wachtwerkzaamheden op de brug en uit wachtwerkzaamheden in de machinekamer, onder bijhouding van een door of namens de kapitein of hoofdwerktuigkundige af te tekenen stageboek.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)