Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/91091, houdende nadere regels over het bemannen van zeeschepen (Regeling bemanning zeeschepen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 275
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • a. met een door de scheepsbeheerder ondertekende verklaring als bedoeld in hoofdstuk 10, deel A, artikel 13.1, van de SCV-code heeft aangetoond gedurende drie jaar voorafgaand aan de vernieuwing ten minste 45 dagen te hebben dienstgedaan in een functie waarvoor het te vernieuwen certificaat is vereist, of met goed gevolg een door de minister erkende training heeft afgerond voor de op het bemanningscertificaat genoemde functie die ten minste voldoet aan bijlage 11, paragraaf 1 of 2, van de SCV-code; en
  • b. in het bezit is van een geldige geneeskundige verklaring zeevaart of een gelijkwaardige verklaring afgegeven door een andere verdragspartij bij de SCV-code.
4.

Een door de minister afgegeven certificaat dat verloren is gegaan kan worden vervangen door een duplicaat certificaat, waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum op het originele document.

5.

Een certificaat of verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt door de houder op verzoek getoond aan een ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving of Transport, alsmede aan de personen aangewezen in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES.

Artikel 3.9.3. Regels aangaande de medische geschiktheid

De artikelen 31 tot en met 34 van de wet en paragraaf 3.6 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verkrijging van een geldige geneeskundige verklaring zeevaart als bedoeld in artikel 3.9.2.

Artikel 3.9.4. Kapitein lokaal varend Caribisch-Nederlands schip
1.

De kapitein van een Caribisch-Nederlands schip is in het bezit van een geldig certificaat Boatmaster Grade 3 als bedoeld in artikel 5, deel A, van hoofdstuk 10, van de SCV-code of een ten minste gelijkwaardig certificaat afgegeven door een andere partij bij de SCV-code, indien de schipper:

  • a. tegen vergoeding vracht of passagiers vervoert of tegen vergoeding gelegenheid biedt tot uitoefening van sport of vrijetijdsbesteding; en
2.

Een certificaat Boatmaster Grade 3 als bedoeld in het eerste lid, aanhef wordt door de minister afgegeven indien de aanvrager:

  • a. achttien jaar of ouder is;
  • b. met goed gevolg een door de minister erkende training heeft afgerond die ten minste voldoet aan de eisen voor Grade 3, bijlage 11, paragraaf 1, van de SCV-code; en
  • c. in het bezit is van geldige geneeskundige verklaring zeevaart, een gelijkwaardige verklaring afgegeven door een andere partij bij de SCV-code of een geldige door een arts ingevulde verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen, waaruit blijkt dat de keurling medisch geschikt is voor de functie kapitein lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen; en
3.

Een certificaat Boatmaster Grade 3 als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheid van ten hoogste drie jaar.

4.

Een certificaat Boatmaster Grade 3 als bedoeld in het eerste lid wordt door de minister vernieuwd indien de aanvrager:

  • a. met een door de scheepsbeheerder ondertekenende verklaring als bedoeld in hoofdstuk 10, deel A, artikel 13.1, van de SCV-code heeft aangetoond dat gedurende drie jaar voorafgaand aan de vernieuwing ten minste vijfenveertig dagen is dienstgedaan in een functie waarvoor het certificaat Boatmaster Grade 3 is vereist, of dat met goed gevolg een door de minister erkende training heeft afgerond die ten minste voldoet aan de eisen voor Grade 3, bijlage 11, paragraaf 1, van de SCV-code; en
  • b. in het bezit is van een geldige geneeskundige verklaring zeevaart of een geldige door een arts ingevulde verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen, waaruit blijkt dat de keurling medisch geschikt is voor de functie kapitein lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen.
5.

Een certificaat dat verloren is gegaan kan door de minister worden vervangen door een duplicaat certificaat, waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum op het originele document.

6.

Een certificaat als bedoeld in het eerste lid wordt door de houder op verzoek getoond aan een ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving of Transport alsmede aan de personen aangewezen in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES.

Artikel 3.9.5. Beoordeling door keuringsarts
1.

Indien ten minste één van de vragen van de verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen als bedoeld in artikel 3.9.4, tweede lid, onderdeel c, met ‘ja’ is beantwoord, is de aanvrager in eerste aanleg niet medisch geschikt.

2.

Een aanvrager die in eerste aanleg niet medisch geschikt is kan verzoeken om een herbeoordeling bij een keuringsarts, waarna de aanvrager bij een positieve beoordeling een geneeskundige verklaring zeevaart verstrekt krijgt.

3.

Een geldige door een arts ingevulde verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen als bedoeld in artikel 3.9.4, tweede lid, onderdeel c, heeft een geldigheid van ten hoogste drie jaar.

Artikel 3.9.6. Model SCV-certificaten

Het model van de certificaten, bedoeld in de artikelen 3.9.2 en 3.9.4, is opgenomen in bijlage 10 van de SCV-code.

Artikel 3.9.7. Model Verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse zeeschepen

Het model van de verklaring medische geschiktheid lokaal varende Caribisch-Nederlandse schepen, bedoeld in artikel 3.9.4, tweede lid, onderdeel c, is opgenomen in bijlage 15.

Artikel 3.9.8. Buitenlandse certificaten

Een geldig certificaat dat op grond van hoofdstuk 10 van de SCV-code is afgegeven door een andere verdragspartij bij de SCV-code dat ten minste gelijkwaardig is met een certificaat als bedoeld in de artikelen 3.9.2 en 3.9.4 wordt daaraan gelijkgesteld.

Hoofdstuk 4. Werk- en leefomstandigheden

Paragraaf 4.1. Huisvesting en voorzieningen ten behoeve van zeevarenden aan boord van een zeeschip met een kiellegdatum van op of na 20 augustus 2013, niet zijnde een vissersvaartuig

Artikel 4.1.1. Reikwijdtebepaling
1.

Tenzij in een voorschrift van deze paragraaf uitdrukkelijk is bepaald dat dat voorschrift wel van toepassing is op een in onderdeel a of c bedoeld zeeschip, is deze paragraaf niet van toepassing op:

  • a. een zeeschip waarvan de kiel is gelegd of de bouw in een overeenkomstige fase van ontwikkeling was voor 20 augustus 2013, niet zijnde een vissersvaartuig;
  • b. een vissersvaartuig; en
  • c. een zeeschip dat ontworpen is om traditionele vaardigheden en zeemanschap aan te moedigen en te bevorderen en dat als levend cultuurmonument volgens de traditionele beginselen van zeemanschap en techniek wordt bestuurd.
2.

De artikelen 4.1.4 tot en met 4.1.8 zijn niet van toepassing op een zeeschip van minder dan 500 GT waarop de zeevarenden ten hoogste 13 uur per etmaal en ten hoogste 84 uur in elke periode van 7 dagen aan boord verblijven, indien:

  • a. per zeevarende een zitplaats in een dagverblijf beschikbaar is; en
  • b. per 6 zeevarenden of minder een toiletruimte, een wastafel en een bad of douche beschikbaar is.
Artikel 4.1.2. Verblijven voor zeevarenden
1.

De verblijven voldoen aan de in de onderstaande tabel opgenomen onderdelen van normen van het MLC-verdrag:

stahoogte norm A3.1, zesde lid, onderdeel a, eerste volzin
isolatie norm A3.1, zesde lid, onderdeel b
te gebruiken materialen norm A3.1, zesde lid, onderdeel f
verlichting en waterafvoer norm A3.1, zesde lid, onderdeel g
airconditioning norm A3.1, zevende lid, onderdeel b
verwarmingssysteem norm A3.1, zevende lid, onderdeel d
2.

Het in het eerste lid bedoelde verwarmingssysteem en de airconditioning kunnen in alle verblijven permanent een temperatuur van 20 graden Celsius onderhouden.

3.

De verblijven voldoen voorts aan de normering van de in de onderstaande tabel opgenomen leidraden dan wel onderdelen van leidraden van het MLC-verdrag:

ontwerp en bouw leidraad B3.1.1
ventilatie leidraad B3.1.2
verwarming en radiatoren leidraad B3.1.3, tweede en derde lid
verlichting leidraad B3.1.4, eerste lid
situering van verblijven ter voorkoming van lawaai en trillingen leidraad B3.1.12, eerste lid
geluidsisolatie leidraad B3.1.12, tweede en derde lid
voorkomen van extreme trillingen leidraad B3.1.12, vijfde lid
4.

Voor de elektrische verlichting van de verblijven gelden de in de onderstaande tabel opgenomen normen:

Soort verblijf Lux
dagverblijven en ruimten voor recreatieve voorzieningen 300
gangen en trappenhuizen, slaapverblijven 150
brug, kantoren, kombuis, 500
ziekenverblijf 540
sanitaire ruimten 325
Artikel 4.1.3. Ontheffingen verblijven
1.

De minister kan, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van norm A3.1, zesde lid, onderdeel a, eerste volzin, van het MLC-verdrag indien de verminderde hoogte van de desbetreffende verblijven redelijk is, en niet tot ongemak voor de zeevarenden leidt.

2.

Er wordt geen ontheffing verleend voor een hoogte van de verblijven van minder dan 1.930 mm.

3.

Voor een zeeschip van minder dan 200 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden en met inachtneming van de grootte van het zeeschip en het aantal opvarenden aan boord, ontheffing verlenen van norm A3.1, zevende lid, onderdeel b, van het MLC-verdrag ten aanzien van airconditioning.

Artikel 4.1.4. Slaapverblijven
1.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.1.2 en 4.1.3 voldoen de slaapverblijven aan de in de onderstaande tabel opgenomen onderdelen van normen van het MLC-verdrag:

ligging op het zeeschip, niet zijnde een passagiersschip norm A3.1, zesde lid, onderdeel c
afscheiding van andere ruimten norm A3.1, zesde lid, onderdeel e
ventilatie norm A3.1, zevende lid, onderdeel a
verlichting norm A3.1, achtste lid
individueel slaapverblijf voor elke zeevarende op andere zeeschepen dan passagiersschepen norm A3.1, negende lid, onderdeel a, eerste zinsnede
afzonderlijke slaapverblijven voor mannen en vrouwen norm A3.1, negende lid, onderdeel b
afmetingen en uitrusting norm A3.1, negende lid, onderdeel c
eigen slaapplaats voor elke zeevarende norm A3.1, negende lid, onderdeel d
minimumafmetingen van een slaapplaats norm A3.1, negende lid, onderdeel e
vloeroppervlak van slaapverblijven voor één zeevarende norm A3.1, negende lid, onderdeel f
vloeroppervlak en aantal zeevarenden per slaapverblijf op zeeschip van minder dan 3.000 GT, anders dan een passagiersschip of een zeeschip voor bijzondere doeleinden norm A3.1, negende lid, onderdeel h
vloeroppervlak van slaapverblijven op een passagiersschip of een zeeschip voor bijzondere doeleinden norm A3.1, negende lid, onderdeel i
vloeroppervlak van slaapverblijven voor meer dan 4 zeevarenden op een zeeschip voor bijzondere doeleinden norm A3.1, negende lid, onderdeel j
vloeroppervlak van slaapverblijven voor zeevarenden die taken als officier verrichten norm A3.1, negende lid, onderdeel k, of norm A3.1, negende lid, onderdeel l, voor een passagiersschip of een zeeschip voor bijzondere doeleinden
aan het slaapverblijf grenzende aanvullende ruimte voor de kapitein, de hoofdwerktuigkundige en de eerste stuurman norm A3.1, negende lid, onderdeel m, eerste zinsnede
meubilair norm A3.1, negende lid, onderdelen n en o
2.

In aanvulling op norm A3.1, negende lid, onderdeel e, van het MLC-verdrag bedraagt de binnenwerks gemeten lengte van een slaapplaats ten minste 2.000 mm.

3.

Slaapverblijven zijn achter het aanvaringsschot gelegen.

4.

Slaapverblijven voldoen voorts aan de normering van de in de onderstaande tabel opgenomen leidraden dan wel onderdelen van leidraden van het MLC-verdrag:

elektrische leeslamp leidraad B3.1.4, tweede lid
comfort van slaapplaatsen leidraad B3.1.5, eerste lid
uitrusting met een badkamer, inclusief toilet leidraad B3.1.5, tweede lid
scheiding van wachthoudende en overdag werkende zeevarenden leidraad B3.1.5, derde lid
het maximale aantal onderofficieren per slaapverblijf leidraad B3.1.5, vierde lid
een aan het slaapverblijf grenzende aanvullende ruimte leidraad B3.1.5, vijfde lid
de ruimte voor diverse voorzieningen die mede begrepen zijn in de maten van het vloeroppervlak leidraad B3.1.5, zesde lid
slaapplaatsen boven elkaar leidraad B3.1.5, zevende lid, achtste en twaalfde lid
materiaal van bedstel, zijwanden en meubels leidraad B3.1.5, negende lid, tiende lid en dertiende lid
matrassen leidraad B3.1.5, elfde lid
gordijnen of vergelijkbare voorzieningen leidraad B3.1.5, veertiende lid
overige voorzieningen slaapverblijven leidraad B3.1.5, vijftiende lid, en B3.1.10
Artikel 4.1.5. Wezenlijk gelijkwaardige bepalingen voor slaapverblijven op commerciële jachten
1.

In afwijking van artikel 4.1.4, eerste lid, zijn voor een commercieel jacht als wezenlijk gelijkwaardige bepalingen als bedoeld in artikel VI, derde lid, van het MLC-verdrag de in de onderstaande tabel opgenomen normen ten aanzien van de minimale vloeroppervlakte voor slaapverblijven, tezamen met het tweede en derde lid, van toepassing:

Grootte commercieel jacht Type slaapverblijf Minimale vloeroppervlakte
tot 500 GT eenpersoonsslaapverblijf zonder eigen sanitaire voorzieningen 3,6 vierkante meter
tot 500 GT eenpersoonsslaapverblijf met eigen sanitaire voorzieningen 4,5 vierkante meter
tot 500 GT tweepersoonsslaapverblijf met eigen sanitaire voorzieningen 6,2 vierkante meter
≥500 GT tot 1.250 GT eenpersoonsslaapverblijf voor officieren met eigen sanitaire voorzieningen van 4,5 vierkante meter bij 500 GT plus 0,004 vierkante meter per GT boven de 500 GT, afgerond op decimalen
≥500 GT tot 1.150 GT tweepersoonsslaapverblijf voor officieren met eigen sanitaire voorzieningen 6,2 vierkante meter bij 500 GT plus 0,1.354 vierkante meter per GT boven de 500 GT, afgerond op decimalen
2.

Tot de wezenlijk gelijkwaardige bepalingen, bedoeld in het eerste lid, behoort het vereiste dat een commercieel jacht de volgende voorzieningen biedt:

  • a. een dagverblijf dat per zeevarende ten minste 1,5 vierkante meter zitplaats biedt;
  • b. een ruimte aan dek die toegankelijk is voor de zeevarenden die geen dienst hebben en per zeevarende ten minste 1,5 vierkante meter zitplaats biedt; en
  • c. een aanvullende ruimte die per officier ten minste 1,5 vierkante meter zitplaats biedt en, voor zover deze ruimte is gesitueerd op de brug, alleen wordt gebruikt als het zeeschip niet varende is.
3.

Voor zover het vloeroppervlak van slaapverblijven voor officieren ingevolge het eerste lid minder dan 7,5 vierkante meter bedraagt, zijn in deze verblijven een tv en een dvd-speler of gelijkwaardige apparatuur beschikbaar.

Artikel 4.1.6. Wezenlijk gelijkwaardige bepalingen voor slaapverblijven op een zeeschip van minder dan 500 GT
1.

In afwijking van artikel 4.1.4, eerste lid, kunnen, met het oog op de functionaliteit, de stabiliteit of anderszins de veiligheid van een zeeschip van minder dan 500 GT, als wezenlijk gelijkwaardige bepaling als bedoeld in artikel VI, derde lid, van het MLC-verdrag slaapverblijven onder de referentielastlijn worden geplaatst, mits tevens wordt voldaan aan het tweede lid.

2.

Slaapverblijven als bedoeld in het eerste lid voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de bovenzijde van de vloer ligt niet meer dan twee meter onder de referentielastlijn;
  • c. in het slaapverblijf wordt continue klimaatbeheersing toegepast die adequaat condensvorming en vocht gerelateerde geuren bestrijdt;
  • d. vanuit het slaapverblijf zijn ten minste twee adequate vluchtwegen aanwezig;
  • e. in het waterdichte compartiment van het slaapverblijf is een bilge-alarm aanwezig;
  • f. de lichtsterkte van de verlichting is variabel instelbaar om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren; en
  • g. er worden materialen en kleuren voor wand- en vloerbedekking toegepast gericht op ruimtebeleving.
Artikel 4.1.7. Wezenlijk gelijkwaardige bepaling voor slaapverblijven op een passagierschip of een zeeschip voor bijzondere doeleinden
1.

Op een passagiersschip of een zeeschip voor bijzondere doeleinden is het overeenkomstig norm A3.1, zesde lid, onderdeel d, van het MLC-verdrag toegestaan slaapverblijven onder de referentielastlijn te plaatsen.

2.

In afwijking van norm A3.1, zesde lid, onderdeel d, van het MLC-verdrag kunnen als wezenlijk gelijkwaardige bepaling als bedoeld in artikel VI, derde lid, van het MLC-verdrag slaapverblijven onder werkgangen worden geplaatst, indien deze slaapverblijven zodanig zijn geïsoleerd dat wordt voldaan aan de normen voor geluidsisolatie tussen slaapverblijven en dagverblijven van de bij resolutie A.468(12) door de Algemene Vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie aangenomen Code over geluidsniveaus op zeeschepen. Voor een zeeschip van meer dan 1.600 GT en indien het betreffende zeeschip is gebouwd op of na 1 juli 2014 is resolutie MSC.337 (91) van de Internationale Maritieme Organisatie over geluidsniveaus op zeeschepen van toepassing.

3.

Slaapverblijven als bedoeld in het eerste en tweede lid voldoen aan de volgende eisen:

  • a. in het slaapverblijf wordt continue klimaatbeheersing toegepast die adequaat condensvorming en vocht gerelateerde geuren bestrijdt; en
  • b. de lichtsterkte van de verlichting is variabel instelbaar om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren.
Artikel 4.1.8. Ontheffingen en afwijkende voorschriften slaapverblijven
1.

De minister kan ontheffing verlenen van norm A3.1, zesde lid, onderdeel c, van het MLC-verdrag voor het plaatsen van slaapverblijven voor midscheeps, indien de grootte, het type of de beoogde dienst van het zeeschip een andere ligging praktisch onmogelijk maakt.

2.

Voor een zeeschip voor bijzondere doeleinden kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van norm A3.1, zesde lid, onderdeel d, van het MLC-verdrag voor het plaatsen van slaapverblijven zonder daglicht boven de lastlijn, indien de grootte, het type of de beoogde dienst van het zeeschip een andere ligging praktisch onmogelijk maakt en de lichtsterkte van de verlichting in de slaapverblijven variabel instelbaar is om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren.

3.

In afwijking van artikel 4.1.4, eerste lid, en in overeenstemming met norm A3.1, achtste lid, van het MLC-verdrag zijn op een passagiersschip slaapverblijven toegestaan waar geen daglicht kan toetreden indien:

  • a. de lichtsterkte van de verlichting variabel instelbaar is om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren; en
  • b. materialen en kleuren voor wand- en vloerbedekking worden toegepast die zijn gericht op ruimtebeleving.
4.

Voor een zeeschip van minder dan 3.000 GT, niet zijnde een passagiersschip of een zeeschip voor bijzondere doeleinden, kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties vanscheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van norm A3.1, negende lid, onderdeel a, van het MLC-verdrag dat voor elke zeevarende een individueel slaapverblijf beschikbaar moet zijn.

5.

Voor een zeeschip van minder dan 3.000 GT, een passagiersschip of voor een zeeschip voor bijzondere doeleinden kan de minister in overeenstemming met norm A3.1, negende lid, onderdeel g, van het MLC-verdrag ontheffing verlenen van norm A3.1, negende lid, onderdeel f, van het MLC-verdrag met betrekking tot het minimale vloeroppervlak van individuele slaapverblijven, indien daarmee kan worden voorzien in individuele slaapverblijven. Deze individuele slaapverblijven zijn nooit kleiner dan 3,75 vierkante meter.

6.

Voor een zeeschip van minder dan 3.000 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van norm A3.1, negende lid, onderdeel m, van het MLC-verdrag met betrekking tot aan slaapverblijven grenzende individuele verblijven.

7.

Voor een zeeschip van minder dan 200 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden en met inachtneming van de grootte van het zeeschip en het aantal opvarenden aan boord, ontheffing verlenen van norm A.3.1, negende lid, onderdelen f en h tot en met l, van het MLC-verdrag met betrekking tot het minimale vloeroppervlak, met dien verstande dat de vloeroppervlakte van individuele slaapverblijven ten minste 3 vierkante meter is, de vloeroppervlakte van slaapverblijven voor meer dan één persoon ten minste 2 vierkante meter per persoon is, en de vloeroppervlakte van slaapverblijven voor officieren ten minste 4 vierkante meter.

8.

De minister kan ontheffing verlenen van de normering van:

  • a. leidraad B3.1.5, tweede lid, van het MLC-verdrag dat slaapverblijven eigen sanitaire voorzieningen hebben;
  • b. leidraad B3.1.5, derde lid, van het MLC-verdrag dat slaapverblijven zodanig zijn ingericht dat de wachten afgescheiden zijn en overdag werkende zeevarenden zijn gescheiden van ’s nachts werkende zeevarenden.
Artikel 4.1.9. Dagverblijven
1.

Onverminderd de artikelen 4.1.2 en 4.1.3 voldoen de dagverblijven aan de in de onderstaande tabel opgenomen onderdelen van normen van het MLC-verdrag:

ventilatie norm A3.1, zevende lid, onderdeel a
verlichting norm A3.1, achtste lid
plaatsing, grootte en uitrusting dagverblijven norm A3.1, tiende lid
2.

Dagverblijven voldoen voorts aan de normering van de in de onderstaande tabel opgenomen onderdelen van leidraden van het MLC-verdrag:

vloeroppervlak van dagverblijven leidraad B3.1.6, derde lid
meubilair in dagverblijven leidraad B3.1.6, vierde lid
voorzieningen in dagverblijven leidraad B3.1.6, vijfde lid
pantry’s leidraad B3.1.6, zesde lid
materiaal van het meubilair leidraad B3.1.6, zevende lid
3.

Aan boord van een zeeschip van meer dan 400 GT en minder dan 1.000 GT zijn afzonderlijke dagverblijven voor:

  • a. de kapitein en de officieren; en
  • b. de overige zeevarenden.
4.

Aan boord van een zeeschip van 1.000 GT of meer zijn afzonderlijke dagverblijven voor:

  • a. de kapitein en de officieren;
  • b. de onderofficieren; en
  • c. de overige zeevarenden.
5.

Onverminderd het derde en vierde lid is er een afzonderlijk dagverblijf voor zeevarenden die niet een functie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet uitoefenen.

Artikel 4.1.10. Ontheffingen en afwijkende voorschriften dagverblijven
1.

In afwijking van artikel 4.1.9, eerste lid, en in overeenstemming met norm A3.1, achtste lid, van het MLC-verdrag zijn op een passagiersschip dagverblijven toegestaan waar geen daglicht kan toetreden indien:

  • a. de lichtsterkte van de verlichting variabel instelbaar is om het gebrek aan daglicht naar behoefte van de zeevarende te kunnen compenseren; en
  • b. materialen en kleuren voor wand- en vloerbedekking worden toegepast gericht op ruimtebeleving.
2.

De minister kan, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden en rekening houdend met de in leidraad B3.1.6, eerste lid, van het MLC-verdrag genoemde factoren, ontheffing verlenen van artikel 4.1.9, derde tot en met vijfde lid, ten aanzien van de aanwezigheid van afzonderlijke dagverblijven.

3.

Voor een zeeschip van minder dan 3.000 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van norm A3.1, tiende lid, onderdeel a, van het MLC-verdrag ten aanzien van de plaatsing van dagverblijven.

Artikel 4.1.11. Sanitaire voorzieningen
1.

Onverminderd artikelen 4.1.2 en 4.1.3 voldoen de sanitaire voorzieningen aan de in de onderstaande tabel opgenomen onderdelen van normen van het MLC-verdrag:

ventilatie norm A3.1, zevende lid, onderdeel c
toegankelijkheid, hygiëne en comfort norm A3.1 elfde lid, onderdelen a tot en met c
wastafels in slaapverblijven norm A3.1, elfde lid, onderdeel d
warm en koud stromend water norm A3.1, elfde lid, onderdeel f
2.

Sanitaire voorzieningen voldoen voorts aan de normering van de in de onderstaande tabel genoemde onderdelen van leidraden van het MLC-verdrag:

wastafels en baden leidraad B3.1.7, eerste lid
toiletten leidraad B3.1.7, tweede lid
inrichting van sanitaire ruimten bestemd voor meer dan één persoon leidraad B3.1.7, derde lid
Artikel 4.1.12. Ontheffingen en afwijkende voorschriften sanitaire voorzieningen
1.

Voor een zeeschip van minder dan 3.000 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van norm A3.1, elfde lid, onderdeel b, van het MLC-verdrag ten aanzien van de toegankelijkheid van sanitaire ruimten vanaf de navigatiebrug, de machinekamer of het controlecentrum van de machinekamer.

2.

Voor een passagiersschip dat doorgaans geen reizen maakt van langer dan vier uur kan, in afwijking van artikel 4.1.11, eerste lid, en in overeenstemming met norm A3.1, elfde lid, onderdeel e, van het MLC-verdrag, het aantal sanitaire voorzieningen worden beperkt tot een toilet, een wasbak en een badkuip of douche per tien zeevarenden indien aan de wal aanvullende sanitaire voorzieningen aanwezig zijn en de sanitaire voorzieningen aan de wal en aan boord tezamen voldoen aan norm A3.1, elfde lid, onderdeel c, van het MLC-verdrag.

3.

Op zeeschip van minder dan 200 GT is norm A3.1, elfde lid, onderdeel d, van het MLC-verdrag ten aanzien van wastafels in slaapverblijven, niet van toepassing.

Artikel 4.1.13. Ziekenverblijven
1.

Op een zeeschip met een bemanning van 15 of meer zeevarenden aan boord dat reizen van meer dan drie dagen maakt, is een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig dat voldoet aan norm A3.1, twaalfde lid, van het MLC-verdrag.

2.

Een ziekenverblijf voldoet aan de normering die is genoemde in leidraad B3.1.8, eerste, tweede en vierde lid, van het MLC-verdrag ten aanzien van ontwerp en inrichting, met dien verstande dat sanitaire voorzieningen die deel uitmaken van het ziekenverblijf en uitsluitend vanuit dat verblijf toegankelijk zijn met een deur kunnen worden afgesloten.

3.

Het aantal bedden in een ziekenverblijf bedraagt:

  • a. op een zeeschip waar het aantal zeevarenden dat verblijft in slaapverblijven voor meer dan één persoon, minder is dan 30: één bed;
  • b. op een zeeschip waar het aantal zeevarenden dat verblijft in slaapverblijven voor meer dan één persoon, 30 of meer is: twee bedden die niet boven elkaar gelegen zijn.
4.

Op een passagiersschip is bij voorkeur een apart ziekenverblijf voor passagiers aanwezig. Indien er geen apart ziekenverblijf voor passagiers is, worden de passagiers voor de toepassing van het derde lid meegeteld als zeevarenden.

5.

Op een zeeschip dat een internationale reis van meer dan drie dagen maakt met een bemanning en overig personeel van honderd personen of meer die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het zeeschip in dienst of tewerkgesteld zijn, inclusief stagiairs en leerlingen alsmede personen die werkzaam zijn als loods, is een verblijf ingericht als apotheek en verbandkamer dat grenst aan het ziekenverblijf en dat kan worden afgesloten.

6.

Op een zeeschip waar, gelet op het eerste lid, geen ziekenverblijf aanwezig is, is een eenpersoons slaapverblijf beschikbaar dat als ziekenkooi kan worden ingericht. Op een zeeschip met minder dan zes zeevarenden, kan worden volstaan met een als ziekenkooi ingerichte slaapplaats in een slaapverblijf. Dit slaapverblijf is gemakkelijk toegankelijk.

7.

Ziekenverblijven worden uitsluitend gebruikt voor medische doeleinden.

Artikel 4.1.14. Recreatieve voorzieningen
1.

Aan boord zijn in overeenstemming met norm A3.1, zeventiende lid, van het MLC-verdrag recreatieve voorzieningen die voldoen aan de normering van de in de onderstaande tabel opgenomen onderdelen van leidraden van het MLC-verdrag:

boekenkast en meubilair voor lezen, schrijven en gezelschapsspellen leidraad B3.1.11, tweede lid
televisie en radio leidraad B3.1.11, vierde lid, onderdeel b
vertoning van films leidraad B3.1.11, vierde lid, onderdeel c
bibliotheek leidraad B3.1.11, vierde lid, onderdeel f
elektronische apparatuur leidraad B3.1.11, vierde lid, onderdeel h
telefoon-, e-mail- en internetverbinding leidraad B3.1.11, vierde lid, onderdeel j, en achtste lid
2.

Aan boord van een zeeschip van 8.000 GT of meer zijn voorts recreatieve voorzieningen aanwezig die voldoen aan de normering van de in de onderstaande tabel opgenomen onderdelen van leidraden van het MLC-verdrag:

sportvoorzieningen leidraad B3.1.11, vierde lid, onderdeel d
zwembad leidraad B3.1.11, vierde lid, onderdeel e
faciliteiten voor creatieve bezigheden leidraad B3.1.11, vierde lid, onderdeel g
bar leidraad B3.1.11, vierde lid, onderdeel i
3.

Op een zeeschip van 500 GT of meer is voor de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, ten minste één afzonderlijk verblijf beschikbaar.

4.

Op zeeschip van kleiner dan 500 GT kunnen in plaats van een afzonderlijk recreatieverblijf de dagverblijven zodanig worden ingericht en uitgerust, dat zij als ontspanningsruimte dienst kunnen doen.

5.

Op zeeschip van 8.000 GT of meer zijn voor de voorzieningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, naast een afzonderlijke ruimte voor het zwembad, ten minste twee verblijven aanwezig waarin voldoende ruimte is voor het tegelijkertijd uitoefenen van verschillende recreatieve bezigheden.

Artikel 4.1.15. Ontheffing zwembad

De minister kan, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van artikel 4.1.14, tweede lid, ten aanzien van de aanwezigheid van een zwembad, indien dit gelet op de inrichting van het zeeschip niet goed te realiseren is.

Artikel 4.1.16. Diverse voorzieningen
1.

Aan boord zijn de onderstaande voorzieningen aanwezig, die voldoen aan de in de onderstaande tabel opgenomen onderdelen van normen en de normering van de onderdelen van leidraden van het MLC-verdrag:

wasvoorzieningen norm A3.1, dertiende lid, en leidraad B3.1.7, vierde lid
ruimte op het open dek norm A3.1, veertiende lid
kantoren norm A3.1, vijftiende lid, eerste volzin
2.

Op een zeeschip van 1.600 GT of meer is een kleedruimte voor machinekamerpersoneel aanwezig, die voldoet aan de normering van leidraad B3.1.9 van het MLC-verdrag, tenzij al het machinekamerpersoneel de beschikking heeft over een slaapverblijf voor niet meer dan twee personen met een bijbehorende sanitaire ruimte waar een bad of douche aanwezig is. De kleedruimte voor machinekamerpersoneel is vanuit de machinekamer binnendoor te bereiken.

3.

Indien het desbetreffende zeeschip regelmatig havens aandoet waar doorgaans muggen aanwezig zijn, zijn voorzieningen aan boord aanwezig tegen het binnendringen van muggen in de verblijven en ruimten die toegang geven tot het open dek.

4.

De in leidraad B3.1.10 van het MLC-verdrag genoemde benodigdheden zijn in voldoende hoeveelheden voor de zeevarenden aan boord beschikbaar.

Artikel 4.1.17. Ontheffingen kantoren en wasvoorzieningen
1.

Voor een zeeschip van minder dan 3.000 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, ontheffing verlenen van norm A3.1, vijftiende lid, van het MLC-verdrag ten aanzien van kantoren.

2.

Voor een zeeschip van minder dan 200 GT kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden en met inachtneming van de grootte van het zeeschip en het aantal opvarenden aan boord, ontheffing verlenen van norm A.3.1, dertiende lid, van het MLC-verdrag ten aanzien van wasvoorzieningen, indien de zeevarenden van het desbetreffende zeeschip aan de wal voldoende toegang hebben tot wasvoorzieningen.

Artikel 4.1.18. Ontheffing wegens gewoonten zeevarenden

Voor een zeeschip waarop zeevarenden werkzaam zijn met uiteenlopende gewoonten van godsdienstige of sociale aard, kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden en onder daarbij te stellen voorschriften, ontheffing verlenen van norm A3.1 van het MLC-verdrag, mits dit niet leidt tot situaties die voor één of meer zeevarenden aan boord van het desbetreffende zeeschip minder gunstig zijn dan zonder het verlenen van die ontheffing het geval zou zijn.

Artikel 4.1.19. Voorzieningen voor opslag en bereiding van voedsel en drinkwater
1.

Een zeeschip is uitgerust met voldoende kooktoestellen en keukengerei voor het bereiden van maaltijden van voldoende hoeveelheid, kwaliteit en voedingswaarde, voor de zeevarenden aan boord.

2.

Op een zeeschip met een lengte van 35 meter of meer is voor het bereiden van voedsel en warme dranken een afzonderlijk verblijf ingericht als kombuis, die voldoende uitgerust is om goede, gevarieerde en voedzame maaltijden efficiënt te kunnen bereiden, in voldoende aantallen en rekening houdend met verschillende godsdienstige en culturele gebruiken van zeevarenden. De kombuis is aangesloten op een systeem van koud en warm drinkwater.

3.

Voor de opslag van levensmiddelen zijn van andere ruimten afgesloten bergplaatsen aanwezig, die zodanig zijn geventileerd of gekoeld dat de voeding in goede toestand blijft.

4.

Een zeeschip is uitgerust met drinkwatertanks die door cofferdammen zijn gescheiden van olietanks en verzameltanks voor vuil water, en zodanig zijn geconstrueerd dat bij het leegpompen geen restanten achterblijven en de hygiëne van het drinkwater wordt gewaarborgd. Pijpleidingen, van welke aard ook, mogen niet door drinkwatertanks lopen.

5.

Dit artikel is tevens van toepassing op een zeeschip als bedoeld in artikel 4.4.1, eerste lid, onderdelen a en c.

Artikel 4.1.20. Gebruikte materialen
1.

Materialen en producten die voldoen aan de in leidraad B3.1.1, vijfde lid, B3.1.5, negende lid, B3.1.7, tweede en derde lid, onderdeel b, en B3.1.10, eerste lid, onderdeel b, van het MLC-verdrag genoemde omschrijving worden aangemerkt als goedgekeurde materialen en producten.

2.

Materialen of producten die op grond van de daarop van toepassing zijnde regelgeving een CE-markering hebben, worden aangemerkt als goedgekeurde materialen of producten als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.1.21. Gebruiksvoorschriften verblijven
1.

De verblijven worden schoon, bewoonbaar en in een goede staat van onderhoud gehouden.

2.

Ten minste eenmaal per maand worden de verblijven ten behoeve van de naleving van het eerste lid door de kapitein of een door hem aangewezen officier, in aanwezigheid van één of meer leden van de bemanning, geïnspecteerd. De bevindingen van deze inspectie worden vermeld in het scheepsdagboek.

3.

Zolang zeevarenden aan boord zijn, wordt met betrekking tot de verwarming van de verblijven aan boord voldaan aan leidraad B3.1.3, eerste lid, van het MLC-verdrag.

4.

Dit artikel is tevens van toepassing op een zeeschip als bedoeld in artikel 4.4.1, eerste lid, onderdelen a en c.

Artikel 4.1.22. Gebruik van recreatieve voorzieningen
1.

De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat voor de verzending van e-mail aan boord aanwezige internetfaciliteiten voor alle zeevarende toegankelijk zijn en dat postverzending geschiedt in overeenstemming met leidraad B3.1.11, vijfde lid, van het MLC-verdrag.

2.

Voor het gebruik van telefoon-, e-mail- en internetverbindingen kan de scheepsbeheerder een vergoeding voor de gebruikskosten vragen, in overeenstemming met leidraad B3.11, achtste lid, van het MLC-verdrag. De overige in artikel 4.1.14 bedoelde voorzieningen staan kosteloos ter beschikking van de zeevarenden.

3.

De scheepsbeheerder zorgt ervoor dat omgang met familie en vrienden van zeevarenden geschiedt in overeenstemming met de normering van leidraad B3.1.11, zesde en zevende lid, van het MLC-verdrag.

4.

De in artikel 4.1.14 bedoelde voorzieningen worden overeenkomstig de in leidraad B3.1.11, eerste lid, van het MLC-verdrag genoemde doelstellingen ten minste eenmaal per drie jaar door of namens de kapitein geïnspecteerd.

5.

Dit artikel is tevens van toepassing op een zeeschip als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, onderdelen a en c.

Artikel 4.1.23. Raadplegen richtlijn
1.

Aan boord zijn de nodige voorzieningen voor het elektronisch of op andere wijze raadplegen van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (European Transport Workers' Federation – ETF) inzake het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PbEG 2009, L124).

2.

Het eerste lid is tevens van toepassing op een zeeschip als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 4.1.24. Afwijking op basis van wezenlijke gelijkwaardigheid
  • a. een buitenlands zeeschip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te gaan voeren en waarvan de kiel is gelegd op of na 20 augustus 2013;
  • b. een zeeschip met een innovatief ontwerp of een innovatieve bouwwijze.
2.

Een afwijking als bedoeld in het eerste lid wordt slechts toegestaan na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden en onder daarbij te stellen wezenlijk gelijkwaardige voorschriften als bedoeld in artikel VI, derde lid, van het MLC-verdrag.

Artikel 4.1.25. Procedure bij bouw of verbouw zeeschip
1.

Voor de aanvang van de bouw van een zeeschip of een verbouwing of andere wijziging die van invloed is op de eisen aan de huisvesting en voorzieningen aan boord, wordt aan de minister een plan overgelegd. Dit plan bevat de volgende elementen:

  • a. de plaats en de algemene indeling van de verblijven;
  • d. de eventuele toepassing van de in de artikelen 4.1.5, 4.1.6, of 4.1.7 bedoelde wezenlijk gelijkwaardige bepalingen;
  • f. eventuele verzoeken tot de toepassing van artikel 4.1.24, waarbij wordt aangegeven van welke van de in dat artikel genoemde bepalingen afwijking wordt gevraagd; en
  • g. de resultaten van het overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, voor zover dit overleg is voorgeschreven in de in dit lid genoemde bepalingen.
2.

Met de bouw, verbouwing of andere wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt niet gestart totdat het in het eerste lid bedoelde plan is goedgekeurd en eventuele ontheffingen zijn verleend.

3.

De bouw, verbouwing of wijziging wordt uitgevoerd overeenkomstig het goedgekeurde plan.

Paragraaf 4.2. Huisvesting en voorzieningen ten behoeve van zeevarenden aan boord van een zeeschip van voor 20 augustus 2013 of een traditioneel zeeschip

Artikel 4.2.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing:

  • a. een zeeschip, niet zijnde een vissersvaartuig, waarvan de kiel is gelegd of de bouw in een overeenkomstige fase van ontwikkeling was voor 20 augustus 2013; en
  • b. een zeeschip, niet zijnde een vissersvaartuig, dat ontworpen is om traditionele vaardigheden en zeemanschap aan te moedigen en te bevorderen en dat als levend cultuurmonument volgens de traditionele beginselen van zeemanschap en techniek wordt bestuurd.
Artikel 4.2.2. Plaats en algemene inrichting van de verblijven
1.

Verblijven van een zeeschip zijn midscheeps of in het achterschip gelegen.

2.

In bijzondere gevallen kan de minister, indien de in het eerste lid voorgeschreven ligging in verband met de grootte, het type, de vaart of de beoogde dienst van het zeeschip niet wenselijk of praktisch onmogelijk wordt geacht, ontheffing verlenen van het eerste lid en toestaan dat verblijven in het voorschip achter het aanvaringsschot zijn gelegen.

3.

Er zijn afzonderlijke dagverblijven en slaapverblijven aanwezig, met uitzondering van op een zeeschip van minder dan 200 GT.

4.

Op een zeeschip zijn afzonderlijke dagverblijven en slaapverblijven voor officieren ingericht.

5.

Een slaapverblijf is zodanig gelegen dat de vloer boven de referentielastlijn ligt.

6.

De minister kan ontheffing verlenen van het vijfde lid voor een passagiersschip, een sleepboot, aannemersmaterieel of zeeschepen van minder dan 500 GT mits maatregelen zijn getroffen voor voldoende verlichting en ventilatie en het verblijf niet onder dienstgangen zijn gelegen.

7.

Op een zeeschip is het geluidniveau in de verblijven volgens een door de minister vast te stellen methode bepaald en de resultaten van deze bepaling worden aan de minister ter beschikking gesteld.

8.

In een slaapverblijf of recreatieverblijf is een aansluiting op het centraal antennesysteem aanwezig.

9.

Voor een sleepboot, aannemersmaterieel of andere zeeschepen van minder dan 500 GT kan de minister ontheffing verlenen van de voorschriften in het derde en vierde lid.

Artikel 4.2.3. Algemene eisen dag- en slaapverblijven
1.

Luiken, deuren en kappen in of op een dag- of slaapverblijf, uitkomende in de vrije lucht, zijn zodanig van een waterkering voorzien en kunnen gesloten worden, dat geen regen of overkomend zeewater kan binnendringen. De plaats en het aantal van de toegangen tot een dag- of slaapverblijf is zo gekozen dat de veiligheid voldoende verzekerd is. Een toegang kan aan beide zijden gemakkelijk en snel worden geopend en heeft een voldoende doorgang.

2.

Dekken die een dag- of slaapverblijf boven en onder afsluiten, en schotten die deze van de buitenlucht afsluiten, zijn waterdicht.

3.

Een houten vloerdek is behoorlijk gebreeuwd en gepekt. Een stalen vloerdek is bedekt met hout of ander materiaal, dat warmte slecht geleidt en van voldoende dikte is. Indien de vloeren van samengesteld materiaal zijn vervaardigd, zijn de verbindingen met de wanden naar boven afgerond.

4.

Van de verplichting tot het aanbrengen van de in het derde lid voorgeschreven bedekking van een stalen vloerdek kan de minister ontheffing verlenen voor zeeschepen, die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met vergelijkbare klimaatomstandigheden.

5.

Als het stalen bovendek van een dag- en slaapverblijf aan de buitenlucht of aan de invloed van enige warmtebron aan boord is blootgesteld, is:

  • a. het aan de bovenzijde met hout van ten minste vijf centimeter dik bekleed;
  • b. de bovenzijde met ander deugdelijk en gelijkwaardig isolatiemateriaal bekleed; of
  • c. aan de onderzijde een bekleding met een even groot isolerend vermogen aangebracht.
6.

Een aangebracht plafond als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, aansluitend tegen de dekbalken, is geheel of gedeeltelijk wegneembaar.

7.

Een ruimte die als slaapverblijf dient, is door goed afsluitende schotten gescheiden van alle andere ruimten die niet uitsluitend voor verblijf zijn aangewezen. Indien de inrichting van het zeeschip dit noodzakelijk maakt, kunnen één of meer deuren in die schotten zijn aangebracht. De slaapverblijven staan niet rechtstreeks in verbinding met dagverblijven, ruimten voor sanitaire doeleinden, ziekenverpleging en ontspanning, bestemd voor gebruik door de zeevarenden, noch met de kombuis of de bakkerij.

8.

Het vijfde lid is niet van toepassing op de ruimten voor de toiletten, wastafels, badkuipen en douches, bedoeld in artikel 4.2.12, zesde tot en met negende lid.

9.

De in het vijfde lid bedoelde schotten zijn van staal of ander deugdelijk materiaal doelmatig vervaardigd en zo goed mogelijk waterdicht en gasdicht.

10.

De buitenwanden van een dag- of slaapverblijf zijn van staal of ander deugdelijk materiaal vervaardigd en voldoende geïsoleerd.

11.

Een schot van een machinekamerschacht, van een kombuis en andere een ruimte waarin warmte wordt ontwikkeld, is zo nodig met een isolerende laag bedekt, opdat geen warmte-uitstraling naar de aangrenzende verblijven of gangen naar die verblijven plaatsvindt.

12.

Schotten in een dag- of slaapverblijf zijn vervaardigd van deugdelijk materiaal, waarin zich niet gemakkelijk ongedierte kan nestelen.

13.

Een dag- of slaapverblijf, ziekenverblijf of ontspanningsruimte is zodanig geïsoleerd dat overmatige condensatie of te hoge temperatuur wordt voorkomen.

14.

De hoogte tussen de dekken van een verblijf is zodanig dat de bemanning zich daarin vrij kan bewegen. Gemeten vanaf de onderkant van de in het verblijf doorlopende dekbalken, dan wel van de onderkant van het plafond tot de bovenkant van de vloerbedekking is deze hoogte ten minste 2 meter. Indien naar het oordeel van de minister hierdoor geen vermindering van het comfort van de bemanning ontstaat, kan hij van deze hoogte ontheffing verlenen maar niet minder dan 1,9 meter.

15.

Hoofdstoom- en afvoerleidingen van lieren en andere hulpwerktuigen zijn buiten een dag- of slaapverblijf en zo mogelijk buiten de gangen naar deze gehouden.

16.

Indien leidingen, andere dan bedoeld in het vijftiende lid, door een dag- of slaapverblijf of door een gang naar een zodanig verblijf lopen, zijn deze zo nodig afdoende geïsoleerd. Flenskoppelingen van leidingen zijn slechts bij hoge uitzondering in een dag- of slaapverblijf aangebracht. Lucht- en overvloeileidingen van tanks mogen niet in een dag- of slaapverblijf of in een gang in een zodanig verblijf uitmonden.

17.

Ankerkettingen lopen niet door een dag- of slaapverblijf, tenzij zij door zware stalen kokers zijn beschermd.

18.

Een ruimte gebruikt voor het stallen van vee of pluimvee is niet op hetzelfde dek gelegen als een dag- of slaapverblijf, tenzij op een afstand van ten minste 5 meter van de deuren van een verblijf.

19.

Het achttiende lid is niet van toepassing indien een verblijf volkomen door ononderbroken waterdichte of gasdichte schotten van die ruimten is afgescheiden.

20.

In een dag- of slaapverblijf zijn de huid en de eindschotten van de bovenbouw met hout bekleed of op soortgelijke wijze bekleed met ander deugdelijk materiaal. Indien de ruimte tussen wand en wegering niet voor ratten ontoegankelijk is gemaakt, is zij op een aantal plaatsen toegankelijk voor onderzoek en reiniging.

21.

De bekleding van een verblijf is vervaardigd van materiaal, waarvan het oppervlak gemakkelijk kan worden schoongehouden en dat waarborgt, dat ongedierte er zich niet gemakkelijk in kan nestelen.

22.

De wanden en plafonds van een dag- of slaapverblijf kan gemakkelijk worden schoongehouden en zijn geschilderd in een lichte kleur. Indien betimmering met een edele houtsoort is toegepast, kan met een voor die houtsoort passende bewerking worden volstaan.

23.

Er zijn voldoende middelen aanwezig zijn voor het afvoeren van water uit een dag- of slaapverblijf.

Artikel 4.2.4. Algemene eisen ten aanzien ruimten voor sanitaire doeleinden, ziekenverpleging en ontspanning, bestemd voor gebruik door de zeevarenden

Artikel 4.2.3 is van overeenkomstige toepassing op een ruimte voor sanitaire doeleinden, ziekenverpleging of ontspanning, bestemd voor gebruik door een zeevarende, met dien verstande, dat de bekleding en de isolatie van wanden slechts daar behoeft te worden aangebracht waar dit door de minister nodig wordt geoordeeld.

Artikel 4.2.5. Luchtbehandelingsinstallatie
1.

Een dag- of slaapverblijf op een zeeschip van 200 GT of meer is aangesloten op een luchtbehandelingsinstallatie.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een zeeschip dat uitsluitend wordt ingezet op reizen in gebieden waar naar het oordeel van de minister een dergelijke installatie wegens de omstandigheden niet noodzakelijk is.

3.

Een radiohut en een centrale controlekamer in de machinekamer zijn op de in het eerste lid genoemde installatie, dan wel op een afzonderlijke luchtbehandelingsinstallatie, aangesloten.

4.

De luchtbehandelingsinstallatie is zodanig ontworpen dat ten opzichte van de buitenlucht te allen tijde een behaaglijke temperatuur en relatieve vochtigheid wordt gehandhaafd en een voldoende aantal luchtwisselingen wordt bereikt.

5.

De luchtbehandelingsinstallatie is aangepast aan de omstandigheden welke op zee kunnen voorkomen en veroorzaakt geen hinderlijk lawaai of trillingen.

6.

Voor het overige voldoet de luchtbehandelingsinstallatie aan door de minister te stellen eisen.

Artikel 4.2.6. Verwarming en ventilatie
1.

Op een zeeschip dat ingevolge het bepaalde in artikel 4.2.5, eerste lid, niet behoeft te zijn uitgerust met een luchtbehandelingsinstallatie, zijn de in de volgende leden genoemde voorzieningen getroffen teneinde te voorzien in verwarming en ventilering van de verblijven.

2.

Een verblijf is aangesloten op een doeltreffende verwarmingsinrichting die buiten het verblijf is opgesteld en die is aangepast aan de klimaatomstandigheden. De verwarming geschiedt door toevoer van stoom, heet water, warme lucht, of een ander geschikt middel, dan wel door middel van elektriciteit.

3.

De verwarmingsinrichting en de plaats en wijze van opstelling daarvan voldoen aan door de minister te stellen eisen.

4.

Radiatoren in een verblijf zijn doelmatig geplaatst en waar nodig afgeschermd.

5.

Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op een zeeschip dat uitsluitend wordt gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met vergelijkbare klimaatomstandigheden.

6.

Het verwarmingssysteem is in gebruik zolang leden van de bemanning aan boord verblijven en de omstandigheden dit vereisen.

7.

De verwarmingsinstallatie is van een zodanige capaciteit dat onder normale klimatologische omstandigheden die tijdens de reis kunnen worden ondervonden, in alle verblijven steeds een temperatuur van ten minste 20 graden Celsius kan worden onderhouden.

8.

Een verblijf doeltreffend geventileerd en wel zodanig dat de lucht in bevredigende toestand blijft zonder dat hinderlijke tocht wordt veroorzaakt.

9.

Een zeeschip dat regelmatig wordt gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met vergelijkbare klimaatomstandigheden, is uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen of met elektrisch aangedreven waaiers, met dien verstande dat slechts één van deze middelen is aangebracht in een ruimte waar dit een voldoende ventilatie verzekert.

10.

Een zeeschip dat uitsluitend wordt gebruikt voor reizen in gebieden buiten die genoemd in het zesde lid, is uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen of elektrisch aangedreven waaiers.

11.

Voor een zeeschip dat uitsluitend wordt gebruikt voor reizen in koude streken, kan de minister ontheffing verlenen van het tiende lid.

12.

Het vermogen dat nodig is om de ventilatiemiddelen, bedoeld in het zesde en zevende lid, aan te drijven is, wanneer dit praktisch mogelijk is, beschikbaar zolang leden van de bemanning aan boord verblijven en de omstandigheden dit vereisen.

13.

Een toilet is onafhankelijk van andere gedeelten van een verblijf naar de buitenlucht geventileerd.

14.

Het bepaalde in het dertiende lid is ook van toepassing op een zeeschip dat is voorzien van een luchtbehandelingsinstallatie.

Artikel 4.2.7. Verlichting
1.

Een verblijf is naar het oordeel van de minister behoorlijk verlicht.

2.

Het daglicht heeft voldoende toegang tot een dag- of slaapverblijf.

3.

De minister kan voor een passagiersschip, een sleepboot of aannemersmaterieel bijzondere regelingen met betrekking tot verlichting van verblijven treffen.

4.

Een verblijf is voorzien van elektrisch licht.

5.

In een slaapverblijf is een elektrische leeslamp aan het hoofdeinde van elke slaapplaats aangebracht.

6.

Indien geen twee onafhankelijke elektriciteitsbronnen voor verlichting aanwezig zijn, is een ander doeltreffend verlichtingsmiddel voor noodgevallen aangebracht.

Artikel 4.2.8. Slaapverblijven
1.

Aan boord van een zeeschip, niet zijnde een passagiersschip, beschikt iedere zeevarende over een eigen slaapverblijf. Wanneer de grootte en indeling van het zeeschip en de werkzaamheden waarvoor het wordt gebruikt, dit niet toelaten kan de minister hiervan ontheffing verlenen.

2.

De eerste stuurman, de hoofdwerktuigkundige en de andere officieren en chefs van diensten beschikken over een afzonderlijk slaapverblijf.

3.

Indien zich niet een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 4.2.17, tweede lid, kan de minister ontheffing van het tweede lid verlenen, met dien verstande dat ten hoogste twee officieren in één slaapverblijf worden ondergebracht.

4.

In een slaapverblijf voor onderofficieren worden ten hoogste twee personen ondergebracht. Van de overige zeevarenden maken ten hoogste twee zeevarenden van hetzelfde slaapverblijf gebruik, met uitzondering van aan boord van een passagiersschip, waar het maximaal toegestane aantal zeevarenden in één slaapverblijf vier bedraagt.

5.

Voor slaapverblijven aan boord van een zeilschip, een zeeschip van minder dan 400 GT, een sleepboot of aannemersmaterieel, kan de minister ontheffing verlenen van het vierde lid.

6.

Op een zeeschip van 3.000 GT of meer beschikken de eerste stuurman en de hoofdwerktuigkundige over een aan het slaapverblijf grenzend dagverblijf.

7.

Op een zeeschip van 500 GT of meer zijn de slaapverblijven voor de leden van het dekpersoneel, het machinekamerpersoneel en het personeel van de civiele dienst per categorie gescheiden zijn, een en ander naar het oordeel van de minister.

8.

Het onderbrengen van de bemanning geschiedt zodanig dat de wachten gescheiden zijn en vrije wachtsgasten (daglieden) geen slaapverblijf met wachtdoenden delen. Wanneer de grootte en indeling van het zeeschip en de werkzaamheden waarvoor het wordt gebruikt, dit niet toelaten kan de minister hiervan ontheffing verlenen.

9.

Op een slaapverblijf is duidelijk het aantal zeevarenden vermeld waarvoor deze is bestemd.

Artikel 4.2.9. Eisen slaapverblijven en slaapplaatsen
1.

Een slaapverblijf is zodanig uitgevoerd en ingericht dat de netheid wordt bevorderd en redelijk comfort aan de zeevarenden is verzekerd.

2.

Het vloeroppervlak van een slaapverblijf voor gezellen ingericht voor één persoon, bedraagt ten minste:

  • a. op een zeeschip, niet zijnde een passagiersschip:
(i) van minder dan 500 GT: 3,00 vierkante meter
(ii) van 500 GT of meer en minder dan 1.000 GT: 3,25 vierkante meter
(iii) van 1.000 GT of meer en minder dan 3.000 GT: 3,75 vierkante meter
(iv) van 3.000 GT of meer en minder dan 10.000 GT: 4,25 vierkante meter
(v) van 10.000 GT of meer: 4,75 vierkante meter
  • b. op een passagiersschip:
(i) van minder dan 1.000 GT: 3,00 vierkante meter
(ii) van 1.000 GT of meer en minder dan 3.000 GT: 3,25 vierkante meter
(iii) van 3.000 ton of meer: 3,75 vierkante meter
3.

Het vloeroppervlak van een slaapverblijf voor gezellen ingericht voor meer dan één persoon, bedraagt per persoon ten minste:

  • a. op een zeeschip, niet zijnde een passagiersschip:
(i) van minder dan 500 GT: 2,00 vierkante meter
(ii) van 500 GT of meer en minder dan 1.000 GT: 2,25 vierkante meter
(iii) van 1.000 GT of meer en minder dan 3.000 GT: 2,75 vierkante meter
(iv) van 3.000 GT of meer en minder dan 10.000 GT: 3,25 vierkante meter
(v) van 10.000 GT of meer: 3,75 vierkante meter
  • b. op passagiersschepen:
(i) van minder dan 1.000 GT: 2,00 vierkante meter
(ii) van 1.000 GT of meer en minder dan 3.000 GT: 2,35 vierkante meter
(iii) van 3.000 GT of meer: 3,00 vierkante meter
4.

Het vloeroppervlak van een slaapverblijf voor officieren die niet de beschikking hebben over een eigen dagverblijf, bedraagt per persoon ten minste op een zeeschip van:

(i) minder dan 500 GT: 4,0 vierkante meter
(ii) 500 GT of meer en minder dan 1.000 GT: 5,0 vierkante meter
(iii) 1.000 GT of meer en minder dan 3.000 GT: 6,5 vierkante meter
(iv) 3.000 GT of meer: 7,5 vierkante meter
5.

Het vloeroppervlak wordt gemeten tussen de wanden van het verblijf. Kleine of onregelmatig gevormde oppervlakken die de beschikbare ruimte niet daadwerkelijk vergroten en niet voor plaatsing van meubilair geschikt zijn, worden niet mee gemeten.

6.

Een aan het verblijf verbonden badkamer wordt bij de berekening van het vloeroppervlak buiten beschouwing gelaten.

7.

In een slaapverblijf voor elke zeevarende een kledingkast aanwezig met een hoogte van ten minste 1,75 meter en met een dwarsdoorsnede van ten minste 0,2 meter. De kledingkast is voorzien van een legplank en van een roe waaraan kleding op kleerhangers kan worden gehangen, alsmede van een slot of van lippen voor een hangslot.

8.

In een slaapverblijf is voor elke zeevarende is een lade of soortgelijke ruimte aanwezig met een inhoud van ten minste 60 kubieke decimeter. Deze ruimte kan met de kledingkast één geheel uitmaken.

9.

In een slaapverblijf is een tafel of lessenaar met een gemakkelijke zitgelegenheid aanwezig.

10.

Een slaapverblijf is uitgerust met een spiegel, kastjes voor toiletbenodigdheden, een boekenrek en een voldoende aantal kleerhangers. Voor patrijspoorten zijn gordijnen of jaloezieën aangebracht.

11.

De meubelen zijn vervaardigd van glad, hard materiaal dat niet kromtrekt of roest en waarin zich geen ongedierte kan nestelen.

12.

Onverminderd het zesde en zevende lid is een slaapverblijf voor officieren voorzien van een wastafel met warm en koud stromend zoet water, die is aangesloten op een afvoer. De wastafel mag zich ook in een aan het verblijf verbonden eigen badkamer bevinden.

13.

Voor elke zeevarende is een afzonderlijke slaapplaats beschikbaar.

14.

Slaapplaatsen zijn behoorlijk van elkaar gescheiden en afzonderlijk toegankelijk. Er zijn niet meer dan twee slaapplaatsen boven elkaar aangebracht.

15.

Op een zeeschip van 500 GT of meer zijn langs het scheepsboord ter plaatse van patrijspoorten geen slaapplaatsen boven elkaar aanwezig.

16.

De onderkant van de onderste slaapplaats is meer dan 30 centimeter boven de vloer gelegen. De afstand tussen de onderkant van de onderste slaapplaats en de onderkant van de bovenste slaapplaats en de afstand tussen de onderkant van de bovenste slaapplaats en de onderkant van het plafond is 75 centimeter of meer.

17.

Aan de onderkant van de bovenste slaapplaats is een stofdichte bodem van hout, zeildoek of ander geschikt materiaal aangebracht.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)