Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666113, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over het elektriciteitssysteem (Systeemcode elektriciteit 2026)
Gelet op artikel 3.121 van de Energiewet;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1.1. Werkingssfeer en definities
Artikel 1.1
Deze code is onderdeel van de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die betrekking hebben op elektriciteit.
Artikel 1.2
Voor de toepassing van deze code gelden de begrippen en bijbehorende begripsbepalingen uit de Begrippencode elektriciteit 2026, de Energiewet, Verordening (EU) 2015/1222 (GL CACM), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), Verordening (EU) 2026/1447 (NC HVDC), Verordening (EU) 2016/1719 (GL FCA), Verordening (EU) 2017/1485 (GL SO), Verordening (EU) 2017/2195 (GL EB), Verordening (EU) 2027/2196 (NC ER) en Verordening (EU) 2019/943.
In deze code wordt onder balanceringsverantwoordelijke, congestie, distributiesysteem, distributiesysteembeheerder, interconnectorsysteem, transmissiesysteem of transmissiesysteembeheerder telkens verstaan balanceringsverantwoordelijke, congestie, distributiesysteem, distributiesysteembeheerder, interconnectorsysteem, transmissiesysteem of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit, tenzij anders vermeld.
In deze code wordt onder aangeslotene mede verstaan degene die om een aansluiting heeft verzocht.
In deze code wordt onder aangeslotene mede verstaan een systeembeheerder wiens systeem is gekoppeld met een ander systeem met een overwegend hoger spanningsniveau, tenzij anders vermeld.
In deze code wordt onder aansluiting mede verstaan een systeemkoppeling, tenzij anders vermeld.
In deze code wordt onder distributiesysteem en transmissiesysteem verstaan een distributiesysteem en een transmissiesysteem waarvoor op grond van artikel 3.2 van de Energiewet een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit respectievelijk een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit is aangewezen.
In deze code wordt onder leverancier mede verstaan een marktdeelnemer die invoeding aggregeert, met uitzondering van de artikelen 10.38 tot en met 10.41.
Artikel 1.3
Indien een aansluiting deel uitmaakt van een groepstransportovereenkomst, dient voor de toepasselijkheid van deze code in plaats van “aansluit- en transportovereenkomst” gelezen te worden “aansluitovereenkomst”, tenzij anders vermeld.
Voor een groepstransportovereenkomst geldt in de paragrafen 7.1 en 7.3 tot en met 7.5 dat:
- a. voor “gecontracteerd transportvermogen” en voor “het op de aansluiting gecontracteerde transportvermogen” gelezen dient te worden “het door aangeslotenen die deel uitmaken van een groepstransportovereenkomst gezamenlijk gecontracteerde transportvermogen”;
- b. voor “de aansluit- en transportovereenkomst” gelezen dient te worden “de groepstransportovereenkomst”;
- c. voor “aangeslotene” gelezen dient te worden “groep van aangeslotenen die deel uitmaken van een groepstransportovereenkomst″; en
- d. voor “aangeslotene met een grote aansluiting” gelezen dient te worden “groep van aangeslotenen met een grote aansluiting die deel uitmaken van een groepstransportovereenkomst”.
Artikel 1.4
Met in deze code bedoelde materialen en/of fysieke producten worden gelijkgesteld materialen en/of fysieke producten die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Hoofdstuk 2. Aansluitvoorwaarden
§ 2.1. Voorwaarden voor alle aansluitingen
Artikel 2.1
De aansluiting voldoet aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden.
De systeemkoppeling voldoet aan de artikelen 2.2 tot en met 2.5, 2.10 en 2.11.
Artikel 2.2
Het verbinden van de elektrische installatie met de aansluiting geschiedt door of vanwege de systeembeheerder.
Het verbinden van de hulpmiddelen die de meetfunctie ondersteunen en die onderdeel zijn van een aansluiting met de meetinrichting geschiedt door de systeembeheerder of de meetverantwoordelijke partij die op de desbetreffende grote aansluiting actief is.
Artikel 2.3
De systeembeheerder identificeert de aansluitingen en geplande aansluitingen op het eigen systeem door aan elke aansluiting of geplande aansluiting één unieke EAN-code toe te kennen.
De systeembeheerder deelt de aangeslotene desgevraagd mee welke EAN-code aan diens aansluiting is toegekend.
Het primaire allocatiepunt van een aansluiting wordt geïdentificeerd met dezelfde EAN-code als de aansluiting.
Indien de systeembeheerder op grond van de artikel 3.44, tweede lid, van de Energiewet een additioneel allocatiepunt toekent aan een aansluiting, identificeert de systeembeheerder het desbetreffende additionele allocatiepunt door middel van het toekennen van een unieke EAN-code.
Indien een aansluiting bestaat uit meer dan één verbinding, identificeert de systeembeheerder de overdrachtspunten van elk van deze verbindingen door het toekennen van een EAN-code, onverminderd de verplichting om overeenkomstig het eerste lid aan de aansluiting als geheel een EAN-code toe te kennen.
Indien aan een aansluiting bestaande uit één verbinding, meer dan één allocatiepunt is toegekend, identificeert de systeembeheerder het overdrachtspunt van die aansluiting door het toekennen van een unieke EAN-code, onverminderd de verplichting om overeenkomstig het eerste lid aan de aansluiting als geheel een EAN-code toe te kennen.
De systeembeheerder identificeert elke overeenkomstig artikel 2.9, tweede lid gemelde elektriciteitsproductie-eenheid of elektriciteitsopslageenheid met een unieke EAN-code en verstrekt deze desgevraagd aan de aangeslotene. De systeembeheerder legt deze unieke EAN-code vast in het register, bedoeld in paragraaf 12.4.
De systeembeheerder identificeert desgevraagd een verbruiksinstallatie die vraagsturing levert aan een systeembeheerder per vraagsturingleverende verbruikseenheid door het toekennen van een unieke EAN-code en legt deze vast in het register, bedoeld in paragraaf 12.4.
Artikel 2.4
De aangeslotene zorgt er voor dat:
- a. de aansluiting goed bereikbaar blijft;
- b. de toegang tot de ruimte waarin zich de meetinrichting en de tot de aansluiting behorende apparatuur bevinden, niet op een naar het oordeel van de systeembeheerder ontoelaatbare wijze wordt belemmerd;
- c. verzegelingen die door of vanwege de systeembeheerder zijn aangebracht op de meetinrichting of op delen van de aansluiting niet worden geschonden of verbroken tenzij de systeembeheerder uitdrukkelijk toestemming geeft tot het verbreken van de verzegeling;
- d. hij alle maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden om schade aan het in het perceel aanwezige gedeelte van de aansluiting te voorkomen;
- e. de meetinrichting en de tot de aansluiting behorende apparatuur niet opgesteld worden in vochtige ruimten, ruimten met bijtende gassen, dampen of stoffen, ruimten met ontploffingsgevaar en ruimten met brandgevaar; en
- f. boven of in de onmiddellijke nabijheid van de meetinrichting geen water-, stoom- of soortgelijke leidingen voor komen, tenzij, ter beoordeling van de systeembeheerder, passende voorzieningen zijn getroffen voor de bescherming van de meetinrichting.
Artikel 2.5
De meetinrichting, bedoeld in artikel 2.46, eerste lid, van de Energiewet, registreert de comptabel te meten grootheden in het overdrachtspunt van de aansluiting. In geval van aansluitingen met een of meer additionele allocatiepunten gebeurt dat voor elk allocatiepunt afzonderlijk.
De comptabel te meten grootheden worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Artikel 2.6
De beveiliging van elektrische installaties (en onderdelen daarvan) is selectief ten opzichte van de beveiliging die de systeembeheerder in de aansluiting van de elektrische installatie of in het voedende systeem toepast.
Bij de dimensionering van de elektrische installatie wordt rekening gehouden met de door de systeembeheerder toe te passen beveiliging.
De systeembeheerder informeert de aangeslotene en overlegt met hem voor zover van toepassing bij eerste aansluiting en bij latere wijzigingen van het systeem omtrent:
- a. de beveiligingsfilosofie;
- b. de minimum en maximum waarde van het kortsluitvermogen tijdens de normale toestand;
- c. de wijze van sterpuntsbehandeling;
- d. de isolatiecoördinatie;
- e. de systeemconfiguratie; en
- f. de bedrijfsvoering.
Voor zover de in het derde lid genoemde gegevens nodig zijn voor de bedrijfsvoering van de aangeslotene worden deze in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd.
Zowel de aangeslotene als de systeembeheerder kunnen het vastgelegde maximale kortsluitvermogen slechts in overleg met elkaar aanpassen.
Artikel 2.7
Onverminderd het in of krachtens deze code bepaalde voldoen alle bedrijfsmiddelen en toestellen in of aangesloten op de elektrische installaties aan de op deze bedrijfsmiddelen en toestellen van toepassing zijnde normen.
De in een elektrische installatie opgenomen machines, toestellen, materialen en onderdelen voldoen aan de voor de handel daarin of het gebruik daarvan vastgestelde wettelijke voorschriften.
De elektrische installatie is bestand tegen het door de systeembeheerder ter plaatse verwachte kortsluitvermogen.
Artikel 2.8
Elektrische installaties en de daarop aangesloten toestellen veroorzaken via het systeem van de systeembeheerder geen ontoelaatbare hinder.
De systeembeheerder kan de aangeslotene verzoeken tot het treffen van zodanige voorzieningen dat de ontoelaatbare hinder ophoudt, dan wel voor een door hem te bepalen aantal uren de aangeslotene verbieden om door hem aan te wijzen toestellen en motoren te gebruiken.
In afwijking van het tweede lid, past de transmissiesysteembeheerder centrale filtering toe wanneer de verantwoordelijkheid voor het treffen van de voorzieningen niet eenduidig kan worden toegewezen aan de aangeslotene of aan de transmissiesysteembeheerder, mits de ontoelaatbare hinder veroorzaakt wordt door spanningsverschijnselen als gevolg van de interactie van een wisselstroomkabel langer dan 5 km, deel uitmakend van de aansluiting of de installatie van een aangeslotene, en de systeemconfiguratie ter plaatse.
Artikel 2.9
De elektrische installaties bevatten geen bedrijfsmiddelen die tot invoeding in het systeem van de systeembeheerder kunnen leiden, tenzij aan de aanvullende voorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden uit hoofdstuk 3 wordt voldaan.
De aangeslotene stelt de systeembeheerder tijdig op de hoogte van zijn voornemen tot het plaatsen of wijzigen van een elektriciteitsproductie-eenheid of een elektriciteitsopslageenheid, opdat de systeembeheerder eventueel noodzakelijke wijzigingen in het systeem kan doorvoeren.
Indien het bedrijfsmiddel dat tot invoeding in het systeem van de systeembeheerder kan leiden, bedoeld in het eerste lid, een elektriciteitsopslageenheid betreft:
- a. zijn aansluitvoorwaarden als bedoeld in Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) en de daarbij behorende onderdelen van hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
- 1°. een synchroon gekoppelde elektriciteitsopslageenheid voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 13 tot en met 19, artikel 40, de artikelen 42 tot en met 46 en de artikelen 51 tot en met 53 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG);
- 2°. een niet-synchroon gekoppelde elektriciteitsopslageenheid voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 13 tot en met 16, de artikelen 20 tot en met 22, artikel 40, artikel 42, artikel 43, de artikelen 47 tot en met 49 en de artikelen 54 tot en met 56 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG);
- 3°. een elektriciteitsopslageenheid met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 0,8 kW en kleiner dan 1 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type A;
- 4°. een elektriciteitsopslageenheid met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 1 MW en kleiner dan 50 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type B;
- 5°. een elektriciteitsopslageenheid met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 50 MW en kleiner dan 60 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type C;
- 6°. een elektriciteitsopslageenheid met een maximaal te leveren werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 60 MW voldoet aan de bepalingen die van toepassing zijn op een elektriciteitsproductie-eenheid van het type D.
- b. beschikt de elektriciteitsopslageenheid over de mogelijkheid tot het automatisch overschakelen van de opslagmodus naar de opwekkingsmodus, bedoeld in artikel 15, derde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2017/2196 (NC ER), alsmede over de mogelijkheid tot automatisch ontkoppelen, bedoeld in artikel 15, derde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2017/2196 (NC ER);
- c. zijn de relevante artikelen van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) en paragraaf 4.1 van overeenkomstige toepassing indien de elektriciteitsopslageenheid is aangesloten op een transmissiesysteem;
- d. zijn de relevante artikelen van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) en paragraaf 4.2 van overeenkomstige toepassing indien de elektriciteitsopslageenheid vraagsturing levert aan een systeembeheerder;
- e. zijn voor de gegevensuitwisseling tussen de aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsopslageenheid en de systeembeheerder de artikelen 12.1, 12.11 en 12.21 of 12.2, 12.12 en 12.22 van overeenkomstige toepassing;
- f. zijn voor de gegevensuitwisseling tussen de aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsopslageenheid en de systeembeheerder tevens de artikelen 12.3, 12.13 en 12.23 of 12.4, 12.14 en 12.24 van overeenkomstige toepassing indien de elektriciteitsopslageenheid vraagsturing levert aan een systeembeheerder;
- g. geldt in afwijking van onderdeel a dat voor de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie in zowel de opslag- als in de opwekkingsmodus de statiek ingesteld is op:
- 1°. 2% voor elektriciteitsopslageenheden groter dan 0,8 kW en kleiner dan 1 MW; en
- 2°. 1% voor elektriciteitsopslageenheden groter dan of gelijk aan 1 MW; en
- h. is artikel 9.36 van overeenkomstige toepassing op het beïnvloeden van het via het overdrachtspunt van de aansluiting van een elektriciteitsopslageenheid uit te wisselen werkzaam vermogen.
Indien het bedrijfsmiddel dat tot invoeding van blindvermogen in het systeem van de systeembeheerder kan leiden, bedoeld in het eerste lid, een synchrone condensor, aangesloten op een transmissiesysteem betreft:
- a. zijn de aansluitvoorwaarden, bedoeld in de artikelen 19, 29, 33 tot en met 37, 40 tot en met 46 en 51 tot en met 53 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), met uitzondering van de onderdelen die betrekking hebben op het werkzaam vermogen, en de daarbij behorende artikelen van hoofdstuk 3, van overeenkomstige toepassing;
- b. in afwijking van onderdeel a, juncto artikel 3.11, tweede lid, geldt voor de frequentiegradiënt van een synchrone condensor een drempelwaarde van 2 Hertz per seconde gedurende een voortschrijdend tijdsvenster van 500 milliseconden;
- c. in afwijking van onderdeel a, juncto artikel 3.27, tweede tot en met vierde lid, is de synchrone condensor in staat bij variërende spanning ten minste een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximaal schijnbaar vermogen gelijk aan 0,3 bij een spanning van 1,05 pu, gelijk aan 0,65 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu en dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,65 en 0,3 bij een spanning van 1 pu tot 1,05 pu, en een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximaal schijnbaar vermogen gelijk aan 0,1 bij een spanning van 0,9 pu, gelijk aan 0,5 bij een spanning van 1 pu tot 1,05 pu en dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,5 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu, en is daarmee in staat blindvermogen te leveren of op te nemen ten minste binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Smax-diagram:
- d. zijn de artikelen 9.37, eerste lid, en 9.39 tot en met 9.41 van overeenkomstige toepassing;
- e. zijn voor de gegevensuitwisseling tussen de aangeslotene die beschikt over een synchrone condensor en de systeembeheerder de artikelen 12.1, 12.11 en 12.21, met uitzondering van de onderdelen die betrekking hebben op het werkzaam vermogen, van overeenkomstige toepassing.
Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing indien de synchrone condensor een volledig geïntegreerde systeemcomponent is.
Artikel 2.10
De aangeslotene onderhoudt de elektrische installatie naar behoren.
Bij aanleg van nieuwe elektrische installaties, alsmede bij uitbreiding, wijziging of vernieuwing van bestaande elektrische installaties waarbij de aansluiting dan wel de meetinrichting moet worden uitgebreid of gewijzigd, geeft de aangeslotene de systeembeheerder zo spoedig mogelijk schriftelijk, op de door de systeembeheerder aangegeven wijze, op:
- a. zijn naam, volledige adres en telefoonnummer;
- b. het volledige adres en de bestemming van het perceel, waarin of waarop de werkzaamheden zullen worden verricht; en
- c. de naam, het volledige adres en het telefoonnummer van degene die de werkzaamheden verricht.
Ten minste drie volle werkdagen voor het gereedkomen van een nieuwe elektrische installatie respectievelijk van de uitbreiding, wijziging of vernieuwing van een bestaande elektrische installatie waarbij de aansluiting dan wel de meetinrichting moet worden uitgebreid of gewijzigd, stelt de aangeslotene hiervan de systeembeheerder op de door de systeembeheerder aangegeven wijze in kennis.
Onverminderd het bepaalde in het derde lid worden uitbreidingen, wijzigingen of vernieuwingen van een elektrische installatie geacht gereed te zijn, indien deze elektrische installatie geheel of gedeeltelijk is aangesloten.
Artikel 2.11
Indien naar het oordeel van de systeembeheerder redelijke twijfel bestaat of een elektrische installatie voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze code, toont de aangeslotene aan dat zijn elektrische installatie aan deze bepalingen voldoet.
Wanneer de aangeslotene in gebreke blijft, is de systeembeheerder bevoegd om de elektrische installatie zelf te onderzoeken of te laten onderzoeken.
Indien een elektrische installatie naar het oordeel van de systeembeheerder niet voldoet aan het bepaalde in deze code, herstelt de aangeslotene de gebreken, zo nodig onmiddellijk. De systeembeheerder kan door de aangeslotene daarbij in acht te nemen aanwijzingen geven.
De systeembeheerder heeft geen verplichting om na te gaan of aan het in deze code bepaalde is voldaan.
§ 2.2. Voorwaarden voor de aansluiting op een laagspanningssysteem
Artikel 2.12
In aanvulling op de voorwaarden in paragraaf 2.1 gelden voor een aansluiting op een wisselstroomsysteem met een spanningsniveau kleiner dan of gelijk aan 1 kV de voorwaarden van deze paragraaf.
Artikel 2.13
In percelen waar de elektrische installatie door middel van een in de grond gelegde kabel wordt aangesloten, worden voorzieningen getroffen voor het gemakkelijk en gasbelemmerend binnenleiden van deze kabel, waaronder in ieder geval een beschermbuis waarvan de systeembeheerder het materiaal en de afmetingen bepaalt, tenzij de systeembeheerder uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dit niet nodig te achten. In het geval een leidinginvoerput wordt aangebracht, voldoet deze aan NEN 2768:2016+A2:2022 “Meterruimten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen in woningen“.
In woonhuizen met individuele meting wordt voor het onderbrengen van alle tot de aansluiting en meetinrichting behorende apparatuur een kast ter beschikking gesteld, die voldoet aan de eisen, gesteld in NEN 2768:2016+A2:2022 “Meterruimten en bijbehorende bouwkundige voorzieningen in woningen“. In geval de meteropname van buitenaf kan geschieden of het overdrachtspunt van buitenaf bereikbaar is, kan de systeembeheerder ten aanzien van deze kast nadere eisen stellen.
Bij andere aansluitingen dan bedoeld in het tweede lid wijst de systeembeheerder, na overleg met de aangeslotene, de ter beschikking te stellen ruimten aan voor het onderbrengen van de tot de aansluiting en de meetinrichting behorende apparatuur. De systeembeheerder stelt de eisen vast waaraan deze ruimten moeten voldoen.
De aangeslotene stelt voor de aansluiting van een tijdelijke installatie een stevige, deugdelijk afsluitbare kast of ruimte ter beschikking aan de systeembeheerder, waarvan de systeembeheerder de afmetingen en constructie bepaalt, voor het opstellen van de tot de aansluiting behorende apparatuur.
Artikel 2.14
Het gezamenlijke nominale vermogen van motoren in een installatie die niet van afzonderlijke of gemeenschappelijke nulspanningsbeveiliging zijn voorzien bedraagt niet meer dan 10 kW, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde.
De systeembeheerder kan in gevallen van gemeenschappelijke nulspanningsbeveiligingen verlangen dat inschakeling niet kan plaatsvinden dan nadat alle desbetreffende motoren zijn uitgeschakeld.
Artikel 2.15
Tussen de elektrische installatie achter een aansluiting en de elektrische installatie achter een andere aansluiting bestaat geen verbinding, tenzij de systeembeheerder anders bepaalt.
Artikel 2.16
Artikel 2.30 is van overeenkomstige toepassing op laagspanningsaansluitingen die deel uitmaken van met koppeling te realiseren aansluitingen als bedoeld in artikel 3.39, eerste lid, onderdeel b, van de Energiewet.
Indien de aansluitingswerkzaamheden met betrekking tot het verbreken van het laagspanningssysteem, om een fysieke verbinding van de installatie van de aangeslotene met dat laagspanningssysteem tot stand te brengen, onder spanning dient plaats te vinden ten behoeve van de handhaving van de ongestoorde transportdienst bij andere aangeslotenen, toont het bedrijf dat de aansluitingswerkzaamheden verricht aan dat:
- a. de personen die de bedoelde werkzaamheden uitvoeren, beschikken over de in artikel 2.30, tweede lid, onderdeel b, bedoelde aanwijzing;
- b. de personen die de bedoelde werkzaamheden uitvoeren, beschikken over de voor het onder spanning werken vereiste aanvullende opleidingen en bevoegdheden; en
- c. de werkzaamheden worden uitgevoerd met voor onder spanning werken geëigende materialen en gereedschappen.
§ 2.3. Voorwaarden voor de aansluiting op een wisselstroomsysteem ongeacht spanningsniveau
Artikel 2.17
In aanvulling op de voorwaarden in paragraaf 2.1 en paragraaf 2.2 gelden voor een aansluiting op een wisselstroomsysteem, ongeacht het spanningsniveau, de voorwaarden van deze paragraaf.
In afwijking van het eerste lid, gelden de bepalingen van de artikelen 2.19 en 2.20 niet voor systeemkoppelingen.
Artikel 2.18
Een aansluiting met een aansluitcapaciteit:
- a. kleiner dan of gelijk aan 5,75 kVA wordt aangesloten op een systeem met een spanningsniveau van 0,23 kV;
- b. groter dan 5,75 kVA en kleiner dan of gelijk aan 60 kVA wordt aangesloten op een systeem met een spanningsniveau van 0,4 kV;
- c. groter dan 60 kVA en kleiner dan of gelijk aan 0,3 MVA wordt aangesloten op de secundaire zijde van de laagspanningsdistributietransformator met een spanningsniveau van 0,4 kV;
- d. groter dan 0,3 MVA en kleiner dan of gelijk aan 3 MVA wordt aangesloten op een systeem met een spanningsniveau groter dan 1 kV en kleiner dan 25 kV;
- e. groter dan 3 MVA en kleiner dan of gelijk aan 100 MVA wordt aangesloten op een systeem met een spanningsniveau groter dan of gelijk aan 25 kV en kleiner dan of gelijk aan 66 kV;
- f. groter dan 100 MVA wordt aangesloten op een systeem met een spanningsniveau groter dan 66 kV.
Op basis van het eerste lid bepaalt de systeembeheerder, rekening houdend met de artikelen 2.24 tot en met 2.26 en met de aard en de omvang van de elektrische installatie, in welke vorm van de in artikel 7.1 genoemde vormen de transportcapaciteit op de aansluiting ter beschikking wordt gesteld.
In gebieden waar geen systeem met een spanningsniveau van 25 kV tot en met 66 kV voorhanden is, wordt op een systeem met het naast hoger of lager spanningsniveau aangesloten. De systeembeheerder dient daartoe de waarden voor de aansluitcapaciteit aan te passen.
Het is de systeembeheerder toegestaan om voor zijn verzorgingsgebied af te wijken van de in het eerste lid genoemde waarden voor de aansluitcapaciteit. Deze afwijkende waarden liggen ter inzage bij de systeembeheerder en worden, ook bij wijzigingen ervan, schriftelijk gemeld bij de Autoriteit Consument en Markt.
De systeembeheerder wijkt niet af van de spanningsniveaus genoemd in het eerste lid, tenzij de aangeslotene daar schriftelijk mee instemt. Bij afwijkingen vanaf het 25 kV spanningsniveau is het mogelijk dat de aangeslotene daardoor voor het transporttarief in een andere klasse terechtkomt.
Artikel 2.19
De arbeidsfactor in het overdrachtspunt van de aansluiting varieert tussen 0,85 (inductief) en 1,0 tenzij:
- a. de aangeslotene nadere contractuele afspraken heeft gemaakt met de systeembeheerder omtrent de uitwisseling van blindvermogen; of
- b. sprake is van kortstondige afwijkingen en van perioden met zeer lage belasting.
Artikel 2.20
Indien sprake is van machines, toestellen, materialen en onderdelen die deel uitmaken van een elektrische installatie of zijn aangesloten op een elektrische installatie en waarvan de elektromagnetische compatibiliteit niet is vastgelegd in een wettelijke regeling, toont de aangeslotene aan dat op het overdrachtspunt van de aansluiting wordt voldaan aan de voorschriften ter zake van elektromagnetische compatibiliteit die door de systeembeheerder zijn vastgesteld.
Voor apparatuur met een vermogen groter dan 11 kVA zijn de ”Richtlijnen voor toelaatbare harmonische stromen geproduceerd door apparatuur met een vermogen groter dan 11 kVA” uit juni 1997 uitgegeven door EnergieNed van toepassing.
§ 2.4. Voorwaarden voor de aansluiting op laagspanningswisselstroomsysteem
Artikel 2.21
In aanvulling op de voorwaarden in de paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 gelden voor aansluitingen op een wisselstroomsysteem met een spanningsniveau kleiner dan of gelijk aan 1 kV de voorwaarden, bedoeld in deze paragraaf.
Artikel 2.22
In afwijking van artikel 2.46, eerste lid, van de Energiewet, hoeft een aangeslotene met een aansluiting met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A niet te zorgen voor een meetinrichting indien:
- a. het een aansluiting betreft van een zogenaamde ‘onbemande’ installatie van een object zonder verblijfsfunctie in de openbare ruimte;
- b. het belastingprofiel en het verbruik op de aansluiting:
- 1°. van tevoren kan worden bepaald op basis van programmering;
- 2°. achteraf kan worden bepaald op basis van geregistreerde schakeltijden;
- 3°. kan worden bepaald met behulp van een representatieve set van referentiemetingen, of
- 4°. kan worden bepaald op basis van de maximale doorlaatwaarde vermenigvuldigd met 8.760 uur, eventueel gecorrigeerd voor schakeltijden.
Ingeval van een aansluiting als bedoeld in het eerste lid zorgt de aangeslotene er voor dat de systeembeheerder altijd over de meest actuele informatie beschikt ten aanzien van:
- a. het geïnstalleerde vermogen van de installatie;
- b. de in- en uitschakeltijden van de installatie;
- c. de tijden dat niet het volledige vermogen van de installatie wordt benut en de omvang van het dan ingeschakelde vermogen en
- d. voor zover van toepassing, de overige gegevens, bedoeld in bijlage 15.
Indien er wijzigingen worden aangebracht in de installatie of apparatuur achter een overdrachtspunt van een aansluiting als bedoeld in het eerste lid, meldt de aangeslotene dit aan de systeembeheerder teneinde te kunnen beoordelen of continuering van de onbemeten situatie verantwoord is.
Indien de systeembeheerder twijfelt aan de juistheid of de volledigheid van de hem overeenkomstig het tweede lid verstrekte gegevens of niet in staat blijkt te zijn de hoeveelheid te transporteren elektriciteit overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, goed te berekenen, kan hij de aangeslotene opdragen tijdelijk te zorgen voor een meetinrichting overeenkomstig artikel 2.46, eerste lid, van de Energiewet.
Onverminderd hetgeen bepaald is in de aansluit- en transportovereenkomst is de systeembeheerder gerechtigd tijdelijk een meetinrichting te plaatsen en metingen te (laten) verrichten indien de aangeslotene aan de opdracht, bedoeld in het vierde lid geen gehoor geeft.
Artikel 2.23
In afwijking van artikel 2.46, eerste lid, van de Energiewet hoeft een aangeslotene met een aansluiting met een doorlaatwaarde groter dan 3x25A niet te zorgen voor een meetinrichting, indien:
- a. het een aansluiting betreft van een zogenaamde ‘onbemande’ installatie van een object zonder verblijfsfunctie in de openbare ruimte;
- b. de systeembeheerder de in een jaar te transporteren hoeveelheid elektriciteit goed kan berekenen en de aangeslotene er mee instemt dat op basis van het aldus berekende verbruik de door hem verschuldigde transportkosten berekend worden;
- c. voor deze installatie kan worden volstaan met een aansluiting met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A, gelet op het geïnstalleerde vermogen van de installatie, en
- d. de aangeslotene bij de systeembeheerder een verzoek heeft ingediend tot verlaging van de doorlaatwaarde van de aansluiting tot een waarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A.
Artikel 2.22, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op een installatie als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.24
De systeembeheerder bepaalt of het systeem, of een gedeelte ervan, in aanmerking komt als TN-stelsel te worden gebruikt ten behoeve van de aardingsvoorziening van elektrische installaties en welke aanvullende voorwaarden daartoe op de aansluiting van toepassing zijn.
Voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde voorschriften of bepalingen geldt dat de systeembeheerder zal aangeven of het laagspanningssysteem van de systeembeheerder zodanig is aangelegd dat voldoende is verzekerd dat de nul onder normale omstandigheden ongeveer aardpotentiaal houdt.
Het gebruik van objecten van de systeembeheerder als aardingsvoorziening voor elektrische installaties of gedeelten daarvan is niet toegestaan, tenzij anders met de systeembeheerder is overeengekomen.
In afwijking van het eerste tot en met het derde lid wordt bij nieuwe aansluitingen met een doorlaatwaarde groter dan 3x80A altijd een TN-systeem toegepast en biedt de systeembeheerder de aangeslotene een aardingsvoorziening aan.
Artikel 2.25
Aansluitingen waar naar het oordeel van de systeembeheerder geen grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,75 kVA, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden als éénfase-aansluiting uitgevoerd, tenzij de aan te sluiten elektrische installatie verbruikende toestellen of motoren bevat die ingevolge het bepaalde in het vierde, vijfde en zesde lid op drie fasen of tussen twee fasen moeten worden aangesloten, dan wel de systeembeheerder om vergelijkbare technische redenen een driefasen-aansluiting verlangt.
Aansluitingen waar naar het oordeel van de systeembeheerder een grotere gelijktijdige schijnbare belasting dan 5,75 kVA, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, kan worden verwacht, worden, behoudens ontheffing van de systeembeheerder, als driefasen-aansluiting uitgevoerd. Daarbij zorgt de aangeslotene voor een zo veel mogelijk gelijke verdeling van de belasting over de drie fasen.
Voor de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting op een aansluiting wordt het schijnbare vermogen per lichtpunt en contactdoos gesteld op de werkelijke waarde of, indien deze niet bekend is, op een minimum van 50 VA per lichtpunt en 200 VA per contactdoos. Een meervoudige contactdoos wordt als één contactdoos aangemerkt. Bij de bepaling van de gelijktijdige schijnbare belasting wordt rekening gehouden met de te verwachten gelijktijdigheidfactor.
Machines met een nominaal vermogen groter dan 2 kW, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, zijn op drie fasen aangesloten.
Vermogenselektronische omzetters met een nominaal vermogen groter dan 5 kW, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, zijn op drie fasen aangesloten.
Lastoestellen met een schijnbaar vermogen groter dan 2,5 kVA, dan wel een met de systeembeheerder in individuele gevallen overeengekomen hogere waarde, worden tussen twee fasen aangesloten en zijn derhalve ingericht voor een nominale spanning van 400V.
Artikel 2.26
De bijdrage aan de snelle spanningsveranderingen door de aangeslotene op het overdrachtspunt wordt beperkt door een maximale bijdrage aan de Pst en de Plt door de eis: ∆Pst ≤ 1,0 en ∆Plt ≤ 0,8 (Zref = 283 mΩ overeenkomstig IEC 61000-3-3:2013 en “Electromagnetic compatibility (EMC) – Part 3-3: Limits – Limitation of voltage changes, voltage fluctuations and flicker in public low-voltage supply systems, for equipment with rated current ≤ 16 A per phase and not subject to conditional connection”).
§ 2.5. Voorwaarden voor de aansluiting op een wisselstroomsysteem met een spanningsniveau groter dan 1 kV
Artikel 2.27
In aanvulling op de voorwaarden in de paragrafen 2.1 en 2.2 gelden voor een aansluiting op een wisselstroomsysteem met een spanningsniveau groter dan 1 kV de voorwaarden van deze paragraaf.
In afwijking van het eerste lid, geldt artikel 2.31 niet voor systeemkoppelingen.
Artikel 2.28
De aangeslotene:
- a. stelt een locatie ter beschikking aan de systeembeheerder ten behoeve van de plaatsing van een compactstation, of
- b. stelt een ruimte ter beschikking aan de systeembeheerder ten behoeve van door de systeembeheerder op te stellen apparatuur.
Indien de aangeslotene een ruimte ter beschikking stelt:
- a. wordt de plaats ervan na overleg met de aangeslotene door de systeembeheerder vastgesteld;
- b. voldoet de ruimte qua afmeting, constructie en inrichting aan de door de systeembeheerder gestelde eisen;
- c. is de ruimte vanaf de openbare weg toegankelijk; en
- d. is de ruimte afgesloten door een of meerdere deuren en een door de systeembeheerder ter beschikking gesteld slot.
De locatie of ruimte waarin de meetinrichting is opgesteld is voorzien van een doeltreffende verlichtingsinstallatie.
Artikel 2.29
De aangeslotene dient bij de systeembeheerder in drievoud een staffelplan met betrekking tot de beveiligingsmiddelen in.
De systeembeheerder stelt na beoordeling en indien noodzakelijk na aanpassing één gewaarmerkt exemplaar aan de aangeslotene of diens installateur ter beschikking.
Artikel 2.30
Indien aansluitingswerkzaamheden ten behoeve van een met koppeling te realiseren aansluiting als bedoeld in artikel 3.39 van de Energiewet worden uitgevoerd door een ander dan de systeembeheerder, wordt voorafgaand aan de uitvoering van deze aansluitingswerkzaamheden een overeenkomst gesloten tussen de aangeslotene en de systeembeheerder, waarbij in ieder geval wordt vastgelegd:
- a. welke aansluitingswerkzaamheden worden uitgevoerd door een ander dan de systeembeheerder;
- b. datgene dat noodzakelijk is voor de waarborging van de veiligheid en betrouwbaarheid van het systeem.
Het bedrijf dat de in het eerste lid bedoelde aansluitingswerkzaamheden uitvoert:
- a. werkt overeenkomstig de artikelen 3.4 en 3.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de daarbij behorende beleidsregels en de daaraan gerelateerde normen:
- 1°. NEN-EN 50110-1:2023 en “Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Algemene eisen”, en
- 2°. NEN 3140:2011+A3:2019 nl “Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Laagspanning” of
- 3°. NEN 3840:2011+A3:2019 nl “Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Hoogspanning”;
- b. zorgt er voor dat zijn personeel dat betrokken is bij de uitvoering van de desbetreffende aansluitingswerkzaamheden beschikt over de op grond van de in onderdeel a genoemde normen benodigde aanwijzingen, rekening houdend met het volgende:
- 1°. de in de artikelen 3.2.1 en 3.2.3 tot en met 3.2.5 van de NEN-EN 50110-1:2023 en “Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Algemene eisen” genoemde personen worden door of namens de hoogst verantwoordelijke in de organisatie van de systeembeheerder voor de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet schriftelijk aangewezen;
- 2°. het bedrijf dat de aansluitingswerkzaamheden uitvoert en de desbetreffende systeembeheerder maken schriftelijk vast te leggen sluitende afspraken over de aanwijzing van de genoemde personen en hun onderlinge gezagsrelatie;
- 3°. eerst na de schriftelijke aanwijzing, bedoeld in subonderdeel 1°, en de schriftelijk vastgelegde afspraak, bedoeld in subonderdeel 2°, worden de in het eerste lid bedoelde aansluitingswerkzaamheden uitgevoerd;
- c. toont aan dat het beschikt over aantoonbare ervaring met het uitvoeren van desbetreffende aansluitingswerkzaamheden aan de desbetreffende installaties en met de daarin toegepaste materialen en bedrijfsmiddelen en op het desbetreffende spanningsniveau.
Indien het bedrijf dat de in het eerste lid bedoelde aansluitingswerkzaamheden uitvoert niet over de bedoelde ervaring beschikt, maar wel aan de overige voorwaarden uit het tweede lid, onderdelen a en b, en eventueel artikel 2.16, tweede lid, wordt voldaan, vinden de werkzaamheden plaats onder toezicht van de systeembeheerder op kosten van het bedoelde bedrijf.
Het in bedrijf nemen van de (gewijzigde) aansluiting geschiedt pas na:
- a. een door de aannemer afgegeven schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de acceptatietest succesvol is doorlopen, en
- b. afspraken omtrent het tijdstip van ingebruikname en omtrent de beveiligingsinstellingen zijn gemaakt en vastgelegd in de in het eerste lid bedoelde overeenkomst.
Indien dat voor de acceptatietest noodzakelijk is, wordt er een proefspanning aangelegd volgens specificatie van de systeembeheerder.
Artikel 2.31
In aanvulling op artikel 2.7, tweede lid, voldoen de elektrische installatie en de daarin opgenomen machines, toestellen, materialen en onderdelen aan NPR-IEC/TR 61000-3-7:2008 en "Electromagnetic compatibility (EMC) – Part 3-7: Limits – Assessment of emission limits for the connection of fluctuating installations to MV, HV and EHV power systems".
In geval van een aansluiting op een hoogspanningssysteem, toont de aangeslotene door middel van berekening aan dat zijn elektrische installatie voldoet aan het eerste lid.
In geval van een aansluiting op een middenspanningssysteem, waarbij het achter de aansluiting te schakelen vermogen meer bedraagt dan de waarden opgenomen in tabel 3 van NPR-IEC/TR 61000-3-7:2008 en "Electromagnetic compatibility (EMC) – Part 3-7: Limits – Assessment of emission limits for the connection of fluctuating installations to MV, HV and EHV power systems", toont de aangeslotene door middel van berekening aan dat zijn elektrische installatie voldoet aan het eerste lid.
Indien een van de leden twee of drie van toepassing is, wordt de wijze van toepassing van de NPR-IEC/TR 61000-3-7:2008 en "Electromagnetic compatibility (EMC) – Part 3-7: Limits – Assessment of emission limits for the connection of fluctuating installations to MV, HV and EHV power systems" vastgelegd in een uitvoeringsinstructie en als bijlage toegevoegd aan de aansluit- en transportovereenkomst.
In aanvulling op artikel 2.20 is voor de aansluiting van éénfasige tractievoedingen op hoogspanningssystemen de “Richtlijn voor harmonische stromen en netspanningsasymmetrie bij éénfasige 25 kV-voedingen” uit maart 1999, uitgegeven door EnergieNed van toepassing.
Hoofdstuk 3. Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden
§ 3.1. Algemene voorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden
Artikel 3.1
De maximumcapaciteitsdrempelwaarde, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), bedraagt:
- a. 1 MW voor onderdeel b;
- b. 50 MW voor onderdeel c;
- c. 60 MW voor onderdeel d.
§ 3.2. Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden kleiner dan 800 W
Artikel 3.2
Elektriciteitsproductie-eenheden kleiner dan 800 W voldoen aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden.
Artikel 3.3
Het parallel schakelen van de elektriciteitsproductie-eenheid verloopt automatisch.
Artikel 3.4
In afwijking van artikel 2.19 ligt de arbeidsfactor in het overdrachtspunt van een aansluiting waarachter zich een elektriciteitsproductie-eenheid bevindt tussen 0,9 capacitief en 0,9 inductief.
Artikel 3.5
In geval van een elektriciteitsproductie-eenheid gebruik makend van warmtekrachtkoppeling die rechtstreeks of als onderdeel van een installatie wordt aangesloten op een laagspanningssysteem, informeert de aangeslotene de systeembeheerder van het voornemen tot invoeding in afwijking van artikel 2.9, tweede lid, binnen een maand na de inbedrijfname van de elektriciteitsproductie-eenheid.
De in het eerste lid bedoelde afwijking is niet van toepassing indien sprake is van het op projectmatige basis gepland installeren van meerdere elektriciteitsproductie-eenheden gebruik makend van warmtekrachtkoppeling binnen een deelsysteem.
Artikel 3.6
De beveiligingen van de elektriciteitsproductie-eenheid zijn selectief ten opzichte van de beveiligingen in het systeem van de systeembeheerder. De systeembeheerder kan verlangen dat hiervan een berekening wordt gemaakt.
De beveiliging van de elektriciteitsproductie-eenheid is in ieder geval voorzien van:
- a. een onderspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 80% van de nominale spanning;
- b. een overspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 110% van de nominale spanning;
- c. een frequentiebeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 47,5 en 51,5 Hz.
De installatie met een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid is voorzien van een inrichting die binnen 0,2 seconden een scheiding met het systeem bewerkstelligt in geval de systeemspanning in één of meer fasen daalt tot 70% van de nominale waarde, tenzij uit een berekening blijkt dat een snellere uitschakeling noodzakelijk is.
Artikel 3.7
Het sterpunt van een elektriciteitsproductie-eenheid die zowel in eilandbedrijf als in parallelbedrijf kan functioneren, is deugdelijk geaard.
Maatregelen bij een elektriciteitsproductie-eenheid worden in ieder geval genomen in geval door harmonischen in de installatie de grootte van de nulleiderstroom in dezelfde orde van grootte als die van de fasestroom zal komen.
Artikel 3.8
Bij een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid die slechts enkele malen per dag start, respectievelijk parallel schakelt, wordt de aanloopstroom zodanig beperkt dat de spanningsdaling in het systeem, ter plaatse van de meest nabij gesitueerde aangeslotene, ten hoogste 5% bedraagt.
De (niet-)synchrone elektriciteitsproductie-eenheid vertoont een stabiel gedrag. Als een plotselinge verandering van het mechanische aandrijfkoppel optreedt, vinden geen ontoelaatbare elektrische slingeringen plaats.
De aandrijvende machine van een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid vertoont een rustig gedrag.
In ieder geval wanneer meer dan één synchrone elektriciteitsproductie-eenheid op een beperkt gedeelte van het systeem parallel draaien, gaat de systeembeheerder op basis van berekeningen na of en zo ja welke maatregelen nodig zijn teneinde de bijdrage van een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aan het kortsluitvermogen op het systeem waarop zij is aangesloten tot een minimum te beperken.
Wanneer bij een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid compensatiecondensatoren worden toegepast, wordt de omvang daarvan, en het aantal stappen waarin deze worden geschakeld, in overleg met de beheerder van de elektriciteitsproductie-eenheid door de systeembeheerder bepaald.
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid is voorzien van een inrichting die na het wegvallen van de systeemspanning de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid uitschakelt. Na uitschakeling mag de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid direct weer worden ingeschakeld door de aangeslotene.
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid voldoet ten aanzien van het veroorzaken van harmonische stromen aan de in NEN-EN 60034-1:2004: “Roterende elektrische machines – Deel 1: Kengegevens en eigenschappen” gestelde grenzen.
Artikel 3.9
Wanneer bij een door middel van vermogenselektronica gekoppelde elektriciteitsproductie-eenheid compensatiecondensatoren worden toegepast, wordt de omvang daarvan en het aantal stappen waarin deze worden geschakeld in overleg met de beheerder van de elektriciteitsproductie-eenheid door de systeembeheerder bepaald.
Een door middel van vermogenselektronica gekoppelde elektriciteitsproductie-eenheid mag, indien de systeemspanning buiten de gestelde grenzen genoemd in artikel 3.6, tweede lid, komt, zich van het systeem vrijschakelen. Na uitschakeling mag de door middel van vermogenselektronica gekoppelde elektriciteitsproductie-eenheid direct weer inschakelen.
§ 3.3. Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type A als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG)
Artikel 3.10
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type A voldoen aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden.
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type A, kleiner dan 11 kW, aangesloten op een laagspanningssysteem, voldoen tevens aan de in paragraaf 3.2 gestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 3.3.
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type A groter dan of gelijk aan 11 kW, aangesloten op een laagspanningssysteem, voldoen tevens aan de in paragraaf 3.2 gestelde voorwaarden, met uitzondering van de artikelen 3.3, 3.5 en 3.9, tweede lid.
Artikel 3.11
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om op het systeem aangesloten en in bedrijf te blijven binnen de volgende frequentiebanden en tijdsperiodes, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. in de frequentieband van 47,5 Hz tot 48,5 Hz gedurende 30 minuten;
- b. in de frequentieband van 48,5 Hz tot 49,0 Hz gedurende 30 minuten;
- c. in de frequentieband van 49,0 Hz tot 51,0 Hz gedurende onbeperkte tijd;
- d. in de frequentieband van 51,0 Hz tot 51,5 Hz gedurende 30 minuten.
Voor de frequentiegradiënt van elektriciteitsproductie-eenheden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) gelden de volgende drempelwaarden:
- a. 1 Hertz per seconde gedurende een voortschrijdend tijdsvenster van 500 milliseconden in het geval er sprake is van een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid;
- b. In afwijking van onderdeel a. kan in overleg met de systeembeheerder de drempelwaarde van de frequentiegradiënt voor een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid lager worden vastgesteld;
- c. 2 Hertz per seconde gedurende een voortschrijdend tijdsvenster van 500 milliseconden in het geval er sprake is van een power park module.
Indien een elektriciteitsproductie-eenheid geïntegreerd is in een industrieel productieproces, waarbij het afgegeven vermogen niet kan worden gewijzigd zonder verstoring van het productieproces, is het toegestaan om de activering van de frequentiegevoelige modus te relateren aan het in het (de) overdrachtspunt(en) van de aansluiting resulterende vermogen.
De elektriciteitsproductie-eenheid is voor de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – overfrequentie in staat om de levering van de frequentierespons te activeren, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), waarbij:
- a. de frequentiedrempelwaarde instelbaar is tussen 50,2 Hz en 50,5 Hz (inclusief);
- b. de instelling van de frequentiedrempelwaarde 50,2 Hz is;
- c. de statiek instelbaar is tussen 4% en 12%;
- d. de default instelling van de statiek 5% is;
- e. de elektriciteitsproductie-eenheid bij het bereiken van het minimumregelniveau op dit niveau in bedrijf blijft;
- f. in geval van een power park module is Pref, als bedoeld in figuur 1 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), gelijk aan het feitelijk gegenereerde werkzame vermogen op het moment dat de drempelwaarde van de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – overfrequentie is bereikt.
Indien de technische mogelijkheden van de elektriciteitsproductie-eenheid daartoe aanleiding geven, leggen de aangeslotene en de systeembeheerder het toestaan van reductie van het werkzame vermogen beneden een frequentie van 49,5 Hz met een gradiënt van 10% van de maximale capaciteit bij 50 Hz per frequentiedaling met 1 Hz, bedoeld in artikel 13, vierde en vijfde lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) vast in de aansluit- en transportovereenkomst.
De systeembeheerder stelt eisen overeenkomstig uniforme, door de gezamenlijke systeembeheerders overeengekomen, specificaties aan de apparatuur waarmee het werkzaam uitgangsvermogen van een elektriciteitsproductie-eenheid op afstand binnen vijf seconden naar nul kan worden gereduceerd als bedoeld in artikel 13, zesde lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG). De gezamenlijke systeembeheerders maken de eisen openbaar.
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om automatisch aan het systeem te koppelen als bedoeld in artikel 13, zevende lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), indien:
- a. de spanning groter is dan of gelijk aan 0,90 pu en kleiner dan of gelijk aan 1,10 pu;
- b. de frequentie groter is dan of gelijk aan 49,9 Hz en kleiner dan of gelijk aan 50,1 Hz;
- c. de minimum tijd dat de spanning en de frequentie zich binnen de in de onderdelen a en b genoemde bereiken bevinden 60 seconden is;
- d. de maximum gradiënt van het werkzaam vermogen 20% is van de maximumcapaciteit per minuut.
Artikel 3.12
Een elektriciteitsproductie-eenheid met een maximumcapaciteit groter dan 11 kW, aangesloten op een laagspanningssysteem, is in ieder geval voorzien van:
- a. een meetinrichting voor de afgegeven stroom;
- b. een signalering of de elektriciteitsproductie-eenheid al dan niet parallel is geschakeld met het systeem.
De beveiliging van de elektriciteitsproductie-eenheid met een maximumcapaciteit groter dan 11 kW, aangesloten op een laagspanningssysteem, is in ieder geval op drie fasen voorzien van:
- a. een onderspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 80% van de nominale spanning én van 0,2 seconden bij 70% van de nominale spanning;
- b. een overspanningsbeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 110% van de nominale spanning;
- c. een maximum-stroomtijdbeveiliging; bij een vermogenselektronische omzetter een overbelastingsbeveiliging;
- d. een frequentiebeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 47,5 en 51,5 Hz; deze beveiliging mag éénfasig zijn.
Bij een door middel van vermogenselektronica gekoppelde elektriciteitsproductie-eenheid met een maximumcapaciteit groter dan 11 kW, aangesloten op een laagspanningssysteem, mag parallelschakeling enkele minuten nadat de systeemspanning weer aanwezig is plaatsvinden.
Artikel 3.13
In afwijking van artikel 2.19 ligt de arbeidsfactor van een elektriciteitsproductie-eenheid, aangesloten op een middenspanningssysteem of op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV, in het overdrachtspunt tussen 0,98 capacitief en 0,98 inductief.
De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem is voorzien van een bedrijfsmeting.
De vereiste nauwkeurigheid voor metingen als bedoeld in het tweede lid is:
- a. klasse 1, indien de elektriciteitsproductie-eenheid is voorzien van een interface als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG); of
- b. klasse 2, in overige gevallen, tenzij anders met de systeembeheerder is overeengekomen.
De beveiligingen van de elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem zijn selectief ten opzichte van de beveiligingen in het systeem van de systeembeheerder. De aangeslotene is verantwoordelijk voor adequate beveiligingen van de elektriciteitsproductie-eenheid tegen zowel storingen die ontstaan in het systeem als extreme afwijkingen van spanning en frequentie. De systeembeheerder kan verlangen dat hiervan een berekening wordt gemaakt.
De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem is voorzien van en wordt bedreven met een instelbare automatische spanningsregeling. De systeembeheerder kan op basis van de lokale situatie voor elektriciteitsproductie-eenheid een arbeidsfactor-regeling eisen of toestaan.
De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een middenspanningssysteem of op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV levert bij verlaagde systeemspanning bij een verlaagde systeemspanning kleiner dan of gelijk aan Un en groter dan of gelijk aan 0,9 Un onbeperkt de maximaal beschikbare hoeveelheid blindvermogen.
De behandeling van het sterpunt van de elektriciteitsproductie-eenheid, aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem, wordt bepaald door de systeembeheerder in overleg met de beheerder van de elektriciteitsproductie-eenheid.
In overleg met de systeembeheerder gaat de aangeslotene door berekeningen na of en zo ja door welke maatregelen, de bijdrage aan het kortsluitvermogen door de elektriciteitsproductie-eenheid, aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem, redelijkerwijs kan worden beperkt.
De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een middenspanningssysteem of op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV is, in aanvulling op artikel 3.11, eerste en zevende lid, in staat om op het systeem aangesloten en in bedrijf te blijven:
- a. gedurende 3 minuten bij een spanning op het overdrachtspunt tussen 0,85 pu en 0,90 pu, waarbij geldt dat het werkzame vermogen mag worden gereduceerd tot 80% van de maximum capaciteit;
- b. overeenkomstig de in artikel 3.11, eerste lid, genoemde perioden
- 1°. bij een spanning op het overdrachtspunt binnen de spanningsband tussen 0,9 pu en 1,1 pu voor een frequentiebereik van 50 tot 51,5 Hz;
- 2°. bij een spanning op het overdrachtspunt binnen de spanningsband die lineair verloopt van 0,9 pu en 1,01 pu bij 47,5 Hz tot 0,9 en 1,1 pu bij 50 Hz.
De elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een middenspanningssysteem of op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV is op grond van het negende lid en op grond van artikel 3.11, eerste lid in staat aangesloten en in bedrijf te blijven binnen de in onderstaand diagram weergegeven tijdsperioden, frequentiebereiken en spanningsbanden.
Indien artikel 3.11, eerste lid, een kortere tijdsperiode toestaat dan het negende en tiende lid, prevaleert artikel 3.11, eerste lid.
Indien het negende en tiende lid een kortere tijdsperiode toestaat dan artikel 3.11, eerste lid, prevaleert het negende lid.
De elektriciteitsproductie-eenheid die met gebruikmaking van de vrijstellingen voor productie als bedoeld in artikel 3.5, onderdeel a, subonderdeel 2°, artikel 3.6, onderdeel a, subonderdeel 2°, artikel 3.7, onderdeel a, subonderdeel 2°, artikel 3.7, onderdeel b, subonderdeel 2°, artikel 3.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° en artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, van het Energiebesluit is aangesloten op een hoogspanningssysteem of op het onderliggende middenspanningssysteem dient voldoende snel en selectief afgeschakeld of afgeregeld te kunnen worden, in een uitvalsituatie als bedoeld in de hiervoor genoemde onderdelen van het Energiebesluit. Aan deze eis is voldaan indien:
- a. de systeembeheerder de elektriciteitsproductie-eenheid kan afschakelen of afregelen door middel van een aan te bieden signaal op of in de nabijheid van het overdrachtspunt van de aansluiting;
- b. de systeembeheerder en de aangeslotene overeenkomstig artikel 9.35, vijfde lid, overeenkomen dat de systeembeheerder de aansluiting afschakelt of afregelt; of
- c. de systeembeheerder en de aangeslotene overeenkomstig artikel 9.35, derde lid, overeenkomen dat voor het afschakelen of afregelen gebruik gemaakt kan worden van de in artikel 13, zesde lid, en artikel 14, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) bedoelde interface of de in artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) bedoelde regelbaarheid.
§ 3.4. Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type B als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG)
Artikel 3.14
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type B voldoen aan de voorwaarden in deze paragraaf en aan de voorwaarden in paragraaf 3.3 met uitzondering van artikel 3.12.
Artikel 3.15
De systeembeheerder stelt eisen overeenkomstig uniforme, door de gezamenlijke systeembeheerders overeengekomen specificaties aan de extra apparatuur waarmee het werkzaam uitgangsvermogen van een elektriciteitsproductie-eenheid op afstand te sturen is als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
De gezamenlijke systeembeheerders maken de in het eerste lid genoemde eisen openbaar.
De parameters voor de fault-ride-through-capaciteit van de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a, subonderdeel i en in tabel 3.1 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), zijn als volgt:
- a. de spanningsparameters:
- 1°. Uret is 0,30 pu;
- 2°. Uclear is 0,70 pu;
- 3°. Urec1 is Uclear;
- 4°. Urec2 is 0,85 pu;
- b. de tijdsparameters:
- 1°. tclear is 0,15 s;
- 2°. trec1 is tclear;
- 3°. trec2 is trec1;
- 4°. trec3 is 1,5 s.
De parameters voor de fault-ride-through-capaciteit van de power park module, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a, subonderdeel i, en tabel 3.2 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), zijn als volgt:
- a. de spanningsparameters:
- 1°. Uret is 0,05 pu;
- 2°. Uclear is Uret;
- 3°. Urec1 is Uclear;
- 4°. Urec2 is 0,85 pu;
- b. de tijdsparameters:
- 1°. tclear is 0,20 s;
- 2°. trec1 is tclear;
- 3°. trec2 is trec1;
- 4°. trec3 is 2,0 s.
De condities voor de berekening van het minimum kortsluitvermogen op het overdrachtspunt van een aansluiting voorafgaand aan een storing, bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a, subonderdeel iv, van verordening 2016/631 (NC RfG), zijn:
- a. dat van het minimum kortsluitvermogen wordt verondersteld dat het de helft van het maximum kortsluitvermogen bedraagt;
- b. dat het maximum kortsluitvermogen wordt berekend op basis van de systeemconfiguratie, waarbij rekening wordt gehouden met de kortsluitbijdrage van alle op het desbetreffende systeem aangesloten elektriciteitsproductie-eenheden en met de kortsluitbijdrage van aangrenzende systemen.
Het bedrijfspunt van de elektriciteitsproductie-eenheid voor het bepalen van de fault-ride-through, als bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a, subonderdeel iv, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), is het punt dat wordt gekarakteriseerd door:
- a. nominaal werkzaam vermogen;
- b. blindvermogensuitwisseling van 0 Mvar; en
- c. nominale spanning op het overdrachtspunt van de aansluiting.
Voor het minimum kortsluitvermogen op het overdrachtspunt van de aansluiting na de storing, als bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a, subonderdeel iv, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), wordt dezelfde waarde genomen als die in het vierde lid voor de situatie voorafgaand aan de storing geldt.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)