Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666113, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over het elektriciteitssysteem (Systeemcode elektriciteit 2026)

Type ZBO-regeling
Publication 2026-10-01
State In force
Source BWB
artikelen 390
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Op een recreatiesysteem is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.9
1.

De beheerder van een gesloten systeem faciliteert de aangeslotenen op zijn gesloten systeem vrijwillige biedingen te doen overeenkomstig artikel 9.1, eerste of tweede lid.

2.

Indien de beheerder van een gesloten systeem overeenkomstig artikel 9.1, derde of vierde lid, of artikel 9.42 biedingen moet doen of indien aangeslotenen op een gesloten systeem gebruik willen maken van de mogelijkheid tot vrijwillige biedingen overeenkomstig artikel 9.1, eerste of tweede lid, maakt de beheerder van het gesloten systeem een keuze uit één van de volgende mogelijkheden om dit te faciliteren:

  • a. de beheerder van het gesloten systeem wijst een congestiedienstverlener (in geval van biedingen overeenkomstig artikel 9.1, derde of vierde lid) of een balanceringsdienstverlener (in geval van biedingen overeenkomstig artikel 9.42) aan en deze functioneert als de congestiedienstverlener of balanceringsdienstverlener als bedoeld in artikel 9.1, derde of vierde lid, of in artikel 9.42 voor alle deelnemende aangeslotenen op het betreffende gesloten systeem die hun flexibiliteit via de beheerder van het gesloten systeem ter beschikking stellen aan de systeembeheerder of aan de systeembeheerder van het eventuele bovenliggende systeem;
  • b. de beheerder van een gesloten systeem draagt er zorg voor dat de op zijn gesloten systeem aangesloten derden die flexibiliteit leveren aan de systeembeheerder of de transmissiesysteembeheerder, dan wel de door die derden aan te wijzen congestiedienstverlener of balanceringsdienstverlener, zelfstandig deel kunnen nemen aan het elektronische berichtenverkeer als bedoeld in artikel 12.31.

Hoofdstuk 6. Aansluitvoorwaarden voor HVDC-systemen en DC-aangesloten power park modules

§ 6.1. Algemene eisen voor HVDC-aansluitingen

Artikel 6.1
1.

Het HVDC-systeem is in staat om binnen de volgende frequentiebereiken en tijdsperiodes, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) op het systeem aangesloten en in bedrijf te blijven:

  • a. in de frequentieband van 47,0 Hz tot 47,5 Hz gedurende minimaal 60 seconden;
  • b. in de frequentieband van 47,5 Hz tot 48,5 Hz gedurende minimaal 90 minuten;
  • c. in de frequentieband van 48,5 Hz tot 49,0 Hz gedurende minimaal 90 minuten;
  • d. in de frequentieband van 49,0 Hz tot 51,0 Hz gedurende onbeperkte tijd;
  • e. in de frequentieband van 51,0 Hz tot 51,5 Hz gedurende minimaal 90 minuten;
  • f. in de frequentieband van 51,5 Hz tot 52,0 Hz gedurende minimaal 15 minuten.
2.

De transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem kunnen overeenstemming bereiken over bredere frequentiebereiken of langere minimumbedrijfsperiodes dan gespecificeerd in het eerste lid en leggen deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

3.

De transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem komen de frequenties overeen waarbij het HVDC-systeem in staat is zich automatisch te ontkoppelen, bedoeld in artikel 11, derde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) en leggen deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.2
1.

Voor het regelen van het werkzaam vermogen volgend op een instructie van de transmissiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), geldt dat:

  • a. de minimale en maximale vermogensstap voor de aanpassing van het werkzaam vermogen respectievelijk 1 MW en twee maal de maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen bedragen;
  • b. de minimale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen, beneden welke geen transportcapaciteit vereist is, 0 MW bedraagt, tenzij anders overeengekomen op basis van technologie specifieke beperkingen. De transmissiesysteembeheerder legt in dat geval de waarde vast in de aansluit- en transportovereenkomst;
  • c. de maximale vertragingstijd, waarbinnen een HVDC-systeem in staat is het transport van werkzaam vermogen aan te passen na ontvangst van een verzoek, 100 ms bedraagt.
2.

Hoe het HVDC-systeem in staat is de invoeding van het getransporteerde werkzaam vermogen te wijzigen in het geval van storingen in één of meerdere van de verbonden AC-systemen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.

3.

Indien de transmissiesysteembeheerder eist dat het HVDC-systeem in staat is het getransporteerde werkzaam vermogen zo snel mogelijk om te keren, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), komt hij met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem de benodigde tijd voor deze snelle omkering overeen en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

4.

De besturingsfuncties van het HVDC-systeem zijn in staat om automatisch corrigerende maatregelen te nemen, inclusief het beëindigen van de op- en afregeling en het blokkeren van de frequentiegevoelige modus, gelimiteerde frequentiegevoelige modus – overfrequentie, gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie en frequentieregeling. De transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem komen de trigger- en blokkeringscriteria, bedoeld in artikel 13, derde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), overeen en leggen deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.3
1.

Het HVDC-systeem is in staat synthetische inertie in reactie op frequentieveranderingen te leveren als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).

2.

De transmissiesysteembeheerder specificeert op basis van de resultaten van uitgevoerde studies het principe van het regelsysteem en de prestatieparameters voor de snelle aanpassing van het werkzaam vermogen dat wordt geïnjecteerd in of onttrokken aan het transmissiesysteem, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

3.

Deze snelle aanpassing van het werkzaam vermogen is beperkt door de maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen.

Artikel 6.4
1.

Het HVDC-systeem is in staat, wanneer de frequentiegevoelige modus in bedrijf is, de frequentierespons voor het werkzaam vermogen te leveren, bedoeld in artikel 15 en bijlage II onder A, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), overeenkomstig de volgende parameters:

  • a. de dode band van de frequentierespons is instelbaar tussen 0 en 500 mHz;
  • b. de statiek voor opregeling is instelbaar met een minimale waarde van 0,1%;
  • c. de statiek voor afregeling is instelbaar met een minimale waarde van 0,1%;
  • d. de ongevoeligheid van de frequentierespons is 10 mHz.
2.

De transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem komen de instellingen voor de dode band van de frequentierespons, de statiek voor opregeling en de statiek voor afregeling, bedoeld in artikel 15 en bijlage II onder A, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) overeen. De overeengekomen waarden worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.

3.

Het HVDC-systeem is in staat om, in reactie op frequentiestapveranderingen wanneer de frequentiegevoelige modus in bedrijf is als bedoeld in artikel 15 en bijlage II onder A, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel ii, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), het werkzaam vermogen aan te passen op een dusdanige manier dat de initiële vertraging maximaal 0,1 s bedraagt, tenzij de aangeslotene die beschikt over het HVDC-systeem met een toereikende verklaring aantoont dat deze tijd niet korter kan. Indien de initiële vertraging langer duurt dan 0,1 s, leggen de transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over het HVDC-systeem de instelling vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

4.

Het HVDC-systeem is in staat om, in reactie op frequentiestapveranderingen wanneer de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – overfrequentie in bedrijf is als bedoeld in artikel 15 en bijlage II onder B, eerste lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), het werkzaam vermogen zo snel als technisch mogelijk aan te passen, met een initiële vertraging van maximaal 0,2 s en met de volledige activering binnen 2 s.

5.

Het HVDC-systeem is in staat om, in reactie op frequentiestapveranderingen wanneer de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – overfrequentie in bedrijf is als bedoeld in artikel 15 en bijlage II onder B, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), het werkzaam vermogen aan te passen, waarbij:

  • a. de frequentiedrempelwaarde instelbaar is tussen 50,2 Hz en 50,5 Hz (inclusief);
  • b. de instelling van de frequentiedrempelwaarde 50,2 Hz is;
  • c. de statiek instelbaar is met een minimale waarde van 0,1%;
  • d. de default instelling van de statiek 5% is;
  • e. het HVDC-systeem bij het bereiken van het minimumregelniveau op dit niveau in bedrijf blijft.
6.

Het HVDC-systeem is in staat om, in reactie op frequentiestapveranderingen wanneer de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie in bedrijf is als bedoeld in artikel 15 en bijlage II onder B, eerste lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), het werkzaam vermogen zo snel als technisch mogelijk aan te passen, met een initiële vertraging van maximaal 0,2 s en met de volledige activering binnen 2 s.

7.

Het HVDC-systeem is in staat om, in reactie op frequentiestapveranderingen wanneer de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie in bedrijf is als bedoeld in artikel 15, bijlage II onder B, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), het werkzaam vermogen aan te passen, waarbij:

  • a. de frequentiedrempelwaarde instelbaar is tussen 49,5 Hz en 49,8 Hz;
  • b. de instelling van de frequentiedrempelwaarde 49,8 Hz is;
  • c. de statiek instelbaar is met een minimale waarde van 0,1%;
  • d. de default instelling van de statiek 5% is.
Artikel 6.5
1.

Het HVDC-systeem is uitgerust met een onafhankelijke regelmodus, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).

2.

De transmissiesysteembeheerder specificeert de eisen voor het werkingsprincipe, de bijbehorende prestatieparameters en de activeringscriteria van de frequentieregeling, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.6

De transmissiesysteembeheerder specificeert het maximumverlies van werkzaam vermogen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.7
1.

De 1 pu-referentiespanningen in het hoogspanningssysteem, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), zijn 110 kV, 150 kV, 220 kV en 400 kV.

2.

De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen tussen 1,118 pu en 1,15 pu in systemen met nominale spanning groter dan of gelijk aan 110 kV en kleiner dan 300 kV, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), is 20 minuten.

3.

De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen tussen 1,05 pu en 1,0875 pu in systemen met nominale spanning groter dan of gelijk aan 300 kV en kleiner dan of gelijk aan 400 kV, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), is 60 minuten.

4.

Indien vereist om de systeemveiligheid te handhaven of te herstellen, bereiken de transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem overeenstemming over grotere spanningsbereiken of langere minimumbedrijfsperiodes dan in het tweede en derde lid zijn gespecificeerd en leggen dat vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

5.

De transmissiesysteembeheerder en aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem bereiken overeenstemming over de voorwaarden en de instellingen voor automatische ontkoppeling, bedoeld in artikel 18, derde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en leggen deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

6.

Voor een HVDC-convertorstation, aangesloten op een systeem waarvan de 1 pu-referentie-AC-spanning kleiner is dan 110 kV, als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), gelden dezelfde eisen als voor een HVDC-convertorstation, aangesloten op een systeem waarvan de 1 pu-referentie-AC-spanning gelijk is aan 110 kV.

7.

Voor een HVDC-convertorstation, aangesloten op een systeem waarvan de 1 pu-referentie-AC-spanning groter is dan 400 kV, als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), gelden dezelfde eisen als voor een HVDC-convertorstation, aangesloten op een systeem waarvan de 1 pu-referentie-AC-spanning gelijk is aan 400 kV.

Artikel 6.8
1.

Tenzij anders overeengekomen beschikt het HVDC-systeem over de capaciteit om snelle foutstroom op het overdrachtspunt te leveren in het geval van symmetrische fouten, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).

2.

Ten aanzien van het leveren van snelle foutstroom op het overdrachtspunt van de aansluiting, bedoeld in het eerste lid, is het HVDC-converterstation in staat om in bedrijf te zijn in een of twee van de volgende regelmodi:

  • a. de snelle foutstroomregelmodus zonder voorgeschreven foutstroom waarbij het HVDC-converterstation in staat is om in het geval van symmetrische (driefasen) en asymmetrische storingen de spanningsverandering op het overdrachtspunt van de aansluiting van het HVDC-converterstation tegen te werken; of
  • b. de snelle foutstroomregelmodus met voorgeschreven foutstroom waarbij artikel 3.17, tiende lid, twaalfde lid en veertiende tot en met zestiende lid, van overeenkomstige toepassing is op het HVDC-converterstation, waarbij “overdrachtspunt van de aansluiting van het HVDC-converterstation” gelezen dient te worden in plaats van “aansluitklemmen van de afzonderlijke opwekkingseenheid van de power park module”.
3.

De transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem komen de regelmodus of regelmodi alsmede ingeval van de in onderdeel a bedoelde regelmodus het principe en de prestatieparameters van de regelmodus, overeen, en leggen dit vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.9
1.

Het HVDC-systeem, aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau lager dan 300 kV, is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):

  • a. gelijk aan 0,35 bij een spanning van 0,925 pu tot 1,1 pu;
  • b. gelijk aan 0,1 bij een spanning gelijk aan 1,15 pu;
  • c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,35 en 0,1 bij een spanning tussen 1,1 pu en 1,15 pu.
2.

Het HVDC-systeem, aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau lager dan 300 kV, is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):

  • a. gelijk aan 0,4 bij een spanning van 1,025 pu tot 1,15 pu;
  • b. gelijk aan 0,1 bij een spanning van 0,925 pu;
  • c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,4 bij een spanning tussen 0,925 pu en 1,025 pu.
3.

Een HVDC-systeem, aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau lager dan 300 kV, is op grond van het eerste en het tweede lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Pmax-diagram als bedoeld in figuur 5 van bijlage IV bij artikel 20, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):

4.

Het HVDC-systeem aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):

  • a. gelijk aan 0,35 bij een spanning van 0,875 pu tot 1,05 pu;
  • b. gelijk aan 0,1 bij een spanning van 1,1 pu;
  • c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,35 en 0,1 bij een spanning van 1,05 pu tot 1,1 pu.
5.

Het HVDC-systeem aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):

  • a. gelijk aan 0,4 bij een spanning van 0,975 pu tot 1,1 pu;
  • b. gelijk aan 0,1 bij een spanning van 0,875 pu;
  • c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,4 bij een spanning van 0,875 pu tot 0,975 pu.
6.

Het HVDC-systeem aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is op grond van het vierde en het vijfde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Pmax-diagram als bedoeld in figuur 5 van bijlage IV bij artikel 20, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):

7.

De tijdsperiodes voor het HVDC-systeem om over te gaan tot elk bedrijfspunt binnen zijn U-Q/Pmax-profiel worden overeengekomen tussen de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem en de transmissiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 20, derde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC). De overeengekomen tijdsperiodes worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.10
1.

Een HVDC-convertorstation is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen gelijk aan 0,35.

2.

Een HVDC-convertorstation is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen gelijk aan 0,4.

3.

Een HVDC-convertorstation is op grond van het eerste en het tweede lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand P-Q/Pmax-diagram:

4.

De variatie van het blindvermogen, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), leidt niet tot een spanningsstap in het transmissiesysteem die groter is dan de grenswaarden voor snelle spanningsvariaties die volgen uit de bepalingen van artikel 2.31.

Artikel 6.11
1.

Tenzij om technologie-specifieke beperkingen anders overeengekomen, is het HVDC-convertorstation in staat om in bedrijf te zijn in de drie regelmodi bedoeld in artikel 22 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), waarbij de transmissiesysteembeheerder de gewenste regelmodus vaststelt.

2.

Tenzij om technologie-specifieke beperkingen anders overeengekomen, is, in aanvulling op de regelmodi, genoemd in het eerste lid, een HVDC-convertorstation in staat om in bedrijf te zijn in de spanningsregelmodus, waarbij het blindvermogen zich bevindt binnen een door de transmissiesysteembeheerder gespecificeerde bandbreedte en waarbij de referentiewaarde voor de spanning wordt afgestemd op het uitgewisselde blindvermogen, als bedoeld in artikel 3.24, zesde lid, en artikel 9.37, tweede lid.

3.

De dode band van de spanningsregeling, bedoeld in artikel 22, derde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), kan worden aangepast in stappen van 0,5% van de 1 pu-referentiespanning.

4.

De waarde van het tijdsbestek t1 voor het bereiken van een verandering van 90% in geleverd blindvermogen, bedoeld in artikel 22, derde lid, onderdeel c, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), komt de transmissiesysteembeheerder overeen met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

5.

De waarde van het tijdsbestek t2 voor het bereiken van een verandering van 99% in geleverd blindvermogen, bedoeld in artikel 22, derde lid, onderdeel c, subonderdeel ii, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), binnen het bereik van 1 tot 60 s, komt de transmissiesysteembeheerder overeen met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

6.

De helling van de blindvermogenscomponent, bedoeld in artikel 22, derde lid, onderdeel d, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), komt de transmissiesysteembeheerder overeen met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

7.

Het HVDC-systeem is in staat om de referentiewaarde voor het blindvermogen, bedoeld in artikel 22, vierde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), binnen het volledige bereik van het blindvermogen in te stellen, met instelstappen van maximaal 5 Mvar of 5% (naargelang wat de laagste waarde is) van het totale blindvermogen, waarbij het blindvermogen op het overdrachtspunt wordt geregeld tot een nauwkeurigheid van plus of minus 5 Mvar of plus of minus 5% (naargelang wat de laagste waarde is) van het totale blindvermogen.

8.

De minimale stapgrootte voor de instelling van de gewenste waarde van de arbeidsfactor, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) is 0,005.

9.

De transmissiesysteembeheerder specificeert de technische vereisten waar de apparatuur, bedoeld in artikel 22, zesde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), die vereist is om op afstand de regelmodi en de desbetreffende referentiewaarden te kunnen selecteren, aan moet voldoen en legt dit vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.12

Het HVDC-systeem geeft voorrang aan de bijdrage van blindvermogen boven de bijdrage van werkzaam vermogen tijdens bedrijfsvoering bij lage of hoge spanning en bij storingen waarvoor fault-ride-through-capaciteit vereist is als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).

Artikel 6.13
1.

In overeenstemming met artikel 24 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) voldoet een HVDC-systeem aan de normen voor elektromagnetische compatibiliteit, zoals opgenomen in de artikelen 2.20 en 2.31.

2.

In aanvulling op deze artikelen komen de systeembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem, in overleg met de transmissiesysteembeheerder, eisen voor harmonischen overeen, en leggen deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.14
1.

De parameters voor de fault-ride-through-capaciteit van het HVDC-convertorstation, bedoeld in artikel 25, eerste lid, en bijlage V, tabel 7 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) zijn:

  • a. de spanningsparameters:
  • 1°. Uret is 0 pu;
  • 2°. Urec1 is 0,425 pu;
  • 3°. Urec2 is 0,85 pu;
  • b. de tijdsparameters:
  • 1°. tclear is 0,25 s;
  • 2°. trec1 is 1,625 s;
  • 3°. trec2 is 3,0 s.
2.

Indien de transmissiesysteembeheerder een blokkeerspanning vaststelt als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):

  • a. legt de transmissiesysteembeheerder deze blokkeerspanning vast in de aansluit- en transportovereenkomst; en
  • b. bedraagt deze blokkeerspanning 0,7 pu, tenzij anders overeengekomen.
3.

De fault-ride-through-capaciteit van het HVDC-convertorstation in het geval van asymmetrische storingen, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de fault-ride-through-capaciteit voor symmetrische storingen.

Artikel 6.15
1.

De eisen voor de grootte en het tijdsprofiel voor herstel van het werkzaam vermogen van het HVDC-systeem na een storing in het wisselstroomsysteem, bedoeld in artikel 26 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) zijn:

  • a. het herstel van het werkzame vermogen begint op een spanningsniveau van 90% van de spanning direct voorafgaande aan de storing;
  • b. de maximale toegestane tijd voor het herstel van het werkzame vermogen is 0,2 seconden, tenzij anders overeengekomen vanwege technologiespecifieke beperkingen of beperkingen aangaande operationele veiligheid van het transmissiesysteem;
  • c. de grootte voor het herstel van het werkzame vermogen is tenminste 90% van het vermogen direct voorafgaande aan de storing;
  • d. de nauwkeurigheid van het herstelde werkzame vermogen is 10% van het vermogen direct voorafgaande aan de storing.
2.

De transmissiesysteembeheerder legt het tijdsprofiel voor het herstel, bedoeld in artikel 26 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.16

Een HVDC-convertorstation is in staat om gedurende het onder spanning brengen van dat station of de synchronisatie ervan met het wisselstroomsysteem, dan wel gedurende de aansluiting van een onder spanning gebracht HVDC-convertorstation op een HVDC-systeem, bedoeld in artikel 28 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), de spanningsschommelingen te beperken tot de grenswaarden voor snelle spanningsvariaties die volgen uit artikel 2.31.

Artikel 6.17
1.

De studie, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) omvat tenminste:

  • a. interactie tussen het HVDC-systeem en het wisselstroomsysteem;
  • b. interactie tussen meerdere HVDC-systemen;
  • c. interactie tussen het HVDC-systeem en andere actieve installaties, zoals elektriciteitsproductie-eenheden.
2.

In aanvulling op het eerste lid omvat de studie, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) onder andere de volgende onderzoekingsmethodes:

  • a. metingen of simulaties van de frequentie-afhankelijke systeemimpedantie;
  • b. bepaling van de niet-lineaire impedanties van HVDC-systemen, rekening houdend met de regelingen;
  • c. analyse in het frequentiedomein;
  • d. validering van het gedrag met behulp van een EMT-simulatie.
Artikel 6.18
1.

Het HVDC-systeem is in staat vermogensoscillaties met frequentie tussen 0,1 Hz en 2,0 Hz door modulatie van werkzaam vermogen en blindvermogen actief te dempen als bedoeld in artikel 30 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).

2.

De transmissiesysteembeheerder legt de voorwaarden, die tot activering van de regelfunctie voeren en de maximale bijdrage van de regeling, bedoeld in artikel 30 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

3.

Deze regeling kan via handbediening geactiveerd en gedeactiveerd worden.

4.

De instelling van deze regeling kan worden aangepast. De transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem komen de aanpassingen van de instellingen van deze regeling in onderling overleg overeen.

Artikel 6.19
1.

De omvang van de studie naar demping van subsynchrone torsie-interactie, bedoeld in artikel 31, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) wordt tijdens de initiatieffase van een nieuw HVDC-systeem vastgelegd door de transmissiesysteembeheerder.

2.

Bij het vastleggen van de omvang van die studie wijst de transmissiesysteembeheerder tevens alle partijen aan die moeten deelnemen aan deze studie.

Artikel 6.20

De methode en de condities op basis waarvan de transmissiesysteembeheerder het minimum- en maximumkortsluitvermogen bepaalt, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), zijn:

  • a. het maximumkortsluitvermogen op het overdrachtspunt van de aansluiting van het HVDC-systeem wordt berekend op basis van een volledig in bedrijf zijnd systeem, onder handhaving van de enkelvoudige storingsreserve, waarbij rekening wordt gehouden met alle voorziene relevante systeemaanpassingen dan wel systeemuitbreidingen, en de maximale kortsluitstroombijdrage van alle op het desbetreffende systeem aangesloten elektriciteitsproductie-eenheden en met de maximale kortsluitstroombijdrage van alle aangrenzende systemen;
  • b. het minimumkortsluitvermogen vóór een storing op het overdrachtspunt van de aansluiting van het HVDC-systeem wordt berekend op basis van de systeemsituatie met enkelvoudige storingsreserve die resulteert in het kleinste kortsluitvermogen op het overdrachtspunt van de aansluiting en waarbij rekening wordt gehouden met alle voorziene relevante systeemaanpassingen dan wel systeemuitbreidingen, de minimale kortsluitstroombijdrage van een vooraf bepaalde minimale inzet van op het desbetreffende systeem aangesloten elektriciteitsproductie-eenheden, en met de minimale kortsluitstroombijdrage van alle aangrenzende systemen;
  • c. het minimumkortsluitvermogen na een storing op het overdrachtspunt van de aansluiting van het HVDC-systeem wordt berekend op basis van de enkelvoudige storing in een systeemsituatie met enkelvoudige storingsreserve die resulteert in het kleinste kortsluitvermogen op het overdrachtspunt van de aansluiting na de storing en waarbij rekening wordt gehouden met alle voorziene relevante systeemaanpassingen dan wel systeemuitbreidingen, de minimale kortsluitstroombijdrage van elektriciteitsproductie-eenheden met een vooraf bepaalde minimum inzet en aangesloten op het desbetreffende systeem, en met de minimale kortsluitstroombijdrage van alle aangrenzende systemen;
  • d. het HVDC-systeem ten behoeve van de berekening van het kortsluitvermogen is verondersteld te zijn uitgeschakeld.
Artikel 6.21

Het HVDC-systeem is in staat op stabiele wijze in bedrijf te blijven na alle geplande of ongeplande wijzigingen in het HVDC-systeem of in het transmissiesysteem als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), na in ieder geval de volgende gebeurtenissen:

  • a. uitval en herstel van de communicatie tussen het besturingssysteem van het transmissiesysteem en de HVDC-convertorstations van het HVDC-systeem;
  • b. geplande en ongeplande wijzigingen in de systeemtopologie van het HVDC-systeem of van het transmissiesysteem;
  • c. veranderingen van de vermogensstromen in het transmissiesysteem;
  • d. wijziging van de regelmodus van het HVDC-convertorstation;
  • e. uitval van externe optimaliserings- en regelfuncties van het HVDC-systeem.
Artikel 6.22

De transmissiesysteembeheerder komt met de aangeslotene de beveiligingsconcepten overeen die relevant zijn voor het transmissiesysteem en instellingen die relevant zijn voor het HVDC-systeem, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.23

De systeembeheerder specificeert, in overleg met de transmissiesysteembeheerder de methode waarop regelmodi en daarmee verband houdende referentiewaarden op afstand kunnen worden aangepast, bedoeld in artikel 36, derde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.24
1.

De transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem komen het tijdsbestek waarbinnen het HVDC-systeem in staat is te activeren, bedoeld in artikel 37, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), contractueel overeen.

2.

Het HVDC-systeem is in staat de overgang naar normale bedrijfsvoering zonder onderbreking te laten plaatsvinden.

Artikel 6.25
1.

De relevante systeembeheerder komt met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-convertoreenheid de hiërarchie van de automatische regeleenheden overeen, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

2.

De relevante systeembeheerder komt met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-convertoreenheid de eisen voor de kwaliteit van de signalen die de HVDC-convertoreenheid levert overeen, bedoeld in artikel 51, vierde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) en legt dit vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.26
1.

De systeembeheerder komt, in overleg met de transmissiesysteembeheerder, met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem de parameters voor de kwaliteit van levering, bedoeld in artikel 53, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), overeen en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

2.

De systeembeheerder komt, in overleg met de transmissiesysteembeheerder, met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem de bijzonderheden van de storingsregistratieapparatuur, bedoeld in artikel 53, derde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), overeen en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

3.

De systeembeheerder komt, in overleg met de transmissiesysteembeheerder, met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem de oscillatiecriteria, bedoeld in artikel 53, vierde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), overeen en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

4.

De systeembeheerder komt, in overleg met de transmissiesysteembeheerder, met de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem de communicatieprotocollen voor elektronische toegang tot gegevens, bedoeld in artikel 53, vijfde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), overeen en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.27
1.

De aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem verstrekt simulatiemodellen als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) aan de transmissiesysteembeheerder voor analyse van:

  • a. normale bedrijfstoestand,
  • b. kortsluittoestand,
  • c. dynamisch gedrag,
  • d. elektromagnetische transiënten,
  • e. stationaire harmonischen,
  • f. stabiliteit bij harmonischen en resonanties.
2.

Naast deze modellen verstrekt de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem ook een generiek RMS model voor bestudering van dynamische verschijnselen in het gehele gekoppelde transmissiesysteem. Dit model is geschikt voor uitwisseling binnen ENTSO-E verband.

3.

De inhoud en de opmaak van de modellen, bedoeld in artikel 54, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), zijn zodanig dat de analyses uit het eerste lid kunnen worden uitgevoerd met de simulatieprogramma's die bij de transmissiesysteembeheerder in gebruik zijn. In de ontwerpfase van het HVDC-systeem specificeert de transmissiesysteembeheerder de inhoud, de opmaak en de daarbij behorende documentatie van de modellen.

4.

Alleen die delen van de modellen die informatie bevatten aangaande intellectueel eigendom mogen worden versleuteld. Deze versleuteling mag niet belemmeren dat de transmissiesysteembeheerder in staat is de analyses uit het eerste lid met de modellen uit te voeren.

5.

De aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem zorgt ervoor dat de modellen gedurende de hele levensduur van het HVDC-systeem kunnen worden blijven gebruikt voor het uitvoeren van de analyses. Dit houdt in dat de modellen bij wijzigingen in het HVDC-systeem tijdig vooraf geactualiseerd worden.

6.

Bij vernieuwing van de simulatieprogramma's garandeert de aangeslotene die beschikt over het HVDC-systeem dat de modellen in staat blijven de analyses uit het eerste lid uit te voeren.

7.

De details van de inhoud en de opmaak worden in de ontwerpfase besproken met de aangeslotene die beschikt over het HVDC-systeem, en worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.

§ 6.2. Eisen voor DC-aangesloten power park modules

Artikel 6.28
1.

De transmissiesysteembeheerder stuurt naar de DC-aangesloten power park module een signaal als bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), dat ofwel een in het synchrone gebied gemeten frequentie is ofwel een referentiewaarde voor het werkzame vermogen. De DC-aangesloten power park module kan beide signaaltypen verwerken.

2.

De transmissiesysteembeheerder specificeert voor de DC-aangesloten power park module die is aangesloten via een HVDC-systeem dat is gekoppeld aan meerdere regelzones de gecoördineerde frequentieregeling, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

3.

Indien de ontwerpfrequentie afwijkt van 50 Hz, specificeert de transmissiesysteembeheerder de van toepassing zijnde frequentiebereiken en tijdsperiodes, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

4.

De DC-aangesloten power park module is in staat zich automatisch te ontkoppelen, als bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), bij lage frequenties en bij hoge frequenties. De transmissiesysteembeheerder komt de voorwaarden en instellingen voor automatische ontkoppeling overeen met de aangeslotene die beschikt over een DC-aangesloten power park module en neemt deze op in de aansluit- en transportovereenkomst.

6.

Het uitgangsvermogen van een DC-aangesloten power park module wijzigt, bedoeld in artikel 39, vijfde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), niet als gevolg van een wijziging van de frequentie, behalve wanneer het werkzame vermogen wordt gemoduleerd als gevolg van de frequentierespons van de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – overfrequentie (LFSM-O), gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie (LFSM-U) en frequentiegevoelige modus (FSM).

7.

Op de DC-aangesloten power park module is artikel 3.22, met uitzondering van het zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

8.

Op de DC-aangesloten power park module is de studie, bedoeld in artikel 6.17, van overeenkomstige toepassing, waarbij de verwijzing naar artikel 29, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), dient te worden gelezen als een verwijzing naar artikel 44, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).

9.

Op de DC-aangesloten power park module is artikel 6.27 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.29
1.

De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen tussen 1,10 pu en 1,118 pu in transmissiesystemen met nominale spanning groter dan of gelijk aan 110 kV en kleiner dan 300 kV, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), is onbeperkt.

2.

De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen tussen 1,118 pu en 1,15 pu in systemen met nominale spanning groter dan of gelijk aan 110 kV en kleiner dan 300 kV, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), is 30 minuten.

3.

Voor DC-aangesloten power park modules op een systeem waarvan de 1 pu-referentie-AC-spanning kleiner is dan 110 kV geldt een tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen tussen 1,10 pu en 1,12 pu van 30 minuten.

4.

De DC-aangesloten power park module, aangesloten op een wisselstroomsysteem met een spanningsniveau lager dan 300 kV, is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):

  • a. gelijk aan 0,14 bij een spanning van 0,9 pu tot 1,05 pu;
  • b. gelijk aan 0,0 bij een spanning gelijk aan 1,1 pu;
  • c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,14 en 0,0 bij een spanning tussen 1,05 pu en 1,1 pu.
5.

De DC-aangesloten power park module, aangesloten op een wisselstroomsysteem met een spanningsniveau lager dan 300 kV, is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC):

  • a. gelijk aan 0,14 bij een spanning van 0,95 pu tot 1,1 pu;
  • b. gelijk aan 0,0 bij een spanning gelijk aan 0,9 pu;
  • c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,14 bij een spanning tussen 0,9 pu en 0,95 pu.
6.

De DC-aangesloten power park module, aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau lager dan 300 kV, is op grond van het vierde en het vijfde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Pmax-diagram, als bedoeld in figuur 7 van bijlage VII bij artikel 40, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).

7.

Indien dat vereist is voor de spanningsstabiliteit komt de transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit op zee, in overleg met de transmissiesysteembeheerder met de aangeslotene die beschikt over een DC-aangesloten power park module een profiel overeen met een groter blindvermogensbereik dan het gespecificeerde profiel in het zesde lid en legt dit vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

8.

De bijdrage van blindvermogen krijgt prioriteit, overeenkomstig artikel 40, derde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), boven de bijdrage van werkzaam vermogen tijdens bedrijfsvoering bij lage of hoge spanning en bij storingen waarvoor fault-ride-through capaciteit vereist is.

Artikel 6.29a
1.

Een DC-aangesloten power park module is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximumcapaciteit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit gelijk aan 0,14.

2.

Een DC-aangesloten power park module is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximumcapaciteit maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit gelijk aan 0,14.

3.

Een DC-aangesloten power park module is op grond van het eerste en het tweede lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand P-Q/Pmax-diagram:

Artikel 6.30
1.

De DC-aangesloten power park module voldoet ook tijdens het onder spanning brengen en gedurende de periode volgend op de synchronisatie aan de eisen in de artikelen 2.20 en 2.31.

2.

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee, specificeert in overleg met de transmissiesysteembeheerder de uitgangssignalen, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), die de DC-aangesloten power park module verstrekt aan de transmissiesysteembeheerder en aan de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee en legt dit vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 6.31
1.

Voor de methode en de condities op basis waarvan de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee het minimum- en maximumkortsluitvermogen bepaalt, als bedoeld in artikel 42, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), geldt dat artikel 6.20, met uitzondering van onderdeel d, van overeenkomstige toepassing is.

2.

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee verstrekt de aangeslotene die beschikt over een DC-aangesloten power park module de netwerkequivalenten, als bedoeld in artikel 42, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), die het gedrag van het systeem beschrijven voor frequenties tot ten minste 2.500 Hz.

Artikel 6.32

Voor de beveiliging van de DC-aangesloten power park module en overige onderdelen van de elektrische installatie, als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), is artikel 2.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.33
1.

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee specificeert als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU)2016/1447 (NC HVDC), in aanvulling op de artikelen 2.20, 2.31 en 3.32 de eisen voor de elektromagnetische comptabiliteit, waar een DC-aangesloten power park module aan moet voldoen en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

2.

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee specificeert als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), in aanvulling op artikel 2.20, eerste lid, de eisen voor de spanningsasymmetrie waar een DC-aangesloten power park module aan moet voldoen en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

§ 6.3. Eisen voor remote-end HVDC-convertorstations

Artikel 6.34

Remote-end HVDC-convertorstations voldoen, overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), aan de eisen uit paragraaf 6.1 en aan de eisen uit deze paragraaf.

Artikel 6.35
1.

Indien de nominale frequentie in het systeem waarop de DC-aangesloten power park modules en het remote-end HVDC-convertorstation zijn aangesloten, een andere vaste waarde heeft dan 50 Hz of variabel is, specificeert de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee de frequentiebereiken, behorend bij de tijdsperiodes die in artikel 6.1, eerste lid zijn gespecificeerd, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

2.

Het HVDC-systeem, waarvan het remote-end HVDC-convertorstation deel uitmaakt, is in staat de systeemfrequentie op het overdrachtspunt van de aansluiting in de synchrone zone, waaraan het HVDC-systeem is gekoppeld, als snel signaal te verstrekken als bedoeld in artikel 47, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).

Artikel 6.36
1.

De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen tussen 1,10 pu en 1,12 pu in systemen met een nominale spanning groter dan of gelijk aan 110 kV en kleiner dan 300 kV, bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), is onbeperkt.

2.

De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen tussen 1,12 pu en 1,15 pu in systemen met een nominale spanning groter dan of gelijk aan 110 kV en kleiner dan 300 kV, bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), is 30 minuten.

3.

Voor remote-end HVDC-convertorstations aangesloten op een systeem waarvan de 1 pu-referentie-AC-spanning kleiner is dan 110 kV geldt een tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen tussen 1,10 pu en 1,12 pu van 30 minuten.

4.

Voor remote-end HVDC-convertorstations is artikel 6.29, vierde tot en met achtste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.37

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee verstrekt de aangeslotene die beschikt over een DC-aangesloten power park module de systeemkenmerken, als bedoeld in artikel 49 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), berekend overeenkomstig artikel 6.20.

Artikel 6.38
1.

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee specificeert in aanvulling op de artikelen 2.20, 2.31 en 3.32 de eisen voor de elektromagnetische comptabiliteit, waar een remote-end HVDC-convertorstation aan moet voldoen, bedoeld in artikel 50 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

2.

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee specificeert in aanvulling op artikel 2.20, eerste lid, de eisen voor de spanningsasymmetrie, waar een remote-end HVDC-convertorstation aan moet voldoen, en legt die vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Hoofdstuk 7. Transportvoorwaarden

§ 7.1. Transportrechten

Artikel 7.1

Op de aansluiting stelt de systeembeheerder transportcapaciteit ter beschikking in de vorm van:

  • a. éénfase-wisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 230 volt tussen fase en nul of tussen twee fasen;
  • b. driefasen-wisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 400 volt tussen de fasen en van 230 volt tussen fasen en nul;
  • c. driefasen-wisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 230 volt tussen de fasen;
  • d. éénfase-wisselstroom van hoge spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz, waarbij de nominale spanning is bepaald op basis van artikel 2.18 en wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst;
  • e. driefasen-wisselstroom van hoge spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz, waarbij de nominale spanning is bepaald op basis van artikel 2.18 en wordt vastgelegd in het de aansluit- en transportovereenkomst.
Artikel 7.2
1.

Transport vindt plaats:

  • a. op grond van een tussen de systeembeheerder en de aangeslotene te sluiten aansluit- en transportovereenkomst of op grond van tussen de systeembeheerder en een groep van twee of meer aangeslotenen af te sluiten individuele aansluitovereenkomsten in combinatie met een groepstransportovereenkomst;
  • b. indien de aangeslotene, of de van een groep van aangeslotenen deel uitmakende aangeslotenen elk individueel, op grond van de in onderdeel a bedoelde overeenkomst(en) recht heeft op een aansluiting; en
  • c. indien voor elke in onderdeel b bedoelde aansluiting bij de systeembeheerder bekend is welke partijen ten behoeve van de desbetreffende aansluiting, of, indien het een aansluiting betreft waaraan additionele allocatiepunten zijn toegekend, voor alle allocatiepunten van de desbetreffende aansluiting, optreden als leverancier, balanceringsverantwoordelijke en, indien het een grote aansluiting betreft, meetverantwoordelijke partij.
2.

De aangeslotene heeft transportrecht van elektriciteit door heel Nederland.

3.

Een systeembeheerder kan één of meer van de volgende transportrechten aan een aansluiting of groep van aansluitingen die deel uitmaken van een groepstransportovereenkomst toekennen:

  • a. een volledig vast transportrecht;
  • b. een volledig variabel transportrecht;
  • c. een tijdsduurgebonden transportrecht; of
  • d. een tijdsblokgebonden transportrecht.
4.

Op een groepstransportovereenkomst zijn de artikelen 7.25, eerste lid, en 7.26, eerste lid, niet van toepassing.

5.

Op het deel van het transportrecht dat overeenkomstig de artikelen 7.5, 7.6 en 7.7 niet vast is, is artikel 7.15 niet van toepassing.

Artikel 7.3
1.

De systeembeheerder kan het transportrecht, bedoeld in artikel 7.2, derde lid, onderdelen b, c of d, opschorten wanneer vast komt te staan dat de aangeslotene twee keer of meer de voorwaarden van de artikelen 7.5, 7.6 of 7.7 heeft geschonden en de systeembeheerder de aangeslotene hierover schriftelijk heeft geïnformeerd.

2.

Bij de beslissing om het transportrecht op te schorten, houdt de systeembeheerder rekening met de mate en frequentie van de schending van de voorwaarden van de artikelen 7.5, 7.6 of 7.7.

3.

De systeembeheerder beëindigt de opschorting wanneer de aangeslotene aan de systeembeheerder aantoont maatregelen te hebben getroffen die voorkomen dat de aangeslotene nogmaals de voorwaarden van de artikelen 7.5, 7.6 of 7.7 schendt.

4.

Indien de aangeslotene na beëindiging van de opschorting ondanks de getroffen maatregelen nogmaals de voorwaarden van de artikelen 7.5, 7.6 of 7.7 schendt, kan de systeembeheerder het transportrecht waarvan de voorwaarden geschonden zijn, laten vervallen.

5.

Bij de beslissing om het transportrecht te laten vervallen houdt de systeembeheerder rekening met de mate en frequentie van de schending van de voorwaarden van de artikelen 7.5, 7.6 of 7.7.

Artikel 7.4
1.

Een volledig vast transportrecht geeft de aangeslotene een recht op:

  • a. transport tot een hoeveelheid ter grootte van de doorlaatwaarde indien het een kleine aansluiting of een aansluiting als bedoeld in artikel 1.3 van de Energiewet betreft; of
  • b. het op de aansluiting gecontracteerde transportvermogen voor afname of voor invoeding indien het een grote aansluiting niet zijnde een aansluiting als bedoeld in artikel 1.3 van de Energiewet betreft.
2.

Een volledig vast transportrecht wordt aangeboden aan aangeslotenen op het transmissiesysteem en aangeslotenen op een distributiesysteem.

3.

Op een volledig vast transportrecht zijn artikelen 3.9 tot en met 3.13 en 3.15 van de Tarievencode elektriciteit 2026 van toepassing.

Artikel 7.5
1.

Een volledig variabel transportrecht geeft de aangeslotene transportrecht ter grootte van het transportvermogen dat de systeembeheerder uiterlijk om 07:00 uur op de dag voorafgaande aan de dag waarop het beoogde transport zal plaatsvinden ten behoeve van de aangeslotene vrijgeeft.

2.

De voorwaarden voor het volledig variabel transportrecht worden in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd en bevatten tenminste de voorwaarden, bedoeld in bijlage 1, eerste lid.

3.

Het volledig variabele transportrecht wordt aangeboden aan een aangeslotene met een grote aansluiting in een congestiegebied als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, waarbij geldt dat de tariefstructuren als bedoeld in deartikelen 3.14, eerste lid, en 3.15 van de Tarievencode elektriciteit 2026 van toepassing zijn.

4.

De systeembeheerder informeert de aangeslotene voorafgaand aan het overeenkomen van een volledig variabel transportrecht over:

  • a. de wijze waarop de systeembeheerder de beschikbare transportcapaciteit in het desbetreffende gebied over aangeslotenen met een volledig variabel transportrecht verdeelt;
  • b. het beleid dat de systeembeheerder hanteert om te voorkomen dat die aangeslotene gebruik maakt van de transportdienst buiten de tijden waarop of hoeveelheden waarvoor die door de systeembeheerder is vrijgegeven; en
  • c. de risico’s die met een volledig variabel transportrecht van elektriciteit verbonden zijn, waaronder de mogelijkheid van toekomstige aanpassingen in de van toepassing zijnde tariefstructuren en voorwaarden.
Artikel 7.6
1.

Een tijdsduurgebonden transportrecht geeft de aangeslotene transportrecht tot een hoeveelheid ter grootte van het op de aansluiting gecontracteerde transportvermogen voor afname of voor invoeding, gedurende het in de aansluit- en transportovereenkomst genoemde percentage van het aantal klokkwartieren in een kalenderjaar met inachtneming van de paragrafen 7.4 en 7.5, met uitzondering van de artikelen 7.25, eerste lid, en 7.26, eerste en derde lid.

2.

De voorwaarden voor het tijdsduurgebonden transportrecht worden in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd en bevatten tenminste de voorwaarden, bedoeld in bijlage 1, eerste lid.

3.

Het tijdsduurgebonden transportrecht, bedoeld in het eerste lid, is beschikbaar voor een aangeslotene op het transmissiesysteem, waarbij geldt dat:

  • a. het in het eerste lid bedoelde percentage gelijk is aan 85;
  • b. de verwachte bijdrage van het tijdsduurgebonden transportrecht van een individuele aangeslotene aan de belastingduurkromme op basis van de prognoses voor het voor de beschikbare transportcapaciteit meest kritische jaar in de periode tot 15 jaar na 1 april 2025 van het station waarop diens aansluiting is aangesloten, of in geval van vermaasde systemen van de voor de die aangeslotene beschikbare transportcapaciteit meest bepalende locatie in het systeem, wordt begrensd ter linkerzijde door de lijn van 1.314 uur, ter rechterzijde door de lijn van 8.760 uur en in hoogte, in geval de aansluiting:
  • 1°. zich bevindt in een congestiegebied als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, door het verschil tussen de maximale fysieke belastbaarheid van de relevante beperkende systeemelement(en) en de waarde van de belastingduurkromme waarop deze de lijn van 1.314 uur snijdt;
  • 2°. zich niet bevindt in een congestiegebied als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, door het verschil tussen de maximale waarde van de belastingduurkromme en de waarde van de belastingduurkromme waarop deze de lijn van 1.314 uur snijdt;
  • c. op grond van onderdeel b de verwachtte bijdrage van het tijdsduurgebonden transportrecht van de aangeslotene aan de belastingduurkromme, in geval de aansluiting:
  • 1°. zich bevindt in een congestiegebied als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, is begrensd als schematisch weergegeven in het groene gebied in onderstaand diagram met een fictieve belastingsduurkromme;
  • 2°. zich niet bevindt in een congestiegebied als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, is begrensd als schematisch weergegeven in het groene gebied in onderstaand diagram met een fictieve belastingsduurkromme; en
Artikel 7.7

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)