Stabilisatie- en Associatie-Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds
- a. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij handelingen verrichten of hebben verricht die met de douanewetgeving in strijd zijn;
- b. plaatsen waar goederen op zodanige wijze worden opgeslagen dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bedoeld zijn om bij handelingen in strijd met de douanewetgeving te worden gebruikt;
- c. goederen die op zodanige wijze worden of kunnen worden vervoerd dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bestemd zijn om in strijd met de douanewetgeving te worden gebruikt;
- d. vervoermiddelen die op zodanige wijze worden of kunnen worden gebruikt dat redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij bestemd zijn om in strijd met de douanewetgeving te worden gebruikt.
Artikel 4. Ongevraagde bijstand
De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar ongevraagd bijstand overeenkomstig hun wetten, voorschriften en andere rechtsinstrumenten indien zij dit noodzakelijk achten voor de juiste toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder indien zij informatie hebben verkregen over:
- –. handelingen die met deze wetgeving in strijd zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor de andere Overeenkomstsluitende Partij;
- –. nieuwe middelen of methoden die bij dergelijke handelingen worden gebruikt;
- –. goederen die het voorwerp vormen van handelingen in strijd met de douanewetgeving;
- –. natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij handelingen verrichten of hebben verricht die met de douanewetgeving in strijd zijn;
- –. middelen van vervoer waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat zij gebruikt zijn of kunnen worden om handelingen te verrichten die met de douanewetgeving in strijd zijn.
Artikel 5. Afgifte van documenten/Kennisgeving van besluiten
Op aanvraag van de verzoekende autoriteit neemt de aangezochte autoriteit, overeenkomstig haar wetgeving, alle maatregelen die nodig zijn voor:
- –. de afgifte van documenten
- –. de kennisgeving van besluiten die van de verzoekende autoriteit uitgaan en verband houden met de toepassing van dit Protocol aan een geadresseerde die op haar grondgebied verblijft of gevestigd is.
Verzoeken om de afgifte van documenten of om de kennisgeving van besluiten worden schriftelijk aan de aangezochte autoriteit gericht in een officiële taal van die autoriteit of in een voor die autoriteit aanvaardbare taal.
Artikel 6. Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand
Verzoeken in het kader van dit protocol worden schriftelijk gedaan en gaan vergezeld van de bescheiden die voor de behandeling ervan noodzakelijk zijn. In spoedeisende gevallen kunnen verzoeken mondeling worden gedaan, mits zij onmiddellijk schriftelijk worden bevestigd.
De overeenkomstig lid 1 ingediende verzoeken bevatten de volgende gegevens :
- a. de naam van de verzoekende autoriteit;
- b. de gevraagde maatregel;
- c. het voorwerp en de reden van het verzoek;
- d. de desbetreffende wetten, voorschriften en andere rechtselementen;
- e. zo nauwkeurige en volledig mogelijke informatie betreffende de natuurlijke personen of rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking heeft;
- f. een overzicht van de relevante feiten en van het onderzoek dat reeds is uitgevoerd.
De verzoeken worden ingediend in een officiële taal van de aangezochte autoriteit of in een voor deze autoriteit aanvaardbare taal. Deze eis is niet van toepassing op documenten die bij het in lid 1 bedoelde verzoek zijn gevoegd.
Indien een verzoek niet in de juiste vorm wordt gedaan, kan om correctie of aanvulling worden verzocht. Er kunnen echter reeds voorzorgsmaatregelen worden genomen.
Artikel 7. Behandeling van verzoeken
Om aan een verzoek om bijstand te voldoen, handelt de aangezochte autoriteit, binnen de perken van haar bevoegdheden en met de middelen waarover zij beschikt, alsof zij voor eigen rekening of in opdracht van een andere autoriteit van dezelfde Overeenkomstsluitende Partij handelt, door reeds beschikbare informatie te verstrekken en het nodige onderzoek te verrichten of te laten verrichten. Deze bepaling is eveneens van toepassing op enige instantie waaraan de aangezochte autoriteit het verzoek doorzendt indien deze autoriteit niet zelfstandig kan handelen.
Verzoeken om bijstand worden behandeld overeenkomstig de wetten, regels, bepalingen en andere rechtsinstrumenten van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij.
Daartoe gemachtigde ambtenaren van een Overeenkomstsluitende Partij kunnen met instemming van de andere Overeenkomstsluitende Partij en op de door deze gestelde voorwaarden, in de kantoren van de aangezochte autoriteit of van een andere betrokken instantie als bedoeld in lid 1, gegevens verzamelen over handelingen die met de douanewetgeving in strijd zijn of kunnen zijn en die de verzoekende autoriteit voor de toepassing van dit Protocol nodig heeft.
Ambtenaren van een Overeenkomstsluitende Partij kunnen, met instemming van de andere Overeenkomstsluitende Partij en op de door deze gestelde voorwaarden, aanwezig zijn bij onderzoek dat op het grondgebied van laatstgenoemde wordt verricht.
Artikel 8. Vorm waarin de informatie dient te worden verstrekt
De aangezochte autoriteit deelt de uitslag van het ingestelde onderzoek aan de verzoekende autoriteit mede in de vorm van documenten, voor echt gewaarmerkte afschriften van documenten, rapporten en dergelijke.
Deze informatie kan met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking worden verstrekt.
De originelen van dossiers en documenten worden enkel op verzoek toegezonden wanneer gewaarmerkte afschriften ontoereikend zijn. Deze originelen worden ten spoedigste geretourneerd.
Artikel 9. Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend
Bijstand kan worden geweigerd of van voorwaarden of eisen afhankelijk worden gesteld wanneer een partij van oordeel is dat bijstand op grond van dit protocol:
- a. de soevereiniteit van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië of van een lidstaat waaraan op grond van dit Protocol om bijstand is gevraagd, zou kunnen aantasten;
- b. de openbare orde, de veiligheid of andere wezenlijke belangen in gevaar zou kunnen brengen, in het bijzonder in de in artikel 10, lid 2, bedoelde gevallen;
- c. de schending inhoudt van een industrieel geheim, een handelsgeheim of een beroepsgeheim.
De aangezochte autoriteit kan de bijstand uitstellen indien deze een lopend onderzoek, een lopende strafvervolging of procedure zou verstoren. In dat geval pleegt de aangezochte autoriteit overleg met de verzoekende autoriteit om na te gaan of de bijstand kan worden verleend op door de aangezochte autoriteit te stellen voorwaarden.
Wanneer de verzoekende autoriteit om een vorm van bijstand verzoekt die zij desgevraagd zelf niet zou kunnen verlenen, vermeldt zij dit in haar verzoek. De aangezochte autoriteit is vrij te bepalen hoe zij op een dergelijk verzoek reageert.
Indien bijstand wordt geweigerd, dient dit besluit en de redenen ervan terstond aan de verzoekende autoriteit te worden medegedeeld.
Artikel 10. Uitwisseling van informatie en geheimhouding
Alle informatie die ter uitvoering van dit protocol in welke vorm dan ook wordt verstrekt, heeft een vertrouwelijk karakter. Zij valt onder de geheimhoudingsplicht en geniet de bescherming van de wetgeving ter zake van de Overeenkomstsluitende Partij die ze heeft ontvangen en van de desbetreffende bepalingen die op de instellingen van de Gemeenschap van toepassing zijn.
Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de Overeenkomstsluitende Partij die deze ontvangt zich ertoe verbindt deze op een wijze te beschermen die ten minste gelijkwaardig is aan de wijze waarop de overeenkomstsluitende partij die deze gegevens verstrekt deze beschermt. Te dien einde stellen de overeenkomstsluitende partijen elkaar in kennis van hun terzake geldende voorschriften, met inbegrip van, in voorkomend geval, de rechtsvoorschriften van de lidstaten van de Gemeenschap.
Het gebruik van op grond van dit Protocol verkregen informatie in gerechtelijke en administratieve procedures in verband met overtredingen van de douanewetgeving wordt geacht voor de doeleinden van dit Protocol te geschieden. De overeenkomstsluitende partijen kunnen derhalve in hun bewijsvoeringen, verslagen en getuigenissen en bij procedures die bij rechtbanken aanhangig worden gemaakt, gebruik maken van krachtens dit Protocol verkregen informatie en geraadpleegde documenten. De bevoegde autoriteit die de informatie heeft verstrekt of toegang heeft verschaft tot deze documenten wordt van dit gebruik in kennis gesteld.
De verkregen informatie wordt uitsluitend voor de toepassing van dit Protocol gebruikt. Indien een van de overeenkomstsluitende partijen dergelijke informatie voor andere doeleinden wenst te gebruiken, dient zij vooraf om de schriftelijke toestemming te verzoeken van de autoriteit die de informatie heeft verstrekt. Dergelijke informatie mag uitsluitend op de door deze autoriteit vastgestelde voorwaarden worden gebruikt.
Artikel 11. Deskundigen en getuigen
Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd, binnen de perken van de hem verleende machtiging, als getuige of deskundige op te treden in gerechtelijke of administratieve procedures die betrekking hebben op aangelegenheden waarop dit protocol van toepassing is en daarbij de voor deze procedures noodzakelijke voorwerpen, bescheiden of voor echt gewaarmerkte afschriften voor te leggen. In de convocatie dient uitdrukkelijk te worden vermeld over welke aangelegenheid en in welke functie of hoedanigheid de betrokken ambtenaar zal worden ondervraagd.
Artikel 12. Kosten van de bijstand
De Overeenkomstsluitende Partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die ter uitvoering van dit protocol zijn gemaakt, met uitzondering, in voorkomend geval, van de uitgaven voor deskundigen, getuigen, tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.
Artikel 13. Tenuitvoerlegging
De douaneautoriteiten van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, enerzijds, en de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en, in voorkomend geval, de douaneautoriteiten van de lidstaten, anderzijds, zien toe op de tenuitvoerlegging van dit Protocol. Zij stellen alle praktische maatregelen en regelingen voor de toepassing van dit protocol vast, rekening houdend met de voorschriften op het gebied van de gegevensbescherming. Zij kunnen de bevoegde autoriteiten aanbevelingen doen over wijzigingen die naar hun oordeel in dit Protocol moeten worden aangebracht.
De Overeenkomstsluitende Partijen raadplegen elkaar en stellen elkaar in kennis van alle uitvoeringsbepalingen die op grond van dit Protocol worden vastgesteld.
Artikel 14. Andere overeenkomsten
Rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de Europese Gemeenschap en van haar lidstaten, geldt voor de bepalingen van dit protocol dat zij:
- –. geen gevolgen hebben voor de verplichtingen van de Overeenkomstsluitende Partijen op grond van andere internationale overeenkomsten of verdragen;
- –. worden geacht een aanvulling te vormen op overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die zijn of kunnen worden gesloten tussen afzonderlijke lidstaten en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;
- –. geen gevolgen hebben voor de communautaire bepalingen betreffende de uitwisseling, tussen de bevoegde diensten van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de douaneautoriteiten van de lidstaten, van gegevens die op grond van dit protocol zijn verkregen en die van belang kunnen zijn voor de Gemeenschap.
Onverminderd lid 1 hebben de bepalingen van dit protocol voorrang op de bepalingen van bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand die zijn of kunnen worden gesloten tussen afzonderlijke lidstaten en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië voorzover de bepalingen van laatstgenoemde overeenkomsten met die van dit protocol strijdig zijn.
Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de Overeenkomstsluitende Partijen overleg met elkaar om deze op te lossen in het kader van het bij artikel 114 van de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst ingestelde Stabilisatie- en Associatiecomité.
De Europese Gemeenschap, hierna „de Gemeenschap” genoemd,
enerzijds,
en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,
anderzijds,
beide hierna „de overeenkomstsluitende partijen” genoemd,
Overwegende hetgeen volgt:
De stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds, is op 9 april 2001 te Luxemburg ondertekend bij briefwisseling en is op 1 april 2004 in werking getreden.
De Europese Raad bevestigde in december 2002 in Kopenhagen het Europese perspectief van de landen van de westelijke Balkan als potentiële kandidaten, en benadrukte vastbesloten te zijn om de inspanningen van die landen voor een nauwere aansluiting bij de Europese Unie te steunen.
De Europese Raad erkende in juni 2003 in Thessaloniki dat het stabilisatie- en associatieproces het kader blijft voor de Europese koers van de landen van de westelijke Balkan tot hun toetreding, en hechtte zijn goedkeuring aan „De agenda van Thessaloniki voor de westelijke Balkan – Op weg naar Europese integratie”, die gericht is op verdere versterking van de bijzondere betrekkingen tussen de EU en de westelijke Balkan op basis van de ervaringen die met de uitbreiding zijn opgedaan.
In het kader van de Agenda van Thessaloniki werden de landen van de westelijke Balkan uitgenodigd deel te nemen aan communautaire programma’s en agentschappen, overeenkomstig de beginselen die gelden voor de deelname van de kandidaat-lidstaten, teneinde de betrokken landen en hun bevolking te laten kennismaken met het beleid en de werkmethoden van de EU en hen daarmee steviger te verankeren in de EU en hen aan te moedigen bij hun inspanningen gericht op Europese integratie.
De Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië heeft de wens geuit aan een aantal communautaire programma’s deel te nemen.
De specifieke voorwaarden voor de deelname van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië aan elk afzonderlijk programma, waaronder de financiële bijdrage, dienen te worden vastgesteld bij een overeenkomst tussen de Commissie van de Europese Gemeenschappen, die optreedt namens de Gemeenschap, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië,
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1
De Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië mag deelnemen aan de volgende communautaire programma’s:
-
- De in de bijlage genoemde lopende communautaire programma’s, die voor de deelname van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië worden opengesteld zodra deze overeenkomst (hierna „de overeenkomst” genoemd) in werking treedt.
-
- Communautaire programma’s die na de inwerkingtreding van de overeenkomst worden ingesteld of verlengd en die een openstellingsclausule bevatten die in de deelname van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië voorziet.
Artikel 2
De Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië verstrekt een financiële bijdrage aan de algemene begroting van de Europese Unie in overeenstemming met de specifieke programma’s waaraan zij deelneemt.
Artikel 3
Vertegenwoordigers van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië mogen als waarnemers de vergaderingen bijwonen van de comités van beheer die belast zijn met het toezicht op de programma’s waaraan de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië een financiële bijdrage levert, deze betrekking hebben op onderwerpen die de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië aangaan.
Artikel 4
Ten aanzien van projecten en initiatieven die door deelnemers uit de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië worden ingediend, gelden in het kader van de betrokken programma’s mogelijk dezelfde voorwaarden, regels en procedures als voor de lidstaten.
Artikel 5
De specifieke voorwaarden voor de deelname van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië aan elk afzonderlijk programma, in het bijzonder de verschuldigde financiële bijdrage, worden vastgesteld bij een overeenkomst in de vorm van een memorandum van overeenstemming tussen de Commissie, die optreedt namens de Gemeenschap, en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.
Indien de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië verzoekt om externe bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2666/2000 van de Raad van 5 december 2000 betreffende de steun aan Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2415/2001 van de Raad van 10 december 2001, of uit hoofde van een eventuele toekomstige soortgelijke verordening waarin in externe bijstand van de Gemeenschap voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië wordt voorzien, worden de voorwaarden voor het gebruik door de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië van de bijstand van de Gemeenschap vastgesteld in een financieringsovereenkomst.
Artikel 6
Overeenkomstig het financieel reglement van de Gemeenschap wordt in het memorandum van overeenstemming bepaald dat door of op gezag van de Europese Commissie, OLAF en de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen financiële controles of audits worden verricht.
Er worden gedetailleerde bepalingen vastgesteld inzake financiële controle en audits, administratieve maatregelen, sancties en invordering, waarbij aan de Europese Commissie, OLAF en de Rekenkamer bevoegdheden worden toegekend die gelijkwaardig zijn met hun bevoegdheden ten aanzien van begunstigden of contractanten die in de Gemeenschap zijn gevestigd.
Artikel 7
De overeenkomst is voor onbepaalde tijd van toepassing.
Iedere overeenkomstsluitende partij kan deze overeenkomst door schriftelijke kennisgeving aan de andere overeenkomstsluitende partij opzeggen. De overeenkomst verstrijkt zes maanden na de datum van die kennisgeving.
Artikel 8
Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst, en vervolgens iedere drie jaar, kunnen beide overeenkomstsluitende partijen de tenuitvoerlegging van de overeenkomst evalueren aan de hand van de werkelijke deelname van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië aan een of meer communautaire programma’s.
Artikel 9
Deze overeenkomst is van toepassing op enerzijds de grondgebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, op de in dat verdrag neergelegde voorwaarden, en anderzijds het grondgebied van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.
Artikel 10
Deze overeenkomst treedt in werking op de dag van ontvangst langs diplomatieke weg van de laatste schriftelijke kennisgeving waarbij de overeenkomstsluitende partijen elkaar in kennis stellen van de voltooiing van de voor de inwerkingtreding benodigde interne procedures.
Artikel 11
Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud in elk van de officiële talen van de overeenkomstsluitende partijen, met uitzondering van de Maltese taal.
Zodra de instellingen van de Europese Unie verplicht zijn alle officiële besluiten in de Maltese taal in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken, wordt de overeenkomst eveneens opgesteld in tweevoud in de Maltese taal.
Alle taalversies zijn gelijkelijk authentiek.
Artikel 12
Deze overeenkomst en de bijbehorende bijlage vormen een integrerend onderdeel van de stabilisatie- en associatieovereenkomst.
GEDAAN te Brussel, 22 november 2004.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)