Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa

Type Verdrag
Publication 1993-07-06
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Republiek Armenië, de Republiek Azerbeidzjan, de Republiek Belarus, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, Canada, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Republiek Georgië, de Helleense Republiek, de Republiek Hongarije, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Kazachstan, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Moldavië, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, Oekraïne, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Russische Federatie, de Slowaakse Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Tsjechische Republiek, de Republiek Turkije, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika, hierna te noemen de Partijen,

Geleid door het Mandaat voor onderhandelingen over conventionele strijdkrachten in Europa van 10 januari 1989,

Geleid door de doelstellingen van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa, in het kader waarvan de onderhandelingen over dit Verdrag vanaf 9 maart 1989 in Wenen werden gevoerd,

Herinnerend aan hun verplichting zich in hun onderlinge betrekkingen, alsook in hun internationale betrekkingen in het algemeen, te onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een Staat, of enige andere vorm van dreiging met of gebruik van geweld die onverenigbaar is met de doelstellingen en beginselen van het Handvest der Verenigde Naties,

Zich bewust van de noodzaak militaire conflicten in Europa te voorkomen,

Zich bewust van de door hen alle gedeelde verantwoordelijkheid om te streven naar de verwezenlijking van grotere stabiliteit en veiligheid in Europa,

Ernaar strevend de militaire confrontatie te vervangen door een nieuw patroon van veiligheidsbetrekkingen tussen alle Partijen, gebaseerd op vreedzame samenwerking, en aldus bij te dragen aan het overwinnen van de verdeeldheid van Europa,

Strevend naar verwezenlijking van de doelstellingen een veilig en stabiel evenwicht van conventionele strijdkrachten in Europa te bereiken op een lager niveau dan tot dusverre, de ongelijkheden weg te nemen die schadelijk zijn voor de stabiliteit en veiligheid, en, als zaak van hoge prioriteit, het vermogen om een verrassingsaanval te ondernemen en tot een grootscheepse offensieve actie over te gaan in Europa, uit te sluiten,

Eraan herinnerend dat zij het Verdrag van Brussel van 1948, het Verdrag van Washington van 1949 of het Verdrag van Warschau van 1955[Red: Het Verdrag van Warschau van 1955 is niet langer van kracht. Een aantal Partijen van de eerste groep omschreven in punt 4 van deze Bijlage hebben dat verdrag niet ondertekend of zijn niet ertoe toegetreden.] hebben ondertekend, dan wel daartoe zijn toegetreden, en dat zij het recht hebben al dan niet partij te zijn bij verdragen van bondgenootschap,

Zich ertoe verbindend te verzekeren dat de aantallen bij het Verdrag beperkte wapensystemen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag niet meer omvatten dan 40.000 gevechtstanks, 60.000 pantserger vechtsvoertuigen, 40.000 stukken artillerie, 13.600 gevechtsvliegtuigen en 4.000 aanvalshelikopters,

Bevestigend dat met dit Verdrag niet wordt beoogd de veiligheidsbelangen van een Staat te schaden,

Bevestigend hun inzet tot voortzetting van het proces van conventionele-wapenbeheersing, met inbegrip van onderhandelingen, waarbij de toekomstige vereisten voor de stabiliteit en veiligheid in Europa in het licht van de politieke ontwikkelingen in Europa in acht worden genomen,

Zijn overeengekomen als volgt:

Opgeschort per 7 december 2023 (Trb. 2023/141).

Artikel I

1.

Elke Partij vervult de verplichtingen die zijn vervat in dit Verdrag, zulks overeenkomstig de bepalingen daarvan, met inbegrip van de verplichtingen betreffende de volgende vijf categorieën conventionele strijdkrachten: gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en gevechtshelikopters.

2.

Elke Partij voert ook de andere in dit Verdrag vervatte maatregelen uit die gericht zijn op het verzekeren van veiligheid en stabiliteit, zowel tijdens het tijdvak van vermindering van conventionele strijdkrachten als na de voltooiing van de verminderingen.

3.

Dit Verdrag omvat mede het Protocol inzake bestaande typen conventionele wapensystemen, hierna te noemen het Protocol inzake bestaande typen, met een Bijlage daarbij; het Protocol inzake procedures betreffende de reclassificering van bepaalde modellen of versies van lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit als onbewapende lesvliegtuigen, hierna te noemen het Protocol inzake de reclassificering van vliegtuigen; het Protocol inzake procedures betreffende de vermindering van conventionele wapensystemen beperkt bij het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa, hierna te noemen het Protocol inzake vermindering; het Protocol inzake procedures betreffende de categorisering van gevechtshelikopters en de recategorisering van algemeen inzetbare aanvalshelikopters, hierna te noemen het Protocol inzake de recategorisering van helikopters; het Protocol inzake bekendmaking en uitwisseling van informatie, hierna te noemen het Protocol inzake informatie-uitwisseling, met een Bijlage inzake vormvoorschriften voor de uitwisseling van informatie, hierna te noemen de Bijlage inzake vormvoorschriften; het Protocol inzake inspectie; het Protocol inzake het Gemengd Overlegorgaan; en het Protocol inzake de voorlopige toepassing van enkele bepalingen van het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa, hierna te noemen het Protocol inzake voorlopige toepassing. Elk van deze documenten maakt een integrerend deel uit van dit Verdrag.

Artikel II

1.

Voor de toepassing van dit Verdrag:

  • A. wordt onder „groep van Partijen” verstaan de groep van Partijen die het Verdrag van Warschau van 1955 hebben ondertekend, bestaande uit de Republiek Armenië, de Republiek Azerbeidzjan, de Republiek Belarus, de Republiek Bulgarije, de Republiek Georgië, de Republiek Hongarije, de Republiek Kazachstan, de Republiek Moldavië, Oekraïne, de Republiek Polen, Roemenië, de Russische Federatie, de Slowaakse Republiek en de Tsjechische Republiek en het Koninkrijk België, Canada, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Helleense Republiek, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Noorwegen, de Portugese Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Turkije, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika.
  • B. wordt onder „toepassingsgebied” verstaan het gehele landgebied van de Partijen in Europa van de Atlantische Oceaan tot het Oeralgebergte, dat mede alle Europese eilandgebieden van de Partijen omvat, met inbegrip van de Faeröer van het Koninkrijk Denemarken, Spitsbergen met inbegrip van Bereneiland van het Koninkrijk Noorwegen, de Azoren en Madeira van de Portugese Republiek, de Canarische Eilanden van het Koninkrijk Spanje en Franz-Josefland en Nova Zembla van de Russische Federatie. Wat de Russische Federatie en de Republiek Kazachstan betreft, omvat het toepassingsgebied al het grondgebied ten westen van de rivier de Oeral en de Kaspische Zee;
  • C. wordt onder „gevechtstank” verstaan een zichzelf voortbewegend pantsergevechtsvoertuig,. met grote vuurkracht, hoofdzakelijk door middel vaneen hoofdvuurwapen voor vlakbaanvuur met een hoge aanvangssnelheid noodzakelijk om gepantserde en andere doelen te bestrijden, met een grote terreinvaardigheid en -mobiliteit, en een hoog niveau van zelfbescherming, dat niet in de eerste plaats is ontworpen en uitgerust voor het vervoer van gevechtstroepen. Zulke pantservoertuigen dienen als het voornaamste wapensysteem voor tank- en andere pantserformaties van de landstrijdkrachten. Gevechtstanks zijn pantserrupsgevechtsvoertuigen met een onbeladen gewicht van ten minste 16,5 metrieke ton, die zijn.bewapend met een 360 graden, draaibaar kanon met een kaliber van ten minste 75 mm. Daarnaast worden alle pantserwielgevechtsvoertuigen die in dienst worden genomen en die aan alle andere bovenvermelde criteria voldoen, eveneens als gevechtstanks beschouwd.
  • D. wordt onder „pantsergevechtsvoertuig” verstaan een zichzelf voortbewegend voertuig met pantserbescherming en terreinvaardigheid. Pantsergevechtsvoertuigen omvatten gepantserde personeelsvoertuigen, pantserinfanteriegevechtsvoertuigen en zwaar bewapende gevechtsvoertuigen. Onder „gepantserd personeelsvoertuig” wordt verstaan een pantsergevechtsvoertuig dat is ontworpen en uitgerust voor het vervoer van een infanteriegevechtsgroep en dat over het algemeen is bewapend met een geïntegreerd of organiek wapen met een kaliber van minder dan 20 mm. Onder „pantserinfanteriegevechtsvoertuig” wordt verstaan een pantsergevechtsvoertuig dat in de eerste plaats is ontworpen en uitgerust voor het vervoer van een infanteriegevechtsgroep, dat gewoonlijk de troepen in staat stelt te vuren vanuit het inwendige van het voertuig onder pantserbescherming en dat is bewapend met een geïntegreerd of organiek kanon met een kaliber van ten minste 20 mm en soms met een antitank-raketlanceerinrichting. Pantserinfanteriegevechtsvoertuigen fungeren als het voornaamste wapensysteem van gepantserde, gemechaniseerde of gemotoriseerde infanterieformaties en -eenheden van de landstrijdkrachten. Onder „zwaarbewapend gevechtsvoertuig” wordt verstaan een pantsergevechtsvoertuig met een geïntegreerd of organiek vuurwapen met een kaliber van ten minste 75 mm voor vlakbaanvuur, met een onbeladen gewicht van ten minste 6,0 metrieke ton, dat niet valt onder de begripsomschrijvingen van een gepantserd personeelsvoertuig, een pantserinfanteriegevechtsvoertuig of een gevechtstank.
  • E. wordt onder „onbeladen gewicht” verstaan het gewicht van het voertuig zonder het gewicht van munitie, brandstof, olie en smeermiddelen, afneembaar reactief pantser, reservedelen, gereedschappen en toebehoren, verwijderbare snorkeluitrusting, en bemanning en de persoonlijke uitrusting daarvan.,
  • F. wordt onder „artillerie” verstaan systemen met een groot kaliber die gronddoelen kunnen bestrijden door middel van in hoofdzaak krombaanvuur. Deze artilleriesystemen bieden essentiële ondersteuning in de vorm van krombaanvuur aan eenheden van verbonden wapens. Grootkaliber-artilleriesystemen zijn kanonnen, houwitsers, stukken artillerie die de kenmerken van kanonnen en houwitsers in zich verenigen, mortieren en meervoudige raketwerpers met een kaliber van 100 mm of meer. Daarnaast tellen alle toekomstige grootkalibersystemen voor vlakbaanvuur die een secundair effectief vermogen tot krombaanvuur hebben, mee voor de plafonds voor artillerie.
  • G. wordt onder „gestationeerde conventionele strijdkrachten” verstaan de conventionele strijdkrachten van een Partij die zijn gestationeerd binnen het toepassingsgebied op het grondgebied van een andere Partij.
  • H. wordt onder „aangewezen permanente opslagplaats” verstaan een plaats binnen een duidelijk omschreven begrenzing waar zich bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen bevinden die worden meegeteld voor de totale plafonds, maar die niet zijn onderworpen aan beperkingen op bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen in actieve eenheden.
  • I. wordt onder „brugleggende tank” verstaan een zichzelf voortbewegend brugleggend pantservoertuig dat een brug kan vervoeren en met behulp van ingebouwde mechanismen een brug kan plaatsen en wegnemen. Een dergelijk voertuig met een brugconstructie functioneert als een geïntegreerd systeem.
  • J. wordt onder „bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen” verstaan gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters onderworpen aan de getalsmatige beperkingen vervat in de artikelen IV, V en VI.
  • K. wordt onder „gevechtsvliegtuig” verstaan een vliegtuig met vaste of verstelbare vleugels, bewapend en uitgerust voor het aanvallen van doelen door gebruikmaking van geleide projectielen, ongeleide raketten, bommen, machinegeweren, kanonnen of andere vernietigingswapens, alsmede modellen of versies van zulke vliegtuigen die andere militaire taken verrichten zoals verkenning of elektronische oorlogvoering. De term „gevechtsvliegtuig” omvat geen lesvliegtuigen ontworpen en gebouwd voor de initiële vliegopleiding.
  • L. wordt onder „gevechtshelikopter” verstaan een hefschroefvliegtuig bewapend en uitgerust voor het aanvallen van doelen of uitgerust voor het verrichten van andere militaire taken. De term „gevechtshelikopter” omvat aanvalshelikopters en gevechtsondersteunende helikopters. De term „gevechtshelikopter” omvat geen onbewapende transporthelikopters.
  • M. wordt onder „aanvalshelikopter” verstaan een gevechtshelikopter uitgerust om geleide anti-pantser-, lucht-grond- of lucht-luchtwapens te hanteren en uitgerust met een geïntegreerd vuurleidings- en richtsysteem voor deze wapens. De term „aanvalshelikopter” omvat gespecialiseerde aanvalshelikopters en algemeen inzetbare aanvalshelikopters.
  • N. wordt onder „gespecialiseerde aanvalshelikopter” verstaan een aanvalshelikopter die in de eerste plaats is ontworpen voor het hanteren van geleide wapens. ,
  • O. wordt onder, „algemeen inzetbare aanvalshelikopter” verstaan een aanvalshelikopter ontworpen voor het verrichten van uiteenlopende militaire taken en uitgerust voor het gebruiken van geleide wapens.
  • P. wordt onder „gevechtsondersteunende helikopter” verstaan een gevechtshelikopter die niet voldoet aan de eisen om als aanvalshelikopter te kunnen worden aangemerkt en die kan zijn uitgerust met diverse zelfverdedigings- en zonewapens zoals machinegeweren, kanonnen en ongeleide raketten, bommen of clusterbommen, of die kan zijn uitgerust voor het verrichten van andere militaire taken.
  • Q. wordt onder „conventionele wapensystemen waarop dit Verdrag van toepassing is” verstaan gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen, lesvliegtuigen ontworpen en gebouwd voor de initiële vliegopleiding, onbewapende lesvliegtuigen, gevechtshelikopters, onbewapende transporthelikopters, brugleggende tanks, op een gepantserd personeelsvoertuig lijkende voertuigen en op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen die zijn onderworpen aan de uitwisseling van informatie in overeenstemming met het Protocol inzake informatie-uitwisseling.
  • R. wordt onder „in dienst”, wanneer dit wordt gebruikt bij conventionele strijdkrachten en conventionele wapensystemen, verstaan gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen, lesvliegtuigen ontworpen en gebouwd voorde initiële vliegopleiding, onbewapende lesvliegtuigen, gevechtshelikopters, onbewapende transporthelikopters, brugleggende tanks, op een gepantserd personeelsvoertuig lijkende voertuigen en op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen die zich binnen het toepassingsgebied bevinden, met uitzondering van die welke in het bezit zijn van organisaties die qua opzet en structuur zijn bedoeld om binnenlandse veiligheidstaken in vredestijd te verrichten of die behoren tot de in artikel III genoemde uitzonderingsgevallen.
  • S. wordt onder „op een gepantserd personeelsvoertuig lijkend voertuig” en „op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkend voertuig” verstaan een pantservoertuig gebouwd op hetzelfde chassis als, en een uiterlijke gelijkenis vertonend met, onderscheidenlijk een gepantserd personeelsvoertuig en een pantserinfanteriegevechtsvoertuig dat geen vuurwapen met een kaliber van 20 mm of meer heeft en dat op zodanige wijze is gebouwd of gewijzigd dat het vervoer van een infanteriegevechtsgroep niet mogelijk is. Gelet op de bepalingen van het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, van 12 augustus 1949, waarbij een bijzondere status wordt toegekend aan ambulances, worden gepantserde gewondentransportvoertuigen niet beschouwd als op een pantsergevechtsvoertuig of een gepantserd personeelsvoertuig lijkende voertuigen.
  • T. wordt onder „verminderingsplaats” verstaan een duidelijk aangewezen plaats waar de vermindering van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen plaatsvindt in overeenstemming met artikel VIII.
  • U. wordt onder „verminderingsverplichting” verstaan het aantal in elke categorie bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen tot de vermindering waarvan een Partij zich verplicht gedurende het tijdvak van 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag ten einde naleving van artikel VII te verzekeren.
2.

De bestaande typen conventionele wapensystemen waarop dit Verdrag van toepassing is, worden opgesomd in het Protocol inzake bestaande typen. De lijsten van bestaande typen worden periodiek bijgewerkt in overeenstemming met artikel XVI, tweede lid, letter d, en Titel IV van het Protocol inzake bestaande typen. Deze bijgewerkte lijsten van bestaande typen worden niet beschouwd als wijzigingen op dit Verdrag.

3.

De in het Protocol inzake bestaande typen opgesomde bestaande typen gevechtshelikopters worden gecategoriseerd in overeenstemming met Titel I van het Protocol inzake de recategorisering van helikopters.

Artikel III

1.

Voor de toepassing van dit Verdrag passen de Partijen de volgende telregels toe:

Alle gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters zoals omschreven in artikel II die zich binnen het toepassingsgebied bevinden, zijn onderworpen aan de getalsmatige beperkingen en andere bepalingen vervat in de artikelen IV, V en VI, met uitzondering van die welke in overeenstemming met de normale gebruiken van een Partij:

  • A. in produktie zijn, dan wel met de produktie samenhangende beproeving ondergaan;
  • B. uitsluitend worden gebruikt voor onderzoeks- en ontwikkelingsdoeleinden;
  • C. behoren tot historische verzamelingen;
  • D. in afwachting zijn van een andere bestemming, na uit dienst te zijn gesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel IX;
  • E. in afwachting zijn van of worden opgeknapt voor uitvoer of wederuitvoer en tijdelijk binnen het toepassingsgebied worden gehouden. Zulke gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters worden op andere plaatsen ondergebracht dan op uit hoofde van Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling opgegeven plaatsen, of op niet meer dan 10 van dergelijke opgegeven plaatsen die zijn bekendgemaakt in.de jaarlijkse informatie-uitwisseling van het voorgaande jaar. In het laatste gevalmoeten zij als zodanig te onderscheiden zijn van bij hét Verdrag beperkte conventionele wapensystemen;
  • F. in het geval van gepantserde personeelsvoertuigen, pantserinfanteriegevechtsvoertuigen, zwaarbewapende gevechtsvoertuigen of algemeen inzetbare aanvalshelikopters in het bezit van organisaties die qua opzet en structuur zijn bedoeld om binnenlandse veiligheidstaken in vredestijd te verrichten; of
  • G. door het toepassingsgebied worden overgebracht van een plaats buiten het toepassingsgebied naar een eindbestemming buiten het toepassingsgebied en in totaal niet langer dan zeven dagen in het toepassingsgebied zijn.
2.

Indien een Partij, wat zulke gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen of aanvalshelikopters betreft, die moeten worden bekendgemaakt ingevolge Titel IV van het Protocol inzake informatie-uitwisseling, in meer dan twee achtereenvolgende jaarlijkse informatie-uitwisselingen een ongewoon hoog aantal bekendmaakt, geeft zij op verzoek de redenen daarvoor in het Gemengd Overlegorgaan.

Artikel IV

1.

Binnen het toepassingsgebied zoals omschreven in artikel II, beperkt en, voor zover nodig, vermindert elke Partij haar aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, stukken artillerie, gevechtsvliegtuigen, en aanvalshelikopters zodat 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en daarna, voor de groep van Partijen waartoe zij behoort, zoals omschreven in artikel II, de totale aantallen binnen het toepassingsgebied niet groter zijn dan:

  • A. 20.000 gevechtstanks, waarvan niet meer dan 16.500 in actieve eenheden;
  • B. 30.000 pantsergevechtsvoertuigen, waarvan niet meer dan 27.300 in actieve eenheden. Van de 30.000 pantsergevechtsvoertuigen mogen er niet meer dan 18.000 pantserinfanteriegevechtsvoertuigen en zwaarbewapende gevechtsvoertuigen zijn; van de pantserinfanteriegevechtsvoertuigen en zwaarbewapende gevechtsvoertuigen mogen er niet meer dan 1.500 zwaarbewapende gevechtsvoertuigen zijn;
  • C. 20.000 stukken artillerie, waarvan niet meer dan 17.000 in actieve eenheden;
  • D. 6.800 gevechtsvliegtuigen;en
  • E. 2.000 aanvalshelikopters

Gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en artillerie die niet in actieve eenheden zijn, worden geplaatst in aangewezen permanente opslagplaatsen zoals omschreven in artikel II en worden uitsluitend geplaatst in het gebied beschreven in het tweede lid van dit artikel. Deze aangewezen permanente opslagplaatsen kunnen ook gelegen zijn in de Republiek Moldavië, het deel van Oekraïne bestaande uit het voormalige militaire district Odessa op zijn grondgebied en het deel van het grondgebied van de Russische Federatie bestaande uit het zuidelijke deel van het militaire district Leningrad. In het militaire district Odessa mogen niet meer dan 400 gevechtstanks en niet meer dan 500 stukken artillerie worden opgeslagen. In het zuidelijke deel van het militaire district Leningrad mogen niet meer dan 600 gevechtstanks, niet meer dan 800 pantsergevechtsvoertuigen, waaronder niet meer dan 300 pantsergevechtsvoertuigen van welk type dan ook, terwijl het resterende aantal bestaat uit gepantserde personeelsvoertuigen, en niet meer dan 400 stukken artillerie worden opgeslagen. Onder het zuidelijk deel van het militaire district Leningrad wordt verstaan het gebied binnen dat militaire district ten zuiden van de lijn van oost naar west op 60 graden 15 minuten noorderbreedte.

2.

In het gebied gevormd door het gehele landgebied in Europa, dat mede alle Europese eilandgebieden omvat, van de Republiek Belarus, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken met inbegrip van de Faeröer, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Republiek Hongarije, de Italiaanse Republiek, het deel van de Republiek Kazachstan binnen het toepassingsgebied, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het deel van het grondgebied van Oekraïne bestaande uit de voormalige militaire districten Karpaten en Kiev, de Republiek Polen, de Portugese Republiek met inbegrip van de Azoren en Madeira, het deel van de Russische Federatie bestaande uit het deel van het voormalig Baltisch militair district op zijn grondgebied, het militair district Moskou en het deel van het militair district Wolga-Oeral op zijn grondgebied ten westen van de Oeral, de Slowaakse Republiek, het Koninkrijk Spanje met inbegrip van de Canarische Eilanden, de Tsjechische Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, beperkt en, voor zover nodig, vermindert elke Partij haar aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie, zodat, 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en daarna, voor de groep van Partijen waartoe zij behoort de totale aantallen niet groter zijn dan:

  • A. 15.300 gevechtstanks, waarvan niet meer dan 11.800 in actieve eenheden;
  • B. 24.100 pantsergevechtsvoertuigen, waarvan niet meer dan 21.400 in actieve eenheden; en
  • C. 14.000 stukken artillerie, waarvan niet meer dan 11.000 in actieve eenheden.
3.

In het gebied gevormd door het gehele landgebied in Europa, dat mede alle Europese eilandgebieden omvat, van de Republiek Belarus, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken met inbegrip van de Faeröer, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Republiek Hongarije, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, het deel van het grondgebied van Oekraïne bestaande uit de voormalige militaire districten Karpaten en Kiev, de Republiek Polen, het deel van de Russische Federatie bestaande uit het deel van het voormalig Baltisch militair district op zijn grondgebied, de Slowaakse Republiek, de Tsjechische Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, beperkt en, voor zover nodig, vermindert elke Partij haar aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie, zodat, 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en daarna, voor de groep van Partijen waartoe zij behoort de totale aantallen niet groter zijn dan:

  • A. 10.300 gevechtstanks;
  • B. 19.260pantsergevechtsvoertuigen; en
  • C. 9.100 stukken artillerie; en
  • D. in het deel van Oekraïne bestaande uit het voormalige militaire district Kiev de totale aantallen in actieve eenheden en in aangewezen permanente opslagplaatsen tezamen niet groter zijn dan:
    1. 2.250 gevechtstanks;
    1. 2.500 pantsergevechtsvoertuigen; en
    1. 1.500 stukken artillerie.
4.

In het gebied gevormd door het gehele landgebied in Europa, dat mede alle Europese eilandgebieden omvat, van het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Hongarije, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, de Slowaakse Republiek en de Tsjechische Republiek, beperkt en, voor zover nodig, vermindert elke Partij haar aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie zodat, 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en daarna, voor de groep van Partijen waartoe zij behoort de totale aantallen in actieve eenheden niet groter zijn dan:

  • A. 7.500 gevechtstanks;
  • B. 11.250 pantsergevechtsvoertuigen : en
  • C. 5.000 stukken artillerie.
5.

Partijen behorend tot dezelfde groep van Partijen kunnen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en artillerie in actieve eenheden plaatsen in elk van de gebieden beschreven in dit artikel en in artikel V, eerste lid, letter A, tot de getalsmatige beperkingen die in dat gebied van toepassing zijn, zulks in overeenstemming met de ingevolge artikel VII bekendgemaakte maximumaantallen en mits geen enkele Partij conventionele strijdkrachten stationeert op het grondgebied van een andere Partij zonder de toestemming van die Partij.

6.

Indien de totale aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie in actieve eenheden van een groep van Partijen binnen het gebied beschreven in het vierde lid van dit artikel kleiner zijn dan de getalsmatige beperkingen genoemd in het vierde lid van dit artikel en mits geen enkele Partij daardoor wordt belet haar in overeenstemming met artikel VII, tweede, derde en vijfde lid, bekendgemaakte maximumaantallen te bereiken, kunnen aantallen gelijk aan het verschil tussen de totale aantallen in elk van de categorieën gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en artillerie en de voor dat gebied aangegeven getalsmatige beperkingen, door Partijen behorend tot die groep van Partijen worden geplaatst in het gebied beschreven in het derde lid van dit artikel, zulks in overeenstemming met de in het derde lid van dit artikel aangegeven getalsmatige beperkingen.

Artikel V

1.

Ten einde te verzekeren dat de veiligheid van een Partij nimmer nadelig wordt beïnvloed:

  • A. beperkt en, voor zover nodig, vermindert, elke Partij in het gebied gevormd door het gehele landgebied van Europa, dat mede de Europese eilandgebieden omvat, van de Republiek Armenië, de Republiek Azerbeidzjan, de Republiek Bulgarije, de Republiek Georgië, de Helleense Republiek, de Republiek IJsland, de Republiek Moldavië, het Koninkrijk Noorwegen, het deel van Oekraïne bestaande uit het voormalige militaire district Odessa op zijn grondgebied, Roemenië, het deel van de Russische Federatie dat de militaire districten Leningrad en Noord-Kaukaus omvat en het deel van de Republiek Turkije dat binnen het toepassingsgebied valt, haar aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie zodat, 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en daarna, voor de groep van Partijen waartoe zij behoort, de totale aantallen in actieve eenheden niet groter zijn het verschil tussen de totale getalsmatige beperkingen genoemd in artikel IV, eerste lid, en die in artikel IV, tweede lid, namelijk:
    1. 4.700 gevechtstanks;
    1. 5.900 pantsergevechtsvoertuigen; en
    1. 6.000 stukken artillerie;
  • B. kan een Partij of kunnen Partijen, niettegenstaande de getalsmatige beperkingen genoemd in letter A van dit lid, op het grondgebied toebehorend aan leden van dezelfde groep van Partijen binnen het gebied beschreven in letter A van dit lid tijdelijk bijkomende totale aantallen in actieve eenheden plaatsen, die per groep van Partijen niet groter mogen zijn dan:
    1. 459 gevechtstanks;
    1. 723 pantsergevechtsvoertuigen; en
    1. 420 stukken artillerie; en
  • C. mits per groep van Partijen niet meer dan een derde van elk van deze bijkomende totale aantallen wordt geplaatst in een Partij met grondgebied binnen het gebied beschreven in letter A van dit lid, nl.:
    1. 153 gevechtstanks;
    1. 241 pantsergevechtsvoertuigen; en
    1. 140 stukken artillerie.
2.

Uiterlijk bij de aanvang van de plaatsing wordt deze aan alle andere Partijen bekendgemaakt door de plaatsende Partij of Partijen en door de ontvangende Partij of Partijen, waarbij per categorie het totale aantal geplaatste gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie wordt aangegeven. Eveneens maken de plaatsende Partij of Partijen en de ontvangende Partij of Partijen binnen 30 dagen na de terugtrekking van de tijdelijk geplaatste gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie deze bekend aan alle andere Partijen.

Artikel VI

Ten einde te verzekeren dat geen enkele Partij meer dan ongeveer een derde van de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen bezit binnen het toepassingsgebied, beperkt en, voor zover nodig, vermindert elke Partij haar aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, stukken artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters zodat, 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en daarna, de aantallen binnen het toepassingsgebied voor die Partij niet groter zijn dan:

  • A. 13.300 gevechtstanks;
  • B. 20.000 pantsergevechtsvoertuigen;
  • C. 13.700 stukken artillerie;
  • D. 5.150 gevechtsvliegtuigen; en
  • E. 1.500 aanvalshelikopters.

Artikel VII

1.

Opdat de beperkingen genoemd in de artikelen IV, V en VI niet worden overschreden mag geen enkele Partij, na het verstrijken van 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, de maximumaantallen voor haar bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen overschrijden die zij eerder binnen haar groep van Partijen is overeengekomen in overeenstemming met het zevende lid van dit artikel en die zij ingevolge de bepalingen van dit artikel heeft bekendgemaakt.

2.

Elke Partij maakt bij de ondertekening van dit Verdrag aan alle andere Partijen de maximumaantallen bekend voor haar bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen. De bekendmaking van de maximumaantallen voor bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die elke Partij bij de ondertekening van dit Verdrag afgeeft, blijft geldig tot de datum aangegeven in een daaropvolgende bekendmaking ingevolge het derde lid van dit artikel.

3.

In overeenstemming met de beperkingen genoemd in de artikelen IV, V en VI heeft elke Partij het recht haar maximumaantallen voor bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen te veranderen. Veranderingen in de maximumaantallen van een Partij worden door die Partij bekendgemaakt aan alle andere Partijen ten minste 90 dagen voor de in de bekendmaking aangegeven datum waarop deze verandering ingaat. Ten einde de beperkingen genoemd in de artikelen IV en V niet te overschrijden, dienen vergrotingen van de maximumaantallen van een Partij die ertoe zouden kunnen leiden dat deze beperkingen worden overschreden, te worden voorafgegaan door of vergezeld van een overeenkomstige vermindering van de eerder bekendgemaakte maximumaantallen voor bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van een of meer Partijen behorend tot dezelfde groep van Partijen. De bekendmaking van een verandering in de maximumaantallen blijft geldig vanaf de in de bekendmaking aangegeven datum tot de datum aangegeven in een daaropvolgende bekendmaking van een verandering ingevolge dit lid.

4.

Elke ingevolge het tweede of derde lid van dit artikel vereiste bekendmaking voor pantsergevechtsvoertuigen omvat tevens de maximumaantallen voor pantserinfanteriegevechtsvoertuigen en zwaarbewapende gevechtsvoertuigen van de Partij die de bekendmaking afgeeft.

5.

Negentig dagen voor het verstrijken van het verminderingstijdvak van 40 maanden genoemd in artikel VIII en daarna op het tijdstip van een bekendmaking van een verandering ingevolge het derde lid van dit artikel maakt elke Partij haar maximumaantallen voor gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie bekend met betrekking tot elk van de gebieden beschreven in artikel IV, tweede tot en met vierde lid, en artikel V, eerste lid, letter A.

6.

Een verkleining van de aantallen bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die een Partij bezit en die zijn onderworpen aan bekendmaking ingevolge het Protocol inzake informatieuitwisseling verleent op zichzelf een andere Partij niet het recht haar maximumaantallen die zijn onderworpen aan bekendmaking ingevolge dit artikel te vergroten.

7.

Het is de uitsluitende verantwoordelijkheid van elke afzonderlijke Partij te verzekeren dat de maximumaantallen die ingevolge de bepalingen van dit artikel zijn bekendgemaakt, niet worden overschreden. Partijen behorend tot dezelfde groep van Partijen plegen overleg ten einde te verzekeren dat de maximumaantallen die ingevolge de bepalingen van dit artikel zijn bekendgemaakt, te zamen genomen, de in de artikelen IV, V en VI genoemde beperkingen niet overschrijden.

Artikel VIII

1.

De in de artikelen IV, V en VI uiteengezette getalsmatige beperkingen worden uitsluitend verwezenlijkt door middel van vermindering in overeenstemming met het Protocol inzake vermindering, het Protocol inzake de recategorisering van helikopters, het Protocol inzake de reclassificering van vliegtuigen, de voetnoot bij Titel I, paragraaf 2, letter A, van het Protocol inzake bestaande typen en het Protocol inzake inspectie.

2.

De categorieën conventionele wapensystemen die zijn onderworpen aan vermindering zijn gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters. De desbetreffende typen zijn vermeld in het Protocol inzake bestaande typen.

  • A. Gevechtstanks en pantsergevechtsvoertuigen worden verminderd door middel van vernietiging, conversie voor niet-militaire doeleinden, tentoonstelling, gebruik als schietdoelen of, in het geval van gepantserde personeelsvoertuigen, aanpassing in overeenstemming met de voetnoot bij Titel I, paragraaf 2, letter A, van het Protocol inzake bestaande typen.
  • B. Artillerie wordt verminderd door middel van vernietiging of tentoonstelling, of in geval van gemechaniseerde vuurmonden, door middel van gebruik als schietdoelen.
  • C. Gevechtsvliegtuigen worden verminderd door middel van vernietiging, tentoonstelling, gebruik voor instructiedoeleinden op de grond of, in het geval van bepaalde modellen of versies van lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, reclassificering als onbewapende lesvliegtuigen.
  • D. Gespecialiseerde aanvalshelikopters worden verminderd door middel van vernietiging, tentoonstelling of gebruik voor instructiedoeleinden op de grond
  • E. Algemeen inzetbare aanvalshelikopters worden verminderd door middel van vernietiging, tentoonstelling, gebruik voor instructiedoeleinden op de grond of recategorisering.
3.

Bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen worden geacht te zijn verminderd na voltooiing van de procedures uiteengezet in de in het eerste lid van dit artikel genoemde Protocollen en na bekendmaking als voorgeschreven in die Protocollen. Aldus verminderde wapensystemen tellen niet meer mee voor de getalsmatige beperkingen genoemd in de artikelen IV, V en VI.

4.

De verminderingen geschieden in drie fasen en dienen uiterlijk 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag te zijn voltooid, zodat:

  • A. aan het einde van de eerste verminderingsfase, uiterlijk 16 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, elke Partij heeft verzekerd dat ten minste 25 procent van haar totale verminderingsver plichting in elke categorie van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen is verminderd;
  • B. aan het einde van de tweede verminderingsfase, uiterlijk 28 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, elke Partij heeft verzekerd dat ten minste 60 procent van haar totale verminderingsverplichting in elke categorie van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen is verminderd;
  • C. aan het einde van de derde verminderingsfase, uiterlijk40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, elke Partij haar totale verminderingsverplichting in elke categorie van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen heeft verminderd. Partijen die overgaan tot conversie voor niet-militaire doeleinden dienen te hebben verzekerd dat de conversie van alle gevechtstanks in overeenstemming met Titel VIII van het Protocol inzake vermindering is voltooid aan het einde van de derde verminderingsfase; en
  • D. pantsergevechtsvoertuigen die worden geacht te zijn verminderd door middel van gedeeltelijke vernietiging in overeenstemming met Titel VIII, paragraaf 6, van het Protocol inzake vermindering, volledig zijn geconverteerd voor niet-militaire doeleinden, of zijn vernietigd in overeenstemming met Titel IV van het Protocol inzake vermindering, zulks uiterlijk 64 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag.
5.

In het kader van de uitwisseling van informatie bij de ondertekening van dit Verdrag wordt opgegeven wat er in het toepassingsgebied aanwezig is wat betreft bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die moeten worden verminderd.

6.

Uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag maakt elke Partij haar verminderingsverplichting aan alle andere Partijen bekend.

7.

Tenzij anders is bepaald in het achtste lid van dit artikel, is de verminderingsverplichting van een Partij in elke categorie niet kleiner dan het verschil tussen de, in overeenstemming met het Protocol inzake informatie-uitwisseling, bekendgemaakte aantallen die zij bezit bij ondertekening of op het tijdstip van inwerkingtreding van het Verdrag, naar gelang van welke het grootst zijn, en de maximumaantallen zoals bekendgemaakt ingevolge artikel VII.

8.

Elke latere herziening van de aantallen van een Partij, bekendgemaakt ingevolge het Protocol inzake informatie-uitwisseling, dan wel van haar maximumaantallen, bekendgemaakt ingevolge artikel VII, komt tot uitdrukking in een bekend te maken aanpassing van haar verminderingsverplichting. Elke bekendmaking van een verlaging van de verminderingsverplichting van een Partij dient te worden voorafgegaan door of vergezeld te gaan van hetzij een bekendmaking van een overeenkomstige vergroting van de aantallen van één of meer Partijen die tot dezelfde groep van Partijen behoren, mits deze de ingevolge artikel VII bekendgemaakte maximumaantallen niet overschrijden, hetzij een bekendmaking van een overeenkomstige verhoging van de verminderingsverplichting van één of meer van deze Partijen.

9.

Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag maakt elke Partij aan alle andere Partijen in overeenstemming met het Protocol inzake informatie-uitwisseling de ligging van haar verminderingsplaatsen bekend, waaronder de plaatsen waar de uiteindelijke conversie van gevechtstanks en pantsergevechtsvoertuigen voor niet-militaire doeleinden zal plaatsvinden.

10.

Elke Partij heeft het recht zoveel verminderingsplaatsen aan te wijzen als zij wenst, de aanwijzing van bedoelde plaatsen onbeperkt te herzien en de vermindering en de definitieve conversie gelijktijdig uit te voeren op maximaal 20 plaatsen. Partijen hebben het recht, in onderlinge overeenstemming, gezamenlijk gebruik te maken van verminderingsplaatsen of deze op één punt te situeren.

11.

Onverminderd het tiende lid van dit artikel mag gedurende het aanvangsinventarisatietijdvak, dat wil zeggen het tijdvak tussen de inwerkingtreding van dit Verdrag en 120 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag, per Partij in ten hoogste twee verminderingsplaatsen tegelijk tot vermindering worden overgegaan.

12.

De vermindering van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen geschiedt in verminderingsplaatsen binnen het toepassingsgebied, tenzij in de Protocollen genoemd in het eerste lid van dit artikel anders is bepaald.

13.

Het verminderingsproces, met inbegrip van de resultaten van de conversie van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen voor niet-militaire doeleinden, is zowel gedurende het verminderingstijdvak, als in de 24 maanden na het verminderingstijdvak, onderworpen aan inspectie, zonder recht van weigering, in overeenstemming met het Protocol inzake inspectie.

Artikel IX

1.

Anders dan afvoer van materieel in overeenstemming met de bepalingen van artikel V1I1 worden gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters binnen het toepassingsgebied afgevoerd uitsluitend door middel van uitdienststelling, mits:

  • A. deze bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen uit dienst worden gesteld en in afwachting zijn van een andere bestemming op ten hoogste acht plaatsen, die bekend worden gemaakt als opgegeven plaatsen in overeenstemming met het Protocol inzake informatie-uitwisseling en die in die bekendmakingen worden aangeduid als verzamelplaatsen voor bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die uit dienst zijn gesteld. Indien verzamelplaatsen behalve bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die uit dienst zijn gesteld tevens andere conventionele wapensystemen bevatten waarop het Verdrag van toepassing is, moeten de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die uit dienst zijn gesteld, als zodanig te onderscheiden zijn; en
  • B. de aantallen van deze bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die uit dienst zijn gesteld niet groter zijn, in het geval van een afzonderlijke Partij, dan één procent van haar bekendgemaakte aantallen bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen, of niet groter dan in totaal 250, naar gelang van welk aantal het grootst is, waaronder ten hoogste 200 gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie en ten hoogste 50 aanvalshelikopters en gevechtsvliegtuigen.
2.

De bekendmaking van uitdienststelling omvat het aantal en het type van de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die uit dienst worden gesteld, alsmede de plaats van de uitdienststelling, en deze bekendmaking wordt aan alle andere Partijen afgegeven in overeenstemming met Titel IX, paragraaf 1, letter B, van het Protocol inzake informatie-uitwisseling.

Artikel X

1.

De Partij waaraan de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen toebehoren die zich bevinden in aangewezen permanente opslagplaatsen maakt, in overeenstemming met het Protocol inzake informatie-uitwisseling, de aangewezen permanente opslagplaatsen bekend aan alle andere Partijen. In de bekendmaking worden de benaming en de ligging, met inbegrip van geografische coördinaten, van de aangewezen permanente opslagplaatsen vermeld, alsmede de aantallen per type van elke categorie van haar bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die zich in elk van deze opslagplaatsen bevinden.

2.

Aangewezen permanente opslagplaatsen bevatten slechts voorzieningen die geschikt zijn voor de opslag en het onderhoud van wapensystemen (bijvoorbeeld loodsen, garages, werkplaatsen en bijbehorende opslagruimten, alsmede andere ondersteunende accommodatie). Aangewezen permanente opslagplaatsen mogen geen schietbanen of oefenterreinen omvatten die verband houden met bij dit Verdrag beperkte conventionele wapensystemen. Aangewezen permanente opslagplaatsen bevatten slechts wapensystemen die behoren tot de conventionele strijdkrachten van een Partij.

3.

Elke aangewezen permanente opslagplaats heeft een duidelijk bepaalde begrenzing die wordt gevormd door een ononderbroken omheining met een hoogte van ten minste 1,5 m. De omheining bevat ten hoogste drie doorgangen die als enige in- en uitgang dienen voor de wapensystemen.

4.

Bij dit Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die zich bevinden in aangewezen permanente opslagplaatsen worden geteld als bij het Verdrag beperkteconventionele wapensystemen die niet in actieve eenheden zijn, zelfs wanneer zij tijdelijk worden verwijderd in overeenstemming met het zevende, achtste, negende en tiende lid van dit artikel. Bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die zijn opgeslagen in andere plaatsen dan aangewezen permanente opslagplaatsen worden geteld als bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen in actieve eenheden.

5.

Actieve eenheden mogen zich niet bevinden, in aangewezen permanente opslagplaatsen, behalve voor zover anders is bepaald in het zesde lid van dit artikel.

6.

In aangewezen permanente opslagplaatsen mag zich slechts personeel bevinden dat betrokken is bij de beveiliging of het functioneren van aangewezen permanente opslagplaatsen, dan wel het onderhoud van de aldaar opgeslagen wapensystemen.

7.

Ten behoeve van het onderhoud, de reparatie of aanpassing van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die zich bevinden in-aangewezen permanente opslagplaatsen heeft elke Partij het recht om, zonder voorafgaande bekendmaking, hetzij maximaal 10 procent, naar boven afgerond op het eerstvolgende hele even getal, van het bekendgemaakte aantal van elke categorie van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen in elke aangewezen permanente opslagplaats, hetzij 10 stuks van de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van elke categorie in elke aangewezen permanente opslagplaats, naar gelang van welk aantal het kleinst is, gelijktijdig uit aangewezen permanente opslagplaatsen te verwijderen en daarbuiten te houden.

8.

Behoudens het bepaalde in het zevende lid van dit artikel mag een Partij geen bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen verwijderen uit aangewezen permanente opslagplaatsen, tenzij zulks ten minste 42 dagen van tevoren aan alle andere Partijen is bekendgemaakt. De bekendmaking geschiedt door de Partij waaraan de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen toebehoren. In de bekendmaking dienen te zijn vermeld:

  • A. de ligging van de aangewezen permanente opslagplaats waaruit bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen zullen worden verwijderd, alsmede de aantallen per type van de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van elke categorie die worden verwijderd;
  • B. de data van verwijdering en terugbrenging van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen; en
  • C. de voorgenomen plaats en het voorgenomen gebruik van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen wanneer deze zich buiten de aangewezen permanente opslagplaats bevinden.
9.

Behoudens het bepaalde in het zevende lid van dit artikel mogen de totale aantallen van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die uit aangewezen permanente opslagplaatsen worden verwijderd en daarbuiten worden gehouden door Partijen die tot dezelfde groep van Partijen behoren, nimmer meer bedragen dan de volgende aantallen:

  • A. 550 gevechtstanks;
  • B. 1000 pantsergevechtsvoertuigen; en
  • C. 300stuks artillerie.
10.

Bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die uit aangewezen permanente opslagplaatsen zijn verwijderd ingevolge het achtste en het negende lid van dit artikel, worden uiterlijk 42 dagen na verwijdering naar aangewezen permanente opslagplaatsen teruggebracht, met uitzondering van de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die zijn verwijderd voor revisie in de fabriek. Deze wapensystemen worden onmiddellijk na voltooiing van de revisie naar aangewezen permanente opslagplaatsen teruggebracht.

11.

Elke Partij heeft het recht om bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die zich in aangewezen permanente opslagplaatsen bevinden te vervangen. Elke Partij maakt aan het begin van de vervanging aan alle andere Partijen bekend het aantal, de verblijfplaats, het type en de bestemming van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die worden vervangen.

Artikel XI

1.

Elke Partij beperkt haar brugleggende tanks, zodat 40 maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag en daarna voor de groep van Partijen waartoe zij behoort het totale aantal brugleggende tanks in actieve eenheden binnen het toepassingsgebied niet groter is dan 740.

2.

Alle brugleggende tanks binnen het toepassingsgebied boven het in het eerste lid van dit artikel genoemde aantal voor elke groep van Partijen worden geplaatst in aangewezen permanente opslagplaatsen als omschreven in artikel II. Wanneer brugleggende tanks in een aangewezen permanente opslagplaats worden geplaatst, hetzij afzonderlijk, hetzij te zamen met bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen, is zowel op de brugleggende tanks als op de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen artikel X, eerste tot en met zesde lid, van toepassing. Brugleggende tanks die in aangewezen permanente opslagplaatsen zijn geplaatst, worden niet beschouwd als tanks in actieve eenheden.

3.

Behoudens het bepaalde in het zesde lid van dit artikel mogen brugleggende tanks, met inachtneming van de bepalingen van het vierde en het vijfde lid van dit artikel, slechts uit aangewezen permanente opslagplaatsen worden verwijderd nadat zulks ten minste 42 dagen voor de verwijdering aan alle andere Partijen is bekendgemaakt. In deze bekendmaking worden vermeld:

  • A. de ligging van de aangewezen permanente opslagplaatsen waaruit de brugleggende tanks worden verwijderd, alsmede de aantallen brugleggende tanks die uit elke plaats worden verwijderd;
  • B. de data waarop de brugleggende tanks uit aangewezen permanente opslagplaatsen worden verwijderd en daarnaar teruggebracht; en
  • C. het voorgenomen gebruik van de brugleggende tanks gedurende het tijdvak dat zij uit de aangewezen permanente opslagplaatsen zijn verwijderd.
4.

Behoudens het bepaalde in het; zesde lid van dit artikel worden brugleggende tanks die uit aangewezen permanente opslagplaatsen zijn verwijderd uiterlijk 42 dagen na de feitelijke datum van verwijdering daarnaar teruggebracht.

5.

Het totale aantal brugleggende tanks dat per groep van Partijen uit aangewezen permanente opslagplaatsen wordt verwijderd en daarbuiten verblijft, mag nimmer meer bedragen dan 50.

6.

Partijen hebben het recht om ten behoeve van onderhoud of aanpassing hetzij maximaal 10 procent, naar boven afgerond op het eerstvolgende hele even getal, van: hun bekendgemaakte aantallen brugleggende tanks per aangewezen permanente opslagplaats, hetzij 10 brugleggende tanks per aangewezen permanente opslagplaats, naar gelang van welk aantal het kleinst is, gelijktijdig uit aangewezen permanente opslagplaatsen te verwijderen en daarbuiten te houden.

7.

In geval van natuurrampen die een overstroming of schade.aan vaste bruggen met zich meebrengen, hebben Partijen het recht om brugleggende tanks te onttrekken aan aangewezen permanente opslagplaatsen. Op het tijdstip van onttrekking wordt zulks bekendgemaakt aan alle andere Partijen.

Artikel XII

1.

Pantserinfanteriegevechtsvoertuigen in het bezit van organisaties van een Partij die qua opzet en structuur bedoeld zijn om in vredestijd binnenlandse veiligheidstaken te verrichten en die qua structuur en organisatievorm niet geschikt zijn voor grondgevechten tegen een buitenlandse vijand, worden niet beperkt door dit Verdrag. Desondanks, ten einde de uitvoering van dit Verdrag te verbeteren en te verzekeren dat het aantal voertuigen dat bedoelde organisaties in bezit hebben niet wordt gebruikt om de bepalingen van dit Verdrag te omzeilen, maken alle pantserinfanteriegevechtsvoertuigen boven de 1000 die door een Partij zijn toegewezen aan organisaties die qua opzet en structuur bedoeld zijn om in vredestijd binnenlandse veiligheidstaken te verrichten, deel uit van de toegestane aantallen genoemd in de artikelen IV, V en VI. Van de pantserinfanteriegevechtsvoertuigen van een Partij die zijn ondergebracht bij bedoelde organisaties mogen zich ten hoogste 600 bevinden in het gedeelte van het toepassingsgebied omschreven in artikel V, eerste lid, letter A. Elke Partij verzekert voorts dat deze organisaties zich onthouden van de verwerving van meer gevechtscapaciteit dan nodig is om te voorzien in de behoeften op het gebied van de binnenlandse veiligheid.

2.

Een Partij die voornemens is gevechtstanks, pantserinfanteriegevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen, aanvalshelikopters en brugleggende tanks in dienst van haar conventionele strijdkrachten over te dragen aan een organisatie van die Partij die geen deel uitmaakt van haar conventionele strijdkrachten, maakt dit bekend aan alle andere Partijen, zulks uiterlijk op de datum waarop de overdracht ingaat. In de bekendmaking worden de ingangsdatum van de overdracht en de datum waarop deze wapensystemen feitelijk worden overgebracht vermeld, alsook de aantallen, per type, van de bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die worden overgedragen.

Artikel XIII

1.

Ten einde de naleving van de bepalingen van dit Verdrag te kunnen verifiëren geeft elke Partij bekendmakingen af en wisselt zij informatie uit omtrent haar conventionele wapensystemen in overeenstemming met het Protocol inzake informatie-uitwisseling.

2.

Het bekendmaken en het uitwisselen van informatie geschieden in overeenstemming met artikel XVII.

3.

Elke Partij is verantwoordelijk voor haar eigen informatie; de ontvangst van deze informatie en van bekendmakingen houdt geen bevestiging van de juistheid of aanvaarding van de verstrekte informatie in.

Artikel XIV

1.

Ten einde de naleving van de bepalingen van het Verdrag te kunnen verifiëren, heeft elke Partij het recht binnen het toepassingsgebied inspecties te houden en de plicht deze te dulden, zulks in overeenstemming met het Protocol inzake inspectie.

2.

Deze inspecties hebben tot doel:

  • A. te verifiëren, op basis van de ingevolge het Protocol inzake informatie-uitwisseling verstrekte informatie, of de Partijen de getalsmatige beperkingen genoemd in de artikelen IV, V en VI in acht nemen;
  • B. toe te zien op het proces van vermindering van gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvals helikopters, uitgevoerd op verminderingsplaatsen in overeenstemming met artikel VIII en het Protocol inzake vermindering; en
  • C. toe te zien op de certificering van gerecategqriseerde algemeen inzetbare aanvalshelikopters en gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, uitgevoerd in overeenstemming met het Protocol, inzake de recategorisering van helikopters, respectievelijk het Protocol inzake de reclassificering van vliegtuigen.
3.

Een Partij oefent de in het eerste en het tweede lid van dit artikel genoemde rechten niet uit ten aanzien van Partijen die behoren tot de groep van Partijen waartoe zij behoort met het oogmerk zich aan de doelstellingen van het verificatieregime te onttrekken.

4.

In geval van een inspectie die gezamenlijk wordt:gehouden door twee Partijen of meer, is één van hen verantwoordelijk voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag.

5.

Het aantal inspecties ingevolge de Titels VII en VIII van het Protocol inzake inspectie dat elke Partij kan houden en moet dulden gedurende elk tijdvak, wordt vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van Titel II van dat Protocol.

6.

Na het verstrijken van het 120 dagen durende restinventarisatietijdvak heeft elke Partij het recht een overeen te komen aantal luchtinspecties te houden binnen het toepassingsgebied en heeft elke Partij met grondgebied binnen het toepassingsgebied de plicht deze te dulden. De overeen te komen aantallen en andere toepasselijke bepalingen worden nader uitgewerkt gedurende de in artikel XVIII bedoelde onderhandelingen.

Artikel XV

1.

Ten einde de naleving van de bepalingen van dit Verdrag te kunnen verifiëren, heeft een Partij het recht om, naast de in artikel XIV bedoelde procedures, gebruik te maken van de haar ter beschikking staande nationale of multinationale technische verificatiemiddelen op een wijze die verenigbaar is met de algemeen erkende beginselen van internationaal recht.

2.

Een Partij belemmert niet de nationale of multinationale technische verificatiemiddelen van een andere Partij dié handelt in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel.

3.

Een Partij treft geen maatregelen ter verhulling die een beletsel vormen voor de verificatie van de naleving van de bepalingen van dit Verdrag met nationale of multinationale technische verificatiemiddelen van een andere Partij die handelt in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel. Deze verplichting heeft geen betrekking op dekkings- of verhullingspraktijken die verband houden met gewone oefeningen van het personeel, onderhoud of verrichtingen waarbij bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen betrokken zijn.

Artikel XVI

1.

Ter bevordering van de doelstellingen en de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag stellen de Partijen hierbij een Gemengd Overlegorgaan in.

2.

In het kader van het Gemengd Overlegorgaan zullen de Partijen:

  • A. vraagstukken behandelen betreffende de naleving of de mogelijke omzeiling van bepalingen van dit Verdrag;
  • B. trachten een oplossing te vinden voor onduidelijkheden en verschillen van interpretatie die aan het licht treden bij de toepassing van dit Verdrag
  • C. maatregelen overwegen en, indien mogelijk, overeenkomen ter verbetering van de uitvoerbaarheid en de doeltreffendheid van dit Verdrag;
  • D. de lijsten vervat in het Protocol inzake bestaande typen bijwerken, zoals is voorgeschreven in artikel II, tweede lid;
  • E. een oplossing vinden voor technische vraagstukken, ten einde te streven naar gemeenschappelijke praktijken van de Partijen bij de toepassing van dit Verdrag;
  • F. een reglement van orde, werkwijzen en de verdeelsleutel voor de kosten van het Gemengd Overlegorgaan en krachtens dit Verdrag belegde conferenties, alsmede de verdeling van de kosten van inspecties tussen Partijen, vaststellen of, indien nodig, herzien;
  • G. passende maatregelen bestuderen en uitwerken ten einde te verzekeren dat de informatie verkregen door middel van uitwisseling van informatie tussen de Partijen of ten gevolge van inspecties ingevolge dit Verdrag, uitsluitend wordt gebruikt voor de doeleinden van dit Verdrag, rekening houdend met de bijzondere vereisten van elke Partij met betrekking tot de beveiliging van informatie die die Partij aanmerkt als vertrouwelijk
  • H. zich op verzoek van een Partij buigen over elke aangelegenheid die een Partij ter bestudering wenst voor te leggen aan een in overeenstemming met artikel XXI te beleggen conferentie; dit laat het recht van een Partij om haar toevlucht te nemen tot de procedures vervat in artikel XXI onverlet; en
  • I. zich buigen over geschilpunten die voortvloeien uit de toepassing van dit Verdrag.
3.

Elke Partij heeft het recht elke aangelegenheid die verband houdt met dit Verdrag voor te leggen aan het Gemengd Overlegorgaan en deze op zijn agenda te doen plaatsen.

4.

Het Gemengd Overlegorgaan neemt besluiten en doet aanbevelingen op basis van consensus. Er is sprake van consensus wanneer er geen bezwaren bestaan van een vertegenwoordiger van een Partij tegen hetnemen van een besluit of het doen van een aanbeveling.

5.

Het Gemengd Overlegorgaan kan wijzigingen op dit Verdrag voorstellen en deze ter overweging en bevestiging voorleggen in overeenstemming met artikel XX. Het Gemengd Overlegorgaan kan ook verbeteringen overeenkomen betreffende de uitvoerbaarheid en de doeltreffendheid van dit Verdrag, zulks verenigbaar met de bepalingen hiervan. Tenzij deze verbeteringen betrekking hebben? op ondergeschikte kwesties van administratieve of technische aard moeten zij ter overweging en bevestiging worden voorgelegd in overeenstemming met artikel XX voordat zij van kracht kunnen worden.

6.

Geen enkele bepaling van dit artikel wordt geacht.een beletsel of beperking te vormen voor een, Partij om langs andere kanalen of in andere fora dan het Gemengd Overlegorgaan inlichtingen te vragen van of overleg te plegen met andere Partijen over aangelegenheden die verband houden met dit Verdrag of de toepassing daarvan.

7.

Het Gemengd Overlegorgaan volgt de procedures vervat in het Protocol inzake het Gemengd Overlegorgaan.

Artikel XVII

De Partijen doen de bij dit Verdrag voorgeschreven informatie en bekendmakingen in schriftelijke vorm toekomen. Zij doen zulks langs diplomatieke weg of andere door hen aan te wijzen officiële kanalen, waaronder met name een bij een afzonderlijke regeling in te stellen communicatienetwerk

Artikel XVIII

1.

Na ondertekening van dit Verdrag zetten de Partijen de onderhandelingen over conventionele strijdkrachten voort, zulks met hetzelfde Mandaat en met het doel voort te bouwen op dit Verdrag.

2.

Het doel van die onderhandelingen is het sluiten van een overeenkomst inzake aanvullende maatregelen, gericht op een verdere versterking van de veiligheid en stabiliteit in Europa, en overeenkomstig het Mandaat, met inbegrip van maatregelen tot limitering van de personeelssterkte van hun conventionele strijdkrachten in het toepassingsgbied.

3.

De Partijen streven ernaar die onderhandelingen niet later af te sluiten dan de in 1992 te Helsinki te houden vervolgbijeenkomst van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa.

Artikel XIX

1.

Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten. Het kan worden aangevuld door een volgend verdrag.

2.

Elke Partij heeft het recht, in de uitoefening van haar nationale soevereiniteit, zich uit dit Verdrag terug te trekken indien zij besluit dat buitengewone, met het onderwerp van dit Verdrag verband houdende, gebeurtenissen haar hoogste belangen hebben geschaad. Een Partij die voornemens is zich terug te trekken, maakt haar besluit daartoe bekend aan de Depositaris en alle andere Partijen. Deze bekendmaking dient ten minste 150 dagen voor de voorgenomen terugtrekking uit dit Verdrag te worden gedaan. Deze bekendmaking dient een uiteenzetting te omvatten van de buitengewone gebeurtenissen waarvan de Partij meent dat zij haar hoogste belangen hebben geschaad.

3.

Elke Partij heeft met name het recht, in de uitoefening van haar nationale soevereiniteit, zich uit dit Verdrag terug te trekken indien een andere Partij haar aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen of aanvalshelikopters, als omschreven in artikel II, die buiten de werkingssfeer van de beperkingen van dit Verdrag vallen zodanig verhoogt, dat daardoor een duidelijke bedreiging ontstaat voor de krachtenbalans in het toepassingsgebied.

Artikel XX

1.

Elke Partij kan wijzigingen op dit Verdrag voorstellen. De tekst van een voorgestelde wijziging wordt ingediend bij de Depositaris, die deze verspreidt onder alle Partijen.

2.

Indien een wijziging op dit Verdrag door alle Partijen is goedgekeurd, treedt zij in werking in overeenstemming met de procedures vervat in artikel XXII aangaande de inwerkingtreding van dit Verdrag.

Artikel XXI

1.

Zesenveertig maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, en daarna om de vijfjaar, belegt de Depositaris een conferentie van Partijen ten einde de werking van dit Verdrag te bezien.

2.

De Depositaris belegt een buitengewone conferentie van Partijen indien daarom wordt verzocht door een Partij die van oordeel is dat uitzonderlijke omstandigheden met betrekking tot dit Verdrag zijn ontstaan, met name ingeval een Partij haar voornemen heeft aangekondigd haar groep van Partijen te verlaten of zich aan te sluiten bij de andere groep van Partijen, als omschreven in artikel II, eerste lid, letter A. Ten einde de andere Partijen in staat te stellen deze conferentie voor te bereiden, dient het verzoek de reden te omvatten waarom die Partij een buitengewone conferentie noodzakelijk acht. De conferentie bestudeert de in het verzoek uiteengezette omstandigheden en de gevolgen daarvan voor de werking van dit Verdrag. De conferentie vangt uiterlijk 15 dagen na de ontvangst van het verzoek aan en duurt, tenzij zij anders besluit, niet langer dan drie weken.

3.

De Depositaris belegt een conferentie van Partijen ter bestudering van een wijziging die is voorgesteld ingevolge artikel XX, indien daarom door drie of meer Partijen wordt verzocht. Die conferentie vangt uiterlijk 21 dagen na de ontvangst van de noodzakelijke verzoeken aan.

4.

Ingeval een Partij haar beslissing bekendmaakt zich uit dit Verdrag terug te trekken ingevolge artikel XIX, belegt de Depositaris een conferentie van Partijen die uiterlijk 21 dagen na de ontvangst van de bekendmaking van terugtrekking aanvangt, ten einde zich te buigen over vraagstukken die verband houden met de terugtrekking uit dit Verdrag.

Artikel XXII

1.

Dit Verdrag dient door elke Partij te worden bekrachtigd in overeenstemming met haar constitutionele procedures. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, die hierbij wordt aangewezen als Depositaris.

2.

Dit Verdrag treedt in werking 10 dagen nadat de akten van bekrachtiging zijn nedergelegd door alle in de preambule genoemde Partijen.

3.

De Depositaris stelt alle Partijen onmiddellijk in kennis van:

  • A. de nederlegging van elke akte van bekrachtiging;
  • B. de inwerkingtreding van dit Verdrag;
  • C. elke terugtrekking in overeenstemming met artikel XIX en de datum waarop deze van kracht wordt;
  • D. de tekst van een wijziging die is voorgesteld in overeenstemming met artikel XX
  • E. de vankrachtwording van elke wijziging op dit Verdrag;
  • F. elk verzoek een conferentie te beleggen in overeenstemming met artikel XXI;
  • G. het beleggen van een conferentie ingevolge artikel XXI; en
  • H. elke andere aangelegenheid waarover de Depositaris de Partijen dient in te lichten op grond van dit Verdrag.
4.

Dit Verdrag wordt door de Depositaris geregistreerd ingevolge artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel XXIII

Het oorspronkelijk exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Duitse, de Engelse, de Franse, de Italiaanse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd in het archief van de Depositaris. De Depositaris doet aan alle Partijen voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag toekomen.

De Partijen komen hierbij overeen: a) lijsten, die gelden vanaf de datum van ondertekening van het Verdrag, van bestaande typen conventionele wapensystemen die zijn onderworpen aan de maatregelen van beperking, vermindering, informatie-uitwisseling en verificatie; b) procedures voor het verstrekken van technische gegevens en foto's met betrekking tot deze bestaande typen conventionele wapensystemen; en c) procedures voor het bijwerken van de lijsten van deze bestaande typen conventionele wapensystemen, zulks in overeenstemming met artikel II van het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa van 19 november 1990, hierna te noemen het Verdrag.

Opgeschort per 7 december 2023 (Trb. 2023/141).

Opgeschort per 7 december 2023 (Trb. 2023/141).

TITEL I. BESTAANDE TYPEN VAN BIJ HET VERDRAG BEPERKTE CONVENTIONELE WAPENSYSTEMEN

1

Bestaande typen gevechtstanks zijn:

M-l M-60 M-48 M-47 Leopard 1 Leopard 2 AMX-30 Challenger Chieftain T-34 T-54 T-55 T-62 T-64 T-72 T-80 TR-85 TR-580
Centurion M-41 NM-116 T-54 T-55 T-72

Alle modellen en versies van een hierboven genoemd bestaand type gevechtstank worden beschouwd als gevechtstank van dat type.

2

Bestaande typen pantsergevechtsvoertuigen zijn:

  • A. Gepantserde personeelsvoertuigen: Alle modellen en versies van een hierboven genoemd bestaand type gepantserd personeelsvoertuig worden beschouwd als gepantserd personeelsvoertuig van dat type, tenzij die modellen en versies zijn opgenomen in de lijst van op een gepantserd personeelsvoertuig lijkende voertuigen in Titel II, paragraaf 1 van dit Protocol.
YPR-765 AMX-13 VTT M113 M75 Spartan Grizzly TPz-1 Fuchs BTR-40 BTR-152 BTR-50 BTR-60 OT-62 (TOPAS) OT-64 (SKOT) OT-90
VAB M59 Leonidas VCC1 VCC2 Saxon AFV 432 Saracen Humber BDX BMR-600 FUG D-442 BTR-70 BTR-80 BTR-D TAB-77 OT-810 PSZH D-944 TABC-79 TAB-71 MLVM MT-LB*Dit algemeen inzetbare lichtgepantserde voertuig mag bij wijze van uitzondering binnen 40 maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag worden aangepast in een op een gepantserd personeelsvoertuig lijkend voertuig, dat als MT-LB-AT is opgenomen in de lijst in Titel II, paragraaf 1, van dit Protocol, door het interieur van het voertuig aan te passen, zulks door de zitplaatsen voor de infanteriegevechtsgroep aan de linkerkant te verwijderen en het munitierek op ten minste zes punten aan de zijwand en de vloer te lassen, zodat het voertuig niet geschikt is voor het vervoer van een infanteriegevechtsgroep. Bedoelde aanpassingen mogen worden uitgevoerd op andere plaatsen dan verminderingsplaatsen. Gepantserde personeelsvoertuigen van het type MT-LB die niet zijn aangepast, moeten in overeenstemming met het Protocol inzake informatie-uitwisseling worden gemeld als gepantserde personeelsvoertuigen
Chaimite V200 V150S EBR-ETT M3A1 YP408 BLR VIB LVTP-7 6614/G BTR-152 BTR-50 BTR-60 BTR-70 MT-LB*Dit algemeen inzetbare lichtgepantserde voertuig mag bij wijze van uitzondering binnen 40 maanden na de inwerkingtreding van het Verdrag worden aangepast in een op een gepantserd personeelsvoertuig lijkend voertuig, dat als MT-LB-AT is opgenomen in de lijst in Titel II, paragraaf 1, van dit Protocol, door het interieur van het voertuig aan te passen, zulks door de zitplaatsen voor de infanteriegevechtsgroep aan de linkerkant te verwijderen en het munitierek op ten minste zes punten aan de zijwand en de vloer te lassen, zodat het voertuig niet geschikt is voor het vervoer van een infanteriegevechtsgroep. Bedoelde aanpassingen mogen worden uitgevoerd op andere plaatsen dan verminderingsplaatsen. Gepantserde personeelsvoertuigen van het type MT-LB die niet zijn aangepast, moeten in overeenstemming met het Protocol inzake informatie-uitwisseling worden gemeld als gepantserde personeelsvoertuigen
  • B. Pantserinfanteriegevechtsvoertuigen: Alle modellen en versies van een hierboven genoemd bestaand type pantserinfanteriegevechtsvoertuig worden beschouwd als pantserinfanteriegevechtsvoertuig van dat type, tenzij die modellen en versies zijn opgenomen in de lijst van op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen in Titel II, paragraaf 2 van dit Protocol.
YPR-765 (25 mm) Marder AMX-10P Warrior M2/M3 Bradley AFV 432 Rarden BMP-l/BRM-1 BMP-2 BMP-23 MLI-84 BMD-1 BMD-2 BMP-3
NM-135 BMP-1/BRM-1 BMP-2
  • C. Zwaarbewapende gevechtsvoertuigen: Alle modellen en versies van een hierboven genoemd bestaand type zwaarbewapend gevechtsvoertuig worden beschouwd als zwaarbewapend gevechtsvoertuig van dat type.
AMX-10RC ERC 90 Sagaye BMR-625-90 Commando VI50 PT-76 SU-76 SU-100 ISU-152
Scorpion Saladin JPK-90 M-24 AMX-13 EBR-75 Panhard PT-76

3

Bestaande typen artillerie zijn:

  • A. Kanonnen, houwitsers en stukken artillerie die de kenmerken van kanonnen en houwitsers in zich verenigen:
105 mm: 105 licht kanon 100 mm: BS-3 veldkanon
M18 105 Krupp kanon 105 R metalen kanon 105 draagbare houw. Model 53 veldkanon Skoda houw. (Model 1914/1934, 1930, Skoda houw.(Model 1939)
M 56 draagbare houw.
M 101 getrokken houw. 105 mm: Schneider veldkanon (Model 1936)
M 102 getrokken houw.
Abbot gemechan. kanon
Ml08 gemechan. houw. 120 mm: 2B16 houw. 2S9 gemechan. houw.
M52 gemechan. houw.
105 HM-2houw.
M-38 kanon (Skoda) 122 mm: D30 houw. M-30 houw.
105 AU 50 houw. R58/M26 D74 houw. 2S1 gemechan. houw.
getrokken houw.
122 mm: 122/46 veldkanon D30 houw. A19 kanon (Model 31/37)
M 30 houw. Model 89
gemechan.houw.
2S1 gemechan. houw. 130 mm: kanon 82 M-46 kanon
130 mm: M 46 kanon
150 mm: Skoda houw. (Model 1934)
140 mm: 5.5"(139,7mm) getrokken houw. Ceh houw. (Model 1937)
152 mm: Dl houw.
150 mm: 150 Skoda kanon 2S3 gemechan. houw.
,2A65 houw.
152 mm: D20 kanon-houw. ML20 houw.-kanon
155 mm: 2S3 gemechan.houw. Ml 14 getrokken houw. D20 kanon-houw, kanon 81 2A36 kanon
Ml 14/39 (M-139) getrokken houw. FH-70 getrokken houw. M109 gemechaniseerde houw. Dana gem. kan./houw.M77 2S5 gemechan. kanon 2S19 gemechan. houw. kanon-houw. 85 houw. Model 1938 houw. 81
M198 getrokken houw. 155 TRF1 kanon 155 AUF1 kanon
155 AMF3 kanon 155 BF50 kanon M44 203 mm: B4 houw. 2S7 gemechan. kanon
gemechaniseerde houw. M59 getrokken kanon SP7O gemechaniseerde houw.
175 mm: M107
gemechaniseerd kanon
203 mm: Ml 15 getrokken houw.
M110 gemechaniseerde houw. M55 gemechaniseerde houw.
  • B. Mortieren:
107 mm: 4,2" (op de grond of in M106 pantservoertuig) 107 mm: Mortier M-1938
120 mm: Brandt 120 mm: 2B11 (2S12) M 120 Model 38/43
(M60,M-120-60; SLM-120-AM-50) Ml20 RTF 1 M120 M51 Soltam/Tampella (op de grond of Tundzha/Tundzha Sani SP Mortier (in een MT-LB) Mortier Model 1982 B-24
ingebouwd in een M113 pantservoertuig) 160 mm: M160
Ecia Mod L (ingebouwd in een M-L, ofwel ingebouwd 240 mm: M240
in een BMR-600 of 2S4 gem. mortier
M113 pantservoertuig) HY12 (Tosam) 2B11 (2S12)
  • C. Meervoudige raketwerpers: Alle modellen en versies van een hierboven genoemd bestaand type artillerie worden beschouwd als artillerie van dat type.
110 mm: LARS 122 mm:
122 mm: BM-21
RM-70
140 mm: Teruel MLAS
130 mm:
227 mm: MLRS
140 mm:
220 mm:
240 mm:
280 mm:
300 mm:

4

Bestaande typen gevechtsvliegtuigen zijn:

A-7 A-10 Alpha Jet A AM-X Buccaneer Canberra Draken F-4 F-5 F-15 F-16 F-18 F-84 F-102 F-104 F-ll.1 G-91 Harrier Hunter Jaguar IAR-93 IL-28 MiG-15 MiG-17 MiG-21 MiG-23 MiG-25 MiG-27 MiG-29 MiG-31 SU-7 SU-15 SU-17 SU-20 SU-22 SU-24 SU-25 SU-27 TU-16 TU-22
Lightning MiG-21 MiG-23 TU-22M TU-128 Yak-28
MiG-29 MB-339 Mirage Fl Mirage III Mirage IV Mirage V Mirage 2000 SU-22 Tornado

Alle modellen of versies van een hierboven genoemd bestaand type gevechtsvliegtuig worden beschouwd als gevechtsvliegtuig van dat type.

5

Bestaande typen aanvalshelikopters zijn:

  • A. Gespecialiseerde aanvalshelikopters: Met inachtneming van de bepalingen van Titel I, paragraaf 3, van het Protocol inzake de recategorisering van helikopters, worden alle modellen en versies van een hierboven genoemd bestaand type gespecialiseerde aanvalshelikopter beschouwd als gespecialiseerde aanvalshelikopter van dat type.
A-129 Mangusta Mi-24
AH-1 Cobra AH-64 Apache Mi-24
  • B. Algemeen inzetbare aanvalshelikopters: Met inachtneming van de bepalingen van Titel I, paragrafen 4 en 5, van het Protocol inzake de recategorisering van helikopters, worden alle modellen en versies van een hierboven genoemd bestaand type algemeen inzetbare aanvalshelikopter beschouwd als algemeen inzetbare aanvalshelikopter van dat type.
A-109 Hirundo Alouette III IAR-316 Mi-8/Mi-17
BO-105/PAH-1 Fennec AS 550 C-2 Gazelle Lynx Mi-8 OH-58 Kiowa/AB-206/CH-136 Scout Wessex

TITEL II. BESTAANDE TYPEN VAN NIET BIJ HET VERDRAG BEPERKTE CONVENTIONELE WAPENSYSTEMEN

1

Bestaande typen van op een gepantserd personeelsvoertuig lijkende voertuigen zijn:

YPR-765 MILAN BTR-40 CP
CP PRCOC1 PRCOC2 BTR-50 PU PUM
PRCOC4 PRCOC5 PRMR P PUR 82 PK (MRF) UR-67
AMX-13 VTT MILAN PC PK(B) MTP-1
BTR-152 CP
M113 MILAN
A1/A2(ATGW) BTR-60 PU
E/W TOW ARTFC ARTOBS FACONT MORTFC A1E Mortar Carrier SIG HFTRSM CP CPSVC A1CP A1ECP 4,2"/M106 Al 4,2" M106 81 mm M-125 81 mm M125 Al 81 mm M125 A2 81 mm NM-125 81 mm PU-12/PA PU-12 PAU BBS ABS R-137 B R-140 BM R-145 R-156 R-409 BM P-238BT P-240BT P-241BT E-351BR R-975 MTP-2 IV18, 1V19 1V118 B
BTR-70 KShM
TPz-1 HFTRSM SPR-2
FUCHS ADCP BREM
CP ENGRCP ZS-88 Kh
ELOKA
NBC BTR-80 1V119
RASIT RCHM-4
M59 CP BTR-D ZD
RD
LEONIDAS 1
OT-62 CP
(TOPAS)
VAB PC WPT/DPT-62
BREM
BMR-600 SIG R-2M
PC R-3M
81 mm R-3MT
R-4MT
SPARTAN STRIKER OT-64 CP
SAMSON (SKOT)
CP Rr3Z
JAVELIN R-2M
MILAN R-3MT
R-4
SAXON AD R-4MT
CP R-2AM
MAINT PROPAGANDA
R-4M
AFV-432 CP/RA R-6
81 mm WPT/DR-64
CYMB BREM
AFV 435 S-260 inz.
AFV 436 S-260 art.
AFV 439
OT-810 OT-810/R-112
HUMBER SQUIRT
OT90 VP90
SARA SQUIRT
CEN
CP FUG VS
D-442
ADR MRP
OT-65/R-112
YP408 PWMR OT-65 DP
PWCO OT-65 CH
PWAT
PWRDR PSZH CP
PWV D-944
MT-LB AT
BTR-50 PU KShM-R-81
PK(MRF) R-80
PR(B) 9S743
PI
BTR-60 PU-12/PA PU-12 1W-13-16
BBS ABS R-137B R-140BM R-145 R-156 R-409BM P-238 BT P-240 BT P-241 BT B 1W-21-25 1W-12 MP-21-25 AFMS R-381 T R-330P Bèta 3M SPR-1 WPT/DTP BREM TRI
MT-LB PI MTP-LB BRM Sova/
MP-21-25 BRM30
1W-13-16
AFMS TAB-71 A
R-381 T TERA-71-L
R-330 P AR
Beta 3M
MTP-LB TAB-77 A
TERA-77-L RCH-84 PCOMA
TABC-79 AR
A-POMA
TAB MLVM TCG-80 AR

2

Bestaande typen van op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen zijn:

WARRIOR RA BMP-1 KSh
REP REC 9S743 PRP-3, -4 MP-31
BMP-1 MTP MP-31 B SVO
DTB-80 VPV IRM MTP BREM-4, -2, -D BMD-1 K-Sh BRM-1 KSh

3

Bestaande typen lesvliegtuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor de initiële vliegopleiding en die slechts inbeperkte mate kunnen worden bewapend ten behoeve van de basisopleiding wapengebruik, zijn:

Alpha Jet É C-101 Aviojef Fouga Hawk vJet Provost 1-22 IAR-99 L-29 li-39 TS-11
L-39 MB-326 PD-808 T-2 T-33/CT-133 T-37 T-38

4

Bestaande typen gevechtsondersteunende helikopters zijn:

A-109 Hirundo AB-412 Alouette II Alouette III Blackhawk IAR-316 IAR-330 Mi-2 Mi-6 Mi-8/Mi-17
Bell 47/AB 47/Sioux BO-105 CH53 Chinook Fennec AS 555 A Hughes 300. Hughes 500/OH-6 Mi-8 OH-58 Kiowa/AB-206/CH-136 Puma Sea King UH-1A/1B/AB-204 UH-1D/1H/AB-205 UH-1N/AB-212 Wessex

5

Bestaande typen onbewapende transporthelikopters die niet zijn uitgerust voor het gebruik van wapens zijn:

AB47 AB-412 Alouette II CH53 Mi-2 Mi-26 SA-365N Dauphin W-3 Sokol
Chinook Cougar AS 532 U Dauphin AS 365 NI Hughes 300 NH 500 Puma Sea King/H-3F/HAR 3 SH-3D UH-1D/1H/AB-205 UH-1N/AB-212

6

Bestaande typen brugleggende tanks zijn:

M47 AVLB M48 AVLB M60 AVLB Centurion AVLB Chieftain AVLB Brueckenlegepanzer Biber/Leopard 1 AVLB MTU MT-20 MT-55A MTU-72 BLG-60 BLG-67M
BLG-67M2

TITEL III. TECHNISCHE GEGEVENS EN FOTO'S

1

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)