Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa

Type Verdrag
Publication 1993-07-06
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Overeenkomstig Titel II van het Protocol verstrekt elke Partij gegevens over haar totale aantallen, per type, van gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen en stukken artillerie (Schema IIA) die zijn onderworpen aan de getalsmatige beperkingen genoemd in de artikelen IV en V van het Verdrag (kolom b), en over haar totale aantallen, per type, van gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters (Schema IIB) die zijn onderworpen aan de getalsmatige beperkingen genoemd in artikel IV van het Verdrag (kolom b).

2

De gegevens over pantsergevechtsvoertuigen omvatten de totale aantallen van zwaarbewapende gevechtsvoertuigen, pantserinfanteriegevechtsvoertuigen en gepantserde personeelsvöertuigen, alsmede de aantallen (kolom f/e) en de typen (kolom e/d) daarvan in elk van deze subcategorieën (kolom d/c).

3

In het geval van gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie en brugleggende tanks, opgeslagen in overeenstemming met artikel X van het Verdrag, wordt het totale aantal vermeld dat zich in aangewezen permanente opslagplaatsen bevindt (kolom g).

Schema IIA:. totale aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen EN STUKKEN ARTILLERIE DIE ZIJN ONDERWORPEN AAN DE GETALSMATIGE BEPERKING VAN (Partij) PER (datum)

Schema IIB:. totale aantallen gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters DIE ZIJN ONDERWORPEN AAN DE GETALSMATIGE BEPERKING van (Partij) per (datum)

TITEL III. INFORMATIE OVER DE PLAATS, AANTALLEN EN TYPEN VAN CONVENTIONELE WAPENSYSTEMEN IN DIENST BIJ DE CONVENTIONELE STRIJDKRACHTEN

1

Elke Partij verstrekt een overzicht van hiërarchiegegevens van al haar landstrijdkrachten, luchtstrijdkrachten en luchtverdedigingsstrijdkrachten gemeld ingevolge Titel III, paragraaf 1, van het Protocol, formaties en eenheden gemeld ingevolge Titel III, paragraaf 2, van het Protocol en inrichtingen waar zich in Titel III, paragraaf 3, van het Protocol genoemde conventionele wapensystemen bevinden.

2

Voor elke organisatie en inrichting wordt de volgende informatie verstrekt:

  • A. het registratienummer van de formatie of eenheid (kolom b) en de benaming van de organisatie (kolom c) als in Schema I. Aan afzonderlijk gelegerde bataljons/squadrons vermeld ingevolge paragraaf 1 van deze Titel, formaties en eenheden gemeld ingevolge Titel III, paragraaf 2, van het Protocol en inrichtingen vermeld in overeenstemming met Titel III, paragraaf 3, van het Protocol wordt ook een eigen registratienummer (kolom b) toegekend; tevens wordt hun nationale benaming (d.w.z. de naam) (kolom c) vermeld. In hun rangschikking in het overzicht komt de subordinatie tot uitdrukking, met uitzondering van de in Titel III, paragraaf 2, van het Protocol gemelde formaties en eenheden, die gezamenlijk aan het eind van het overzicht worden genoemd:
    1. aangewezen permanente opslagplaatsen worden aangeduid met de aantekening „aangewezen permanente opslagplaats" achter de nationale benaming; en
    1. verminderingsplaatsen worden aangeduid met de aanteke ning „vermindering" achter de nationale benaming;
  • B. de ligging (kolom d), met inbegrip van de aardrijkskundige naam en de coördinaten op tien seconden nauwkeurig. Voor plaatsen waar zich gestationeerde strijdkrachten bevinden, wordt tevens de naam van de ontvangende Partij vermeld;
  • C. voor elk bevelsniveau van het hoogste niveau tot aan dat van divisie/luchtmachtdivisie, de totale aantallen conventionele wapensystemen in elke categorie (kolommen f tot en met m/l). Bijvoorbeeld, het totale aantal dat een divisie bezit is de som van hetgeen al haar ondergeschikte organisaties bezitten; en
  • D. voor elk bevelsniveau van dat van divisie en lager als genoemd in paragraaf 1 van deze Titel, het aantal conventionele wapensystemen per type onder de kopjes in de Schema's IIIA en IIIB (kolommen f tot en met m/l). In de kolom „pantsergevechtsvoertuig" in Schema IIA (kolom g) worden de subcategorieën (d.w.z. gepantserde personeelsvoertuigen, pantserinfanteriegevechtsvoertuigen, zwaarbewapende gevechtsvoertuigen) afzonderlijk vermeld. In de kolom „aanvalshelikopters" (kolom k/i) worden de subcategorieën (d.w.z. gespecialiseerde of algemeen inzetbare aanvalshelikopters) afzonderlijk vermeld. In de kolom „overige" (1) in Schema IIIB worden vermeld eventuele gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, op een gepantserd personeelsvoertuig lijkende of op een infanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen en brugleggende tanks die in dienst zijn bij de luchtstrijdkrachten en de luchtverdedigingsstrijdkrachten.

Schema IIIA:. informatie over de plaats, aantallen en typen VAN CONVENTIONELE WAPENSYSTEMEN, VERSTREKT INGEVOLGE TITEL III VAN HET PROTOCOL INZAKE INFORMATIE-UITWISSELING VAN (Partij) PER (datum)

Schema IIIB:. informatie over de plaats, aantallen en typen VAN CONVENTIONELE WAPENSYSTEMEN, VERSTREKT INGEVOLGE TITEL III VAN HET PROTOCOL INZAKE INFORMATIE-UITWISSELING VAN (Partij) PER (datum)

TITEL IV. INFORMATIE OVER CONVENTIONELE WAPENSYSTEMEN DIE NIET IN DIENST ZIJN BIJ CONVENTIONELE STRIJDKRACHTEN, VERSTREKT INGEVOLGE TITEL IV VAN HET PROTOCOL INZAKE INFORMATIE-UITWISSELING

1

Ingevolge Titel IV van het Protocol verstrekt elke Partij informatie over de, plaats, aantallen en typen van haar gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters binnen het toepassingsgebied, doch niet in dienst bij haar conventionele strijdkrachten.

2

Voor elke plaats wordt de volgende informatie verstrekt:

  • A. de bepalingen van Titel IV van het Protocol op grond waarvan de informatie wordt verstrekt (kolom b);
  • B. de plaats (kolom c):
    1. met betrekking tot conventionele wapensystemen gemeld ingevolge Titel IV, paragraaf 1, letter A, punten 1,3 en 5, van het Protocol, de aardrijkskundige naam en de coördinaten, op tien seconden nauwkeurig, van de plaatsen waar die wapensystemen zich bevinden; en
    1. met betrekking tot conventionele wapensystemen gemeld ingevolge Titel IV, paragraaf 1, letter A, punt 2, van het Protocol, de nationale benaming van de bestuurlijke regio of afdeling waar die wapensystemen zich bevinden.
  • C. met betrekking tot conventionele wapensystemen gemeld ingevolge Titel IV, paragraaf 1, letter A, punten 1 en 2, van het Protocol, de benaming van de organisaties op nationaal niveau die de genoemde wapensystemen bezitten (kolom c); en
  • D. voor elke plaats, het aantal, per type, onder de desbetreffende kopjes in Schema IV (kolommen d tot en met h), met de volgende uitzondering: met betrekking tot conventionele wapensystemen gemeld ingevolge Titel IV, paragraaf 1, letter A, punt 2, van het Protocol worden slechts de aantallen in elke categorie verstrekt, zulks uitsluitend voor de genoemde bestuurlijke regio of afdeling (kolom c).

Schema IV:. informatie over de plaats van conventionele wapensystemen, VERSTREKT INGEVOLGE TITEL IV VAN HET PROTOCOL INZAKE INFORMATIE-UITWISSELING VAN (Partij) PER (datum)

TITEL V. INFORMATIE OVER VERIFICATIE-OBJECTEN EN OPGEGEVEN INSPECTIEPLAATSEN

1

Ingevolge Titel V van het Protocol verstrekt elke Partij een overzicht van haar verificatie-objecten en opgegeven inspectieplaatsen als omschreven in Titel I van het Protocol inzake inspectie. Opgegeven inspectieplaatsen (Schema V) worden in alfabetische volgorde vermeld.

2

Over opgegeven inspectieplaatsen dient de volgende informatie te worden verstrekt:

  • A. een eigen identificatiecode (d.w.z. het registratienummer van de opgegeven inspectieplaats) (kolom b) die in alle latere uitwisselingen van informatie voor die plaats zal worden gebruikt;
  • B. de naam van de plaats en de ligging ervan, aangegeven door middel van de aardrijkskundige naam en de coördinaten, op 10 seconden nauwkeurig, (kolom c). Voor plaatsen waar zich verificatieobjecten van gestationeerde strijdkrachten bevinden, wordt ook de ontvangende Partij vermeld;
  • C. het/de desbetreffende punt(en) van binnenkomst/vertrek (kolom d);
  • D. een eigen volgnummer, de benaming en het registratienummer van de formatie of eenheid van alle verificatie-objecten die zijn gestationeerd op de opgegeven inspectieplaats als genoemd in Titel III van deze Bijlage (kolom e). De volgnummers worden zodanig toegekend, dat het nummer dat is toegekend aan het laatste verificatieobject in het overzicht gelijk is aan het totale aantal verificatie-objecten van een Partij; en
  • E. het totale aantal conventionele wapensystemen in elke in Titel III van het Protocol genoemde categorie die zich op de opgegeven inspectieplaats bevinden en in het bezit zijn van elk verificatie-object (kolommen f tot en met p), onder vermelding van bovendien:
    1. de conventionele wapensystemen in elke categorie die zich op de opgegeven inspectieplaats bevinden en die behoren tot een verificatie-object dat is gelegerd op een andere opgegeven inspectieplaats, onder vermelding van de benaming en het registratienummer van de formatie of eenheid van elk verificatie-object (kolom e); en
    1. de conventionele wapensystemen die niet behoren tot een verificatie-object worden aangeduid door- middel van de volgende aantekeningen onmiddellijk na/onder de vermelding in de kolommen f tot en met p:
  • a. wapensystemen in het bezit van organisaties die qua opzet en structuur zijn bedoeld om in vredestijd binnenlandse veiligheidstaken te verrichten, de aantekening veiligheid";
  • b. uit dienst gestelde wapensystemen, de aantekening „uit dienst gesteld";
  • c. wapensystemen die wachten op of worden opgeknapt voor uitvoer of wederuitvoer, de aantekening „export";
  • d. verminderde wapensystemen die wachten op conversie, de aantekening „verminderd"; en
  • e. wapensystemen die uitsluitend worden gebruikt voor onderzoeks- en ontwikkelingsdoeleinden, de aantekening „research".

Schema V:. informatie over verificatie-objecten en opgegeven inspectieplaatsen van (Partij) per (datum)

3

Elke Partij verstrekt een overzicht van punten van binnenkomst/ vertrek (Schema VI). In het schema wordt telkens een eigen numerieke identificatiecode toegekend, die wordt gebruikt ter aanduiding van het/de punt(en) van binnenkomst/vertrek voor elke ingevolge paragraaf 2, letter c, van deze Titel vermelde inspectieplaats. De aanduiding van de ligging omvat mede de aardrijkskundige naam (kolom c) en de coördinaten, op 10 seconden nauwkeurig (kolom d). Bij elk punt wordt tevens vermeld voor welk type vervoer - „lucht", „zee" of „land" - het geschikt is (kolom e).

Schema VI:. punten van binnenkomst/vertrek van (Partij) per (datum)

Schema I:. bevelsorganisatie van de landstrijdkrachten, de LUCHTSTRIJDKRACHTEN EN DE LUCHTVERDEDIGINGSSTRIJDKRACHTEN van (Partij) per (datum)

Schema IIA:. totale aantallen gevechtstanks, pantsergeVECHTSVOERTUIGEN EN STUKKEN ARTILLERIE DIE ZIJN ONDERWORPEN AAN DE GETALSMATIGE BEPERKING VAN (Partij) PER (datum)

Schema IIB:. totale AANTALLEN gevechtsvliegtuigen en aanvalsHELIKOPTERS DIE ZUN ONDERWORPEN AAN DE GETALSMATIGE BEPERKING van (Partij) per (datum)

Schema IIIA:. informatie over de plaats, aantallen en typen van conventionele wapensystemen, verstrekt INGEVOLGE TITEL III VAN HET PROTOCOL INZAKE INFORMATIE-UITWISSELING VAN (Partij) PER (datum)

Schema IIIB:. informatie over de plaats, aantallen en typen van conventionele wapensystemen, verstrekt INGEVOLGE TITEL III VAN HET PROTOCOL INZAKE INFORMATIE-UITWISSELING VAN(Partij) PER (datum)

Schema IV:. informatie over de plaats van conventionele wapensystemen, VERSTREKT INGEVOLGE TITEL IV VAN HET PROTOCOL INZAKE informatie-uitwisseling van (Partij) per (datum)

Schema V:. informatie over verificatie-objecten en opgegeven inspectieplaatsen van (Partij) per (datum)

Schema VI:. punten van binnenkomst/vertrek van (Partij) per (datum)

De Partijen komen hierbij procedures en andere bepalingen overeen betreffende het houden van inspecties als bedoeld in artikel XIV van het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa van 19 november 1990, hierna te noemen het Verdrag.

Opgeschort per 7 december 2023 (Trb. 2023/141).

Opgeschort per 7 december 2023 (Trb. 2023/141).

TITEL I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

1

Voor de toepassing van het Verdrag wordt verstaan onder:

  • A. „geïnspecteerde Partij" een Partij op het grondgebied waarvan een inspectie wordt uitgevoerd in overeenstemming met artikel XIV van het Verdrag:
    1. in geval van inspectieplaatsen waar slechts bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van een stationerende Partij aanwezig zijn, oefent die stationerende Partij, met inachtneming van de bepalingen van dit Protocol, de rechten en verplichtingen uit van de geïnspecteerde Partij als neergelegd in dit Protocol, zulks voor de duur van de inspectie op de inspectieplaats waar haar bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen zich bevinden; en
    1. in geval van inspectieplaatsen waar bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van meer dan één Partij aanwezig zijn, oefent elk van die Partijen, met inachtneming van de bepalingen van dit Protocol, ten aanzien van haar eigen bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen de rechten en verplichtingen uit van de geïnspecteerde Partij als neergelegd in dit Protocol, zulks voor de duur van de inspectie op de inspectieplaats waar haar bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen zich bevinden.
  • B. „stationerende Partij" een Partij die conventionele wapensystemen, in dienst bij haar conventionele strijdkrachten, buiten haar eigen grondgebied stationeert binnen het toepassingsgebied.
  • C. „ontvangende Partij" een Partij die op haar grondgebied binnen het toepassingsgebied door een andere Partij gestationeerde conventionele wapensystemen in dienst bij de conventionele strijdkrachten van die andere Partij ontvangt.
  • D. „inspecterende Partij" een Partij die om een inspectie verzoekt en derhalve verantwoordelijk is voor de uitvoering daarvan.
  • E. „inspecteur" een persoon die door één van de Partijen is aangewezen om een inspectie uit te voeren en die is opgenomen in de aanvaarde lijst van inspecteurs van die Partij in overeenstemming met de bepalingen van Titel III van dit Protocol.
  • F. „bemanningslid" een persoon die taken verricht verband houdende met het gebruik van een vervoermiddel en die is opgenomen in de aanvaarde lijst van bemanningsleden van een Partij in overeenstemming met de bepalingen van Titel III van dit Protocol.
  • G. „inspectieteam" een groep inspecteurs aangewezen door een inspecterende Partij om een bepaalde,inspectie te houden.
  • H. „begeleidingsteam'' een groep personen, aangewezen door een geïnspecteerde Partij om inspecteurs die een bepaalde. inspectie houden te vergezellen en bij te staan, alsmede andere in dit Protocol uiteengezette taken op zich te nemen. In geval van inspectie van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van een stationerende Partij omvat het begeleidingsteam zowel door de ontvangende als door de stationerende Partij aangewezen personen, tenzij zij anderszins zijn overeengekomen.
  • I. „inspectieplaats" een gebied, locatie of inrichting waar een inspectie wordt uitgevoerd.
  • J. „verificatie-object":
    1. een formatie of eenheid op het bevelsniveau van brigade/ regiment, wing/luchtmachtregiment, zelfstandig bataljon/ artilleriebataljon, zelfstandig squadron, of daaraan gelijk waardig, alsmede een afzonderlijk gelegerd bataljon/squadron of gelijkwaardige eenheid op het eerstvolgende bevelsniveau onder dat van brigade/regiment en. wing/luchtmachtregiment, die beschikt over bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen op een plaats bekendgemaakt overeenkomstig Titel III, paragraaf 1, letter a, van het Protocol inzake informatie-uitwisseling;
  • .2. een aangewezen permanente opslagplaats, een militaire opslagplaats die niet-organiek tot de in punt 1 van deze letter genoemde formaties en eenheden behoort, een zelfstandige reparatie- of onderhoudseenheid, militaire opleidingsinstelling of militair vliegveld waar permanent of veelvuldig bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen aanwezig zijn, bekendgemaakt overeenkomstig Titel III, paragraaf 3, letters A en B, van het Protocol inzake informatie-uitwisseling;
  • .3. een verminderingsplaats voor bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen, bekendgemaakt overeenkomstig Titel III; paragraaf 3, letter C, van het Protocol inzake informatie-uitwisseling;
  • .4. in het geval van eenheden onder het bevelsniveau van dat van bataljon die beschikken over bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen en die rechtstreeks ondergeschikt zijn aan een eenheid of formatie boven het bevelsniveau van dat van brigade/regiment, of daaraan gelijkwaardig, wordt de eenheid of formatie waaraan de eenheden onder het bevelsniveau van dat Van bataljon ondergeschikt zijn, beschouwd als verificatie-object indien het geen ondergeschikte eenheid of formatie heeft op het bevelsniveau van brigade/ regiment of daaraan gelij kwaardig; en
  • .5. een formatie of eenheid die beschikt over conventionele wapensystemen waarop het Verdrag van toepassing is, doch die niet bij de conventionele strijdkrachten van een Partij in dienst zijn gesteld, wordt niet beschouwd als verificatie-ob-ject.
  • K. „militair vliegveld" een permanent militair complex, dat anderszins geen verificatie-object omvat, waar het frequent gebruik, d.w.z. het opstijgen en landen, van ten minste zes bij het Verdrag beperkte of aan inwendige inspectie onderworpen gevechtsvliegtuigen of gevechtshelikopters, veelvuldig plaatsvindt.
  • L. „militaire opleidingsinstelling" een inrichting, die anderszins geen verificatie-object omvat, waar een militaire eenheid of een onderdeel van een militaire eenheid is gelegerd voor de opleiding van personeel, waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste 30 bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen of meer dan 12 stuks van één categorie van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen.
  • M. „militaire opslagplaats", die niet organiek tot als verificatie-object aangeduide formaties en eenheden behoort, een opslagplaats, anders dan aangewezen permanente opslagplaatsen of plaatsen ondergeschikt aan organisaties die qua opzet en structuur zijn bedoeld voor het verrichten van binnenlandse veiligheidstaken, waar zich bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen bevinden, ongeacht de organisatorische of operationele status. Bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen die zich op bedoelde plaatsen bevinden, maken deel uit van de toegestane maximumaantallen in actieve eenheden in overeenstemming met artikel IV van het Verdrag.
  • N. „opgegeven inspectieplaats" een inrichting of exact begrensde locatie waar zich één of meer verificatie-objecten bevinden. Een opgegeven inspectieplaats omvat het gehele grondgebied binnen de kunstmatige of natuurlijke buitengrenzen, alsmede het bijbehorende gebied bestaande uit schietbanen, oefenterreinen, onderhouds- en opslagplaatsen, helihavens en laad- en losinrichtingen voor spoorwegen; waar permanent of veelvuldig gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtshelikopters, gevechtsvliegtuigen, gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, op een gepantserd personeelsvoertuig lijkende voertuigen, op een pantserinfanterie-gevechtsvoertuig lijkende voertuigen of brugleggende tanks aanwezig zijn.
  • O. „gespecificeerd gebied" een gebied ergens op het grondgebied van een Partij binnen het toepassingsgebied, anders dan een plaats die wordt geïnspecteerd in overeenstemming met de Titels VII, IX of X van dit Protocol, waarin een verrassingsinspectie wordt gehouden in overeenstemming met Titel VIII van dit Protocol. Een gespecificeerd gebied mag niet groter zijn dan 65 vierkante kilometer., Een rechte lijn tussen twee punten in dit gebied mag niet langer zijn dan 16 kilometer.
  • P. „gevoelig punt" iedere uitrusting, opstal of, locatie die door de geïnspecteerde Partij of door de Partij die de rechten en verplichtingen van de geïnspecteerde Partij uitoefent via het begeleidingsteam als gevoelig is aangeduid en; ten aanzien waarvan.de toegang of het overvliegen kan worden uitgesteld, beperkt of geweigerd.
  • Q. „punt van binnenkomst/vertrek" een punt, aangewezen door een Partij op het grondgebied waarvan een inspectie zal worden uitgevoerd, waarlangs inspectieteams en bemanningen aankomen op het grondgebied van. die Partij en waarlangs zij het grondgebied van die Partij verlaten.
  • R. „verblijfsperiode" de totale tijd die voor een inspectie ingevolge de Titels VII en VIII van dit Protocol door een inspectieteam ononderbroken wordt doorgebracht pp het grondgebied van een Partij waar een inspectie wordt uitgevoerd, zulks vanaf de aankomst van- het inspectieteam op het punt van binnenkomst/vertrek tot de terugkomst van het inspectieteam, op een punt van binnenkomst/vertrek na voltooiing van de laatste inspectie door dat inspectieteam.
  • S. „aanvangsinventarisatietijdvak", ten behoeve van de berekening van de inspectiequota's, het tijdvak van 120 dagen na de inwerkingtreding van het Verdrag.
  • T. „verminderingstijdvak", ten behoeve van de berekening van de inspectiequota's, het tijdvak van drie jaar na het 120 dagen durende aanvangsinventarisatietijdvak.
  • U. „restinventarisatietijdvak", ten behoeve van de berekening van de inspectiequota's, het tijdvak van 120 dagen na het drie jaar durende verminderingstijdvak.
  • V. „resttijdvak", ten behoeve van de berekening van de inspectiequota's, het tijdvak na het 120 dagen durende restinventarisatietijdvak; het duurt zolang het Verdrag van kracht blijft.
  • W. „passief quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen" het totale aantal inspecties van verificatie-objecten in overeenstemming met Titel VII van dit Protocol dat elke Partij binnen een tijdvak moet dulden op inspectieplaatsen waar zich verificatie-objecten bevinden.
  • X. „passief quotum voor verrassingsinspecties" het maximumaantal verrassingsinspecties binnen gespecificeerde gebieden in overeenstemming met Titel VIII van dit Protocol dat elke Partij met grondgebied binnen het toepassingsgebied in een tijdvak moet dulden.
  • Y. „actief inspectiequotum" het totale aantal inspecties in overeenstemming met de Titels VII en VIII van dit Protocol dat elke Partij in een tijdvak mag houden.
  • Z. „certificeringsplaats" een exact aangeduide plaats waar de certificering van gerecategoriseerde algemeen inzetbare aanvalshelikopters en van gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit plaatsvindt in overeenstemming met het Protocol inzake de recategorisering van helikopters en het Protocol inzake de reclassificering van vliegtuigen.
  • AA. „verslagperiode" een in dagen uitgedrukt tijdvak gedurende hetwelk de voorgenomen vermindering van het geplande aantal bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen in overeenstemming met artikel VIII van het Verdrag moet worden verwezenlijkt.

TITEL II. ALGEMENE VERPLICHTINGEN

1

Ten einde de naleving van de bepalingen van het Verdrag te kunnen verifiëren, vergemakkelijkt elke Partij het houden van inspecties uit hoofde van dit Protocol.

2

In het geval van conventionele wapensystemen, in dienst bij de conventionele strijdkrachten van een Partij, die in het toepassingsgebied buiten het eigen grondgebied zijn gestationeerd, dragen de ontvangende Partij en de stationerende Partij, ter nakoming van hun onderscheiden verplichtingen, gezamenlijk zorg voor de inachtneming van de desbetreffende bepalingen van dit Protocol. De stationerende Partij is volledig verantwoordelijk voor de nakoming van de door het Verdrag opgelegde verplichtingen met betrekking tot haar conventionele wapensystemen die in dienst zijn bij haar conventionele strijdkrachten die op het grondgebied van de ontvangende Partij zijn gestationeerd.

3

Het begeleidingsteam valt onder de verantwoordelijkheid van de geïnspecteerde Partij:

  • A. in het geval van inspectieplaatsen waar zich uitsluitend bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van een stationerende Partij bevinden die onder het bevel van die Partij staan, valt het begeleidingsteam voor de duur van de inspectie op die inspectieplaats waar zich bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van de stationerende Partij bevinden, onder de verantwoordelijkheid van een vertegenwoordiger van de stationerende Partij; en
  • B. in het geval van inspectieplaatsen waar zich bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen bevinden van zowel de ontvangende Partij als de stationerende Partij., bestaat het begeleidingsteam uit vertegenwoordigers van beide Partijen wanneer daadwerkelijk bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van de stationerende Partij worden geïnspecteerd. Tijdens de inspectie op die inspectieplaats oefent de ontvangende Staat de rechten en verplichtingen uit van de geïnspecteerde Partij, met uitzondering van de rechten en verplichtingen die verband houden met de inspectie van bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen van de stationerende Partij; die rechten en verplichtingen oefent de stationerende Partij uit.

4

Indien een inspectieteam verzoekt om toegang tot opstallen of terreinen die worden gebruikt door een andere Partij opgrond van een akkoord met de geïnspecteerde Partij, oefent die andere Partij, in samenwerking met de geïnspecteerde Partij en voor zover zulks verenigbaar is met het akkoord inzake het gebruik, de in dit Protocol neergelegde rechten en verplichtingen uit met betrekking tot inspecties betreffende wapensystemen die toebehoren aan de Partij, die de opstallen of terreinen gebruikt.

5

Opstallen of terreinen die door een andere Partij worden gebruikt op grond van een akkoord met de geïnspecteerde Partij zijn slechts aan inspectie onderworpen wanneer een vertegenwoordiger van die andere Partij deel uitmaakt van het begeleidingsteam.

6

Inspectieteams en subteams vallen onder de zeggenschap en de verantwoordelijkheid van de inspecterende Partij.

7

Op een inspectieplaats mag zich telkens slechts één inspectieteam bevinden dat een inspectie houdt uit hoofde van Titel VII of VIII van dit Protocol.

8

Met inachtneming van de overige bepalingen van dit Protocol besluit de inspecterende Partij hoe lang elk inspectieteam zal verblijven op het grondgebied van de Partij waar een inspectie zal worden uitgevoerd, en in hoeveel en op welke inspectieplaatsen het inspecties zal houden gedurende de verblijfsperiode.

9

De reiskosten van een inspectieteam tot aan het punt van binnenkomst/vertrek vóór een inspectie en vanaf het punt van binnenkomst/vertrek na voltooiing van de laatste inspectie worden gedragen door de inspecterende Partij.

10

Elke Partij is verplicht een aantal inspecties uit hoofde van Titel VII of VIII van dit Protocol te dulden, welk aantal niet groter mag zijn dan haar passieve quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen in elk van de volgende tijdvakken: een 120 dagen durendaanvangsinventarisatietijdvak, een drie jaar durend verminderingstijdvak, een 120 dagen durend restinventarisatietijdvak en een resttijdyak dat duurt zolang het Verdrag van kracht is. De passieve quota voor inspecties in opgegeven inspectieplaatsen worden per tijdvak vastgesteld als percentage van de verificatie-objecten van een Partij binnen het toepassingsgebied van het Verdrag, met uitzondering van verminderingsplaatsen en certificerings plaatsen:

  • A. gedurende de eerste 120 dagen na de inwerkingtreding van het Verdrag is het passieve quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen gelijk aan 20 procent van de verificatie-objecten van een Partij, bekendgemaakt overeenkomstig Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling;
  • B. gedurende elk jaar van het verminderingstijdvak, na afloop van het aanvangstijdvak van 120 dagen, is het passieve quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen gelijk aan 10 procent van de verificatie-objecten van een Partij, bekendgemaakt overeenkomstig Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling;
  • C. gedurende de eerste 120 dagen na afloop van het drie jaar durende verminderingstijdvak is het passieve quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen gelijk aan 20 procent van de verificatie-objecten van een Partij, bekendgemaakt overeenkomstig Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling; en
  • D. gedurende elk jaar na afloop van het 120 dagen durende restinventarisatietijdvak is, zolang het Verdrag van kracht blijft, het passieve quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen gelijk aan 15 procent van de verificatie-objecten van een Partij, bekendgemaakt overeenkomstig Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling.

11

Elke Partij met grondgebied binnen het toepassingsgebied is verplicht verrassingsinspecties te dulden als volgt:

  • A. gedurende het aanvangsinventarisatietijdvak, gedurende elk jaar van het verminderingstijdvak en gedurende het restinventarisatietijdvak, ten hoogste 15 procent van het aantal inspecties op opgegeven inspectieplaatsen dat een Partij op haar grondgebied moet dulden, zowel met betrekking tot haar eigen verificatie-objecten, als met betrekking tot verificatie-objecten die toebehoren aan stationerende Partijen; en
  • B. gedurende elk jaar van het resttijdvak ten hoogste 23 procent van het aantal inspecties op opgegeven inspectieplaatsen dat een Partij op haar grondgebied moet dulden, zowel met betrekking tot haar eigen verificatie-objecten, als met betrekking tot verificatie-objecten die toebehoren aan stationerende Partijen.

12

Ongeacht andere beperkingen uit hoofde van deze Titel is elke Partij verplicht per jaar ten minste een inspectie van haar verificatieobjecten te dulden ingevolge Titel VII van dit Protocol, en elke Partij met grondgebied binnen het toepassingsgebied is verplicht per jaar ten minste een inspectie binnen een gespecificeerd gebied te dulden overeenkomstig Titel VIII van dit Protocol.

13

Een inspectie van één verificatie-object op een inspectieplaats ingevolge Titel VII van dit Protocol telt mee als één inspectie voor het passieve quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen van de Partij waarvan het verificatie-object wordt geïnspecteerd.

14

Het aandeel van inspecties uit hoofde van Titel VII van dit Protocol op het grondgebied van een ontvangende Partij binnen een bepaald tijdvak, dat wordt gebruikt voor het inspecteren van verificatie-objecten die aan een stationerende Partij toebehoren, mag niet groter zijn dan het aandeel van de verificatie-objecten van die stationerende Partij in het totale aantal verificatie-objecten die zich op het grondgebied van de ontvangende Partij bevinden.

15

Het aantal inspecties van verificatie-objecten uit hoofde van Titel VII van dit Protocol binnen een bepaald tijdvak op het grondgebied van een Partij wordt berekend als percentage van het totale aantal verificatie-objecten die zich op het grondgebied van die Partij bevinden.

16

Een inspectie uit hoofde van Titel VIII van dit Protocol binnen een gespecificeerd gebied telt mee als één inspectie voor het passieve quotum voor verrassingsinspecties en als één inspectie voor het passieve quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen van de Partij op het grondgebied waarvan de inspectie wordt gehouden.

17

Tenzij anders is overeengekomen tussen het begeleidingsteam en het inspectieteam, duurt de verblijfsperiode van een inspectieteam, met een maximum van in totaal 10 dagen, niet langer dan het totale aantal uren berekend aan de hand van de volgende formule:

  • A. 48 uur voor de eerste inspectie van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied; plus
  • B. 36 uur voor elke volgende inspectie van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied.

18

Met inachtneming van de beperkingen van paragraaf 17 van deze Titel verblijft een inspectieteam dat een inspectie houdt uit hoofde van Titel VII of VI11 van dit Protocol ten hoogste 48 uur op een opgegeven inspectieplaats en ten hoogste 24 uur bij een inspectie binnen een gespecificeerd gebied.

19

De geïnspecteerde Partij verzekert dat het inspectieteam op de snelst mogelijke wijze naar de volgende inspectieplaats reist. Indien de tijd tussen de voltooiing van de ene inspectie en de aankomst van het inspectieteam op een volgende inspectieplaats langer duurt dan negen uur, of indien de tijd tussen de voltooiing van de laatste inspectie die het inspectieteam houdt op het grondgebied van de geïnspecteerde Partij en de aankomst van dat inspectieteam op het punt van binnenkomst/vertrek langer duurt dan negen uur, tellen de uren waarmee die negen uur wordt overschreden niet mee voor de verblijfsperiode van dat inspectieteam.

20

Een Partij behoeft op haar grondgebied binnen het toepassingsgebied tegelijkertijd ten hoogste te dulden hetzij twee inspectieteams ter uitvoering van inspecties ingevolge de Titels VII en VIII van dit Protocol, hetzij een aantal inspectieteams ter uitvoering van inspecties ingevolge de Titels VII of VIII van dit Protocol dat gelijk is aan 2 procent van het totale aantal verificatie-objecten die gedurende een tijdvak op het grondgebied van die Partij zullen worden geïnspecteerd, naar gelang van welk aantal het grootst is.

21

Een Partij behoeft tegelijkertijd ten hoogste te dulden hetzij twee inspectieteams ter uitvoering van inspecties van haar conventionele strijdkrachten ingevolge Titel VII of VIII van dit Protocol, hetzij een aantal inspectieteams ter uitvoering van inspecties van haar conventionele strijdkrachten ingevolge Titel VII of VIII van dit Protocol dat gelijk is aan 2 procent van het totale aantal van haar verificatie-objecten die gedurende een tijdvak zullen worden geïnspecteerd, naar gelang van welk aantal het grootst is.

22

Onverminderd de bepalingen van de paragrafen 20 en 21 van deze Titel behoeft een Partij met militaire districten als omschreven in de artikelen IV en V van het Verdrag op haar grondgebied binnen het toepassingsgebied ten hoogste twee inspectieteams tegelijkertijd te dulden ter uitvoering van inspecties uit hoofde van de Titels VII en VIII van dit Protocol in één van die militaire districten.

23

Een Partij behoeft inspecties ingevolge de Titels VII en VIII van dit Protocol door dezelfde Partij niet te dulden, wanneer deze gedurende een kalenderjaar meer dan 50 procent uitmaken van haar passieve quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen.

24

Elke Partij heeft het recht binnen het toepassingsgebied inspecties te houden op het grondgebied van andere Partijen. Een Partij mag evenwel per jaar niet meer dan vijf inspecties ingevolge de Titels VII en VIII houden ten aanzien van een andere Partij die tot dezelfde groep van Partijen behoort. Deze inspecties tellen mee voor het passieve quotum voor inspecties op opgegeven inspectieplaatsen van de geïnspecteerde Partij. Overigens is elke groep van Partijen als enige verantwoordelijk voor de toewijzing van inspecties aan elke Partij binnen de groep van Partijen. Elke Partij maakt haar actieve inspectiequotum bekend aan alle andere Partijen:

  • A. voor het aanvangsinventarisatietijdvak, uiterlijk 120 dagen na ondertekening van het Verdrag;
  • B. voor het eerste jaar van het verminderingstijdvak, uiterlijk 60 dagen na de inwerkingtreding van het Verdrag; en
  • C. voor elk volgend jaar van het verminderingstijdvak, voor het restinventarisatietijdvak en voor elk jaar van het resttijdvak, uiterlijk op de vijftiende januari voorafgaande aan elk bedoeld tijdvak.

TITEL III. VEREISTEN VOOR INSPECTIE

1

Inspecties ingevolge het Verdrag worden uitgevoerd door inspecteurs die zijn aangewezen in overeenstemming met de paragrafen 3 tot en met 7 van deze Titel.

2

Inspecteurs moeten onderdaan zijn van de inspecterende Partij of van andere Partijen.

3

Binnen 90 dagen na ondertekening van het Verdrag verstrekt elke Partij alle andere Partijen een lijst van haar voorgedragen inspecteurs en een lijst van haar voorgedragen bemanningsleden, waarin de namen (voluit) van de inspecteurs en de bemanningsleden, hun geslacht, geboortedatum, geboorteplaats en paspoortnummer zijn vermeld. Een lijst van voorgedragen inspecteurs die door een Partij wordt verstrekt, mag nimmer meer dan 400 personen bevatten en een lijst van voorgedragen bemanningsleden die door een Partij wordt verstrekt, mag nimmer meer dan 600 personen bevatten.

4

Elke Partij bestudeert de lijsten van inspecteurs en bemanningsleden die aan haar zijn verstrekt door de andere Partijen en deelt binnen 30 dagen na de ontvangst van elke lijst aan de Partij die de lijst verstrekt de personen mede van wie zij de naam uit die lijst wenst te schrappen.

5

Met inachtneming van paragraaf 7 van deze Titel worden inspecteurs en bemanningsleden om wier schrapping niet is verzocht binnen de in paragraaf 4 van deze Titel genoemde termijn, geacht te zijn aanvaard met het oog op de afgifte van visa en andere documenten in overeenstemming met paragraaf 8 van deze Titel.

6

Elke Partij heeft het recht haar lijsten te wijzigen binnen een maand na de inwerkingtreding van het Verdrag. Daarna kan elke Partij eens per zes maanden toevoegingen aan of schrappingen uit haar lijst van inspecteurs en bemanningsleden voorstellen, mits die gewijzigde lijsten de in paragraaf 3 van deze Titel genoemde aantallen niet overschrijden. Voorgedragen toevoegingen worden bestudeerd in overeenstemming met de paragrafen 4 en 5 van deze Titel.

7

Een Partij kan, zonder recht van weigering, naar goeddunken verzoeken om schrapping van elke persoon uit de lijsten van inspecteurs en bemanningsleden die door een andere Partij zijn verstrekt.

8

De Partij op het grondgebied waarvan een inspectie wordt gehouden, verstrekt aan de in overeenstemming met paragraaf 5 van deze Titel aanvaarde inspecteurs en bemanningsleden de visa en alle andere documenten die deze inspecteurs en bemanningsleden nodig hebben om het grondgebied van die Partij binnen te komen en aldaar te verblijven om inspectie-activiteiten te verrichten in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol. De visa en alle andere documenten worden verstrekt:

  • A. hetzij binnen 30 dagen na aanvaarding van de lijsten of latere veranderingen in deze lijsten, in welk geval de visa geldig zijn voor een tijdvak van ten minste 24 maanden; of
  • B. hetzij binnen een uur na de aankomst van het inspectieteam en de bemanningsleden op het punt van binnenkomst/vertrek, in welk geval de visa geldig zijn voor de duur van hun inspectie-activiteiten.

9

Binnen 90 dagen na ondertekening van het Verdrag stelt elke Partij alle andere Partijen in kennis van het nummer van de permanente diplomatieke toestemming voor de vervoermiddelen van die Partij waarmee inspecteurs en materieel, benodigd voor een inspectie, worden vervoerd naar of vanuit het grondgebied van de Partij waar een inspectie wordt gehouden. De routes naar en van de aangewezen punten van binnenkomst/vertrek lopen langs erkende internationale luchtwegen of andere routes die door de betrokken Partijen zijn overeengekomen als grondslag voor deze diplomatieke toestemming. De inspecteurs kunnen gebruik maken van lijnvluchten om te reizen naar de punten van binnenkomst/vertrek die door luchtvaartmaatschappijen worden aangedaan. De bepalingen van deze paragraaf inzake de diplomatieke toestemming zijn niet op die vluchten van toepassing.

10

Elke Partij geeft in de bekendmaking ingevolge Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling een punt of punten van binnenkomst/vertrek aan met betrekking tot elke opgegeven inspectieplaats, te zamen met de verificatie-objecten daarvan. Deze punten van binnenkomst/vertrek kunnen doorlaatposten te land, luchthavens of zeehavens zijn, die voldoende capaciteit moeten hebben om de vervoermiddelen van de inspecterende Partij te kunnen ontvangen. Met betrekking tot elke opgegeven inspectieplaats moet ten minste één luchthaven worden bekendgemaakt als punt van binnenkomst/ vertrek. De ligging van een punt van binnenkomst/vertrek dat met betrekking tot een opgegeven inspectieplaats is bekendgemaakt, moet zodanig zijn dat toegang tot de opgegeven plaats mogelijk is binnen de in Titel VII, paragraaf 8, van dit Protocol genoemde tijdsduur.

11

Elke Partij heeft het recht het punt of de punten van binnenkomst/ vertrek op zijn grondgebied te wijzigen door zulks ten minste 90 dagen voordat de wijziging van kracht wordt aan alle andere Partijen bekend te maken.

12

Binnen 90 dagen na ondertekening van het Verdrag maakt elke Partij aan alle andere Partijen de officiële taal of talen van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa bekend waarvan inspectieteams die haar conventionele strijdkrachten inspecteren, zich zullen bedienen.

TITEL IV. BEKENDMAKING VAN HET VOORNEMEN OM TE INSPECTEREN

1

De inspecterende Partij maakt haar voornemen een in artikel XIV van het Verdrag bedoelde inspectie uit te voeren bekend aan de geïnspecteerde Partij. In geval van inspectie van gestationeerde conventionele strijdkrachten maakt de inspecterende Partij dit tegelijkertijd bekend aan de ontvangende en stationerende Partijen. In geval van inspectie van certificerings- of verminderingsprocedures uitgevoerd door een stationerende Partij, maakt de inspecterende Partij dit tegelijkertijd bekend aan de ontvangende en stationerende Partijen.

2

Voor inspecties ingevolge de Titels VII en VIII van dit Protocol geschieden die bekendmakingen in overeenstemming met artikel XVII van het Verdrag, zulks ten minste 36 uur voor het verwachte tijdstip van aankomst vanhet inspectieteam op het punt van binnenkomst/vertrek op het grondgebied van de Partij waar een inspectie zal worden gehouden, en daarin dient te zijn vermeld:

  • A. het desbetreffende punt van binnenkomst/vertrek;
  • B. het verwachte tijdstip van aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek;
  • C. de bij aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek gebruikte vervoermiddelen;
  • D. een verklaring waaruit blijkt of de eerste inspectie wordt gehouden ingevolge Titel VII of VIII van dit Protocol en of de inspectie te voet, per terreinvoertuig, per helikopter, dan wel een combinatie daarvan, wordt gehouden;
  • E. de tijdsspanne tussen de aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek en de aanwijzing van de eerste inspectieplaats;
  • F. de taal waarvan het inspectieteam zich zal bedienen, zijnde een in overeenstemming met Titel III, paragraaf 12, van dit Protocol aangewezen taal;
  • G. de taal waarin het inspectierapport zal worden opgesteld in overeenstemming met Titel XII van dit Protocol;
  • H. de namen (voluit) van de inspecteurs en de bemanningsleden, hun geslacht, geboortedatum, geboorteplaats en paspoortnummer; en
  • I. het vermoedelijke aantal volgende inspecties.

3

Voor inspecties ingevolge de Titels IX en X van dit Protocol geschieden die bekendmakingen in overeenstemming met artikel XVII van het Verdrag, zulks ten minste 96 uur voor het verwachte tijdstip van aankomst van het inspectieteam op het aangewezen punt van binnenkomst/vertrek op het grondgebied van de Partij waar een inspectie wordt gehouden, en daarin dient te zijn vermeld:

  • A. het desbetreffende punt van binnenkomst/vertrek;
  • B. het verwachte tijdstip van aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek;
  • C. de bij aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek gebruikte vervoermiddelen;
  • D. voor elke verminderings- of certificeringsplaats, een verwijzing naar de bekendmaking ingevolge Titel IX, paragraaf 3, of Titel X, paragraaf 5, van dit Protocol;
  • E. de taal waarvan het inspectieteam zich zal bedienen, zijnde een in overeenstemming met Titel III, paragraaf 12, van dit Protocol aangewezen taal;
  • F. de taal waarin het inspectierapport zal worden opgesteld in overeenstemming met Titel XII van dit Protocol; en
  • G. de namen (voluit) van de inspecteurs en de bemanningsleden, hun geslacht, geboortedatum, geboorteplaats en paspoortnummer.

4

De Partijen die in kennis zijn gesteld ingevolge paragraaf 1 van deze Titel bevestigen de ontvangst van de bekendmaking binnen 3 uur in overeenstemming met artikel XVII van het Verdrag. Met inachtneming van de bepalingen van deze Titel wordt het het inspectieteam toegestaan op het punt van binnenkomst/vertrek aan te komen op het verwachte tijdstip van aankomst, dat is bekendgemaakt ingevolge paragraaf 2, letter B, of paragraaf 3, letter B, van deze Titel.

5

Een geïnspecteerde Partij die een bekendmaking van het voornemen om te inspecteren ontvangt, zendt onmiddellijk na ontvangst van de bekendmaking afschriften daarvan aan alle andere Partijen in overeenstemming met artikel XVII van het Verdrag.

6

Indien de Partij op het grondgebied waarvan een inspectie zal worden uitgevoerd niet in staat is de binnenkomst van het inspectieteam mogelijk te maken op het verwachte tijdstip van aankomst, wordt het het inspectieteam toegestaan het grondgebied van die Partij binnen te komen binnen twee uur vóór of na het bekendgemaakte verwachte tijdstip van aankomst. In dat geval maakt de Partij op het grondgebied waarvan een inspectie zal worden uitgevoerd een nieuwe aankomsttijd bekend aan de inspecterende Partij, zulks uiterlijk 24 uur na de oorspronkelijke bekendmaking.

7

Indien het inspectieteam meer dan twee uur vertraging ondervindt, te rekenen vanaf het bekendgemaakte verwachte tijdstip van aankomst of vanaf het nieuwe tijdstip van aankomst, medegedeeld ingevolge paragraaf 6 van deze Titel, maakt de inspecterende Partij aan de ingevolge paragraaf 1 van deze Titel ingelichte Partijen bekend:

  • A. een nieuw verwacht tijdstip van aankomst, dat in geen geval later dan 6 uur na het aanvankelijke verwachte tijdstip van aankomst of het ingevolge paragraaf 6 van deze Titel medegedeelde nieuwe tijdstip van aankomst mag liggen; en
  • B. indien de inspecterende Partij zulks wenst, een-nieuwe tijdsspanne tussen de aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek en de aanwijzing van de eerste inspectieplaats.

8

Ingeval gebruik wordt gemaakt van andere vluchten dan lijnvluchten voor het vervoer van het inspectieteam naar het punt van binnenkomst/vertrek, verstrekt de inspecterende Partij ten minste 10 uur vóór het verwachte tijdstip van binnenkomst in het luchtruim van de Partij op het grondgebied waarvan de inspectie zal worden uitgevoerd, aan die Partij een vliegplan in overeenstemming met artikel XVII van het Verdrag. Het vliegplan moet wordeningediend in overeenstemming met de procedures van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie die gelden voor bürgerluchtvaartuigen. De inspecterende Partij vermeldt in het gedeelte voor opmerkingen van elk vliegplan het nummer van de permanente diplomatieke toestemming en de aantekening: „CSE-inspectieluchtvaartuigen: Met voorrang te behandelen".

9

Uiterlijk drie uur na de ontvangst van een vliegplan dat is ingediend in overeenstemming met paragraaf 8 van deze Titel, verzekert de Partij op het grondgebied waarvan een inspectie zal worden uitgevoerd dat het vliegplan wordt goedgekeurd, zodat het inspectieteam op het punt van binnenkomst/vertrek kan aankomen op het verwachte tijdstip van aankomst.

TITEL V. PROCEDURES BIJ AANKOMST OP HET PUNT VAN BINNENKOMST / VERTREK

1

Het begeleidingsteam wacht het inspectieteam en de bemanningsleden op bij aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek.

2

Een Partij die op grond van een akkoord met de geïnspecteerde Partij opstallen en terreinen gebruikt, wijst een contactambtenaar aan voor het begeleidingsteam, die desgewenst beschikbaar is op het punt van binnenkomst/vertrek om het inspectieteam te allen tijde, in overleg met het begeleidingsteam, te kunnen begeleiden:

3

De tijdstippen van aankomst en terugkomst op een punt van binnenkomst/vertrek worden overeengekomen en vastgelegd door zowel het inspectieteam als het begeleidingsteam.

4

De Partij op het grondgebied waarvan een inspectie zal worden uitgevoerd, ziet erop toe dat de bagage, uitrusting en voorraden van het inspectieteam zijn vrijgesteld van douanerechten en dat deze snel worden behandeld op het punt van binnenkomst/vertrek.

5

De uitrusting en voorraden die de inspecterende Partij op het grondgebied brengt van de Partij waar een inspectie zal worden uitgevoerd, worden telkens wanneer deze op dat grondgebied worden gebracht, aan een controle onderworpen. De controle moet zijn voltooid vóór het vertrek van het inspectieteam van het punt van binnenkomst/vertrek naar de inspectieplaats. De uitrusting en voorraden worden gecontroleerd door het begeleidingsteam in aanwezigheid van de leden van het inspectieteam.

6

Indien het begeleidingsteam bij de controle vaststelt dat een voorwerp dat deel uitmaakt van de door inspecteurs meegebrachte uitrusting of voorraden functies kan verrichten die niet stroken met de inspectievereisten van dit Protocol of die niet voldoen aan de vereisten uiteengezet in Titel VI, paragraaf 15, van dit Protocol, heeft het begeleidingsteam het recht de toestemming tot gebruik van het voorwerp te weigeren en dit in bewaring te nemen op het punt van binnenkomst/vertrek. De inspecterende Partij verwijdert deze in bewaring genomen uitrusting of voorraden van het grondgebied van de Partij waar een inspectie zal worden uitgevoerd bij de eerstvolgende gelegenheid die zich naar haar goeddunken voordoet, doch niet later dan het tijdstip waarop het inspectieteam die de in bewaring genomen uitrusting of voorraden heeft meegebracht, het grondgebied verlaat.

7

Indien een Partij de controle van de uitrusting van een inspectieteam op het punt van binnenkomst/vertrek niet heeft bijgewoond, is die Partij gerechtigd de rechten van het begeleidingsteam ingevolge de paragrafen 5 en 6 van deze Titel uit te oefenen vóór de inspectie op een opgegeven inspectieplaats waar haar conventionele strijdkrachten zich bevinden, of van opstallen of terreinen die zij gebruikt op grond van een akkoord met de geïnspecteerde Partij.

8

Gedurende de gehele periode waarin het inspectieteam en de bemanningsleden verblijven op het grondgebied van de Partij waar de inspectieplaats is gelegen, verzorgt of regelt de geïnspecteerde Partij de verschaffing van maaltijden, onderdak, werkruimte, vervoer en, indien nodig, het bieden van medische verzorging of enige andere noodhulp.

9

De Partij op het grondgebied waarvan een inspectie wordt uitgevoerd, draagt zorg voor de stalling, de beveiliging, het onderhoud en de brandstof voor de vervoermiddelen van de inspecterende Partij op het punt van binnenkomst/vertrek.

TITEL VI. ALGEMENE REGELS VOOR HET HOUDEN VAN INSPECTIES

1

Een inspectieteam kan naast inspecteurs van de inspecterende Partij mede inspecteurs van andere Partijen omvatten.

2

Bij inspecties in overeenstemming met de Titels VII, VIII, IX en X van dit Protocol bestaat een inspectieteam uit ten hoogste negen inspecteurs en kan het worden opgesplitst in ten hoogste drie subteams. In geval van gelijktijdige inspecties op het grondgebied van Partijen die geen militaire districten hebben als bedoeld in de artikelen IV en V van het Verdrag, of in één van de militaire districten van een Partij die zulke militaire districten heeft, mag slechts één inspectieteam worden opgesplitst in drie subteams en de andere in twee.

3

De inspecteurs en de leden van het begeleidingsteam dragen duidelijke herkenningstekenen waardoor zij als zodanig te onderscheiden zijn.

4

Een inspecteur wordt geacht zijn/haar taken te hebben aangevangen bij aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek op het grondgebied van de Partij waar een inspectie zal worden uitgevoerd, en wordt geacht die taken te hebben beëindigd bij het verlaten van het grondgebied van die Partij via het punt van binnenkomst/vertrek.

5

Het aantal bemanningsleden mag niet groter zijn dan 10.

6

Onverminderd hun voorrechten en immuniteiten eerbiedigen de inspecteurs en bemanningsleden de wetten en voorschriften van de Partij op het grondgebied waarvan een inspectie wordt uitgevoerd en laten zij zich niet in met de binnenlandse aangelegenheden van die Partij. Inspecteurs en bemanningsleden nemen ook de voorschriften op een inspectieplaats in acht, waaronder de veiligheidsprocedures en administratieve procedures. Wanneer de geïnspecteerde Partij van oordeel is dat een inspecteur of bemanningslid heeft gehandeld in strijd met de wetten en voorschriften of andere voorwaarden ter zake van inspectie-activiteiten genoemd in dit Protocol, maakt zij dit bekend aan de inspecterende Partij, die, op verzoek van de geïnspecteerde Partij, die persoon onmiddellijk schrapt uit de lijst van inspecteurs en bemanningsleden. Indien die persoon zich bevindt op het grondgebied van de Partij waar een inspectie wordt uitgevoerd, trekt de inspecterende Partij die persoon onverwijld uit dat grondgebied terug.

7

De geïnspecteerde Partij is verantwoordelijk voor de veiligheid van het inspectieteam en de bemanningsleden vanaf het tijdstip waarop zij aankomen op het punt van binnenkomst/vertrek tot het tijdstip waarop zij vertrekken van het punt van binnenkomst/vertrek om het grondgebied van die Partij te verlaten.

8

Het begeleidingsteam staat het inspectieteam bij in de vervulling van zijn taken. Het begeleidingsteam kan naar eigen goeddunken gebruik maken van het recht om het inspectieteam te vergezellen vanaf het tijdstip waarop dit het grondgebied van de Partij waar een inspectie zal worden uitgevoerd binnenkomt tot het tijdstip waarop het dat grondgebied verlaat.

9

De inspecterende Partij ziet erop toe dat het inspectieteam en de subteams over de nodige talenkennis beschikken om gemakkelijk te kunnen communiceren met het begeleidingsteam in de taal die is bekendgemaakt in overeenstemming met Titel IV, paragraaf 2, letter F, en paragraaf 3, letter E, van dit Protocol. De geïnspecteerde Partij ziet erop toe dat het begeleidingsteam over de nodige talenkennis beschikt om gemakkelijk in die taal te kunnen communiceren met het inspectieteam en elk subteam. Inspecteurs en leden van het begeleidingsteam mogen ook in andere talen met elkander communiceren.

10

Informatie die tijdens inspecties is verkregen, wordt niet openbaar gemaakt zonder de uitdrukkelijke toestemming van de inspecterende Partij.

11

Gedurende hun aanwezigheid op het grondgebied van een Partij waar een inspectie zal worden uitgevoerd, hebben de inspecteurs het recht om zich in verbinding te stellen met de ambassade of het consulaat van de inspecterende Partij gelegen op dat grondgebied, met gebruikmaking van de door de geïnspecteerde Partij ter beschikking gestelde telecommunicatiemiddelen. De geïnspecteerde Partij stelt ook middelen voor de communicatie tussen de subteams van een inspectieteam ter beschikking.

12

De geïnspecteerde Partij vervoert het inspectieteam naar, van en tussen de inspectieplaatsen, met gebruikmaking van de door haar te kiezen vervoermiddelen en route. De inspecterende Partij kan verzoeken om een afwijking van de gekozen route. De geïnspecteerde Partij willigt dat verzoek indien mogelijk in. Wanneer zulks onderling is overeengekomen, kan de inspecterende Partij haar eigen landvoertuigen gebruiken.

13

Ingeval een noodsituatie ontstaat die de inspecteurs noopt van een inspectieplaats te reizen naar een punt van binnenkomst/vertrek of naar de ambassade of het consulaat van de inspecterende Partij op het grondgebied van de Partij waar een inspectie wordt uitgevoerd, doet het inspectieteam daarvan kennisgeving aan het begeleidingsteam, dat onverwijld voorzieningen treft voor die reis en, indien noodzakelijk, geschikte vervoermiddelen ter beschikking stelt.

14

De geïnspecteerde Partij stelt het inspectieteam op de inspectieplaats een ruimte ter beschikking voor de opslag van de uitrusting en voorraden, het schrijven van rapporten, alsmede voor rustpauzes en maaltijden.

15

Het is het inspectieteam toegestaan de voor het houden van de inspectie benodigde documenten mee te brengen, in het bijzonder zijn eigen kaarten en plattegronden. Inspecteurs mogen draagbare passieve nachtzichtapparatuur, verrekijkers, video- en fotocamera's, dicteerapparaten, meetlinten, zaklantaarns, magnetische kompassen en draagbare computers meenemen en gebruiken. De inspecteurs mogen ook andere benodigdheden gebruiken, mits de geïnspecteerde Partij daarmee instemt. Gedurende de gehele verblijfsperiode is het begeleidingsteam gerechtigd toe te zien op het gebruik van de door de inspecteurs meegebrachte benodigdheden; het begeleidingsteam mag zich echter niet bemoeien met het gebruik van de uitrusting die het heeft goedgekeurd in overeenstemming met Titel V, paragrafen 5 tot en met 7, van dit Protocol.

16

In geval van een inspectie ingevolge Titel VII of VIII van dit Protocol geeft het inspectieteam telkens als het de inspectieplaats aanwijst die het zal inspecteren aan of de inspectie te voet, per terreinvoertuig, per helikoper, dan wel een combinatie hiervan, zal worden gehouden. Tenzij anderszins is overeengekomen, worden op de inspectieplaats de vereiste terreinvoertuigen ter beschikking gesteld en bestuurd door de geïnspecteerde Partij.

17

Telkens wanneer zulks mogelijk is, heeft het inspectieteam het recht, met inachtneming van de veiligheids- en vliegvoorschriften van de geïnspecteerde Partij en de bepalingen van de paragrafen 18 tot en met 21 van deze Titel, om gedurende inspecties ingevolge de Titels VII en VIII van dit Protocol per helikopter een vlucht boven de inspectieplaats te maken, met gebruikmaking van een door de geïnspecteerde Partij ter beschikking gestelde en bestuurde helikopter.

18

De geïnspecteerde Partij is niet verplicht een helikopter ter beschikking te stellen op inspectieplaatsen met een oppervlakte van minder dan 20 vierkante kilometer.

19

De geïnspecteerde Partij heeft het recht om het vliegen per helikopter boven gevoelige punten uit te stellen, te beperken of te weigeren, maar de aanwezigheid van gevoelige punten mag geen beletsel vormen voor het vliegen per helikopter over de overige delen van de inspectieplaats. Het fotograferen van of boven gevoelige punten tijdens vluchten per helikopter is slechts toegestaan indien het begeleidingsteam daarmee instemt.

20

De duur van bedoelde helikoptervluchten boven een inspectieplaats mag niet langer zijn dan in totaal één uur, tenzij anders is overeengekomen tussen het inspectieteam en het begeleidingsteam.

21

De door de geïnspecteerde Partij ter beschikking gestelde helikopters moeten groot genoeg zijn om ten minste twee leden van het inspectieteam en ten minste één lid van het begeleidingsteam te kunnen vervoeren. Tijdens het vliegen over de inspectieplaats mogen de inspecteurs de in paragraaf 15 van deze Titel bedoelde benodigdheden meenemen en gebruiken. Telkens wanneer het inspectieteam voornemens is foto's te nemen tijdens inspectievluchten deelt het dit mede aan het begeleidingsteam. Een helikopter moet de inspecteurs ononderbroken en ongehinderd uitzicht op de grond kunnen bieden.

22

Bij de vervulling van hun taken bemoeien de inspecteurs zich niet rechtstreeks met de gang van zaken op een inspectieplaats; zij mogen de verrichtingen op een inspectieplaats niet onnodig hinderen of vertragen, noch maatregelen nemen die het veilig functioneren beïnvloeden.

23

Voor zover in de paragrafen 24 tot en met 29 van deze Titel niet anders is bepaald, wordt tijdens een inspectie van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied aan inspecteurs toegang verleend en een ongehinderde inspectie toegestaan als volgt:

  • A. in geval van een gespecificeerd gebied, binnen het gehele gespecificeerde gebied; en
  • B. in geval van een verificatie-object, binnen het gehele grondgebied van de opgegeven inspectieplaats, met uitzondering van zones die op de plattegrond zijn gemarkeerd als zones die uitsluitend behoren tot een ander verificatie-object dat het inspectieteam niet heeft aangewezen voor inspectie.

24

Gedurende een inspectie ingevolge Titel VII of VIII van dit Protocol van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied hebben de inspecteurs het recht, met inachtneming van de bepalingen van paragraaf 25 van deze Titel, om binnen de in paragraaf 23 van deze Titel genoemde gebieden alle terreinen, opstallen of ruimten binnen opstallen te betreden waar zich permanent of veelvuldig gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtshelikopters, gevechtsvliegtuigen, gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, op een gepantserd personeelsvoertuig of op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen of brugleggende tanks bevinden. Inspecteurs zijn niet gerechtigd andere opstallen of ruimten binnen opstallen te betreden die slechts toegankelijk zijn via deuren voor personeel, met een breedte van ten hoogste 2 meter, en waartoe de toegang is geweigerd door het begeleidingsteam.

25

Gedurende een inspectie ingevolge Titel VII of VIII van dit Protocol van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied hebben de inspecteurs het recht om in versterkte vliegtuigonderkomens te kijken om zich uit eigen waarneming ervan te vergewissen of zich daarin gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtshelikopters, gevechtsvliegtuigen, gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, op een gepantserd personeelsvoertuig of op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen of brugleggende tanks bevinden en zo ja, zich te vergewissen van hun aantallen, typen, modellen of versies. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 24 van deze Titel mogen de inspecteurs versterkte vliegtuigonderkomens slechts betreden met toestemming van het begeleidingsteam. Indien deze toestemming wordt geweigerd, worden de zich in de versterkte vliegtuigonderkomens bevindende gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtshelikopters, gevechtsvliegtuigen, gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, op een gepantserd personeelsvoertuig of op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen of brugleggende tanks buiten getoond.

26

Gedurende een inspectie ingevolge Titels VII of VIII van dit Protocol van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied, wordt, indien niet anders is bepaald in de paragrafen 27 tot en met 33 van deze Titel, inspecteurs slechts toegang verleend tot conventionele wapensystemen voor zover zulks noodzakelijk is om zich uit eigen waarneming te vergewissen van hun aantallen en typen, modellen of versies.

27

De geïnspecteerde Partij heeft het recht afzonderlijke gevoelige uitrustingsstukken af te dekken.

28

Het begeleidingsteam heeft het recht de toegang te weigeren tot gevoelige punten, waarvan het aantal en de omvang zo beperkt mogelijk dient te blijven, tot afgedekte objecten en tot containers waarvan de afmetingen (breedte, hoogte, lengte of doorsnede) kleiner zijn dan twee meter. Wanneer er een gevoelig punt wordt aangewezen of er afgedekte objecten of containers aanwezig zijn, geeft het begeleidingsteam op of het gevoelige punt, het afgedekte object of de container gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtshelikopters, gevechtsvliegtuigen, gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, op een gepantserd personeelsvoertuig of op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen of brugleggende tanks bevat, en zo ja, hun aantallen en typen, modellen of versies.

29

Indien het begeleidingsteam opgeeft dat een gevoelig punt, een afgedekt object of een container één van de in paragraaf 28 van deze Titel genoemde conventionele wapensystemen bevat, toont of noemt het begeleidingsteam die conventionele wapensystemen aan het inspectieteam en neemt het stappen om het inspectieteam ervan te overtuigen dat er niet meer conventionele wapensystemen aanwezig zijn dan het opgegeven aantal.

30

Indien gedurende een inspectie ingevolge Titel VII en VIII van dit Protocol van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied er op een inspectieplaats een helikopter aanwezig is van een type dat is of was opgenomen in de lijst van algemeen inzetbare aanvalshelikopters in het Protocol inzake bestaande typen die door het begeleidingsteam is opgegeven als gevechtsondersteunende helikopter, of indien er op een inspectieplaats een helikopter aanwezig is van het type Mi-24R of Mi-24K die door het begeleidingsteam is opgegeven als beperkt ingevolge Titel I, paragraa("3, van het Protocol inzake de recategorisering van helikopters, is die helikopter onderworpen aan inwendige inspectie in overeenstemming met Titel IX, paragrafen 4 tot en met 6, van dit Protocol.

31

Indien gedurende een inspectie ingevolge Titel VII of VIII van dit Protocol van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied er op een inspectieplaats een vliegtuig aanwezig is van bepaald model of bepaalde versie van lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, genoemd in Titel II van het Protocol inzake de reclassificering van vliegtuigen, dat door het begeleidingsteam is opgegeven als gecertificeerd als onbewapend in overeenstemming met het Protocol inzake de reclassificering van vliegtuigen, is dat vliegtuig onderworpen aan inwendige inspectie in overeenstemming met Titel IX, paragrafen 4 en 5, van dit Protocol.

32

Indien gedurende een inspectie van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied ingevolge Titel VII of VIII van dit Protocol er op een inspectieplaats een pantservoertuig aanwezig is dat door het begeleidingsteam is opgegeven als op een gepantserd personeelsvoertuig of op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkend voertuig, heeft het inspectieteam het recht zich ervan te vergewissen dat dat voertuig geen infanteriegevechtsgroep kan vervoeren. De inspecteurs hebben het recht te verlangen dat de deuren en /of luiken van het voertuig worden geopend, zodat het inwendige van het voertuig van buiten af kan worden waargenomen. Gevoelige uitrusting in of op het voertuig mag worden afgedekt.

33

Indien gedurende een inspectie van een verificatie-object of binnen een gespecificeerd gebied ingevolge Titel VII of VIII van dit Protocol er op een inspectieplaats exemplaren aanwezig zijn die door het begeleidingsteam zijn opgegeven als verminderd in overeenstemming met de bepalingen van het Protocol inzake vermindering, heeft het inspectieteam het recht die exemplaren te inspecteren om zich ervan te vergewissen dat zij zijn verminderd in overeenstemming met de procedures genoemd in de Titels III tot en met XII van het Protocol inzake vermindering.

34

De inspecteurs hebben het recht foto's, waaronder video-opnamen, te maken met het doel de aanwezigheid vast te leggen van conventionele wapensystemen waarop dit Verdrag van toepassing is; dit geldt ook voor aangewezen permanente opslagplaatsen of andere opslagplaatsen waar zich meer dan 50 van zulke conventionele wapensystemen bevinden. Het gebruik van fotocamera's is beperkt tot 35 mm-camera's en polaroid-camera's. Het inspectieteam deelt het begeleidingsteam op voorhand mede of het voornemens is om foto's te maken. Het begeleidingsteam verleent medewerking aan het maken van foto's door het inspectieteam.

35

Het fotograferen van gevoelige punten is slechts toegestaan met toestemming van het begeleidingsteam.

36

Tenzij in paragraaf 38 van deze Titel anders is bepaald, is het fotograferen van het inwendige van andere opstallen dan opslagplaatsen genoemd in paragraaf 34 van deze Titel slechts toegestaan met toestemming van het begeleidingsteam.

37

De inspecteurs hebben het recht om maten te controleren ten einde onduidelijkheden op te lossen die tijdens inspecties aan het licht treden. De tijdens de inspectie vastgestelde maten worden onmiddellijk bevestigd door een lid van het inspectieteam en een lid van het begeleidingsteam. Deze bevestigde gegevens worden vermeld in het inspectierapport.

38

Telkens wanneer zulks mogelijk is, lossen de Partijen tijdens een inspectie onduidelijkheden op die zich voordoen met betrekking tot feitenmateriaal. Telkens wanneer inspecteurs het begeleidingsteam verzoeken een dergelijke onduidelijkheid op te helderen, verschaft het begeleidingsteam het inspectieteam onmiddellijk opheldering. Indien de inspecteurs besluiten een niet opgehelderde onduidelijkheid fotografisch vast te leggen, verleent het begeleidingsteam, met inachtneming van de bepalingen van paragraaf 35 van deze Titel, medewerking aan het maken van de desbetreffende foto's door het inspectieteam, zulks met gebruikmaking van een polaroid-camera. Wordt een onduidelijkheid niet tijdens de inspectie opgelost, dan worden de kwestie, de daarop betrekking hebbende toelichting en eventuele relevante foto's opgenomen in het inspectierapport in overeenstemming met Titel XII van dit Protocol.

39

Bij inspecties ingevolge de Titels VII en VIII van dit Protocol wordt de inspectie geacht te zijn voltooid wanneer het inspectierapport is ondertekend en medeondertekend.

40

Uiterlijk bij de voltooiing van een inspectie op een opgegeven inspectieplaats of binnen een gespecificeerde zone deelt het inspectieteam aan het begeleidingsteam mede of het voornemens is een volgende inspectie te houden. Indien het inspectieteam voornemens is een volgende inspectie te houden, wijst het op dat tijdstip de volgende inspectieplaats aan. In dergelijke gevallen verzekert de geïnspecteerde Partij, met inachtneming van de bepalingen van Titel VII, paragrafen 6 en 17, en Titel VIII, paragraaf 6, letter A, van dit Protocol, dat het inspectieteam zo spoedig mogelijk na voltooiing van de voorgaande inspectie op de volgende inspectieplaats aankomt. Indien het inspectieteam niet voornemens is een volgende inspectie te houden, zijn de bepalingen van de paragrafen 42 en 43 van deze Titel van toepassing.

41

Het inspectieteam is, met inachtneming van de bepalingen van de Titels VII en VIII van dit Protocol, gerechtigd om een volgende inspectie te houden op het grondgebied van de Partij waar dat inspectieteam de voorgaande inspectie heeft gehouden, zulks:

  • A. op elke opgegeven inspectieplaats met hetzelfde punt van binnenkomst/vertrek als de vorige inspectieplaats of met hetzelfde punt van binnenkomst/vertrek als dat waarop het inspectieteam is aangekomen; of
  • B. binnen een gespecificeerd gebied waarvoor het punt van binnenkomst/vertrek waarop het inspectieteam is aangekomen, het dichtstbij gelegen punt van binnenkomst/vertrek is, dat is bekendgemaakt ingevolge Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling; of
  • C. op elke plaats binnen 200 kilometer van de vorige inspectieplaats binnen hetzelfde militaire district; of
  • D. op de plaats die volgens een mededeling van de geïnspecteerde Partij ingevolge Titel VII, paragraaf 11, letter A, de tijdelijke verblijfplaats is van de gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtshelikopters, gevechtsvliegtuigen of brugleggende tanks die afwezig waren tijdens de inspectie van een verificatie-object op de vorige inspectieplaats, ingeval die conventionele wapensystemen meer dan 15% uitmaken van het aantal conventionele wapensystemen dat is bekendgemaakt in de laatste bekendmaking ingevolge het Protocol inzake informatie-uitwisseling; of
  • E. op een opgegeven inspectieplaats die volgens een mededeling van de geïnspecteerde Partij ingevolge Titel VII, paragraaf 11, letter B, van dit Protocol de plaats van herkomst is van de gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtshelikopters, gevechtsvliegtuigen of brugleggende tanks op de vorige inspectieplaats waarmee het aantal op de vorige inspectieplaats aanwezige conventionele wapensystemen dat is bekendgemaakt in de laatste bekendmaking ingevolge het Protocol inzake informatie-uitwisseling wordt overschreden, ingeval die conventionele wapensystemen het aldus bekendgemaakte aantal met meer dan 15% overschrijden.

42

Na voltooiing van een inspectie op een opgegeven inspectieplaats of binnen een gespecificeerd gebied wordt het inspectieteam, indien geen volgende inspectie is aangekondigd, zo spoedig mogelijk vervoerd naar het desbetreffende punt van binnenkomst/vertrek en verlaat het het grondgebied van de Partij waar de inspectie is uitgevoerd binnen 24 uur.

43

Het inspectieteam verlaat het grondgebied van de Partij waar het inspecties heeft gehouden via hetzelfde punt van binnenkomst/ vertrek als dat waar het is binnengekomen, tenzij anderszins is overeengekomen. Indien een inspectieteam wenst door te reizen naar een punt van binnenkomst/vertrek op het grondgebied van een andere Partij om inspecties te houden, is het daartoe gerechtigd, mits de inspecterende Partij is overgegaan tot de vereiste bekendmaking in overeenstemming met Titel IV, paragraaf 1 van dit Protocol.

TITEL VII. INSPECTIE VAN OPGEGEVEN INSPECTIEPLAATSEN

1

Inspectie ingevolge dit Protocol van een opgegeven inspectieplaats kan niet worden geweigerd. Een inspectie kan slechts worden geweigerd in geval van overmacht of op grond van de bepalingen van Titel II, paragrafen 7 en 20 tot en met 22, van dit Protocol.

2

Behoudens het in paragraaf 3 van deze Titel bepaalde komt een inspectieteam op het grondgebied van de Partij waar een inspectie zal worden uitgevoerd aan via een punt van binnenkomst/vertrek dat ingevolge Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling is toegewezen aan de opgegeven inspectieplaats die het beoogt aan te wijzen als eerste inspectieplaats ingevolge paragraaf 7 van deze Titel.

3

Indien een inspecterende Partij een doorlaatpost te land of een zeehaven als punt van binnenkomst/vertrek wenst te gebruiken eri de geïnspecteerde Partij nog niet een doorlaatpost te land of zeehaven als punt van binnenkomst/vertrek heeft bekendgemaakt ingevolge Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling voor de opgegeven inspectieplaats die de inspecterende Partij wenst aan te wijzen als eerste inspectieplaats ingevolge paragraaf 7 van deze Titel, geeft de inspecterende Partij in de bekendmaking uit hoofde van Titel IV, paragraaf 2, van dit Protocol de doorlaatpost te land of zeehaven aan die zij wenst als punt van binnenkomst/vertrek. De geïnspecteerde Partij geeft in haar ontvangstbevestiging van de bekendmaking, bedoeld in Titel IV, paragraaf 4, van dit Protocol, aan of dit punt van binnenkomst/vertrek aanvaardbaar is of niet. In laatstbedoeld geval maakt de geïnspecteerde Partij aan de inspecterende Partij een ander punt van binnenkomst/vertrek bekend, dat zo dicht mogelijk is gelegen bij het gewenste punt van binnenkomst/vertrek en dat een luchthaven, bekendgemaakt ingevolge Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling, een zeehaven of een doorlaatpost te land kan zijn, waarlangs het inspectieteam en de bemanningsleden op haar grondgebied kunnen aankomen.

4

Indien een inspecterende Partij haar wens bekendmaakt een doorlaatpost te land of een zeehaven te gebruiken als punt van binnenkomst/ vertrek ingevolge paragraaf 3 van deze Titel, moet zij voorafgaande aan die bekendmaking nagaan of er voldoende zekerheid bestaat dat haar inspectieteam de eerste opgegeven inspectieplaats waar zij een inspectie wenst uit te voeren binnen de in paragraaf 8 van deze Titel genoemde termijn kan bereiken met vervoermiddelen over land.

5

Indien een inspectieteam en bemanningsleden ingevolge paragraaf 3 van deze Titel aankomen op het grondgebied van de Partij waar een inspectie zal worden uitgevoerd via een ander punt van binnenkomst/vertrek dan het punt van binnenkomst/vertrek dat, ingevolge Titel V van het Protocol inzake informatie-uitwisseling, was bekendgemaakt in verband met de opgegeven inspectieplaats die zij als eerste inspectieplaats wenst aan te wijzen, maakt de geïnspecteerde partij zo spoedig mogelijk de toegang tot die aangewezen inspectieplaats mogelijk, waarbij zij, indien nodig, de in paragraaf 8 van deze Titel genoemde termijn mag overschrijden.

6

De geïnspecteerde Partij heeft na de aanwijzing van een opgegeven inspectieplaats ten hoogste zes uur de tijd om de aankomst van het inspectieteam op die inspectieplaats voor te bereiden.

7

Op het ingevolge Titel IV, paragraaf 2, letter E, van dit Protocol bekendgemaakte tijdstip, dat niet minder dan een uur en niet meer dan 16 uur na de aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek mag liggen, wijst het inspectieteam de eerste inspectieplaats aan die het zal inspecteren.

8

De geïnspecteerde Partij zorgt ervoor dat het inspectieteam op de snelst mogelijke wijze naar de eerste opgegeven inspectieplaats reist en dat het zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk negen uur na de aanwijzing van de te inspecteren inspectieplaats, aankomt, tenzij het inspectieteam en het begeleidingsteam anderszins zijn overeengekomen of tenzij de inspectieplaats is gelegen in een bergachtig of moeilijk toegankelijk gebied. In dat geval wordt het inspectieteam uiterlijk 15 uur na de aanwijzing van de inspectieplaats naar de inspectieplaats vervoerd. Indien de reistijd meer bedraagt dan negen uur, telt de extra benodigde tijd niet mee voor de verblijfsperiode van dat inspectieteam.

9

Onmiddellijk na aankomst op de opgegeven inspectieplaats wordt het inspectieteam begeleid naar een voorlichtingsruimte, waar een plattegrond van de opgegeven inspectieplaats wordt verstrekt, voor zover deze niet was verstrekt bij een eerdere uitwisseling van plattegronden. Op de bij aankomst op de opgegeven inspectieplaats verstrekte plattegrond moet het volgende exact zijn aangegeven:

  • A. de geografische coördinaten van een punt binnen de inspectieplaats, op tien seconden nauwkeurig, met aanduiding van dat punt en het geografische noorden;
  • B. de schaal waarop de plattegrond is getekend;
  • C. de omtrek van de inspectieplaats;
  • D. de nauwkeurig bepaalde grenzen van de zones die uitsluitend tot een bepaald verificatie-object behoren, met vermelding van het registratienummer van elk verificatie-object waartoe elke zone behoort, met inbegrip van de afzonderlijk gelegen zones waaraan tot elk verificatie-object behorende gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen, gevechtshelikopters gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, op een gepantserd personeelsvoertuig of op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen of brugleggende tanks permanent zijn toegewezen;
  • E. de voornaamste gebouwen en wegen op de opgegeven inspectieplaats ;
  • F. de ingangen van de opgegeven inspectieplaatsen; en
  • G. de ligging van de in Titel VI, paragraaf 14, van dit Protocol bedoelde ruimte voor het inspectieteam.

10

Binnen een halfuur na ontvangst van de plattegrond van de opgegeven inspectieplaats wijst het inspectieteam het verificatie-object aan dat het zal inspecteren. Het inspectieteam krijgt dan voorlichting, die niet meer dan een uur in beslag mag nemen, waarin het volgende aan de orde moet komen:

  • A. de veiligheidsprocedures en administratieve procedures op de inspectieplaats;
  • B. de modaliteiten betreffende het vervoer en de communicatie voor inspecteurs op de inspectieplaats; en
  • C. de aantallen en vindplaatsen op de inspectieplaats, waaronder de gemeenschappelijke gedeelten van de opgegeven inspectieplaats, van gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen, geyechtshelikopters, gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, op een gepantserd personeelsvoertuig of op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen en brugleggende tanks, waaronder die welke behoren tot afzonderlijk gelegen ondergeschikte onderdelen die behoren tot hetzelfde te inspecteren verificatie-object.

11

De voorlichting voorafgaande aan de inspectie omvat mede een toelichting bij eventuele verschillen tussen de aantallen gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen, gevechtshelikopters of brugleggende tanks die op een inspectieplaats aanwezig zijn, en de desbetreffende aantallen die zijn vermeld in de laatste bekendmaking ingevolge het Protocol inzake informatie-uitwisseling, zulks in overeenstemming met de volgende bepalingen: A. indien de aantallen conventionele wapensystemen die zich op de inspectieplaats bevinden, kleiner zijn dan de in de laatste bekendmaking vermelde aantallen, moet de toelichting mede informatie omvatten omtrent de tijdelijke plaats van de desbetreffende conventionele wapensystemen; en B. indien de aantallen conventionele wapensystemen die zich op de inspectieplaats bevinden, groter zijn dan de in de laatste bekendmaking vermelde aantallen, moet de toelichting mede nauwkeurige informatie bevatten omtrent de herkomst, het tijdstip van vertrek van de plaats van herkomst, het tijdstip van aankomst en de geplande verblijfsduur van de extra conventionele wapensystemen op de inspectieplaats.

12

Wanneer het inspectieteam een verificatie-object aanwijst om te inspecteren, heeft het inspectieteam het recht, als onderdeel van dezelfde inspectie van dat verificatie-object, om al het grondgebied te inspecteren dat op de plattegrond van de inspectieplaats is aangeduid als behorende tot dat verificatie-object, met inbegrip van de afzonderlijk gelegen terreinen op het grondgebied van dezelfde Partij waaraan tot hetzelfde verificatie-object behorende conventionele wapensystemen permanent zijn toegewezen.

13

Bij de inspectie van een verificatie-object op een opgegeven inspectieplaats wordt aan het inspectieteam de toegang en de ongehinderde inspectie toegestaan met betrekking tot het gehele grondgebied van de opgegeven inspectieplaats, met uitzondering van de zones die op de plattegrond zijn aangeduid als uitsluitend behorende tot een ander verificatie-object dat het inspectieteam niet heeft aangewezen voor inspectie. Gedurende de inspectie zijn de bepalingen van Titel VI van dit Protocol van toepassing.

14

Indien het begeleidingsteam het inspectieteam mededeelt dat zich gevechtstanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtshelikopters, gevechtsvliegtuigen, gereclassificeerde lesvliegtuigen met gevechtscapaciteit, op een gepantserd personeelsvoertuig of op een pantserinfanteriegevechtsvoertuig lijkende voertuigen of brugleggende tanks, waarvan is bekendgemaakt dat zij in het bezit zijn van een verificatie-object op een opgegeven inspectieplaats, bevinden binnen een zone die op de plattegrond is aangeduid als uitsluitend behorende tot een ander verificatie-object, zorgt het begeleidingsteam ervoor dat het inspectieteam, als onderdeel van dezelfde inspectie, toegang heeft tot de desbetreffende conventionele wapensystemen.

15

Indien zich bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen of brugleggende tanks bevinden binnen zones van een opgegeven inspectieplaats die op de plattegrond niet zijn aangeduid als uitsluitend behorende tot een verificatie-object, deelt het begeleidingsteam het inspectieteam mede tot welk verificatie-object de desbetreffende conventionele wapensystemen behoren.

16

Elke Partij is verplicht verantwoording af te leggen omtrent het totale aantal van elke categorie bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen, bekendgemaakt ingevolge Titel III van het Protocol inzake informatie-uitwisseling, op het bevelsniveau boven dat van brigade/regiment of gelijkwaardig, indien een andere Partij daarom verzoekt.

17

Indien het inspectieteam gedurende een inspectie op een opgegeven inspectieplaats besluit op dezelfde opgegeven inspectieplaats een inspectie te houden van een verificatie-object dat niet eerder was aangewezen, heeft het inspectieteam het recht binnen drie uur na de aanwijzing met die inspectie te beginnen. In dat geval ontvangt het inspectieteam voorlichting betreffende het voor de volgende inspectie aangewezen verificatie-object in overeenstemming met de paragrafen 10 en 11 van deze Titel.

TITEL VIII. VERRASSINGSINSPECTIES BINNEN GESPECIFICEERDE GEBIEDEN

1

Elke Partij heeft het recht binnen gespecificeerde gebieden verrassingsinspecties te houden in overeenstemming met dit Protocol.

2

Indien de inspecterende Partij voornemens is binnen een gespecificeerd gebied een verrassingsinspectie te houden als eerste inspectie na aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek:

  • A. vermeldt zij in haar bekendmaking ingevolge Titel IV van dit Protocol het aangewezen punt van binnenkomst/vertrek, gelegen zo dicht mogelijk bij dan wel binnen dat gespecificeerde gebied, dat geschikt is om de door de inspecterende Partij gekozen vervoermiddelen te ontvangen; en
  • B. wijst het inspectieteam op het ingevolge Titel IV, paragraaf 2, letter E, van dit Protocol bekendgemaakte tijdstip, dat niet minder dan een uur en niet meer dan 16 uur na de aankomst op het punt van binnenkomst/vertrek mag liggen, het eerste gespecificeerde gebied aan dat het wenst te inspecteren. Wanneer een gespecificeerd gebied wordt aangewezen verstrekt het inspectieteam, als onderdeel van het verzoek om inspectie, aan het begeleidingsteam een geografische beschrijving waarin de buitengrenzen van dat gebied worden bepaald. Het inspectieteam heeft het recht om als onderdeel van dat verzoek elke opstal of inrichting aan te duiden die het wenst te inspecteren.

3

De Partij op wier grondgebied een verzoek om een verrassingsinspectie betrekking heeft, licht onmiddellijk na ontvangst van de aanwijzing van een gespecificeerd gebied de andere Partijen die op grond van een akkoord met de geïnspecteerde Partij gebruik maken van opstallen of terreinen in omtrent dat gespecificeerde gebied, met inbegrip van de geografische beschrijving waarin de buitengrenzen worden bepaald.

4

De geïnspecteerde Partij heeft het recht verrassingsinspecties binnen gespecificeerde gebieden te weigeren.

5

De geïnspecteerde Partij deelt het inspectieteam binnen twee uur na de aanwijzing van een gespecificeerd gebied mede of het verzoek om inspectie wordt ingewilligd.

6

Indien toegang wordt verleend tot een gespecificeerd gebied:

  • A. heeft de geïnspecteerde Partij vanaf het tijdstip waarop zij met de inspectie instemt ten hoogste zes uur de tijd om de aankomst van het inspectieteam in het gespecificeerde gebied voor te bereiden;
  • B. zorgt de geïnspecteerde Partij ervoor dat het inspectieteam op de snelst mogelijke wijze naar het eerste gespecificeerde gebied reist en dat het zo spoedig mogelijk na de aanwijzing van de plaats die zal worden geïnspecteerd, doch uiterlijk negen uur na het tijdstip waarop zij instemt met de inspectie, aankomt, tenzij het inspectieteam en het begeleidingsteam anderszins zijn overeengekomen of,tenzij de inspectieplaats is gelegen in een bergachtig of moeilijk toegankelijk gebied. In dat geval wordt het inspectieteam uiterlijk 15 uur na het tijdstip waarop met die inspectie wordt ingestemd naar de inspectieplaats vervoerd. Indien de reistijd meer bedraagt dan negen uur, telt de extra benodigde tijd niet mee voor de verblijfsperiode van dat inspectieteam; en
  • C. zijn de bepalingen van Titel VI van dit Protocol van toepassing. Binnen het gespecificeerde gebied kan het begeleidingsteam de toegang tot of het vliegen boven bepaalde delen daarvan uitstellen. Indien het uitstel meer dan vier uur bedraagt, heeft het inspectieteam het recht de inspectie te annuleren. De duur van het uitstel telt niet mee voor de verblijfsperiode of de maximaal toegestane tijd voor aanwezigheid binnen een gespecificeerd gebied.

7

Indien een inspectieteam verzoekt om toegang tot opstallen of terreinen die dooreen andere Partij worden gebruikt op grond van een akkoord met de geïnspecteerde Partij, stelt de geïnspecteerde Partij die Partij onmiddellijk in kennis van het verzoek. Het begeleidingsteam deelt het inspectieteam mede dat, op grond van een akkoord met de geïnspecteerde Partij, de andere Partij in samenwerking met de geïnspecteerde Partij en voor zover zulks verenigbaar is met het akkoord inzake het gebruik, de in dit Protocol neergelegde rechten en verplichtingen uitoefent ten aanzien van inspecties die betrekking hebben op uitrusting of materieel van de Partij die de opstallen of terreinen gebruikt.

8

Indien de geïnspecteerde Partij zulks wenst, kan het inspectieteam instructies ontvangen bij aankomst in het gespecificeerde gebied. Deze instructies mogen niet meer dan een uur in beslag nemen. Deze instructies kunnen ook betrekking hebben op veiligheidsprocedures en administratieve regelingen.

9

Indien de toegang tot een gespecificeerd gebied wordt geweigerd:

  • A. geeft de geïnspecteerde Partij, of de Partij die de rechten en verplichtingen van de geïnspecteerde Partij uitoefent, op passende wijze de verzekering dat zich in het gespecificeerde gebied geen bij het Verdrag beperkte conventionele wapensystemen bevinden. Indien daar zulke wapensystemen aanwezig zijn en deze zijn toegewezen aan organisaties die qua opzet en structuur zijn bedoeld om in vredestijd binnenlandse veiligheidstaken te verrichten in het in artikel V van het Verdrag omschreven gebied, staat de geïnspecteerde Partij, of de Partij die de rechten en verplichtingen van de geïnspecteerde Partij uitoefent, bevestiging van de aanwezigheid daarvan uit eigen waarneming toe, tenzij overmacht zulks belet, in welk geval de bevestiging uit eigen waarneming zo spoedig mogelijk wordt toegestaan; en
  • B. wordt niets op het inspectiequotum in mindering gebracht en telt de tijdsspanne tussen de aanwijzing van het gespecificeerde gebied en de daaropvolgende weigering niet mee voor de verblijfsperiode. Het inspectieteam heeft het recht een ander gespecificeerd gebied of een opgegeven inspectieplaats aan te wijzen of de inspectie beëindigd te verklaren.

TITEL IX. INSPECTIE VAN CERTIFICERINGEN

1

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)