Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
De Partijen bij het Verdrag,
Geleid door de wens de beveiliging van schepen in het algemeen en de beveiliging van vissersvaartuigen in het bijzonder te bevorderen,
Indachtig de voortreffelijke bijdrage van de Internationale Verdragen voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee alsmede van de Internationale Verdragen betreffende de Uitwatering van Schepen tot het bevorderen van de veiligheid van schepen,
Erkennend dat vissersvaartuigen zijn vrijgesteld van vrijwel alle dwingende bepalingen van genoemde Internationale Verdragen,
Derhalve geleid door de wens in onderlinge overeenstemming eenvormige beginselen en voorschriften vast te stellen betreffende de constructie en uitrusting van vissersvaartuigen dienende tot de beveiliging van zodanige vaartuigen en hun bemanningen,
Overwegend dat dit doel het best kan worden bereikt door het sluiten van een Verdrag,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag
De Partijen zullen uitvoering geven aan de bepalingen van dit Verdrag, en van de Bijlage daarbij, die een integrerend deel vormt van dit Verdrag. Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, houdt een verwijzing naar het Verdrag terzelfder tijd een verwijzing naar de Bijlage in.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Bij de toepassing van het Verdrag wordt, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, verstaan onder:
- (a). „Partij”: een Staat waarvoor het Verdrag in werking is getreden.
- (b). „Vissersvaartuig” of „vaartuig”: elk vaartuig dat gebruikt wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis, walvissen, zeehonden, walrussen of andere levende rijkdommen van de zee.
- (c). „Organisatie”: de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie.
- (d). „Secretaris-Generaal”: de Secretaris-Generaal van de Organisatie.
- (e). „Administratie”: de Regering van de Staat wiens vlag het vaartuig gerechtigd is te voeren.
Artikel 3. Toepassing
Het Verdrag is van toepassing op zeegaande vissersvaartuigen die gerechtigd zijn de vlag te voeren van een Staat die Partij is.
Artikel 4. Afgifte van certificaten en Controle
(1). Behoudens de bepalingen van het tweede lid wordt een overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag onder gezag van een Partij afgegeven certificaat door de andere Partijen erkend en voor alle doeleinden die bij dit Verdrag zijn geregeld, geacht dezelfde geldigheid te bezitten als een certificaat dat zij zelf hebben afgegeven.
(2). Elk vaartuig dat een certificaat heeft, afgegeven op grond van de Voorschriften 7 of 8, is in de havens van andere Partijen onderworpen aan controle door bevoegde ambtenaren van deze Partijen, voor zover deze controle erop gericht is zekerheid te verkrijgen dat er een geldig certificaat aan boord is. Een zodanig certificaat wordt aanvaard, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de toestand van het vaartuig of van zijn uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens van dat certificaat. In dat geval of indien er geen geldig certificaat aanwezig is, stelt de controlerende ambtenaar de consul of, bij diens afwezigheid, de diplomatieke vertegenwoordiger van de Partij wier vlag het vaartuig gerechtigd is te voeren terstond in kennis van alle omstandigheden waaromtrent corrigerende maatregelen door die Partij noodzakelijk worden geacht en worden de feiten aan de Organisatie gerapporteerd. De controlerende ambtenaar moet zodanige stappen ondernemen dat het zeker is dat het vaartuig niet zal vertrekken voordat het zonder gevaar voor vaartuig of opvarenden zee kan kiezen.
Artikel 5. Overmacht
(1). Een vaartuig dat bij de aanvang van een reis niet is onderworpen aan de bepalingen van het Verdrag of dat niet verplicht is een certificaat aan boord te hebben overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, zal hieraan ook niet worden onderworpen tengevolge van enige afwijking van zijn voorgenomen route die te wijten is aan slecht weer of aan enige andere vorm van overmacht.
(2). Personen die aan boord van een vaartuig zijn door overmacht of tengevolge van de verplichtingen schipbreukelingen of andere personen te vervoeren, mogen niet in aanmerking worden genomen bij de vraag of het vaartuig voldoet aan de bepalingen van het Verdrag.
Artikel 6. Verstrekking van inlichtingen
(1). De Partijen zenden aan de Organisatie:
- (a). de tekst van de terzake van de verschillende onderwerpen binnen de werkingssfeer van het Verdrag uitgevaardigde wetten, besluiten, beschikkingen, voorschriften en andere akten;
- (b). een lijst van niet-gouvernementele organisaties die gemachtigd zijn namens hen op te treden in aangelegenheden betreffende ontwerp, constructie en uitrusting van vaartuigen overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag;
- (c). een voldoende aantal exemplaren van de certificaten die overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag door hen worden afgegeven.
(2). De Organisatie stelt alle Partijen in kennis van de ontvangst van elke mededeling die op grond van het eerste lid, letter (a), is gedaan en geeft hun kennis van alle inlichtingen die haar op grond van het eerste lid, letters (b) en (c) zijn verstrekt.
Artikel 7. Ongevallen aan vissersvaartuigen overkomen
(1). Elke Partij stelt een onderzoek in naar elk ongeval dat haar vaartuigen waarop de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn, mocht overkomen, wanneer zij van oordeel is dat een zodanig onderzoek kan bijdragen tot het doen overwegen welke wijzigingen in het Verdrag wenselijk zouden kunnen zijn.
(2). Elke Partij verstrekt de Organisatie, ter kennisgeving aan alle Partijen, inlichtingen betreffende de resultaten van een zodanig onderzoek. Rapporten of aanbevelingen van de Organisatie die gebaseerd zijn op dergelijke inlichtingen, mogen niet de identiteit of nationaliteit van de betrokken vaartuigen onthullen, of op enigerlei wijze een vaartuig of een persoon verantwoordelijk stellen of de verantwoordelijkheid daarvan veronderstellen.
Artikel 8. Andere verdragen en interpretatie
Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties over het Zeerecht, bijeengeroepen ingevolge Resolutie 2750 (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch aan de huidige en toekomstige aanspraken en juridische opvattingen van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van kuststaten en vlaggestaten.
Artikel 9. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
(1). Het Verdrag blijft open voor ondertekening op het Hoofdkantoor van de Organisatie van 1 oktober 1977 tot 30 juni 1978 en blijft daarna open voor toetreding. Alle Staten kunnen partij bij dit Verdrag worden door:
- (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (c). toetreding.
(2). Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door de nederlegging van een hiertoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.
(3). De Secretaris-Generaal doet alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden mededeling van iedere ondertekening of van de nederlegging van iedere nieuwe akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, alsmede van de datum van nederlegging daarvan.
Artikel 10. Inwerkingtreding
(1). Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijftien Staten, waarvan de gezamenlijke vissers vloten niet minder dan vijftig percent van de wereldvloot van vissersvaartuigen met een lengte van vierentwintig meter en meer vormen, dit hetzij hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, hetzij overeenkomstig artikel 9 de vereiste akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd.
(2). De Organisatie stelt de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden in kennis van de datum van inwerkingtreding.
(3). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag hebben nedergelegd nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding is voldaan, doch vóór de datum van inwerkingtreding, wordt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van kracht op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag, dan wel drie maanden na de datum van nederlegging van de akte, indien deze datum later valt.
(4). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd na de datum waarop het Verdrag in werking is getreden, treedt het Verdrag in werking drie maanden na de datum waarop de akte is nedergelegd.
(5). Na de datum waarop is voldaan aan alle in artikel 11 genoemde voorwaarden om wijzigingen van dit Verdrag in werking te doen treden, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het Verdrag, zoals gewijzigd.
Artikel 11. Wijzigingen
(1). Het Verdrag kan worden gewijzigd door middel van een van de twee der in dit artikel genoemde procedures.
(2). Wijzigingen na bestudering binnen de Organisatie:
- (a). Elke door een Partij voorgestelde wijziging wordt ingediend bij de Secretaris-Generaal, die deze ten minste zes maanden vóór de behandeling ervan verspreidt onder alle Leden van de Organisatie en alle Partijen.
- (b). Elke aldus voorgestelde en verspreide wijziging wordt voor behandeling voorgelegd aan de Maritieme Veiligheidscommissie van de Organisatie.
- (c). Partijen, ongeacht of zij Lid zijn van de Organisatie, zijn gerechtigd deel te nemen aan de besprekingen van de Maritieme Veiligheidscommissie voor de bestudering en aanneming van wijzigingen.
- (d). Wijzigingen worden aangenomen met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de Maritieme Veiligheidscommissie, die is uitgebreid zoals bepaald in letter (c) (hierna te noemen „de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie”), op voorwaarde dat ten minste een derde van de Partijen aanwezig is op het tijdstip van stemming.
- (e). Overeenkomstig het bepaalde in letter (d) aangenomen wijzigingen worden door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht van alle Partijen.
- (f).
- (i). Een wijziging van een artikel of van de Voorschriften 1 alsmede 3 tot en met 11 wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop zij is aanvaard door twee derde van de Partijen.
- (ii). Een wijziging van de Bijlage, behalve van de Voorschriften 1 alsmede 3 tot en met 11, wordt geacht te zijn aanvaard: Indien evenwel binnen de aangegeven periode hetzij meer dan een derde van de Partijen, hetzij Partijen waarvan de gezamenlijke vissersvloot niet minder dan vijftig percent vormt van het aantal vissersvaartuigen met een lengte van vierentwintig meter en meer van alle Partijen, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij bezwaar hebben tegen de wijziging, wordt deze wijziging geacht niet te zijn aanvaard.
- (aa). na afloop van twee jaar van de datum waarop zij ter kennis van de Partijen is gebracht ten einde aanvaarding te verkrijgen; of
- (bb). aan het einde van een andere periode, die niet korter mag zijn dan een jaar, indien zulks is bepaald op het tijdstip van aanneming ervan met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de uitgebreide Maritieme Veiligbeidscommissie.
- (iii). Een wijziging van een Aanhangsel van de Bijlage wordt geacht te zijn aanvaard aan het einde van een op het tijdstip van aanneming door de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie te bepalen periode, die niet korter mag zijn dan tien maanden, tenzij binnen deze periode bij de Organisatie bezwaar is aangetekend door niet minder dan een derde van de Partijen of door Partijen waarvan de gezamenlijke vissersvloot niet minder dan vijftig percent vormt van het aantal visservaartuigen met een lengte van vierentwintig meter en meer van alle Partijen.
- (g).
- (i). Een wijziging van een artikel of van de Voorschriften 1 alsmede 3 tot en met 11 treedt in werking ten aanzien van die Partijen die haar hebben aanvaard, zes maanden na de datum waarop zij geacht wordt te zijn aanvaard, en ten aanzien van iedere Partij die haar na die datum aanvaardt, zes maanden na de datum van aanvaarding door die Partij,
- (ii). Een wijziging van de Bijlage, behalve van de Voorschriften 1 alsmede 3 tot en met 11 en van een Aanhangsel van de Bijlage treedt in werking ten aanzien van alle Partijen, behalve die welke bezwaar tegen de wijziging hebben gemaakt krachtens het bepaalde in letter (f) (ii) en (iii) en die deze bezwaren niet hebben ingetrokken, zes maanden na de datum waarop zij wordt geacht te zijn aanvaard. Vóór de datum die is vastgesteld voor de inwerkingtreding kan elke Partij de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat zij zich onthoudt van het geven van uitvoering aan deze wijziging voor een periode van niet langer dan een jaar te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding ervan, of voor een langere periode, vast te stellen met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie op het tijdstip van aanneming van de wijziging.
(3). Wijziging door een Conferentie:
- (a). Op verzoek van een Partij waarmede door ten minste een derde van de Partijen wordt ingestemd, wordt door de Organisatie een Conferentie van Partijen bijeengeroepen ten einde wijzigingen van dit Verdrag te bestuderen.
- (b). Iedere door een zodanige Conferentie met een twee derde meerderheid van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen aangenomen wijziging wordt door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht van alle Partijen ten einde aanvaarding te verkrijgen.
- (c). Tenzij de Conferentie anders besluit, wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard en treedt zij in werking overeenkomstig de procedures aangegeven in het tweede lid, onderscheidenlijk de letters (f) en (g), met dien verstande dat de verwijzingen daarin naar de uitgebreide Maritieme Veiligheidscommissie worden verstaan als verwijzingen naar de Conferentie.
(4). Iedere Partij die heeft geweigerd de wijziging van de Bijlage te aanvaarden, wordt geacht geen Partij te zijn wat de toepassing van die wijziging betreft.
(5). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, is een wijziging van het Verdrag, die betrekking heeft op de constructie van een vaartuig, alleen van toepassing op vaartuigen waarvan op of na de datum waarop die wijziging in werking treedt:
- (a). de kiel is gelegd; of
- (b). een aanvang is gemaakt met werkzaamheden die gelijkgesteld kunnen worden met de bouw van een bepaald vaartuig; of
- (c). een aanvang is gemaakt met de montage die ten minste vijftig ton of één procent van de geschatte hoeveelheid van alle bouwmaterialen omvat, al naar gelang welke hoeveelheid de kleinste is.
(6). Elke verklaring van aanvaarding van of van bezwaar tegen een wijziging, of elke kennisgeving gedaan krachtens het bepaalde in het tweede lid, letter (g) (ii), wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de Secretaris-Generaal, die alle Partijen in kennis stelt van een zodanige kennisgeving en van de datum van ontvangst ervan.
(7). De Secretaris-Generaal stelt alle Partijen in kennis van wijzigingen die in werking treden, alsmede van de datum waarop elke wijziging in werking treedt.
Artikel 12. Opzegging
(1). Een Partij kan het Verdrag na verloop van vijf jaar na de datum waarop het voor die Partij in werking is getreden, te allen tijde opzeggen.
(2). Opzegging geschiedt door middel van schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal, die alle andere Partijen van de ontvangst van zodanige kennisgevingen van de datum van ontvangst op de hoogte stelt.
(3). Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal of na verloop van een langere periode die in de kennisgeving kan worden aangegeven.
Artikel 13. Nederlegging en registratie
(1). Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten die het hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden.
(2). Zodra dit Verdrag in werking treedt, wordt de tekst door de Secretaris-Generaal toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voor registratie en publikatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.
Artikel 14. Talen
Het Verdrag is opgesteld in een enkel exemplaar in de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Er zullen officiële vertalingen worden vervaardigd in de Arabische, de Duitse en de Italiaanse taal, welke vertalingen worden nedergelegd bij het ondertekende origineel.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE VOORZIENINGEN
Voorschrift 1. Toepassing
- (1). De voorzieningen van deze Bijlage zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, van toepassing op nieuwe vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 meter of meer bedraagt, met inbegrip van vaartuigen waarop de vangst tevens wordt verwerkt.
- (2). De voorzieningen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op vaartuigen die uitsluitend worden gebruikt:
- (a). voor sport of recreatie;
- (b). voor de verwerking van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
- (c). voor wetenschappelijk onderzoek en opleiding; of
- (d). als vrachtschepen voor het vervoer van vis.
Voorschrift 2. Omschrijvingen
- (1). Onder „nieuw vaartuig” wordt verstaan een visservaartuig waarvoor, op of na de datum waarop het Verdrag in werking treedt:
- (a). het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing wordt gegund; of
- (b). het bouwcontract of het contract voor een ingrijpende verbouwing is gegund vóór de datum waarop het Verdrag in werking treedt, en dat drie jaar of meer na de datum van deze inwerkingtreding wordt opgeleverd; of waarvoor
- (c). bij gebreke van een bouwcontract:
- (i). de kiel is gelegd; of
- (ii). een aanvang wordt gemaakt met de bouw van een als zodanig herkenbaar specifiek type vaartuig; of
- (iii). een aanvang is gemaakt met de samenbouw die ten minste 50 ton of één procent van de geschatte totale hoeveelheid constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden beslissend is.
- (2). Onder „bestaand vaartuig” wordt verstaan een visservaartuig dat geen nieuw vaartuig is.
- (3). „Goedgekeurd” betekent goedgekeurd door de Administratie.
- (4). Onder „bemanning” wordt verstaan de kapitein en alle personen die, in welke hoedanigheid dan ook, dienst doen of te werk gesteld zijn aan boord van een vaartuig ten behoeve van de exploitatie van dat vaartuig.
- (5). „De lengte (L)” is gelijk aan 96 procent van de totale lengte op een waterlijn op 85 procent van de kleinste holte gemeten vanaf de kiellijn, of aan de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is. Bij vaartuigen die met stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt, evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen.
- (6). „De voorloodlijn en de achterloodlijn” worden gerekend aan het voor- en achtereinde van de lengte (L). De voorloodlijn moet samenvallen met de voorzijde van de voorsteven op de waterlijn waarop de lengte gemeten wordt.
- (7). „De breedte (B)” is de grootste breedte van het vaartuig, midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een vaartuig met een metalen huid en op de buitenkant van de romp bij een vaartuig met een huid van een ander materiaal.
- (8).
- (a). „De holte (D)” is de verticale afstand, midscheeps gemeten vanaf de kiellijn tot de bovenkant van de balken van het werkdek in de zijde.
- (b). Bij vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, wordt de holte gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte onderzijde van de dekbeplating en de binnenzijde van de huidbeplating.
- (c). Waar het werkdek verspringt en het verhoogde gedeelte zich uitstrekt voorbij het punt waar de holte moet worden vastgesteld, wordt de holte gemeten tot een referentielijn die vanaf het lage gedeelte van het dek evenwijdig aan het verhoogde gedeelte wordt getrokken.
- (9). „De hoogst gelegen lastlijn” is de waterlijn die betrekking heeft op de maximaal toelaatbare diepgang tijdens de reis.
- (10). „Midscheeps” is gelegen op het midden van de lengte (L).
- (11). „Grootspant” is de doorsnede van de romp die bepaald wordt door de snijding van het oppervlak van de romp naar de mal met een verticaal vlak dat midscheeps loodrecht staat op het vlak van de waterlijn en het vlak door kiel en stevens.
- (12). „De kiellijn” is de lijn die evenwijdig loopt aan de schuinte van de kiel, en die midscheeps gaat door:
- (a). de bovenkant van de kiel of de aansnijding van de binnenzijde van de huidbeplating met de kiel in gevallen waarin een stafkiel boven die lijn uitsteekt bij een vaartuig met een metalen huid; of
- (b). de binnenkant van de kielsponning van een houten vaartuig of van een composietvaartuig, of
- (c). het snijpunt van de passend verlaagde lijnen van de buitenomtrek van de romp ter hoogte van de bodem met de hartlijn van een vaartuig met een huid van een ander materiaal dan hout of metaal.
- (13). „De basislijn” is de horizontale lijn die de kiellijn midscheeps snijdt.
- (14). „Het werkdek” is in het algemeen het laagste doorlopende dek boven de hoogst gelegen lastlijn, van waaraf de visserij plaatsvindt. Bij vaartuigen die zijn voorzien van twee of meer doorlopende dekken, kan de Administratie een lager dek als werkdek aanvaarden, mits dit dek boven de hoogst gelegen lastlijn ligt.
- (15). „De bovenbouw” is de overdekte constructie op het werkdek, die zich van boord tot boord uitstrekt of waarvan de zijbeplating zich op geen grotere afstand dan 4 procent van de breedte (B) vanaf de huid naar binnen bevindt.
- (16). „Gesloten bovenbouw” is een bovenbouw met: Een brug of kampanje wordt niet beschouwd als gesloten, tenzij de bemanning de machinekamer, en andere in deze bovenbouw gelegen ruimten waar gewerkt wordt, kan bereiken via toegangswegen die te allen tijde, wanneer de openingen in de schotten zijn gesloten, ter beschikking moeten zijn.
- (a). eindschotten van deugdelijke constructie;
- (b). eventuele toegangsopeningen in die schotten voorzien van vast aangebrachte deuren die dicht zijn tegen weer en wind en van gelijke sterkte zijn als het intacte samenstel en die aan beide zijden kunnen worden geopend en gesloten; en
- (c). andere openingen in de zijden of eindschotten van de bovenbouw voorzien van deugdelijke middelen tot afsluiting die dicht zijn tegen weer en wind.
- (17). „Het bovenbouwdek” is dat doorlopende dek of dekgedeelte dat de bovenkant van een bovenbouw, dekhuis of andere opbouw vormt en dat ten minste 1,8 meter boven het werkdek ligt. In gevallen waarin de hoogte minder is dan 1,8 meter, wordt de bovenkant van zodanige dekhuizen of andere zodanige opbouw gelijkgesteld met het werkdek.
- (18). „De hoogte van een bovenbouw of andere opbouw” is de kleinste verticale afstand gemeten in de zijde vanaf de bovenkant van de balken van het dek van een bovenbouw of een opbouw tot aan de bovenkant van de balken van het werkdek.
- (19). „Dicht tegen weer en wind” betekent dat er onder alle omstandigheden die zich op zee kunnen voordoen, geen water het vaartuig binnendringt.
- (20). „Waterdicht” betekent dat de doorgang van water door de constructie in enige richting kan worden voorkomen bij een waterdruk waartegen de omgevende constructie volgens het ontwerp bestand is.
- (21). „Aanvaringsschot” is een waterdicht schot dat tot het werkdek in het voorste deel van het vaartuig doorloopt en dat aan de volgende voorwaarden voldoet:
- (a). het schot moet zodanig zijn geplaatst, dat de afstand tot de voorloodlijn:
- (i). niet kleiner is dan 5 percent en niet groter is dan 8 percent van de lengte (L) bij vaartuigen met een lengte van 45 meter of meer;
- (ii). niet kleiner is dan 5 percent van de lengte (L) en niet groter is dan 5 percent van de lengte (L), vermeerderd met 1,35 meter, bij vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter, behoudens uitzonderingen toegestaan door de Administratie.
- (iii). in geen geval kleiner is dan 2 meter.
- (b). Ingeval enig deel van het onderwatergedeelte van het vaartuig zich uitstrekt tot vóór de voorloodlijn, b.v. een bulbsteven, moet de afstand zoals bepaald is onder sub-paragraaf (a) worden gemeten vanaf een punt halverwege het deel dat zich voor de voorloodlijn uitstrekt of vanaf een punt dat 1,5 percent van de lengte (L) voor de voorloodlijn ligt, al naar gelang welke afstand kleiner is.
- (c). Het schot mag voorzien zijn van trapsgewijze sprongen en nissen, mits deze binnen de beperkingen vallen zoals onder sub-paragraaf (a) zijn voorgeschreven.
- (22). „Hoofdstuurinrichting” is de machine-installatie, het krachtwerktuig voor de stuurinrichting zo al aanwezig en hulpuitrusting, alsmede de middelen waarmee het draaimoment op de roerkoning wordt overgebracht (b.v. helmstok of kwadrant) die noodzakelijk zijn om het roer in beweging te brengen ten einde het vaartuig, onder normale bedrijfsomstandigheden te kunnen besturen.
- (23). „Hulpinrichting om het roer in beweging te brengen” zijn de installaties waarin is voorzien met het oog op het in beweging brengen van het roer ten einde het vaartuig voor het geval de hoofdstuurinrichting uitvalt, te kunnen besturen.
- (24). „Het krachtwerktuig voor de stuurinrichting” betekent in het geval van
- (a). een elektrische stuurmachine, een elektromotor en de daarbij behorende elektrische installaties;
- (b). een elektrisch-hydraulische stuurmachine, een elektromotor en de daarbij behorende elektrische installaties en aangesloten pomp; en
- (c). een andere hydraulische stuurmachine, een aandrijfmotor en aangesloten pomp.
- (25). „De maximumdienstsnelheid vooruit” is de grootste snelheid waarvoor het vaartuig is ontworpen om tijdens zijn dienst op zee onafgebroken bij de maximum toegestane diepgang te kunnen ontwikkelen.
- (26). „De maximumsnelheid achteruit” is de geschatte snelheid, die het vaartuig kan bereiken op grond van het ontworpen vermogen voor het achteruitvaren bij zijn maximum toegestane diepgang.
- (27). „Oliestookinrichting” is de uitrusting gebruikt voor de toebereiding van brandstofolie voor levering aan een met olie gestookte ketel, of uitrusting gebruikt voor de toebereiding voor levering van verwarmde olie aan een inwendige verbrandingsmotor, met inbegrip van alle oliedrukpompen, filters en verhitters die olie behandelen onder een druk van meer dan 0,18 newton per mm2.
- (28). „Normale omstandigheden betreffende het in bedrijf zijn van het vaartuig en het verblijf aan boord” zijn de omstandigheden waaronder het vaartuig in zijn totaliteit, de machine-installaties, bedieningsorganen, hoofd- en hulpvoortstuwingsmiddelen, stuurinrichting en bijbehorende installaties, apparatuur bestemd voor veilige navigatie en ter beperking van de gevaren van brand en binnenstromend water, interne en externe communicatiemiddelen en seinapparaten, voorzieningen voor ontsnapping en lieren voor reddingboten goed functioneren en waarbij aan de minimumvoorwaarden voor een comfortabel verblijf aan boord van het vaartuig wordt voldaan.
- (29). ,,De dood-schip omstandigheid” is de omstandigheid waarbij de hoofdvoortstuwingsinstallatie, ketels en hulpmotoren niet in bedrijf zijn ten gevolge van het ontbreken van vermogen.
- (30). „Hoofdschakelbord” is een schakelbord dat rechtstreeks wordt gevoed door de elektrische hoofdkrachtbron en bestemd is de elektrische energie te verdelen.
- (31). „Tijdelijk onbemande ruimten voor machines” zijn die ruimten waar de hoofdvoortstuwingsinstallaties en daarbij behorende installaties zich bevinden alsmede alle elektrische hoofdkrachtbronnen en die niet te allen tijde onder alle werkzaamheden - met inbegrip van het manoeuvreren - zijn bemand.
- (32). „Onbrandbaar materiaal” betekent een materiaal dat noch brandt, noch ontvlambare gassen in voldoende hoeveelheid afgeeft om bij verhitting tot ongeveer 750 graden celsius tot zelfontbranding over te gaan, hetgeen ten genoegen van de Administratie moet worden aangetoond door middel van een vastgestelde beproevingsmethode. Elk ander materiaal is brandbaar materiaal*[Red: Zie de Aanbeveling inzake Beproevingsmethoden voor het als onbrandbaar aanmerken van constructiematerialen voor schepen, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.270 (VIII).].
- (33). „Standaard brandproef” is een proef waarbij gedeelten van betrokken schotten of dekken in een proef-oven blootgesteld worden aan temperaturen die ongeveer overeenkomen met de standaard tijd-temperatuur kromme. De proefstukken moeten een blootgesteld oppervlak hebben van minstens 4,65 vierkante meter en een hoogte (of lengte van het dek) van 2,44 meter en moeten zo nauwkeurig mogelijk overeenkomen met de voorgenomen constructie en waar nodig ten minste één naad moet bevatten. De standaard tijd-temperatuur kromme wordt omschreven door een gelijkmatig verlopende kromme door de volgende punten:
- aan het einde van de eerste 5 minuten - 538 graden celsius
- aan het einde van de eerste 10 minuten - 704 graden celsius
- aan het einde van de eerste 30 minuten - 843 graden celsius
- aan het einde van de eerste 60 minuten - 927 graden celsius.
- (34). „Schotten van klasse ‘A’” zijn schotten en dekken die aan de volgende voorwaarden voldoen:
- (a). zij moeten vervaardigd zijn van staal of ander gelijkwaardig materiaal;
- (b). zij moeten voldoende verstijfd zijn;
- (c). zij moeten tot aan het einde van de standaard brandproef van één uur de doortocht van rook en vlammen kunnen verhinderen; en
- (d). zij moeten zodanig geïsoleerd zijn met goedgekeurde onbrandbare materialen, dat de gemiddelde temperatuur aan de niet blootgestelde zijde niet meer dan 139 graden celsius boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 180 graden celsius boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd: De Administratie kan beproeving eisen van een prototype van een schot of een dek, ten einde zekerheid te verkrijgen dat deze voldoen aan bovengenoemde eisen omtrent stijfheid, doorlaten van rook en vlammen en temperatuurstijging*[Red: Zie de Aanbeveling inzake brandproefprocedures voor schotten van de klassen 'A' en 'B', door de Organisatie aangenomen bij de Resoluties A.163 (ES.IV) en A.215 (VII).].
| Klasse „A-60” Klasse „A-30” Klasse „A-15” Klasse „A-0” | 60 minuten 30 minuten 15 minuten 0 minuten |
|---|---|
- (35). „Schotten van klasse ‘B’” zijn schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende voorwaarden voldoen: De Administratie kan de beproeving eisen van een prototype van een schot ten einde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent het doorlaten van vlammen en de temperatuurstijging*[Red: Zie de Aanbeveling inzake brandproefprocedures voor schotten van de klassen 'A' en 'B', door de Organisatie aangenomen bij de Resoluties A.163 (ES.IV) en A.215 (VII).].
- (a). zij moeten tot aan het einde van het eerste halfuur van de standaard brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen;
- (b). zij moeten een dusdanig isolerend vermogen hebben, dat de gemiddelde temperatuur aan de niet-blootgestelde zijde niet meer dan 139 graden celsius boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225 graden celsius boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd:
| Klasse „B-15” Klasse „B-0” | 15 minuten 0 minuten |
|---|---|
- (c). zij moeten vervaardigd zijn van goedgekeurde onbrandbare materialen en alle materialen die gebruikt worden voor schotten van klasse ,,B” en voor het aanbrengen daarvan moeten onbrandbaar zijn, behoudens dat het gebruik van brandbaar fineer kan worden toegestaan, mits dit voldoet aan de daarop van toepassing zijnde voorschriften van Hoofdstuk V.
- (36). „Schotten van klasse ‘C’” zijn die schotten die opgebouwd zijn uit goedgekeurde onbrandbare materialen. Zij behoeven niet te voldoen aan eisen betreffende het doorlaten van rook en vlammen of de beperking van de temperatuurstijging.
- (37). „Schotten van klasse ‘F’” zijn schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende voorwaarden voldoen: De Administratie kan de beproeving eisen van een prototype van een schot ten einde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent het doorlaten van vlammen en de temperatuurstijging*[Red: Zie de Aanbeveling inzake brandproefprocedures voor schotten van de klassen 'A' en 'B', door de Organisatie aangenomen bij de Resoluties A.163 (ES.IV) en A.215 (VII).].
- (a). zij moeten tot aan het einde van het eerste halfuur van de standaard brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen; en
- (b). zij moeten een dusdanig isolerend vermogen hebben dat de gemiddelde temperatuur aan de niet-blootgestelde zijde niet meer dan 139 graden celsius boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225 graden celsius boven de begintemperatuur stijgt tot aan het einde van het eerste halfuur van de standaard brandproef.
- (38). „Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse ‘B’” zijn plafonds of beschietingen van klasse ‘B’ die slechts eindigen bij een schot van klasse ‘A’ of ‘B’.
- (39). „Staal of ander gelijkwaardig materiaal” is staal of elk materiaal dat zelf, of door middel van isolatiemateriaal, een brandwerendheid heeft, die gelijkwaardig is aan die van staal tot aan het einde van de van toepassing zijnde standaard brandproef (bijv. aluminiumlegering, voorzien van een doeltreffende isolatie).
- (40). „Lage vlamuitbreiding” is de eigenschap die aangeeft dat het aldus omschreven oppervlak de vlamuitbreiding op voldoende wijze kan beperken; deze eigenschap dient ten genoegen van de Administratie te worden aangetoond door middel van een vastgestelde beproevingsmethode.
- (41). „Ruimten voor accommodatie” zijn ruimten bestemd voor algemeen gebruik, gangen, toiletten, hutten, kantoren, ziekenboegen, cinema's, spel- en hobbykamers, pantries die niet voorzien zijn van kooktoestellen en soortgelijke ruimten.
- (42). „Ruimten voor algemeen gebruik” zijn die delen van de ruimten voor accommodatie, welke in gebruik zijn als vestibules, eetzalen, salons en soortgelijke permanent ingesloten ruimten.
- (43). „Dienstruimten” zijn ruimten die gebruikt worden voor kombuizen, pantries die voorzien zijn van kooktoestellen, kasten en bergplaatsen, werkplaatsen, andere dan die welke deel uitmaken van de ruimten voor machines en soortgelijke ruimten, zomede de bijbehorende schachten.
- (44). „Controlestations” zijn ruimten waarin de radio-installatie van het schip, de voornaamste navigatiemiddelen of de noodkrachtbron zijn ondergebracht of die waarin de uitrusting voor de brandmelding of de uitrusting voor de brandcontrole is samengebracht.
- (45). „Ruimten voor machines van categorie A” zijn ruimten waarin zijn ondergebracht inwendige verbrandingsmotoren die worden gebruikt hetzij als: of waarin zijn ondergebracht met olie gestookte ketels of oliestookinrichtingen zomede de bijbehorende schachten.
- (a). hoofdvoortstuwingswerktuig; hetzij
- (b). voor andere doeleinden, indien zodanige machines een gezamenlijk vermogen hebben van niet minder dan 373 kilowatt,
- (46). „Ruimten voor machines” zijn ruimten voor machines van categorie A en alle andere ruimten waarin voortstuwingswerktuigen, ketels, oliestookinrichtingen, stoommachines en inwendige verbrandingsmotoren, generatoren, stuurinrichting, belangrijke elektrische werktuigen, olielaadstations, koelmachinerie, stabilisatie-inrichtingen, luchtverversings- en luchtbehandelingsinstallaties zijn ondergebracht, en soortgelijke ruimten, zomede de bijbehorende schachten.
- (47). ,,Reddingboten en -vlotten” zijn boten en vlotten die zijn bestemd om plaats te bieden aan de opvarenden in geval van schip verlaten en omvatten reddingboten, reddingvlotten en ieder ander vaartuig waarvan is aangetoond dat in dergelijke omstandigheden doelmatige bescherming en lijfsbehoud van opvarenden wordt geboden.
- (48). „Man over boord boot” is een gemakkelijk voort te stuwen en in hoge mate manoeuvreerbare boot, die gemakkelijk en snel door een gering aantal bemanningsleden te water kan worden gelaten en die geschikt is om een overboord geraakte opvarende te redden.
- (49). „Reddingboot in opgeblazen toestand” is een reddingboot van stevige, slijtvaste constructie, die is onderverdeeld in compartimenten en die permanent is opgeblazen.
- (50). „Middel voor het te water brengen” is een middel waarmede het mogelijk is om vanaf de inschepingsplaats een reddingboot of -vlot volledig uitgerust en belast met het aantal personen waarvoor het is bestemd, te water te laten.
- (51). „Vrij opdrijvende reddingboten en -vlotten” zijn boten en vlotten waarvan de plaatsing en opstelling zodanig zijn dat zij kunnen losraken van een zinkend vaartuig en vanzelf naar het wateroppervlak kunnen opdrijven.
Voorschrift 3. Vrijstellingen
- (1). Elk vaartuig met nieuwe kenmerken kan door de Administratie worden vrijgesteld van die vereisten van de Hoofdstukken II, III, IV, V, VI en VII, waarvan de toepassing het onderzoek naar de ontwikkeling van zulke kenmerken en de verwerking daarvan in vaartuigen op ernstige wijze zou kunnen belemmeren. Een dusdanig vaartuig dient evenwel te voldoen aan de veiligheidsvoorschriften die, naar het oordeel van deze Administratie, voldoende zijn voor de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en die zodanig zijn dat zij de algemene veiligheid van het vaartuig waarborgen.
- (2). Vrijstellingen van de vereisten van Hoofdstuk IX komen ter sprake in de Voorschriften 132 en 139(2)(b) en vrijstellingen van Hoofdstuk X komen ter sprake in Voorschrift 147.
- (3). Een vaartuig dat uitsluitend wordt gebruikt voor de visserij onder de kust van zijn land kan door de Administratie worden vrijgesteld van de vereisten van deze Bijlage indien zij van oordeel is dat de toepassing redelijk noch praktisch uitvoerbaar is met het oog op de afstand tussen het gebied waar het vaartuig zijn werkzaamheden verricht en zijn thuishaven in eigen land, het type vaartuig, de weerstoestand en de afwezigheid van algemene risico's voor de scheepvaart, mits het voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die, naar het oordeel van deze Administratie, voldoende zijn voor de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en die zodanig zijn dat zij de algemene veiligheid van het vaartuig waarborgen.
- (4). De Administratie die een vrijstelling krachtens dit Voorschrift toestaat, dient aan de Organisatie de bijzonderheden daarvan mede te delen in die mate als noodzakelijk is om te kunnen vaststellen dat de veiligheid voldoende is gewaarborgd; de Organisatie zendt zodanige bijzonderheden te hunner kennisneming aan de Partijen.
Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
- (1). De Administratie mag toestaan dat ieder onderdeel, materiaal, instrument of toestel in een vaartuig wordt aangebracht, of dat een bijzondere voorziening wordt getroffen als gelijkwaardig aan die, welke in deze Bijlage wordt voorgeschreven, mits zodanig onderdeel, materiaal, instrument of toestel ten minste even doelmatig is als die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven.
- (2). De Administratie die een onderdeel, materiaal, instrument of toestel toestaat of toestaat dat een bijzondere voorziening wordt getroffen als gelijkwaardig aan die, welke in deze Bijlage wordt geëist, dient aan de Organisatie de bijzonderheden daarvan mede te delen, die deze te hunner kennisneming en met het oog op eventueel te nemen passende maatregelen aan de Partijen zendt.
Voorschrift 5. Reparaties, veranderingen en wijzigingen
- (1). Een vaartuig dat reparaties, veranderingen of wijzigingen ondergaat, alsmede de daarmee verband houdende uitrusting, moet ten minste blijven voldoen aan de voorschriften die voordien voor dat vaartuig golden.
- (2). Reparaties, veranderingen en grote verbouwingen, alsmede de daarmede verband houdende aanpassingen, moeten voldoen aan de eisen voor een nieuw vaartuig voor zover de Administratie zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar acht.
Voorschrift 6. Onderzoeken
- (1). Elk vaartuig moet de hieronder volgende onderzoeken ondergaan:
- (a). Een eerste onderzoek voordat het vaartuig in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist krachtens Voorschrift 7 voor de eerste maal wordt afgegeven, dat een volledig onderzoek moet omvatten van de constructie, stabiliteit, machine-installaties, algemene inrichting en het materiaal, met inbegrip van de romp van het vaartuig aan de buitenzijde en het in- en uitwendige van de ketels en uitrusting in zoverre het vaartuig valt onder de bepalingen van deze Bijlage. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de algemene inrichting, het materiaal en de verbanddelen van de romp, ketels en andere drukvaten met toebehoren, hoofd- en hulpwerktuigen, elektrische installaties, radioinstallaties, radiotelegrafie-installaties in motorreddingboten, draagbare radiotoestellen voor reddingboten en -vlotten, radiobakens ten behoeve van de plaatsbepaling op zee in noodgevallen (EPIRBs), reddingmiddelen, brandontdekkings- en brandblusmiddelen, radar, echolood, gyrokompassen en andere uitrusting, ten volle voldoen aan de voorschriften van deze Bijlage. Het onderzoek moet ook zodanig zijn, dat het zeker is dat de technische uitvoering van alle delen van het vaartuig en zijn uitrusting in alle opzichten bevredigend is en dat het vaartuig is voorzien van de lichten, middelen voor het geven van geluidsseinen en noodseinen zoals vereist volgens de voorschriften van deze Bijlage en geldende Internationale Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee. In het geval loodsladders worden meegevoerd, moeten deze eveneens onderzocht worden ten einde zeker te stellen dat zij veilig werken en voldoen aan de desbetreffende voorschriften van het geldend Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee.
- (b). Periodieke onderzoeken die worden verricht met inachtneming van onderstaande tussenpozen: Het onderzoek moet zodanig zijn, dat zeker wordt gesteld dat de onderdelen, waarop paragraaf (a), in het bijzonder wat de veiligheidsvoorzieningen betreft, betrekking heeft, ten volle voldoen aan de voorschriften van deze Bijlage, dat de desbetreffende uitrusting goed functioneert en dat de gegevens inzake de stabiliteit aan boord onmiddellijk beschikbaar zijn. In het geval de geldigheidsduur van het certificaat dat krachtens Voorschrift 7 is afgegeven, wordt verlengd op grond van Voorschrift 11(2) of (4), kan de tussenpoze van het periodieke onderzoek overeenkomstig worden verlengd.
- (i). per jaar waar het de constructie en machine-installaties van het vaartuig betreft, bedoeld in de Hoofdstukken II, III, IV, V en VI. Deze periode kan echter met een jaar worden verlengd, onder voorwaarde dat het vaartuig inwendig of uitwendig aan een onderzoek wordt onderworpen, in zoverre zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar is;
- (ii). twee jaar waar het de uitrusting van het vaartuig betreft, bedoeld in de Hoofdstukken II, III, IV, V, VI, VII en X; en
- (iii). een jaar waar het de radio-installaties en radiorichtingzoeker van het vaartuig betreft, bedoeld in de Hoofdstukken IX en X.
- (c). Tussentijdse onderzoeken waar het de constructie of machineinstallaties van het vaartuig betreft, die worden verricht met inachtneming van door de Administratie vastgestelde tussenpozen. Het onderzoek moet ook zodanig zijn dat zeker wordt gesteld dat wijzigingen waardoor de veiligheid van het vaartuig of zijn bemanning nadelig zou worden beïnvloed, niet zijn aangebracht. Zodanige tussentijdse onderzoeken en de tussenpozen waarmee deze worden verricht, worden aangetekend op de rugzijde van het Internationale Certificaat inzake de Beveiliging van Vissersschepen, afgegeven krachtens Voorschrift 7.
- (2). Onderzoeken van het vaartuig worden met het oog op de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze Bijlage verricht door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan evenwel de onderzoeken opdragen hetzij aan speciaal voor dit doel benoemde experts, hetzij aan door haar erkende organisaties. In elk geval dient de betrokken Administratie tevreden gesteld te worden met betrekking tot de volledigheid en de doeltreffendheid van de onderzoeken.
- (3). Nadat een onderzoek van het vaartuig krachtens dit Voorschrift is voltooid, mogen in de constructie, de uitrusting, de onderdelen, de inrichting of het materiaal waarop het onderzoek betrekking heeft, geen belangrijke veranderingen worden aangebracht dan na goedkeuring van de Administratie, met uitzondering van de onmiddellijke vervanging van zodanige uitrusting of onderdelen.
Voorschrift 7. Afgifte van certificaten
- (1).
- (a). Een certificaat, Internationaal Veiligheidscertificaat voor Vissersvaartuigen geheten, wordt, nadat een onderzoek heeft plaatsgevonden, afgegeven ten behoeve van een vaartuig dat voldoet aan de toepasselijke voorschriften van deze Bijlage.
- (b). Wanneer een vrijstelling wordt verleend ten behoeve van een vaartuig op grond van en in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage, moet een certificaat, Internationaal Certificaat van Vrijstelling voor Vissersvaartuigen geheten, worden afgegeven naast het in sub-paragraaf (a) voorgeschreven certificaat.
- (2). Het Certificaat bedoeld in lid (1) wordt afgegeven of door de Administratie, of door een persoon of organisatie die daartoe door de Administratie is gemachtigd. In alle gevallen moet de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de afgifte van het certificaat aanvaarden.
Voorschrift 8. Afgifte van certificaten door een andere Partij
- (1). Een Partij kan op verzoek van een andere Partij, een vaartuig aan een onderzoek onderwerpen en moet, wanneer zij overtuigd is dat wordt voldaan aan de eisen van deze Bijlage, certificaten afgeven of machtigen dat deze worden afgegeven ten behoeve van het vaartuig in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
- (2). Een kopie van het certificaat en een kopie van het onderzoekrapport moet zo spoedig mogelijk aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan, worden doorgestuurd.
- (3). Een op zodanige wijze afgegeven certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de andere Administratie en zal dezelfde waarde hebben en op dezelfde wijze worden erkend als de certificaten die zijn afgegeven ingevolge Voorschrift 7.
Voorschrift 9. Model van certificaten
De certificaten moeten worden opgesteld in de officiële taal of talen van het land door hetwelk zij worden afgegeven en in de vorm die overeenkomt met het model, zoals dat is opgenomen in Aanhangsel 1. Indien de gebruikte taal noch de Engelse, noch de Franse is, moet de tekst tevens een vertaling in één van deze talen bevatten.
Voorschrift 10. Ophangen van certificaten
Alle op grond van deze Bijlage afgegeven certificaten of gewaarmerkte afschriften daarvan moeten op een in het oog vallende en gemakkelijk toegankelijke plaats op het vaartuig worden opgehangen.
Voorschrift 11. Geldigheid van certificaten
- (1). Een Internationaal Veiligheidscertificaat voor Vissersvaartuigen wordt voor een tijdsduur van niet langer dan vier jaar afgegeven en wordt niet langer verlengd dan voor één jaar, afhankelijk van de periodieke en tussentijdse onderzoeken zoals voorgeschreven in Voorschrift 6 (1) (b) en (c), behalve in de gevallen waarin is voorzien in lid (2), (3) en (4) van dit Voorschrift. Een Internationaal Certificaat voor Vrijstelling van Vissersvaartuigen heeft een geldigheidsduur die niet langer mag zijn dan die van het Internationaal Veiligheidscertificaat voor Vissersvaartuigen.
- (2). Indien een vaartuig zich ten tijde van het aflopen of ophouden van de geldigheidsduur van zijn certificaat niet bevindt in een haven van de Partij wier vlag het vaartuig gerechtigd is te voeren, mag de geldigheidsduur van het certificaat door die Partij worden verlengd, doch een dergelijke verlenging mag slechts worden verleend om het vaartuig in staat te stellen zijn reis naar een haven van die Partij waar het aan een onderzoek zal worden onderworpen, te voltooien en dan nog alleen in gevallen, waarin het gepast en redelijk voorkomt dit te doen.
- (3). Van geen enkel certificaat mag op deze wijze de geldigheidsduur voor een langere tijdsduur dan vijf maanden worden verlengd en een vaartuig, ten behoeve waarvan een dergelijke verlenging wordt verleend, mag, nadat het in een haven van de Partij wier vlag het vaartuig is gerechtigd te voeren of de haven waar het aan een onderzoek zal worden onderworpen, is aangekomen, niet krachtens een dergelijke verlenging een zodanige haven verlaten zonder een nieuw certificaat te hebben verkregen.
- (4). Van een certificaat waarvan de geldigheidsduur ingevolge de bepalingen van lid (2) niet is verlengd, mag de geldigheidsduur door de Administratie worden verlengd voor een tijdsduur van hoogstens één maand, aanvangende op de op het certificaat vermelde vervaldatum.
- (5). Een certificaat verliest zijn geldigheid:
- (a). indien belangrijke veranderingen in de voorgeschreven constructie, uitrusting, onderdelen, algemene inrichting of in het voorgeschreven materiaal zijn getroffen, zonder goedkeuring van de Administratie, met uitzondering van de onmiddellijke vervanging van zodanige uitrusting of onderdelen;
- (b). indien periodieke of tussentijdse onderzoeken niet zijn verricht binnen de tijdsduur vermeld in Voorschrift 6(1)(b) en (c) dan wel binnen de tijdsduur waarvoor verlenging is verleend overeenkomstig lid (2) of (4) van dit Voorschrift;
- (c). op het ogenblik dat een vaartuig onder een andere vlag gaat varen. In het geval een registratie-overdracht heeft plaatsgevonden tussen Partijen, moet de Partij wier vlag het vaartuig oorspronkelijk gerechtigd was te voeren, op verzoek van de andere Partij zo spoedig mogelijk aan die andere Partij afschriften van de certificaten die het vaartuig vóór de overdracht aan boord had, doen toekomen alsmede afschriften van de desbetreffende onderzoekrapporten, indien deze beschikbaar zijn.
HOOFDSTUK II. CONSTRUCTIE, WATERDICHTHEID EN UITRUSTING
Voorschrift 12. Constructie
(1). De sterkte en constructie van de romp, bovenbouwen en dekhuizen, schachten van machinekamers, toegangskappen en elke andere constructie en scheepsuitrusting moeten alle voldoende bestand zijn tegen omstandigheden die zich kunnen voordoen tijdens de werkzaamheden waarvoor het vaartuig bestemd is en moeten ten genoegen van de Administratie zijn.
(2). De romp van vaartuigen bestemd om in ijs dienst te doen, moeten versterkt worden overeenkomstig de te verwachten omstandigheden tijdens de vaart en die in het werkgebied.
(3). Schotten, sluitmiddelen en afsluitingen van openingen in deze schotten, evenals methoden om deze te beproeven, moeten voldoen aan de eisen die door de Administratie worden gesteld. Vaartuigen vervaardigd van ander materiaal dan hout, moeten voorzien zijn van een aanvaringsschot en ten minste van waterdichte schotten die de ruimte voor machines omsluiten. Deze schotten moeten worden opgetrokken tot aan het werkdek. Zodanige schotten, die zover zulks praktisch uitvoerbaar is, waterdicht moeten zijn, moeten tevens zijn aangebracht in houten schepen.
(4). Pijpen die het aanvaringsschot doorboren, moeten voorzien zijn van geschikte afsluiters, die boven het werkdek kunnen worden bediend en de kleppenkast moet tegen het aanvaringsschot in de voorpiek zijn bevestigd. Geen deur, mangat, ventilatiekoker of andere opening mag in het aanvaringsschot onder het werkdek zijn aangebracht.
(5). Ingeval een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, moet het aanvaringsschot doorlopen tot het dek boven het werkdek en aldaar dicht zijn tegen weer en wind. Deze voortzetting van het aanvaringsschot behoeft niet onmiddellijk boven het er onder geplaatste schot te worden aangebracht, mits zij binnen de in Voorschrift 2(21) gegeven afstanden wordt geplaatst en het gedeelte van het dek, dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en wind.
(6). Het aantal openingen in het aanvaringsschot boven het werkdek moet beperkt worden tot het minimum dat verenigbaar is met de bestemming en de normale werkzaamheden van het vaartuig. Zulke openingen moeten tegen weer en wind kunnen worden afgesloten.
(7). In vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moet voor zover dit uitvoerbaar is, tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot een waterdichte dubbele bodem zijn aangebracht.
Voorschrift 13. Waterdichte deuren
- (1). Het aantal openingen in waterdichte schotten, zoals deze vereist zijn ingevolge Voorschrift 12(3), moet beperkt worden tot het minimum dat verenigbaar is met de algehele inrichting en de noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden op het vaartuig; openingen moeten zijn voorzien van waterdichte sluitmiddelen, zulks ten genoegen van de Administratie. Waterdichte deuren moeten van gelijke sterkte zijn als de aangrenzende constructie die niet is doorboord.
- (2). In vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kunnen zulke deuren van het type draaideuren zijn, die ter plaatse aan beide kanten van de deur moeten kunnen worden geopend en gesloten en die gewoonlijk onder normale omstandigheden op zee gesloten moeten blijven. Aan beide kanten van de deur moet een aanduiding zijn bevestigd dat de deur op zee gesloten moet blijven.
- (3). In vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten waterdichte deuren van het type schuifdeuren zijn in: In alle andere gevallen kunnen waterdichte deuren van het type draaideuren zijn.
- (a). ruimten, waar deze deuren op zee geopend moeten kunnen worden en hun drempels onder de hoogst gelegen lastlijn liggen, tenzij de Administratie van oordeel is dat zulks praktisch onuitvoerbaar is of niet noodzakelijk is, daarbij het type en de bestemming van de vaartuigen in aanmerking nemend; en
- (b). het lagere gedeelte van een ruimte voor machines, van waaruit een schroefastunnel kan worden bereikt.
- (4). Waterdichte schuifdeuren moeten geopend en gesloten kunnen worden wanneer het vaartuig een helling heeft van 15° over welke zijde ook.
- (5). Ongeacht of waterdichte schuifdeuren met de hand of anderszins worden geopend en gesloten, moeten deze ter plaatse aan beide zijden van de deur geopend en gesloten kunnen worden; in vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten deze deuren tevens door middel van afstandsbediening geopend en gesloten kunnen worden vanaf een bereikbare plaats boven het werkdek, behalve wanneer de deuren zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie voor de bemanning.
- (6). Op plaatsen van waaruit afstandsbediening plaatsvindt, moet een inrichting aanwezig zijn, die aangeeft of een schuifdeur geopend of gesloten is.
Voorschrift 14. Waterdichtheid
- (1). Openingen waardoor water het vaartuig kan binnendringen, moeten voorzien zijn van sluitmiddelen overeenkomstig de in dit Hoofdstuk toepasselijke bepalingen. Dekopeningen die tijdens de visvangst geopend kunnen zijn, moeten gewoonlijk ter plaatse van de hartlijn van het vaartuig zijn aangebracht. De Administratie kan echter afwijkende voorzieningen goedkeuren, indien zij ervan overtuigd is dat daardoor de veiligheid van het vaartuig niet vermindert.
- (2). Luiken boven visstortopeningen op hektreilers moeten waterdicht zijn, mechanisch worden aangedreven en vanaf elke plaats kunnen worden bediend, die een vrij uitzicht biedt op de werking van deze luiken.
Voorschrift 15. Deuren, dicht tegen weer en wind
- (1). Alle toegangsopeningen in schotten van gesloten bovenbouwen en andere uitwendige constructies waardoor, met gevaar voor het vaartuig, water zou kunnen binnendringen, moeten zijn voorzien van deuren, die blijvend aan het schot zijn bevestigd en zodanig zijn ingeraamd en verstijfd dat het gehele samenstel even sterk is als de intacte constructie en moeten in gesloten toestand dicht zijn tegen weer en wind. De middelen om deze deuren dicht tegen weer en wind te doen zijn, moeten bestaan uit pakkingen en knevels of andere gelijkwaardige middelen en moeten blijvend aan het schot of aan de deuren zelf zijn bevestigd en zodanig zijn ingericht dat zij aan elke zijde van het schot kunnen worden bediend.
- (2). De hoogte boven het dek van drempels in deze deuropeningen, in gangboorden, opbouwen en schachten van machinekamers, die rechtstreeks toegang geven tot gedeelten van het blootgestelde dek, moet ten minste 600 millimeter op het werkdek en ten minste 300 millimeter op het bovenbouwdek bedragen. Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen en na goedkeuring van de Administratie, mag deze hoogte worden verlaagd tot ten hoogste respectievelijk 380 millimeter en 150 millimeter, met uitzondering van de hoogte van de deuropeningen die rechtstreeks toegang geven tot de ruimten voor machines.
Voorschrift 16. Luikopeningen gesloten door middel van houten luiken
- (1). De hoogte boven het dek van luikhoofden moet op blootgestelde gedeelten van het werkdek ten minste 600 millimeter en op het bovenbouwdek ten minste 300 millimeter bedragen.
- (2). Met betrekking tot de dikte na afwerking van houten luiken voor luikopeningen moet rekening worden gehouden met slijtage ten gevolge van ruw gebruik. In elk geval moet de dikte na afwerking van deze luiken per 100 millimeter ongesteunde lengte ten minste 4 millimeter bedragen met een minimum van 40 millimeter en moet de breedte van hun draagvlak ten minste 65 millimeter bedragen.
- (3). Voorzieningen waarmee de houten luiken voor luikopeningen dicht tegen weer en wind kunnen worden vastgezet, moeten ten genoegen van de Administratie zijn aangebracht.
Voorschrift 17. Luikopeningen gesloten door luiken van een ander materiaal dan hout
- (1). De hoogte boven het dek van luikhoofden moet dezelfde zijn als die, welke in Voorschrift 16 (1) is vastgesteld. Wanneer de bedrijfservaringen zulks rechtvaardigen en na goedkeuring van de Administratie, mag de hoogte van de luikhoofden worden verlaagd of mogen de luikhoofden geheel worden weggelaten, mits daardoor de veiligheid van de vaartuigen niet vermindert. In dat geval moeten de luikopeningen zo klein als praktisch uitvoerbaar is, worden gehouden en moeten de luiken blijvend zijn bevestigd door middel van scharnieren of gelijkwaardige middelen en snel gesloten en geschalkt kunnen worden.
- (2). Voor de berekening van de sterkte moet worden aangenomen, dat luiken voor luikopeningen zijn onderworpen aan het gewicht van de lading die daarop wordt vervoerd of aan de hierna vermelde statische belasting, al naar gelang welke waarde groter is: Voor tussenliggende waarden van de lengte moeten de waarden voor de belasting door lineaire interpolatie worden vastgesteld. De Administratie mag de belastingen tot maximaal 75 percent van bovenvermelde waarden verlagen, indien het luiken van luikopeningen betreft, die zich op het bovenbouwdek bevinden op een plaats achter een punt, dat op 0,25L vanaf de voorloodlijn ligt.
- (a). 10,0 kilonewton per vierkante meter voor vaartuigen, waarvan de lengte 24 meter bedraagt;
- (b). 17,0 kilonewton per vierkante meter voor vaartuigen, waarvan de lengte 100 meter of meer bedraagt.
- (3). Wanneer luiken van staal zijn vervaardigd, mag de overeenkomstig paragraaf (2) berekende grootste trekspanning vermenigvuldigd met de factor 4,25 niet groter zijn dan de minimumtreksterkte van het materiaal. Bij de aangenomen belastingen mogen de doorbuigingen niet meer bedragen dan 0,0028 maal de overspanning.
- (4). Luiken van een ander materiaal dan staal moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan de sterkte van stalen luiken en hun constructie moet van zodanige stijfheid zijn, dat de dichtheid tegen weer en wind onder de belastingen zoals deze zijn vastgesteld in paragraaf (2), is verzekerd.
- (5). Luiken moeten voorzien zijn van knevels en pakkingen, of andere, ten genoegen van de Administratie gelijkwaardige voorzieningen, ten einde voldoende zeker te stellen dat de luiken dicht tegen weer en wind zijn.
Voorschrift 18. Openingen boven de ruimte voor machines
- (1). Openingen boven ruimten voor machines moeten rondom versterkt en omsloten zijn door schachten van een sterkte gelijkwaardig aan de aangrenzende bovenbouw. De toegangsopeningen aan de buitenzijde daarin moeten zijn voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van Voorschrift 15.
- (2). Openingen, andere dan toegangsopeningen, moeten zijn voorzien van deksels met een sterkte die gelijkwaardig is aan de intacte bovenbouw en moeten blijvend daaraan zijn bevestigd en dicht tegen weer en wind kunnen worden gesloten.
Voorschrift 19. Andere openingen in het dek
- (1). Wanneer zulks voor de visserijwerkzaamheden van belang is, mogen in het dek verzonken stortranden van het schroef- of bajonettype of een soortgelijk type en mangaten worden aangebracht, mits deze waterdicht gesloten kunnen worden; zodanige voorzieningen moeten blijvend bevestigd zijn aan de aangrenzende bovenbouw. Met inachtneming van afmetingen en plaats van de openingen alsmede de uitvoering van de sluitmiddelen, mogen metaal op metaal afsluitingen zijn aangebracht, indien deze ten genoegen van de Administratie afdoende waterdicht zijn.
- (2). Openingen die geen luikhoofden, openingen boven de ruimte voor machines, mangaten of verzonken stortranden in het werk- of bovenbouwdek zijn, moeten worden beschermd door gesloten constructies, voorzien van deuren die dicht zijn tegen weer en wind of daaraan gelijkwaardige afsluitingen. Toegangskappen moeten zo dicht als praktisch uitvoerbaar is bij de hartlijn van het vaartuig geplaatst zijn.
Voorschrift 20. Luchtkokers
- (1). Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten de luchtkokerpotten, die geen luchtkokerpotten van de ruimte voor machines zijn, een hoogte van ten minste 900 millimeter boven het werkdek en ten minste 760 millimeter boven het bovenbouwdek hebben. Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moet de hoogte van deze potten respectievelijk 760 millimeter en 450 millimeter bedragen. De hoogte boven dek van luchtkokeropeningen van de ruimte voor machines moet ten genoegen van de Administratie zijn.
- (2). De sterkte van luchtkokerpotten moet gelijkwaardig zijn aan de aangrenzende constructie en door middel van sluitinrichtingen die blijvend zijn aangebracht aan de luchtkoker of aangrenzende constructie, dicht tegen weer en wind gesloten kunnen worden. Wanneer een luchtkoker hoger is dan 900 millimeter, moet hij bijzonder gesteund worden.
- (3). Bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, behoeven luchtkokers waarvan de potten meer dan 4,5 meter boven het werkdek of meer dan 2,3 meter boven het bovenbouwdek uitsteken, niet te zijn voorzien van sluitinrichtingen, tenzij de Administratie zulks uitdrukkelijk vordert. Bij vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, behoeven luchtkokers waarvan de potten meer dan 3,4 meter boven het werkdeel of meer dan 1,7 meter boven het bovenbouwdek uitsteken niet te zijn voorzien van sluitinrichtingen. Indien ten genoegen van de Administratie het niet waarschijnlijk is dat water het vaartuig via luchtkokers van de ruimte voor machines binnenkomt, kunnen zodanige sluitinrichtingen aan luchtkokers vervallen.
Voorschrift 21. Luchtpijpen
- (1). Wanneer luchtpijpen van tanks en lege ruimten benedendeks boven werk- of bovenbouwdekken reiken, moeten de blootgestelde delen van de pijpen van een sterkte zijn die gelijkwaardig is aan de aangrenzende constructies en in voldoende mate beschermd zijn. Er moeten middelen, die blijvend zijn bevestigd aan de pijp of aangrenzende constructie, aanwezig zijn voor het afsluiten van de openingen van de luchtpijpen.
- (2). De hoogte van luchtpijpen bovendeks tot het punt waar water naar beneden kan binnendringen, moet ten minste 760 millimeter zijn op het werkdek en ten minste 450 millimeter op het bovenbouwdek. De Administratie kan een geringere hoogte van een luchtpijp aanvaarden ten einde te voorkomen dat de visserijwerkzaamheden worden belemmerd.
Voorschrift 22. Peilinrichtingen
- (1). Peilinrichtingen moeten ten genoegen van de Administratie zijn aangebracht in:
- (a). de vullingen van die waterdichte afdelingen van het vaartuig die niet te allen tijde tijdens de reis gemakkelijk toegankelijk zijn; en
- (b). alle tanks en kofferdammen.
- (2). Wanneer peilpijpen zijn aangebracht, moeten de boveneinden daarvan gemakkelijk bereikbaar zijn en, wanneer zulks praktisch uitvoerbaar is, tot boven het werkdek zijn doorgetrokken. De openingen daarvan moeten zijn voorzien van blijvend bevestigde sluitingsinrichtingen. Peilpijpen die niet tot boven het werkdek zijn doorgetrokken, moeten zijn voorzien van zelfsluitende inrichtingen.
Voorschrift 23. Patrijspoorten en ramen
- (1). Patrijspoorten en ruimten onder het werkdek en in ruimten binnen gesloten constructies op dat dek moeten zijn voorzien van scharnierende blinden, die waterdicht gesloten kunnen worden.
- (2). Een patrijspoort mag niet op een zodanige plaats worden aangebracht dat de onderkant van de dagopening lager ligt dan 500 millimeter boven de hoogst gelegen lastlijn.
- (3). Patrijspoorten met inbegrip van de zich daarin bevindende glasschijven en daaraan bevestigde blinden moeten van een goedgekeurde constructie zijn.
- (4). Gehard veiligheidsglas of soortgelijk materiaal moet zijn gebruikt voor de ramen van het stuurhuis.
- (5). Indien ten genoegen van de Administratie daardoor de veiligheid van het vaartuig niet wordt aangetast, kan zij aanvaarden dat patrijspoorten en ramen niet zijn voorzien van blinden, ingeval zij in de zijschotten en achterschotten van dekhuizen, op of boven het werkdek gelegen, zijn aangebracht.
Voorschrift 24. Inlaat- en afvoerpijpen
- (1). Door de huid gaande afvoerpijpen van ruimten beneden het werkdek of van omsloten bovenbouwen of dekhuizen op het werkdek voorzien van deuren die voldoen aan de eisen van Voorschrift 15 moeten zijn voorzien van toegankelijke middelen ter voorkoming van het binnendringen van water in het vaartuig. Normaal moet iedere afzonderlijke afvoerpijp een automatisch werkende terugslagklep hebben met een inrichting waardoor de klep rechtstreeks van een toegankelijke plaats kan worden gesloten. De aanwezigheid van een zodanige klep is niet noodzakelijk, indien de Administratie van oordeel is dat het niet waarschijnlijk is, dat gevreesd moet worden dat water, dat via de opening het vaartuig binnenkomt, het vaartuig zal doen vollopen en wanneer de pijpen voldoende wanddikte hebben. De middelen voor de bediening van de rechtstreeks beweegbare klep moeten voorzien zijn van een indicator die aangeeft of de klep open dan wel gesloten is.
- (2). In bemande ruimten voor machines mogen inlaatkasten voor hoofd- en hulpwerktuigen en afvoerpijpen, die van belang zijn voor het in bedrijf houden van machines ter plaatse worden bediend. De bedieningsapparatuur moet toegankelijk zijn en voorzien zijn van indicatoren die aangeven of de kleppen open dan wel gesloten zijn.
- (3). Aan de huid aangebrachte appendages en de kleppen die ingevolge dit Voorschrift dienen te zijn aangebracht, moeten zijn vervaardigd van staal, brons of van een ander goedgekeurd smeedbaar materiaal. Alle pijpen die zich tussen de huid en de kleppen bevinden, dienen te zijn vervaardigd van staal, met dien verstande dat de Administratie in ruimten, andere dan ruimten voor machines van niet-stalen vaartuigen, het gebruik van andere materialen kan toestaan.
Voorschrift 25. Waterloospoorten
- (1). Wanneer een verschansing op aan weer en wind blootgestelde gedeelten van het werkdek kuilen vormt, moet het minimumwaterloosoppervlak (A) in vierkante meters aan elke zijde van het schip voor elke kuil op het werkdek in verhouding tot de lengte (l) en de hoogte van de verschansing in de kuil als volgt vastgesteld worden:
- (a). A = 0,07 l (l behoeft niet groter te worden genomen dan 0,7 L).
- (b).
- (i). Wanneer de gemiddelde hoogte van de verschansing meer is dan 1200 millimeter, moet het voorgeschreven oppervlak worden vergroot met 0,004 vierkante meter per meter kuillengte voor elke 100 millimeter verschil in hoogte,
- (ii). Wanneer de gemiddelde hoogte van de verschansing minder is dan 900 millimeter, mag het voorgeschreven oppervlak met 0,004 vierkante meter per meter kuillengte worden verkleind voor elke 100 millimeter verschil in hoogte.
- (2). Het waterloosoppervlak dat volgens paragraaf (1) is berekend, wordt verhoogd, wanneer de Administratie van oordeel is dat de zeeg van het vaartuig niet voldoende is om een snelle en afdoende lozing van water van het dek te waarborgen.
- (3). Afhankelijk van de goedkeuring van de Administratie mag het minimumwaterloosoppervlak voor elke kuil op het bovenbouwdek niet kleiner zijn dan de helft van het oppervlak (A) zoals dat in paragraaf (1) is voorgeschreven.
- (4). Waterloospoorten moeten zodanig langs de lengte van de verschansingen zijn aangebracht, dat zeker gesteld is dat water zo snel en afdoende mogelijk van het dek wordt geloosd. Onderkanten van waterloospoorten moeten zo dicht mogelijk boven het dek liggen als praktisch uitvoerbaar is.
- (5). Lastplanken en inrichtingen waarmede vistuig wordt vastgezet, moeten zodanig aangebracht zijn dat de werking van waterloospoorten niet vermindert. Lastplanken moeten zo geconstrueerd zijn dat zij bij gebruik in de juiste stand vastgezet kunnen worden en mogen de lozing van overgekomen water niet belemmeren.
- (6). Waterloospoorten waarvan de hoogte meer dan 300 millimeter bedraagt, moeten voorzien zijn van staven met een onderlinge afstand van ten hoogste 230 millimeter en ten minste 150 millimeter of moeten voorzien zijn van andere geschikte beschermingsvoorzieningen. Indien waterloospoorten zijn voorzien van kleppen, moeten deze van goedgekeurde constructie zijn. Indien noodzakelijk wordt geacht dat kleppen tijdens visserijwerkzaamheden zijn voorzien van vastzetinrichtingen, moeten deze ten genoegen van de Administratie zijn en vanaf een gemakkelijk toegankelijke plaats eenvoudig te bedienen zijn.
- (7). Bij vaartuigen bestemd om gebruikt te worden in wateren waar ijsafzetting kan voorkomen, moeten kleppen en beschermingsvoorzieningen van waterloospoorten gemakkelijk verwijderd kunnen worden ten einde ijsafzetting te beperken. De afmetingen van openingen en inrichtingen aangebracht om deze beschermingsvoorzieningen te kunnen verwijderen, moeten ten genoegen van de Administratie zijn.
Voorschrift 26. Uitrustingen voor het ankeren en voor het meren
Een uitrusting voor het snel en veilig ankeren moet aangebracht zijn en moet bestaan uit ankers met toebehoren, ankerkettingen of staaldraadkabels, stoppers en een ankerspil of andere voorzieningen voor het laten vallen en het lichten van het anker en het verankerd houden van het vaartuig tijdens elke te voorziene werkomstandigheid. Vaartuigen moeten eveneens voorzien zijn van een geschikte uitrusting voor het meren, ten einde onder alle werkomstandigheden veilig te kunnen meren. De uitrusting voor het ankeren en die voor het meren moeten ten genoegen van de Administratie zijn.*)[Red: Zie Bijlage II - Aanbevolen gebruik van uitrustingen voor het ankeren en meren - van Deel B van de Veiligheidsvoorschriften voor vissers en vissersvaartuigen.]
HOOFDSTUK III. STABILITEIT EN DAARMEE VERWANTE ZEEWAARDIGHEID
Voorschrift 27. Algemeen
Vaartuigen moeten zo ontworpen en geconstrueerd zijn dat aan de bepalingen van dit Hoofdstuk wordt voldaan in de bedrijfsomstandigheden bedoeld in Voorschrift 33. Berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit moeten ten genoegen van de Administratie zijn.*)[Red: Zie Bijlage 1 van de Aanbeveling inzake intacte stabiliteit van vissersvaartuigen, aangenomen door de Organisatie bij Resolutie A. 168 (ES.IV) en de Handleiding betreffende de nauwkeurigheid van stabiliteitsgegevens met betrekking tot vissersvaartuigen, aangenomen door de Organisatie bij Resolutie A.267(VIII).]
Voorschrift 28. Stabiliteitscriteria
(1). Aan onderstaande minimumstabiliteitscriteria moet worden voldaan, tenzij de Administratie ervan overtuigd is dat, gelet op de bedrijfservaringen, daarvan afgeweken kan worden:
- (a). het oppervlak onder de kromme van de armen van statische stabiliteit (GZ-kromme) mag niet minder zijn dan 0,055 meter-radialen tot aan een helling van 30 graden en niet minder dan 0,090 meter-radialen tot aan een helling van 40 graden, dan wel de helling, waarbij het vaartuig vervuld raakt of, indien deze helling minder is dan 40 graden. Bovendien mag het oppervlak onder de kromme van de armen van statische stabiliteit (GZ-kromme) tussen de hellingen van 30 en 40 graden, dan wel tussen 30 graden en of, indien deze helling minder is dan 40 graden, niet minder zijn dan 0,30 meter-radialen. Of is de helling waarbij openingen in de romp, bovenbouw of dekhuizen, die niet snel waterdicht gesloten kunnen worden, onder water beginnen te geraken. Bij toepassing van dit criterium behoeven kleine openingen, waardoor binnenstromend water niet verder in het schip kan binnendringen, niet als open te worden aangemerkt;
- (b). de arm van statische stabiliteit GZ moet ten minste 200 millimeter zijn bij een helling van 30 graden of meer;
- (c). de maximale waarde van de arm van statische stabiliteit GZmax moet worden bereikt bij een helling die bij voorkeur groter is dan 30 graden doch niet minder is dan 25 graden;
- (d). de aanvangs-metacenterhoogte GM mag niet minder zijn dan 350 millimeter voor vaartuigen met één dek. In geval van vaartuigen met een volledige bovenbouw of van vaartuigen waarvan de lengte 70 meter of meer bedraagt, mag de metacenterhoogte ten genoegen van de Administratie worden verminderd, doch in geen geval minder zijn dan 150 millimeter.
(2). Wanneer voorzieningen, andere dan kimkielen, zijn aangebracht ten einde het slingeren tegen te gaan, moet de Administratie ervan overtuigd zijn dat de stabiliteitscriteria, zoals omschreven in paragraaf (1), onder alle bedrijfsomstandigheden worden gehandhaafd.
(3). Wanneer ballast is aangebracht ten einde zeker te stellen dat wordt voldaan aan paragraaf (1), moet de aard en plaatsing daarvan ten genoegen van de Administratie zijn.
Voorschrift 29. Vervuld raken van visruimen
De helling waarbij water de visruimen zou kunnen binnendringen door luiken, die tijdens het uitoefenen van visserijwerkzaamheden openblijven en die niet snel gesloten kunnen worden, moet ten minste 20 graden zijn, tenzij - met de respectievelijke visruimen gedeeltelijk of geheel vervuld geraakt - aan de stabiliteitscriteria van Voorschrift 28(1) kan blijven worden voldaan.
Voorschrift 30. Bijzondere vismethoden
Vaartuigen die worden gebruikt voor bijzondere vismethoden waarbij extra krachten van buitenaf tijdens de visserijwerkzaamheden op het vaartuig werken, moeten voldoen aan de stabiliteitscriteria van Voorschrift 28(1), die zo nodig ten genoegen van de Administratie moeten worden uitgebreid.
Voorschrift 31. Harde wind en slingeren
Vaartuigen moeten ten genoegen van de Administratie weerstand kunnen bieden aan de invloed van harde wind en slingeren in de daarmede verband houdende zeegang, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden van het jaargetijde, de toestand van de zee waar het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.*)[Red: Zie de Richtlijn inzake een berekeningswijze van de invloed van sterke wind en slingeren in de daarmede verband houdende zeegang, opgenomen in Aanbeveling 1 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.]
Voorschrift 32. Water aan dek
Vaartuigen moeten ten genoegen van de Administratie weerstand kunnen bieden aan de invloed van water aan dek, waarbij rekening moet worden gehouden met de weersomstandigheden van het jaargetijde, de aard van de zee waar het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.**)[Red: Zie de Richtlijn inzake een berekeningswijze van de invloed van water aan dek, opgenomen in Aanbeveling 2 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.]
Voorschrift 33. Bedrijfsomstandigheden
- (1). Het aantal en de soort bedrijfsomstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden, moeten ten genoegen van de Administratie zijn en moeten het onderstaande omvatten:
- (a). vertrek naar de visgronden waarbij het vaartuig volledig moet zijn uitgerust met brandstoffen, voorraden, ijs, vistuig, enz.;
- (b). vertrek van de visgronden met maximale vangst;
- (c). aankomst in de thuishaven met maximale vangst en 10 procent van de voorraden, brandstoffen, enz.; en
- (d). aankomst in de thuishaven met 20 procent van de maximale vangst en 10 procent van de voorraden, brandstoffen, enz.
- (2). Behalve dat de specifieke bedrijfsomstandigheden weergegeven in paragraaf (1) ten genoegen van de Administratie moeten zijn, moet tevens ten genoegen van de Administratie zijn, dat onder alle andere werkelijk optredende bedrijfsomstandigheden, met inbegrip van die, welke de laagste waarden van de stabiliteitsparameters vervat in deze criteria voortbrengen, wordt voldaan aan de minimum-stabiliteitscriteria zoals deze zijn weergegeven in Voorschrift 28. Tevens moet ten genoegen van de Administratie rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden die gepaard gaan met een verandering in het gebruik van het vaartuig of de vaargebieden waar het vaartuig dienst doet, die van invloed zijn op de in dit hoofdstuk vervatte overwegingen inzake de stabiliteit.
- (3). Met betrekking tot de omstandigheden bedoeld in paragraaf (1) moeten de berekeningen het onderstaande omvatten:
- (a). de invloed van het gewicht van de natte visnetten en talies, enz. op het dek;
- (b). de invloed van ijsafzetting, indien deze te verwachten is, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 34;
- (c). een homogene verdeling van de vangst, tenzij zulks onbestaanbaar is met de praktijk;
- (d). deklast, indien zulks te verwachten is, in geval van bedrijfsomstandigheden bedoeld in paragraaf (1) (b) en (c) en paragraaf (2);
- (e). waterballast, indien deze wordt meegevoerd, hetzij in tanks die speciaal voor dit doel zijn aangebracht, hetzij in andere tanks die tevens zijn uitgerust voor het vervoeren van waterballast; en
- (f). de invloed van het vrije oppervlakeffect van vloeistoffen en - indien zulks van toepassing is - vervoerde vislading.
Voorschrift 34. IJsafzetting
- (1). In geval van vaartuigen voor bedrijfsuitoefening in vaargebieden waar het waarschijnlijk is dat ijsafzetting kan worden verwacht, moet het onderstaande met betrekking tot ijsafzetting bij het berekenen van de stabiliteit in aanmerking worden genomen:*)[Red: Zie voor wat betreft vaargebieden waar ijsafzetting kan worden verwacht en ten aanzien waarvan wijzigingen inzake de invloed van de ijsafzetting worden voorgesteld, de Richtlijn betreffende ijsafzetting, opgenomen in Aanbeveling 3 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.]
- (a). 30 kilogram per vierkante meter op blootgestelde dekken en gangboorden;
- (b). 7,5 kilogram per vierkante meter van het geprojecteerde zijdelingse oppervlak aan elke zijde van het vaartuig boven de waterlijn;
- (c). het geprojecteerde zijdelingse oppervlak van niet doorlopende oppervlakken van reling, laadgerei (behalve masten) en rondhout en tuig van vaartuigen die geen zeilen voeren, en het geprojecteerde zijdelingse oppervlak van andere kleine voorwerpen moeten berekend worden door het totale geprojecteerde ononderbroken oppervlak met 5 procent en de statische momenten van dit vlak met 10 procent te vermeerderen.
- (2). Vaartuigen bestemd voor bedrijfsuitoefening in vaargebieden waarvan het bekend is dat zich ijsafzetting kan worden verwacht, moeten:
- (a). zodanig zijn ontworpen dat ijsafzetting tot een minimum wordt beperkt; en
- (b). met zodanige middelen voor het verwijderen van ijs uitgerust zijn als de Administratie meent te moeten voorschrijven.
Voorschrift 35. Hellingproef
- (1). Elk vaartuig moet na voltooiing een hellingproef ondergaan en het werkelijke gewicht en ligging van het zwaartepunt moeten worden bepaald voor de toestand van het bedrijfsklare ledige vaartuig.
- (2). Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed zijn op de toestand van het bedrijfsklare ledige vaartuig en de ligging van het zwaartepunt, moet het vaartuig, indien zulks naar de mening van de Administratie noodzakelijk is, opnieuw aan een hellingproef worden onderworpen en de stabiliteitsgegevens worden herzien.
- (3). De Administratie mag vrijstelling geven van het nemen van een hellingproef met een vaartuig, indien hellingproefresultaten beschikbaar zijn van een zusterschip en ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat voor het vrij te stellen vaartuig betrouwbare stabiliteitsgegevens aan die resultaten kunnen worden ontleend.
Voorschrift 36. Stabiliteitsgegevens
- (1). Passende stabiliteitsgegevens moeten ter beschikking worden gesteld ten einde de kapitein in staat te stellen de stabiliteit van het vaartuig onder uiteenlopende bedrijfsomstandigheden gemakkelijk en met zekerheid vast te stellen.)[Red: Zie de Richtlijn inzake stabiliteitsgegevens, opgenomen in Aanbeveling 4 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.] Deze gegevens moeten bijzondere instructies voor de kapitein omvatten die hem inlichtingen verschaffen omtrent zodanige bedrijfsomstandigheden, die een ongunstige invloed zouden kunnen hebben op de stabiliteit of de trimligging van het vaartuig. Een afschrift van de stabiliteitsgegevens moet ter goedkeuring aan de Administratie worden overlegd.*)[Red: Zie de Handleiding betreffende de nauwkeurigheid van stabiliteitsgegevens met betrekking tot vissersvaartuigen, aangenomen door de Organisatie bij Resolutie A.267(VIII).]
- (2). De goedgekeurde stabiliteitsgegevens moeten aan boord aanwezig zijn, te allen tijde gemakkelijk toegankelijk zijn en tijdens de periodieke onderzoeken van het vaartuig aan een inspectie worden onderworpen, ten einde zeker te stellen dat het vaartuig is goedgekeurd met betrekking tot de feitelijke bedrijfsomstandigheden.
- (3). Indien een vaartuig wijzigingen heeft ondergaan die van invloed zijn op zijn stabiliteit, moet de stabiliteit opnieuw worden berekend en de resultaten daarvan ter goedkeuring aan de Administratie worden overlegd. Indien de Administratie beslist dat de stabiliteitsgegevens moeten worden herzien, moeten de nieuwe gegevens aan de kapitein worden afgegeven en de vervangen gegevens worden verwijderd.
Voorschrift 37. Verplaatsbare visruimschotten
De vislading moet deugdelijk worden gestuwd ten einde het overgaan van de lading tegen te gaan, waardoor een gevaarlijke trimligging of slagzij van het schip zou kunnen ontstaan. De afmetingen van verplaatsbare visruimschotten, indien aangebracht, moeten ten genoegen van de Administratie zijn. *)[Red: Zie Bijlage V van de Aanbeveling inzake intacte stabiliteit van vissersvaartuigen, aangenomen door de Organisatie bij Resolutie A.168(ES.IV), zoals geamendeerd bij Resolutie A.268(VIII).]
Voorschrift 38. De boeghoogte
De boeghoogte moet ten genoegen van de Administratie toereikend zijn om te voorkomen dat het vaartuig buitensporige hoeveelheden water overkrijgt en moet zodanig worden vastgesteld, dat rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden van het jaargetijde, de aard van de zee waar het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.**)[Red: Zie de Richtlijn inzake een berekeningswijze van boeghoogten, opgenomen in Aanbeveling 5 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.]
Voorschrift 39. Maximaal toelaatbare diepgang
De maximaal toelaatbare diepgang moet door de Administratie worden goedgekeurd en moet zodanig zijn dat bij de daarmede verband houdende bedrijfsomstandigheid wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria van dit Hoofdstuk en aan de bepalingen van de Hoofdstukken II en VI, al naar gelang welke van toepassing zijn.
Voorschrift 40. Waterdichte indeling en lekstabiliteit
Vaartuigen waarvan de lengte 100 meter en meer bedraagt en die 100 of meer opvarenden hebben, moeten ten genoegen van de Administratie met een voldoende stabiliteit kunnen blijven drijven, nadat een ruimte is vervuld geraakt, waarbij beschadiging wordt aangenomen, rekening houdende met het type vaartuig, de bestemming daarvan en het vaargebied.***)[Red: Zie de Richtlijn inzake de berekeningen met betrekking tot de waterdichte indeling en lekstabiliteit, opgenomen in Aanbeveling 6 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.]
HOOFDSTUK IV. - MACHINE- EN ELEKTRISCHE INSTALLATIES EN TIJDELIJK ONBEMANDE RUIMTEN VOOR MACHINES
DEEL A. - ALGEMEEN
Voorschrift 41. Algemeen
- (1). Hoofdvoortstuwings-, bedienings-, stoomleiding-, brandstofolie-, aanzetlucht-, elektrische- en koelsystemen, hulpwerktuigen, ketels en andere drukvaten, pijpleidingen en pompinstallaties, stuurmachines en toebehoren, assen en koppelingen voor krachtoverbrenging moeten ontworpen, geconstrueerd, beproefd, aangebracht en onderhouden worden ten genoegen van de Administratie. Deze machine-installaties en uitrusting te zamen met hefwerktuigen, lieren, werktuigen voor de behandeling en verwerking van vis, moeten zodanig zijn beveiligd dat de opvarenden zo min mogelijk gevaar lopen. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaren.
- (2). Ruimten voor machines moeten zodanig ontworpen zijn dat alle werktuigen en de daarbij behorende bedieningsinstallaties, alsmede alle andere onderdelen die onderhoud kunnen vereisen, veilig en gemakkelijk toegankelijk zijn. De desbetreffende ruimten moeten voldoende geventileerd zijn.
- (3).
- (a). Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan het voortstuwingsvermogen kan worden gehandhaafd of hersteld, zelfs in het geval één van de essentiële hulpinstallaties uitvalt. Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de werking van: met dien verstande dat de Administratie, rekening houdende met de algemene veiligheidsoverwegingen, een gedeeltelijk verminderd vermogen in plaats van het totale vermogen van de bedrijfsomstandigheden kan aanvaarden.
- (i). de inrichtingen die zorgen voor de brandstoftoevoer voor de hoofdvoortstuwingsinstallaties;
- (ii). de normale middelen die de smeeroliedruk verzorgen;
- (iii). de hydraulische, pneumatische en elektrische middelen voor de bediening van de hoofdvoortstuwingsinstallatie, met inbegrip van de verstelbare schroeven;
- (iv). middelen om de watertoevoer ten behoeve van de koelsystemen van de hoofdvoortstuwingsinstallatie te verzorgen; en
- (v). een luchtcompressor en een luchtketel voor aanzet- of bedieningsdoeleinden;
- (b). Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan de machine-installatie in werkimg kan worden gesteld vanuit een dood-schip situatie zonder dat hulp van buiten wordt geboden.
- (4). Hoofdvoortstuwingsinstallaties en alle hulpinstallaties die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten, zoals zij zijn aangebracht, kunnen functioneren ongeacht of het vaartuig recht ligt of tot 15 graden slagzij maakt naar beide zijden onder statische omstandigheden, dan wel tot 22½ graden slagzij naar beide zijden onder dynamische omstandigheden, d.w.z. wanneer het vaartuig naar beide zijden slingert en gelijktijdig een dynamische stampbeweging tot 7½ graden over boeg of achtersteven. De Administratie kan toestaan dat van deze hoeken wordt afgeweken, rekening houdende met het type, de afmetingen en het gebruik van het vaartuig.
- (5). Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan het ontwerp, de constructie en de installatie van voortstuwingssystemen, opdat elke vorm van trillingen, geen abnormale spanningen in deze voortstuwingssystemen veroorzaken in de normale bedrijfsgebieden.
- (6). Het ontwerp en de constructie van elektrische installaties moeten zodanig zijn dat zij voorzien in:
- (a). het onderhouden van voor de normale toestanden van bedrijfsvoering en leefbaarheid, zonder dat een toevlucht behoeft te worden genomen tot een noodkrachtbron;
- (b). voor de veiligheid onontbeerlijke voorzieningen, ingeval de elektrische hoofdkrachtbron uitvalt; en
- (c). de bescherming van de bemanning en van het vaartuig tegen de gevaren van elektrische aard.
- (7). De Administratie moet overtuigd zijn dat de Voorschriften 54 tot en met 56 onveranderlijk zijn nagekomen en toegepast.*[Red: Zie ook de Aanbeveling die is uitgegeven door de Internationale Elektrotechnische Commissie en in het bijzonder Publikatie 92 inzake de elektrische installaties aan boord van schepen.]
- (1). Behalve de Voorschriften 41 tot en met 56 en 63 tot en met 105 zijn de Voorschriften 57 tot en met 62 van toepassing op vaartuigen waarvan de ruimten voor machines tijdelijk onbemand zijn.
- (2). Ten genoegen van de Administratie moeten zodanige maatregelen genomen worden ten einde zeker te stellen dat alle uitrusting onder alle bedrijfsomstandigheden, waaronder het manoeuvreren, op betrouwbare wijze functioneert en dat voorzieningen worden getroffen met het oog op regelmatige inspecties en routinetests ten einde een voortdurende betrouwbare werking te verzekeren, een en ander ten genoegen van de Administratie.
- (3). Vaartuigen moeten van documenten voorzien zijn waaruit hun geschiktheid blijkt om met tijdelijk onbemande ruimten voor machines te varen, een en ander ten genoegen van de Administratie.
DEEL B. - MACHINE-INSTALLATIES
Voorschrift 42. Machine-installaties
- (1). Hoofd- en hulpwerktuigen die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig, moeten zijn voorzien van doelmatige bedieningsmiddelen.
- (2). Inwendige verbrandingsmotoren met een cilinderdoorsnede van meer dan 200 millimeter of met een carterinhoud van meer dan 0,6 kubieke meter moeten in verband met het carterexplosiegevaar zijn voorzien van ontlastingskleppen van een goedgekeurd type met een voldoende doorlaat.
- (3). Wanneer hoofd- of hulpwerktuigen, met inbegrip van drukvaten, of delen van deze werktuigen onderhevig zijn aan inwendige druk en onderhevig kunnen zijn aan gevaarlijke overdruk, moeten, waar nodig, voorzieningen zijn getroffen die bescherming bieden tegen een te hoge druk.
- (4). Alle tandwieloverbrengingen, assen en koppelingen die gebruikt worden voor de overbrenging van vermogen naar werktuigen, welke noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig of de veiligheid van de opvarenden, moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd, dat zij bestand zijn tegen de maximaal optredende materiaalspanningen waaraan zij onder alle bedrijfsomstandigheden onderhevig kunnen zijn. Voldoende aandacht moet gegeven worden aan het type werktuigen waardoor zij worden aangedreven of waarvan zij een onderdeel zijn.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)