Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- (5). Hoofdvoortstuwingswerktuigen en waar toepasselijk hulpwerktuigen moeten voorzien zijn van automatisch werkende stopinrichtingen voor het geval zich storingen voordoen, die snel aanleiding kunnen geven tot beschadiging, totaal onklaar worden of explosie, zoals bij het uitvallen van de smeerolietoevoer. Tevens moet een vooralarm zijn aangebracht opdat een waarschuwingssignaal wordt gegeven alvorens de machines automatisch worden gestopt, maar de Administratie kan voorzieningen toestaan die de automatische stopinrichtingen buiten werking stellen. De Administratie kan vaartuigen tevens vrijstellen van de bepalingen van deze paragraaf, rekening houdende met het type vaartuig of het bijzondere gebruik daarvan.
Voorschrift 43. Middelen voor achteruit varen
- (1). Vaartuigen dienen voldoende vermogen te hebben om achteruit te varen, ten einde de manoeuvreerbaarheid van het vaartuig onder normale bedrijfsomstandigheden te verzekeren.
- (2). Op zee moet worden aangetoond dat de machine-installatie in staat is de richting van de stuwdruk van de schroef om te keren binnen een redelijke tijd en hiermede het vaartuig tot stilstand te brengen binnen een redelijke afstand vanuit de vooruit dienst-snelheid.
Voorschrift 44. Stoomketels, voedingwatersystemen en stoomleidingen
- (1). Elke stoomketel en elke ongestookte stoomgenerator moet voorzien zijn van ten minste twee veiligheidskleppen van voldoende capaciteit, met dien verstande dat de Administratie, rekening houdende met de capaciteit of enige andere eigenschap van stoomketels of ongestookte stoomgenerators, kan toestaan dat slechts één veiligheidsklep is aangebracht, mits zij ervan overtuigd is dat in dat geval voorzien is in een afdoende beveiliging tegen overdruk.
- (2). Elke met olie gestookte stoomketel die is ontworpen om niet met de hand te worden bediend, moet voorzien zijn van veiligheidsinrichtingen die de olietoevoer afsluiten en alarm geven in geval van laag waterpeil, storing in de luchttoevoer of vlamdoving.
- (3). De Administratie moet bijzondere aandacht schenken aan stoomketelinstallaties ten einde zeker te stellen dat voedingvvatersystemen, bedieningsapparatuur en veiligheidsvoorzieningen in alle opzichten geschikt zijn om de veiligheid van ketels, stoomdrukvaten en stoomleidingen te garanderen.
Voorschrift 45. Verbinding tussen het stuurhuis en de ruimte voor machines
Twee onafhankelijk werkende communicatiemiddelen moeten tussen het stuurhuis en de manoeuvreerstand in de ruimte voor machines zijn aangebracht. Eén daarvan moet een machinekamertelegraaf zijn, met dien verstande dat voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt en waarvan de voortstuwingswerktuigen rechtstreeks vanuit het stuurhuis worden bediend, de Administratie andere communicatiemiddelen dan een machinekamertelegraaf kan aanvaarden.
Voorschrift 46. Bediening van de voortstuwingsmachines vanuit het stuurhuis
- (1). Wanneer voorzien is in een afstandsbediening van de voortstuwingsmachines vanuit het stuurhuis, is het onderstaande van toepassing:
- (a). onder alle bedrijfsomstandigheden, waaronder manoeuvreren, moeten snelheid, richting van de stuwdruk en - indien van toepassing - de spoed van de verstelbare schroef volledig vanuit het stuurhuis bediend kunnen worden;
- (b). de afstandsbediening bedoeld in sub-paragraaf (a) moet ten genoegen van de Administratie verricht worden door middel van een bedieningsapparaat, dat zo nodig voorzien moet zijn van een inrichting die voorkomt dat de voortstuwingswerktuigen worden overbelast;
- (c). de hoofdvoortstuwingswerktuigen moeten voorzien zijn van een noodstopinrichting in het stuurhuis, die onafhankelijk moet werken van het bedieningssysteem vanuit het stuurhuis zoals bedoeld in sub-paragraaf (a);
- (d). de afstandsbediening van de voortstuwingswerktuigen dient slechts vanuit één bedieningsstation tegelijk te kunnen plaatsvinden; in elk bedieningsstation kunnen gekoppelde besturingsorganen worden toegestaan. In elk bedieningsstation moet een aanwijzing aanwezig zijn die aangeeft welk station de voortstuwingswerktuigen bedient. De overschakeling van de bediening van het stuurhuis naar de ruimten voor machines dient alleen mogelijk te zijn in de ruimte voor machines of in de controlekamer. Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kan de Administratie toestaan dat het bedieningsstation in de ruimte voor machines alleen een noodstation is, mits de controle-inrichting en bedieningsorganen in het stuurhuis doelmatig zijn;
- (e). aanwijsinstrumenten moeten in het stuurhuis zijn aangebracht voor:
- (i). omwentelingssnelheid en draairichting van de schroef in het geval het vaartuig is voorzien van vaste schroeven;
- (ii). omwentelingssnelheid en stand van de spoed in het geval het vaartuig is voorzien van verstelbare schroeven; en
- (iii). voor-alarm zoals voorgeschreven is ingevolge Voorschrift 42 (5);
- (f). indien een storing optreedt in een onderdeel van het afstandsbedieningssysteem, moeten de voortstuwingswerktuigen ter plaatse kunnen worden bediend;
- (g). tenzij de Administratie van oordeel is dat zulks praktisch niet uitvoerbaar is, moet het afstandsbedieningssysteem zodanig zijn ontworpen, dat bij uitvallen alarm wordt gegeven en de vooraf ingestelde snelheid en richting van de stuwdruk zal worden gehandhaafd totdat de bediening ter plaatse wordt overgenomen;
- (h). bijzondere voorzieningen moeten zijn aangebracht ten einde zeker te stellen dat het automatisch starten de startinrichtingen niet uitput. Een alarm moet zijn aangebracht dat alarmeert bij te lage aanzetluchtdruk en dat zodanig moet zijn afgesteld dat toch nog starthandelingen kunnen worden verricht.
- (2). Wanneer de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende machine-installaties met inbegrip van de elektrische hoofdkrachtbronnen zijn voorzien van verschillende graden van automatische bediening of afstandsbediening en daarop voortdurend toezicht wordt gehouden vanuit een controlekamer, moet deze controlekamer zodanig zijn ontworpen, uitgerust en ingericht dat de werking van de machine-installaties even veilig en doeltreffend is als wanneer daarop rechtstreeks toezicht wordt gehouden.
- (3). In het algemeen dienen automatische aanzet-, bedrijfs- en bedieningssystemen voorzien te zijn van handbedieningsmogelijkheden die ook bedienbaar moeten zijn in geval van gebreken aan deze automatische en afstandsbedieningssystemen.
Voorschrift 47. Luchtdrukinstallaties
- (1). Voorzieningen moeten zijn aangebracht ten einde overdruk te voorkomen in enig deel van installaties voor samengeperste lucht en in alle gevallen waarin watermantels van cilinderblokken van compressoren en rompen van luchtkoelers onderworpen kunnen zijn aan gevaarlijke overdruk ten gevolge van lekkage daarin afkomstig van onderdelen van luchtdrukinstallaties. Geschikte ontlastvoorzieningen moeten zijn aangebracht.
- (2). De hoofdaanzetinstallaties voor verbrandingsmotoren voor de voortstuwing moeten voldoende beveiligd zijn tegen de gevolgen van terugslag van verbrandingsgassen en inwendige explosies in de aanzetluchtleidingen.
- (3). Alle persleidingen van compressoren moeten rechtstreeks in verbinding staan met de aanzetluchtvaten, en alle aanzetluchtleidingen vanaf de aanzetluchtvaten naar de hoofd- en hulpmotoren moeten geheel gescheiden zijn van het persleidingsysteem van de compressoren.
- (4). Er moeten voorzieningen zijn getroffen om het binnendringen van olie in de luchtdrukinstallaties tot een minimum te beperken en zomede voorzieningen om deze olie uit de desbetreffende installaties af te voeren.
Voorschrift 48. Inrichtingen voor brandstofolie, smeerolie en andere ontvlambare oliën
- (1). Vloeibare brandstof met een vlampunt van minder dan 60 graden celsius (proef volgens de gesloten cup-methode) zoals bepaald met een goedgekeurd apparaat ter bepaling van het vlampunt mag niet als brandstof worden gebruikt, behalve voor noodgeneratoren, in welk geval het vlampunt niet lager mag zijn dan 43 graden celsius. De Administratie mag echter het algemene gebruik toestaan van brandstofolie met een vlampunt dat niet lager is dan 43 graden celsius onder zodanige extra voorzorgen als zij nodig acht en op voorwaarde dat de temperatuur van de ruimte waarin zulke brandstof is opgeslagen of wordt gebruikt, niet zal stijgen tot minder dan 10 graden celsius onder het vlampunt van de brandstof.
- (2). Veilige en doeltreffende middelen ter bepaling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank dienen aanwezig te zijn. Indien peilpijpen zijn aangebracht, moeten de boveneinden daarvan op veilige plaatsen uitkomen en voorzien zijn van passende middelen voor afsluiting. Buisvormige peilglazen mogen niet zijn aangebracht, maar behoorlijk beveiligde peilglazen voorzien van vlakke glazen van aanmerkelijke dikte en zelfsluitende appendages mogen wel worden gebruikt. Andere middelen ter vaststelling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank mogen worden toegestaan, mits het onklaar raken daarvan of het overvullen van de tanks het niet mogelijk maakt dat daardoor brandstof olie buiten de tank geraakt.
- (3). Voorzieningen moeten worden getroffen ter vermijding van overdruk in elke brandstof olietank of in elk gedeelte van het brandstofoliesysteem, met inbegrip van de vulpijpen. Ontlastkleppen en ontluchtings- of overvloeipijpen moeten op een veilige plaats en op een veilige manier uitmonden en ontlasten.
- (4). Ten genoegen van de Administratie moeten brandstofolieleidingen waaruit bij beschadiging olie zou kunnen weglopen uit een boven de dubbele bodem opgestelde voorraad-, bezink- of dagtank, zijn voorzien van een kraan of afsluiter aan de tank die vanaf een veilige plaats buiten de betrokken ruimte waarin zulke tanks zijn geplaatst, kan worden gesloten in het geval dat brand zou uitbreken in de ruimte waarin deze tanks zijn gelegen. Voor het bijzondere geval van dieptanks die in een schroefas- of pijpentunnel of soortgelijke ruimte zijn gelegen, moeten afsluiters aan de tank zijn aangebracht, doch de afsluiting voor het geval er brand ontstaat, mag worden bewerkstelligd door middel van een extra afsluiter in de leiding of leidingen buiten de tunnel of soortgelijke ruimte. Indien een dergelijke extra afsluiter is aangebracht in de ruimte voor machines, moet deze buiten deze ruimte kunnen worden bediend.
- (5). Pompen die deel uitmaken van het brandstofleidingsysteem moeten gescheiden zijn van elk ander leidingsysteem en de aansluitingen op de betrokken pompen moeten zijn voorzien van een doelmatige ontlastklep, die deel uitmaakt van een gesloten systeem. Wanneer brandstofolietanks tevens gebruikt kunnen worden als ballasttanks, moeten passende voorzieningen zijn getroffen om het brandstofleidingsysteem en het ballastleidingsysteem van elkaar te scheiden.
- (6). Olietanks mogen niet zodanig zijn gelegen dat olieverlies of lekken van olie daaruit door het vallen op hete oppervlakken een gevaar kan vormen. Voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat olie onder druk die uit een pomp, filter of verhitter zou kunnen ontsnappen, in aanraking komt met hete oppervlakken.
- (7).
- (a). Brandstofleidingen en hun afsluiters en appendages moeten van staal of ander gelijkwaardig materiaal vervaardigd zijn, met dien verstande dat beperkt gebruik van flexibele leidingen kan worden toegestaan op plaatsen waar deze naar het oordeel van de Administratie noodzakelijk zijn. Zulke flexibele leidingen en hun eindbevestigingen moeten van voldoende sterkte zijn en moeten ten genoegen van de Administratie vervaardigd zijn van goedgekeurd brandbestendig materiaal of voorzien zijn van een brandbestendige beschermlaag.
- (b). Waar zulks noodzakelijk is, moeten brandstofolie- en smeeroliepijpleidingen afgeschermd worden of op andere wijze passend beveiligd worden ten einde, voor zover praktisch uitvoerbaar is, olienevel of olielekkage op hete oppervlakken of in luchtinlaten van werktuigen te voorkomen. Het aantal flensverbindingen in pijpleidingen moet tot een minimum beperkt worden.
- (8). Voor zover praktisch uitvoerbaar is, moeten de brandstofolietanks deel uitmaken van de scheepsconstructie en buiten de ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn. Wanneer brandstofolietanks, die geen dubbele bodemtanks zijn, noodzakelijkerwijze naast of in ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn, moet ten minste één van hun verticale zijden samenvallen met de begrenzingswanden van de ruimte voor machines en moeten zij bij voorkeur een gemeenschappelijke begrenzingswand hebben met dubbele bodemtanks indien deze zijn aangebracht en moet de oppervlakte van de begrenzingswand tussen de tank en de ruimte voor machines zo klein mogelijk zijn. Wanneer zulke tanks gelegen zijn binnen de begrenzingswanden van ruimten voor machines van categorie A, mogen zij geen brandstofolie bevatten met een vlampunt dat lager is dan 60 graden celsius (proef volgens de gesloten cup-methode). Over het algemeen moet het gebruik van vrijstaande brandstofolietanks in brandgevaarlijke ruimten en in het bijzonder in ruimten voor machines van categorie A worden vermeden. Wanneer vrijstaande brandstofolietanks zijn toegestaan, moeten zij geplaatst worden in een oliedichte bak van voldoende grootte waarin gemorste olie wordt opgevangen en voorzien van een passende aflooppijp naar een olieaflooptank van behoorlijke afmetingen.
- (9). De ventilatie van de ruimten voor machines moet onder alle normale omstandigheden voldoende zijn ten einde een concentratie van oliedamp te voorkomen.
- (10). De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie voor smeeroliesystemen onder druk moeten ten genoegen van de Administratie zijn. Zulke inrichtingen die zijn aangebracht in ruimten voor machines van categorie A en, waar mogelijk, in andere ruimten voor machines, moeten ten minste voldoen aan het bepaalde in de paragrafen (1), (3), (6) en (7) en voor zover de Administratie zulks noodzakelijk mocht achten, aan de paragrafen (2) en (4). Zulks sluit het gebruik van kijkglazen in smeeroliesystemen niet uit, mits door middel van proeven is aangetoond dat zij in behoorlijke mate brandbestendig zijn.
- (11). De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van andere ontvlambare oliën die onder druk worden gebruikt in hydraulische systemen voor het overbrengen van vermogen en die geen oliën zijn als bedoeld in paragraaf (10), zomede oliën die worden gebruikt in bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, moeten ten genoegen van de Administratie zijn. Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, moeten dergelijke inrichtingen ten minste voldoen aan het bepaalde in de paragrafen (2) en (6) en ten aanzien van sterkte en constructie aan het bepaalde in de paragrafen (3) en (7).
Voorschrift 49. Lenspomp-inrichtingen
- (1). Een doelmatige lenspomp-inrichting die in staat is onder alle omstandigheden die zich in de praktijk kunnen voor doen en ongeacht of het schip recht ligt dan wel slagzij maakt, uit elke waterdichte ruimte die niet blijvend bestemd is als olie- of watertank, te pompen en te lenzen, moet aanwezig zijn. Zo nodig moeten zuigpijpen naar de zijden van de ruimten zijn aangebracht. Voorzieningen moeten zijn getroffen opdat het water gemakkelijk naar de zuigpijpen kan stromen. De lenspompinrichtingen behoeven in bepaalde ruimten niet te zijn aangebracht, indien naar het oordeel van de Administratie de veiligheid van het vaartuig daardoor niet is verminderd.
- (2).
- (a). Ten minste twee onafhankelijk mechanisch aangedreven lenspompen moeten aanwezig zijn; hiervan mag één door de hoofdmotor worden aangedreven. Een ballastpomp of andere algemene dienstpomp van een voldoende capaciteit kan als mechanisch aangedreven lenspomp worden gebruikt.
- (b). Mechanisch aangedreven lenspompen moeten ten minste in staat zijn het water met een snelheid van 2 meter per seconde door de hoofdlensleiding te pompen, die een inwendige diameter moet hebben van ten minste: waarbij d de inwendige diameter in millimeters is en L, B en D in meters zijn uitgedrukt.
- (c). Elke lenspomp die overeenkomstig dit Voorschrift is aangebracht, moet voorzien zijn van een rechtstreekse zuigleiding, waarbij één van de zuigleidingen aan bakboordzijde van de ruimte voor machines moet kunnen zuigen en de andere aan stuurboordzijde, doch voor vaartuigen met een lengte van minder dan 75 meter behoeft slechts één lenspomp met een rechtstreekse lensleiding te zijn aangebracht.
- (d). De inwendige diameter van een lensleiding mag niet kleiner zijn an 50 millimeter. De inrichting en afmetingen van de lensinstallatie moeten zodanig zijn, dat de totale capaciteit van de pomp zoals hierboven is omschreven, kan worden aangewend voor elk van de waterdichte ruimten die liggen tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot.
- (3). Een lensejector in samenwerking met een onafhankelijk aangedreven hogedrukzeewaterpomp mag zijn aangebracht ter vervanging van één van de onafhankelijk aangedreven lenspompen zoals deze zijn voorgeschreven ingevolge paragraaf (2) (a), mits deze inrichting ten genoegen van de Administratie is.
- (4). Vaartuigen waarbij ten gevolge van de behandeling en verwerking van vis grote hoeveelheden water in ingesloten ruimten kunnen komen, moeten zijn voorzien van een deugdelijke afvoerinrichting.
- (5). Lensleidingen mogen niet lopen door brandstofolie- en ballasttanks of door dubbele bodemtanks, tenzij deze pijpen van een dikwandige stalen constructie zijn.
- (6). De lens- en ballastsystemen moeten zodanig ingericht zijn, dat het is uitgesloten dat water van buitenboord of uit waterballastruimten naar laadruimen of ruimten voor machines of uit de ene waterdichte ruimte naar de andere kan stromen. De aansluiting aan de lensleiding van een pomp die zeewater of water uit waterballastruimten aanzuigt, moet zijn voorzien van een terugslagklep of van een kraan die niet tegelijkertijd geopend kan worden naarde vullingen en naar zee, of naar de vullingen en waterballastruimten. Kleppen in de verdeelkasten van de lensleiding moeten van het terugslag-type zijn.
- (7). Elke lensleiding die een aanvaringsschot doorboort, moet ter plaatse van het schot zijn voorzien van een afsluitmiddel dat vanaf het werkdek kan worden geborgd door middel van afstandbediening die is voorzien van een standaanwijzer van de klep, behoudens dat de afstandsbediening achterwege gelaten kan worden, indien de klep is aangebracht aan de achterzijde van het schot en onder alle bedrijfsomstandigheden gemakkelijk toegankelijk is.
Voorschrift 50. Bescherming tegen geluidoverlast
Maatregelen moeten getroffen zijn om de invloed van lawaai op personen in de ruimten voor machines te beperken tot een niveau dat ten genoegen van de Administratie is.
Voorschrift 51. Stuurinrichting
- (1). Elk vaartuig moet ten genoegen van de Administratie zijn voorzien van een hoofdstuurinrichting en van een hulpinrichting om het roer te kunnen draaien. Deze inrichtingen moeten zodanig zijn aangebracht dat, voor zover zulks mogelijk en praktisch uitvoerbaar is, een afzonderlijke storing in één van de inrichtingen de andere niet buiten werking stelt.
- (2). Wanneer de hoofdstuurinrichting twee of meer gelijksoortige krachtwerktuigen omvat, behoeft geen hulpstuurinrichting te zijn aangebracht indien de hoofdstuurinrichting in staat is het roer te bedienen overeenkomstig de voorschriften van paragraaf (10), wanneer één van de krachtwerktuigen buiten werking is. Elk krachtwerktuig moet door een afzonderlijke voedingleiding bediend worden.
- (3). De stand van een mechanisch bewogen roer moet in het stuurhuis worden aangegeven. De roerstandaanwijzing in geval van een mechanisch bewogen stuurinrichting moet onafhankelijk van het bedieningssysteem van de stuurinrichting zijn.
- (4). In geval van storing in een van de stuurinrichtingen moet een alarmsignaal in het stuurhuis worden gegeven.
- (5). Het in bedrijf zijn van de motoren van elektrische en elektrischhydraulische stuurinrichtingen moeten in het stuurhuis aangegeven worden. De betrokken stroomkringen en motoren moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen kortsluiting, een overbelastingsalarm en een nulspanningsalarm. Indien een beveiliging is aangebracht tegen te hoge stroomsterkte, mag deze niet eerder in werking treden dan bij tweemaal de volle belastingsstroom van de aldus beveiligde motor of de aldus beveiligde stroomkring en moet deze beveiliging zodanig zijn uitgevoerd dat de bijbehorende aanloopstroom kan worden verwerkt.
- (6). De hoofdstuurinrichting moet voldoende sterk gebouwd en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij maximumdienstsnelheid. De hoofdstuurinrichting en de roerkoning moeten zodanig zijn ontworpen, dat zij bij maximumsnelheid-achteruit of bij het manoeuvreren tijdens het vissen niet zullen worden beschadigd.
- (7). Het vermogen en de inrichting van de hoofdstuurinrichting moeten bij de maximum toegestane diepgang van het vaartuig zodanig zijn, dat het roer van 35 graden uitslag aan één zijde naar 35 graden uitslag aan de andere zijde kan worden bewogen, wanneer het vaartuig zich met maximumdienstsnelheid vooruit beweegt. Onder dezelfde omstandigheden moet het roer van 35 graden uitslag aan één zijde in 28 seconden naar 30 graden uitslag aan de andere zijde kunnen worden bewogen. De hoofdstuurinrichting moet zonodig mechanisch bewogen kunnen worden ten einde aan deze eisen te voldoen.
- (8). Het krachtwerktuig voor de hoofdstuurinrichting moet hetzij met de hand in het stuurhuis, hetzij automatisch gestart kunnen worden, zodra de energietoevoer is hersteld nadat zich daarin een storing heeft voorgedaan.
- (9). De hulpinrichting om het roer te draaien, moet voldoende sterk gebouwd zijn en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij een snelheid, waarbij het nog manoeuvreerbaar is en voorts zijn ingericht om in noodgevallen snel in werking te kunnen worden gesteld.
- (10). Het vermogen en de inrichting van de hulpinrichting om het roer te draaien, moeten zodanig zijn dat het roer van 15 graden uitslag aan één zijde in ten hoogste 60 seconden naar 15 graden uitslag aan de andere zijde kan worden bewogen, wanneer het vaartuig zich met de helft van de maximum dienstsnelheid of 7 knopen, al naar gelang welke snelheid de grootste is, vooruit beweegt. De hulpinrichting om het roer te draaien, moet zonodig mechanisch bewogen kunnen worden ten einde aan deze eisen te voldoen.
- (11). Elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen in vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moeten door ten minste twee voedingsleidingen vanaf het hoofdschakelbord worden bediend en deze voedingsleidingen moeten zover mogelijk uit elkaar gescheiden zijn aangebracht.
Voorschrift 52. Alarminstallatie voor machinisten
In vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moet een alarminstallatie voor machinisten zijn aangebracht, die vanuit de machine-controlekamer of vanaf de manoeuvreerstand, al naar gelang welke van toepassing is, in werking moet kunnen worden gesteld en die in het machinistenverblijf duidelijk hoorbaar moet zijn.
Voorschrift 53. Koelinstallaties voor het conserveren van de vangst
- (1). Koelinstallaties moeten zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd, beproefd en geïnstalleerd, dat ten genoegen van de Administratie rekening is gehouden met de veiligheid van de installaties met het oog op de mogelijke schade die personen ten gevolge van het gebruikte koelmedium kunnen ondervinden.
- (2). Koelmedia voor het gebruik in koelinstallaties moeten ten genoegen van de Administratie zijn. Het gebruik van methylchloride als koelmedium is echter niet toegestaan.
- (3).
- (a). Koelinstallaties moeten voldoende beschermd zijn tegen trilling, schokken, uitzetting, krimping enz. en moeten voorzien zijn van een automatische veiligheidsinrichting waardoor een gevaarlijke stijging van de temperatuur en van de druk wordt voortkomen.
- (b). Koelinstallaties waarin giftige en ontvlambare koelmedia worden ruikt, moeten voorzien zijn van af voerinrichtingen die uitmonden op een plaats waar het koelmedium geen gevaar oplevert voor vaartuigen of opvarenden.
- (4).
- (a). Elke ruimte waarin koelmachines die giftige koelmedia gebruiken, met inbegrip van koelers en gastanks, zijn ondergebracht, moeten door gasdichte schotten van aangrenzende ruimten gescheiden zijn. Elke ruimte waarin koelmachines met inbegrip van koelers en gastanks zijn ondergebracht, moet zijn voorzien van een lekzoeksysteem en met een aanwijsinstrument die moet zijn aangebracht naast de ingang tot deze ruimte, die tevens voorzien moet zijn van een onafhankelijk ventilatiesysteem en van een watersproeiinstallatie.
- (b). Indien ten gevolge van de grootte van het vaartuig het praktisch niet uitvoerbaar is, dat de koelinstallatie in een afzonderlijke ruimte wordt ondergebracht, mag deze installatie geplaatst worden in de ruimte voor machines, mits de hoeveelheid koelmedium die gebruikt wordt geen gevaar oplevert voor personen in de ruimte voor machines, in geval de totale hoeveelheid gas zou ontsnappen, en mits een alarminstallatie is aangebracht waardoor een gevaarlijke concentratie van gas kan worden gesignaleerd, in geval zich een lekkage in de ruimte voordoet.
- (5). In ruimten voor koelmachines en in koelkamers moeten alarminrichtingen zijn aangebracht die in verbinding staan met het stuurhuis, de controlestations of nooduitgangen ten einde te voorkomen dat personen opgesloten raken. Ten minste één uitgang van elke zodanige ruimte moet van binnenuit geopend kunnen worden. Wanneer zulks praktisch uitvoerbaar is, moeten uitgangen van de ruimten waarin koelinstallaties zijn ondergebracht die giftig of ontvlambaar gas gebruiken, niet rechtstreeks toegang geven tot ruimten voor accommodatie.
- (6). Wanneer een koelmedium in een koelinstallatie wordt gebruikt dat schadelijk is voor personen, moeten ten minste twee stel ademhalingstoestellen aanwezig zijn, waarvan één stel zodanig geplaatst moet zijn dat het naar verwachting steeds bereikbaar is, in geval koelmedium ontsnapt. Ademhalingstoestellen die deel uitmaken van de brandbestrijdingsmiddelen van het vaartuig kunnen beschouwd worden geheel of ten dele aan deze bepaling te beantwoorden, op voorwaarde dat de plaatsing daarvan voldoet aan beide doeleinden. Wanneer gebruik wordt gemaakt van draagbare ademhalingstoestellen, moeten reservecilinders aanwezig zijn.
- (7). Met betrekking tot de koelinstallaties dienen duidelijke richtlijnen voor de veilige bedrijfsvoering en hoe te handelen in noodgevallen in de vorm van doelmatige instructieplaten aan boord van het vaartuig te zijn aangebracht.
DEEL C. - ELEKTRISCHE INSTALLATIES
Voorschrift 54. Elektrische hoofdkrachtbron
- (1).
- (a). Wanneer elektrische energie het enige middel vormt tot het onderhouden van de voor de voortstuwing en de veiligheid van het schip noodzakelijke hulpdiensten, moet een elektrische hoofdkrachtbron zijn aangebracht die uit ten minste twee generatoren moet bestaan, waarvan één door de hoofdmotor mag worden aangedreven. De Administratie kan andere uitvoeringen toestaan die een gelijkwaardig elektrische stroomvoorziening waarborgen.
- (b). Het vermogen van deze generatoren moet zodanig zijn dat, met uitzondering van het vermogen dat vereist is voor het vissen, de verwerking en het conserveren van de vangst, de goede werking van de diensten, bedoeld in Voorschrift 41 (6)(a), wordt verzekerd, indien één generatoraggregaat buiten bedrijf is gekomen. Indien echter op vaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter één generator buiten bedrijf is gekomen, is het slechts vereist dat de goede werking van de voor de voortstuwing en veiligheid van het vaartuig noodzakelijke diensten wordt verzekerd.
- (c). De inrichting van de elektrische hoofdkrachtbron van het vaartuig moet zodanig zijn, dat de diensten bedoeld in Voorschrift 41 (6)(a), onderhouden kunnen worden, ongeacht het aantal omwentelingen en de draairichting van de hoofdvoortstuwingsmachines of asleidingen.
- (d). Wanneer transformatoren een noodzakelijk onderdeel vormen van het voedingssysteem dat ingevolge deze paragraaf wordt voorgeschreven, moet het systeem zodanig ingericht zijn, dat de continuïteit van de voeding wordt verzekerd.
- (2).
- (a). De inrichting van het hoofdverlichtingssysteem moet zodanig zijn dat bij een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waar de elektrische hoofdkrachtbron, met inbegrip van eventuele transformatoren staat opgesteld, het noodverlichtingssysteem niet buiten werking wordt gesteld.
- (b). De inrichting van het noodverlichtingssysteem moet zodanig zijn dat het hoofdverlichtingssysteem niet buiten werking wordt gesteld ten gevolge van een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waar de elektrische noodkrachtbron, met inbegrip van mogelijke transformatoren, staat opgesteld.
Voorschrift 55. Elektrische noodkrachtbron
- (1). Een onafhankelijke elektrische noodkrachtbron moet aanwezig zijn, die ten genoegen van de Administratie buiten de ruimten voor machines moet zijn opgesteld en die zodanig moet zijn ingericht, dat haar goede werking in geval van brand of andere oorzaken, waardoor de elektrische hoofdinstallaties uitvallen, verzekerd is.
- (2). De elektrische noodkrachtbron moet, rekening houdend met de aanloopstroom en de variabele aard van bepaalde belastingen, gedurende een periode van ten minste drie uur in staat zijn gelijktijdig te bedienen:
- (a). het interne verbindingssysteem, de brandontdekkingsinstallaties en signaleringen die in het geval van nood nodig zijn;
- (b). de navigatielichten in geval deze alleen elektrisch zijn, alsmede de noodverlichting:
- (i). bij de plaatsen waar de reddingboten en reddingvlotten van het vaartuig te water moeten worden gebracht, alsmede ter plaatse buitenboord;
- (ii). in alle gangen, bij alle trappen en uitgangen;
- (iii). in ruimten waar de machines of de noodkrachtbron zijn ondergebracht;
- (iv). in de controlestations; en
- (v). in de ruimten waar de vis wordt behandeld en verwerkt; en
- (c). de behandeling van de noodbrandbluspomp, indien aanwezig.
- (3). De noodkrachtbron kan zijn hetzij een generator, hetzij een accumulatorenbatterij.
- (4).
- (a). Indien de noodkrachtbron een generator is, moet deze ten genoegen van de Administratie voorzien zijn van een onafhankelijke brandstofvoeding en van een doelmatige aanzetinrichting. Tenzij een tweede onafhankelijke aanzetinrichting van de noodgenerator aanwezig is, moet de enkelvoudige krachtbron voor het aanzetten beschermd worden ten einde te voorkomen dat deze door het automatisch werkende aanzetsysteem volledig wordt uitgeput.
- (b). Indien de elektrische noodkrachtbron een accumulatorenbatterij is, moet deze in staat zijn de noodbelasting zonder wederopladen op te nemen, terwijl de spanning van de batterij gedurende de ontladingstijd binnen plus of min 12 percent van haar nominale spanning moet worden gehandhaafd. Indien de hoofdvoeding uitvalt, moet deze accumulatorenbatterij automatisch aangesloten worden op het noodschakelbord en moet deze onmiddellijk ten minste de in paragraaf (2) (a) en (b) omschreven diensten voeden. Het noodschakelbord moet zijn voorzien van een hulpschakelaar waarmee de batterij met de hand kan worden ingeschakeld in geval de automatische inrichting uitvalt.
- (5). Het noodschakelbord moet zo dicht mogelijk bij de noodkrachtbron worden opgesteld en overeenkomstig paragraaf (1) gelegen zijn. Indien de noodkrachtbron een generator is, moet het noodschakelbord in dezelfde ruimte zijn aangebracht, tenzij de werking van het noodschakelbord daardoor nadelig zou worden beïnvloed.
- (6). Accumulatorenbatterijen die ingevolge dit Voorschrift geplaatst zijn, met uitzondering van die voor de radiozender en- ontvanger in vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moeten in een goed geventileerde ruimte zijn opgesteld; deze ruimte mag niet de ruimte zijn waar het noodschakelbord is ondergebracht. Een aanvvijsinstrument moet op een geschikte plaats op het hoofdschakelbord of in de controlekamer voor de machines worden geplaatst, ten einde aan te geven dat de batterij die de noodkrachtbron vormt, ontladen wordt. Het noodschakelbord moet bij normaal bedrijf vanaf het hoofdschakelbord gevoed worden door een hiervoor bestemde kabelverbinding die op het hoofdschakelbord beveiligd moet zijn tegen overbelasting en kortsluiting. De inrichting op het noodschakelbord moet zodanig zijn, dat kabelverbinding met het hoofdschakelbord automatisch wordt verbroken op het noodschakelbord wanneer de hoofdvoeding uitvalt en moet tevens zodanig zijn, dat bij vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, een automatische verbinding tot stand wordt gebracht met de noodvoeding, indien zich een zodanige storing voordoet. Wanneer de installatie is ingericht voor terugvoeding, moet de kabelverbinding ook op het noodschakelbord ten minste een beveiliging hebben tegen kortsluiting.
- (7). De noodgenerator met de daarbij behorende aandrijfinrichting en elke accumulatorbatterij moet zodanig zijn ingericht, om de goede werking te verzekeren bij maximaal vermogen wanneer het vaartuig recht ligt en wanneer het naar beide zijden tot een hoek van 22½ graden slingert en tegelijkertijd een dynamische stampbeweging over boeg en achtersteven tot 7½ graden maakt, dan wel zich binnen deze grenzen in enige combinatie van hoeken bevindt.
- (8). De elektrische noodkrachtbron en de automatische startinrichting moeten zodanig zijn geconstrueerd en ingericht, dat zij op eenvoudige wijze door de bemanning kunnen worden beproefd terwijl het vaartuig in bedrijf is.
Voorschrift 56. Voorzorgen tegen gevaar van aanraken van onder spanning staande delen, tegen brand en andere gevaren van elektrische oorsprong*[Red: Zie de Voorzorgen tegen gevaar van aanraken van onder spanning staande delen, tegen brand en andere gevaren van elektrische oorsprong, opgenomen in Voorschrift 23 van de Aanbeveling inzake Voorschriften betreffende machineinstalkities en elektrische installaties in passagiers- en vrachtschepen, aangenomen door de Organisatie bij Resolutie A.325(IX).]
- (1).
- (a). Onbeschermde, blijvend aangebracht metalen delen van elektrische machines en van de elektrische uitrusting die niet bestemd zijn om onder spanning te staan, maar die ten gevolge van een defect onder spanning kunnen geraken, moeten geaard zijn, tenzij:
- (i). deze gevoed worden met een gelijkspanning die niet hoger is dan 55 volt of een wisselspanning die een effectieve waarde van 55 volt tussen de fasen niet overschrijdt; spaartransformators mogen niet gebruikt worden om deze wisselspanning te bereiken; of
- (ii). deze gevoed worden met een spanning niet hoger dan 250 volt, verkregen via een beschermingstransformator, welke slechts één verbruikstoestel voedt; of
- (iii). deze geconstrueerd zijn overeenkomstig het principe van dubbel geïsoleerde uitvoering.
- (b). Draagbare elektrische apparaten moeten bij een veilige spanning kunnen werken en de onbeschermde metalen delen van deze apparaten die niet bestemd zijn om onder spanning te staan maar die ten gevolge van een defect onder spanning kunnen geraken, moeten geaard zijn. De Administratie kan extra voorzorgsmaatregelen voorschrijven voor draagbare elektrische lampen, gereedschappen en soortgelijke apparaten die bestemd zijn voor gebruik in ingesloten of uitzonderlijk vochtige ruimten, waar ten gevolge van geleidbaarheid in het bijzonder gevaar kan bestaan.
- (c). Elektrische apparaten moeten zodanig geconstrueerd en geplaatst zijn, dat zij bij normaal gebruik en aanraking geen lichamelijk letsel veroorzaken.
- (2). Hoofd- en noodschakelborden moeten zodanig geplaatst en ingericht zijn, dat zij gemakkelijk toegang verlenen zoals verlangd kan worden voor apparatuur en uitrusting zonder gevaar op te leveren voor het bedienend personeel. De zijkanten en de achterzijden en waar nodig de voorzijden van schakelborden moeten doelmatig zijn beschermd. Bij een spanning tegen aarde die een door de Administratie te bepalen waarde te bovengaat, mogen geen onbeschermde onder spanning staande delen aan de voorzijde van deze schakelborden zijn geplaatst. Waar nodig moeten aan de voor- en achterzijde matten of roosters van niet geleidend materiaal aanwezig zijn.
- (3).
- (a). Verdeelsystemen waarbij het casco als terugleider wordt gebruikt zijn niet toegestaan voor kracht, verwarming of verlichting in vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt.
- (b). Het ingevolge sub-paragraaf (a) bepaalde sluit onder bepaalde, door de Administratie goedgekeurde, voorwaarden niet uit het gebruik van:
- (i). Katodische beschermingssystemen voor de scheepshuid;
- (ii). begrensde en ter plaatse geaarde systemen; of
- (iii). inrichtingen voor de controle van de isolatietoestand, mits de stroomsterkte onder de meest ongunstige omstandigheden niet hoger is dan 30 milliampère.
- (c). Wanneer voor de stroomverdeling het casco als terugleider wordt gebruikt, moeten alle eindgroepen (alle stroomkringen die na de laatste beveiligingsinrichting zijn aangebracht) dubbelpolig zijn en moeten bijzondere voorzorgsmaatregelen ten genoegen van de Administratie getroffen zijn.
- (4). Indien een ongeaard primair of secundair verdeelnet voor kracht, verwarming of verlichting wordt gebruikt, moet een meetinrichting zijn aangebracht waarmee de isolatietoestand ten opzichte van de aarde voortdurend kan worden gecontroleerd en die geschikt is voor het geven van een hoorbaar of zichtbaar signaal indien een abnormaal lage isolatiewaarde is bereikt.
- (5).
- (a). Alle metalen mantels en bewapening van kabels moeten in elektrische zin doorverbonden en geaard zijn, tenzij de Administratie in buitengewone omstandigheden toestaat dat hiervan wordt afgeweken.
- (b). Alle elektrische kabels moeten ten minste van een brandvertragend type zijn en moeten zodanig zijn aangebracht, dat hun oorspronkelijk brandvertragende eigenschappen niet nadelig worden beïnvloed. De Administratie kan het gebruik van speciale soorten kabels toestaan, indien zulks noodzakelijk is in verband met de bijzondere toepassing, zoals in het geval van hoogfrequentiekabels, waarbij niet voldaan kan worden aan de voorgaande bepalingen.
- (c). Elektrische kabels en leidingen die essentiële of noodkrachtverlichting, interne communicatie of signaleringen voeden, moeten op een zo groot mogelijke afstand van kombuizen, ruimten voor machines van categorie A en andere afdelingen die in aanzienlijke mate brandgevaarlijk zijn, alsmede van wasserijen, ruimten voor de behandeling en verwerking van vis en andere (zeer vochtige) ruimten worden aangelegd. Kabels waarmee brandbluspompen zijn aangesloten op het noodschakelbord, moeten van een brandvertragend type zijn wanneer zij door afdelingen lopen die in aanzienlijke mate brandgevaarlijk zijn. Wanneer zulks praktisch uitvoerbaar is, behoren al deze kabels op zodanige wijze te zijn aangebracht, dat voorkomen wordt dat zij onbruikbaar worden door verhitting van de schotten als gevolg van brand in een aangrenzende ruimte.
- (d). Wanneer kabels zijn aangebracht in ruimten waar in geval van een elektrische storing brand- of explosiegevaar bestaat, moeten ten genoegen van de Administratie bijzondere voorzorgsmaatregelen tegen zodanige gevaren getroffen zijn.
- (e). De leidingen moeten zodanig zijn aangebracht, dat beschadiging door schavielen of andere oorzaak wordt voorkomen.
- (f). Aansluitingen en verbindingen in alle leidingen moeten zodanig gemaakt zijn, dat de oorspronkelijke elektrische, mechanische, brandvertragende en, waar nodig, brandwerende eigenschappen van de kabel behouden blijven.
- (g). Kabels die in koelafdelingen zijn aangebracht, moeten geschikt zijn voor gebruik bij lage temperaturen en bij een hoge vochtigheidsgraad.
- (6).
- (a). Stroomkringen moeten tegen kortsluiting beveiligd zijn. Stroomkringen moeten tevens tegen overbelasting zijn beveiligd, uitgezonderd in de gevallen waarin Voorschrift 51 van toepassing is of waarin de Administratie bij uitzondering kan toestaan dat hiervan wordt afgeweken.
- (b). De nominale waarde of de gewenste afstelling van de beveiliging tegen overbelasting van elke stroomkring moet blijvend zijn aangegeven op de plaats van de beveiliging.
- (7). Verlichtingsarmaturen moeten zodanig zijn ingericht, dat temperatuurstijgingen die schade aan de leidingen zouden kunnen veroorzaken, zomede een overmatige verwarming van het in de omgeving aanwezige materiaal, worden voorkomen.
- (8). Verlichtings- en krachtinstallaties die eindigen in een ruimte waar brand- of explosiegevaar bestaat, moeten van een buiten de ruimte aangebrachte scheidingsschakelaar zijn voorzien.
- (9).
- (a). De ruimte waarin een accumulatorenbatterij is ondergebracht, moet ten genoegen van de Administratie ingericht zijn en geventileerd worden.
- (b). Elektrische en andere machines en toestellen die een ontstekingsbron van ontvlambare dampmengsels zouden kunnen vormen, mogen in deze ruimten niet zijn aangebracht, behalve wanneer zulks is toegestaan ingevolge paragraaf (10).
- (c). Een accumulatorenbatterij mag niet in ruimten voor accommodatie worden geplaatst, tenzij deze wordt geïnstalleerd in een hermetisch gesloten kist.
- (10). In ruimten waar verwacht kan worden dat brandbare gasmengsels zich zullen verzamelen en in ruimten die in de eerste plaats zijn bestemd voor het onderbrengen van een accumulatorenbatterij, mogen geen elektrische machines en toestellen worden aangebracht, tenzij de Administratie van oordeel is dat deze:
- (a). noodzakelijk zijn voor bedrijfsdoeleinden;
- (b). van een type zijn dat het betreffende gasmengsel niet kan ontsteken;
- (c). geschikt zijn voor de betreffende ruimte; en
- (d). geschikt verklaard zijn voor een veilig gebruik bij stof, damp of gas waarvan de aanwezigheid waarschijnlijk is.
- (11). Aan alle houten masten of stengen moeten bliksemafleiders zijn aangebracht. Op vaartuigen die van niet geleidende materialen zijn vervaardigd, moeten de bliksemafleiders door middel van geschikte geleiders verbonden zijn met een koperen plaat die ruimschoots onder de waterlijn aan de romp van het vaartuig moet zijn bevestigd.
DEEL D. - TIJDELIJK ONBEMANDE RUIMTEN VOOR MACHINES
Voorschrift 57. Brandbeveiliging
- (1). Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan hogedruk brandstofleidingen. Waar praktisch uitvoerbaar, moeten lekkages van deze leidingsystemen in een geschikte afvoertank worden opgevangen, die moet zijn voorzien van een hoogniveaualarm.
- (2). Wanneer brandstofdagtanks automatisch of door middel van afstandsbediening worden gevuld, moet een inrichting zijn aangebracht ten einde overlopen te voorkomen. Dezelfde aandacht moet worden geschonken aan andere inrichtingen voor de automatische behandeling van brandbare vloeistoffen, b.v. brandstofcentrifuges die zo mogelijk moeten zijn geïnstalleerd in een speciale ruimte voor centrifuges, filters en hun verhitters.
- (3). Wanneer brandstofdagtanks of bezinktanks zijn voorzien van een verwarmingsinrichting, moet, indien het vlampunt van de brandstofolie kan worden overschreden, een hoogtemperatuuralarm aangebracht zijn.
- (4). Een goedgekeurde brandontdekkingsinstallatie, gebaseerd op het principe van zelfcontrole met de daarbij behorende voorzieningen voor periodieke beproeving, moet in de ruimten voor machines zijn aangebracht. Ten aanzien van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kan de Administratie vrijstelling verlenen van deze bepaling, mits de ruimte voor machines zodanig is gelegen, dat daardoor de ontdekking van brand door opvarenden wordt vergemakkelijkt.
- (5). De ontdekkingsinstallatie moet zowel hoorbare als zichtbare alarmsignalen in het stuurhuis en in voldoende daarvoor in aanmerking komende ruimten in werking kunnen stellen, die, wanneer het schip in de haven ligt, door personen aan boord moeten kunnen worden gehoord en waargenomen.
- (6). De brandontdekkingsinstallatie moet automatisch door een noodkrachtbron gevoed worden, indien de hoofdkrachtbron uitvalt.
- (7). Inwendige verbrandingsmotoren van 2500 kilowatt en meer moeten zijn voorzien van oliemistdetectors in de krukkast- of van temperatuurmeters aan de krukaslagers of van gelijkwaardige inrichtingen.
- (8). Ten genoegen van de Administratie moet een vast aangebrachte brandblusinstallatie aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in de Voorschriften 83 en 101.
- (9). In vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moeten voorzieningen zijn getroffen voor een onmiddellijke waterlevering uit de hoofdbrandblusleiding, hetzij door middel van:
- (a). afstandbediening van één van de hoofdbrandbluspompen vanuit het stuurhuis en vanuit het eventuele brandcontrolestation; hetzij door middel van
- (b). het voortdurend onder druk houden van de hoofdbrandblusleiding, waarbij rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van bevriezing.*[Red: Zie de Richtlijn met betrekking tot de voorzorgsmaatregelen tegen bevriezing van brandblusleidingen, opgenomen in Aanbeveling 7 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.]
- (10). Het behouden van de brandveiligheid van de ruimten voor machines, de plaats en centralisatie van de bedieningsapparatuur van de brandblusinstallatie, de stopinrichtingen zoals bedoeld in Voorschrift 62, bij voorbeeld van de ventilatie, brandstofpompen, enz., moeten ten genoegen van de Administratie zijn; deze kan, behalve de betreffende Voorschriften van Hoofdstuk V, aanvullende brandblustoestellen en andere brandbestrijdingsmiddelen alsmede ademhalingstoestellen, voorschrijven.
Voorschrift 58. Beveiliging tegen vervuld raken
- (1). Vullingen in ruimten voor machines moeten voorzien zijn van een alarminrichting die een hoog niveau alarmeert en die werkzaam is onder normale toestanden van stuur- en koplast. De bilge-alarminstallatie moet daar, waar voortdurend de wacht wordt gehouden, een hoorbaar en zichtbaar alarmsignaal in werking kunnen stellen.
- (2). Voor vaartuigen waarvan de lengte 45 meter en meer bedraagt, moet de bedieningsapparatuur van elke afsluiter die deel uitmaakt van een zee-inlaat, een uitlaat beneden de waterlijn of een bilge-ejector zodanig geplaatst zijn, dat er voldoende tijd is om deze te bedienen in geval water de ruimte binnenstroomt.
Voorschrift 59. Verbindingen
In vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moet één van de twee afzonderlijke verbindingsmiddelen bedoeld in Voorschrift 45, een betrouwbaar middel voor mondelinge communicatie zijn. Een betrouwbaar tweede middel voor mondelinge communicatie moet tussen het stuurhuis en het machinistenverblijf zijn aangebracht.
Voorschrift 60. Alarminstallatie
- (1). Een alarminstallatie moet zijn aangebracht die elke storing moet melden waaraan aandacht moet worden geschonken.
- (2).
- (a). De alarminstallatie moet in de ruimte voor machines een hoorbaar alarmsignaal kunnen geven en moet elke afzonderlijke alarmfunctie op een geschikte plaats zichtbaar aangeven. In vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kan de Administratie echter toestaan dat de installatie elke afzonderlijke alarmfunctie alleen in het stuurhuis hoorbaar en zichtbaar aangeeft.
- (b). In vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moet de alarminstallatie verbonden kunnen worden met de hutten van de machinisten door middel van een keuzeschakelaar naar elke hut en naar het dagverblijf van de machinisten, indien aanwezig. De Administratie kan andere voorzieningen toestaan die dezelfde veiligheid garanderen.
- (c). In vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moet een machinistenalarm en een alarm in het stuurhuis bestemd voor de personen die de wacht houden, in werking worden gesteld, indien op een alarmfunctie geen acht is geslagen binnen een door de Administratie omschreven tijdsverloop.
- (d). Hoorbare en zichtbare alarmen moeten in het stuurhuis in werking gesteld kunnen worden in elke situatie waarbij de verantwoordelijke persoon die de wacht houdt handelend dient op te treden of die onder zijn aandacht moet worden gebracht.
- (e). De alarminstallatie moet zoveel mogelijk zijn ontworpen volgens het faalveilig principe.
- (3). De alarminstallatie moet:
- (a). ononderbroken gevoed worden, door middel van een automatische omschakeling op een noodvoeding in geval de normale voeding wegvalt; en
- (b). alarmeren in geval een storing in de normale voeding optreedt.
- (4).
- (a). De alarminstallatie moet tegelijkertijd meer dan één storing kunnen aangeven en de erkenning van een alarmsignaal mag het bijkomen van een ander alarmsignaal niet verhinderen.
- (b). De erkenning van een alarm op de plaats bedoeld in paragraaf (2)(a) moet tevens aangegeven worden op die plaatsen waar de alarmtoestand wordt gemeld. Alarmsignalen moeten voortduren totdat zij erkend zijn en de zichtbare aanduidingen moeten blijven werken totdat de storing is verholpen. Alle alarminrichtingen moeten automatisch teruggesteld worden, zodra de storing is opgeheven.
Voorschrift 61. Bijzondere vereisten voor machine- en ketelinstallaties en elektrische installaties
- (1). In vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moet op onderstaande wijze in de elektrische hoofdkrachtbron voorzien worden:
- (a). Wanneer de elektrische energie normaal kan worden opgewekt door één generator, moet een doelmatige belastingsreductie-inrichting anwezig zijn, ten einde de voeding van de noodzakelijke werktuigen voor de voortstuwing en besturing te verzekeren. Voor het geval dat de in bedrijf zijnde generator uitvalt, moeten passende voorzieningen aanwezig zijn voor het automatisch starten en voor het automatisch schakelen op het hoofdschakelbord van een stand-by generator. Deze generator moet van voldoende capaciteit zijn om de voortstuwing en besturing mogelijk te blijven maken, terwijl de noodzakelijke hulpwerktuigen automatisch opnieuw in bedrijf worden gesteld, zonodig met volgordeschakeling. Ten genoegen van de Administratie kan een voorziening zijn aangebracht om de stand-by generator op afstand (met de hand) in bedrijf te stellen en deze op het hoofdschakelbord te schakelen, terwijl tevens een voorziening aanwezig kan zijn om de noodzakelijke hulpwerktuigen op afstand herhaalde malen te starten; en
- (b). indien de elektrische energie normaal wordt opgewekt door meer dan één parallel geschakelde generator, moeten voorzieningen zijn getroffen bij voorbeeld door middel van een niet-belangrijke groepenafschakelinrichting, ten einde zeker te stellen dat in geval één van deze generatoren uitvalt, de overige generatoren in bedrijf worden gehouden zonder dat overbelasting optreedt, ten einde de voortstuwing en besturing te onderhouden.
- (2). De voor de voortstuwing noodzakelijke hulpwerktuigen welke zonodig dubbel moeten zijn uitgevoerd, dienen van een automatisch omschakelapparatuur te zijn voorzien die het stand-by werktuig in bedrijf kan stellen. Een alarmsignaal moet bij automatische omschakeling worden gegeven.
- (3). Automatische bedienings- en alarmsystemen dienen als volgt te zijn uitgevoerd:
- (a). het bedieningssysteem moet zodanig zijn, dat door middel van de noodzakelijke automatische inrichtingen de voorzieningen voor de werking van de hoofdvoortstuwingswerktuigen en hun hulpwerktuigen verzekerd zijn;
- (b). wanneer inwendige verbrandingsmotoren voor de hoofdvoortstuwing worden gebruikt, moeten middelen zijn aangebracht ten einde de aanzetlucht benodigd voor het starten op de vereiste druk te houden;
- (c). een alarminstallatie die voldoet aan Voorschrift 60, moet zijn aangebracht voor alle belangrijke drukken, temperaturen, vloeistofpeilen enz; en
- (d). waar dienstig moeten op een geschikte centrale plaats de noodzakelijke alarmpanelen en instrumentenborden zijn aangebracht, die elke gealarmeerde storing aangeven.
Voorschrift 62. Veiligheidssysteem
Een veiligheidssysteem moet zijn aangebracht, waardoor bij een ernstige storing in de werking van de werktuigen of ketels die direct gevaar oplevert, automatisch het desbetreffende gedeelte van de installatie wordt stopgezet en een alarm wordt gegeven. De stopzetting van de voortstuwingsinstallatie mag niet automatisch geschieden, behalve in de gevallen die zouden kunnen leiden tot ernstige schade, algeheel onklaar raken of explosiegevaar. Wanneer voorzieningen zijn aangebracht, waardoor de stopzetting van de hoofdvoortstuwingswerktuigen ongedaan kan worden gemaakt, moeten deze voorzieningen zodanig zijn uitgevoerd, dat onbedoeld inwerkingstelling niet kan plaatsvinden. Zichtbare signalen moeten zijn aangebracht, die aangeven of deze speciale voorziening al dan niet in werking is gesteld.
HOOFDSTUK V. - BESCHERMING TEGEN, ALSMEDE OPSPOREN, BLUSSEN EN BESTRIJDEN VAN BRAND
DEEL A. - BRANDBEVEILIGINGSMAATREGELEN BIJ SCHEPEN WAARVAN DE LENGTE 55 METER OF MEER BEDRAAGT
Voorschrift 63. Algemeen
In ruimten voor accommodatie en dienstruimten moet een van onderstaande beveiligingsmethoden worden gevolgd:
- (a). Methode IF - De constructie van alle inwendige onbrandbare schotten van Klasse „B” of „C”, toegepast voor de verdeling van het schip in ruimten, waarvan de ruimten voor accommodatie en de dienstruimten in het algemeen niet zijn voorzien van een brandontdekkings- of sprinklerinstallatie; of
- (b). Methode IIF - Het aanbrengen van een automatische sprinkler- en brandalarminstallatie voor het ontdekken en blussen van brand in alle ruimten waar naar verwachting brand zou kunnen uitbreken, waarbij in het algemeen geen beperkingen gelden met betrekking tot het soort inwendige schotten; of
- (c). Methode IIIF - Het aanbrengen van een automatische sprinkler- en brandalarminstallatie voor het ontdekken en blussen van brand in alle ruimten waar naar verwachting brand zou kunnen uitbreken, waarbij in het algemeen geen beperkingen gelden met betrekking tot het soort inwendige schotten, met dien verstande, dat de oppervlakte van enige ruimte of ruimten voor accommodatie die door een schot van klasse „A” of „B” worden begrensd, in geen geval meer dan 50 vierkante meter mag bedragen. De Administratie kan in het geval van ruimten voor algemeen gebruik echter een groter oppervlak toestaan.
De voorschriften met betrekking tot de toepassing van onbrandbare materialen bij de constructie en isolatie van schotten die de begrenzing vormen van ruimten voor machines, controlestations enz., en de beveiliging van trapomsluitingen en gangen zijn voor alle drie methoden eensluidend.
Voorschrift 64. Constructie
- (1). De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen moeten van staal of ander gelijkwaardig materiaal vervaardigd zijn, behalve zoals anders is bepaald in paragraaf (4).
- (2). De isolatie van onderdelen van schotten van klasse „A” of „B” die van aluminiumlegering zijn vervaardigd, behalve constructies, die naar het oordeel van de Administratie niet lastdragend zijn, moet zodanig zijn dat de temperatuur van de metalen kern van de constructie gedurende de van toepassing zijnde brandproef te eniger tijd niet meer dan 200 graden celsius boven de temperatuur van de omgeving stijgt.
- (3). Bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan de isolatie van onderdelen van stijlen, stutten en andere delen van de constructie die van aluminiumlegering zijn vervaardigd en die nodig zijn ter ondersteuning van de plaatsen voor de opstelling en het te water brengen van en de inscheping in reddingboten en -vlotten en van schotten van klasse „A” en „B” ten einde zeker te stellen:
- (a). dat voor dergelijke constructiedelen die de plaatsen met de reddingboten en -vlotten en schotten van klasse „A” steunen, de grens voor de temperatuurstijging genoemd in paragraaf (2) aan het einde van één uur zal gelden, en
- (b). dat voor dergelijke constructiedelen die schotten van klasse „B” moeten ondersteunen, de grens voor de temperatuurstijging genoemd in paragraaf (2) aan het einde van een half uur zal gelden.
- (4). Kappen en schachten van ruimten voor machines van categorie A moeten van staal en naar behoren geïsoleerd zijn, terwijl de openingen daarin, indien aanwezig, doeltreffend moeten zijn aangebracht en zijn voorzien van middelen om uitbreiding van brand tegen te gaan.
Voorschrift 65. Schotten binnen de ruimten voor accommodatie en dienstruimten
- (1). Binnen de ruimten voor accommodatie en dienstruimten moeten alle schotten die schotten van klasse „B” moeten zijn, worden opgetrokken van dek tot dek en zich uitstrekken tot de huid of tot andere begrenzingswanden tenzij aan beide zijden van de schotten doorlopende plafonds en/of beschietingen van klasse „B” zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen bij het doorlopende plafond of de doorlopende beschieting.
- (2). Methode IF.Alle schotten die niet ingevolge dit Voorschrift of andere Voorschriften van dit Deel van klasse „A” of „B” behoeven te zijn, moeten tenminste schotten van klasse „C” zijn.
- (3). Methode IIF.De constructie van schotten die niet ingevolge dit Voorschrift of andere Voorschriften van dit Deel van klasse „A” of „B” behoeven te zijn, is niet aan beperkingen onderworpen, behalve in die gevallen waarin de schotten schotten van klasse „C” moeten zijn overeenkomstig Tabel 1 van Voorschrift 68.
- (4). Methode IIIF.De constructie van schotten die niet ingevolge dit Voorschrift of andere Voorschriften van dit Deel van klasse „A” of „B” behoeven te zijn, is niet aan beperkingen onderworpen. Het oppervlak van enige ruimte voor accommodatie of ruimten die door een doorlopend schot van klasse „A” of „B” worden begrensd, mag in geen geval meer dan 50 vierkante meter bedragen, behalve in die gevallen waarin de schotten van klasse „C” moeten zijn overeenkomstig Tabel 1 van Voorschrift 68. De Administratie kan in het geval van ruimten voor algemeen gebruik echter een groter oppervlak toestaan.
Voorschrift 66. Bescherming van trappen en liftschachten in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations
- (1). Trappen die niet meer dan twee dekken verbinden, moeten ten minste op één niveau worden beschermd door schotten van klasse „B-O” en zelfsluitende deuren. Liften die niet meer dan twee dekken verbinden, moeten zijn omsloten door schotten van klasse „A-O”, die op beide niveaus zijn voorzien van stalen deuren. Trappen en liftschachten die meer dan twee dekken verbinden, moeten ten minste zijn omsloten door schotten van klasse „A-O” en op alle niveaus beschermd zijn door zelfsluitende deuren.
- (2). Het constructieve deel van alle trappen moet van staal zijn, behalve wanneer de Administratie het gebruik van ander gelijkwaardig materiaal toestaat.
Voorschrift 67. Deuren in brandwerende schotten
- (1). Deuren moeten een brandwerend vermogen hebben, dat, voor zover als uitvoerbaar, gelijkwaardig is met die van het schot, waarin zij zijn aangebracht. Deuren en deurkozijnen in schotten van klasse „A” moeten zijn geconstrueerd van staal. Deuren in schotten van klasse „B” moeten van onbrandbaar materiaal zijn. Deuren aangebracht in begrenzingsschotten van ruimten voor machines van categorie A moeten zelfsluitend en redelijk gasdicht zijn. De Administratie kan het gebruik van brandbare materialen toestaan in deuren die hutten scheiden van de afzonderlijke inwendige sanitaire accommodatie, zoals douchecellen, indien deze overeenkomstig Methode IF zijn geconstrueerd.
- (2). Deuren die zelfsluitend moeten zijn, mogen niet voorzien zijn van vastzethaken. Vastzetinrichtingen mogen evenwel worden toegepast indien deze zijn voorzien van op afstand bedienbare ontkoppelingsinrichtingen van een type dat de deur doet sluiten indien het systeem in het ongerede geraakt.
- (3). Ventilatie-openingen mogen zijn aangebracht in en onder de deuren in schotten van gangen, met dien verstande dat zodanige openingen niet mogen worden aangebracht in en onder deuren van trapomsluitingen. De openingen mogen uitsluitend in de onderste helft van een deur zijn aangebracht. Indien zulk een opening zich bevindt in of onder een deur mag het totale oppervlak van zulk een opening of zulke openingen niet meer bedragen dan 0,05 vierkante meter. Indien zulk een opening in een deur is aangebracht, moet zij zijn voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.
- (4). Waterdichte deuren behoeven niet te zijn geïsoleerd.
Voorschrift 68. Brandwerendheid van schotten en dekken
- (1). Behalve dat moet worden voldaan aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in dit Deel worden voorgeschreven, moet de brandwerendheid van schotten en dekken ten minste zijn zoals voorgeschreven in tabel 1 en tabel 2 van dit Voorschrift.
- (2). De toepassing van de tabellen wordt geregeld door de volgende bepalingen: De titel van elke categorie dient meer als omschrijving dan als beperking te worden beschouwd. Het tussen haken geplaatste nummer dat achter elke categorie staat vermeld, verwijst naar de desbetreffende kolom of rij in de tabellen. Tabel 1 - Brandwerendheid van schotten die aan elkaar grenzende ruimten scheiden Tabel 2 - Brandwerendheid van dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden Noten: Onderstaande noten zijn al naar gelang van toepassing op zowel tabel 1 als tabel 2.
- (a). De tabellen 1 en 2 zijn respectievelijk van toepassing op schotten en dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden; en
- (b). Ter bepaling van de passende normen voor de brandwerendheid die moeten worden aangelegd voor schotten tussen aan elkaar grenzende ruimten, zijn deze ruimten ingedeeld op grond van hun brandgevaar als hieronder is aangegeven:
- (i). Controlestations (1) Ruimten waarin de noodkrachtbronnen en de noodverlichtingsvoorzieningen zijn ondergebracht. Stuurhuis en kaartenkamer. Ruimten waarin de radio-installatie van het schip is ondergebracht. Ruimten voor brandbestrijding en brandcontrole, alsmede stations voor brandmelding. Controleruimte voor de werktuiglijke voortstuwing indien gelegen buiten de ruimte voor machines. Ruimten waarin de centrale brandalarminrichting is ondergebracht.
- (ii). Gangen (2) Gangen en vestibules.
- (iii). Ruimten voor accommodatie (3) Ruimten zoals omschreven in Voorschrift 2(41) en (42), met uitzondering van gangen.
- (iv). Trappen (4) Binnentrappen, liften en roltrappen, andere dan die welke geheel binnen de ruimten voor machines liggen, en de bijbehorende ingesloten ruimten. In dit verband dient een trap die slechts op één niveau is ingesloten, te worden beschouwd als een deel van de ruimte waarvan hij niet door een branddeur is gescheiden.
- (v). Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5) Bergkasten en bergplaatsen die een oppervlak hebben van minder dan 2 vierkante meter, droogkamers en wasserijen.
- (vi). Ruimten voor machines van categorie A (6) Ruimten zoals omschreven in Voorschrift 2(45).
- (vii). Andere ruimten voor machines (7) Ruimten zoals omschreven in Voorschrift 2(46) met inbegrip van ruimten waar vis tot vismeel wordt verwerkt, doch met uitzondering van ruimten voor machines van categorie A.
- (viii). Laadruimten (8) Alle ruimten die gebruikt worden voor lading, met inbegrip van ladingolietanks, alsmede schachten en luikhoofden van zodanige ruimten.
- (ix). Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9) Kombuizen, pantries die voorzien zijn van kooktoestellen, verfhutten, lampenhutten, bergkasten en bergplaatsen die een oppervlak hebben van 2 vierkante meter of meer, alsmede werkplaatsen die geen deel uitmaken van de ruimten voor machines.
- (x). Open dekken (10). Open dekruimten en gesloten wandelgangen, ruimten waar vis in rauwe staat wordt verwerkt, ruimten waar vis wordt schoon gespoeld en soortgelijke ruimten die niet brandgevaarlijk zijn. De luchtruimten buiten de bovenbouwen en dekhuizen.
- a). Bij de brandbeveiliging volgens Methode IIF en IIIF worden geen specifieke eisen aan deze schotten gesteld.
- b). In geval van Methode IIIF moeten schotten van klasse 'B' met een classificatie 'B-O' worden aangebracht tussen twee of meer ruimten met een oppervlak van 50 vierkante meter of meer.
- c). Ter verduidelijking wat van toepassing is, zie de Voorschriften 65 en 66.
- d). Indien ruimten onder dezelfde nummercategorie vallen en letter d) vermeld staat, wordt een schot of dek van de classificatie zoals aangegeven in de tabellen alleen geëist, indien de aan elkaar grenzende ruimten voor verschillende doeleinden dienen, zoals b.v. in categorie (9). Indien twee kombuizen aan elkaar grenzen, wordt geen schot geëist, doch indien een kombuis aan een verfhut grenst, wordt een schot 'A-O' geëist
- e). Schotten die liet stuurhuis, de kaartenkamer en de radiokamer van elkaar scheiden, mogen schotten van klasse 'B-O' zijn.
- *. Wanneer een sterretje in de tabellen vermeld staat, wordt geëist dat het scheidingsschot of -dek van staal of gelijkwaardig materiaal is, doch het behoeft niet van klasse 'A' te zijn.
| Ruimten | Ruimten | (1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | (7) | (8) | (9) | (10) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Controlestations | (1) | A-O e) | A-O | A-60 | A-O | A-15 | A-60 | A-15 | A-60 | A-60 | * |
| Gangen | (2) | C | B-O | B-O A-O c) | B-O | A-60 | A-O | A-O | A-O | * | |
| Ruimten voor accommodatie | (3) | Ca) b) | B-O A-O c) | B-O | A-60 | A-O | A-O | A-O | * | ||
| Trappen | (4) | B-O A-O c) | B-O A-O c) | A-60 | A-O | A-O | A-O | * | |||
| Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn | (5) | C | A-60 | A-O | A-O | A-O | * | ||||
| Ruimten voor machines van categorie A | (6) | * | A-O | A-O | A-60 | * | |||||
| Andere ruimten voor machines | (7) | A-O d) | A-O | A-O | * | ||||||
| Laadruimten | (8) | A-O | * | ||||||||
| Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn | (9) | * | A-O d) | * | |||||||
| Open dekken | (10) | * | |||||||||
| Ruimte onder ↓ | Ruimte boven → | (1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | (7) | (8) | (9) | (10) |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Controlestations | (1) | A-O | A-O | A-O | A-O | A-O | A-60 | A-O | A-O | A-O | * |
| Gangen | (2) | A-O | * | * | A-O | A-60 | A-O | A-O | A-O | * | |
| Ruimten voor accommodatie | (3) | A-60 | A-O | * | A-O | * | A-60 | A-O | A-O | A-O | * |
| Trappen | (4) | A-O | A-O | A-O | * | A-O | A-60 | A-O | A-O | A-O | * |
| Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn | (5) | A-15 | A-O | A-O | A-O | * | A-60 | A-O | A-O | A-O | * |
| Ruimten voor machines van categorie A | (6) | A-60 | A-60 | A-6C | 1 A-60 | A-60 | * | A-60 | A-30 | A-60 | * |
| Andere ruimten voor machines | (7) | A-15 | A-O | A-O | A-O | A-O | A-O | * | A-O | A-O | * |
| Laadruimten | (8) | A-60 | A-O | A-O | A-O | A-O | A-O | A-O | * | A-O | * |
| Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn | (9) | A-60 | A-O | A-O | A-O | A-0. | A-O | A-O | A-O | A-O d) | * |
| Open dekken | (10) | * | * | * | * | * | * | * | * | * | - |
- (3). Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse „B” kunnen, te zamen met de desbetreffende dekken of schotten, worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding.
- (4). Ramen en schijnlichten van ruimten voor machines moeten aan de volgende eisen voldoen:
- (a). wanneer schijnlichten geopend kunnen worden, moeten zij van buiten de ruimte gesloten kunnen worden. Glazen ramen of poorten in schijnlichten moeten voorzien zijn van blinden aan de buitenzijde die vast aan het schijnlicht zijn verbonden en die zijn vervaardigd van staal of ander gelijkwaardig materiaal;
- (b). glas of soortgelijke materialen mogen niet in scheidingswanden van ruimten voor machines worden aangebracht. Zulks sluit het gebruik van draadglas voor schijnlichten en glas in controlekamers in de ruimten voor machines niet uit; en
- (c). draadglas moet worden gebruikt in schijnlichten bedoeld in subparagraaf (a).
- (5). Buitenste begrenzingswanden die ingevolge Voorschrift 64(1) van staal of gelijkwaardig materiaal moeten zijn, mogen doorboord worden voor het aanbrengen van ramen en patrijspoorten, mits niet elders in dit Deel wordt voorgeschreven dat zodanige scheidingswanden een brandwerendheid van klasse ,,A” moeten hebben. Insgelijks mogen deuren in zodanige scheidingswanden die geen brandwerendheid van klasse,,A” behoeven te hebben, vervaardigd zijn van materialen die ten genoegen van de Administratie zijn.
Voorschrift 69. Constructiedetails
- (1). Methode IF. In ruimten voor accommodatie, in dienstruimten en in controlestations moeten beschietingen, afstoppingen, plafonds en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal zijn.
- (2). Methoden IIF en IIIF. In gangen en ingesloten ruimten voor trappen die toegang geven tot ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten plafonds, beschietingen, afstoppingen en het daarmee verbonden grondhout van onbrandbaar materiaal zijn.
- (3). Methoden IF, IIF en IIIF.
- (a). Behalve in laadruimten of koel- en vrieskamers in dienstruimten moeten de isolatiematerialen onbrandbaar zijn. Dampwerende lagen en kleefstoffen gebruikt bij isolatie, alsmede de isolatie van pijpleidingen van koudwatersystemen behoeven niet van onbrandbaar materiaal te zijn, doch moeten tot het praktisch mogelijke minimum worden beperkt en het vlamverspreidend vermogen van de blootgestelde oppervlakken ervan moet ten genoegen van de Administratie zijn. In ruimten waarin olieprodukten kunnen binnendringen, moet het oppervlak van de isolatie ondoordringbaar zijn voor olie en oliedampen.
- (b). Wanneer onbrandbare schotten, beschietingen en plafonds zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie en dienstruimten, mogen deze binnen deze ruimten voorzien zijn van een brandbare fineerlaag die niet dikker is dan 2 millimeter, behalve in gangen, trapomsluitingen en controlestations, waar deze laag niet dikker mag zijn dan 1,5 millimeter.
- (c). Luchtruimten, ingesloten achter wanden en beschietingen en tussen plafonds en dekken, moeten op passende wijze worden onderverdeeld door afstoppingen die de trek tegengaan en die niet verder dan 14 meter uiteenliggen. In verticale richting moeten zodanige ruimten, met inbegrip van die, welke zich achter beschietingen van trappen, schachten enz. bevinden, ter hoogte van elk dek worden afgesloten.
Voorschrift 70. Ventilatiesystemen
- (1). Wanneer schachten of kokers ruimten aan weerszijden van schotten van klasse ,,A” of dekken bedienen, moeten kleppen zijn aangebracht zodat deze de verspreiding van brand en rook over de verschillende ruimten voorkomen. Kleppen die met de hand worden bediend, moeten aan beide zijden van het schot of het dek geopend en gesloten kunnen worden. Wanneer schachten of kokers waarvan het oppervlak van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 vierkante meter bedraagt, door schotten of dekken van klasse ,,A” lopen, moeten automatische zelfsluitende kleppen worden aangebracht. Schachten die ruimten bedienen, die zich slechts aan één zijde van zodanige schotten bevinden, moeten voldoen aan paragraaf (2)(b).
- (2).
- (a). Ventilatiekanalen moeten zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Korte kanalen die over het algemeen niet langer zijn dan 2 meter en waarvan de dwarsdoorsnede niet meer dan 0,02 vierkante meter bedraagt, behoeven echter niet onbrandbaar te zijn, mits aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
- (i). de kanalen moeten zijn vervaardigd van een materiaal dat in beperkte mate brandgevaarlijk is, zulks ten genoegen van de Administratie;
- (ii). zij mogen alleen worden gebruikt aan het eind van de ventilatie-inrichting; en
- (iii). zij mogen zich, langs het kanaal gemeten, niet dichter dan 600 millimeter van een opening in een schot van klasse „A” of „B”, doorlopende plafonds van klasse „B” daaronder begrepen, bevinden.
- (b). Wanneer de ventilatiekanalen waarvan het oppervlak van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 vierkante meter bedraagt, door schotten of dekken van klasse „A” lopen, moet de opening worden bekleed met een ommantelingskoker van staalplaat, tenzij de kanalen die door de schotten of dekken lopen ter plaatse van het punt waar zij door het dek of schot lopen, vervaardigd zijn van staal en met betrekking tot dat gedeelte van het kanaal voldoen aan de onderstaande voorwaarden:
- (i). in het geval van kanalen waarvan het oppervlak van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 vierkante meter bedraagt, moeten de ommantelingskokers ten minste 3 millimeter dik en ten minste 900 millimeter lang zijn. Ingeval zij door schotten lopen, moet deze lengte bij voorkeur aan beide zijden van het schot even groot zijn. Kanalen waarvan het oppervlak van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 vierkante meter bedraagt, moeten voorzien zijn van een brandwerende isolatie. Deze isolatie moet ten minste dezelfde brandwerendheid hebben als het schot of dek waardoor het kanaal loopt. Een gelijkwaardige beveiliging van de doorboring mag worden aangebracht ten genoegen van de Administratie; en
- (ii). kanalen waarvan het oppervlak van de dwarsdoorsnede meer dan 0,075 vierkante meter bedraagt, moeten voldoen aan de voorschriften van sub-paragraaf (b)(i) en daarnaast nog worden voorzien van brandkleppen. De brandklep moet automatisch werken, doch moet tevens aan beide zijden van het schot of dek met de hand kunnen worden gesloten. De klep moet zijn voorzien van een standaanwijzer die aangeeft of de klep geopend of gesloten is. Brandkleppen behoeven echter niet te worden aangebracht, wanneer kanalen door ruimten lopen die zijn omsloten door schotten van klasse „A” en niet door deze kanalen worden bediend, mits deze kanalen dezelfde brandwerendheid hebben als de schotten die zij doorboren.
- (c). Ventilatiekanalen voor ruimten voor machines van categorie A of kombuizen mogen over het algemeen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen. Wanneer de Administratie zulks wel toestaat, moeten de kanalen zijn vervaardigd van staal of gelijkwaardig materiaal en zo zijn aangebracht dat zij de brandwerendheid van de schotten niet aantasten.
- (d). Ventilatiekanalen van ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen over het algemeen niet door ruimten voor machines van categorie A of door kombuizen lopen. Wanneer de Administratie zulks wel toestaat, moeten de kanalen zijn vervaardigd van staal of gelijkwaardig materiaal en zo zijn aangebracht dat zij de brandwerendheid van de schotten niet aantasten.
- (e). Wanneer ventilatiekanalen waarvan het oppervlak van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 vierkante meter bedraagt door schotten van klasse „B” lopen, moeten de openingen zijn voorzien van stalen ommantelingskokers die ten minste 900 millimeter lang moeten zijn, tenzij de kanalen over dezelfde lengte ter plaatse waar zij de schotten doorboren, vervaardigd zijn van staal. Ingeval zij door een schot van klasse „B” lopen, moet deze lengte bij voorkeur aan beide zijden van het schot even groot zijn.
- (f). Al het mogelijke moet worden gedaan om te bereiken dat in controlestations die buiten ruimten voor machines zijn gelegen, ventilatie, zicht en afwezigheid van rook worden gehandhaafd, opdat in geval van brand de werktuigen en toestellen daarin gecontroleerd kunnen worden en op deugdelijke wijze blijven werken. Een extra gescheiden systeem van luchttoevoer moet worden aangebracht; de inlaatopeningen van de beide systemen van luchttoevoer moeten zo gelegen zijn, dat het gevaar dat zij gelijktijdig rook aanzuigen tot een minimum beperkt blijft. Dergelijke eisen behoeven niet te worden gesteld aan controlestations, gelegen op en uitgang verlenend naar een open dek, of daar waar plaatselijke sluitingsmiddelen zijn voorzien, die even doeltreffend zijn, zulks ter beoordeling van de Administratie.
- (g). Indien kokers van afvoerkappen boven fornuizen door ruimten voor accommodatie of ruimten met brandbare materialen lopen, moeten zij worden geconstrueerd als schotten van klasse „A”. Elke afvoerkoker moet worden uitgerust met:
- (i). een vetvanger die gemakkelijk kan worden verwijderd voor reiniging;
- (ii). een brandklep in het onderste deel van de koker;
- (iii). een inrichting die vanuit het kombuis kan worden bediend voor het stoppen van de af zuigventilator; en
- (iv). een vast aangebrachte inrichting om een brand in de koker te blussen, tenzij de Administratie van oordeel is dat zulke inrichtingen niet praktisch uitvoerbaar zijn in een schip waarvan de lengte minder dan 75 meter bedraagt.
- (3). De hoofdin- en uitlaten van alle ventilatiesystemen moeten buiten de ruimten die wordt geventileerd, gesloten kunnen worden. Toestellen voor mechanische ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en ruimten voor machines moeten van een gemakkelijk bereikbare plaats buiten de ruimte die zij bedienen, gestopt kunnen worden. Deze plaats moet zodanig zijn gelegen dat zij niet onbereikbaar wordt in geval van brand in de ruimten die worden bediend. De inrichting waarmee de toestellen voor mechanische ventilatie van de ruimten voor machines gestopt kunnen worden, moet geheel gescheiden zijn van die, waarmee de ventilatie van andere ruimten gestopt kan worden.
- (4). Er moet een inrichting worden aangebracht ten einde van een veilige plaats de ringvormige ruimten rond schoorstenen te kunnen afsluiten.
- (5). Ventilatiesystemen die ruimten voor machines bedienen, moeten kunnen werken onafhankelijk van systemen die andere ruimten bedienen.
- (6). Bergplaatsen waarin zich aanzienlijke hoeveelheden gemakkelijk ontvlambare produkten bevinden, moeten voorzien worden van ventilatie-inrichtingen die gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen. De ventilatie moet op hoge en lage niveaus worden aangebracht en de in en uitlaten van de ventilatoren moeten op een veilige plaats worden aangebracht en voorzien worden van vlamkerende inrichtingen.
Voorschrift 71. Verwarmingsinstallaties
- (1). Elektrische kachels moeten vast aangebracht worden en zo worden geconstrueerd dat brandgevaar tot een minimum wordt beperkt. Een dergelijke kachel mag niet zijn voorzien van een onbeschermd warmte-element zodat kleding, gordijnen of andere soortgelijke materialen verschroeid kunnen worden of vlam kunnen vatten door de hitte die het warmte-element uitstraalt.
- (2). Verwarming door middel van open vuren is niet toegestaan. Kachels en andere soortgelijke verwarmingsinstallaties moeten stevig bevestigd worden en een voldoende beveiliging en isolatie tegen brand moet onder en rond zodanige installaties en langs hun rookkanalen worden aangebracht. Rookkanalen van kachels die gestookt worden met vaste brandstof moeten zo worden geplaatst en ontworpen dat er een zo gering mogelijke kans bestaat dat zij verstopt raken door verbrandingsprodukten en moeten voorzien worden van een gemakkelijk hanteerbare reinigingsinstallatie. Trekkleppen in rookkanalen moeten in gesloten stand een voldoende opening laten. In ruimten waarin kachels worden geplaatst, moeten ventilatoren van een voldoende doorlaat worden aangebracht om de kachel van een toereikende hoeveelheid verbrandingslucht te voorzien. Zulke ventilatoren mogen niet voorzien worden van afsluitinrichtingen en moeten op een zodanige plaats aangebracht worden dat afsluitinrichtingen overeenkomstig Voorschrift 20 niet vereist zijn.
- (3). Gastoestellen met een open vlam, met uitzondering van fornuizen en warmwaterapparaten, worden niet toegestaan. Ruimten waarin zich zodanige fornuizen en warmwaterapparaten bevinden, moeten voorzien zijn van een voldoende ventilatie-inrichting ten einde verbrandingsgassen en mogelijk ontsnapt gas naar een veilige plaats af te voeren. Alle pijpen waardoor gas vanuit de houder naar het fornuis of het warmwaterapparaat wordt gevoerd, moeten zijn vervaardigd van staal of ander goedgekeurd materiaal. Automatische veiligheidsinrichtingen ter afsluiting van de gastoevoer moeten worden aangebracht die in werking treden wanneer de gasdruk in de hoofdgasleiding vermindert of in geval van vlamdoving in enig apparaat.
- (4). Wanneer gasvormige brandstof voor huishoudelijke doeleinden wordt gebruikt, moeten de inrichtingen, opslag, verdeling en het gebruik van de brandstof ten genoegen van de Administratie zijn en overeenkomstig Voorschrift 73 zijn.
Voorschrift 72. Diversen*)[Red: Zie de Leidraad inzake het Gebruik van bepaalde Plastic Materialen, opgenomen in Aanbeveling 8 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.]
- (1). Alle blootgestelde oppervlakken in gangen en trapomsluitingen en oppervlakken - met inbegrip van het daarmee verbonden grondhout - in verborgen of ontoegankelijke plaatsen, in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten een laag vlamspreidend vermogen hebben.**)[Red: Zie de Richtlijnen inzake de Evaluatie van materiaaleigenschappen die gevaar voor brand kunnen opleveren, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.166(ES. IV).] Blootgestelde oppervlakken van plafonds in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten een laag vlamspreidend vermogen hebben.
- (2). Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken mogen geen overmatige hoeveelheden rook of vergiftige gassen of dampen kunnen voortbrengen. Zij mogen niet zodanig zijn dat zij onnodig brandgevaar opleveren, zulks ten genoegen van de Administratie.
- (3). De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moet van goedgekeurd materiaal zijn dat niet gemakkelijk kan ontbranden of aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.***)[Red: Zie de Verbeterde voorlopige richtlijnen inzake Beproevingsprocedures voor de onderste laag van dekbedekkingen, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.214(VII).]
- (4). Wanneer schotten of dekken van klasse ,,A” of „B” zijn doorboord voor het doorlaten van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kanalen enz. of voor het aanbrengen van uitmondingen van het ventilatiesysteem, verlichtingsarmaturen en soortgelijke inrichtingen, moeten maatregelen worden getroffen, opdat de brandwerendheid niet vermindert.
- (5).
- (a). In ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten pijpen die schotten of dekken van klasse „A” of ,,B” doorboren, van goedgekeurde materialen zijn vervaardigd, rekening houdende met de temperatuur waaraan de betrokken schotten weerstand moeten kunnen bieden. Wanneer de Administratie toestaat dat door ruimten voor accommodatie en dienstruimten olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd, moeten de pijpen waardoor olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd van een goedgekeurd materiaal zijn vervaardigd, rekening houdende met het brandgevaar.
- (b). Materialen die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte mogen niet worden gebruikt voor spuipijpen, sanitaire uitlaten en andere uitlaten, die dicht bij de lastlijn liggen en waarvan smelten, in geval van brand, gevaar voor instromen van water zou meebrengen.
- (6). Filmmateriaal op basis van cellulosenitraat mag niet in cinematografische installaties worden gebruikt.
- (7). Alle afvalbakken die niet worden gebruikt bij de verwerking van vis, moeten vervaardigd zijn van onbrandbare materialen en mogen geen openingen in de zijkanten of bodem hebben.
- (8). Werktuigen voor de aandrijving van brandstoftrimpompen, oliestookpompen en dergelijke brandstofpompen moeten zijn voorzien van afstandsbedieningsmiddelen welke zijn aangebracht buiten de desbetreffende ruimten, zodat bedoelde werktuigen kunnen worden stopgezet bij het uitbreken van brand in de ruimte waarin zij zijn opgesteld.
- (9). Lekbakken moeten waar nodig zijn aangebracht ten einde te voorkomen dat olie in de vullingen lekt.
- (10). In afdelingen bestemd voor de opslag van vis moet brandbare isolatie door een nauw aansluitende bekleding worden beschermd.
Voorschrift 73. Opslag van gasflessen en gevaarlijke materialen
- (1). Gasflessen voor samengeperste, vloeibare of onder druk opgeloste gassen moeten duidelijk gemerkt zijn door middel van voorgeschreven identificatiekleuren, moeten voorzien zijn van een duidelijk leesbare identificatie van de naam en van de scheikundige formule van hun inhoud en moeten goed bevestigd zijn.
- (2). Gasflessen die ontvlambare of andere gevaarlijke gassen bevatten en lege gasflessen moeten goed bevestigd op open dekken opgeslagen worden en alle kranen, drukregelaars en pijpen die op deze flessen zijn aangesloten, moeten tegen beschadiging beschermd zijn. Gasflessen moeten beschermd zijn tegen overmatige temperatuurwisselingen, directe zonnestraling en ophoping van sneeuw. De Administratie kan echter toestaan dat zodanige gasflessen worden opgeslagen in waterdichte afdelingen die voldoen aan de voorschriften van de paragrafen (3) tot en met (5).
- (3). Ruimten waarin zeer ontvlambare vloeistoffen zoals vluchtige verf, paraffine, benzeen enz. en - waar zulks is toegestaan - vloeibaar gas zijn opgeslagen, moeten rechtstreeks en uitsluitend vanaf open dekken toegankelijk zijn. Drukregelinrichtingen en ontlastingskleppen moeten binnen de ruimte afblazen. Wanneer begrenzingsschotten van deze ruimten grenzen aan andere omsloten ruimten, moeten deze schotten gasdicht zijn.
- (4). Elektrische leidingen en onderdelen mogen, behalve indien deze onontbeerlijk zijn voor het verrichten van werkzaamheden in deze ruimten, niet zijn aangebracht in ruimten bestemd voor de opslag van zeer ontvlambare vloeibare stoffen of vloeibare gassen. Wanneer zodanige elektrische onderdelen worden aangebracht, moeten deze ten genoegen van de Administratie geschikt zijn voor gebruik in een ontvlambare atmosfeer. Warmtebronnen mogen zich niet in de buurt van zodanige ruimten bevinden en de aanduidingen „Verboden te roken” en „Geen open vuur” moeten op een in het oog vallende plaats zijn aangebracht.
- (5). Er moeten voorzieningen zijn aangebracht ten einde verschillende soorten samengeperst gas gescheiden te kunnen opslaan. Ruimten die bestemd zijn voor de opslag van zodanige gassen mogen niet worden gebruikt voor de opslag van andere brandbare produkten of als opbergruimte van gereedschappen of voorwerpen die deel uitmaken van het gasdistributiesysteem. De Administratie kan echter een vermindering van deze eisen toestaan, rekening houdende met de eigenschappen, hoeveelheid en het gebruik waarvoor zodanige samengeperste gassen bestemd zijn.
Voorschrift 74. Voorzieningen voor ontsnapping
- (1). Trappen en ladders die leiden naar en van ruimten voor accommodatie en in ruimten, waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, moeten zo zijn aangebracht, dat met behulp daarvan het open dek en vandaar de reddingboten en -vlotten gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder geldt met betrekking tot deze ruimten, dat:
- (a). op alle niveaus waarop zich ruimten voor accommodatie bevinden, ten minste twee voorzieningen voor ontsnapping op een grote onderlinge afstand moeten zijn aangebracht, die de normale toegangsvoorzieningen vanuit elke besloten ruimte of groep van ruimten mogen omvatten;
- (b).
- (i). onder het blootgestelde dek de hoofdvoorziening voor ontsnapping moet bestaan uit een trap en de tweede voorziening voor ontsnapping mag bestaan uit een schacht of trap; en
- (ii). boven het aan het weer blootgestelde dek de voorzieningen voor ontsnapping moeten bestaan uit trappen en/of deuren naar een open dek;
- (c). bij wijze van uitzondering de Administratie kan toestaan dat slechts één voorziening voor ontsnapping wordt aangebracht, indien de aard en de plaats van de ruimten en het aantal der personen, die in normale omstandigheden daarin verblijven of dienst doen, daartoe aanleiding kunnen geven;
- (d). de lengte van een gang of gedeelte van een gang, van waaruit slechts één vluchtweg is, niet meer bedraagt dan 7 meter;
- (e). de breedte en de mate van het onafgebroken doorlopen van de voorzieningen voor ontsnapping ten genoegen van de Administratie moeten zijn; en
- (f). ten genoegen van de Administratie twee voorzieningen voor ontsnapping moeten zijn aangebracht in een radiotelegraaf station, dat geen rechtstreekse toegang tot het open dek heeft.
- (2). In elke ruimte voor machines van categorie A moeten twee voorzieningen voor ontsnapping worden aangebracht door middel van één van de volgende inrichtingen:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)