Internationaal Verdrag van Torremolinos voor de beveiliging van vissersvaartuigen, 1977
- (1). Onderstaand aantal reddingboeien moet ten minste aanwezig zijn: Deze reddingboeien moeten voldoen aan de voorschriften van paragraaf 8.2 van Aanhangsel 2.
- (a). 8 reddingboeien aan boord van vaartuigen waarvan de lengte 75 meter en meer bedraagt;
- (b). 6 reddingboeien aan boord van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 meter doch 45 meter en meer bedraagt;
- (c). 4 reddingboeien aan boord van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt.
- (2). Ten minste de helft van het in lid (1) bedoelde aantal reddingboeien moet voorzien zijn van zelf-ontbrandende lichten, die nabij de reddingboeien waartoe zij behoren, moeten zijn geplaatst en daaraan zijn verbonden met geëigende middelen.
- (3). De ingevolge lid (2) vereiste zelf-ontbrandende lichten moeten van dien aard zijn, dat zij niet door water kunnen worden gedoofd. Zij moeten ten minste 45 minuten kunnen branden en een lichtsterkte hebben van niet minder dan 2 candela in alle richtingen boven de horizon.
- (4). Aan boord van vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten ten minste twee van de ingevolge lid (2) van zelfontbrandende lichten voorziene reddingboeien bovendien voorzien zijn van een doelmatig, zelfwerkend rooksignaal, dat gedurende ten minste 15 minuten rook van zeer duidelijk zichtbare kleur kan verspreiden; deze boeien moeten waar mogelijk vanuit het stuurhuis snel te water geworpen kunnen worden.
- (5). Aan elke zijde van het vaartuig moet ten minste één reddingboei voorzien zijn van een drijvende reddinglijn met een lengte van ten minste 27,5 meter. Deze boeien mogen geen zelf-ontbrandende lichten hebben.
- (6). Alle reddingboeien moeten zo geplaatst zijn, dat zij voor de opvarenden gemakkelijk bereikbaar zijn en moeten altijd onmiddellijk kunnen worden geworpen en mogen niet op enigerlei wijze blijvend bevestigd zijn.
Voorschrift 120. Lijnwerptoestellen
- (1). Elk vaartuig moet een lijnwerptoestel van een goedgekeurd type aan boord hebben.
- (2). Een lijnwerptoestel moet met redelijke trefzekerheid een lijn kunnen schieten over een afstand van niet minder dan 230 meter en moet van ten minste vier projectielen en vier lijnen voorzien zijn.
- (3). De raketten en de bijbehorende ontstekingen alsmede de lijnen van het lijnwerptoestel moeten in een waterdichte kist worden opgeborgen.
Voorschrift 121. Noodseinen
- (1). Elk vaartuig moet ten genoegen van de Administratie voorzien zijn van middelen om, zowel overdag als des nachts, doelmatige noodseinen te kunnen geven. Hieronder moeten ten minste 12 valschermsignalen begrepen zijn, die op grote hoogte een helder rood licht kunnen geven.
- (2). Noodseinen moeten van een goedgekeurd type zijn. Zij moeten op gemakkelijk bereikbare plaatsen geborgen zijn; hun plaats moet duidelijk aangegeven zijn.
Voorschrift 122. Draagbare radio-installatie
Een draagbare radiozender/ontvanger of een noodradiobaken (EPIRB), ieder van een goedgekeurd type, moet aan boord aanwezig zijn en ten genoegen van de Administratie zodanig zijn geplaatst, dat de installatie gemakkelijk bereikbaar is; haar plaats moet duidelijk aangegeven zijn.
Voorschrift 123. Radiotelegrafie-installaties en zoeklichten in motorreddingboten
- (1). Wanneer het totale aantal personen aan boord van een vaartuig 200 of meer bedraagt, dient ten minste één van de motorreddingboten te zijn uitgerust met een radiotelegrafie-installatie, die voldoet aan de bepalingen van Voorschrift 137 en aan de van toepassing zijnde bepalingen van Aanhangsel 2.
- (2). Op elke motorreddingboot, indien aanwezig, moet een zoeklicht zijn aangebracht, dat voldoet aan de van toepassing zijnde bepalingen van Aanhangsel 2.
Voorschrift 124. Retro-reflectieve stroken op reddingmiddelen
Alle reddingboten en -vlotten, „man over boord” boten, reddinggordels en reddingboeien moeten ten genoegen van de Administratie zijn voorzien van retro-reflectieve stroken.*)[Red: Zie de Aanbeveling inzake retro-reflectieve stroken op reddingmiddelen, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.274(VIII).]
HOOFDSTUK VIII. - OPTREDEN IN NOODSITUATIES
Voorschrift 125. Alarmrol en instructie betreffende het schip verlaten
- (1). Met inachtneming van paragraaf (2) moet, wanneer het vaartuig uitvaart, een alarmrol samengesteld zijn, dat de volgende gegevens moet bevatten:
- (a). de aan de onderscheidene leden van de bemanning opgedragen taken in geval van nood met betrekking tot:
- (i). het sluiten van alle waterdichte deuren, afsluiters en mechanische sluitmiddelen van spuipijpen, stortkokers, patrijspoorten en branddeuren;
- (ii). het uitrusten van de reddingboten en -vlotten (daarbij inbegrepen het draagbare radiotoestel voor dergelijke reddingmiddelen);
- (iii). het te water brengen van de reddingboten en -vlotten;
- (iv). het algemeen gereedmaken van de andere reddingmiddelen;
- (v). de bezetting van de brandweerploegen die de opdracht hebben branden te bestrijden; en
- (vi). de bijzondere taken opgedragen met betrekking tot de hantering van brandbestrijdingsuitrusting en -installaties; en
- (b). de seinen om de bemanningsleden naar hun reddingboten en -vlotten en brandblusstations te roepen, alsmede de gegevens betreffende die seinen, met inbegrip van het noodsein om de bemanning naar de appèlplaatsen te roepen, dat moet bestaan uit zeven of meer korte stoten gevolgd door één lange stoot op de fluit of de sirene.
- (2). Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, kan de Administratie verlichtingen van de voorschriften van paragraaf (1) toestaan, indien zij van oordeel is dat in verband met het kleine aantal bemanningsleden geen alarmrol noodzakelijk is.
- (3). De lijst met noodseinen moet in het stuurhuis en in de verblijven voor de bemanning zijn opgehangen. Afschriften van de alarmrol moeten op verschillende plaatsen op het vaartuig en in het bijzonder in de verblijven voor de bemanning opgehangen zijn.
- (4). Noodseinen die op de alarmrol zijn omschreven, moeten worden gegeven met de fluit of de sirene. Vaartuigen waarvan de lengte 45 meter en meer bedraagt, moeten zijn uitgerust met een installatie bestaande uit elektrische alarmbellen, die vanuit het stuurhuis in werking moet kunnen worden gesteld.
Voorschrift 126. Appèls en oefeningen
- (1). Een appèl van de bemanning voor oefening in het schip verlaten en het blussen van brand moet met tussenpozen van niet langer dan één maand worden gehouden, met dien verstande dat beide appèls binnen 24 uur na het vertrek uit een haven moeten worden gehouden, wanneer meer dan 25 percent van de bemanning sedert de laatste oefening is vervangen.
- (2). Wanneer appèls worden gehouden, moeten de redding- en brandbestrijdingsmiddelen en andere veiligheidsmiddelen worden gecontroleerd, ten einde de zekerheid te hebben dat deze compleet zijn en behoorlijk functioneren.
- (3). De data waarop de appèls zijn gehouden, moeten worden vermeld in een dagboek, dat daarvoor door de Administratie kan worden aangewezen. Indien geen appèl of slechts een gedeeltelijk appèl is gehouden binnen de voorgeschreven tussenpoze, moet aantekening worden gemaakt van de omstandigheden en de omvang van het gehouden appèl. Het onderzoek van de reddingmiddelen moet in het dagboek worden gerapporteerd, waarin tevens dient te worden vermeld welke boten zijn gebruikt.
- (4). In geval van vaartuigen die zijn uitgerust met reddingboten, moeten verschillende boten bij opeenvolgende oefeningen buitenboord gebracht worden. Voor zover uitvoerbaar moeten de reddingboten ten minste eenmaal per vier maanden te water gevierd worden, waarbij controle uitgeoefend moet worden ten aanzien van de betrouwbare werking van alle toestellen en installaties, alsmede ten aanzien van de waterdichtheid van de boten en de middelen voor het te water brengen.
- (5). De oefeningen moeten zodanig worden geregeld, dat de bemanning volledig op de hoogte is met en geoefend is in de werkzaamheden die zij moet verrichten, daarbij inbegrepen instructie in de behandeling en het gebruik van reddingvlotten als deze aanwezig zijn.
Voorschrift 127. Opleiding voor het optreden in noodsituaties
- (1). De Administratie dient zodanige maatregelen te treffen als zij noodzakelijk acht ten einde zeker te stellen dat bemanningen voldoende worden opgeleid met het oog op de uitoefening van hun taken in het geval zich noodgevallen voordoen. Een zodanige opleiding moet, waar nodig, omvatten:
- (a). met betrekking tot alarmseinen:
- (i). bekendheid met de duidelijk omschreven seinen, zoals voorgeschreven in de alarmrol; en
- (ii). de betekenis en de te nemen maatregelen bij het horen van het alarmsein;
- (b). met betrekking tot reddingboten en „man over boord” boten:
- (i). het gereedmaken, het buitenboord brengen (met inbegrip van de middelen om de boot langszij te houden tijdens het embarkeren van de bemanning), het te water brengen van de boot en het vrijkomen van de boot van het vaartuig;
- (ii). het roeien en sturen zodra de boot in het water ligt;
- (iii). bekendheid met de bevelen die gewoonlijk tijdens de behandeling van de boot worden gegeven;
- (iv). kennis van de uitrusting aan boord en van de wijze waarop deze uitrusting moet worden gebruikt; en
- (v). bekendheid met het gebruik van de motor indien de boot daarmee is uitgerust;
- (c). met betrekking tot reddingvlotten:
- (i). de methoden waarop reddingvlotten te water worden gebracht en worden opgeblazen, alsmede de voorzorgsmaatregelen die vóór, tijdens en na het te water brengen moeten worden genomen;
- (ii). het in de reddingvlotten gaan, zowel de strijkbare als de in het water opgeblazen reddingvlotten, alsmede het in de vaste reddingvlotten gaan;
- (iii). het omkeren van een omgeslagen vlot;
- (iv). bekendheid met het gebruik van het drijfanker;
- (v). bekendheid met de uitrusting en de wijze waarop deze uitrusting moet worden gebruikt;
- (vi). bekendheid met de noodzaak van het bijvullen van de drijfkamers en het opblazen van de bodem; en
- (vii). bekendheid met de instructies hoe te overleven in een reddingvlot;
- (d). met betrekking tot het overleven in het water:
- (i). de gevaren van onderkoeling van het lichaam en de wijze waarop de gevolgen daarvan tot een minimum beperkt kunnen blijven; en
- (ii). het gebruik van reddinggordels en andere persoonlijke reddingpakken of -kleding; en
- (e). met betrekking tot brandbestrijding:
- (i). het gebruik van brandslangen met verschillende typen van straalpijpen;
- (ii). het gebruik van brandblustoestellen;
- (iii). kennis van de plaatsen waar zich branddeuren bevinden; en
- (iv). het gebruik van ademhalingstoestellen.
- (2). De Administratie dient aandacht te schenken aan de noodzaak om inlichtingen en/of opleiding te verschaffen met betrekking tot het ophijsen van personen vanaf vaartuigen en reddingboten en -vlotten door middel van helikopters.
HOOFDSTUK IX. - RADIOTELEGRAFIE EN RADIOTELEFONIE
DEEL A. - TOEPASSING EN OMSCHRIJVING
Voorschrift 128. Toepassing
- (1). Dit Hoofdstuk is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op zowel nieuwe als bestaande vaartuigen. Voor bestaande vaartuigen kan de Administratie de toepasselijkheid van deze voorschriften uitstellen gedurende een termijn van ten hoogste 6 jaar vanaf de datum dat het Verdrag in werking treedt.
- (2). Geen enkele bepaling van dit Hoofdstuk verhindert het gebruik door een in nood verkerend vaartuig of reddingmiddel van enig te zijner beschikking staand middel om de aandacht te trekken, zijn positie bekend te maken en hulp te verkrijgen.
Voorschrift 129. Uitdrukkingen en omschrijvingen
- (1). Voor de toepassing van dit Hoofdstuk moeten aan de volgende uitdrukkingen de hieronder gedefinieerde betekenissen worden toegekend.
- (a). „Radioreglement” betekent het Radioreglement, behorende bij of beschouwd als te behoren bij het Internationaal Verdrag betreffende de verreberichtgeving dat van kracht is.
- (b). „Radiotelegrafie-auto-alarmtoestel” betekent een goedgekeurd automatisch alarmontvangapparaat dat in werking wordt gesteld door het radiotelegrafie-alarmsein.
- (c). „Radiotelefonie-auto-alarmtoestel” betekent een goedgekeurd automatisch alarmontvangapparaat dat in werking wordt gesteld door het radiotelefonie-alarmsein.
- (d). „Radio-officier” betekent een persoon die in het bezit is van ten minste het overeenkomstig het Radioreglement afgegeven Algemeen Certificaat als radiotelegrafist voor de maritieme mobiele dienst of van een eerste of tweede klasse certificaat van bekwaamheid als radiotelegrafist, die te werk is gesteld in het radiotelegraafstation van een vaartuig dat ingevolge Voorschrift 130 of Voorschrift 131 met een dergelijk station is uitgerust.
- (e). „Radiotelegrafist” betekent een persoon die in het bezit is van een overeenkomstig het Radioreglement afgegeven speciaal certificaat van bekwaamheid als radiotelegrafist.
- (f). „Radiotelefonist” betekent een persoon die in het bezit is van een overeenkomstig het Radioreglement afgegeven geëigend certificaat.
- (g). „Nieuwe installatie” betekent een installatie, die op of na de datum waarop het Verdrag in werking treedt, in zijn geheel aan boord van een vaartuig is opgesteld.
- (h). „Bestaande installatie” betekent elke installatie, die geen nieuwe installatie is.
- (i). „Mijl” betekent 1852 meter.
- (2). „Radiotelefoonstation”, „radiotelefonie-installatie” en „luisterdienstradiotelefonie” betreffen de middenfrequentieband, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
- (3). Alle andere uitdrukkingen die in dit Hoofdstuk zijn gebezigd en die ook in het Radioreglement zijn gedefinieerd, moeten dezelfde betekenissen als in dat reglement hebben.
Voorschrift 130. Radiotelegraafstation
Vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moeten - tenzij vrijgesteld ingevolge Voorschrift 132 - zijn uitgerust met een radiotelegraafstation, dat voldoet aan de bepalingen vervat in de Voorschriften 136 en 137.
Voorschrift 131. Radiotelefoonstation
- (1). Met inachtname van lid (2) moet elk vaartuig - tenzij vrijgesteld ingevolge Voorschrift 132 - zijn uitgerust met een radiotelefoonstation, dat voldoet aan de Voorschriften 142 en 143.
- (2). In bijzondere omstandigheden kan de Administratie verlangen of toestaan dat een vaartuig moet zijn uitgerust met één van de volgende radiostations als een alternatief voor de in lid (1) gestelde eisen: Bij haar overwegingen inzake zodanige bijzondere omstandigheden moet de Administratie rekening houden met de veiligheid op zee, met inbegrip van de maximale afstand van het vaartuig tot de kust, de tijdsduur dat het vaartuig op zee is, de afwezigheid van mogelijke algemene gevaren voor de vaart en de geschiktheid van het vaartuig om doeltreffend deel te nemen aan de hulpverlening in noodgevallen op zee.
- (a). aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 75 meter bedraagt, een radiotelegraafstation, dat voldoet aan de Voorschriften 136 en 137; of
- (b). aan boord van een vaartuig van ongeacht welke afmetingen, dat buitengaats binnen het bereik van Zeer Hoge Frequentie (VHF)-kuststations blijft, een VHF-radiotelefoonstation dat voldoet aan Voorschrift 144.
Voorschrift 132. Vrijstellingen
- (1). In buitengewone omstandigheden mag de Administratie aan een vaartuig volledige vrijstelling of vrijstelling van gedeeltelijke of voorwaardelijke aard van de eisen van de Voorschriften 130 en 131 verlenen.
- (2). Elke Administratie moet zo spoedig mogelijk na I januari van elk jaar bij de Organisatie een rapport indienen, waarin alle vrijstellingen die op grond van lid (1) gedurende het voorafgaande kalenderjaar werden verleend, zijn vermeld en waarin de redenen voor deze betreffende vrijstellingen zijn opgegeven.
DEEL B. - LUISTERDIENST
Voorschrift 133. Luisterdienst - Radiotelegrafie
- (1). Een vaartuig dat ingevolge de Voorschriften 130 of 131(2)(a) is uitgerust met een radiotelegraafstation, moet - buitengaats - ten minste één radio-officier of radiotelegrafist aan boord hebben en deze radio-officier of radiotelegrafist moet, indien het vaartuig niet is uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, met inachtname van het bepaalde in paragraaf (3) onafgebroken op de radiotelegrafienoodfrequentie luisteren, waarbij hij gebruik maakt van een hoofdtelefoon of een luidspreker.
- (2).
- (a). Terwijl een vaartuig dat ingevolge Voorschrift 130 is uitgerust met een radiotelegraafstation en tevens is uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel buitengaats is, moet een radio-officier die daarbij gebruik maakt van een hoofdtelefoon of een luidspreker met inachtname van de bepalingen van paragraaf (3) per dag gedurende ten minste 8 uur in totaal luisteren op de radiotelegrafienoodfrequentie.
- (b). Terwijl een vaartuig waarvan de lengte minder dan 75 meter bedraagt en dat ingevolge Voorschrift 131(2) (a) is uitgerust met een radiotelegraafstation en tevens is uitgerust met een radiotelegrafie-autoalarmtoestel buitengaats is, moet een radio-officier of een radiotelegrafist die daarbij gebruik maakt van een hoofdtelefoon of een luidspreker met inachtname van de bepalingen van paragraaf (3) gedurende de tijdvakken die door de Administratie worden vastgesteld, luisteren op de radiotelegrafienoodfrequentie.
- (3).
- (a). Gedurende de tijd dat een radio-officier of radiotelegrafist ingevolge het bepaalde in dit Voorschrift moet uitluisteren op de radiotelegrafienoodfrequentie, mag de radio-officier of radiotelegrafist de luisterdienst onderbreken gedurende de tijd, waarin hij verkeer op andere frequenties behandelt of wanneer de radio-officier andere noodwendige radiowerkzaamheden verricht, doch alleen wanneer het praktisch onmogelijk is met een gesplitste hoofdtelefoon of met een luidspreker op de radiotelegrafienoodfrequentie te blijven luisteren. Tijdens de in het Radioreglement voorgeschreven stilteperioden mag de luisterdienst echter niet worden onderbroken, maar moet deze altijd worden onderhouden door een radio-officier of radiotelegrafist die daarbij gebruik maakt van een hoofdtelefoon of luidspreker. Onder de „noodwendige radiowerkzaamheden” van de radio-officier zijn begrepen dringend herstel van:
- (i). radiocommunicatie-apparatuur voor veiligheidsdoeleinden; en
- (ii). radionavigatie-apparatuur, op order van de kapitein.
- (b). Daarnaast kan op vissersvaartuigen met slechts één radio-officier aan boord, deze in uitzonderlijke gevallen, namelijk wanneer het praktisch onmogelijk is met een gesplitste hoofdtelefoon of met een luidspreker te luisteren, de luisterdienst onderbreken op order van de kapitein, ten einde onderhoudswerkzaamheden te verrichten ter voorkoming van een dreigend defect aan:
- (i). radiocommunicatie-apparatuur voor veiligheidsdoeleinden;
- (ii). radionavigatie-apparatuur; en
- (iii). andere elektronische navigatie-apparatuur met inbegrip van reparaties; mits:
- (iv). de radio-officier naar het oordeel van de Administratie de bevoegdheid heeft deze werkzaamheden te verrichten;
- (v). een decoder is aangebracht voor selectieve aanroepen, die voldoet aan de eisen van het Radioreglement; en
- (vi). de luisterdienst altijd wordt onderhouden gedurende de door het Radioreglement voorgeschreven stilteperioden door een radio-officier die daarbij gebruik maakt van een hoofdtelefoon of een luidspreker.
- (4). Op alle met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel uitgeruste vaartuigen moet - buitengaats - dit alarmtoestel bijstaan gedurende de tijd dat geen luisterdienst als bedoeld in de paragrafen (2) of (3) wordt gehouden en, ìndien dit uitvoerbaar is, tijdens het nemen van radiopeilingen.
- (5). De in dit Voorschrift vastgestelde luisterperioden waaronder die, welke door de Administratie zijn voorgeschreven, moeten bij voorkeur worden gehouden tijdens de door het Radioreglement voor de radiotelegraafdienst voorgeschreven perioden.
Voorschrift 134. Luisterdienst - Radiotelefonie
- (1). Indien een vaartuig één radiotelefonist aan boord heeft die uitsluitend is belast met de werkzaamheden op het gebied van de radiotelefonie, behoeft het vaartuig geen tweede radiotelefonist aan boord te hebben.
- (a). Aan boord van een vaartuig dat ingevolge Voorschrift 131 slechts is uitgerust met een radiotelefoonstation, moet voor veiligheidsdoeleinden - buitengaats - op die plaats aan boord, vanwaar het vaartuig gewoonlijk genavigeerd wordt, ononderbroken luisterwacht worden gehouden op de radiotelefoonnoodfrequentie met behulp van een radiotelefonieluisterwachtontvanger welke al dan niet is voorzien van een filtereenheid (voor het radiotelefonie-alarmsein) door middel van een luidspreker of een radiotelefonie-alarmtoestel.
- (b). Een vaartuig bedoeld in sub-paragraaf (a) moet radiotelefonisten aan boord hebben die in het bezit zijn van een geëigend certificaat van bekwaamheid als radiotelefonist (deze mag elk lid van de bemanning zijn) en wel:
- (i). aan boord van vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, ten minste twee radiotelefonisten; en
- (ii). aan boord van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, ten minste één radiotelefonist.
- (2). Aan boord van een vaartuig dat ingevolge Voorschrift 130 of 131(2) (a) is uitgerust met een radiotelegraafstation, moet - buitengaats - op een door de Administratie te bepalen plaats ononderbroken luisterwacht worden gehouden op de radiotelefonienoodfrequentie met behulp van een radiotelefonieluisterwachtontvanger welke al dan niet is voorzien van een filtereenheid (voor het radiotelefonie-alarmsein) door middel van een luidspreker of een radiotelefonie-auto-alarmtoestel.
Voorschrift 135. Luisterdienst - VHF-Radiotelefonie
- (1). Aan boord van een vaartuig dat ingevolge Voorschrift 131(2) (b) is uitgerust met een VHF-radiotelefoniestation, moet - buitengaats - luisterwacht worden gehouden op de VHF-radiotelefonienoodfrequentie, behalve wanneer het VHF-radiotelefoniestation verbindingen onderhoudt op de werkfrequentie.
- (2). Wanneer door een Partij ter bevordering van de veilige navigatie in haar kustwateren is voorgeschreven dat een vaartuig moet zijn uitgerust met een VHF-radiotelefoniestation, moet aan boord van dat schip in het stuurhuis gedurende zodanige perioden en op zodanige kanalen luisterwacht worden gehouden, als door die Partij kunnen zijn voorgeschreven.
DEEL C. - TECHNISCHE EISEN
Voorschrift 136. Radiotelegraafstations
- (1). Het radiotelegraafstation moet zodanig zijn gelegen, dat door lawaai van buitenaf van mechanische of andere aard de goede ontvangst van radioseinen niet hinderlijk wordt gestoord. Het station moet, om de grootst mogelijke graad van veiligheid te waarborgen, zo hoog als praktisch mogelijk is, in het vaartuig zijn opgesteld.
- (2). De radiohut moet van voldoende afmetingen zijn en behoorlijk geventileerd kunnen worden om het mogelijk te maken, het radiotelegrafiestation doelmatig te doen bedienen; de hut mag niet worden gebruikt voor enig doel, dat het gebruik van het radiotelegraafstation zou kunnen belemmeren.
- (3). De slaapplaats van ten minste één radio-officier moet zo dicht mogelijk bij de radiohut gelegen zijn als praktisch uitvoerbaar is.
- (4). Een doelmatig tweezijdig systeem voor oproep en mondeling contact moet tussen de radiohut en het stuurhuis of eventueel een andere plaats vanwaar het vaartuig genavigeerd wordt, aanwezig zijn, dat onafhankelijk moet zijn van het hoofdcommunicatiesysteem van het vaartuig.
- (5). De radiotelegrafie-installatie moet op een zodanige plaats zijn opgesteld, dat zij beschermt is tegen schadelijke inwerking van water of van extreme temperaturen. Zij moet gemakkelijk toegankelijk zijn, zowel voor onmiddellijk gebruik in een noodgeval als voor herstelwerkzaamheden.
- (6). Er moet een betrouwbaar uurwerk aanwezig zijn met een wijzerplaat van niet minder dan 125 millimeter middellijn, waarop de door het Radioreglement voor de radiotelegraafdienst voorgeschreven stilteperioden zijn aangegeven en die voorzien is van een in het middelpunt daarvan geplaatste secondewijzer. Het moet solide op een dusdanige plaats in de radiohut zijn gemonteerd, dat de gehele wijzerplaat gemakkelijk en nauwkeurig door de radio-officier of radiotelegrafist vanaf de bedieningsplaats van de radiotelegrafie-installatie en vanaf de plaats, waar het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel wordt beproefd, kan worden waargenomen.
- (7). In de radiohut moet een betrouwbare noodverlichting, bestaande uit een elektrische lamp vast zijn aangebracht die de bedieningsknoppen van de telegrafie-installatie en het in paragraaf (6) vereiste uurwerk voldoende verlicht. Deze lamp moet - indien aangesloten op de reservekrachtbron - kunnen worden in- en uitgeschakeld door middel van hotelschakelaars, die geplaatst zijn nabij de hoofdingang van de radiohut en bij de bedieningsplaats van de radiotelegrafie-installatie, tenzij de inrichting van de radiohut zulks overbodig maakt. Deze schakelaars moeten van een duidelijke aanwijzing zijn voorzien waaruit hun doel blijkt.
- (8). Er moet òf een elektrische looplamp, welke door de reservekrachtbron wordt gevoed en voorzien is van een flexibel snoer van voldoende lengte, òf een zaklantaarn aanwezig zijn en in de radiohut worden bewaard.
- (9). Het radiotelegraafstation moet zijn voorzien van de nodige onderhoudshandboeken, reserve-onderdelen, gereedschappen en meetapparaten, ten einde de radiotelegrafie-installatie - buitengaats - in doeltreffende staat te houden. Ten behoeve van het onderhoud van het station - dient de meetapparatuur ten minste een draagbare multimeter te omvatten, waarmee nauwkeurig de optredende wisselstromen en -spanningen, gelijkstroom en -spanning, alsmede de weerstanden kunnen worden gemeten.
- (10). Wanneer een afzonderlijke noodradiotelegraafhut aanwezig is, moeten de eisen van de leden (4), (5), (6), (7) en (8) daarop worden toegepast.
Voorschrift 137. Radiotelegrafie-installaties
- (1). Tenzij uitdrukkelijk anders in dit Voorschrift bepaald, moet(en):
- (a). behalve aan boord van een vaartuig dat is uitgerust met een reserve-middenfrequentie (MF)-radiotelegrafie-installatie, het radiotelegraafstation elektrisch gescheiden en elektrisch onafhankelijk van het in Voorschrift 143 bedoelde radiotelefoniestation zijn;
- (b). de installatie een zender, een ontvanger en een hoofdkrachtbron omvatten;
- (c). een hoofdantenne aanwezig en aangebracht zijn en - indien opgehangen tussen steunpunten, die aan zwiepen onderhevig zijn - op doeltreffende wijze tegen breuk beveiligd zijn;
- (d). een geheel voor ogenblikkelijk aanbrengen klaargemaakte reserve-antenne aan boord aanwezig zijn;
- (e). in alle gevallen voldoende antennedraad en isolatoren aanwezig zijn, om het mogelijk te maken een passende antenne op te hangen.
- (2).
- (a). De zender moet vlug kunnen worden verbonden met en afgestemd op de hoofdantenne en de reserve-antenne, wanneer deze is opgehangen.
- (b). De ontvanger moet vlug kunnen worden verbonden met elke antenne, waarmede hij moet kunnen worden gebruikt.
- (3). De zender moet in staat zijn te zenden op de radiotelegrafienoodfrequentie, daarbij gebruik makende van een klasse van uitzending zoals door het Radioreglement voor die frequentie is aangewezen. Bovendien moet de zender kunnen zenden op ten minste twee werkfrequenties in de toegestane banden tussen 405 en 535 kilohertz, daarbij gebruik makende van klassen van uitzending zoals door het Radioreglement voor die frequenties zijn aangewezen.
- (4). De zender moet - wanneer gemoduleerde uitzending door het Radioreglement is voorgeschreven - een modulatiediepte van niet minder dan 70 percent en een toonfrequentie tussen 450 en 1350 hertz hebben.
- (5). De zender moet, verbonden met de hoofdantenne, een normale minimumreikwijdte op 500 kilohertz hebben als in deze paragraaf aangegeven en moet in staat zijn duidelijk waarneembare tekens van schip tot schip, bij dag en onder normale condities en omstandigheden over de volgende normale minimumreikwijdten uit te zenden*)[Red: Zie de Richtlijn voor het bepalen van de minimumreikwijdte van zenders, opgenomen in Aanbeveling 10 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.]: (Duidelijk waarneembare tekens zullen in normale omstandigheden worden ontvangen, wanneer de effectieve waarde van de veldsterkte bij de ontvanger ten minste 50 microvolt per meter is).
- (a). 150 mijl in geval van vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt;
- (b). 100 mijl in geval van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 meter, doch 45 meter of meer bedraagt; en
- (c). 50 mijl in geval van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt.
- (6).
- (a). De ontvanger moet in staat zijn de radiotelegrafienoodfrequentie en de door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klassen van uitzending te ontvangen.
- (b). Bovendien moet de ontvanger in staat zijn de frequenties en de klassen van uitzending te ontvangen, die worden gebruikt voor het uitzenden van tijdseinen, meteorologische berichten en die andere mededelingen betreffende de veiligheid van de scheepvaart, welke de Administratie nodig mocht oordelen.
- (7). De ontvanger moet voldoende gevoeligheid hebben om tekens hoorbaar te maken in een hoofdtelefoon of een luidspreker, wanneer de ingangsspanning van de ontvanger niet meer is dan 50 microvolt.
- (8). Te allen tijde moet buitengaats een elektrische krachtbron beschikbaar zijn, die voldoende sterk is om zowel de installatie over de in lid (5) vereiste normale reikwijdte te doen werken als om alle batterijen die deel uitmaken van het radiotelegraafstation, te laden. De voedingsspanning voor de installatie moet op nieuwe vaartuigen constant worden gehouden binnen + en - 10 percent van de nominale spanning. Op bestaande vaartuigen moet zij zo goed mogelijk op de nominale waarde en - indien praktisch mogelijk - binnen + en - 10 percent daarvan worden gehouden.
- (9). Wanneer een reserve MF-radiotelegrafie-installatie is aangebracht of een radiotelegrafie-installatie ingevolge de bepalingen van Voorschrift 131(2)(a) als hoofdinstallatie is aangebracht, moet een reservekrachtbron aanwezig zijn die voldoet aan Voorschrift 143(9), (10), (11) en (12) en een voldoende capaciteit moet hebben om de zender en de ontvanger gedurende ten minste zes achtereenvolgende uren te kunnen doen werken.
- (10). Buitengaats moeten de accumulatorenbatterijen dagelijks op hun volle normale lading worden gebracht.
- (11). Alle maatregelen moeten worden getroffen om de oorzaken van storing van de radio door elektrische en andere apparaten aan boord voor zover dit mogelijk is, op te heffen en deze storingen te onderdrukken. Indien nodig moeten maatregelen getroffen worden om te waarborgen, dat de met omroepontvangers verbonden antennes geen storing in de doeltreffende of juiste werking van de radiotelegrafie-installatie veroorzaken. Bij de bouw van nieuwe vaartuigen moet bijzondere aandacht aan deze eis worden besteed.
- (12). Naast een middel om het radiotelegrafie-alarmsein met de hand uit te zenden, moet een automatische radiotelegrafie-alarmseingever aanwezig zijn die met de zender het radiotelegrafie-alarmsein kan uitzenden. Ten einde onmiddellijke bediening van de zender met de hand mogelijk te maken, moet het apparaat te allen tijde buiten gebruik kunnen worden gesteld. Indien het apparaat elektrisch werkt, moet het op de reservekrachtbron kunnen werken.
- (13). Alle apparaten waarmee het radiotelegrafiestation is uitgerust, moeten betrouwbaar zijn en zodanig zijn geconstrueerd, dat zij gemakkelijk voor onderhoud toegankelijk zijn.
Voorschrift 138. Radiotelegrafie-auto-alarmtoestellen
- (1). Elk radiotelegrafie-auto-alarmtoestel moet aan de volgende minimumeisen voldoen:
- (a). bij afwezigheid van storing van welke aard ook moet het zonder bijregelen met de hand in werking kunnen worden gebracht door elk radiotelegrafie-alarmsein, uitgezonden op de radiotelegrafiehoofdfrequentie door een overeenkomstig het Radioreglement werkend kuststation, de noodzender van een schip of vaartuig, dan wel de zender van een telegrafie-installatie van een reddingmiddel, op voorwaarde dat de sterkte van het sein bij de ingang van de ontvanger groter is dan 100 microvolt en kleiner dan 1 volt;
- (b). bij afwezigheid van storing van welke aard ook moet het in werking worden gesteld door drie of vier opeenvolgende strepen, indien de duur van de strepen ligt tussen 3,5 seconden en een waarde zo dicht mogelijk bij 6 seconden en de duur van de tussenruimte tussen de strepen ligt tussen 1,5 seconden en de laagst bereikbare waarde, die bij voorkeur niet kleiner moet zijn dan 10 milliseconden;
- (c). het toestel mag niet in werking worden gesteld door luchtstoringen of door enig signaal anders dan het radiotelegrafie-alarmsein, mits de ontvangen tekens in feite niet een signaal vormen, dat binnen de in sub-paragraaf (b) bedoelde tolerantiegrenzen valt;
- (d). de selectiviteit van het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel moet zodanig zijn, dat over een band van ten minste 4 kilohertz, doch niet meer dan 8 kilohertz, aan weerszijden van de radiotelegrafienoodfrequentie de gevoeligheid nagenoeg eenzelfde waarde heeft en buiten deze band een gevoeligheid, welke zo snel mogelijk afneemt, een en ander overeenkomstig de stand van de techniek;
- (e). indien praktisch mogelijk moet het toestel bij aanwezigheid van luchtstoringen of van storende signalen zichzelf automatisch regelen, opdat het binnen een redelijk korte tijd weder nabij de instelling komt, waarbij het toestel het radiotelegrafie-alarmsein het gemakkelijkst kan onderscheiden;
- (f). het toestel moet, wanneer het in werking wordt gesteld door een radiotelegrafie-alarmsein, of als gevolg van een defect in het toestel, een onafgebroken hoorbare waarschuwing geven in de radiohut, in de slaaphut van de radio-officier of van de radiotelegrafist en in het stuurhuis. Indien mogelijk moet die waarschuwing ook worden gegeven ingeval een willekeurig onderdeel van het gehele auto-alarm-ontvangsysteem defect is. Slechts één schakelaar mag aanwezig zijn om het waarschuwingssein te doen ophouden en deze moet zijn aangebracht in de radiohut;
- (g). teneinde het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel regelmatig te kunnen beproeven, moet het toestel voorzien zijn van een op de radiotelegrafienoodfrequentie afgestemde generator en een seingever, met behulp waarvan een radiotelegrafie-alarmsein van de minimale sterkte als bedoeld in sub-paragraaf (a) kan worden gegeven. Tevens moet een hoofdtelefoon kunnen worden aangesloten ten einde de op het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel ontvangen tekens te beluisteren; en
- (h). het toestel moet bestand zijn tegen trillingen, vochtigheid en temperatuurverschillen overeenkomende met die, welke zich onder de meest ongunstige omstandigheden aan boord van een vaartuig op zee kunnen voordoen en het moet onder dergelijke omstandigheden blijven werken.
- (2). Voordat een nieuw type radiotelegrafie-auto-alarmtoestel wordt goedgekeurd, moet de Administratie door praktische proeven onder omstandigheden gelijk aan die welke in de praktijk optreden, ervan verzekerd zijn, dat het toestel voldoet aan de eisen, gesteld in lid (1).
- (3). Op vaartuigen die uitgerust zijn met een radiotelegrafie-autoalarmtoestel, moet buitengaats de doeltreffende werking ervan ten minste éénmaal per 24 uur worden beproefd door een radio-officier of radiotelegrafist. Wanneer het toestel niet behoorlijk werkt, moet de radio-officier of radiotelegrafist dit feit aan de kapitein of de officier van de wacht rapporteren.
- (4). Een radio-offcier of radiotelegrafist moet de goede werking van de ontvanger van het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, aangesloten op zijn normale antenne, periodiek controleren door op het toestel te luisteren naar tekens, uitgezonden op de radiotelegrafienoodfrequentie en deze te vergelijken met de tekens die tegelijkertijd op de hoofdinstallatie op die frequentie worden ontvangen.
- (5). Indien praktisch mogelijk mag het radiotelegrafie-autoalarmtoestel, wanneer het met een antenne is verbonden, geen invloed hebben op de nauwkeurigheid van de richtingzoeker.
Voorschrift 139. Richtingzoekers
- (1).
- (a). De ingevolge Voorschrift 153 vereiste richtingzoeker moet doeltreffend zijn en geschikt om seinen te ontvangen met een minimumontvangerruis, zomede om peilingen te nemen, waaruit de ware peiling en richting kunnen worden bepaald.
- (b). Het toestel moet seinen kunnen ontvangen op de radiotelegrafiefrequenties, welke in het Radioreglement zijn toegekend voor noodgevallen, voor het nemen van peilingen en voor de maritieme radiobakens.
- (c). Bij afwezigheid van storing moet de richtingzoeker een gevoeligheid hebben, voldoende om nauwkeurige peilingen te nemen, zelfs indien de veldsterkte van de ontvangen tekens slechts 50 microvolt per meter bedraagt.
- (d). Zo mogelijk moet de richtingzoeker zo zijn opgesteld, dat het op doeltreffende wijze nemen van peilingen zo min mogelijk wordt belemmerd door mechanisch of ander lawaai.
- (e). Zo mogelijk moet het richtingzoekerantennesysteem zo zijn opgericht, dat het op doeltreffende wijze nemen van peilingen zo min mogelijk wordt belemmerd door de nabijheid van andere antennes, laadbomen, tuig en andere grote metalen voorwerpen.
- (f). Tussen de richtingzoeker en het stuurhuis moet een doeltreffend tweezijdig systeem voor oproep en mondelinge communicatie aanwezig zijn.
- (g). Bij eerste opstelling moeten alle richtingzoekers ten genoegen van de Administratie worden gecalibreerd. De calibratie moet worden geverifieerd door middel van controlepeilingen of een volgende calibratie, telkenmale wanneer in de positie van enige antenne dan wel van enige constructie aan dek veranderingen zijn aangebracht, welke de nauwkeurigheid van de richtingzoeker merkbaar zouden kunnen beïnvloeden. De calibratie-uitkomsten moeten eens per jaar of in een zo dicht mogelijk daarbij komend tijdvak worden gecontroleerd. Van de calibraties en van alle controles op de nauwkeurigheid daarvan moet aantekening worden gehouden.
- (2).
- (a). De richtingzoeker en de radio-apparatuur bestemd voor het peilen recht vooruit („homing”)op de radiotelefonienoodfrequentie moeten geschikt zijn voor het nemen van radiopeilingen op deze frequentie binnen een hoek van 30 graden aan elke zijde van de boeg, zonder dat twijfel ten aanzien van de richtingszin ontstaat. Installatie en beproeving van deze uitrusting moeten ten genoegen van de Administratie zijn.*)[Red: Zie de desbetreffende Aanbeveling van de Internationale Consultatieve Radiocommissie.]
- (b). Alle redelijke maatregelen moeten worden genomen ten einde de geschiktheid voor het peilen recht vooruit te verzekeren. Wanneer wegens technische moeilijkheden de geschiktheid voor het peilen recht vooruit niet kan worden verwezenlijkt, kan de Administratie afzonderlijke vaartuigen vrijstelling van deze eis verlenen.
Voorschrift 140. Radiotelegrafie-installatie voor motorreddingboten
- (1). De ingevolge Voorschrift 123 vereiste radiotelegrafie-installatie moet een zender, een ontvanger en een krachtbron omvatten. Zij moet zodanig zijn uitgevoerd, dat zij in geval van nood door een ongeschoold persoon kan worden bediend.
- (2). De zender moet op de radiotelegrafienoodfrequentie kunnen werken in een door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klasse van uitzending. De zender moet eveneens kunnen seinen op de frequentie en in een klasse van uitzending als in het Radioreglement voor reddingmiddelen in de banden tussen 4000 kilohertz en 27.500 kilohertz zijn aangewezen.
- (3). Wanneer door het Radioreglement gemoduleerde uitzending is voorgeschreven, moet de zender een modulatiediepte van niet minder dan 70 percent en een toonfrequentie tussen 450 en 1350 hertz hebben.
- (4). Behalve met een seinsleutel voor uitzendingen met de hand moet de zender zijn uitgerust met een automatische seingever voor de uitzending van radiotelegrafie-alarm- en -noodseinen.
- (5). De zender moet op de radiotelegrafienoodfrequentie een minimum normale reikwijdte, als omschreven in Voorschrift 137 (5), van 25 mijl hebben bij gebruik van de vaste antenne*)[Red: Zie de Richtlijn voor het bepalen van de minimum normale reikwijdte van zenders, opgenomen in Aanbeveling 10 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.].
- (6). De ontvanger moet de radiotelegrafienoodfrequentie en de door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klassen van uitzending kunnen ontvangen.
- (7). De krachtbron moet bestaan uit een accumulatorenbatterij van voldoende capaciteit om de zender onder normale bedrijfsomstandigheden onafgebroken gedurende 4 uur te doen werken. Indien de batterij van een type is dat moet worden geladen, dienen de middelen aanwezig te zijn om zulks vanuit het scheepsnet te doen geschieden. Bovendien moeten de nodige middelen aanwezig zijn om haar te laden, nadat de reddingboot te water is gelaten.
- (8). Wanneer de radiotelegrafie-installatie en het in Voorschrift 123 vereiste zoeklicht worden gevoed vanuit dezelfde batterij, moet deze van voldoende capaciteit zijn om ook in de extra belasting door het zoeklicht te kunnen voorzien.
- (9). Een vaste antenne moet aanwezig zijn met de middelen om deze op de grootst bereikbare hoogte op te hangen. Bovendien moet, indien zulks praktisch uitvoerbaar is, een antenne gedragen door een vlieger of ballon aanwezig zijn.
- (10). Buitengaats moet een radio-officier wekelijks de zender met behulp van een passende kunstantenne beproeven en de batterij, wanneer deze van een type is dat moet worden geladen, ten volle laden.
Voorschrift 141. Draagbare radiotoestellen voor reddingmiddelen en noodradiobaken (EPIRB)
De Administratie schrijft de technische criteria, het onderhoud en de proeven voor de draagbare zender/ontvanger en het noodradiobaken voor, die in Voorschrift 122 zijn vereist.
Voorschrift 142. Radiotelefooninstallaties
- (1). Het radiotelefoonstation moet in het bovenste deel van het vaartuig zijn gelegen en zodanig zijn opgesteld, dat het in de grootst mogelijke mate beschermd is tegen lawaai, dat aan de goede ontvangst van berichten en seinen afbreuk zou kunnen doen.
- (2). Er moet een doeltreffende verbinding zijn tussen het radiotelefoonstation en het stuurhuis.
- (3). Er moet een betrouwbaar uurwerk aanwezig zijn met een wijzerplaat van niet minder dan 125 millimeter middellijn, waarop de door het Radioreglement voor de radiotelefoondienst voorgeschreven stilteperioden zijn aangegeven. Het moet op een zodanige plaats vast zijn aangebracht, dat de gehele wijzerplaat gemakkelijk en nauwkeurig door de bediener kan worden waargenomen.
- (4). Een instructie die een duidelijke samenvatting geeft van de radiotelefonienoodprocedure, moet zodanig zijn opgehangen, dat zij vanaf de plaats waar de radiotelefonie-installatie wordt bediend, geheel zichtbaar is.
- (5). Er moet een betrouwbare noodverlichting aanwezig zijn, onafhankelijk van het systeem waaruit de normale verlichting van de radiotelefonie-installatie wordt gevoed en zodanig vast aangebracht, dat zij de bedieningsknoppen van de radiotelefooninstallatie, het uurwerk en de instructie behoorlijk kan verlichten.
- (6). Wanneer de krachtbron uit een batterij of uit batterijen bestaat, moet het radiotelefoonstation uitgerust zijn met een middel om de ladingtoestand daarvan te controleren.
Voorschrift 143. Radiotelefonie-installaties
- (1). De radiotelefonie-installatie moet zend- en ontvangapparatuur en passende krachtbronnen omvatten (in dit Voorschrift wordt hiernaar onderscheidenlijk verwezen als de zender, de ontvanger, de radiotelefonienoodfrequentieluisterwachtontvanger en de krachtbron).
- (2). De zender moet in staat zijn te zenden op de radiotelefonienoodfrequentie en op ten minste één andere frequentie in de banden tussen 1605 en 2850 kilohertz, daarbij gebruik makende van de klassen van uitzending zoals door het Radioreglement voor deze frequenties zijn aangewezen. Bij normaal gebruik moet de modulatiediepte van een dubbelzijbanduitzending of van een enkelzijbanduitzending met volledige draaggolf (A3H) ten minste 70 percent bedragen bij maximaal uitgestraald vermogen. De modulatie van een enkelzijbanduitzending met verminderde of onderdrukte draaggolf (A3A, A3J) moet zodanig zijn, dat de ongewenste uitzending de in het Radioreglement vermelde waarden niet overschrijdt.
- (3).
- (a). In geval van vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moet de zender een normale minimumreikwijdte hebben van 150 mijlen, d.w.z. moet deze in staat zijn duidelijk waarneembare seinen van vaartuig tot vaartuig bij dag en onder normale condities en omstandigheden over dit bereik uit te zenden*)[Red: Zie de Richtlijn voor het bepalen van de minimum normale reikwijdte van zenders, opgenomen in Aanbeveling 10 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.] . Duidelijk waarneembare seinen zullen in normale omstandigheden worden ontvangen, wanneer de effectieve waarde van de door de ongemoduleerde draaggolf opgewekte veldsterkte bij de ontvanger ten minste 25 microvolt per meter voor A3- en АЗН-uitzendingen is).
- (b). In geval van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moet de zender een vermogen van ten minste 15 Watt voor A3-uitzending en van ten minste 60 Watt voor A3H-uitzending in de antenne ontwikkelen. De zender moet in elk geval een normale minimumreikwijdte hebben van ten minste 75 mijlen.
- (4). De zender moet zijn uitgerust met een toestel voor het automatisch opwekken van het radiotelefonie-alarmsein, dat zodanig is ontworpen, dat het niet bij vergissing in werking kan worden gesteld. Het toestel moet te allen tijde buiten werking kunnen worden gesteld ten einde de onmiddellijke uitzending van een noodbericht mogelijk te maken. Er moeten voorzieningen zijn voor de periodieke controle van de goede werking van het toestel op andere frequenties dan de radiotelefonienoodfrequentie, met gebruik van een daarvoor geschikte kunstantenne.
- (5). Het in lid (4) vereiste toestel moet voldoen aan de volgende eisen:
- (a). de frequentietolerantie voor elk der tonen mag + of - 1,5 percent zijn;
- (b). de tolerantie in de duur van elke toon mag + of - 50 milliseconden zijn;
- (c). de pauze tussen opeenvolgende tonen mag niet groter zijn dan 50 milliseconden; en
- (d). de verhouding tussen de amplituden van de sterkste en van de zwakste toon moet liggen tussen 1 en 1,2.
- (6). De in lid (1) vereiste ontvanger moet in staat zijn de radiotelefonienoodfrequentie te ontvangen en ten minste één andere frequentie, die beschikbaar is voor radiotelefoonstations voor de scheepvaart in de banden tussen 1605 en 2850 kilohertz en in de klassen van uitzending die voor deze frequenties door het Radioreglement zijn aangewezen. Bovendien moet de ontvanger in staat zijn die andere frequenties in de door het Radioreglement voor deze frequenties aangewezen klassen van uitzending te ontvangen, die worden gebruikt voor de radiotelefonische uitzending van meteorologische berichten en andere door de Administratie nodig geachte berichten betreffende de veiligheid van de scheepvaart. De ontvanger moet voldoende gevoeligheid hebben om seinen hoorbaar te maken in een luidspreker, wanneer de ingangsspanning van de ontvanger niet meer is dan 50 microvolt.
- (7). De radiotelefonieluisterwachtontvanger moet vast zijn afgestemd op de radiotelefonienoodfrequentie. Hij moet zijn uitgerust met een filtereenheid (voor het radiotelefonie-alarmsein) of een voorziening ten einde de luidspreker geen geluid te laten voortbrengen indien geen alarmsein wordt uitgezonden. Het toestel moet gemakkelijk kunnen worden in- en uitgeschakeld en kan worden gebruikt wanneer naar het oordeel van de kapitein de omstandigheden zodanig zijn, dat het onderhouden van de luisterdienst de veilige navigatie van het vaartuig in gevaar zou brengen.
- (8). Wanneer regeling met de hand wordt toegepast, moet, om snelle overgang van zenden op ontvangen mogelijk te maken, de omschakelinrichting, indien praktisch mogelijk, in het microfoon- of telefoonhandvat zijn aangebracht.
- (9).
- (a). Te allen tijde moet buitengaats een hoofdkrachtbron beschikbaar zijn, die voldoende sterk is om de installatie over de in lid (3) vereiste normale reikwijdte te doen werken.
- (b). Een reservekrachtbron moet aanwezig zijn:
- (i). in het bovenste deel van vaartuigen, waarvan de lengte 45 meter en meer bedraagt; en
- (ii). zo hoog als praktisch mogelijk is aan boord van vaartuigen, waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, die onder alle omstandigheden voldoende capaciteit moet hebben om de zender en de ontvanger onder normale gebruiksomstandigheden gedurende ten minste zes uur ononderbroken te kunnen doen werken*)[Red: Zie de Richtlijn voor het bepalen van de elektrische lading van de reservekrachtbron van radio-installaties, opgenomen in Aanbeveling 11 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.].
- (c). Indien de reservekrachtbron verschillende van de in lid (10) genoemde radio-installaties voedt, moet deze voldoende capaciteit hebben om de zenders en de ontvangers van deze installaties gedurende ten minste zes uur ononderbroken en gelijktijdig te kunnen doen werken, tenzij door middel van één omschakelinrichting een keuze met betrekking tot de werking van de radio-installaties kan worden gedaan.
- (d). De reservekrachtbron mag tevens als hoofdkrachtbron worden gebruikt, mits het type installatie en het gebruik daarvan zodanig zijn, dat te allen tijde buitengaats aan deze eisen kan worden voldaan.
- (e). Een reservekrachtbron is niet vereist voor de radiotelefonie-installatie, indien een reserve MF-radiotelegrafie-installatie met een reservekrachtbron is aangebracht.
- (10). De reservekrachtbron mag alleen worden gebruikt voor de voeding van:
- (a). de radiotelefonie-installatie;
- (b). de radiotelegrafie-installatie of de reserveradiotelegrafie-installatie, met inbegrip van het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel en het ingevolge Voorschrift 137(12) vereiste apparaat voor het uitzenden van radiotelegrafie-alarmseinen, indien het apparaat elektrisch werkt;
- (c). de VHF-installatie;
- (d). de in Voorschrift 142(5) vereiste noodverlichting; en
- (e). het in lid (4) vereiste toestel voor het opwekken van het radiotelefonie-alarmsein.
- (11). Ongeacht het bepaalde in paragraaf (10) mag de Administratie het gebruik van de reservekrachtbron ook toestaan voor de voeding van een richtingzoeker, indien aanwezig, en voor een aantal noodnetten van gering vermogen, dat zich uitsluitend bevindt in het bovenste deel van het vaartuig, zoals de noodverlichting van de plaats voor inscheping in de reddingboten en -vlotten, echter onder voorwaarde, dat deze extra belastingen gemakkelijk kunnen worden uitgeschakeld en dat de krachtbron van voldoende capaciteit is om aan deze extra belastingen te kunnen voldoen.
- (12). Ten einde aan de eisen van lid (9) te kunnen voldoen, moet buitengaats elke aanwezige batterij in volgeladen toestand worden gehouden en in elk geval binnen een tijdsduur van 16 uur op haar volle lading worden gebracht.
- (13). Een antenne moet aanwezig en aangebracht zijn en, indien opgehangen tussen steunpunten die aan zwiepen onderhevig zijn, tegen breuk beveiligd zijn. Bovendien moet een geheel voor ogenblikkelijke vervanging klaargemaakte reserve-antenne aanwezig zijn, of, in gevallen waarin dit praktisch niet mogelijk is, voldoende antennedraad en isolatoren aanwezig zijn ten einde het mogelijk te maken een reserveantenne op te hangen. Ook de voor het ophangen van een antenne benodigde middelen moeten aanwezig zijn.
Voorschrift 144. VHF-Radiotelefoonstations
- (1). Wanneer een VHF-radiotelefoonstation aanwezig is, moet dit een installatie zijn die blijvend in het bovenste gedeelte van het vaartuig is geplaatst en moet deze een VHF-radiotelefonie-installatie omvatten die voldoet aan de bepalingen van dit Voorschrift en die bestaat uit een zender en ontvanger, een krachtbron die deze op hun toelaatbare vermogens kan doen werken en een antenne die geschikt is voor doeltreffende uitstraling en ontvangst van signalen op de frequenties waarop wordt gewerkt.
- (2). Een zodanige VHF-installatie moet voldoen aan de eisen die in het Radioreglement zijn gesteld ten aanzien van apparatuur voor gebruik in de VHF Internationale Maritieme Mobiele Radiotelefoondienst en moet kunnen werken op de kanalen, aangegeven in het Radioreglement en op die welke door de betrokken Administratie kunnen worden voorgeschreven.
- (3). Het uitgangsvermogen van de draaggolf van de zender moet ten minste 10 Watt zijn met de mogelijkheid dit te kunnen reduceren tot 1 Watt. Voor zover zulks praktisch uitvoerbaar is, moet de antenne een onbelemmerd zicht hebben in alle richtingen*)[Red: Zie de Richtlijn inzake het zendvermogen en de gevoeligheid van ontvangers van VHF-radiotelefonie-installaties, opgenomen in Aanbeveling 12 van Aanhangsel 3 van de Slotakte van de Conferentie.].
- (4). De VHF-kanalen, vereist voor de veiligheid van de navigatie, moeten onmiddellijk bedienbaar zijn in het stuurhuis op een plaats gemakkelijk te bereiken, vanwaar de orders worden gegeven en, waar nodig, moet het bovendien mogelijk zijn om radioverbindingen te maken vanaf de brugvleugels.
- (5). Wanneer een VHF-radiotelefoonstation ingevolge de bepalingen van Voorschrift 131(2) (b) als hoofdinstallatie is aangebracht, moet een reservekrachtbron aanwezig zijn die voldoet aan Voorschrift 143(9), (10), (11) en (12) met een voldoende capaciteit om de zender en de ontvanger gedurende ten minste zes uur ononderbroken te kunnen doen werken.
Voorschrift 145. Radiotelefonie-auto-alarmtoestel
- (1). Het radiotelefonie-auto-alarmtoestel moet voldoen aan de volgende minimumeisen:
- (a). de frequenties bij de maximale gevoeligheid van de afgestemde kringen en andere toonselecterende middelen moeten onder alle omstandigheden voldoen aan een tolerantie van + of - 1,5 percent; de gevoeligheid mag niet beneden 50 percent van de maximale gevoeligheid dalen bij de frequenties binnen 3 percent van de frequentie bij maximale gevoeligheid;
- (b). bij afwezigheid van ruis en storing moet het automatische ontvangtoestel door het alarmsein in werking worden gesteld in een tijdsduur van niet minder dan vier en niet meer dan zes seconden;
- (c). het automatische ontvangtoestel moet reageren op het alarmsein bij aanwezigheid van intermitterende storing, veroorzaakt door luchtstoringen en door krachtige signalen anders dan het alarmsein, bij voorkeur zonder dat bijregeling met de hand noodzakelijk is;
- (d). het automatische ontvangtoestel mag niet in werking worden gesteld door luchtstoringen of krachtige signalen anders dan het alarmsein;
- (e). de afstand waarover het automatische ontvangtoestel doeltreffend werkt, moet groter zijn dan de afstand waarop de overdracht van spraak nog bevredigend is;
- (f). automatische ontvangtoestellen moeten bestand zijn tegen trillingen, vochtigheid, temperatuurverschillen en schommelingen in de voedingsspanning welke zich onder de meest ongunstige omstandigheden aan boord van een vaartuig op zee kunnen voordoen en moeten onder dergelijke omstandigheden blijven werken; en
- (g). het automatische ontvangtoestel moet, wanneer het in gebruik is, voor zover doenlijk waarschuwen voor defecten die het normaal functioneren van het toestel zouden beletten.
- (2). Voordat een nieuw type radiotelefonie-alarmtoestel wordt goedgekeurd, moet de Administratie door praktische proeven, onder omstandigheden gelijk aan die welke in de praktijk optreden, ervan verzekerd zijn, dat het toestel voldoet aan de gestelde eisen in paragraaf (1).
DEEL D. - RADIODAGBOEKEN
Voorschrift 146. Radiodagboeken
- (1). Het radiodagboek (dagboek betreffende de radiodienst), dat door het Radioreglement is voorgeschreven voor een vaartuig, dat in overeenstemming met het bepaalde in Voorschrift 130 of Voorschrift 131(2) (a) met een radiotelegraafstation is uitgerust, moet buitengaats in de radiohut worden bewaard. Iedere radio-officier of radiotelegrafist moet zijn naam, de tijden waarop hij op wacht komt en van wacht gaat en alle zich tijdens de wacht voordoende, met de radiodienst verband houdende voorvallen die van belang kunnen zijn voor de beveiliging van mensenlevens op zee, in het dagboek vermelden. Bovendien moeten in het dagboek worden vermeld:
- (a). de door het Radioreglement voorgeschreven bijzonderheden;
- (b). bijzonderheden omtrent het onderhoud van de batterijen en het opladen daarvan, op een wijze als door de Administratie is voorgeschreven;
- (c). daaglijks een verklaring dat het in Voorschrift 137( 10) bepaalde is uitgevoerd;
- (d). aan boord van vaartuigen, uitgerust met een radiotelegrafie-autoalarmtoestel, bijzonderheden betreffende de in Voorschrift 138(3) vereiste beproevingen;
- (e). bijzonderheden omtrent het onderhoud van de batterijen en het opladen daarvan (indien van toepassing), zoals vereist is in Voorschrift 140(10), alsmede bijzonderheden betreffende de in die paragraaf ten aanzien van in motorreddingboten opgestelde zenders vereiste beproevingen;
- (f). bijzonderheden omtrent het onderhoud en de beproevingen van draagbare radiotoestellen voor reddingmiddelen alsmede van het radionoodbaken, zoals overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 141 door de Administratie is vereist; en
- (g). het tijdstip waarop de luisterwacht wordt onderbroken overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 133(3), alsmede de reden hiervoor en het tijdstip waarop de luisterwacht wordt hervat.
- (2). Het radiodagboek dat door het Radioreglement is voorgeschreven voor een vaartuig, dat in overeenstemming met het bepaalde in Voorschrift 131 met een radiotelefoonstation is uitgerust, moet worden bewaard op de plaats waar de luisterwacht wordt gehouden. Iedere bevoegde telefonist alsmede ieder ander lid van de bemanning, die (dat) overeenkomstig Voorschrift 134 de luisterwacht uitoefent, moet behalve zijn naam, de bijzonderheden van alle zich tijdens zijn wacht voordoende, met de radiodienst verband houdende voorvallen die van belang kunnen zijn voor de beveiliging van mensenlevens op zee, in het dagboek vermelden. Bovendien moeten in het dagboek worden vermeld:
- (a). de door het Radioreglement voorgeschreven bijzonderheden;
- (b). het tijdstip waarop bij het verlaten van een haven de luisterwacht begint en het tijdstip waarop bij het binnenlopen van een haven die wacht wordt beëindigd;
- (c). het tijdstip waarop om enigerlei reden de luisterwacht wordt onderbroken, de reden voor de onderbreking en het tijdstip waarop de luisterwacht wordt hervat;
- (d). bijzonderheden omtrent het onderhoud van de batterijen (indien deze aanwezig zijn) en het opladen daarvan, zoals vereist is in Voorschrift 143(12); en
- (e). bijzonderheden omtrent het onderhoud en de beproevingen van draagbare radiotoestellen voor reddingmiddelen alsmede van het radiobaken, zoals overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 141 door de Administratie is vereist.
- (3). Het radiodagboek dat is voorgeschreven voor een vaartuig, dat in overeenstemming met het bepaalde in Voorschrift 131(2)(b) met een VHF-radiotelefoonstation is uitgerust, moet worden bewaard op de plaats waar de luisterwacht wordt gehouden. Iedere bevoegde telefonist alsmede ieder ander lid van de bemanning, die (dat) de luisterwacht uitoefent, moet de bijzonderheden van alle berichten die verband houden met noodgevallen in het dagboek vermelden. Bovendien moeten zodanige bijzonderheden in het dagboek worden vermeld, als door de Administratie kunnen worden voorgeschreven.
- (4). Radiodagboeken moeten beschikbaar zijn voor inspectie door ambtenaren, die door de Administratie daartoe bevoegd zijn verklaard.
HOOFDSTUK X. - NAVIGATIEMIDDELEN AAN BOORD VAN VAARTUIGEN
Voorschrift 147. Vrijstellingen
De Administratie kan aan vaartuigen vrijstelling van de eisen van dit Hoofdstuk verlenen, wanneer zij van oordeel is dat de aard van de reis of de nabijheid van land voor het vaartuig zodanige eisen niet wettigt.
Voorschrift 148. Kompassen
- (1). Vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten zijn uitgerust met:
- (a). een magnetisch standaardkompas dat in een deugdelijk kompashuis op de hartlijn van het vaartuig is geplaatst, zulks ten genoegen van de Administratie; en
- (b). een tweede magnetisch kompas dat in een deugdelijk kompashuis zo dicht mogelijk bij de hoofdstuurinrichting moet zijn geplaatst, ten einde de roerganger in staat te stellen het vaartuig daarop te sturen. Echter wanneer een geprojecteerde of gereflecteerde aflezing van het in sub-lid (a) vereiste standaardkompas voor dit doel aanwezig is, moet het tweede magnetisch kompas ten genoegen van de Administratie op een geschikte plaats zijn aangebracht.
- (2). Vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moeten zijn uitgerust met:
- (a). een magnetisch standaardkompas dat in een deugdelijk kompashuis op de hartlijn van het vaartuig is geplaatst en is voorzien van een geprojecteerde of gereflecteerde aflezing dat zo dicht mogelijk bij de hoofdstuurinrichting is geplaatst, ten einde de roerganger in staat te stellen het vaartuig daarop te sturen. De installatie moet ten genoegen van de Administratie zijn aangebracht; en
- (b). een tweede magnetisch kompas in een kompashuis bij de hoofdstuurinrichting, wanneer de roerganger niet de beschikking heeft over een geprojecteerde of gereflecteerde aflezing van het standaardkompas, ten einde het vaartuig daarop te sturen.
- (3). Een gyrokompas moet ten genoegen van de Administratie zijn aangebracht*)[Red: Zie de Aanbeveling inzake de uitvoeringsnormen voor gyrokompassen, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.280(VIII).]: Het ingevolge de sub-leden (a) en (b) vereiste gyrokompas moet zodanig zijn geplaatst, dat het kompas hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een dochterkompas door de roerganger bij de hoofdstuurinrichting afgelezen kan worden en dit gyrokompas moet ten genoegen van de Administratie ten behoeve van het peilen zijn voorzien van één of meer dochterkompassen.
- (a). aan boord van vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt; en
- (b). aan boord van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 meter bedraagt, indien het vaartuig bestemd is om op breedten gebruikt te worden, waar de horizontale component van het totale aardmagnetische veld te gering is om een voldoende richtkracht aan het magnetisch kompas te geven.
- (4). Wanneer een gyrokompas is aangebracht waarvan de stand hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een dochterkompas door de roerganger bij de hoofdstuurinrichting kan worden afgelezen, behoeft het onder de subleden (1)(b) en (2)(b) bedoelde tweede magnetische kompas niet te zijn aangebracht, op voorwaarde dat de roerganger de beschikking heeft over een apparaat voor een geprojecteerde en gereflecteerde aflezing van het magnetisch standaardkompas, ten einde het vaartuig te kunnen sturen.
- (5). Voorzieningen moeten zijn getroffen ten einde dag en nacht kompaspeilingen te kunnen nemen.
- (6). Magnetische kompassen moeten naar behoren gecompenseerd zijn en een deviatietabel of -kromme moet aan boord van het vaartuig aanwezig zijn.
- (7). Wanneer een magnetisch kompas met elektrische overbrenging naar een dochterkompas is aangebracht, moet het ten genoegen van de Administratie zijn voorzien van een elektrische noodvoeding.
- (8). Verlichting en mogelijkheden om dit te dimmen moeten aanwezig zijn, ten einde het mogelijk te maken dat de kompasroos te allen tijde afgelezen kan worden. Indien de verlichting wordt gevoed door de hoofdvoeding van het vaartuig, moet tevens een noodverlichting zijn aangebracht.
- (9). Wanneer slechts één magnetisch kompas aan boord is opgesteld, moet een reserve kompasketel ter vervanging van het magnetisch kompas aan boord aanwezig zijn.
- (10). Ten genoegen van de Administratie moet een spreekbuis of ander deugdelijk communicatiemiddel zijn aangebracht, tussen de plaats waar het standaardkompas is opgesteld en de normale plaats van navigatie of, indien aangebracht, de plaats waar de noodstuurinrichting is opgesteld.
Voorschrift 149. Middelen voor dieptemeting
- (1). Vaartuigen waarvan de lengte 45 meter en meer bedraagt, moeten ten genoegen van de Administratie zijn voorzien van een echolood*)[Red: Zie de Aanbeveling inzake de verrichtingsnormen voor echoloodinstallaties, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.224(VII).].
- (2). Vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, moeten ten genoegen van de Administratie zijn voorzien van geschikte middelen voor het bepalen van de diepte van het water onder het vaartuig.
Voorschrift 150. Radarinstallatie
- (1). Vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten ten genoegen van de Administratie zijn voorzien van een raderinstallatie**)[Red: Zie de Aanbeveling inzake voor de navigatie bestemde radarinstallaties, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.222(VII).].
- (2). Wanneer vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt, zijn voorzien van een radarinstallatie, moet deze installatie ten genoegen van de Administratie zijn.
Voorschrift 151. Nautische instrumenten en publikaties
Geschikte nautische instrumenten, deugdelijke en volgens de laatste gegevens bijgewerkte kaarten, zeilaanwijzingen, lichtenlijsten, berichten aan zeevarenden, getijtafels en alle andere nautische publikaties die nodig zijn voor de voorgenomen reis, moeten ten genoegen van de Administratie aan boord aanwezig zijn.
Voorschrift 152. Uitrusting voor het geven van seinen
- (1). Een dagseinlamp waarvan de werking niet uitsluitend afhankelijk mag zijn van de elektrische hoofdkrachtbron, moet aan boord aanwezig zijn. De voeding moet in elk geval een draagbare batterij omvatten.
- (2). Vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, moeten een compleet stel vlaggen en wimpels aan boord hebben, ten einde met gebruikmaking van het geldende Internationaal Seinboek berichten te kunnen overbrengen.
- (3). Alle vaartuigen moeten het geldende Internationaal Seinboek aan boord hebben.
Voorschrift 153. Richtingzoekers
Vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moeten voorzien zijn van een radiorichtingzoeker die voldoet aan de eisen van Voorschrift 139*)[Red: Zie de Aanbeveling inzake de verrichtingsnormen voor radiorichtingzoeksystemen, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.223(VII).].
Voorschrift 154. Log
Vaartuigen waarvan de lengte 75 meter of meer bedraagt, moeten zijn uitgerust met een geschikt instrument voor het meten van de snelheid en de afgelegde weg door water.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments for that purpose, have signed the Convention.
DONE at Torremolinos this second day of April one thousand nine hundred and seventy-seven.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)