Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)

Type Verdrag
Publication 2025-04-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-20
State In force
Source BWB
artikelen 522
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie op door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.

2.

Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen en lijfrenten die door de Organisatie worden betaald aan voormalige personeelsleden van het Europees Octrooibureau.

Artikel 17

De Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden het bepaalde in artikel 14, geheel of gedeeltelijk, en in artikel 16 van toepassing is, alsmede op welke categorieën deskundigen het bepaalde in artikel 15 van toepassing is. De namen, titels en adressen van de personeelsleden en deskundigen van die categorieën worden op gezette tijden ter kennis gebracht van de Verdragsluitende Staten.

Artikel 18

Indien de Organisatie een eigen systeem voor sociale verzekering instelt, zijn de Organisatie en de personeelsleden van het Europees Octrooibureau vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan de nationale sociale verzekeringsorganen, met inachtneming van de overeenkomsten, die zij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, met de Verdragsluitende Staten sluit.

Artikel 19

1.

De in dit Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de personeelsleden van het Europees Octrooibureau of de deskundigen, die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaam zijn tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Organisatie onder alle omstandigheden, zomede de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie zij worden toegekend.

2.

De Voorzitter van het Europees Octrooibureau heeft de plicht de immuniteit op te heffen, indien hij van oordeel is dat deze immuniteit aan de loop van het recht in de weg staat, en indien het mogelijk is van deze immuniteit afstand te doen zonder de belangen van de Organisatie in gevaar te brengen. De Raad van Bestuur kan op dezelfde gronden een van de aan de Voorzitter toegekende immuniteiten opheffen.

Artikel 20

1.

De Organisatie werkt voortdurend samen met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten ter bevordering van een goede rechtsbedeling, ter verzekering van de naleving van politievoorschriften en van voorschriften met betrekking tot de volksgezondheid, de arbeidsinspectie, of andere soortgelijke nationale wetten, alsmede ter voorkoming van misbruik van de in dit Protocol bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

2.

De procedure te volgen bij de in het voorgaande lid genoemde samenwerking kan worden neergelegd in de in artikel 25 bedoelde aanvullende overeenkomsten.

Artikel 21

Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich het recht voor alle voorzorgen te treffen die nodig zijn in het belang van zijn veiligheid.

Artikel 22

Geen enkele Verdragsluitende Staat is verplicht de in de artikelen 12, 13, 14, letters b), e) en g), en 15, letter c), bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan:

  • a). zijn eigen onderdanen;
  • b). personen die bij de aanvang van hun werkzaamheden bij de Organisatie hun vaste woonplaats in die Staat hebben en die niet behoren tot het personeel van een andere intergouvernementele organisatie dat overgaat naar de Organisatie.

Artikel 23

1.

Elke Verdragsluitende Staat kan aan een internationaal scheidsgerecht elk geschil voorleggen waarbij de Organisatie, een personeelslid of een deskundige die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaamheden verricht betrokken is, voor zover de Organisatie, het personeelslid of de deskundige zich op een voorrecht of een immuniteit krachtens dit Protocol heeft beroepen, en deze immuniteit niet is opgeheven.

2.

Indien een Verdragsluitende Staat voornemens is een geschil ter arbitrage voor te leggen, doet hij daarvan mededeling aan de Voorzitter van de Raad van Bestuur, die iedere Verdragsluitende Staat terstond van deze mededeling in kennis stelt.

3.

De procedure neergelegd in het eerste lid is niet van toepassing op geschillen tussen de Organisatie en de personeelsleden of deskundigen met betrekking tot het ambtenarenreglement of de arbeidsvoorwaarden en is evenmin van toepassing op de personeelsleden met betrekking tot het pensioenreglement.

4.

Van een uitspraak van het scheidsgerecht, die definitief en bindend is voor partijen, is geen beroep toegelaten. Zo er onenigheid bestaat ten aanzien van de betekenis of draagwijdte van de uitspraak, is het scheidsgerecht verplicht deze, op verzoek van een der partijen, toe te lichten.

Artikel 24

1.

Het in artikel 23 bedoelde scheidsgerecht bestaat uit drie leden, te weten één scheidsman die wordt benoemd door de Staat of de Staten die partij zijn bij de arbitrage, één scheidsman die door de Raad van Bestuur wordt benoemd en een derde scheidsman, die als voorzitter optreedt en door de twee anderen wordt benoemd.

2.

Deze scheidsmannen worden gekozen uit een lijst van ten hoogste zes scheidsmannen die door elke Verdragsluitende Staat worden aangewezen en zes door de Raad van Bestuur aangewezen scheidsmannen. Deze lijst wordt zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit Protocol opgesteld en vervolgens telkens voor zover nodig aangevuld.

3.

Indien binnen drie maanden, te rekenen van de datum van de in artikel 23, tweede lid, bedoelde mededeling, een der partijen niet is overgegaan tot de benoeming bedoeld in het eerste lid, wordt, op verzoek van de andere partij, de scheidsman door de President van het Internationale Gerechtshof gekozen uit de personen die op genoemde lijst voorkomen. Dit gebeurt eveneens, zo een der partijen daarom verzoekt, indien binnen één maand na het tijdstip van benoeming van de tweede scheidsman, de eerste twee scheidsmannen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aanwijzing van de derde scheidsman. Indien evenwel in beide gevallen de Voorzitter van het Internationale Gerechtshof verhinderd is of indien hij onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil, worden de bovenbedoelde benoemingen gedaan door de onder-Voorzitter van het Internationale Hof, tenzij ook deze onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil; in dat geval dienen de benoemingen te geschieden door het lid van het Internationale Hof dat zelf geen onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil en die is gekozen door de Voorzitter of door de onder-Voorzitter. Een onderdaan van de verzoekende Staat mag niet worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de Raad van Bestuur moest worden benoemd, zomin als een op de lijst voorkomende en door de Raad van Bestuur aangewezen persoon mag worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de verzoekende Staat moest worden benoemd. Ook mag geen tot een dezer categorieën behorende persoon worden gekozen als voorzitter van het scheidsgerecht.

4.

Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.

Artikel 25

De Organisatie kan, bij besluit van de Raad van Bestuur, met een of meer Verdragsluitende Staten aanvullende overeenkomsten aangaan ten einde uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Protocol met betrekking tot die Staat of die Staten, alsmede andere regelingen treffen ter waarborging van een goede functionering van de Organisatie en ter beveiliging van haar belangen.

Artikel 1. Algemene beginselen

Artikel 69 mag niet worden uitgelegd als zou de beschermingsomvang van het Europees octrooi strikt worden bepaald door de letterlijke tekst van de conclusies en als zouden de beschrijving en de tekeningen slechts mogen dienen om de onduidelijkheden, die in de conclusies zouden kunnen voorkomen, op te heffen. Artikel 69 mag evenmin worden uitgelegd als zouden de conclusies alleen als richtlijn dienen en als zou de beschermingsomvang zich ook uitstrekken tot hetgeen de octrooihouder, naar het oordeel van de vakman die de beschrijving en de tekeningen bestudeert, heeft willen beschermen. De uitleg dient daarentegen tussen deze twee uitersten het midden te houden, waarbij zowel een billijke bescherming aan de octrooihouder als een redelijke mate van rechtszekerheid aan derden wordt geboden.

Artikel 2. Equivalenten

Bij het vaststellen van de beschermingsomvang van het Europees octrooi dient op passende wijze rekening te worden gehouden met elk element dat gelijkwaardig is aan een in de conclusies omschreven element.

IN WITNESS WHEREOF, the Plenipotentiaries authorised thereto, having presented their Full Powers, found to be in good and due form, have signed this Convention.

DONE at Munich this fifth day of October one thousand nine hundred and seventy-three

Regel 7a. Vermindering van taksen

1.

Indien een persoon bedoeld in artikel 14, vierde lid, een Europese octrooiaanvrage of een verzoek om onderzoek indient in een taal die volgens die bepaling is toegestaan, wordt de indieningstaks of de taks voor het onderzoek verminderd in overeenstemming met het Taksenreglement.

2.

De in het eerste lid bedoelde vermindering van taksen is beschikbaar voor:

  • a. micro-ondernemingen;
  • b. het midden- en kleinbedrijf;
  • c. natuurlijke personen;
  • d. non-profitorganisaties, universiteiten of publieke organisaties voor onderzoek.
3.

Wanneer een micro-onderneming, natuurlijke persoon, non-profitorganisatie, universiteit of publieke organisatie voor onderzoek een Europese octrooiaanvrage indient, of, ter zake van een internationale aanvrage, de in regel 159 bedoelde handelingen verricht, worden de volgende taksen verminderd in overeenstemming met het Taksenreglement:

  • a. indieningstaks;
  • b. taks voor een Europees of aanvullend Europees nieuwheidsonderzoek;
  • c. taks voor het onderzoek, en in aanvulling op de eerder betaalde taks voor het internationaal nieuwheidsonderzoek waar het Europees Octrooibureau is opgetreden als Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek;
  • d. aanwijzingstaks;
  • e. taks voor verlening;
  • f. jaartaksen voor de Europese octrooiaanvrage.
4.

De in het derde lid bedoelde vermindering van taksen is niet beschikbaar wanneer dezelfde persoon vijf of meer Europese octrooiaanvragen of Euro-PCT-aanvragen heeft ingediend in een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de

datum van indiening van de betreffende Europese octrooiaanvrage of

de datum waarop de betreffende Euro-PCT-aanvrage in de Europese fase kwam.

De relevante datum voor eerdere aanvragen is de datum van indiening in het geval van een Europese octrooiaanvrage of de datum waarop de Europese fase start in het geval van een Euro-PCT-aanvrage.

5.

Indien meerdere personen een Europese octrooiaanvrage of een Euro-PCT-aanvrage indienen, is de vermindering ingevolge het eerste of derde lid alleen beschikbaar indien elke aanvrager voldoet aan de toepasselijke criteria om in aanmerking te komen.

6.

Aan de criteria om in aanmerking te komen vervat in het eerste tot en met derde lid dient te zijn voldaan op de datum van betaling van de betreffende taks.

Regel 7b. Verklaring inzake het in aanmerking komen voor een vermindering van taksen

1.

Aanvragers die in aanmerking willen komen voor een vermindering van taksen uit hoofde van regel 7a, eerste lid, of regel 7a, derde lid, verklaren uiterlijk op het moment dat de eerste verminderde betaling wordt verricht, dat zij een persoon zijn in de zin van regel 7a, tweede of derde lid.

2.

Aanvragers stellen het Europees Octrooibureau in kennis van elke verandering van status die van invloed is op het in aanmerking komen voor een vermindering van taksen uiterlijk op het moment waarop de betreffende taks wordt betaald.

3.

In geval van gerede twijfel over de juistheid van de verklaring in de zin van het eerste lid of, vervolgens, over de vraag of de aanvrager in aanmerking komt voor een vermindering van taksen, kan het Europees Octrooibureau om bewijs verzoeken.

4.

Indien blijkt dat een onjuiste verklaring is ingediend of dat het Europees Octrooibureau niet overeenkomstig het tweede lid in kennis is gesteld van een wijziging van de status en een verminderde betaling is verricht, wordt de taks geacht niet te zijn betaald en wordt de aanvraag geacht te zijn ingetrokken.

HOOFDSTUK II. ORGANISATIE VAN HET EUROPEES OCTROOIBUREAU

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Regel 8. Classificatie van de octrooien

Het Europees Octrooibureau gebruikt de classificatie bedoeld in artikel 1 van de Overeenkomst van Straatsburg betreffende de internationale classificatie van octrooien van 24 maart 1971, hierna te noemen de internationale classificatie.

Regel 9. Bestuursstructuur van het Europees Octrooibureau

1.

Het Europees Octrooibureau wordt bestuurlijk in directoraten-generaal onderverdeeld, waaraan de in artikel 15, onderdelen a tot en met e, genoemde organen, alsmede de diensten voor de behandeling van juridische aangelegenheden en de interne administratie van het bureau worden toegewezen.

2.

Elk directoraat-generaal wordt geleid door een Vicepresident. De benoeming van een Vicepresident aan het hoofd van een directoraat-generaal wordt genomen door de Raad van Bestuur, nadat de President van het Europees Octrooibureau is geraadpleegd.

Regel 10. Bevoegdheid van de aanvraagafdeling en de onderzoeksafdeling

1.

De aanvraagafdeling is bevoegd tot het onderzoek van een Europese octrooiaanvrage bij indiening en tot het onderzoek op vormvereisten, tot het tijdstip waarop de onderzoeksafdeling bevoegd wordt tot het onderzoek van een Europese octrooiaanvrage ingevolge artikel 94, eerste lid.

2.

Onverminderd het derde en vierde lid is de onderzoeksafdeling vanaf het tijdstip waarop een verzoek om onderzoek is ingediend bevoegd tot het onderzoek van een Europese octrooiaanvrage ingevolge artikel 94, eerste lid.

3.

Indien een verzoek om onderzoek is ingediend voordat het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek aan de aanvrager is toegezonden, is de onderzoeksafdeling, onverminderd het vierde lid, bevoegd vanaf het tijdstip waarop het Europees Octrooibureau de verklaring ingevolge regel 70, tweede lid ontvangt.

4.

Indien een verzoek om onderzoek is ingediend voordat het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek aan de aanvrager is toegezonden en indien de aanvrager afstand heeft gedaan van het recht ingevolge regel 70, tweede lid, is de onderzoeksafdeling bevoegd vanaf het tijdstip waarop het verslag van het nieuwheidsonderzoek aan de aanvrager wordt toegezonden.

Regel 11. Taakverdeling over de organen in de eerste aanleg

1.

Technisch geschoolde onderzoekers die optreden als lid van de afdeling voor het nieuwheidsonderzoek, de onderzoeksafdeling of de oppositieafdeling worden toegewezen aan directoraten. De President van het Europees Octrooibureau verdeelt de taken over deze directoraten aan de hand van de internationale classificatie.

2.

De President van het Europees Octrooibureau kan aan de aanvraagafdeling, de afdeling voor het nieuwheidsonderzoek, de onderzoeksafdeling en de oppositieafdeling alsmede aan de juridische afdeling aanvullende taken toewijzen naast de hen ingevolge het Verdrag toegekende taken.

3.

De President van het Europees Octrooibureau kan bepaalde taken die op de afdelingen voor het nieuwheidsonderzoek, onderzoeksafdelingen of oppositieafdelingen rusten en die geen bijzondere technische of juridische moeilijkheden opleveren, toevertrouwen aan personeelsleden die geen technisch geschoolde of rechtsgeleerde onderzoeker zijn.

AFDELING 2. ORGANISATIE VAN DE KAMERS VAN BEROEP EN DE GROTE KAMER VAN BEROEP

Regel 13. Taakverdeling voor de Grote Kamer van beroep

Voorafgaand aan het begin van elk zittingsjaar wijzen de leden van de Grote Kamer van beroep, benoemd ingevolge artikel 11, derde lid, de gewone en de plaatsvervangende leden van de Grote Kamer van beroep aan voor procedures ingevolge artikel 22, eerste lid, onderdelen a en b, alsmede de gewone en plaatsvervangende leden voor procedures ingevolge artikel 22, eerste lid, onderdeel c. Beslissingen kunnen uitsluitend worden genomen indien ten minste vijf leden aanwezig zijn, onder wie de voorzitter van de Grote Kamer van beroep of diens plaatsvervanger; indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter of diens plaatsvervanger de doorslag. Onthouding geldt niet als stem.

DEEL II. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL II VAN HET VERDRAG

HOOFDSTUK I. PROCEDURE INDIEN DE AANVRAGER NIET-GERECHTIGD IS

Regel 14. Schorsing van de procedure

1.

Indien een derde bewijs overlegt dat hij een procedure heeft aangespannen tegen de aanvrager om een beslissing in de zin van artikel 61, eerste lid, te verkrijgen, wordt de verleningsprocedure geschorst, tenzij de derde het Europees Octrooibureau schriftelijk mededeelt dat hij instemt met de voortzetting van deze procedure. Deze instemming is onherroepelijk. De verleningsprocedure wordt evenwel niet geschorst voordat de Europese octrooiaanvrage is gepubliceerd.

2.

Indien het bewijs is geleverd dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen in de zin vanartikel 61, eerste lid, deelt het Europees Octrooibureau de aanvrager en eventuele andere partijen mede dat de verleningsprocedure zal worden hervat vanaf de in de mededeling vermelde datum, tenzij overeenkomstig artikel 61, eerste lid, onderdeel b, een nieuwe Europese octrooiaanvrage is ingediend voor alle aangewezen Verdragsluitende Staten. Indien de beslissing ten gunste van de derde is uitgesproken, mag de procedure niet eerder worden hervat dan drie maanden nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij de derde heeft verzocht om hervatting van de verleningsprocedure.

3.

Bij zijn beslissing tot schorsing van de procedure of daarna kan het Europees Octrooibureau een datum vaststellen waarop het de verleningsprocedure wil hervatten, ongeacht het stadium waarin de ingevolge het eerste lid ingestelde, nationale procedure zich bevindt. Het deelt deze datum mede aan de derde, de aanvrager en eventuele andere partijen. Indien voor deze datum geen bewijs is geleverd van een in kracht van gewijsde gegane beslissing, kan het Europees Octrooibureau de procedure hervatten.

4.

Schorsing van de procedure brengt met zich mee de schorsing van alle termijnen die lopen op de datum van schorsing, met uitzondering van de termijnen voor de betaling van jaartaksen. Het nog niet verstreken gedeelte van de termijn begint te lopen vanaf de datum waarop de procedure wordt hervat. De na de hervatting van de procedure resterende termijn dient evenwel ten minste twee maanden te bedragen.

Regel 15. Beperking van intrekkingen

Vanaf de dag waarop een derde het bewijs levert dat hij een nationale procedure heeft aangespannen ingevolge regel 14, eerste lid, tot de dag waarop de verleningsprocedure wordt hervat, kan noch de Europese octrooiaanvrage noch de aanwijzing van een Verdragsluitende Staat worden ingetrokken.

Regel 16. Procedure bedoeld in artikel 61, eerste lid

1.

Een persoon die recht heeft op de verlening van het Europees octrooi kan uitsluitend aanspraak maken op de rechtsmiddelen bedoeld in artikel 61, eerste lid, mits:

  • a. hij dit doet uiterlijk drie maanden nadat de beslissing tot erkenning van zijn recht in kracht van gewijsde is gegaan, en
  • b. het Europees octrooi nog niet is verleend.
2.

Deze rechtsmiddelen zijn uitsluitend van toepassing ter zake van de in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Verdragsluitende Staten waarin de beslissing is genomen of wordt erkend of dient te worden erkend op grond van het Protocol inzake erkenning.

Regel 17. Indiening van een nieuwe Europese octrooiaanvrage door de daartoe gerechtigde persoon

1.

Indien de persoon, aan wie bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing het recht op verlening van het Europees octrooi is toegewezen, een nieuwe Europese octrooiaanvrage indient overeenkomstig artikel 61, eerste lid, onderdeel b, wordt de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken op de dag van indiening van de nieuwe aanvrage met betrekking tot de daarin aangewezen Verdragsluitende Staten waarin de beslissing is genomen of wordt erkend of dient te worden erkend op grond van het Protocol inzake erkenning.

2.

De indieningstaks en de taks voor het nieuwheidsonderzoek dienen binnen een maand na de indiening van de nieuwe aanvrage te worden betaald. Indien de indieningstaks of de taks voor het nieuwheidsonderzoek niet tijdig wordt betaald, wordt de aanvrage geacht te zijn ingetrokken.

3.

De aanwijzingstaks dient binnen zes maanden na de datum waarop in het Europees Octrooiblad melding wordt gemaakt van de publicatie van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek ter zake van de nieuwe aanvrage, te worden betaald. Regel 39, tweede en derde lid, is van toepassing.

Regel 18. Gedeeltelijke overgang van het recht op het Europees octrooi

1.

Indien bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing het recht op verlening van het Europees octrooi slechts voor een gedeelte van het onderwerp waarop de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage betrekking heeft, is toegewezen aan een derde, zijn artikel 61 en de regels 16 en 17 op het desbetreffende gedeelte van toepassing.

2.

Indien noodzakelijk bevat de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage voor de aangewezen Verdragsluitende Staten waarin de beslissing is genomen of wordt erkend of op grond van het Protocol inzake erkenning dient te worden erkend, andere conclusies, beschrijving en tekeningen dan die voor de overige aangewezen Verdragsluitende Staten.

HOOFDSTUK II. VERMELDING VAN DE UITVINDER

Regel 19. Aanwijzing van de uitvinder

1.

In het verzoek om verlening van het Europees octrooi dient de uitvinder te worden aangewezen. Indien de aanvrager echter niet de uitvinder of niet de enige uitvinder is, dient de aanwijzing te geschieden in een afzonderlijk document. In de aanwijzing dienen de naam, de voornamen en het land en de woonplaats van de uitvinder, de in artikel 81 bedoelde verklaring en de handtekening van de aanvrager of van diens gemachtigde te zijn opgenomen.

2.

Het Europees Octrooibureau controleert niet de juistheid van de aanwijzing van de uitvinder.

Regel 20. Publicatie van de vermelding van de uitvinder

1.

De aangewezen uitvinder wordt in de gepubliceerde Europese octrooiaanvrage en in het Europees octrooischrift vermeld, tenzij hij het Europees Octrooibureau schriftelijk mededeelt dat hij afstand heeft gedaan van het recht als zodanig te worden vermeld.

2.

Indien een derde bij het Europees Octrooibureau een in kracht van gewijsde gegane beslissing indient op grond waarvan de aanvrager of de houder van het Europees octrooi verplicht is hem als uitvinder aan te wijzen, is het eerste lid van toepassing.

Regel 21. Rectificatie van de aanwijzing van de uitvinder

1.

Een onjuiste aanwijzing van de uitvinder kan slechts op verzoek en met de toestemming van de ten onrechte aangewezen persoon worden gerectificeerd en, indien het verzoek is ingediend door een derde, met de toestemming van de aanvrager of houder van het octrooi. Regel 19 is van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien een onjuiste aanwijzing van de uitvinder is ingeschreven in het Europees Octrooiregister of is gepubliceerd in het Europees Octrooiblad, wordt deze inschrijving of publicatie eveneens gerectificeerd of doorgehaald.

HOOFDSTUK III. INSCHRIJVING VAN OVERGANG, LICENTIES EN ANDERE RECHTEN

Regel 22. Inschrijving van overgang

1.

De overgang van een Europese octrooiaanvrage wordt op verzoek van een betrokken partij in het Europees Octrooiregister ingeschreven na overleggen van stukken waaruit deze overgang blijkt. Regel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de handtekening van de partijen bij de overeenkomst.

2.

Inschrijving van de overgang kan onderworpen zijn aan de betaling van een administratieve taks overeenkomstig de door de President van het Europees Octrooibureau vastgestelde voorwaarden. Wanneer een taks verschuldigd is, wordt het verzoek slechts geacht te zijn ingediend indien de administratieve taks is betaald. Het verzoek kan slechts worden afgewezen indien niet is voldaan aan het eerste lid.

3.

Een overgang werkt pas ten aanzien van het Europees Octrooibureau vanaf de datum waarop en voor zover de in het eerste lid bedoelde stukken zijn overgelegd.

Regel 23. Inschrijving van licenties en andere rechten

1.

Regel 22, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van de verlening of de overgang van een licentie, alsmede op de inschrijving van de vestiging of de overgang van een beperkt recht op een Europese octrooiaanvrage en van de gedwongen uitwinning van een dergelijke aanvrage.

2.

De inschrijvingen bedoeld in het eerste lid worden op verzoek doorgehaald, op basis van stukken waaruit blijkt dat het recht is vervallen of een schriftelijke verklaring waarbij de houder van het recht ermee instemt dat de inschrijving wordt doorgehaald. Regel 22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Regel 24. Bijzondere vermeldingen bij de inschrijving van een licentie

Een licentie op een Europese octrooiaanvrage wordt ingeschreven

  • a. als een exclusieve licentie indien de aanvrager en de licentiehouder daarom verzoeken;
  • b. als een onderlicentie indien deze wordt verleend door de houder van een licentie die in het Europees Octrooiregister is ingeschreven.

Regel 25. Tentoonstellingsbewijzen

De aanvrager dient binnen vier maanden na de indiening van de Europese octrooiaanvrage het in artikel 55, tweede lid, bedoelde bewijsstuk over te leggen:

  • a. dat tijdens de tentoonstelling is afgegeven door de autoriteit, verantwoordelijk voor de bescherming van de industriële eigendom op die tentoonstelling;
  • b. waaruit blijkt dat de uitvinding daar daadwerkelijk is tentoongesteld;
  • c. dat de datum vermeldt waarop de tentoonstelling is geopend en eventueel de datum waarop de uitvinding voor het eerst is geopenbaard indien dit na die datum heeft plaatsgevonden; en
  • d. vergezeld gaat van een omschrijving van de uitvinding die als authentiek is gewaarmerkt door bovengenoemde autoriteit.

HOOFDSTUK V. BIOTECHNOLOGISCHE UITVINDINGEN

Regel 26. Algemene bepalingen en begripsomschrijvingen

1.

Op Europese octrooiaanvragen en octrooien met betrekking tot biotechnologische uitvindingen worden de relevante bepalingen van het Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van dit hoofdstuk toegepast en uitgelegd. Richtlijn 98/44/EG van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen vormt een aanvullend middel voor uitleg.

2.

„Biotechnologische uitvindingen” zijn uitvindingen die betrekking hebben op een voortbrengsel dat uit biologisch materiaal bestaat of dit bevat, of op een werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen, bewerkt of gebruikt.

3.

Onder „biologisch materiaal” wordt verstaan elk materiaal dat genetische informatie bevat en zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden gerepliceerd.

4.

Onder „plantenras” wordt verstaan een plantengroep binnen een botanische taxon van de laagst bekende rang, welke groep, ongeacht de vraag of volledig wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een kwekersrecht kan worden:

  • a. gedefinieerd aan de hand van de expressie van de eigenschappen, die het resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen,
  • b. onderscheiden van elke andere plantengroep op grond van de expressie van ten minste een van de bovengenoemde eigenschappen, en
  • c. beschouwd als een eenheid, gezien zijn geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd.
5.

Een werkwijze voor de voortbrenging van planten of dieren is van wezenlijk biologische aard wanneer deze geheel bestaat uit natuurlijke verschijnselen zoals kruisingen of selecties.

6.

Onder „microbiologische werkwijze” wordt verstaan iedere werkwijze waarbij microbiologisch materiaal wordt gebruikt, die op microbiologisch materiaal ingrijpt of die microbiologisch materiaal als resultaat heeft.

Regel 27. Octrooieerbare biotechnologische uitvindingen

Biotechnologische uitvindingen zijn tevens octrooieerbaar indien zij betrekking hebben op:

  • a. biologisch materiaal welke met behulp van een technische werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt verkregen, ook wanneer het in de natuur reeds voorhanden is;
  • b. onverminderd regel 28, tweede lid, planten of dieren als de uitvoerbaarheid van die uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras;
  • c. een microbiologische of andere technische werkwijze of op een met behulp van deze werkwijzen verkregen voortbrengsel, niet zijnde een planten- of dierenras.

Regel 28. Uitzonderingen op de octrooieerbaarheid

1.

Ingevolge artikel 53, onderdeel a, worden ter zake van biotechnologische uitvindingen in het bijzonder geen octrooien verleend voor:

  • a. werkwijzen voor het klonen van mensen;
  • b. werkwijzen tot wijziging van de germinale genetische identiteit van de mens;
  • c. het gebruik van menselijke embryo’s voor industriële of commerciële doeleinden;
  • d. werkwijzen tot wijziging van de genetische identiteit van dieren die deze mogelijk doen lijden zonder aanzienlijk medisch nut voor mens of dier op te leveren, alsmede de dieren die uit dergelijke werkwijzen zijn verkregen.
2.

Ingevolge artikel 53, onderdeel b, worden Europese octrooien niet verleend voor uitsluitend door een wezenlijk biologische werkwijze verkregen planten of dieren.

Regel 29. Het menselijk lichaam en delen ervan

1.

Het menselijk lichaam in de verschillende stadia van zijn vorming en zijn ontwikkeling, alsmede de loutere ontdekking van een van de delen ervan, met inbegrip van een sequentie of partiële sequentie van een gen, zijn niet octrooieerbaar.

2.

Een deel van het menselijk lichaam dat werd geïsoleerd of dat anderszins door een technische werkwijze werd verkregen, met inbegrip van een sequentie of een partiële sequentie van een gen, is vatbaar voor octrooiering, zelfs indien de structuur van dat deel identiek is aan die van een natuurlijk deel.

3.

De industriële toepassing van een sequentie of een partiële sequentie van een gen dient concreet te worden vermeld in de octrooiaanvrage.

Regel 30. Vereisten aan Europese octrooiaanvragen met betrekking tot nucleotide- en aminozuursequenties

1.

Indien nucleotide- of aminozuursequenties worden geopenbaard in de Europese octrooiaanvrage, dient de beschrijving een sequentie-opsomming overeenkomstig de door de President van het Europees Octrooibureau voor de gestandaardiseerde weergave van nucleotide- en aminozuursequenties vastgestelde regels te omvatten.

2.

Sequentie-opsommingen die na de datum van indiening worden ingediend, maken geen deel uit van de beschrijving.

3.

Indien de aanvrager op de datum van indiening geen sequentie-opsomming heeft ingediend die voldoet aan de vereisten bedoeld in het eerste lid, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager deze sequentie-opsomming te verstrekken en de taks wegens te late verstrekking te betalen. Indien de aanvrager niet binnen twee maanden na dit verzoek de vereiste sequentie-opsomming verstrekt en de vereiste taks wegens te late verstrekking niet betaalt, wordt de aanvrage afgewezen.

Regel 31. Depot van biologisch materiaal

1.

Indien een uitvinding gepaard gaat met het gebruik van of betrekking heeft op biologisch materiaal dat niet openbaar toegankelijk is en in de Europese octrooiaanvrage niet zodanig kan worden beschreven dat de uitvinding aan de hand daarvan door de vakman kan worden toegepast, wordt de uitvinding uitsluitend als openbaar gemaakt beschouwd overeenkomstig artikel 83, indien:

  • b. de aanvrage zoals ingediend de van belang zijnde gegevens bevat ten aanzien van de eigenschappen van het biologisch materiaal waarover de aanvrager beschikt;
  • c. de depositaris en het toegangsnummer van het gedeponeerde biologische materiaal vermeld zijn in de aanvrage, en
  • d. indien het biologisch materiaal gedeponeerd is door een andere persoon dan de aanvrager, de naam en het adres van de bewaargever in de aanvrage zijn vermeld en een document is ingediend bij het Europees Octrooibureau, waaruit blijkt dat de bewaargever de aanvrager gemachtigd heeft om in de aanvrage te verwijzen naar het gedeponeerde biologische materiaal en onvoorwaardelijk en onherroepelijk heeft toegestemd dat het gedeponeerde materiaal overeenkomstig regel 33 openbaar toegankelijk wordt gemaakt.
2.

De in het eerste lid, onderdelen c en d, bedoelde gegevens kunnen worden overgelegd:

  • a. binnen zestien maanden na de datum van indiening van de aanvrage, of, indien een beroep op voorrang is gedaan, na de voorrangsdatum, waarbij deze termijn geacht wordt in acht te zijn genomen indien de gegevens zijn overgelegd voor de voltooiing van de technische voorbereidingen ten behoeve van publicatie van de Europese octrooiaanvrage;
  • c. binnen een maand nadat het Europees Octrooibureau de aanvrager heeft medegedeeld dat er recht is op inzage van het dossier ingevolge artikel 128, tweede lid. De termijn die als eerste afloopt is van toepassing. Door het verstrekken van deze gegevens wordt de aanvrager geacht onvoorwaardelijk en onherroepelijk te hebben toegestemd dat het gedeponeerde biologische materiaal overeenkomstig regel 33 openbaar toegankelijk wordt gemaakt.

Regel 32. Deskundigenoplossing

1.

Tot aan de voltooiing van de technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie van de Europese octrooiaanvrage kan de aanvrager het Europees Octrooibureau mededelen dat:

  • a. tot de publicatie van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi of, indien van toepassing,
  • b. gedurende twintig jaar vanaf de datum van indiening indien de aanvrage wordt afgewezen, ingetrokken of geacht wordt te zijn ingetrokken,

de in regel 33 bedoelde toegang slechts door de afgifte van een monster aan een door de verzoeker aangewezen onafhankelijke deskundige kan geschieden.

2.

Iedere natuurlijke persoon kan als deskundige worden aangewezen, op voorwaarde dat hij voldoet aan de door de President van het Europees Octrooibureau vastgestelde vereisten en verplichtingen.

De aanwijzing dient vergezeld te gaan van een verklaring van de deskundige dat hij zich ertoe verplicht te voldoen aan de voornoemde vereisten en verplichtingen en dat hem geen omstandigheden bekend zijn die zouden kunnen leiden tot gegronde twijfels over zijn onafhankelijkheid of die op enige andere wijze onverenigbaar zouden kunnen zijn met zijn functie als deskundige.

De aanwijzing dient tevens vergezeld te gaan van een verklaring van de deskundige jegens de aanvrager waarin hij zich verplicht tot het bepaalde in regel 33, tot de datum waarop het octrooi in alle aangewezen Staten is vervallen of, indien de aanvrage wordt afgewezen, ingetrokken of geacht wordt te zijn ingetrokken, tot de datum bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarbij de verzoeker als een derde wordt beschouwd.

Regel 33. Toegang tot biologisch materiaal

1.

Overeenkomstig regel 31 gedeponeerd biologisch materiaal is voor een ieder op verzoek toegankelijk vanaf de datum van publicatie van de Europese octrooiaanvrage en voor die datum voor een ieder die ingevolge artikel 128, tweede lid, recht heeft op inzage in het dossier. Onverminderd regel 32 geschiedt de toegang door afgifte van een monster van het gedeponeerde biologisch materiaal aan de verzoeker.

2.

Deze afgifte geschiedt uitsluitend indien de verzoeker zich jegens de aanvrager of houder van het octrooi heeft verplicht het biologisch materiaal of daarvan afgeleid biologisch materiaal niet ter beschikking van derden te stellen en het uitsluitend voor experimentele doeleinden te gebruiken, totdat de octrooiaanvrage is afgewezen, ingetrokken of geacht wordt te zijn ingetrokken of totdat het Europees octrooi in alle aangewezen staten is vervallen, tenzij de aanvrager of eigenaar van het octrooi uitdrukkelijk afstand doet van een dergelijke verplichting.

De verplichting het biologisch materiaal uitsluitend voor experimentele doeleinden te gebruiken is niet van toepassing indien de verzoeker het materiaal op grond van een dwanglicentie gebruikt. Onder dwanglicenties dienen ook ambtshalve verleende licenties en het recht tot toepassing van geoctrooieerde uitvindingen in het algemeen belang te worden verstaan.

3.

In het tweede lid wordt onder afgeleid biologisch materiaal elk materiaal verstaan dat nog de eigenschappen van het gedeponeerde materiaal bezit die essentieel zijn voor de toepassing van de uitvinding. De verplichting bedoeld in het tweede lid vormt geen beletsel voor het deponeren van afgeleid biologisch materiaal indien dat noodzakelijk is binnen een octrooiprocedure.

4.

Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt bij het Europees Octrooibureau ingediend met behulp van een door het bureau erkend formulier. Het Europees Octrooibureau verklaart op het formulier, dat een Europese octrooiaanvrage is ingediend waarin verwezen wordt naar het depot van het biologisch materiaal en dat de verzoeker of de ingevolge regel 32 door hem aangewezen deskundige recht heeft op de afgifte van een monster van dat materiaal. Na verlening van het Europees octrooi wordt het verzoek eveneens bij het Europees Octrooibureau ingediend.

5.

Het Europees Octrooibureau zendt een afschrift van het verzoek tezamen met de in het vierde lid genoemde verklaring aan de depositaris en aan de aanvrager of de houder van het octrooi.

6.

Het Europees Octrooibureau publiceert in het Publicatieblad de lijst van depositarissen die voor de toepassing van de regels 31, 33 en 34 zijn erkend.

Regel 34. Nieuw depot van biologisch materiaal

Indien biologisch materiaal dat is gedeponeerd overeenkomstig regel 31 ophoudt beschikbaar te zijn bij de depositaris, wordt de onderbreking van de toegang geacht niet te hebben plaatsgevonden indien een nieuw depot van dat materiaal bij een erkende depositaris onder dezelfde voorwaarden als neergelegd in het Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening van 28 april 1977 wordt verricht en een afschrift van het door deze instantie afgegeven ontvangstbewijs van depot binnen vier maanden na de datum van het nieuwe depot aan het Europees Octrooibureau is toegezonden onder vermelding van het nummer van de Europese octrooiaanvrage of van het Europees octrooi.

DEEL III. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL III VAN HET VERDRAG

HOOFDSTUK I. INDIENING VAN DE EUROPESE OCTROOIAANVRAGE

Regel 35. Algemene bepalingen

1.

Europese octrooiaanvragen kunnen schriftelijk worden ingediend bij het Europees Octrooibureau te München, Den Haag of Berlijn of bij de instanties bedoeld in artikel 75, eerste lid, onderdeel b.

2.

De instantie waar de Europese octrooiaanvrage is ingediend, zet de datum van ontvangst op de stukken van deze aanvrage en verstrekt de aanvrager onverwijld een ontvangstbewijs, waarop ten minste het aanvraagnummer, de aard en het aantal van de stukken en de datum van ontvangst van de stukken staan vermeld.

3.

Indien de Europese octrooiaanvrage is ingediend bij een instantie als bedoeld in artikel 75, eerste lid, onderdeel b, bericht deze het Europees Octrooibureau onverwijld de ontvangst van de aanvrage en in het bijzonder de aard en de datum van ontvangst van de stukken, het nummer van de aanvrage en in voorkomend geval iedere ingeroepen voorrangsdatum.

4.

Heeft het Europees Octrooibureau een Europese octrooiaanvrage ontvangen door tussenkomst van de centrale dienst voor de industriële eigendom van een Verdragsluitende Staat, dan doet het hiervan mededeling aan de aanvrager en vermeldt daarbij de datum van ontvangst van de aanvrage.

Regel 36. Afgesplitste Europese aanvragen

1.

De aanvrager kan een afgesplitste aanvrage met betrekking tot iedere aanhangige eerdere Europese octrooiaanvrage indienen.

2.

Een afgesplitste aanvrage wordt in de procestaal van de eerdere aanvrage ingediend. Indien de eerdere aanvrage niet in een officiële taal van het Europees Octrooibureau was gesteld, kan de afgesplitste aanvrage in de taal van de eerdere aanvrage worden ingediend; een vertaling in de procestaal van de eerdere aanvrage wordt vervolgens binnen twee maanden na de indiening van de afgesplitste aanvrage ingediend. De afgesplitste aanvrage wordt bij het Europees Octrooibureau te München, Den Haag of Berlijn ingediend.

3.

De indieningstaks en de taks voor het nieuwheidsonderzoek dienen binnen een maand na indiening van de afgesplitste aanvrage te worden betaald. Indien de indieningstaks of de taks voor het nieuwheidsonderzoek niet tijdig is betaald, wordt de aanvrage geacht te zijn ingetrokken.

4.

De aanwijzingstaks dient binnen zes maanden na de datum waarop in het Europees Octrooiblad melding wordt gemaakt van de publicatie van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek ter zake van de afgesplitste aanvrage, te worden betaald. Regel 39, tweede en derde lid, is van toepassing.

5.

Regel 39, lid 2a, is van toepassing.

Regel 37. Doorzending van Europese octrooiaanvragen

1.

De centrale dienst voor de industriële eigendom van een Verdragsluitende Staat zendt Europese octrooiaanvragen op zo kort mogelijke termijn als met zijn nationale recht met betrekking tot de geheimhouding van uitvindingen in het belang van de Staat verenigbaar is aan het Europees Octrooibureau door en neemt alle passende maatregelen teneinde te waarborgen dat zij worden doorgezonden binnen:

  • a. zes weken na indiening, indien direct duidelijk is dat op het onderwerp van de aanvrage volgens het nationale recht geen geheimhouding rust; of
  • b. vier maanden na indiening, of indien een beroep op voorrang is gedaan, veertien maanden na de voorrangsdatum, indien de aanvrage nader onderzoek vergt naar de noodzaak tot geheimhouding.
2.

Een Europese octrooiaanvrage die niet binnen veertien maanden na de indiening, of indien een beroep op voorrang is gedaan, na de voorrangsdatum, door het Europees Octrooibureau is ontvangen, wordt geacht te zijn ingetrokken. Voor deze aanvrage reeds betaalde taksen worden terugbetaald.

Regel 38. Indieningstaks en taks voor het nieuwheidsonderzoek

1.

De indieningstaks en de taks voor het nieuwheidsonderzoek dienen binnen een maand na de indiening van de Europese octrooiaanvrage te zijn betaald.

2.

Het Taksenreglement kan in een aanvullende taks als onderdeel van de indieningstaks voorzien, indien de aanvrage meer dan 35 pagina’s omvat.

3.

De aanvullende taks bedoeld in het tweede lid dient binnen een maand na de indiening van de Europese octrooiaanvrage of binnen een maand na de indiening van de eerste set conclusies of binnen een maand na de indiening van het gewaarmerkte afschrift bedoeld in regel 40, derde lid, al naargelang welke termijn het laatst verstrijkt, te worden betaald.

4.

Het Taksenreglement kan in een aanvullende taks als onderdeel van de indieningstaks voorzien, indien het een afgesplitste aanvrage betreft die is ingediend ter zake van een eerdere aanvrage die zelf een afgesplitste aanvrage is.

Regel 39. Aanwijzingstaksen en fictie van intrekking

1.

De aanwijzingstaks dient binnen zes maanden na de datum waarop in het Europees Octrooiblad melding wordt gemaakt van de publicatie van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek, te worden betaald.

2.

Indien de aanwijzingstaks niet tijdig is betaald of indien de aanwijzingen van alle Verdragsluitende Staten zijn ingetrokken, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken.

2a. Gelet op artikel 5 vicies, derde lid, van de gewijzigde Verordening (EU) Nr. 833/2014 wordt, wanneer de verzoeker of een van de verzoekers een Russisch onderdaan, een in Rusland verblijvende natuurlijke persoon of een in Rusland gevestigde rechtspersoon, entiteit of lichaam is, de aanwijzing van de Verdragsluitende Staten die lidstaten van de Europese Unie zijn, geacht te zijn ingetrokken. Deze bepaling is niet van toepassing op onderdanen van een Verdragsluitende Staat of op natuurlijke personen die in het bezit zijn van een permanente of tijdelijke verblijfsvergunning in een van de Verdragsluitende Staten.

3.

Onverminderd regel 37, tweede lid, tweede volzin, wordt de aanwijzingstaks niet terugbetaald.

Regel 40. Datum van indiening

1.

De datum van indiening van een Europese octrooiaanvrage is de datum waarop de aanvrager stukken heeft ingediend die het volgende bevatten:

  • a. een aanduiding dat om een Europees octrooi wordt verzocht;
  • b. gegevens die het mogelijk maken de identiteit van de aanvrager vast te stellen of met hem in contact te komen; en
  • c. een beschrijving of een verwijzing naar een eerder ingediende aanvrage.
2.

Bij een verwijzing naar een eerder ingediende aanvrage overeenkomstig het eerste lid, onderdeel c, dienen de datum van indiening, het nummer van die aanvrage en het bureau waar deze werd ingediend te worden vermeld. In deze verwijzing dient te worden aangegeven dat het de beschrijving en eventuele tekeningen vervangt.

3.

Indien de aanvrage een verwijzing overeenkomstig het tweede lid bevat, dient binnen twee maanden na de indiening van de aanvrage een gewaarmerkt afschrift van de eerder ingediende aanvrage te worden ingediend. Indien de eerder ingediende aanvrage niet gesteld is in een officiële taal van het Europees Octrooibureau, dient binnen dezelfde termijn een vertaling ervan in een van deze talen te worden ingediend. Regel 53, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK II. BEPALINGEN BETREFFENDE DE AANVRAGE

Regel 41. Verzoek om verlening

1.

Het verzoek om verlening van een Europees octrooi dient te worden ingediend op een door het Europees Octrooibureau vastgesteld formulier.

2.

Het verzoek dient te omvatten:

  • a. een verzoek om verlening van een Europees octrooi;
  • b. de titel van de uitvinding, die een duidelijke en beknopte technische aanduiding van de uitvinding geeft en geen fantasieaanduiding mag bevatten;
  • c). de naam, het adres en de nationaliteit van de aanvrager en de Staat waarin de woonplaats of de zetel van de aanvrager is gelegen. De namen van natuurlijke personen worden met de achternaam gevolgd door de voorna(a)m(en) van de persoon aangegeven. Rechtspersonen alsmede vennootschappen die ingevolge het op hen van toepassing zijnde recht zijn gelijkgesteld aan rechtspersonen, worden met hun officiële benamingen aangegeven. Adressen dienen te worden aangegeven volgens de gebruikelijke vereisten voor een snelle postbestelling op het aangegeven adres en dienen in ieder geval alle belangrijke administratieve gegevens te bevatten, tot en met het eventuele huisnummer. Aanbevolen wordt ook de telefoonnummers aan te geven;
  • d. de naam van de gemachtigde en het kantooradres van de gemachtigde overeenkomstig de voorschriften van onderdeel c, indien de aanvrager een gemachtigde heeft aangewezen;
  • e. in voorkomend geval de aanduiding dat de aanvrage een afgesplitste aanvrage betreft, alsmede het nummer van de eerdere Europese octrooiaanvrage;
  • g. indien een beroep wordt gedaan op de voorrang van een eerdere aanvrage, een daartoe strekkende verklaring, waarin de datum van die aanvrage en de Staat worden vermeld, waarin of waarvoor die eerdere aanvrage is ingediend;
  • h. de handtekening van de aanvrager of van zijn gemachtigde;
  • i. een lijst van de stukken die bij het verzoek zijn gevoegd. Op deze lijst dienen eveneens het aantal bladzijden van de beschrijving, van de conclusies, van de tekeningen en van het uittreksel die bij het verzoek zijn ingediend te worden aangegeven;
  • j. de aanwijzing van de uitvinder indien de aanvrager de uitvinder is.
3.

In geval van meerdere aanvragers dient het verzoek bij voorkeur de benoeming van een aanvrager of van een gemachtigde als gemeenschappelijk vertegenwoordiger te bevatten.

Regel 42. Inhoud van de beschrijving

1.

De beschrijving dient:

  • a. het technisch gebied aan te geven waarop de uitvinding betrekking heeft;
  • b. de bekende stand van de techniek aan te geven die, voor zover de aanvrager deze kent, als nuttig kan worden beschouwd voor het begrip van de uitvinding, voor het opstellen van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek en voor het onderzoek van de Europese octrooiaanvrage en bij voorkeur de literatuurplaatsen te vermelden waarin deze stand van de techniek staat beschreven;
  • c. de uitvinding, zoals aangeduid in de conclusies, uiteen te zetten in zodanige bewoordingen dat het technische probleem, ook indien dit als zodanig niet uitdrukkelijk is uiteengezet, en de oplossing ervan kunnen worden begrepen, en voorts de mogelijke voordelen van de uitvinding ten opzichte van de stand van de techniek;
  • d. de figuren in de eventuele tekeningen kort te beschrijven;
  • e. ten minste één gedetailleerde wijze aan te geven waarop de uitvinding waarvoor bescherming wordt gevraagd, kan worden uitgevoerd; dit wordt, waar dienstig, aan de hand van voorbeelden gedaan en onder verwijzing naar de eventuele tekeningen;
  • f. uitdrukkelijk de wijze aan te geven waarop de uitvinding industrieel toepasbaar is, wanneer zulks niet duidelijk uit de beschrijving of uit de aard van de uitvinding blijkt.
2.

De beschrijving wordt op de wijze en volgens de indeling als aangegeven in het eerste lid ingediend, tenzij in verband met de aard van de uitvinding een andere wijze of indeling zou leiden tot beter begrip of een beknoptere beschrijving.

Regel 43. Vorm en inhoud van de conclusies

1.

Het onderwerp van de aanvrage waarvoor bescherming wordt verlangd, dient in de conclusies door middel van de technische kenmerken van de uitvinding te worden omschreven. Waar aangewezen dienen de conclusies te omvatten:

  • a. een aanduiding van het onderwerp van de uitvinding en de technische kenmerken die noodzakelijk zijn voor de definiëring van het onderwerp van de uitvinding, die echter tezamen tot de stand van de techniek behoren;
  • b. een kenmerkend deel dat met de woorden „daardoor gekenmerkt” of „met het kenmerk dat” begint en de technische kenmerken benoemt waarvoor, tezamen met de onder onderdeel a genoemde kenmerken, bescherming wordt verlangd.
2.

Onverminderd artikel 82 kan een Europese octrooiaanvrage meer dan een onafhankelijke conclusie van dezelfde categorie (voortbrengsel, werkwijze, inrichting of gebruik) bevatten, uitsluitend indien het onderwerp van de aanvrage betrekking heeft op:

  • a. een veelvoud van met elkaar samenhangende voortbrengselen,
  • b. verschillende toepassingen van een voortbrengsel of inrichting,
  • c. alternatieve oplossingen voor een specifiek probleem, wanneer deze alternatieve oplossingen niet op een geschikte wijze kunnen worden gedekt door een enkele conclusie.
3.

Iedere conclusie met de wezenlijke kenmerken van een uitvinding kan door een of meer conclusies betreffende bijzondere uitvoeringsvormen van deze uitvinding worden gevolgd.

4.

Iedere conclusie die alle kenmerken van een andere conclusie omvat (afhankelijke conclusie) dient, indien mogelijk aan het begin, naar die andere conclusie te verwijzen en daarna de bijkomende kenmerken te vermelden. Een afhankelijke conclusie die direct verwijst naar andere afhankelijke conclusie is eveneens toegestaan. Alle afhankelijke conclusies die naar een of meerdere voorgaande conclusies terugverwijzen, dienen voor zover mogelijk en op de meest praktische wijze te worden gerangschikt.

5.

Het aantal conclusies dient redelijk te zijn, rekening houdend met de aard van de uitvinding waarvoor bescherming wordt gevraagd. De conclusies dienen doorlopend in Arabische cijfers te worden genummerd.

6.

De conclusies mogen voor de omschrijving van de technische kenmerken van de uitvinding geen verwijzingen naar de beschrijving of de tekeningen bevatten, tenzij dit absoluut noodzakelijk is. In het bijzonder mogen zij geen formuleringen bevatten zoals „zoals beschreven in deel … van de beschrijving” of „zoals afgebeeld in figuur … van de tekeningen”.

7.

Indien de Europese octrooiaanvrage tekeningen met verwijzingstekens bevat, dienen de in de conclusies vermelde technische kenmerken bij voorkeur door op deze kenmerken betrekking hebbende en tussen haakjes geplaatste verwijzingstekens te worden gevolgd, indien dit het begrip van de conclusie vergemakkelijkt. De verwijzingstekens mogen niet als een beperking van de conclusie worden uitgelegd.

Regel 44. Eenheid van uitvinding

1.

Indien in een Europese octrooiaanvrage voor een groep van uitvindingen octrooi wordt verlangd, is aan het in artikel 82 gestelde vereiste van eenheid van uitvinding slechts voldaan wanneer er tussen die uitvindingen een technische samenhang bestaat die in één of meer identieke of overeenkomstige bijzondere technische kenmerken tot uitdrukking komt. Onder het begrip „bijzondere technische kenmerken” worden die technische kenmerken verstaan die bepalend zijn voor de bijdrage die elk van de geclaimde uitvindingen, als geheel beschouwd, levert aan de stand van de techniek.

2.

Voor het bepalen of een groep van uitvindingen zodanig onderling is verbonden dat deze op een enkele algemene uitvindingsgedachte berusten, doet het niet ter zake of de uitvindingen zijn neergelegd in afzonderlijke conclusies dan wel als varianten in een enkele conclusie.

Regel 45. Conclusies waarvoor taksen betaald dienen te worden

1.

Indien een Europese octrooiaanvrage meer dan vijftien conclusies bevat, dient voor de zestiende en iedere daaropvolgende conclusie een conclusietaks zoals vervat in het Taksenreglement te worden betaald.

2.

De conclusietaksen dienen binnen een maand na indiening van de eerste set conclusies te worden betaald. Indien de conclusietaksen niet tijdig zijn voldaan, kunnen zij alsnog binnen een maand na een mededeling dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen worden betaald.

3.

Indien een conclusietaks niet tijdig is betaald, wordt de desbetreffende conclusie geacht te zijn ingetrokken.

Regel 46. Vorm van de tekeningen

Vervallen

Regel 47. Vorm en inhoud van het uittreksel

1.

Het uittreksel dient de titel van de uitvinding te bevatten.

2.

Het uittreksel dient een beknopte samenvatting te geven van hetgeen is geopenbaard in de beschrijving, de conclusies en de tekeningen. De samenvatting dient het technische gebied van de uitvinding aan te geven en te zijn opgesteld op een wijze die een duidelijk begrip mogelijk maakt van het technische probleem, de kern van de oplossing van dat probleem door middel van de uitvinding en de voornaamste toepassing of toepassingen van de uitvinding. Het uittreksel bevat eventueel de chemische formule die van de in de octrooiaanvrage opgenomen formules de uitvinding het beste karakteriseert. Het mag geen beweringen over vermeende voordelen of de vermeende waarde van de uitvinding of over de theoretische toepassingsmogelijkheden ervan bevatten.

3.

Het uittreksel dient bij voorkeur niet meer dan honderdvijftig woorden te bevatten.

4.

Indien de Europese octrooiaanvrage tekeningen bevat, dient de aanvrager aan te geven welke figuur, of, in uitzonderingsgevallen, welke figuren uit de tekeningen bij het uittreksel dienen te worden gepubliceerd. Het Europees Octrooibureau kan beslissen een of meerdere andere figuren te publiceren indien het van oordeel is dat daardoor de uitvinding beter wordt gekarakteriseerd. Ieder wezenlijk kenmerk, dat in het uittreksel vermeld wordt en in de tekening afgebeeld is, dient te worden gevolgd door een tussen haakjes geplaatst verwijzingsteken.

5.

Het uittreksel dient zo te zijn opgesteld, dat het een doeltreffend uitgangspunt voor het verrichten van onderzoek op het desbetreffende technische gebied vormt. Aan de hand daarvan dient met name te kunnen worden vastgesteld of het nodig is de Europese octrooiaanvrage zelf te raadplegen.

Regel 48. Verboden materie

1.

De Europese octrooiaanvrage mag niet bevatten:

  • a. uiteenzettingen of andere materie die in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden;
  • b. kleinerende opmerkingen over voortbrengselen of werkwijzen van derden of de waarde of de geldigheid van octrooiaanvragen of octrooien van derden. Het louter vergelijken met de stand van de techniek wordt op zichzelf niet als kleinerend beschouwd;
  • c. uiteenzettingen of andere materie die duidelijk niet ter zake doen of overbodig zijn.
2.

Wanneer een aanvrage verboden materie bevat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan het Europees Octrooibureau deze bij publicatie van de aanvrage weglaten en daarbij de plaats en het aantal weggelaten woorden of tekeningen aangeven.

3.

Indien de aanvrage uiteenzettingen bevat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het Europees Octrooibureau deze bij de publicatie van de aanvrage weglaten en daarbij de plaats en het aantal van de weggelaten woorden aangeven. Het Europees Octrooibureau verstrekt op verzoek een afschrift van de weggelaten passages.

Regel 49. Indiening van de stukken van de aanvrage

1.

Vertalingen ingediend ingevolge artikel 14, tweede lid, of regel 40, derde lid, worden als stukken van de Europese octrooiaanvrage beschouwd.

2.

De President van het Europees Octrooibureau bepaalt de vormvereisten voor indiening van stukken die tot de aanvrage behoren.

Regel 50. Naderhand ingediende documenten

1.

Regels 42, 43 en 47 tot en met 49 zijn op de documenten die in de plaats komen van de stukken van de Europese octrooiaanvrage van toepassing. Regel 49, tweede lid, is ook van toepassing op de in regel 71 bedoelde vertaling van de conclusies.

2.

De President van het Europees Octrooibureau bepaalt de vormvereisten voor indiening van alle andere stukken dan die tot de aanvrage behoren.

3.

Stukken die worden ingediend na de indiening van de aanvrage, dienen te zijn ondertekend, met uitzondering van de als bijlage toegevoegde stukken. Indien een stuk niet is ondertekend, verzoekt het Europees Octrooibureau de betrokkene dit alsnog te doen binnen een te stellen termijn. Indien het stuk tijdig wordt ondertekend, behoudt het de oorspronkelijke datum van ontvangst; in het andere geval wordt het stuk geacht niet te zijn ingediend.

Regel 51. Betaling van jaartaksen

1.

De jaartaks voor een Europese octrooiaanvrage dient telkens voor het komende jaar te worden betaald op de laatste dag van de maand die overeenkomt met de maand waarin de datum van indiening van de Europese octrooiaanvrage valt. De jaartaks voor het derde jaar kan niet eerder dan zes maanden voor de vervaldatum ervan rechtsgeldig worden betaald. Alle overige jaartaksen kunnen niet eerder dan drie maanden voor de vervaldatum ervan rechtsgeldig worden betaald.

2.

Indien de jaartaks niet ingevolge het eerste lid op de vervaldatum is betaald, kan de taks alsnog binnen zes maanden na deze datum worden voldaan, mits binnen diezelfde termijn tevens een toeslag wordt betaald. Het in artikel 86, eerste lid, vervatte rechtsgevolg treedt in na het verstrijken van de termijn van zes maanden.

3.

De jaartaksen die verschuldigd zijn voor een eerdere aanvrage tot aan de datum waarop een afgesplitste octrooiaanvrage wordt ingediend, dienen eveneens te worden betaald voor de afgesplitste aanvrage en zijn verschuldigd wanneer laatstgenoemde aanvrage wordt ingediend. Deze taksen en alle jaartaksen die vervallen binnen vier maanden na de indiening van de afgesplitste octrooiaanvrage kunnen zonder toeslag binnen die termijn worden betaald. Het tweede lid is van toepassing.

4.

Indien een Europese octrooiaanvrage is afgewezen of geacht wordt te zijn ingetrokken vanwege de overschrijding van een termijn, en indien de aanvrager overeenkomstig artikel 122 in zijn rechten is hersteld,

  • a. is een jaartaks, die ingevolge het eerste lid verschuldigd zou zijn geweest in het tijdvak vanaf de datum waarop het verlies van recht ontstond tot en met de datum van de kennisgeving van de beslissing tot herstel in de vorige toestand, op laatstgenoemde datum verschuldigd. Deze taks en een eventueel binnen vier maanden vanaf deze datum verschuldigde jaartaks kunnen alsnog binnen vier maanden na die datum worden voldaan zonder toeslag. Het tweede lid is van toepassing.
  • b. kan een jaartaks, die op de datum waarop het verlies van recht ontstond reeds verschuldigd was, maar de in het tweede lid voorziene termijn nog niet verstreken was, alsnog binnen zes maanden na de datum van de kennisgeving van de beslissing tot herstel in de vorige toestand worden voldaan, mits ook de toeslag bedoeld in het tweede lid binnen die termijn wordt voldaan.
5.

Indien de Grote Kamer van beroep krachtens artikel 112a, vijfde lid, tweede volzin, de procedure heropent bij de kamer van beroep

  • a. is een jaartaks die ingevolge het eerste lid in het tijdvak beginnend op de datum waarop de beslissing van de kamer van beroep naar aanleiding van het verzoek om herziening is genomen tot en met de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Grote Kamer van beroep tot heropening van de procedure voor de kamer van beroep verschuldigd zou zijn, pas op laatstgenoemde datum verschuldigd. Deze taks en een eventueel binnen vier maanden vanaf laatstgenoemde datum verschuldigde jaartaks kunnen binnen vier maanden na die laatstgenoemde datum alsnog zonder toeslag worden voldaan. Het tweede lid is van toepassing.
  • b. kan een jaartaks die op de datum van de beslissing van de kamer van beroep reeds verschuldigd was, maar de in het tweede lid voorziene termijn nog niet verstreken is, alsnog worden voldaan binnen zes maanden na de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Grote Kamer van beroep tot heropening van de procedure voor de kamer van beroep, mits ook de toeslag bedoeld in het tweede lid binnen die termijn wordt voldaan.
6.

De jaartaks voor een nieuwe Europese octrooiaanvrage, ingediend overeenkomstig artikel 61, eerste lid, onderdeel b, behoeft niet te worden betaald voor het jaar waarin die aanvrage is ingediend noch voor de voorafgaande jaren.

Regel 52. Verklaring van voorrang

1.

In de verklaring van voorrang, bedoeld in artikel 88, eerste lid, dienen de datum van de eerdere aanvrage, de Staat die partij is bij het Verdrag van Parijs of het lid van de Wereldhandelsorganisatie waarin of waarvoor die aanvrage is ingediend en het dossiernummer te worden vermeld. In het geval bedoeld in artikel 87, vijfde lid, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.

2.

De verklaring van voorrang wordt bij voorkeur tezamen met de Europese octrooiaanvrage ingediend. Zij kan nog binnen zestien maanden na de oudst ingeroepen voorrangsdatum worden ingediend.

3.

De aanvrager kan de verklaring van voorrang corrigeren binnen zestien maanden na de oudst ingeroepen voorrangsdatum of, indien de correctie zou leiden tot wijziging van de als oudst ingeroepen voorrangsdatum, binnen zestien maanden na de gecorrigeerde oudste voorrangsdatum, naar gelang van welke termijn van zestien maanden het eerst verstrijkt, mits deze correctie binnen vier maanden na de datum van indiening die aan de Europese octrooiaanvrage is toegekend wordt overgelegd.

4.

Na indiening van een verzoek krachtens artikel 93, eerste lid, onderdeel b, is indiening of correctie van een verklaring van voorrang niet meer mogelijk.

5.

De gegevens van de verklaring van voorrang worden in de gepubliceerde Europese octrooiaanvrage en in het Europees octrooischrift vermeld.

Regel 53. Voorrangsbewijzen

1.

Een aanvrager die op een recht van voorrang een beroep doet, dient binnen zestien maanden na de oudst ingeroepen voorrangsdatum een afschrift van de eerdere aanvrage in te dienen. Dit afschrift en de datum van indiening van de eerdere aanvrage dienen door de autoriteit waar die aanvrage was ingediend voor eensluidend te zijn gewaarmerkt.

2.

Het afschrift van de eerdere aanvrage wordt geacht correct te zijn ingediend, indien het Europees Octrooibureau beschikt over een afschrift van die aanvrage voor opname in het dossier van de Europese octrooiaanvrage onder de door de President van het Europees Octrooibureau vastgestelde voorwaarden.

3.

Indien de eerdere aanvrage niet in een officiële taal van het Europees Octrooibureau is gesteld en de geldigheid van het beroep op voorrang van belang is voor het vaststellen van de octrooieerbaarheid van de betreffende uitvinding, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager of de houder van het Europees octrooi binnen een te stellen termijn een vertaling van die aanvrage in een van de officiële talen in te dienen. In plaats van de vertaling kan een verklaring dat de Europese octrooiaanvrage een volledige vertaling is van de eerdere aanvrage worden overgelegd. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Indien de verzochte vertaling van een eerdere aanvrage niet op tijd wordt ingediend, vervalt het recht van voorrang voor de Europese octrooiaanvrage of voor het Europees octrooi ter zake van die aanvrage. De aanvrager of houder van het Europees octrooi wordt daarvan in kennis gesteld.

Regel 54. Afgifte van voorrangsbewijzen

Het Europees Octrooibureau verstrekt de aanvrager op verzoek een gewaarmerkt afschrift van de Europese octrooiaanvrage (voorrangsbewijs) onder door de President van het Europees Octrooibureau vast te stellen voorwaarden, met inbegrip van de vorm van het voorrangsbewijs en de gevallen waarin een administratieve taks dient te worden betaald.

DEEL IV. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL IV VAN HET VERDRAG

HOOFDSTUK I. ONDERZOEK DOOR DE AANVRAAGAFDELING

Regel 55. Onderzoek bij indiening

Indien bij het onderzoek bedoeld in artikel 90, eerste lid, blijkt dat de aanvrage niet voldoet aan de vereisten vervat in regel 40, eerste lid, onderdeel a of c, tweede lid of derde lid, eerste volzin, deelt het Europees Octrooibureau de gebreken mede aan de aanvrager en bericht hem dat, indien hij deze gebreken niet binnen twee maanden opheft, de aanvrage niet als Europese octrooiaanvrage zal worden behandeld. Indien de aanvrager tijdig de vastgestelde gebreken opheft, ontvangt hij een kennisgeving van de door het Bureau toegekende datum van indiening.

Regel 56. Ontbrekende delen van de beschrijving of ontbrekende tekeningen

1.

Indien bij het onderzoek bedoeld in artikel 90, eerste lid, blijkt dat delen van de beschrijving of tekeningen, waarnaar in de beschrijving of in de conclusies verwezen wordt, lijken te ontbreken, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager de ontbrekende delen binnen twee maanden in te dienen. De aanvrager kan zich niet beroepen op het niet versturen van een dergelijk verzoek.

2.

Indien ontbrekende delen van de beschrijving of ontbrekende tekeningen worden ingediend na de datum van indiening, maar binnen twee maanden na de datum van indiening, of indien een verzoek is gedaan ingevolge het eerste lid of ingevolge regel 56a, eerste lid, binnen twee maanden na dat verzoek, wordt de datum van indiening van de aanvrage gewijzigd in de datum waarop de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen zijn ingediend. Het Europees Octrooibureau stelt de aanvrager daarvan in kennis.

3.

Indien de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen binnen de termijn overeenkomstig het tweede lid zijn ingediend en de aanvrage de voorrang van een eerdere aanvrage inroept op de datum waarop aan de vereisten vervat in regel 40, eerste lid, is voldaan, blijft de datum van indiening de datum waarop aan de vereisten vervat in regel 40, eerste lid, is voldaan, mits de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen volledig zijn vervat in de eerdere aanvrage, wanneer de aanvrager binnen de termijn overeenkomstig het tweede lid daarom verzoekt en het volgende indient:

  • a. een afschrift van de eerdere aanvrage, tenzij het Europees Octrooibureau overeenkomstig regel 53, tweede lid, over een dergelijk afschrift beschikt;
  • b. indien de eerdere aanvrage niet in een officiële taal van het Europees Octrooibureau is gesteld, een vertaling daarvan in een van deze talen, tenzij het Europees Octrooibureau overeenkomstig regel 53, derde lid, over een dergelijk afschrift beschikt; en
  • c. een vermelding waar de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen volledig zijn opgenomen in de eerdere aanvrage en, indien van toepassing, in de vertaling ervan.
4.

Indien de aanvrager:

  • a. verzuimt de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen binnen de termijn overeenkomstig het eerste of tweede lid in te dienen, of

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)