Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)

Type Verdrag
Publication 2025-04-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-20
State In force
Source BWB
artikelen 522
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

De President van het Europees Octrooibureau kan de vorm en inhoud vaststellen van:

  • b. een algemene volmacht.
6.

Indien de vereiste volmacht niet tijdig wordt ingediend, worden de door de gemachtigde verrichte handelingen, met uitzondering van de indiening van een Europese octrooiaanvrage, geacht niet te hebben plaatsgevonden, onverminderd andere rechtsgevolgen voorzien in het Verdrag.

7.

Het tweede en vierde lid zijn van toepassing op de intrekking van een volmacht.

8.

Een gemachtigde wordt als gemachtigd beschouwd, zolang het Europees Octrooibureau niet op de hoogte is gesteld van de beëindiging van zijn volmacht.

9.

Tenzij in de volmacht uitdrukkelijk anders is bepaald, eindigt een volmacht ten opzichte van het Europees Octrooibureau niet bij het overlijden van de volmachtgever.

10.

Indien een partij meerdere gemachtigden aanwijst, kunnen deze zowel gemeenschappelijk als afzonderlijk optreden, ook wanneer anders is bepaald in de mededeling omtrent hun benoeming of in de volmacht.

11.

De volmacht van een samenwerkingsverband van gemachtigden wordt geacht een volmacht te zijn van elke gemachtigde die kan aantonen dat hij binnen dat samenwerkingsverband werkzaamheden verricht.

Regel 153. Bescherming van het beroepsgeheim

1.

Indien van een erkende gemachtigde in deze hoedanigheid advies is gevraagd, is alle communicatie tussen de erkende gemachtigde en diens cliënt of een derde, waarop artikel 2 van de disciplinaire voorschriften voor erkende gemachtigden van toepassing is, blijvend gevrijwaard van bekendmaking in procedures voor het Europees Octrooibureau, tenzij de cliënt daarvan uitdrukkelijk afstand heeft gedaan.

2.

Deze vrijwaring van bekendmaking is in het bijzonder van toepassing op elke mededeling die of elk stuk dat betrekking heeft op:

  • a. de beoordeling van de octrooieerbaarheid van een uitvinding;
  • b. de voorbereiding van of de procedure ter zake van een Europese octrooiaanvrage;
  • c. elk oordeel ter zake van de geldigheid van, reikwijdte van de bescherming van of inbreuk op een Europees octrooi of een Europese octrooiaanvrage.

Regel 154. Wijziging van de lijst van erkende gemachtigden

1.

De inschrijving van een erkende gemachtigde op de lijst van erkende gemachtigden wordt doorgehaald indien hij daarom verzoekt of indien hij, ondanks herhaalde aanmaningen, zijn jaarlijkse contributie aan het Instituut niet heeft betaald vóór het einde van september van het jaar waarvoor de contributie verschuldigd is.

2.

Onverminderd op grond van artikel 134a, eerste lid, onderdeel c, genomen disciplinaire maatregelen, kan de inschrijving van een erkende gemachtigde slechts ambtshalve worden doorgehaald:

  • a. in geval van overlijden of handelingsonbekwaamheid;
  • b. indien hij niet meer de nationaliteit van een Verdragsluitende Staat bezit, tenzij hem een ontheffing is verleend op grond van artikel 134, zevende lid, onderdeel a;
  • c. indien zijn kantoor of zijn plaats van zijn tewerkstelling zich niet meer op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Staten bevindt.
3.

Een ieder, wiens inschrijving op de lijst van erkende gemachtigden ingevolge artikel 134, tweede of derde lid, is doorgehaald, wordt op verzoek opnieuw ingeschreven op die lijst indien de redenen voor de doorhaling niet meer bestaan.

DEEL VIII. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL VIII VAN HET VERDRAG

Regel 155. Indiening en verzending van het verzoek tot omzetting

1.

Het verzoek tot omzetting bedoeld in artikel 135, eerste lid, onderdeel a of b, dient te worden ingediend binnen drie maanden na de intrekking van de Europese octrooiaanvrage of de mededeling dat de aanvrage geacht wordt te zijn ingetrokken of van de beslissing tot afwijzing van de aanvrage of herroeping van het Europees octrooi. De in artikel 66 bedoelde gevolgen van de Europese octrooiaanvrage vervallen indien het verzoek niet tijdig is ingediend.

2.

Bij de verzending van het verzoek tot omzetting aan de centrale diensten voor de industriële eigendom van de in het verzoek aangegeven Verdragsluitende Staten, voegt de desbetreffende centrale dienst of het Europees Octrooibureau een afschrift van het dossier ter zake van de Europese octrooiaanvrage of het Europees octrooi bij het verzoek.

3.

Artikel 135, vierde lid, is van toepassing indien het verzoek tot omzetting bedoeld in artikel 135, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, niet voor het verstrijken van een termijn van twintig maanden na de datum van indiening of, indien beroep is gedaan op een recht van voorrang, na de voorrangsdatum, wordt verzonden.

Regel 156. Informatie aan het publiek in geval van omzetting

1.

De stukken die overeenkomstig regel 155, tweede lid, zijn gevoegd bij het verzoek tot omzetting, worden door de centrale dienst voor de industriële eigendom beschikbaar gesteld aan het publiek onder dezelfde voorwaarden en binnen dezelfde grenzen als de stukken die betrekking hebben op de nationale procedure.

2.

Het octrooischrift van het nationale octrooi dat voortvloeit uit de omzetting van een Europese octrooiaanvrage dient melding te maken van deze aanvrage.

DEEL IX. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL X VAN HET VERDRAG

Regel 157. Het Europees Octrooibureau als ontvangend bureau

1.

Het Europees Octrooibureau is bevoegd op te treden als ontvangend bureau in de zin van het PCT, indien de aanvrager inwoner of onderdaan is van een Verdragsluitende Staat bij dit Verdrag en bij het PCT. Indien de aanvrager het Europees Octrooibureau kiest als ontvangend bureau, wordt de internationale aanvrage onverminderd het derde lid rechtstreeks bij het Europees Octrooibureau ingediend. Artikel 75, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien het Europees Octrooibureau als ontvangend bureau op grond van het PCT optreedt, wordt de internationale aanvrage in de Duitse, de Engelse of de Franse taal ingediend. De President van het Europees Octrooibureau kan bepalen dat van de internationale aanvrage en elk stuk dat daarmee verband houdt, meer dan een afschrift wordt ingediend.

3.

Indien een internationale aanvrage bij een autoriteit van een Verdragsluitende Staat wordt ingediend voor doorzending naar het Europees Octrooibureau als ontvangend bureau, ziet de Verdragsluitende Staat erop toe dat de aanvrage het Europees Octrooibureau uiterlijk twee weken voor het eind van de dertiende maand na de indiening, of indien een beroep op voorrang wordt gedaan, na de voorrangsdatum, bereikt.

4.

De taks voor verzending van de internationale aanvrage dient binnen een maand na de indiening van de aanvrage te worden betaald.

Regel 158. Het Europees Octrooibureau als Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of als Instantie voor Internationale Voorlopige Beoordeling

1.

In het geval van artikel 17, derde lid, onderdeel a, van het PCT dient voor elke verdere uitvinding waarvoor een internationaal nieuwheidsonderzoek wordt verricht een aanvullende taks voor het internationaal nieuwheidsonderzoek te worden betaald.

2.

In het geval van artikel 34, derde lid, onderdeel a, van het PCT dient voor elke verdere uitvinding waarvoor de internationale voorlopige beoordeling wordt verricht een aanvullende taks voor de internationale voorlopige beoordeling te worden betaald.

3.

Indien een aanvullende taks onder bezwaar is betaald, onderzoekt het Europees Octrooibureau het bezwaar in overeenstemming met regel 40, tweede lid, onderdelen c tot en met e, of regel 68, derde lid, onderdelen c tot en met e van het PCT, onder de voorwaarde dat de voorgeschreven taks voor het indienen van bezwaar wordt betaald. De nadere bijzonderheden met betrekking tot de procedure worden door de President van het Europees Octrooibureau bepaald.

Regel 159. Het Europees Octrooibureau als aangewezen of gekozen bureau – Vereisten voor ingaan van de Europese fase

1.

Ter zake van een internationale aanvrage ingevolge artikel 153 dient de aanvrager binnen eenendertig maanden na de datum van indiening van de aanvrage, of indien een beroep op voorrang is gedaan, vanaf de voorrangsdatum, het volgende te verrichten:

  • a. indien van toepassing, het verschaffen van de ingevolge artikel 153, vierde lid, vereiste vertaling van de internationale aanvrage;
  • b. aangeven op welke stukken de Europese verleningsprocedure dient te worden gebaseerd, de oorspronkelijk ingediende of de gewijzigde stukken;
  • d. betalen van de aanwijzingstaks, indien de termijn bedoeld in regel 39, eerste lid, eerder is verstreken;
  • e. betalen van de taks voor het nieuwheidsonderzoek, indien een aanvullend verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek dient te worden opgesteld;
2.

Tot het nemen van beslissingen namens het Europees Octrooibureau ingevolge artikel 25, tweede lid, onderdeel a, van het PCT zijn de onderzoeksafdelingen bevoegd.

Regel 160. Gevolgen van niet-naleving van bepaalde vereisten

1.

Indien de vertaling van de internationale aanvrage of het verzoek om onderzoek niet tijdig wordt ingediend, of indien de indieningstaks, de taks voor het nieuwheidsonderzoek of de aanwijzingstaks niet tijdig wordt betaald, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken.

2.

Indien het Europees Octrooibureau vaststelt dat de aanvrage geacht wordt te zijn ingetrokken ingevolge het eerste lid, deelt het dit mede aan de aanvrager. Regel 112, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Regel 161. Wijziging van de aanvrage

1.

Indien het Europees Octrooibureau is opgetreden als Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek en indien een verzoek uit hoofde van artikel 31 PCT is ingediend, tevens als Instantie voor Internationale Voorlopige Beoordeling voor een Euro-PCT-aanvrage, stelt het de aanvrager in de gelegenheid te reageren op de schriftelijke opinie van de Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of op het verslag van de internationale voorlopige beoordeling, en verzoekt hem, indien van toepassing, eventuele in de schriftelijke opinie of in het verslag van de internationale voorlopige beoordeling geconstateerde gebreken op te heffen en de beschrijving, conclusies en tekeningen binnen een termijn van een maand na de datum van de dienovereenkomstige mededeling te wijzigen. Indien het Europees Octrooibureau een verslag van een aanvullend internationaal nieuwheidsonderzoek heeft opgesteld, wordt een verzoek in overeenstemming met de eerste volzin gedaan ter zake van de toelichtingen verstrekt in overeenstemming met regel 45a, zevende lid, onderdeel e PCT. Indien de aanvrager geen gehoor geeft aan of niet reageert op een verzoek overeenkomstig de eerste of tweede volzin, wordt de aanvrage geacht te zijn ingetrokken.

2.

Indien het Europees Octrooibureau een aanvullend verslag van een Europees nieuwheidsonderzoek inzake een Euro-PCT-aanvrage opstelt, kan de aanvrage eenmaal binnen een termijn van een maand na de desbetreffende mededeling aan de aanvrager worden gewijzigd. De gewijzigde aanvrage dient als basis voor het aanvullend Europees nieuwheidsonderzoek.

Regel 162. Conclusies waarvoor taksen dienen te worden betaald

1.

Indien de stukken van de aanvrage waarop de Europese verleningsprocedure dient te worden gebaseerd meer dan vijftien conclusies bevatten, dient voor de zestiende en iedere daaropvolgende conclusie binnen de termijn bedoeld in regel 159, eerste lid, overeenkomstig het Taksenreglement een conclusietaks te worden betaald.

2.

Indien de conclusietaksen niet tijdig zijn voldaan, kunnen zij alsnog worden betaald binnen een maand na de mededeling dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen. Indien binnen deze termijn gewijzigde conclusies worden ingediend, worden de verschuldigde conclusietaksen berekend op basis van deze gewijzigde conclusies.

3.

Binnen de termijn bedoeld in het eerste lid betaalde conclusietaksen boven de overeenkomstig het tweede lid, tweede volzin, verschuldigde taksen worden terugbetaald.

4.

Indien een conclusietaks niet tijdig is betaald, wordt de desbetreffende conclusie geacht te zijn ingetrokken.

Regel 163. Onderzoek van bepaalde vormvereisten door het Europees Octrooibureau

1.

Indien de aanwijzing van de uitvinder ingevolge regel 19, eerste lid, niet binnen de termijn ingevolge regel 159, eerste lid, is geschied, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager de aanwijzing binnen twee maanden te verrichten.

2.

Indien een beroep op de voorrang van een eerdere aanvrage wordt gedaan en het dossiernummer van de eerdere aanvrage of een afschrift daarvan zoals voorzien in regel 52, eerste lid, en regel 53 binnen de termijn bedoeld in regel 159, eerste lid, niet is ingediend, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager dat nummer of afschrift binnen twee maanden te verstrekken. Regel 53, tweede lid, is van toepassing.

3.

Indien na het verstrijken van de termijn ingevolge regel 159, eerste lid, geen sequentie-opsomming die voldoet aan de normen voorzien in de Administratieve Instructies bij het PCT beschikbaar is voor het Europees Octrooibureau, wordt de aanvrager verzocht binnen twee maanden een sequentie-opsomming in te dienen die voldoet aan de regels vastgesteld door de President van het Europees Octrooibureau. Regel 30, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Indien na het verstrijken van de termijn ingevolge regel 159, eerste lid, het adres, de nationaliteit of de Staat waarin een aanvrager woont of zijn zetel heeft, ontbreekt, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager deze gegevens binnen twee maanden te verstrekken.

5.

Indien na het verstrijken van de termijn ingevolge regel 159, eerste lid, niet is voldaan aan de vereisten van artikel 133, tweede lid, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager binnen twee maanden een erkende gemachtigde te benoemen.

6.

Indien de in het eerste, vierde of vijfde lid geconstateerde gebreken niet tijdig zijn opgeheven, wordt de Europese octrooiaanvrage afgewezen. Indien het ingevolge het tweede lid geconstateerde gebrek niet tijdig wordt opgeheven, gaat het recht van voorrang voor de aanvrage verloren.

Regel 164. Onderzoek van eenheid door het Europees Octrooibureau

1.

Indien het Europees Octrooibureau van mening is dat de stukken van de aanvrage, die als basis voor het aanvullend Europees nieuwheidsonderzoek moeten dienen, niet voldoen aan de vereisten van eenheid van uitvinding, wordt een aanvullend verslag van het nieuwheidsonderzoek opgesteld voor die delen van de aanvrage die betrekking hebben op de uitvinding of de groep van uitvindingen in de zin van artikel 82, die als eerste in de conclusies wordt genoemd.

2.

Indien de onderzoeksafdeling vaststelt dat de stukken van de aanvrage, die als basis voor de procedure voor het verlenen van het Europese octrooi moeten dienen, niet voldoen aan de vereisten van eenheid van uitvinding of indien bescherming wordt gevraagd voor een uitvinding waarop het verslag van het internationaal nieuwheidsonderzoek of, naargelang van het geval, het verslag van het aanvullend internationale nieuwheidsonderzoek of het aanvullend verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek geen betrekking heeft, wordt de aanvrager verzocht de aanvrage te beperken tot een uitvinding waarop het verslag van het internationaal nieuwheidsonderzoek, het verslag van het aanvullend internationaal nieuwheidsonderzoek of het aanvullend verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek betrekking heeft.

Regel 165. De Euro-PCT-aanvrage als colliderende aanvrage in de zin van artikel 54, derde lid

Een Euro-PCT-aanvrage wordt geacht tot de stand van de techniek in de zin van artikel 54, derde lid, te behoren, indien voldaan is aan de voorwaarden vervat in artikel 153, derde of vierde lid, en de indieningstaks ingevolge regel 159, eerste lid, onderdeel c, is betaald.

AFDELING I. BEVOEGDHEID

Artikel 1

(1). Voor rechtsvorderingen, die zijn ingesteld tegen de aanvrager van een Europees octrooi en zijn gericht op het doen gelden van de aanspraak op verlening van het Europees octrooi voor een of meer in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Verdragsluitende Staten, wordt de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staten bepaald overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6.

(2). In de zin van dit Protocol worden met de rechterlijke instanties gelijkgesteld de autoriteiten die volgens het nationale recht van een Verdragsluitende Staat bevoegd zijn te beslissen over rechtsvorderingen als in het eerste lid bedoeld. De Verdragsluitende Staten delen het Europees Octrooibureau mede aan welke autoriteiten een dergelijke bevoegdheid is verleend; het Europees Octrooibureau doet hiervan mededeling aan de andere Verdragsluitende Staten.

(3). In de zin van dit Protocol wordt onder de Verdragsluitende Staten verstaan de Staten die Partij zijn bij het Verdrag en die de toepassing van dit Protocol niet hebben uitgesloten op grond van artikel 167 van het Verdrag.

Artikel 2

Behoudens het bepaalde in de artikelen 4 en 5, wordt een rechtsvordering tegen de aanvrager van een Europees octrooi, die zijn woonplaats of zetel heeft in een van de Verdragsluitende Staten, ingesteld door de rechterlijke instanties van bedoelde Verdragsluitende Staat.

Artikel 3

Behoudens het bepaalde in de artikelen 4 en 5 zijn, indien de aanvrager van een Europees octrooi noch zijn woonplaats noch zijn zetel in een van de Verdragsluitende Staten heeft en indien de persoon die de aanspraak op verlening van het Europees octrooi doet gelden zijn woonplaats of zetel wel in een van de Verdragsluitende Staten heeft, alleen de rechterlijke instanties van laatstbedoelde Staat bevoegd.

Artikel 4

Indien de Europese octrooiaanvrage een uitvinding van een werknemer betreft, zijn voor rechtsvorderingen, waar de werkgever en de werknemer tegenover elkaar staan, behoudens het bepaalde in artikel 5, alleen de rechterlijke instanties van die Verdragsluitende Staat bevoegd, volgens het recht waarvan het recht op het Europees octrooi wordt bepaald overeenkomstig artikel 60, eerste lid, tweede volzin, van het Verdrag.

Artikel 5

(1). Indien de partijen bij een geschil omtrent de aanspraak op verlening van het Europees octrooi, door middel van een schriftelijke overeenkomst of van een mondelinge overeenkomst die schriftelijk is bevestigd een rechterlijke instantie of de rechterlijke instanties van een bepaalde Verdragsluitende Staat hebben aangewezen om inzake dit geschil een beslissing te nemen, is alleen deze rechterlijke instantie of zijn alleen deze rechterlijke instanties van die Staat bevoegd.

(2). Indien de partijen een werknemer en zijn werkgever betreffen, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke nationale recht een dergelijke overeenkomst toestaat.

Artikel 6

Voor de gevallen waarin de artikelen 2 tot en met 4 en artikel 5, eerste lid, niet van toepassing zijn, zijn alleen de rechterlijke instanties van de Duitse Bondsrepubliek bevoegd.

Artikel 7

De rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staten, waarvoor rechtsvorderingen als bedoeld in artikel 1 aanhangig worden gemaakt, toetsen ambtshalve of zij bevoegd zijn overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6.

Artikel 8

(1). Wanneer voor rechterlijke instanties van verschillende Verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, moet de rechterlijke instantie waarbij de zaak later is aangebracht, zelfs ambtshalve, de partijen verwijzen naar de rechterlijke instantie, waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.

(2). De rechterlijke instantie, die tot verwijzing zou moeten overgaan op grond van het eerste lid, houdt haar uitspraak aan tot de beslissing van de rechterlijke instantie, waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, in kracht van gewijsde is gegaan, indien de bevoegdheid van laatstbedoelde instantie wordt betwist.

AFDELING I. BEVOEGDHEID

Artikel 9

(1). Behoudens het bepaalde in artikel 11, tweede lid, worden de in kracht van gewijsde gegane beslissingen, die zijn gegeven in een Verdragsluitende Staat ten aanzien van de aanspraak op verlening van het Europees octrooi voor een of meer in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Staten in de overige Verdragsluitende Staten erkend zonder vorm van proces.

(2). De bevoegdheid van de rechterlijke instantie waarvan de beslissing moet worden erkend en de rechtsgeldigheid van die beslissing mag niet worden aangevochten.

Artikel 10

Artikel 9, eerste lid, is niet van toepassing indien:

  • a). de aanvrager van een Europees octrooi, die voor een rechterlijke instantie is gedaagd en niet is verschenen, bewijst dat het stuk dat het geding inleidt hem niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, is betekend, of
  • b). de aanvrager van een Europees octrooi bewijst dat de beslissing onverenigbaar is met een andere beslissing, genomen ten aanzien van een tussen dezelfde partijen in een Verdragsluitende Staat aanhangig gemaakte rechtsvordering, die eerder is ingesteld dan de rechtsvordering ten aanzien waarvan de beslissing, waarvoor erkenning wordt gevraagd, werd genomen.

Artikel 11

(1). In de betrekkingen tussen de Verdragsluitende Staten hebben de bepalingen van dit Protocol voorrang boven de daarmede in strijd zijnde bepalingen van andere overeenkomsten betreffende de rechterlijke bevoegdheid of de erkenning van de beslissingen.

(2). Dit Protocol verhindert niet de toepassing van enige andere regeling tussen een Verdragsluitende Staat en een Staat die niet is gebonden door dit Protocol.

Artikel 1

1.

De kantoorruimten van de Organisatie zijn onschendbaar.

2.

De autoriteiten van de Staten op het grondgebied waarvan de Organisatie haar kantoorruimten heeft, kunnen deze ruimten slechts betreden met toestemming van de Voorzitter van het Europees Octrooibureau. Deze toestemming wordt geacht te zijn verkregen bij brand of bij enig ander ongeval waarbij onmiddellijk maatregelen ter bescherming dienen te worden genomen.

3.

Het betekenen ten kantore van de Organisatie van processtukken welke betrekking hebben op een tegen de Organisatie gerichte rechtsvordering, vormt geen inbreuk op de onschendbaarheid.

Artikel 2

Het archief van de Organisatie alsmede de documenten die haar toebehoren of die zij onder zich houdt, zijn onschendbaar.

Artikel 3

1.

In het kader van haar officiële werkzaamheden, geniet de Organisatie immuniteit van rechtsmacht en van executie behoudens:

  • a). voor zover de Organisatie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van deze immuniteit;
  • b). met betrekking tot een door derden ingediende civiele rechtsvordering ter zake van schade, die voortvloeit uit een ongeval dat is veroorzaakt door een aan de Organisatie toebehorend of namens haar gebruikt motorvoertuig, of met betrekking tot een verkeersovertreding waarbij een zodanig voertuig is betrokken;
  • c). met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een ingevolge artikel 23 gedane scheidsrechterlijke uitspraak.
2.

Eigendommen en activa van de Organisatie, ongeacht waar deze zich bevinden, zijn vrij van vordering, inbeslagneming, onteigening en beslaglegging.

3.

Eigendommen en activa van de Organisatie zijn eveneens vrij van elke vorm van administratieve of voorlopige gerechtelijke dwang, behalve voor zover deze tijdelijk geboden zou zijn in verband met het voorkomen van ongevallen waarbij motorvoertuigen zijn betrokken, die toebehoren aan de Organisatie of namens deze worden gebruikt, en het instellen van een onderzoek naar de toedracht van die ongevallen.

4.

In de zin van dit Protocol wordt onder officiële werkzaamheden van de Organisatie die werkzaamheden verstaan welke strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering van haar taken zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag.

Artikel 4

1.

Binnen het raam van haar officiële werkzaamheden zijn de Organisatie, haar bezittingen en haar inkomsten vrijgesteld van alle directe belastingen.

2.

Wanneer de Organisatie voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden belangrijke aankopen doet in de prijs waarvan belastingen of rechten zijn begrepen, worden door de Verdragsluitende Staten zo mogelijk passende maatregelen genomen om het met deze belastingen of rechten gemoeide bedrag terug te betalen of de Organisatie van de verplichting tot betaling daarvan te ontheffen.

3.

Geen vrijstelling wordt verleend ten aanzien van belastingen en rechten, die in feite niet anders zijn dan een vergoeding voor openbare diensten verleend door openbare nutsbedrijven.

Artikel 5

Goederen die door de Organisatie worden ingevoerd of uitgevoerd voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden, zijn vrijgesteld van alle in- en uitvoerrechten en andere heffingen, andere dan rechten of heffingen die betrekking hebben op verleende diensten, alsmede van alle in- en uitvoerverboden en -beperkingen.

Artikel 6

Geen vrijstelling op grond van de artikelen 4 en 5 wordt verleend ten aanzien van goederen die worden aangekocht en ingevoerd ten gerieve van de personeelsleden van het Europees Octrooibureau persoonlijk.

Artikel 7

1.

Aan de Organisatie toebehorende goederen die zijn verworven of ingevoerd overeenkomstig artikel 4 of 5, mogen uitsluitend worden verkocht of weggegeven overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de Verdragsluitende Staten die de vrijstellingen hebben verleend.

2.

De overdracht van goederen en het verlenen van diensten tussen de verschillende gebouwen van de Organisatie zijn vrij van alle heffingen of beperkingen; in voorkomende gevallen nemen de Verdragsluitende Staten alle passende maatregelen om het met deze heffingen gemoeide bedrag terug te betalen of de betrokkenen van de verplichting tot betaling daarvan te ontheffen, of om deze beperkingen op te heffen.

Artikel 8

De doorzending van geschriften en ander voorlichtingsmateriaal dat door of aan de Organisatie wordt verzonden, wordt op geen enkele wijze beperkt.

Artikel 9

De Verdragsluitende Staten verlenen de Organisatie de voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden benodigde vrijstellingen op het gebied van het deviezenverkeer.

Artikel 10

1.

Met betrekking tot officiële berichtgeving en het overbrengen van al haar documenten geniet de Organisatie in elke Verdragsluitende Staat de meest gunstige behandeling, die deze Staat elke andere internationale organisatie doet genieten.

2.

Er wordt geen censuur uitgeoefend op de officiële berichtgeving van de Organisatie, ongeacht de middelen waarmee bedoelde berichtgeving geschiedt.

Artikel 11

De Lid-Staten nemen alle gepaste maatregelen waardoor het binnenkomen, het verblijf en het vertrek van alle personeelsleden van het Europees Octrooibureau wordt vergemakkelijkt.

Artikel 12

1.

De vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten, hun plaatsvervangers, hun adviseurs of deskundigen genieten, bij de vergaderingen van de Raad van Bestuur of ieder orgaan dat door deze Raad is ingesteld alsmede op hun reizen naar de plaats van samenkomst en terug, de volgende voorrechten en immuniteiten:

  • a). immuniteit van arrestatie en gevangenhouding, alsmede van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage, behalve wanneer zij op heterdaad betrapt worden;
  • b). vrijstelling van rechtsvervolging, ook na beëindiging van hun missie, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze vrijstelling geldt evenwel niet in geval van een door een van de hierboven bedoelde personen begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem werd bestuurd;
  • c). onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
  • d). het recht codes te gebruiken en documenten of correspondentie te ontvangen per speciale koerier of in een verzegelde tas;
  • e). vrijstelling voor henzelf en hun echtgenoten van alle maatregelen die de binnenkomst van vreemdelingen beperken alsmede van de aan de registratie van vreemdelingen verbonden formaliteiten;
  • f). dezelfde faciliteiten ter zake van valuta- en deviezenbepalingen als die welke worden verleend aan de vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen die met een tijdelijke officiële missie zijn belast.
2.

Voorrechten en immuniteiten worden aan de in het eerste lid bedoelde personen niet verleend in hun persoonlijk belang, doch met het doel hun volledige onafhankelijkheid te waarborgen bij de uitoefening van hun functie in verband met de Organisatie. Derhalve heeft een Verdragsluitende Staat de plicht de immuniteit op te heffen telkens wanneer, naar het oordeel van die Staat, de immuniteit aan de loop van het recht in de weg zou staan, en er afstand van kan worden gedaan, zonder de doeleinden waarvoor zij was toegekend, in gevaar te brengen.

Artikel 13

1.

Behoudens artikel 6 geniet de Voorzitter van het Europees Octrooibureau de voorrechten en immuniteiten die zijn toegekend aan diplomatieke functionarissen krachtens het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961.

2.

De vrijstelling van rechtsvordering geldt echter niet in geval van een door de Voorzitter van het Europees Octrooibureau begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem werd bestuurd.

Artikel 14

De personeelsleden van de Organisatie

  • a). genieten, ook nadat zij hun functies beëindigd hebben, vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze immuniteit geldt evenwel niet in geval van een verkeersovertreding begaan door een personeelslid van de Organisatie, noch in geval van schade die is veroorzaakt door een motorvoertuig dat toebehoort aan of bestuurd werd door een personeelslid;
  • b). zijn vrijgesteld van alle verplichtingen met betrekking tot de militaire dienst;
  • c). genieten onschendbaarheid met betrekking tot al hun officiële papieren en documenten;
  • d). genieten, evenals hun inwonende gezinsleden, dezelfde faciliteiten ten aanzien van vrijstelling van alle maatregelen die de immigratie beperken en de inschrijving van vreemdelingen regelen, als die welke in het algemeen worden toegekend aan personeelsleden van internationale organisaties;
  • e). genieten dezelfde voorrechten met betrekking tot deviezenregelingen als die welke in het algemeen worden toegekend aan de personeelsleden van internationale organisaties;
  • f). genieten bij een internationale crisis, wat terugkeer naar hun vaderland betreft, dezelfde faciliteiten als die welke diplomatieke vertegenwoordigers worden toegekend; hun inwonende gezinsleden genieten dezelfde faciliteiten;
  • g). hebben het recht, wanneer zij voor de eerste maal hun werkzaamheden in de betrokken Staat aanvangen, hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten in te voeren, en hebben, wanneer zij hun functie in die Staat beëindigen, het recht hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten uit te voeren, met inachtneming van de voorwaarden die de Regering van de Staat op het grondgebied waarvan dit recht wordt uitgeoefend noodzakelijk acht en met uitzondering van de goederen welke in die Staat zijn aangeschaft en waarvoor aldaar een uitvoerverbod bestaat.

Artikel 15

Deskundigen genieten tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden voor de Organisatie of tijdens het uitvoeren van missies voor de Organisatie, alsook tijdens reizen die zij in verband daarmee maken, de volgende voorrechten en immuniteiten, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functie:

  • a). vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot door hen tijdens de uitoefening van hun functie verrichte handelingen, waaronder begrepen geschreven of gesproken woorden, behoudens in geval van een door een deskundige begane verkeersovertreding, of in geval van schade veroorzaakt door een hem toebehorend of door hem bestuurd motorvoertuig; ook na beëindiging van hun functie bij de Organisatie genieten de deskundigen deze immuniteit;
  • b). onschendbaarheid ten aanzien van al hun officiële papieren en documenten;
  • c). deviezenfaciliteiten die nodig zijn voor het overmaken van hun vergoedingen.

Artikel 16

1.

Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie op door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.

2.

Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen en lijfrenten die door de Organisatie worden betaald aan voormalige personeelsleden van het Europees Octrooibureau.

Artikel 17

De Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden het bepaalde in artikel 14, geheel of gedeeltelijk, en in artikel 16 van toepassing is, alsmede op welke categorieën deskundigen het bepaalde in artikel 15 van toepassing is. De namen, titels en adressen van de personeelsleden en deskundigen van die categorieën worden op gezette tijden ter kennis gebracht van de Verdragsluitende Staten.

Artikel 18

Indien de Organisatie een eigen systeem voor sociale verzekering instelt, zijn de Organisatie en de personeelsleden van het Europees Octrooibureau vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan de nationale sociale verzekeringsorganen, met inachtneming van de overeenkomsten, die zij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, met de Verdragsluitende Staten sluit.

Artikel 19

1.

De in dit Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de personeelsleden van het Europees Octrooibureau of de deskundigen, die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaam zijn tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Organisatie onder alle omstandigheden, zomede de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie zij worden toegekend.

2.

De Voorzitter van het Europees Octrooibureau heeft de plicht de immuniteit op te heffen, indien hij van oordeel is dat deze immuniteit aan de loop van het recht in de weg staat, en indien het mogelijk is van deze immuniteit afstand te doen zonder de belangen van de Organisatie in gevaar te brengen. De Raad van Bestuur kan op dezelfde gronden een van de aan de Voorzitter toegekende immuniteiten opheffen.

Artikel 20

1.

De Organisatie werkt voortdurend samen met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten ter bevordering van een goede rechtsbedeling, ter verzekering van de naleving van politievoorschriften en van voorschriften met betrekking tot de volksgezondheid, de arbeidsinspectie, of andere soortgelijke nationale wetten, alsmede ter voorkoming van misbruik van de in dit Protocol bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

2.

De procedure te volgen bij de in het voorgaande lid genoemde samenwerking kan worden neergelegd in de in artikel 25 bedoelde aanvullende overeenkomsten.

Artikel 21

Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich het recht voor alle voorzorgen te treffen die nodig zijn in het belang van zijn veiligheid.

Artikel 22

Geen enkele Verdragsluitende Staat is verplicht de in de artikelen 12, 13, 14, letters b), e) en g), en 15, letter c), bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan:

  • a). zijn eigen onderdanen;
  • b). personen die bij de aanvang van hun werkzaamheden bij de Organisatie hun vaste woonplaats in die Staat hebben en die niet behoren tot het personeel van een andere intergouvernementele organisatie dat overgaat naar de Organisatie.

Artikel 23

1.

Elke Verdragsluitende Staat kan aan een internationaal scheidsgerecht elk geschil voorleggen waarbij de Organisatie, een personeelslid of een deskundige die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaamheden verricht betrokken is, voor zover de Organisatie, het personeelslid of de deskundige zich op een voorrecht of een immuniteit krachtens dit Protocol heeft beroepen, en deze immuniteit niet is opgeheven.

2.

Indien een Verdragsluitende Staat voornemens is een geschil ter arbitrage voor te leggen, doet hij daarvan mededeling aan de Voorzitter van de Raad van Bestuur, die iedere Verdragsluitende Staat terstond van deze mededeling in kennis stelt.

3.

De procedure neergelegd in het eerste lid is niet van toepassing op geschillen tussen de Organisatie en de personeelsleden of deskundigen met betrekking tot het ambtenarenreglement of de arbeidsvoorwaarden en is evenmin van toepassing op de personeelsleden met betrekking tot het pensioenreglement.

4.

Van een uitspraak van het scheidsgerecht, die definitief en bindend is voor partijen, is geen beroep toegelaten. Zo er onenigheid bestaat ten aanzien van de betekenis of draagwijdte van de uitspraak, is het scheidsgerecht verplicht deze, op verzoek van een der partijen, toe te lichten.

Artikel 24

1.

Het in artikel 23 bedoelde scheidsgerecht bestaat uit drie leden, te weten één scheidsman die wordt benoemd door de Staat of de Staten die partij zijn bij de arbitrage, één scheidsman die door de Raad van Bestuur wordt benoemd en een derde scheidsman, die als voorzitter optreedt en door de twee anderen wordt benoemd.

2.

Deze scheidsmannen worden gekozen uit een lijst van ten hoogste zes scheidsmannen die door elke Verdragsluitende Staat worden aangewezen en zes door de Raad van Bestuur aangewezen scheidsmannen. Deze lijst wordt zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit Protocol opgesteld en vervolgens telkens voor zover nodig aangevuld.

3.

Indien binnen drie maanden, te rekenen van de datum van de in artikel 23, tweede lid, bedoelde mededeling, een der partijen niet is overgegaan tot de benoeming bedoeld in het eerste lid, wordt, op verzoek van de andere partij, de scheidsman door de President van het Internationale Gerechtshof gekozen uit de personen die op genoemde lijst voorkomen. Dit gebeurt eveneens, zo een der partijen daarom verzoekt, indien binnen één maand na het tijdstip van benoeming van de tweede scheidsman, de eerste twee scheidsmannen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aanwijzing van de derde scheidsman. Indien evenwel in beide gevallen de Voorzitter van het Internationale Gerechtshof verhinderd is of indien hij onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil, worden de bovenbedoelde benoemingen gedaan door de onder-Voorzitter van het Internationale Hof, tenzij ook deze onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil; in dat geval dienen de benoemingen te geschieden door het lid van het Internationale Hof dat zelf geen onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil en die is gekozen door de Voorzitter of door de onder-Voorzitter. Een onderdaan van de verzoekende Staat mag niet worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de Raad van Bestuur moest worden benoemd, zomin als een op de lijst voorkomende en door de Raad van Bestuur aangewezen persoon mag worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de verzoekende Staat moest worden benoemd. Ook mag geen tot een dezer categorieën behorende persoon worden gekozen als voorzitter van het scheidsgerecht.

4.

Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.

Artikel 25

De Organisatie kan, bij besluit van de Raad van Bestuur, met een of meer Verdragsluitende Staten aanvullende overeenkomsten aangaan ten einde uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Protocol met betrekking tot die Staat of die Staten, alsmede andere regelingen treffen ter waarborging van een goede functionering van de Organisatie en ter beveiliging van haar belangen.

Artikel 1. Algemene beginselen

Artikel 69 mag niet worden uitgelegd als zou de beschermingsomvang van het Europees octrooi strikt worden bepaald door de letterlijke tekst van de conclusies en als zouden de beschrijving en de tekeningen slechts mogen dienen om de onduidelijkheden, die in de conclusies zouden kunnen voorkomen, op te heffen. Artikel 69 mag evenmin worden uitgelegd als zouden de conclusies alleen als richtlijn dienen en als zou de beschermingsomvang zich ook uitstrekken tot hetgeen de octrooihouder, naar het oordeel van de vakman die de beschrijving en de tekeningen bestudeert, heeft willen beschermen. De uitleg dient daarentegen tussen deze twee uitersten het midden te houden, waarbij zowel een billijke bescherming aan de octrooihouder als een redelijke mate van rechtszekerheid aan derden wordt geboden.

Artikel 2. Equivalenten

Bij het vaststellen van de beschermingsomvang van het Europees octrooi dient op passende wijze rekening te worden gehouden met elk element dat gelijkwaardig is aan een in de conclusies omschreven element.

IN WITNESS WHEREOF, the Plenipotentiaries authorised thereto, having presented their Full Powers, found to be in good and due form, have signed this Convention.

DONE at Munich this fifth day of October one thousand nine hundred and seventy-three

Regel 70b. Verzoek om een afschrift van de uitkomsten van het onderzoek

1.

Indien het Europees Octrooibureau, op het tijdstip waarop de onderzoeksafdeling de verantwoordelijkheid overneemt, vaststelt dat de aanvrager een afschrift bedoeld in regel 141, eerste lid, niet heeft ingediend of geacht wordt niet naar behoren overeenkomstig regel 141, tweede lid, te hebben ingediend, verzoekt het de aanvrager binnen een termijn van twee maanden het afschrift of een verklaring dat de aanvrager niet beschikt over de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in regel 141, eerste lid, in te dienen.

2.

Indien de aanvrager niet tijdig gevolg geeft aan het verzoek overeenkomstig het eerste lid, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken.

Regel 71. Onderzoeksprocedure

1.

In de mededeling overeenkomstig artikel 94, derde lid, verzoekt de onderzoeksafdeling de aanvrager, indien nodig, geconstateerde gebreken op te heffen en de beschrijving, de conclusies en de tekeningen binnen een te stellen termijn te wijzigen.

2.

Iedere mededeling bedoeld in artikel 94, derde lid, dient met redenen te zijn omkleed en, indien nodig, alle gronden te vermelden waarom het Europees octrooi niet kan worden verleend.

3.

Alvorens te beslissen tot verlening van het Europees octrooi, deelt de onderzoeksafdeling de aanvrager mede op welke tekst zij voornemens is het Europees octrooi te verlenen alsmede de desbetreffende bibliografische gegevens. In deze mededeling verzoekt de onderzoeksafdeling de aanvrager binnen een termijn van vier maanden de taksen voor verlening en publicatie te betalen alsmede een vertaling van de conclusies in de twee officiële talen van het Europees Octrooibureau die niet de procestaal zijn, in te dienen.

4.

Indien de tekst waarop de onderzoeksafdeling voornemens is het Europees octrooi te verlenen meer dan vijftien conclusies bevat, verzoekt de onderzoeksafdeling de aanvrager voor de zestiende en iedere daaropvolgende conclusie conclusietaksen te betalen binnen de termijn voorzien in het derde lid, tenzij de genoemde taksen reeds ingevolge regel 45 of regel 162 zijn betaald.

5.

Indien de aanvrager binnen de in het derde lid vervatte termijn de taksen bedoeld in het derde lid, en, indien van toepassing, het vierde lid betaalt en de vertalingen bedoeld in het derde lid indient, wordt hij geacht te hebben ingestemd met de tekst die hem overeenkomstig het derde lid is toegezonden en dat hij de bibliografische gegevens heeft gecontroleerd.

6.

Indien de aanvrager binnen de in het derde lid vervatte termijn met redenen omkleed verzoekt om wijzigingen of verbeteringen in de toegezonden tekst of de laatste door hem ingediende tekst wenst te handhaven, zendt de onderzoeksafdeling een nieuwe mededeling overeenkomstig het derde lid indien zij ermee instemt; in het andere geval wordt de onderzoekprocedure hervat.

7.

Indien de taks voor de verlening en publicatie of de conclusietaksen niet tijdig zijn betaald of indien de vertalingen niet tijdig zijn ingediend, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken.

Regel 72. Verlening van het Europees octrooi aan verschillende aanvragers

Indien voor verschillende Verdragsluitende Staten verschillende personen als aanvrager in het Europees octrooiregister staan ingeschreven, verleent het Europees Octrooibureau het Europees octrooi dienovereenkomstig voor elke Verdragsluitende Staat.

Regel 73. Inhoud en vorm van het octrooischrift

1.

Het octrooischrift van het Europees octrooi bevat de beschrijving, de conclusies en, in voorkomend geval, de tekeningen. Het vermeldt ook de termijn waarbinnen tegen het verleende Europese octrooi oppositie kan worden ingesteld.

2.

De President van het Europees Octrooibureau stelt de vorm van de publicatie van het octrooischrift vast alsmede de erin op te nemen gegevens.

3.

De aangewezen Verdragsluitende Staten worden in het octrooischrift vermeld.

Regel 74. Europees octrooibewijs

Zodra het Europees octrooischrift is gepubliceerd, verstrekt het Europees Octrooibureau aan de octrooihouder een Europees octrooibewijs. De President van het Europees Octrooibureau bepaalt de inhoud, de vorm en de wijze van toezending van het bewijs en de gevallen waarin een administratieve taks dient te worden betaald.

DEEL V. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL V VAN HET VERDRAG

HOOFDSTUK V. HET EUROPEES OCTROOISCHRIFT

Regel 75. Afstand of verval van het octrooi

Oppositie kan ook worden ingesteld wanneer in alle aangewezen Verdragsluitende Staten afstand van het Europees octrooi is gedaan of het octrooi in al deze Staten is vervallen.

Regel 76. Vorm en inhoud van de oppositie

1.

De oppositie wordt schriftelijk ingesteld en dient met redenen te zijn omkleed.

2.

Het bezwaarschrift dient te bevatten:

  • b. het nummer van het Europees octrooi waartegen de oppositie wordt ingesteld alsmede de naam van de octrooihouder en de titel van de uitvinding;
  • c. een verklaring, waaruit blijkt in welke omvang er tegen het Europees octrooi bezwaar bestaat, en waarin de gronden waarop de oppositie is gebaseerd, alsmede de feiten en de bewijsmiddelen ter ondersteuning van deze gronden, worden aangegeven;
3.

Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op het bezwaarschrift.

Regel 77. Verwerping van de oppositie wegens niet-ontvankelijkheid

1.

Indien de oppositieafdeling vaststelt dat de oppositie niet voldoet aan artikel 99, eerste lid, of regel 76, tweede lid, onderdeel c, of dat het octrooi waartegen oppositie is ingesteld onvoldoende is aangeduid, verwerpt zij de oppositie als niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken voor het verstrijken van de termijn voor oppositie zijn opgeheven.

2.

Indien de oppositieafdeling vaststelt dat de oppositie niet voldoet aan andere bepalingen dan in het eerste lid bedoeld, deelt zij dit mede aan de opposant en verzoekt hem de vastgestelde gebreken op te heffen binnen een te stellen termijn. Indien de gebreken niet tijdig zijn opgeheven, verwerpt de oppositieafdeling de oppositie als niet-ontvankelijk.

3.

De beslissing waarin de oppositie wegens niet-ontvankelijkheid wordt verworpen, wordt tezamen met een afschrift van het bezwaarschrift aan de octrooihouder toegezonden.

Regel 78. Procedure indien de houder van het octrooi niet-gerechtigd is

1.

Indien een derde tijdens de oppositieprocedure of gedurende de oppositietermijn bewijs overlegt dat hij een procedure heeft ingesteld tegen de houder van het Europees octrooi om een beslissing in de zin van artikel 61, eerste lid, te verkrijgen, wordt de oppositieprocedure geschorst, tenzij de derde het Europees Octrooibureau schriftelijk mededeelt dat hij instemt met de voortzetting van deze procedure. Deze toestemming is onherroepelijk. De procedure wordt evenwel niet geschorst voordat dat oppositieafdeling de opposant ontvankelijk heeft verklaard. Regel 14, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien een derde in overeenstemming met artikel 99, vierde lid, voor een of meer aangewezen Verdragsluitende Staten in de plaats is getreden van de vorige octrooihouder, kan het in de oppositieprocedure in stand gehouden Europees octrooi voor deze Staten andere conclusies, beschrijving en tekeningen bevatten dan die voor de overige aangewezen Staten.

Regel 79. Voorbereidingen van het onderzoek van de oppositie

1.

De oppositieafdeling zendt het bezwaarschrift aan de houder van het octrooi en stelt hem in de gelegenheid binnen een te stellen termijn zijn zienswijze kenbaar te maken en, indien nodig, wijzigingen in de beschrijving, de conclusies en de tekeningen aan te brengen.

2.

Indien meerdere opposities zijn ingesteld, deelt de oppositieafdeling tegelijk met de mededeling bedoeld in het eerste lid deze mede aan de andere opposanten.

3.

De oppositieafdeling deelt de door de octrooihouder ingediende zienswijze en wijzigingen mede aan de andere partijen en nodigt hen uit om binnen een te stellen termijn hierop te reageren, indien zij dit opportuun achten.

4.

In het geval van tussenkomst ingevolge artikel 105, kan de oppositieafdeling van toepassing van het eerste tot en met derde lid afzien.

Regel 80. Wijziging van het Europees octrooi

Onverminderd regel 138 kunnen de beschrijving, de conclusies en de tekeningen worden gewijzigd, mits de wijzigingen door een grond voor oppositie bedoeld in artikel 100 worden ingegeven, ook wanneer de opposant zich niet op die grond heeft beroepen.

Regel 81. Onderzoek van de oppositie

1.

De oppositieafdeling onderzoekt de gronden voor oppositie waarop de opposant zich beroept in de verklaring bedoeld in regel 76, tweede lid, onderdeel c. De oppositieafdeling kan ambtshalve ook gronden voor oppositie waarop de opposant zich niet beroept onderzoeken, indien deze zich verzetten tegen het in stand blijven van het Europees octrooi.

2.

Mededelingen overeenkomstig artikel 101, eerste lid, tweede volzin, en alle antwoorden daarop worden aan alle partijen verzonden. Indien de oppositieafdeling dit wenselijk acht, nodigt zij alle partijen uit om binnen een te stellen termijn te reageren.

3.

In elke mededeling overeenkomstig artikel 101, eerste lid, tweede volzin, dient de houder van het Europees octrooi, indien nodig, in de gelegenheid te worden gesteld om voor zover noodzakelijk de beschrijving, de conclusies en de tekeningen te wijzigen. De mededeling dient, indien nodig, gemotiveerd te zijn en de gronden te bevatten die zich tegen het in stand blijven van het Europees octrooi verzetten.

Regel 82. Instandhouding van het Europees octrooi in gewijzigde vorm

1.

Alvorens te beslissen het Europees octrooi in gewijzigde vorm in stand te houden, deelt de oppositieafdeling de partijen de tekst van het octrooi mede, waarmee zij voornemens is het octrooi in stand te houden en nodigt zij hen uit binnen twee maanden hun zienswijzen in te dienen indien zij niet instemmen met de voorgestelde tekst.

2.

Indien een partij niet instemt met de door de oppositieafdeling medegedeelde tekst, kan het onderzoek van de oppositie worden voortgezet. In het tegengestelde geval verzoekt de oppositieafdeling na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn de houder van het octrooi binnen een termijn van drie maanden de voorgeschreven taks te betalen en een vertaling van de gewijzigde conclusies in de officiële talen van het Europees Octrooibureau die niet de procestaal zijn, in te dienen. In dit verzoek wordt verwezen naar de website van het Europees Octrooibureau waar informatie over de vereisten voor de vertaling uit hoofde van artikel 65, eerste lid, in de Verdragsluitende Staten is gepubliceerd.

3.

Indien de op grond van het tweede lid vereiste handelingen niet tijdig zijn verricht, kunnen zij alsnog worden verricht binnen twee maanden na een mededeling dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen, mits binnen deze termijn een toeslag wordt betaald. In het tegengestelde geval wordt het octrooi herroepen.

4.

De beslissing tot instandhouding van het Europees octrooi in gewijzigde vorm vermeldt welke tekst van het octrooi de basis vormt voor de beslissing.

Regel 83. Verzoek om documenten

Documenten waarnaar een partij bij een oppositieprocedure verwijst, dienen tezamen met het bezwaarschrift of de schriftelijke opmerkingen te worden ingediend. Indien die documenten niet zijn bijgevoegd of na een verzoek van het Europees Octrooibureau hiertoe niet tijdig zijn ingediend, kan het beslissen geen rekening te houden met de daarop gegronde argumenten.

Regel 84. Ambtshalve voortzetting van de oppositieprocedure

1.

Indien de houder van het octrooi in alle aangewezen Verdragsluitende Staten afstand heeft gedaan van het Europees octrooi of indien het octrooi in al die Staten is vervallen, kan de oppositieprocedure worden voortgezet indien de opposant hierom binnen twee maanden nadat het Europees Octrooibureau aan de opposant de afstand of het verval heeft medegedeeld, verzoekt.

2.

Indien een opposant komt te overlijden of handelingsonbekwaam wordt, kan de oppositieprocedure ambtshalve door het Europees Octrooibureau worden voortgezet, zelfs indien zijn erfgenamen of zijn wettelijke vertegenwoordigers hieraan niet deelnemen. De procedure kan ook voortgezet worden indien de oppositie wordt ingetrokken.

Regel 85. Overgang van het Europees octrooi

Regel 22 is van toepassing op iedere overgang van het Europees octrooi gedurende de termijn voor oppositie of gedurende de oppositieprocedure.

Regel 86. Stukken in de oppositieprocedure

Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op stukken ingediend tijdens de oppositieprocedure.

Regel 87. Inhoud en vorm van het nieuwe Europese octrooischrift

Het nieuwe Europese octrooischrift bevat de beschrijving, de conclusies en de tekeningen zoals gewijzigd. Regel 73, tweede en derde lid, en regel 74 zijn van toepassing.

Regel 88. Kosten

1.

De kostenverdeling wordt in de beslissing ten aanzien van de oppositie vastgesteld. Bij de verdeling kunnen alleen de uitgaven in aanmerking worden genomen die noodzakelijk waren om de in het geding zijnde rechten op adequate wijze te verdedigen. Onder de kosten valt de vergoeding van de gemachtigden van de partijen.

2.

De oppositieafdeling stelt op verzoek het bedrag vast van de kosten die uit hoofde van de verdeling op grond van een in kracht van gewijsde gegane beslissing dienen te worden betaald. De kostenafrekening en de bewijsstukken dienen als bijlage te worden toegevoegd aan het verzoek. De kosten kunnen worden vastgesteld, zodra zij aannemelijk zijn gemaakt.

3.

Binnen een maand nadat de vaststelling van de kosten ingevolge het tweede lid is medegedeeld, kan een verzoek om een beslissing van de oppositieafdeling over de vaststelling van de kosten worden ingediend. Het verzoek dient schriftelijk en gemotiveerd te worden ingediend. Het verzoek wordt pas geacht te zijn ingediend na betaling van de voorgeschreven taks.

4.

De oppositieafdeling beslist over het in het derde lid bedoelde verzoek zonder mondelinge behandeling.

Regel 89. Tussenkomst van de vermeende inbreukmaker

1.

De verklaring van tussenkomst dient binnen drie maanden na de datum waarop de procedure bedoeld in artikel 105 is ingesteld te worden ingediend.

2.

De verklaring van tussenkomst dient schriftelijk te worden ingediend en met redenen te zijn omkleed; regels 76 en 77 zijn van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving van tussenkomst wordt pas geacht te zijn ingediend na betaling van de taks voor de oppositie.

Regel 90. Voorwerp van de procedure

Het voorwerp van een procedure tot beperking of herroeping bedoeld in artikel 105a is het Europees octrooi zoals verleend of zoals gewijzigd in een oppositieprocedure of een procedure tot beperking voor het Europees Octrooibureau.

Regel 91. Bevoegdheid ten aanzien van de procedure

Over verzoeken om beperking of herroeping van het Europees octrooi overeenkomstig artikel 105a beslist de onderzoeksafdeling. Artikel 18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Regel 96. Inhoud en vorm van het gewijzigde Europese octrooischrift

Het gewijzigde Europese octrooischrift bevat de beschrijving, de conclusies en de tekeningen zoals gewijzigd. Regel 73, tweede en derde lid, en regel 74 zijn van toepassing.

DEEL VI. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL VI VAN HET VERDRAG

Regel 100. Onderzoek van het beroep

1.

De bepalingen die van toepassing zijn op de procedure voor het orgaan dat de bestreden beslissing heeft genomen, zijn van toepassing op de beroepsprocedure, tenzij anders bepaald.

2.

Voor het onderzoek van het beroep nodigt de kamer van beroep de partijen zo vaak als nodig uit binnen een te stellen termijn te reageren op haar mededelingen of op de zienswijzen van andere partijen.

3.

Indien de aanvrager niet tijdig gevolg geeft aan een uitnodiging overeenkomstig het tweede lid, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken, tenzij de bestreden beslissing was genomen door de juridische afdeling.

Regel 101. Verwerping van het beroep wegens niet-ontvankelijkheid

1.

Indien het beroep niet voldoet aan de artikelen 106 tot en met 108, regel 97 of regel 99, eerste lid, onderdeel b of c, of tweede lid, verwerpt de kamer van beroep het beroep wegens niet-ontvankelijkheid, tenzij de gebreken zijn opgeheven voordat de desbetreffende termijn ingevolge artikel 108 is verstreken.

2.

Indien de kamer van beroep vaststelt dat het beroep niet voldoet aan regel 99, eerste lid, onderdeel a, deelt zij dit aan de appellant mede en nodigt hem uit de geconstateerde gebreken binnen een te stellen termijn op te heffen. Indien de gebreken niet tijdig zijn opgeheven, verwerpt de kamer van beroep het beroep wegens niet-ontvankelijkheid.

Regel 102. Vorm van de beslissing van de kamer van beroep

De beslissing wordt door de voorzitter van de kamer van beroep en door de bevoegde medewerker van de griffie van de kamer van beroep door middel van hun handtekening of op andere passende wijze gewaarmerkt. De beslissing bevat:

  • a. de mededeling dat zij was genomen door de kamer van beroep;
  • b. de datum waarop de beslissing was genomen;
  • c. de namen van de voorzitter en de andere leden van de kamer van beroep die aan de beslissing meegewerkt hebben;
  • d. de namen van de partijen en hun gemachtigden;
  • e. de verzoeken van de partijen;
  • f. een samenvatting van de feiten;
  • g. de gronden voor de beslissing;
  • h. het dictum, waaronder, in voorkomend geval, de beslissing inzake de procedurekosten.

Regel 103. Terugbetaling van de taks voor het beroep

1.

De taks voor het beroep wordt terugbetaald

  • a. in geval van een prejudiciële herziening of als de kamer van beroep het beroep gegrond acht, indien terugbetaling redelijk is op grond van een wezenlijke tekortkoming in de procedure, of
  • b. indien het beroep wordt ingetrokken voordat de memorie inzake de gronden voor het beroep is ingediend en voordat de termijn voor de indiening daarvan is verstreken.
2.

Het orgaan waarvan de beslissing wordt bestreden, gelast de terugbetaling indien zij haar beslissing herziet en terugbetaling redelijk acht vanwege een wezenlijke tekortkoming in de procedure. In alle overige gevallen beslist de kamer van beroep over kwesties omtrent de terugbetaling.

HOOFDSTUK I. BEROEPSPROCEDURE

Regel 104. Overige fundamentele procedurele tekortkomingen

Een fundamentele procedurele tekortkoming in de zin van artikel 112a, tweede lid, onderdeel d, kan zich hebben voorgedaan indien de kamer van beroep,

  • a. in strijd met artikel 116 heeft verzuimd een mondelinge procedure te organiseren ondanks het verzoek van de verzoeker, of
  • b. op het beroep heeft beslist zonder te beslissen over een voor die beslissing relevant verzoek.

Regel 105. Strafbare feiten

Een verzoek om herziening kan worden gebaseerd op artikel 112a, tweede lid, onderdeel e, indien een bevoegde gerechtelijke instantie of een bevoegde autoriteit onherroepelijk heeft vastgesteld dat er een strafbaar is gepleegd; een veroordeling is niet noodzakelijk.

Regel 106. Verplichting tot het maken van bezwaar

Een verzoek ingevolge artikel 112a, tweede lid, onderdelen a tot en met d, is uitsluitend ontvankelijk, indien tijdens de beroepsprocedure ter zake van de procedurele tekortkoming bezwaar is gemaakt en door de kamer van beroep is afgewezen, tenzij tijdens de beroepsprocedure geen bezwaar kon worden gemaakt.

Regel 107. Inhoud van het verzoek om herziening

1.

Het verzoek dient te bevatten:

  • b. een aanduiding van de beslissing die dient te worden herzien.
2.

In het verzoek dienen de gronden voor de ongedaanmaking van de beslissing van de kamer van beroep te worden vermeld, alsmede de feiten en de bewijzen waarop het verzoek gebaseerd is.

3.

Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op het verzoek om herziening en de in de procedure ingediende stukken.

Regel 108. Onderzoek van het verzoek

1.

Indien het verzoek niet voldoet aan artikel 112a, eerste, tweede of vierde lid, regel 106 of regel 107, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, verwerpt de Grote Kamer van beroep het verzoek wegens niet-ontvankelijkheid, tenzij de gebreken zijn opgeheven voor het verstrijken van de desbetreffende termijn ingevolge artikel 112a, vierde lid.

2.

Indien de Grote Kamer van beroep vaststelt dat het verzoek niet aan regel 107, eerste lid, onderdeel a, voldoet, deelt zij dit mede aan de verzoeker en nodigt hem uit de vastgestelde gebreken binnen een te stellen termijn op te heffen. Indien de gebreken niet tijdig worden opgeheven, verwerpt de Grote Kamer van beroep het verzoek wegens niet-ontvankelijkheid.

3.

Indien het verzoek gegrond is, maakt de Grote Kamer van beroep de beslissing van de kamer van beroep ongedaan en gelast de heropening van de procedure voor de ingevolge regel 12, vierde lid, verantwoordelijke kamer van beroep. De Grote Kamer van beroep kan gelasten dat leden van de kamer van beroep die hebben meegewerkt aan de ongedaan gemaakte beslissing worden vervangen.

Regel 109. Procedure voor de behandeling van verzoeken om herziening

1.

Voor procedures ingevolge artikel 112a zijn de bepalingen voor procedures voor de kamers van beroep van toepassing, tenzij anders is bepaald. Regel 115, eerste lid, tweede volzin, regel 118, tweede lid, eerste volzin, en regel 132, tweede lid, zijn niet van toepassing. De Grote Kamer van beroep kan een termijn vaststellen die afwijkt van regel 4, eerste lid, eerste volzin.

2.

De Grote Kamer van beroep

  • a. in een samenstelling van twee rechtsgeleerde leden en een technisch geschoold lid onderzoekt alle verzoeken om herziening en wijst de verzoeken af die overduidelijk niet-ontvankelijk of ongegrond zijn; een dergelijke beslissing vereist unanimiteit;
  • b. in een samenstelling van vier rechtsgeleerde leden en een technisch geschoold lid beslist over ieder verzoek dat niet is afgewezen op grond van onderdeel a.
3.

De Grote Kamer van beroep in de samenstelling volgens het tweede lid, onderdeel a, beslist zonder betrokkenheid van andere partijen en op basis van het verzoek.

Regel 110. Terugbetaling van de taks voor verzoeken om herziening

De Grote Kamer van beroep gelast de terugbetaling van de taks voor een verzoek om herziening, indien de procedure voor de kamers van beroep wordt heropend.

DEEL VII. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL VII VAN HET VERDRAG

HOOFDSTUK I. BESLISSINGEN EN MEDEDELINGEN VAN HET EUROPEES OCTROOIBUREAU

Regel 111. Vorm van de beslissingen

1.

Bij mondelinge procedures voor het Europees Octrooibureau kan de beslissing ter zitting worden uitgesproken. De beslissing wordt vervolgens op schrift gesteld en aan de partijen toegestuurd.

2.

De beslissingen van het Europees Octrooibureau waartegen beroep open staat, dienen met redenen te zijn omkleed en vergezeld te gaan van een mededeling dat tegen de desbetreffende beslissing beroep kan worden ingesteld, waarbij de partijen eveneens gewezen worden op de artikelen 106 tot en met 108 waarvan de tekst als bijlage wordt bijgevoegd. De partijen kunnen zich niet beroepen op het achterwege blijven van deze mededeling.

Regel 112. Vaststelling van het verlies van recht

1.

Indien het Europees Octrooibureau vaststelt dat een verlies van recht is opgetreden, zonder dat een beslissing is genomen tot afwijzing van de Europese octrooiaanvrage of de verlening, herroeping of instandhouding van het Europees octrooi of met betrekking tot het verkrijgen van bewijs, doet het hiervan mededeling aan de betrokken partij.

2.

Indien de betrokken partij van mening is dat de vaststelling van het Europees Octrooibureau ongegrond is, kan zij binnen twee maanden nadat de in het eerste lid bedoelde mededeling is gedaan, een beslissing daaromtrent verzoeken. Een dergelijke beslissing wordt slechts genomen indien het Europees Octrooibureau de mening van de betrokken partij niet deelt; in het tegenovergestelde geval wordt die partij hierover ingelicht.

Regel 113. Handtekening, naam, zegel

1.

Elke beslissing, oproep, kennisgeving en mededeling van het Europees Octrooibureau dient van de handtekening en de naam van het verantwoordelijke personeelslid te zijn voorzien.

2.

Wanneer een in het eerste lid bedoeld stuk door het verantwoordelijke personeelslid met behulp van een computer wordt vervaardigd, kan een zegel de handtekening vervangen. Wanneer het stuk automatisch door een computer wordt vervaardigd, kan ook de naam van het personeelslid achterwege worden gelaten. Hetzelfde geldt voor voorgedrukte kennisgevingen en mededelingen.

HOOFDSTUK I. BESLISSINGEN EN MEDEDELINGEN VAN HET EUROPEES OCTROOIBUREAU

Regel 114. Opmerkingen van derden

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)