Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)
(2). Indien voor het Europees Octrooibureau wordt bewezen dat een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan, is genomen in de procedure waarbij de aanspraak op verlening van het Europees octrooi is gesteld, deelt het Europees Octrooibureau aan de aanvrager en, als het geval zich voordoet, aan de andere betrokken partijen mede dat de verleningsprocedure zal worden hervat op de in de mededeling vermelde datum, tenzij overeenkomstig artikel 61, eerste lid, letter b), een nieuwe Europese octrooiaanvrage is ingediend voor alle aangewezen Verdragsluitende Staten. Indien de beslissing ten gunste van de derde is uitgesproken, kan de procedure eerst worden hervat na het verstrijken van een termijn van drie maanden nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij de derde heeft verzocht om voortzetting van de verleningsprocedure.
(3). Het Europees Octrooibureau kan, bij zijn besluit tot schorsing van de procedure of daarna, de datum vaststellen waarop het de bij hem aanhangige procedure wil hervatten, ongeacht het stadium waarin de in het eerste lid bedoelde, tegen de aanvrager aanhangig gemaakte, procedure zich bevindt. Deze datum moet worden medegedeeld aan de derde, de aanvrager en eventueel de andere betrokken partijen. Indien voor deze datum niet wordt bewezen dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen, kan het Europees Octrooibureau de procedure hervatten.
(4). Indien bij een oppositieprocedure of tijdens de oppositietermijn een derde voor het Europees Octrooibureau bewijst dat hij tegen de houder van het Europees octrooi een procedure aanhangig heeft gemaakt om te doen vaststellen dat hij aanspraak heeft op verlening van het Europees octrooi, schorst het Europees Octrooibureau de oppositieprocedure, tenzij deze derde toestemt in de voortzetting van de procedure. Van deze toestemming die niet kan worden herroepen, moet het Europees Octrooibureau schriftelijk mededeling worden gedaan. Tot schorsing kan evenwel slechts worden besloten wanneer de oppositieafdeling van oordeel is, dat de opposant ontvankelijk is. Het bepaalde in het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing.
(5). Schorsing van de procedure betekent schorsing van de lopende termijnen met uitzondering van de termijnen voor de betaling van jaartaksen. Het nog niet verstreken gedeelte van de termijn begint te lopen op de datum waarop de procedure wordt hervat; de na de hervatting van de procedure resterende termijn bedraagt evenwel ten minste twee maanden.
Regel 14. Beperking van de mogelijkheid tot intrekken van de Europese octrooiaanvrage
Vanaf de dag waarop een derde voor het Europees Octrooibureau bewijst dat hij een procedure aanhangig heeft gemaakt inzake de aanspraak op verlening van het octrooi, tot de dag waarop het Europees Octrooibureau de verleningsprocedure hervat, kan noch de Europese octrooiaanvrage noch de aanwijzing van enige Verdragsluitende Staat worden ingetrokken.
Regel 15. Indiening van een nieuwe Europese octrooiaanvrage door de daartoe bevoegde personen
(1). Indien de persoon, aan wie bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing het recht op het verkrijgen van het Europese octrooi is toegewezen, een nieuwe Europese octrooiaanvrage indient overeenkomstig artikel 61, eerste lid, letter b), wordt de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken met ingang van de datum waarop de nieuwe aanvrage is ingediend met betrekking tot de aangewezen Verdragsluitende Staten waarin de beslissing is gegeven of erkend.
(2). De indieningstaks, de taks voor het nieuwheidsonderzoek en de aanwijzingstaks moeten voor de nieuwe Europese octrooiaanvrage worden betaald binnen een termijn van een maand na de indiening van die aanvrage. De betaling van de aanwijzingstaks kan evenwel worden verricht tot aan de datum waarop de in artikel 79, tweede lid, voorgeschreven termijn voor de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage afloopt, indien laatstbedoelde termijn verstrijkt na de termijn bedoeld in de eerste zin van dit lid.
(3). De in artikel 77, derde en vijfde lid, bedoelde termijnen voor de doorzending van de Europese octrooiaanvragen zijn voor de nieuwe Europese octrooiaanvrage vier maanden te rekenen na de datum waarop die aanvrage is ingediend.
Regel 16. Gedeeltelijke overgang van het recht op het Europees octrooi op grond van een rechterlijke beslissing
(1). Indien bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing de aanspraak op verlening van een Europees octrooi alleen voor een gedeelte van het onderwerp waarop de Europese octrooiaanvrage betrekking heeft is toegekend aan een derde, zijn artikel 61 en regel 15 voor wat betreft het desbetreffende gedeelte van overeenkomstige toepassing.
(2). Voor zover ter zake dienende, bevat de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage voor de aangewezen Verdragsluitende Staten waarin de rechterlijke beslissing is genomen of erkend, conclusies, een beschrijving en tekeningen, die afwijken van die welke de aanvrage voor de overige aangewezen Verdragsluitende Staten bevat.
(3). Indien een derde, krachtens artikel 99, vijfde lid, voor een of meer aangewezen Verdragsluitende Staten in de plaats is getreden van de vorige octrooihouder, kan het bij de oppositieprocedure in stand gehouden Europees octrooi voor die Verdragsluitende Staten conclusies, een beschrijving en tekeningen bevatten die afwijken van die welke het octrooi voor de overige aangewezen Verdragsluitende Staten bevat.
HOOFDSTUK II. VERMELDING VAN DE UITVINDER
Regel 17. Indiening van de vermelding van de uitvinder
(1). De vermelding van de uitvinder moet plaatsvinden in het verzoek tot verlening van het Europees octrooi. Indien de aanvrager niet de uitvinder of de enige uitvinder is, dient deze vermelding te geschieden in een afzonderlijk ingediend document waarin voorkomen de naam, voornamen en het volledige adres van de uitvinder, de in artikel 81 bedoelde verklaring en de handtekening van de aanvrager of van diens gemachtigde.
(2). Het Europees Octrooibureau controleert niet de juistheid van de vermelding van de uitvinder.
(3). Indien de aanvrager niet de uitvinder of de enige uitvinder is, stelt het Europees Octrooibureau de vermelde uitvinder in kennis van de in de vermelding vervatte gegevens en van de overige in artikel 128, vijfde lid, bedoelde gegevens.
(4). De aanvrager of de uitvinder kan zich niet beroepen op een achterwege blijven van de in het derde lid bedoelde mededeling noch op de onjuistheden die deze mededeling zou kunnen bevatten.
Regel 18. Publicatie van de vermelding van de uitvinder
(1). De persoon die als uitvinder is vermeld, wordt in die hoedanigheid genoemd in de gepubliceerde Europese octrooiaanvrage en in het Europees octrooischrift.
(2). Indien een derde aan het Europees Octrooibureau een in kracht van gewijsde gegane beslissing overlegt krachtens welke de aanvrager of de houder van het octrooi verplicht is hem als uitvinder te vermelden, is het eerste lid van toepassing.
(3). De maatregelen bedoeld in het eerste lid vinden geen toepassing wanneer de door de aanvrager of de houder van het octrooi vermelde uitvinder aan het Europees Octrooibureau schriftelijk bericht dat hij afziet van zijn vermelding in die hoedanigheid.
Regel 19. Herstel van de vermelding van de uitvinder
(1). Een onjuiste vermelding van de uitvinder kan slechts op verzoek worden hersteld wanneer daarbij de toestemming van de ten onrechte vermelde persoon wordt overgelegd en, indien het verzoek niet is ingediend door de aanvrager of door de houder van het Europees octrooi, wanneer daarbij diens toestemming wordt overgelegd. Regel 17 is van overeenkomstige toepassing.
(2). Indien een verkeerde vermelding van de uitvinder is ingeschreven in het Europees Octrooiregister of is gepubliceerd in het Europees Octrooiblad, wordt deze inschrijving of publicatie verbeterd.
(3). Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de herroeping van een verkeerde vermelding van de uitvinder.
HOOFDSTUK III. INSCHRIJVING VAN RECHTSOVERGANG, LICENTIES EN ANDERE RECHTEN
Regel 20. Inschrijving van overgang
(1). Iedere overgang van de Europese octrooiaanvrage wordt ingeschreven in het Europees Octrooiregister op verzoek van iedere belanghebbende partij op vertoon hetzij van het origineel of van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de akte van overdracht of van de officiële documenten waaruit de overgang blijkt, hetzij van een uittreksel van deze akte of van die documenten voor zover aan de hand hiervan de overgang is vast te stellen. Het Europees Octrooibureau bewaart een exemplaar van deze stukken.
(2). Het verzoek wordt slechts geacht te zijn ingediend wanneer een administratietaks is betaald. Het verzoek kan slechts worden afgewezen indien niet is voldaan aan de in het eerste lid en eventueel in artikel 72 omschreven voorwaarden.
(3). Een overgang heeft ten aanzien van het Europees Octrooibureau slechts rechtsgevolgen na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde stukken en binnen de grenzen zoals die zijn aangegeven in deze stukken.
Regel 21. Inschrijving van licenties en van andere rechten
(1). Regel 20, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van de verlening of de overgang van een licentie, alsmede op de inschrijving van het ontstaan of van de overgang van een zakelijk recht op een Europese octrooiaanvrage en van de gedwongen uitwinning van zo'n aanvrage.
(2). De inschrijvingen bedoeld in het eerste lid worden op verzoek doorgehaald; het verzoek wordt slechts geacht te zijn ingediend wanneer een administratietaks is betaald. Bij het verzoek dienen te worden overgelegd hetzij documenten waaruit blijkt dat het recht is vervallen, hetzij een verklaring waarbij de rechthebbende erin toestemt dat de inschrijving wordt doorgehaald; het verzoek kan slechts worden afgewezen indien aan deze voorwaarden niet is voldaan.
Regel 22. Bijzondere aanwijzingen voor de inschrijving van een licentie
(1). Een licentie op een Europese octrooiaanvrage wordt ingeschreven in het Europees Octrooiregister als uitsluitende licentie indien de aanvrager en de licentiehouder zulks verlangen.
(2). Een licentie op een Europese octrooiaanvrage wordt ingeschreven in het Europees Octrooiregister als onderlicentie indien deze wordt verleend door de houder van een licentie die in dat register is ingeschreven.
HOOFDSTUK I. PROCEDURE INDIEN DE AANVRAGER NIET-GERECHTIGD IS
Regel 23. Tentoonstellingsbewijs
De aanvrager moet binnen een termijn van vier maanden na de indiening van de Europese octrooiaanvrage het in artikel 55, tweede lid, bedoelde bewijsstuk overleggen dat tijdens de tentoonstelling is afgegeven door de autoriteit, belast met de bescherming van de industriële eigendom op die tentoonstelling, en waaruit blijkt dat de uitvinding inderdaad is tentoongesteld. Deze verklaring moet tevens vermelden de datum waarop de tentoonstelling is geopend en eventueel de datum waarop de uitvinding voor het eerst is geopenbaard indien deze twee data niet samenvallen. Bij deze verklaring dienen stukken te worden overgelegd die een nauwkeurige omschrijving geven van de uitvinding en die als authentiek zijn gewaarmerkt door bovenbedoelde autoriteit.
DEEL II. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL II VAN HET VERDRAG
HOOFDSTUK I. PROCEDURE INDIEN DE AANVRAGER NIET-GERECHTIGD IS
Regel 24. Algemene bepalingen
(1). De Europese octrooiaanvragen kunnen rechtstreeks of per post schriftelijk worden ingediend bij de instanties bedoeld in artikel 75. De Voorzitter van het Europees Octrooibureau kan toestaan dat Europese octrooiaanvragen met behulp van andere communicatiemiddelen worden ingediend en hij kan voorwaarden stellen voor het gebruik daarvan. Hij kan inzonderheid eisen dat binnen een door het Europees Octrooibureau vast te stellen termijn een schriftelijke bevestiging verstrekt wordt waarin de inhoud van de op deze wijze ingediende aanvragen wordt weergegeven en die voldoet aan de voorschriften van dit Uitvoeringsreglement.
(2). De instantie, waarbij de Europese octrooiaanvrage wordt ingediend, zet de datum van ontvangst op de stukken van deze aanvrage en verstrekt onverwijld aan de aanvrager een ontvangstbewijs, waarop ten minste staan vermeld het nummer van de aanvrage, de aard en het aantal van de stukken alsmede de datum waarop zij zijn ontvangen.
(3). Indien de Europese octrooiaanvrage wordt ingediend bij een instantie als bedoeld in artikel 75, eerste lid, letter b), doet deze onverwijld het Europees Octrooibureau mededeling van de ontvangst van de stukken van de aanvrage. Zij meldt aan het Europees Octrooibureau de aard van deze stukken, de datum van ontvangst, het nummer dat aan de aanvrage is toegekend en eventueel de datum van voorrang.
(4). Wanneer het Europees Octrooibureau een Europese octrooiaanvrage heeft ontvangen door tussenkomst van de centrale dienst voor de industriële eigendom van een Verdragsluitende Staat, doet het hiervan mededeling aan de aanvrager en vermeldt daarbij de datum waarop het de aanvrage heeft ontvangen.
Regel 25. Voorwaarden voor het indienen van afgesplitste Europese aanvragen
(1). Totdat de aanvrager overeenkomstig regel 51, vierde lid, heeft ingestemd met de tekst waarin het Europees octrooi zal worden verleend, kan hij een van de hangende oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage afgesplitste aanvrage indienen.
(2). De indieningstaks, de taks voor het nieuwheidsonderzoek en de aanwijzingstaks moeten voor iedere afgesplitste Europese aanvrage worden betaald binnen een termijn van een maand na de indiening van die aanvrage. De betaling van de aanwijzingstaks kan evenwel worden verricht tot aan de datum waarop de in artikel 79, tweede lid, voorgeschreven termijn voor de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage afloopt, indien laatstbedoelde termijn verstrijkt na de termijn bedoeld in de eerste zin van dit lid.
HOOFDSTUK II. VERMELDING VAN DE UITVINDER
Regel 26. Verzoek tot verlening van octrooi
(1). Het verzoek tot verlening van een Europees octrooi moet worden ingediend op een door het Europees Octrooibureau vastgesteld formulier. De gedrukte formulieren worden gratis aan de aanvragers ter beschikking gesteld door de in artikel 75, eerste lid, bedoelde instanties.
(2). De aanvrage moet bevatten:
- a). een verzoek tot verlening van een Europees octrooi;
- b). de titel van de uitvinding, waaruit duidelijk en beknopt de technische aanduiding van de uitvinding moet blijken en die geen fantasie mag bevatten;
- c). de naam, het adres en de nationaliteit van de aanvrager en de Staat waarin hij zijn woonplaats of zetel heeft. De namen van natuurlijke personen worden aangegeven met de familienaam en de voorna(a)m(en) van de persoon, waarbij de familienaam voorafgaat aan de voorna(a)m(en). Rechtspersonen en de daarmede ingevolge het van toepassing zijnde recht gelijkgestelden moeten worden aangegeven met hun officiële benaming. Adressen dienen zodanig te worden aangegeven dat zij voldoen aan de gebruikelijke vereisten voor een snelle postbestelling op het aangegeven adres. Zij moeten in elk geval alle belangrijke administratieve eenheden bevatten, tot en met het eventuele huisnummer. Aanbevolen wordt ook het telegram- en telexadres alsmede het telefoonnummer aan te geven;
- d). indien een gemachtigde is aangewezen, zijn naam en kantooradres, overeenkomstig de voorschriften onder letter c);
- e). eventueel de aanduiding dat de aanvrage een afgesplitste Europese aanvrage betreft, alsmede het nummer van de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage;
- f). in het geval bedoeld in artikel 61, eerste lid, letter b), het nummer van de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage;
- g). indien een beroep wordt gedaan op de voorrang van een eerdere aanvrage, een daartoe dienende verklaring, waarin wordt vermeld de datum van die aanvrage en de Staat waarin of waarvoor die aanvrage is ingediend;
- h). de aanwijzing van de Verdragsluitende Staat of Staten waarin bescherming van de uitvinding wordt verzocht;
- i). de handtekening van de aanvrager of van zijn gemachtigde;
- j). een lijst van de stukken die bij de aanvrage zijn gevoegd. Op deze lijst wordt eveneens aangegeven het aantal bladzijden van de beschrijving, van de conclusies, van de tekeningen en van het uittreksel die bij de aanvrage moeten worden ingediend;
- k). de vermelding van de uitvinder indien deze dezelfde is als de aanvrager.
(3). Indien er meer dan één aanvrager is, moet in de aanvrage bij voorkeur worden aangegeven door welke aanvrager of gemachtigde zij gemeenschappelijk vertegenwoordigd worden.
Regel 27. Inhoud van de beschrijving
(1). De beschrijving moet:
- a). het technisch gebied aangeven waarop de uitvinding betrekking heeft;
- b). de stand van de techniek aangeven die, voor zover de aanvrager deze kent, als nuttig kan worden beschouwd voor het begrijpen van de uitvinding, voor het opstellen van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek en voor het onderzoek; bij voorkeur dienen de literatuurplaatsen waarin deze stand van de techniek is beschreven te worden aangehaald;
- c). de uitvinding, zoals die wordt aangeduid in de conclusies, uiteenzetten in zodanige bewoordingen dat het technische vraagstuk (zelfs indien het als zodanig niet uitdrukkelijk is uiteengezet) en de oplossing ervan kunnen worden begrepen, en voorts de mogelijke voordelige gevolgen van de uitvinding tegen de achtergrond van de stand van de techniek aangeven;
- d). een korte beschrijving geven van de figuren in de eventuele tekeningen;
- e). in bijzonderheden tenminste één wijze aangeven waarop de uitvinding waarvoor bescherming wordt gevraagd kan worden uitgevoerd; dit moet, waar dienstig, worden gedaan aan de hand van voorbeelden en met verwijzing naar de eventuele tekeningen;
- f). uitdrukkelijk de wijze aangeven waarop de uitvinding in de nijverheid kan worden toegepast, wanneer zulks niet duidelijk uit de beschrijving of uit de aard van de uitvinding blijkt.
(2). De beschrijving moet worden ingediend op de wijze en volgens de indeling als aangegeven in het eerste lid, tenzij, in verband met de aard van de uitvinding, een andere wijze of indeling zou leiden tot beter begrip en een grotere beknoptheid.
Regel 28. Voorschriften inzake de Europese octrooiaanvragen betreffende micro-organismen
Wanneer een uitvinding betreffende een microbiologische werkwijze of een door een dergelijke werkwijze verkregen voortbrengsel het gebruik omvat van een micro-organisme dat niet openbaar toegankelijk is, en dat in de Europese octrooiaanvrage niet zodanig kan worden omschreven dat de uitvinding door een deskundige kan worden toegepast, wordt de uitvinding slechts beschouwd als beschreven overeenkomstig artikel 83, indien:
- a). een cultuur van het micro-organisme uiterlijk op de datum van indiening van de aanvrage is gedeponeerd bij een erkende depositaris;
- b). de aanvrage, zoals die is ingediend, de van belang zijnde gegevens bevat waarover de aanvrager beschikt ten aanzien van de kenmerken van het micro-organisme en
- c). in de aanvrage is vermeld bij welke depositaris en onder welk nummer de cultuur is gedeponeerd.
De gegevens bedoeld in het eerste lid, letter c, kunnen worden verstrekt:
- a). binnen een termijn van zestien maanden na de datum van indiening van de aanvrage of, indien een beroep op een recht van voorrang is gedaan, na de voorrangsdatum;
- b). tot de datum waarop een verzoek wordt ingediend om de publikatie van de aanvrage te vervroegen;
- c). binnen een termijn van 1 maand na de kennisgeving door het Europese Octrooibureau aan de aanvrager dat krachtens artikel 128, tweede lid, een recht tot raadpleging van het dossier bestaat.
De termijn die het eerste afloopt, is van toepassing. Door het verstrekken van deze gegevens, wordt de aanvrager geacht zonder voorbehoud en onherroepelijk toestemming te verlenen de gedeponeerde cultuur openbaar toegankelijk te maken overeenkomstig het bepaalde in deze regel.
De cultuur is op verzoek toegankelijk, van de datum van publikatie van de Europese octrooiaanvrage af voor een ieder, en vóór deze datum voor een ieder die op grond van artikel 128, tweede lid, het recht heeft het dossier te raadplegen. Behoudens het bepaalde in het vierde lid, komt deze toegankelijkheid tot stand door afgifte van een monster van het gedeponeerde micro-organisme aan de verzoeker.
Deze afgifte vindt slechts plaats indien de verzoeker zich jegens de aanvrager of de houder van het octrooi ertoe heeft verplicht:
- a). de gedeponeerde cultuur of een daarvan afgeleide cultuur niet aan derden beschikbaar te stellen voordat de octrooiaanvrage is afgewezen of ingetrokken dan wel wordt geacht te zijn ingetrokken of voordat het Europese octrooi in alle aangewezen Verdragsluitende Staten is geëindigd,
- b). de gedeponeerde cultuur of een daarvan afgeleide cultuur alleen voor proefnemingen te gebruiken tot de datum waarop de octrooiaanvrage wordt afgewezen of ingetrokken dan wel wordt geacht te zijn ingetrokken of tot de datum waarop de vermelding van de verlening van het Europees octrooi wordt gepubliceerd. Deze bepaling is niet van toepassing voor zover de verzoeker de cultuur gebruikt als houder van een gedwongen licentie. Onder gedwongen licentie dient eveneens te worden verstaan ambtshalve verleende licenties en elk recht tot toepassing van een geoctrooieerde uitvinding in het algemeen belang.
Tot de datum waarop de technische voorbereidingen voor de publikatie van de aanvrage worden geacht te zijn voltooid, kan de aanvrager het Europees Octrooibureau mededelen dat tot de datum waarop de vermelding van de verlening van het Europees octrooi wordt gepubliceerd of tot de datum waarop de aanvrage wordt afgewezen of ingetrokken dan wel wordt geacht te zijn ingetrokken, de toegankelijkheid bedoeld in het derde lid alleen tot stand kan komen door afgifte van een monster aan een door de verzoeker aangewezen deskundige.
Als deskundige kan worden aangewezen:
- a). iedere natuurlijke persoon, mits de verzoeker bij de indiening van het verzoek het bewijs levert dat de aanvrager heeft ingestemd met deze aanwijzing;
- b). iedere natuurlijke persoon die als deskundige is erkend door de Voorzitter van het Europees Octrooibureau. De aanwijzing moet vergezeld gaan van een verplichting van de deskundige jegens de aanvrager; het derde lid, letters a en b, is van toepassing, waarbij de verzoeker als derde wordt beschouwd.
Onder afgeleide cultuur wordt voor de toepassing van het derde lid verstaan iedere cultuur die nog die kenmerken van de gedeponeerde cultuur bezit welke essentieel zijn voor de toepassing van de uitvinding. De verplichtingen bedoeld in het derde lid vormen geen beletsel voor het deponeren van een afgeleide cultuur, noodzakelijk voor de octrooiprocedure.
Het in het derde lid bedoelde verzoek wordt gericht aan het Europees Octrooibureau door middel van een door dat Bureau erkend formulier. Het Europees Octrooibureau verklaart op dat formulier dat een Europese octrooiaanvrage, die een vermelding bevat van het depot van het micro-organisme, is ingediend en dat de verzoeker of de deskundige die hij heeft aangewezen recht heeft op de afgifte van een monster van dat micro-organisme.
Het Europees Octrooibureau zendt aan de depositaris alsmede aan de aanvrager of aan de houder van het octrooi, een afschrift van het verzoek alsmede de verklaring bedoeld in het zevende lid.
De Voorzitter van het Europees Octrooibureau publiceert in het Publicatieblad van het Europees Octrooibureau de lijst van depositarissen en van de deskundigen die ingevolge deze regel zijn erkend.
Regel 28a. Nieuw depot van het micro-organisme
Indien een micro-organisme dat is gedeponeerd overeenkomstig regel 28, eerste lid, ophoudt toegankelijk te zijn bij de depositaris:
- a). omdat het micro-organisme niet meer levensvatbaar is of
- b). omdat de depositaris om andere redenen niet in staat is monsters van het micro-organisme af te geven
en indien het micro-organisme niet is overgedragen aan een andere ingevolge regel 28 erkende depositaris waarbij het toegankelijk blijft, wordt de onderbreking van de toegankelijkheid geacht niet te hebben plaatsgevonden mits een nieuw depot van het oorspronkelijk gedeponeerde micro-organisme wordt verricht binnen een termijn van drie maanden na de datum waarop de depositaris deze onderbreking ter kennis heeft gebracht van de bewaargever van het micro-organisme en mits binnen een termijn van vier maanden na de datum van het nieuwe depot een afschrift van het door deze instantie afgegeven ontvangstbewijs van depot, met aanduiding van het nummer van de Europese octrooiaanvrage of van het Europees octrooi aan het Europees Octrooibureau is toegezonden.
In het geval bedoeld in het eerste lid, letter a, wordt het nieuwe depot verricht bij de depositaris waarbij het eerste depot heeft plaatsgevonden; in de gevallen bedoeld in het eerste lid, letter b, kan het worden verricht bij een andere depositaris die ingevolge regel 28 is erkend.
Indien de depositaris waarbij het oorspronkelijke depot is verricht, in het geheel niet meer erkend is ingevolge regel 28, dan wel niet meer ten aanzien van de groep van micro-organismen waartoe het gedeponeerde micro-organisme behoort, of indien deze instelling de uitoefening van haar functies ten aanzien van de gedeponeerde micro-organismen tijdelijk of voorgoed heeft gestaakt en indien de kennisgeving bedoeld in het eerste lid niet is gedaan binnen zes maanden na dit gebeuren, begint de in het eerste lid bedoelde termijn van drie maanden op de datum waarop dit gebeuren is vermeld in het Publicatieblad van het Europees Octrooibureau.
Ieder nieuw depot dient te zijn vergezeld van een door de bewaargever ondertekende verklaring dat het opnieuw gedeponeerde micro-organisme hetzelfde is als het oorspronkelijk gedeponeerde.
Indien het nieuwe depot bedoeld in deze regel is geschied overeenkomstig het Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiprocedure van 28 april 1977, zijn in geval van strijdigheid de bepalingen van dat Verdrag doorslaggevend.
Regel 29. Vorm en inhoud van de conclusies
(1). Het onderwerp van de aanvrage waarvoor bescherming wordt gevraagd, dient in de conclusies door weergave van de technische kenmerken van de uitvinding te worden omschreven. Waar het ter zake dienende is, moeten de conclusies bevatten:
- a). een aanduiding van het onderwerp van de uitvinding en de technische kenmerken daarvan die noodzakelijk zijn voor de omschrijving van het onderwerp van de uitvinding, waarop de conclusies betrekking hebben, maar die, te zamen, behoren tot de stand van de techniek;
- b). een beschrijving van de kenmerken - voorafgegaan door de woorden „daardoor gekenmerkt” of „gekenmerkt door” - waarin de technische kenmerken worden uiteengezet waarvoor, te zamen met de kenmerken uiteengezet onder letter a), bescherming wordt gevraagd.
(2). Behoudens artikel 82, kan een Europese octrooiaanvrage verschillende onafhankelijke conclusies van dezelfde categorie (voortbrengsel, werkwijze, inrichting of gebruik) bevatten indien het onderwerp van de aanvrage niet voldoende kan worden gedekt door een enkele conclusie.
(3). Elke conclusie waarin de voornaamste kenmerken van de uitvinding worden aangegeven, kan worden gevolgd door een of meer conclusies betreffende bijzondere wijzen van belichaming van deze uitvinding.
(4). Elke conclusie die alle kenmerken van een andere conclusie omvat (afhankelijke conclusie) moet, indien mogelijk in de inleiding, verwijzen naar die andere conclusie en de bijkomende kenmerken vermelden waarvoor de bescherming wordt gevraagd. Een afhankelijke conclusie is eveneens toegestaan wanneer de conclusie waarnaar rechtstreeks wordt verwezen, zelf een afhankelijke conclusie is. Alle afhankelijke conclusies die verwijzen naar een enkele voorgaande conclusie en alle afhankelijke conclusies die verwijzen naar meer dan één voorgaande conclusie, dienen voor zover mogelijk op de meest praktische wijze te worden gerangschikt.
(5). Het aantal conclusies moet redelijk zijn, rekening houdend met de aard van de uitvinding waarvoor bescherming wordt gevraagd. Indien er meer dan één conclusie is, dienen zij doorlopend te worden genummerd in Arabische cijfers.
(6). Behalve wanneer dit absoluut noodzakelijk is, mogen de conclusies ten aanzien van de technische kenmerken van de uitvinding niet steunen op verwijzing naar de beschrijving of de tekeningen. In het bijzonder mogen zij niet steunen op verwijzingen zoals: „zoals beschreven in deel . . . van de beschrijving” of „zoals aangegeven in figuur . . . van de tekeningen”.
(7). Indien de Europese octrooiaanvrage tekeningen bevat, dienen de in de conclusies vermelde technische kenmerken in beginsel te worden gevolgd door op deze kenmerken betrekking hebbende en tussen haakjes geplaatste verwijzingstekens, indien hierdoor de conclusie verduidelijkt wordt. De verwijzingstekens mogen niet worden uitgelegd als een beperking van de conclusie.
Regel 30. Eenheid van uitvinding
Indien in een en dezelfde Europese octrooiaanvrage octrooi wordt gevraagd met betrekking tot een groep van uitvindingen, is aan het in artikel 82 bedoelde vereiste van eenheid van uitvinding slechts voldaan wanneer er sprake is van een technische verbondenheid tussen die uitvindingen die betrekking heeft op één of meer identieke of overeenkomstige bijzondere technische kenmerken. Onder „bijzondere technische kenmerken” wordt verstaan technische kenmerken die bepalend zijn voor een bijdrage die elk van de uitvindingen, als geheel beschouwd, levert aan de stand der techniek.
Om te bepalen of een groep van uitvindingen zodanig onderling is verbonden dat deze op een enkele algemene uitvindingsgedachte berusten, doet het niet ter zake of de uitvindingen worden omschreven in afzonderlijke conclusies dan wel als varianten in het kader van een enkele conclusie.
Regel 31. Conclusies waarvoor taksen betaald dienen te worden
Indien een Europese octrooiaanvrage bij de indiening meer dan tien conclusies bevat, dient voor iedere conclusie boven dit aantal een conclusietaks te worden betaald. De conclusietaksen moeten worden betaald binnen een maand na de indiening van de aanvrage. Indien de conclusietaksen niet binnen de termijnen zijn voldaan, kunnen zij alsnog worden betaald binnen een aanvullende termijn van een maand na de kennisgeving waarin wordt medegedeeld dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen.
Indien een conclusietaks niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn is betaald, wordt de aanvrager geacht van deze conclusie te hebben afgezien. Verschuldigde conclusietaksen die betaald zijn, worden alleen terugbetaald in het geval bedoeld in artikel 77, vijfde lid.
Regel 32. Vorm van de tekeningen
(1). Op bladen met tekeningen dient de te gebruiken bladspiegel niet groter te zijn dan 26,2 cm x 17 cm. De bladen mogen geen rand rond de te gebruiken of gebruikte bladspiegel hebben. De minimummarges dienen als volgt te zijn:
| bovenmarge: | 2,5 cm |
|---|---|
| linker marge: | 2,5 cm |
| rechter marge: | 1,5 cm |
| benedenmarge: | 1 cm |
(2). De tekeningen worden als volgt uitgevoerd:
- a). De tekeningen dienen te worden uitgevoerd in duurzame, zwarte, voldoende dichte en donkere, gelijkmatig en duidelijk aangegeven lijnen en strepen zonder kleur.
- b). Doorsneden dienen te worden aangegeven door arceringen die de duidelijke leesbaarheid van verwijzingstekens en hoofdlijnen niet mogen belemmeren.
- c). De schaal van de tekeningen en de duidelijkheid van de grafische uitvoering ervan dient zodanig te zijn dat bij een fotografische reproduktie op twee derde van de oorspronkelijke grootte alle details zonder moeite kunnen worden onderscheiden. Wanneer bij uitzondering op een tekening de schaal wordt vermeld, dient deze grafisch te zijn aangegeven.
- d). Alle cijfers, letters en verwijzingstekens op de tekeningen moeten eenvoudig en duidelijk zijn. Haakjes, cirkels of aanhalingstekens mogen niet te zamen met cijfers en letters worden gebruikt.
- e). Alle lijnen in de tekeningen dienen in beginsel te worden getrokken met behulp van tekeninstrumenten.
- f). De onderdelen van dezelfde figuur dienen in de juiste verhouding tot elkaar te staan, tenzij een andere verhouding onmisbaar is voor de duidelijkheid van de figuur.
- g). De hoogte van de cijfers en letters mag niet minder zijn dan 0,32 cm. Voor de letters en tekeningen dient het Latijnse en, waar gebruikelijk, het Griekse alfabet te worden gebruikt.
- h). Hetzelfde blad met tekeningen kan meer dan één figuur bevatten. Wanneer figuren op twee of meer bladen bedoeld zijn om een volledige figuur te vormen, dienen zij op de verschillende bladen zo te zijn geplaatst dat de volledige figuur kan worden gevormd zonder dat een deel van de op de verschillende bladen voorkomende figuren wordt bedekt. De verschillende figuren dienen op een blad of bladen te worden geplaatst zonder ruimteverspilling, bij voorkeur verticaal en duidelijk van elkaar gescheiden; wanneer de figuren niet verticaal worden geplaatst, moeten zij horizontaal worden weergegeven waarbij het bovenste deel van de figuren wordt gericht naar de linkerzijde van het blad. De verschillende figuren dienen doorlopend te worden genummerd in Arabische cijfers, onafhankelijk van de nummering van de bladen.
- i). Verwijzingstekens mogen alleen voor de tekeningen worden gebruikt indien zij voorkomen in de beschrijving en in de conclusie en omgekeerd. De verwijzingstekens van dezelfde kenmerken moeten in de gehele aanvrage gelijk zijn.
- j). De tekeningen dienen geen tekst te bevatten, behalve een enkel woord of woorden, indien zulks volstrekt onmisbaar is, zoals „water”, „stoom”, „open”, „dicht”, „doorsnede over AB” en, in het geval van elektrische schakelingen en blokschema's of vloeischemadiagrammen, enkele korte trefwoorden die onmisbaar zijn voor het begrijpen van de tekening. Dergelijke woorden dienen zo te worden geplaatst dat zij vertaling kunnen worden vervangen zonder de lijnen van de tekeningen te raken.
(3). Vloeischema's en diagrammen worden beschouwd als tekeningen.
Regel 33. Vorm en inhoud van het uittreksel
(1). Het uittreksel moet de titel van de uitvinding bevatten.
(2). Het uittreksel moet een beknopte samenvatting geven van wat is uiteengezet in de beschrijving, de conclusies en de tekeningen; de samenvatting dient het technische gebied van de uitvinding aan te geven en te zijn opgesteld op een wijze die een duidelijk begrip mogelijk maakt van het technische probleem, de kern van de oplossing van dat probleem door middel van de uitvinding en de voornaamste toepassing of toepassingen van de uitvinding. Het uittreksel bevat eventueel de chemische formule die, van de in de octrooiaanvrage opgenomen formules, de uitvinding het beste kenmerkt. Het mag geen verklaringen bevatten over de beweerde verdiensten of waarde van de uitvinding of over de theoretische toepassingsmogelijkheden ervan.
(3). Het uittreksel dient bij voorkeur niet meer dan 150 woorden te bevatten.
(4). Indien de Europese octrooiaanvrage tekeningen bevat, dient de aanvrager aan te geven welke figuur van de tekening of, in bijzondere gevallen, welke figuren van de tekeningen hij zich voorstelt met het uittreksel te doen publiceren. Het Europees Octrooibureau kan besluiten een andere figuur of meerdere andere figuren te publiceren indien het van oordeel is dat daardoor de uitvinding beter wordt gekenmerkt. Elk technisch hoofdkenmerk vermeld in het uittreksel en toegelicht door een tekening moet worden gevolgd door een verwijzingsteken tussen haakjes.
(5). Het uittreksel dient zo te zijn opgesteld, dat het een doeltreffend uitgangspunt voor het verrichten van onderzoek op het desbetreffende technische gebied vormt en dat aan de hand daarvan met name kan worden vastgesteld of het nodig is de octrooiaanvrage zelf te raadplegen.
Regel 34. Verboden elementen
(1). De Europese octrooiaanvrage mag niet bevatten:
- a). uiteenzettingen of tekeningen die in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden;
- b). kleinerende opmerkingen over voortbrengselen of werkwijzen van derden of de verdiensten of de geldigheid van octrooiaanvragen of octrooien van derden. Het louter vergelijken met de stand van de techniek wordt op zichzelf niet als kleinerend beschouwd;
- c). uiteenzettingen die kennelijk niet ter zake of overbodig zijn.
(2). Wanneer een Europese octrooiaanvrage uiteenzettingen of tekeningen bevat als bedoeld in het eerste lid, letter a), laat het Europees Octrooibureau deze bij publicatie van de aanvrage weg en geeft hierbij de plaats en het aantal van de weggelaten woorden en tekeningen aan.
(3). Wanneer de Europese octrooiaanvrage opmerkingen bevat als bedoeld in het eerste lid, letter b), kan het Europees Octrooibureau deze bij de publicatie van de aanvrage weglaten. In dat geval geeft het de plaats en het aantal van de weggelaten woorden aan en verstrekt op verzoek een afschrift van de weggelaten passages.
Regel 35. Algemene bepalingen inzake de indiening van de stukken van de aanvrage
(1). De vertalingen bedoeld in artikel 14, tweede lid, worden beschouwd als stukken van de aanvrage.
(2). De stukken van de Europese octrooiaanvrage dienen in drievoud te worden ingediend. De Voorzitter van het Europees Octrooibureau kan evenwel bepalen dat de stukken in minder dan drie exemplaren dienen te worden ingediend.
(3). De stukken van de Europese octrooiaanvrage dienen zo te worden overgelegd dat zij in een onbeperkt aantal exemplaren rechtstreeks kunnen worden gereproduceerd door middel van fotografie, elektrostatische werkwijzen, foto-offset en microfilm. De bladen dienen ongekreukt en ongescheurd te zijn; zij mogen niet gevouwen zijn. Elk blad dient slechts aan één kant te zijn gebruikt.
(4). De stukken van de Europese octrooiaanvrage moeten worden ingediend op buigzaam, sterk, wit, glad, niet-glanzend en duurzaam papier van het formaat A4 (29,7 cm x 21 cm). Onverminderd Regel 32, tweede lid, onder h, en deze Regel, elfde lid, dient elk blad te worden gebruikt met de korte zijde bovenaan en onderaan (verticale stand).
(5). Elk stuk van de Europese octrooiaanvrage (verzoek, beschrijving, conclusies, tekeningen, uittreksel) dient te beginnen op een nieuw blad. Alle bladen dienen zo aan elkaar te zijn gehecht dat zij gemakkelijk kunnen worden omgeslagen, en gemakkelijk gescheiden en weer samengevoegd.
(6). Onverminderd regel 32, eerste lid, dienen de minimummarges als volgt te zijn:
| bovenmarge: | 2 cm |
|---|---|
| linkermarge: | 2,5 cm |
| rechtermarge: | 2 cm |
| benedenmarge: | 2 cm |
Het aanbevolen maximum voor de hierboven genoemde marges is als volgt:
| bovenmarge: | 4 cm | |
|---|---|---|
| linkermarge: | 4 cm | |
| rechtermarge: | 3 cm | |
| benedenmarge: | 3 cm |
(7). Bij de indiening van de Europese octrooiaanvrage moeten de marges van de bladen geheel onbeschreven zijn.
(8). Alle bladen van de Europese octrooiaanvrage moeten doorlopend zijn genummerd in Arabische cijfers. De nummers van de bladen moeten zijn geplaatst boven aan de bladen in het midden doch niet in de bovenmarge.
(9). Elke vijfde regel van elk blad van de beschrijving en van de conclusies moet in principe worden genummerd, waarbij de nummers moeten worden aangebracht op de linkerzijde, aan de rechterkant van de marge.
(10). Het verzoek tot verlening van het Europees octrooi, de beschrijving, de conclusies en het uittreksel dienen in machineschrift of gedrukt te zijn. Alleen grafische symbolen en tekens, en chemische of wiskundige formules kunnen zo nodig met de hand worden geschreven of getekend. De tekst dient op 1| regelafstand te zijn getypt. De gehele tekst dient te zijn weergegeven in letters waarvan de hoofdletters tenminste 0,21 cm hoog zijn en die een donkere onuitwisbare kleur hebben.
(11). Het verzoek tot verlening van het Europees octrooi, de beschrijving, de conclusies en het uittreksel mogen geen tekeningen bevatten. De beschrijving, de conclusies en het uittreksel mogen chemische of wiskundige formules bevatten. De beschrijving en het uittreksel mogen tabellen bevatten. De conclusies mogen alleen tabellen bevatten indien het onderwerp daarvan het gebruik van tabellen wenselijk maakt. De tabellen en de wiskundige of chemische formules mogen op het blad horizontaal worden geplaatst indien een verticale plaatsing onmogelijk is; de bladen waarop de tabellen of de wiskundige of chemische formules horizontaal worden geplaatst, dienen zo te worden ingedeeld dat de bovenste delen van de tabellen of van de formules zijn gericht naar de linkerzijde van het blad.
(12). Maten en gewichten dienen volgens het metrieke stelsel te worden aangegeven; indien een ander stelsel wordt gebruikt, dienen zij ook in het metrieke stelsel te worden aangegeven. Temperaturen dienen te worden aangegeven in graden Celsius; indien een ander stelsel wordt gebruikt, dienen zij ook in graden Celsius te worden aangegeven. Voor andere natuurkundige grootheden moeten de eenheden van de internationale praktijk worden gebruikt, voor wiskundige formules de algemeen gebruikelijke symbolen en, voor chemische formules de symbolen, atoomgewichten en moleculaire formules die algemeen gebruikelijk zijn. In het algemeen dienen alleen die technische termen, tekens en symbolen te worden gebruikt die op het desbetreffende gebied algemeen zijn aanvaard.
(13). In een Europese octrooiaanvrage dienen overal dezelfde terminologie en dezelfde tekens te worden gebruikt.
(14). Elk blad dient redelijk vrij te zijn van raderingen en vrij te zijn van veranderingen, boven elkaar geschreven en tussengeschreven woorden. Afwijking van deze regel kan worden toegestaan indien de echtheid van de inhoud niet in het geding is en indien wordt voldaan aan de vereisten voor een goede reproduktie.
Regel 36. Naderhand ingediende stukken
(1). De regels 27, 29 en 32 tot en met 35 zijn van toepassing op de documenten die in de plaats komen van de stukken van de Europese octrooiaanvrage. Regel 35, tweede tot en met veertiende lid, is ook van toepassing op de in regel 51, zesde lid, bedoelde vertaling van de conclusies.
(2). Alle andere documenten dan die bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid moeten in beginsel in machineschrift of gedrukt zijn. Aan de linkerzijde op elk blad moet een marge van ongeveer 2,5 cm zijn gelaten.
(3). Met uitzondering van de als bijlage toegevoegde stukken moeten alle stukken, ingediend na de indiening van de Europese octrooiaanvrage, zijn ondertekend. Indien een document niet is ondertekend, verzoekt het Europees Octrooibureau de belanghebbende dit alsnog te doen binnen een door het Europees Octrooibureau te stellen termijn. Indien het document binnen de gestelde termijn wordt ondertekend, behoudt het de oorspronkelijke datum van ontvangst; in het andere geval wordt het document geacht niet te zijn ontvangen.
(4). Van de documenten die moeten worden doorgegeven aan andere personen of die meer dan een Europese octrooiaanvrage of meer dan een Europees octrooi betreffen, moet een toereikend aantal exemplaren worden ingediend. De ontbrekende exemplaren worden vervaardigd op kosten van de belanghebbende indien deze ondanks het verzoek van het Europees Octrooibureau niet voldoet aan deze verplichting.
(5). Niettegenstaande het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid kan de Voorzitter van het Europees Octrooibureau toestaan dat documenten die worden ingediend na de indiening van de Europese octrooiaanvrage worden toegezonden aan het Europees Octrooibureau met behulp van andere communicatiemiddelen en kan hij voorwaarden stellen voor het gebruik daarvan. Hij kan inzonderheid eisen dat binnen een door hem vast te stellen termijn een schriftelijke bevestiging verstrekt wordt waarin de inhoud van de op deze wijze ingediende documenten wordt weergegeven en die voldoet aan de voorschriften van dit Uitvoeringsreglement; indien deze bevestiging niet binnen de gestelde termijn is verstrekt, worden de documenten geacht niet te zijn ontvangen.
HOOFDSTUK V. BIOTECHNOLOGISCHE UITVINDINGEN
Regel 37. Betaling van de jaartaksen
(1). De jaartaksen voor een Europese octrooiaanvrage moeten telkens voor het komende jaar worden betaald op de laatste dag van de maand die overeenkomt met de maand waarin de datum van indiening van de Europese octrooiaanvrage valt. De jaartaks kan op zijn vroegst een jaar voor de vervaldatum ervan rechtsgeldig worden betaald.
(2). Een toeslag wordt geacht gelijktijdig met de jaartaks in de zin van artikel 86, tweede lid, te zijn betaald, indien deze wordt betaald binnen de in die bepaling vastgestelde termijn.
(3). De jaartaks die verschuldigd is voor een eerdere aanvrage tot aan de datum waarop een afgesplitste Europese octrooiaanvrage wordt ingediend, moet ook worden betaald voor de afgesplitste aanvrage en vervalt wanneer laatstgenoemde aanvrage wordt ingediend. Deze taksen en alle jaartaksen die vervallen binnen een termijn van vier maanden na de indiening van de afgesplitste octrooiaanvrage kunnen zonder toeslag binnen die termijn worden betaald. Indien de betaling niet binnen de termijn is geschied, kan de jaartaks alsnog binnen zes maanden na de vervaldag worden voldaan, mits tegelijkertijd de in artikel 86, tweede lid, bedoelde toeslag wordt betaald.
(4). De jaartaks voor een nieuwe Europese octrooiaanvrage, ingediend op grond van artikel 61, eerste lid, letter b), behoeft niet te worden betaald voor het jaar waarin die aanvrage is ingediend noch voor de voorafgaande jaren.
HOOFDSTUK IV. VOORRANG
Regel 38. Voorrangsverklaring en voorrangsbewijzen
(1). In de voorrangsverklaring, bedoeld in artikel 88, eerste lid, worden vermeld de datum van de eerdere aanvrage, de Staat waarin of waarvoor die aanvrage is ingediend en het nummer van de indiening.
(2). De datum en de Staat van de eerdere aanvrage moeten worden vermeld bij de indiening van de Europese octrooiaanvrage; het nummer van de indiening moet worden opgegeven voor het einde van de zestiende maand na de voorrangsdatum.
(3). Het afschrift van de eerdere aanvrage, dat vereist is voor het recht van voorrang, moet worden ingediend voor het einde van de zestiende maand na de voorrangsdatum. Dit afschrift moet voor eensluidend zijn gewaarmerkt door de instantie die de eerdere aanvrage heeft ontvangen en moet zijn vergezeld van een verklaring van deze instantie waarin de datum van indiening van de eerdere aanvrage wordt vermeld. Indien de eerdere aanvrage een Europese octrooiaanvrage is, of een internationale aanvrage die is ingediend bij het Europees Octrooibureau als ontvangend bureau in de zin van het Samenwerkingsverdrag, neemt het Europees Octrooibureau een afschrift van de eerdere aanvrage op in het dossier van de Europese octrooiaanvrage zonder een taks te verlangen.
(4). Indien van de eerdere aanvrage een vertaling in een van de officiële talen van het Europees Octrooibureau wordt vereist, moet deze vertaling worden ingediend binnen eenentwintig maanden na de voorrangsdatum.
(5). De gegevens in de voorrangsverklaring worden vermeld in de gepubliceerde Europese octrooiaanvrage en in het Europees octrooischrift.
DEEL III. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL III VAN HET VERDRAG
HOOFDSTUK I. INDIENING VAN DE EUROPESE OCTROOIAANVRAGE
Regel 39. Mededelingen naar aanleiding van het onderzoek bij de indiening
Indien de Europese octrooiaanvrage niet voldoet aan de vereisten van artikel 80, deelt de aanvraagafdeling de vastgestelde gebreken mede aan de aanvrager en bericht hem dat, indien hij binnen een maand deze gebreken niet herstelt, de aanvrage niet als Europese octrooiaanvrage zal worden behandeld. Indien de aanvrager tijdig de vastgestelde gebreken herstelt, doet de aanvraagafdeling hem mededeling van de datum van indiening.
Regel 40. Onderzoek van bepaalde vormvoorschriften
De vormvoorschriften waaraan elke Europese octrooiaanvrage moet voldoen op grond van artikel 91, eerste lid, letter b), zijn die welke zijn opgenomen in regel 32, eerste en tweede lid, regel 35, tweede tot en met elfde en veertiende lid, en regel 36, tweede en vierde lid.
Regel 41. Herstel van gebreken in de stukken van de aanvrage
(1). Indien uit het in artikel 91, eerste lid, letters a) tot en met d) bedoelde onderzoek blijkt, dat de Europese octrooiaanvrage gebreken vertoont, doet de aanvraagafdeling hiervan mededeling aan de aanvrager en verzoekt hem daarbij deze gebreken op te heffen binnen een door deze afdeling te stellen termijn. De beschrijving, de conclusies en de tekeningen mogen slechts worden gewijzigd voor zover nodig om de vastgestelde gebreken overeenkomstig de door de aanvraagafdeling gemaakte opmerkingen op te heffen.
(2). Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvrager die een beroep op het recht van voorrang doet, bij het indienen van de Europese octrooiaanvrage heeft nagelaten de datum of de Staat van de eerdere aanvrage te vermelden.
(3). Het eerste lid is evenmin van toepassing indien uit het onderzoek blijkt dat de bij de indiening van de Europese aanvrage opgegeven datum van de eerste aanvrage meer dan een jaar is gelegen voor de datum van indiening van de Europese octrooiaanvrage. In dit geval bericht de aanvraagafdeling de aanvrager dat er geen recht van voorrang bestaat, tenzij de aanvrager binnen een maand een andere datum opgeeft die is gelegen binnen het jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de Europese octrooiaanvrage.
Regel 42. Latere vermelding van de uitvinder
(1). Indien uit het in artikel 91, eerste lid, letter f), voorgeschreven onderzoek blijkt dat de vermelding van de uitvinder niet heeft plaats gevonden overeenkomstig regel 17, deelt de aanvraagafdeling de aanvrager mede dat de Europese octrooiaanvrage wordt geacht te zijn ingetrokken, tenzij hij dit gebrek alsnog binnen de in artikel 91, vijfde lid, gestelde termijn herstelt.
(2). Indien het een afgesplitste Europese aanvrage betreft of een nieuwe Europese octrooiaanvrage in de zin van artikel 61, eerste lid, letter b), kan de termijn waarbinnen de uitvinder alsnog kan worden vermeld nimmer korter zijn dan twee maanden na de in het eerste lid bedoelde mededeling waarin het einde van die termijn moet worden vermeld.
Regel 43. Ontbrekende of te laat ingediende tekeningen
(1). Indien uit het in artikel 91, eerste lid, letter g), voorgeschreven onderzoek blijkt dat de tekeningen zijn ingediend na de datum van indiening van de Europese octrooiaanvrage, deelt de aanvraagafdeling de aanvrager mede dat de tekeningen en de verwijzingen naar de tekeningen zoals die voorkomen in de Europese octrooiaanvrage, worden geacht te zijn vervallen, tenzij de aanvrager binnen een maand een verzoek indient om aan de aanvrage als nieuwe datum van indiening de datum toe te kennen waarop de tekeningen zijn ingediend.
(2). Indien uit het onderzoek blijkt, dat de tekeningen niet zijn ingediend, verzoekt de aanvraagafdeling de aanvrager deze alsnog binnen een maand in te dienen en deelt hem mede, dat als datum van indiening van de aanvrage de datum zal worden toegekend waarop de tekeningen worden ingediend, of dat, indien de tekeningen niet tijdig worden ingediend, de in de aanvrage voorkomende verwijzingen naar de tekeningen worden geacht te zijn vervallen.
(3). Elke nieuwe datum van indiening van de aanvrage wordt medegedeeld aan de aanvrager.
HOOFDSTUK I. INDIENING VAN DE EUROPESE OCTROOIAANVRAGE
Regel 44. Inhoud van het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek
(1). In het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek worden de geschriften genoemd waarover het Europees Octrooibureau beschikt bij het opstellen van het verslag en die in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van de nieuwheid van de uitvinding, waarop de Europese octrooiaanvrage betrekking heeft, alsmede van de uitvinderswerkzaamheden.
(2). Iedere aanhaling geschiedt met betrekking tot de conclusie waarop zij betrekking heeft. Indien nodig, worden de belangrijke gedeelten van het aangehaalde stuk vermeld (bijvoorbeeld door de bladzijde, de kolom en de regels of de figuren aan te geven).
(3). In het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de aangehaalde geschriften die zijn gepubliceerd voor de voorrangsdatum, tussen de voorrangsdatum en de datum van indiening, en op of na de datum van indiening.
(4). Elk geschrift waarin wordt verwezen naar een mondelinge openbaarmaking, naar een gebruik of naar iedere andere openbaarmaking welke heeft plaatsgevonden voor de datum van indiening van de Europese octrooiaanvrage, wordt in het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek aangehaald, met vermelding van de eventuele datum van publicatie van het geschrift, alsmede van de datum van de niet-schriftelijke openbaarmaking.
(5). Het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek wordt opgesteld in de procestaal.
(6). Het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek dient de classificatie van het onderwerp van de Europese octrooiaanvrage te vermelden overeenkomstig de internationale classificatie.
Regel 45. Onvolledig nieuwheidsonderzoek
Indien de afdeling voor het nieuwheidsonderzoek van oordeel is dat de Europese octrooiaanvrage zo weinig aan de bepalingen van het Verdrag voldoet dat het niet mogelijk is ten aanzien van alle conclusies of een gedeelte daarvan een dergelijk nieuwheidsonderzoek naar de stand der techniek in te stellen, verklaart deze afdeling dat een dergelijk nieuwheidsonderzoek niet mogelijk is of stelt, voor zover mogelijk, een gedeeltelijk verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek op. De verklaring en het gedeeltelijk verslag worden voor de verdere procedure beschouwd als het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek.
Regel 46. Verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek indien er geen eenheid van uitvinding is
(1). Indien de afdeling voor het nieuwheidsonderzoek van oordeel is dat de Europese octrooiaanvrage niet voldoet aan het vereiste van eenheid van uitvinding, stelt deze afdeling een gedeeltelijk verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek op voor die delen van de Europese octrooiaanvrage die betrekking hebben op de uitvinding, of op de groep van uitvindingen in de zin van artikel 82, die als eerste in de conclusies wordt genoemd. De afdeling deelt de aanvrager mede dat indien het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek ook de andere uitvindingen moet bestrijken, voor elke betrokken uitvinding een volgende taks voor het nieuwheidsonderzoek moet worden betaald binnen een door die afdeling te stellen termijn van minimaal twee weken en maximaal zes weken. De afdeling voor het nieuwheidsonderzoek stelt het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek op voor die delen van de Europese octrooiaanvrage die betrekking hebben op de uitvindingen waarvoor taksen voor het nieuwheidsonderzoek zijn betaald.
(2). Elke taks, die is betaald ingevolge het eerste lid, wordt terugbetaald indien, tijdens het onderzoek van de Europese octrooiaanvrage door de onderzoekafdeling, de aanvrager zulks verzoekt en de onderzoekafdeling vaststelt dat de in het eerste lid bedoelde mededeling niet gerechtvaardigd was.
Regel 47. Definitieve inhoud van het uittreksel
(1). De afdeling voor het nieuwheidsonderzoek stelt tegelijk met het rapport van het Europese nieuwheidsonderzoek de definitieve inhoud van het uittreksel vast.
(2). De definitieve inhoud van het uittreksel wordt met het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek toegezonden aan de aanvrager.
HOOFDSTUK III. PUBLICATIE VAN DE EUROPESE OCTROOIAANVRAGE
Regel 48. Technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie
(1). De Voorzitter van het Europees Octrooibureau bepaalt wanneer de technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie van de Europese octrooiaanvrage worden geacht te zijn beëindigd.
(2). De Europese octrooiaanvrage wordt niet gepubliceerd wanneer de aanvrage definitief is afgewezen, ingetrokken of wordt geacht te zijn ingetrokken voor het einde van de technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie.
Regel 49. Vorm van de publicatie van de Europese octrooiaanvragen en de verslagen van het Europees nieuwheidsonderzoek
(1). De Voorzitter van het Europees Octrooibureau bepaalt in welke vorm de Europese octrooiaanvragen worden gepubliceerd en welke gegevens daarbij moeten worden vermeld. Hetzelfde is van toepassing wanneer het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek en het uittreksel afzonderlijk worden gepubliceerd. De Voorzitter van het Europees Octrooibureau kan bijzondere voorschriften vaststellen voor de publicatie van het uittreksel.
(2). De aangewezen Verdragsluitende Staten moeten worden vermeld in de gepubliceerde Europese octrooiaanvrage.
(3). Indien voor het einde van de technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie van de Europese octrooiaanvrage de conclusies zijn gewijzigd overeenkomstig regel 86, tweede lid, worden de nieuwe of gewijzigde conclusies in de publicatie opgenomen naast de oorspronkelijke conclusies.
Regel 50. Inlichtingen betreffende de publicatie
(1). Het Europees Octrooibureau moet de aanvrager mededeling doen van de datum waarop in het Europees octrooiblad melding is gemaakt van de publikatie van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek en daarbij de aandacht van de aanvrager vestigen op artikel 94, tweede en derde lid.
(2). De aanvrager kan er zich niet op beroepen dat de mededeling bedoeld in het eerste lid niet heeft plaatsgevonden. Indien in de mededeling abusievelijk een latere datum wordt vermeld dan de datum waarop melding is gemaakt van de publicatie, dan is de latere datum bepalend voor de termijn waarbinnen het verzoek tot het verrichten van een onderzoek moet worden ingediend, tenzij hier duidelijk sprake is van een vergissing.
HOOFDSTUK IV. ONDERZOEK DOOR DE ONDERZOEKAFDELING
Regel 51. Onderzoekprocedure
(1). In de mededeling die ingevolge artikel 96, eerste lid, aan de aanvrager wordt gericht, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager desgewenst opmerkingen te maken over het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek en eventueel de beschrijving, de conclusies en de tekeningen te wijzigen.
(2). In elke mededeling die aan de aanvrager wordt gericht ingevolge artikel 96, tweede lid, verzoekt de onderzoekafdeling de aanvrager eventueel de vastgestelde gebreken op te heffen en, voor zover nodig, een beschrijving, conclusies en tekeningen in gewijzigde vorm in te dienen.
(3). Elke mededeling ingevolge artikel 96, tweede lid, moet met redenen zijn omkleed en alle gronden vermelden waarop het Europese octrooi niet kan worden verleend.
(4). Alvorens tot verlening van het Europees octrooi te besluiten, deelt de onderzoekafdeling de aanvrager mede in welke tekst zij overweegt het Europees octrooi te verlenen en verzoekt zij hem, binnen een door haar vast te stellen termijn die ten minste twee en ten hoogste vier maanden mag bedragen, te verklaren of hij instemt met de voorgestelde tekst. Deze termijn wordt een keer met maximaal twee maanden verlengd, mits de aanvrager zulks verzoekt voordat de termijn is verlopen.
(5). Indien de aanvrager nalaat zijn instemming te geven binnen de termijn overeenkomstig het vierde lid, wordt de Europese octrooiaanvrage afgewezen. Indien de aanvrager binnen deze termijn wijzigingen in de conclusies, beschrijving of tekeningen voorstelt waarvoor de onderzoekafdeling geen toestemming verleent ingevolge Regel 86, derde lid, verzoekt de onderzoekafdeling, alvorens een besluit te nemen, de aanvrager zijn opmerkingen voor te leggen binnen een door haar vast te stellen termijn en zet zij haar redenen voor dit verzoek uiteen.
(6). Indien is vastgesteld dat de aanvrager instemt met de tekst waarin de onderzoekafdeling beoogt het Europees octrooi te verlenen, eventuele voorgestelde wijzigingen in aanmerking nemend (regel 86, derde lid), nodigt zij de aanvrager uit, binnen een door haar te bepalen niet-verlengbare termijn van ten minste twee maanden en ten hoogste drie maanden, de taksen voor de verlening van het octrooi en het drukken van het octrooischrift te betalen en binnen dezelfde termijn een vertaling van de conclusies in te dienen in de twee officiële talen van het Europees Octrooibureau die niet de procestaal zijn.
(7). Indien de Europese octrooiaanvrage in de tekst waarin de onderzoekafdeling overweegt het Europees octrooi te verlenen meer dan tien conclusies omvat, verzoekt de onderzoekafdeling de aanvrager voor iedere conclusie boven dit aantal een conclusietaks te betalen binnen de termijn vastgelegd in het zesde lid, tenzij de taksen reeds zijn betaald overeenkomstig Regel 31, eerste lid.
(8). Indien de taksen voor de verlening en het drukken en de conclusietaksen niet binnen de voorgeschreven termijn zijn betaald of indien de vertaling niet binnen de voorgeschreven termijn is ingediend, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken.
(9). Indien een jaartaks verschuldigd wordt nadat het verzoek bedoeld in het zesde lid ter kennis is gebracht en vóór de eerstvolgende, mogelijke datum voor publicatie van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi, wordt de vermelding niet gepubliceerd voordat de jaartaks is betaald. De aanvrager wordt hiervan in kennis gesteld.
(10). In de in het zesde lid bedoelde mededeling van de onderzoekafdeling worden de aangewezen Verdragsluitende Staten vermeld die een vertaling verlangen op grond van artikel 65, eerste lid.
(11). Het besluit tot verlening van het Europees octrooi vermeldt de tekst van de Europese octrooiaanvrage op grond waarvan het Europees octrooi is verleend.
Regel 52. Verlening van het Europees octrooi aan verschillende aanvragers
Indien verschillende personen in het Europees octrooiregister staan ingeschreven als octrooiaanvragers voor verschillende Verdragsluitende Staten, verleent de onderzoekafdeling het Europees octrooi voor elk van die Verdragsluitende Staten aan die aanvrager of aanvragers die voor die Staat als rechthebbende(n) is of zijn ingeschreven.
HOOFDSTUK III. JAARTAKSEN
Regel 53. Technische voorbereidingen voor publicatie en vorm van het Europees octrooischrift
Regel 48 en regel 49, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het Europees octrooischrift. In het Europees octrooischrift wordt eveneens de termijn vermeld waarbinnen tegen het verleende Europese octrooi oppositie kan worden ingesteld.
Regel 54. Europees octrooibewijs
(1). Zodra het Europees octrooischrift is gepubliceerd, verstrekt het Europees Octrooibureau aan de octrooihouder een Europees octrooibewijs waaraan het octrooischrift als bijlage is toegevoegd. In het Europese octrooibewijs wordt verklaard dat het octrooi is verleend voor de in het octrooischrift omschreven uitvinding aan de daarin genoemde persoon voor de daarin aangewezen Verdragsluitende Staten.
(2). De houder van het Europees octrooi kan duplicaten van het Europees octrooibewijs aanvragen tegen betaling van een administratietaks.
DEEL VIJFDE. BEPALINGEN TER UITVOERING VAN HET VIJFDE DEEL VAN HET VERDRAG
Regel 55. Inhoud van het bezwaarschrift
Het bezwaarschrift dient te bevatten:
- a). de naam van de opposant en het adres en de Staat van zijn woonplaats of zetel overeenkomstig regel 26, tweede lid, letter c);
- b). het nummer van het Europees octrooi waartegen oppositie wordt ingesteld alsmede de naam van de octrooihouder en de titel van de uitvinding;
- c). een verklaring, waaruit blijkt in welke omvang er tegen het Europees octrooi bezwaar bestaat, en waarin de gronden van de oppositie alsmede de feiten en de bewijsmiddelen ter ondersteuning van deze gronden, worden aangegeven;
- d). indien opposant een gemachtigde heeft aangewezen, diens naam en kantooradres, overeenkomstig regel 26, tweede lid, letter c).
Regel 56. Niet-ontvankelijk verklaring van de opposant
(1). Indien de oppositieafdeling vaststelt dat de oppositie niet in overeenstemming is met artikel 99, eerste lid, regel 1, eerste lid, en regel 55, letter c), of dat daarbij niet voldoende het desbetreffende octrooi is aangeduid, verklaart zij de opposant niet ontvankelijk, tenzij voor het verstrijken van de termijn voor oppositie deze gebreken zijn opgeheven.
(2). Indien de oppositieafdeling vaststelt dat de oppositie niet in overeenstemming is met andere bepalingen dan in het eerste lid bedoeld, deelt zij dit mede aan de opposant en verzoekt hem die vastgestelde gebreken op te heffen binnen een door haar te stellen termijn. Indien de gebreken niet tijdig zijn opgeheven, verklaart de oppositieafdeling de opposant niet ontvankelijk.
(3). Een beslissing, waarbij een opposant niet ontvankelijk wordt verklaard, wordt met een afschrift van het bezwaarschrift medegedeeld aan de octrooihouder.
Regel 57. Voorbereidingen van het onderzoek van de oppositie
(1). De oppositieafdeling doet de octrooihouder mededeling van de ingestelde oppositie en verzoekt hem binnen een door haar te stellen termijn opmerkingen te maken en eventueel wijzigingen in de beschrijving, de conclusies en de tekeningen in te dienen.
(2). Indien verschillende opposities zijn ingesteld, wordt hiervan tegelijk met de mededeling bedoeld in het eerste lid door de oppositieafdeling kennis gegeven aan de verschillende opposanten.
(3). De opmerkingen van de octrooihouder en de wijzigingen die hij heeft ingediend worden aan de andere betrokken partijen medegedeeld door de oppositiefadeling die, indien zij dit wenselijk acht, de partijen verzoekt binnen een door haar te stellen termijn hierop te antwoorden.
(4). Indien een verklaring van tussenkomst in de oppositieprocedure wordt ingediend, kan de oppositieafdeling van toepassing van het eerste, tweede en derde lid afzien.
Regel 58. Onderzoek van het gemaakte bezwaar
(1). De overeenkomstig artikel 101, tweede lid, gedane mededelingen en de antwoorden hierop worden ter kennis van alle partijen gebracht.
(2). In aan de houder van het Europees octrooi overeenkomstig artikel 101, tweede lid, gedane mededelingen wordt deze indien noodzakelijk verzocht de beschrijving, conclusies en tekeningen in gewijzigde vorm in te dienen.
(3). Een aan de houder van het Europees octrooi overeenkomstig artikel 101, tweede lid, gedane mededeling is zo nodig met redenen omkleed. De mededeling kan alle gronden bevatten die zich tegen het in stand blijven van het Europees octrooi verzetten.
(4). Alvorens te besluiten het Europees octrooi in gewijzigde vorm in stand te houden, deelt de oppositieafdeling de partijen mede in welke omvang zij overweegt het octrooi in stand te houden en verzoekt zij hun binnen twee maanden opmerkingen in te dienen indien zij niet instemmen met de door de oppositieafdeling voorgestelde tekst van het in stand te houden octrooi.
(5). Bij gebreke van instemming met de door de oppositieafdeling medegedeelde tekst kan het onderzoek van de oppositie worden voortgezet; in het tegengestelde geval verzoekt de oppositieafdeling bij het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn de houder van het Europees octrooi binnen drie maanden de taks voor het drukken van een nieuw Europees octrooischrift te betalen en een vertaling van de gewijzigde conclusies in te dienen in de twee officiële talen van het Europees Octrooibureau die niet de procestaal zijn.
(6). Indien de in het vijfde lid vereiste handelingen niet tijdig zijn verricht, kunnen zij alsnog worden verricht binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving waarin wordt medegedeeld dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen, mits binnen deze termijn van twee maanden een toeslag gelijk aan tweemaal de taks voor het drukken van een nieuw Europees octrooischrift wordt betaald.
(7). In de in het vijfde lid bedoelde mededeling van de oppositieafdeling worden de aangewezen Verdragsluitende Staten vermeld die een vertaling verlangen op grond van artikel 65, eerste lid.
(8). In het besluit tot instandhouding van het Europees octrooi in zijn gewijzigde vorm wordt de tekst van het Europees octrooi vermeld, waarmede het octrooi in stand blijft.
Regel 59. Opvragen van bescheiden
Bescheiden waarnaar door een partij bij de oppositieprocedure wordt verwezen dienen in tweevoud te worden ingediend te zamen met het bezwaarschrift of de schriftelijke opmerkingen. Indien die bescheiden niet tijdig worden bijgevoegd of ingediend op verzoek van het Europees Octrooibureau, hoeft het geen rekening te houden met de daarop gegronde argumenten.
Regel 60. Ambtshalve voortzetting van de oppositieprocedure
(1). Indien de octrooihouder voor alle aangewezen Staten afstand heeft gedaan van het Europees octrooi of indien dit octrooi voor al die Staten is geëindigd, kan de oppositieprocedure worden voortgezet op verzoek van de opposant; dit verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden nadat het Europees Octrooibureau aan de opposant de afstand of het einde heeft medegedeeld.
(2). Komt een opposant te overlijden of wordt hij handelingsonbekwaam, dan kan de oppositieprocedure ambtshalve worden voortgezet, zelfs indien zijn erfgenamen of zijn wettelijke vertegenwoordigers hieraan niet deelnemen. Dit geldt ook indien de oppositie wordt ingetrokken.
Regel 61. Overgang van het Europees octrooi
Regel 20 is van overeenkomstige toepassing op de overgang van het Europees octrooi gedurende de termijn voor oppositie of gedurende de oppositieprocedure.
Regel 61a. Documenten oppositieprocedure
Het Derde Deel, Hoofdstuk II, van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op documenten ingediend in de oppositieprocedure.
Regel 62. Vorm van het nieuwe Europese octrooischrift in de oppositieprocedure
Regel 49, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het nieuwe Europese octrooischrift.
Regel 62a. Aanvragen met meerdere onafhankelijke conclusies
Indien het Europees Octrooibureau oordeelt dat de conclusies zoals ingediend niet voldoen aan regel 43, tweede lid, verzoekt het de aanvrager binnen een termijn van twee maanden de conclusies aan te geven die voldoen aan regel 43, tweede lid, op basis waarvan het nieuwheidsonderzoek dient te worden verricht. Indien de aanvrager nalaat dit tijdig aan te geven, wordt het nieuwheidsonderzoek uitgevoerd op basis van de eerste conclusie van elke categorie.
De onderzoeksafdeling verzoekt de aanvrager de conclusies tot het onderzochte onderwerp te beperken, tenzij zij vaststelt dat het bezwaar bedoeld in het eerste lid ongegrond was.
Regel 63. Kosten
(1). De verdeling van de kosten wordt geregeld bij de beslissing ten aanzien van de oppositie. Bij de verdeling kunnen alleen in aanmerking worden genomen de uitgaven welke noodzakelijk waren om de in het geding zijnde rechten op een juiste manier te verdedigen. Onder de kosten valt de vergoeding van de vertegenwoordigers van de partijen.
(2). De kostenafrekening en de bewijsstukken worden als bijlage toegevoegd aan het verzoek tot vaststelling van de kosten. Dit verzoek is slechts ontvankelijk indien de beslissing waarvoor de vaststelling der kosten wordt verzocht, in kracht van gewijsde is gegaan. Voor het vaststellen van de kosten is het voldoende dat zij aannemelijk worden gemaakt.
(3). Het verzoek waarbij van de oppositieafdeling een beslissing wordt verlangd omtrent de door de griffie vastgestelde kosten moet schriftelijk en met redenen omkleed worden ingediend bij het Europees Octrooibureau binnen een maand nadat de vaststelling der kosten is medegedeeld. Dit verzoek wordt slechts geacht te zijn gedaan wanneer de taks voor de vaststelling van de kosten is betaald.
(4). De oppositieafdeling beslist over het in het derde lid bedoelde verzoek zonder mondelinge behandeling.
DEEL ZESDE. BEPALINGEN TER UITVOERING VAN HET ZESDE DEEL VAN HET VERDRAG
Regel 64. Inhoud van het beroepsschrift
Het beroepsschrift moet bevatten:
- a). naam en adres van degene die het beroep instelt, overeenkomstig regel 26, tweede lid, letter c);
- b). een verzoek waarbij de bestreden beslissing wordt aangeduid en waarbij wordt verklaard in hoeverre wijziging of herroeping hiervan wordt verlangd.
Regel 65. Niet-ontvankelijk verklaring van het beroep
(1). Indien het beroep niet in overeenstemming is met de artikelen 106 tot en met 108, regel 1, eerste lid, en regel 64, letter b), verklaart de kamer van beroep dit beroep niet-ontvankelijk, tenzij de gebreken zijn opgeheven vóór het verstrijken van de van toepassing zijnde termijn bedoeld in artikel 108.
(2). Indien de kamer van beroep vaststelt dat het beroep niet in overeenstemming is met regel 64, letter a), deelt zij dit mede aan degene die het beroep heeft ingesteld en verzoekt hem de vastgestelde gebreken op te heffen binnen een door haar te stellen termijn. Wanneer de gebreken niet tijdig zijn opgeheven, verklaart de kamer van beroep het beroep niet-ontvankelijk.
Regel 66. Onderzoek van het beroep
(1). Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen betreffende de procedure voor de instantie die de beslissing waartegen beroep is ingesteld heeft genomen, van overeenkomstige toepassing op de beroepsprocedure.
(2). De beslissing wordt ondertekend door de voorzitter van de kamer van beroep en door een daartoe bevoegd personeelslid van de griffie van die kamer. De beslissing bevat:
- a). de vermelding dat zij is genomen door de kamer van beroep;
- b). de datum waarop zij is genomen;
- c). de namen van de voorzitter en van de andere leden van de kamer van beroep die hieraan hebben deelgenomen;
- d). de namen van de partijen en hun vertegenwoordigers;
- e). de verklaringen van de partijen;
- f). een kort overzicht van de feiten;
- g). de gronden van de beslissing;
- h). de uitspraak en eventueel de beslissing inzake de procedurekosten.
Regel 67. Terugbetaling van de beroepstaks
Terugbetaling van de beroepstaks wordt bevolen bij een prejudiciële herziening of wanneer de kamer van beroep degene die het beroep heeft ingesteld in het gelijk heeft gesteld, en indien de terugbetaling billijk is in verband met een wezenlijke tekortkoming in de procedure. Bij prejudiciële herziening wordt de terugbetaling bevolen door de instantie wier beslissing is bestreden en in de andere gevallen door de kamer van beroep.
DEEL ZEVENDE. BEPALINGEN TER UITVOERING VAN HET ZEVENDE DEEL VAN HET VERDRAG
HOOFDSTUK II. VERSLAG VAN HET EUROPEES NIEUWHEIDSONDERZOEK
Regel 68. Vorm van de beslissingen
(1). De beslissingen genomen tijdens een mondelinge procedure voor het Europees Octrooibureau kunnen ter zitting worden uitgesproken. Zij worden vervolgens schriftelijk geformuleerd en aan de partijen medegedeeld.
(2). De beslissingen van het Europees Octrooibureau waartegen een beroep kan worden ingesteld, dienen met redenen te zijn omkleed en moeten vergezeld zijn van de mededeling dat tegen de desbetreffende beslissing beroep kan worden ingesteld. In de mededeling worden de partijen eveneens gewezen op de artikelen 106 tot en met 108 waarvan de tekst als bijlage wordt bijgevoegd. De partijen kunnen zich niet beroepen op het achterwege blijven van deze mededeling.
Regel 69. Vaststelling van het teloorgaan van rechten
(1). Indien het Europees Octrooibureau vaststelt dat een bepaald recht op grond van het Verdrag is teloorgegaan zonder dat een beslissing is genomen tot afwijzing van de Europese octrooiaanvrage, tot verlening, herroeping of instandhouding van het Europees octrooi of met betrekking tot de bewijsvoering doet het Europees Octrooibureau hiervan mededeling aan de betrokken persoon overeenkomstig het bepaalde in artikel 119.
(2). Indien de betrokken persoon van oordeel is dat de bevindingen van het Europees Octrooibureau niet gegrond zijn, kan deze persoon binnen twee maanden nadat de in het eerste lid bedoelde mededeling is gedaan, een beslissing daaromtrent van het Europees Octrooibureau verzoeken. Een dergelijke beslissing wordt slechts genomen indien het Europees Octrooibureau de mening van de verzoekende partij niet deelt; anders zal het Europees Octrooibureau de verzoekende partij inlichten.
Regel 70. Handtekening, naam, stempel
(1). Elke beslissing, mededeling en kennisgeving van het Europese Octrooibureau moet zijn voorzien van de handtekening en de naam van het verantwoordelijke personeelslid.
(2). Wanneer de in het eerste lid bedoelde stukken door het verantwoordelijke personeelslid met behulp van een computer worden vervaardigd, kan een stempel de handtekening vervangen. Wanneer de stukken automatisch door een computer worden vervaardigd kan ook de naam van het personeelslid worden weggelaten. Hetzelfde geldt voor voorgedrukte kennisgevingen en mededelingen.
HOOFDSTUK III. PUBLICATIE VAN DE EUROPESE OCTROOIAANVRAGE
Regel 71. Oproep tot verschijnen in een mondelinge procedure
(1). In de oproep aan de partijen tot verschijnen in een mondelinge procedure overeenkomstig artikel 116 wordt gewezen op het tweede lid van deze regel. De oproep wordt ten minste twee maanden van tevoren gedaan tenzij de partijen met een kortere termijn instemmen.
(2). Indien een partij, die volgens de voorschriften is opgeroepen om te verschijnen in een mondelinge procedure voor het Europees Octrooibureau, niet is verschenen, wordt de procedure in haar afwezigheid voortgezet.
Regel 72. Bewijsvoering door het Europees Octrooibureau
(1). Indien het Europees Octrooibureau het noodzakelijk acht partijen, getuigen of deskundigen te horen of de situatie ter plaatse te bezichtigen, neemt het daartoe een beslissing waarin het betreffende bewijsmiddel, de ter zake dienende feiten die bewezen moeten worden, de dag, de tijd en de plaats worden aangegeven. Indien een partij verzocht heeft getuigen of deskundigen te horen, wordt in de beslissing van het Europees Octrooibureau de termijn vastgesteld waarbinnen de verzoekende partij aan het Europees Octrooibureau de namen en adressen van de getuigen en deskundigen moet opgeven die zij wil doen horen.
(2). De oproep tot verschijnen aan de partijen, de getuigen of de deskundigen moet ten minste twee maanden van tevoren worden gedaan, tenzij de belanghebbenden met een kortere termijn instemmen. De oproep moet bevatten:
- a). een uittreksel van de in het eerste lid genoemde beslissing waarin met name wordt aangegeven de dag, de tijd en de plaats waarop de bevolen bewijsvoering zal plaatsvinden alsmede de feiten waarover de partijen, de getuigen en de deskundigen zullen worden gehoord;
- b). de namen van de partijen bij de procedure en de vermelding van de rechten waarop de getuigen en de deskundigen aanspraak kunnen maken op grond van regel 74, tweede tot en met vierde lid;
- c). een aanduiding, dat elke partij, getuige, of deskundige kan verzoeken te worden gehoord door de bevoegde rechterlijke instanties van de Staat op het grondgebied waarvan hij woont, en een verzoek om het Europees Octrooibureau binnen een door het Bureau vast te stellen termijn te doen weten of hij bereid is voor het Europees Octrooibureau te verschijnen.
(3). Alvorens de partij, de getuige of de deskundige wordt gehoord, wordt hem medegedeeld dat het Europees Octrooibureau de bevoegde rechterlijke instanties van de Staat, op het grondgebied waarvan hij woont, kan verzoeken hem opnieuw te horen onder ede of op een gelijkelijk bindende wijze.
(4). De partijen kunnen de bewijsvoering bijwonen en aan de te horen partijen, getuigen en deskundigen alle ter zake dienende vragen stellen.
Regel 73. Aanwijzing van deskundigen
(1). Het Europees Octrooibureau beslist over de vorm waarin de rapporten van de door hem aan te wijzen deskundigen moeten worden ingediend.
(2). De opdracht aan de deskundige moet bevatten:
- a). een nauwkeurige taakomschrijving;
- b). de termijn waarbinnen hij het deskundigenrapport moet indienen;
- c). de namen van de partijen bij de procedure;
- d). de vermelding van de rechten waarop hij aanspraak kan maken op grond van regel 74, tweede tot en met vierde lid.
(3). Een afschrift van het schriftelijke rapport wordt aan de partijen verstrekt.
(4). De partijen kunnen de deskundigen wraken. De betrokken instantie van het Europees Octrooibureau beslist over de wraking.
Regel 74. Kosten van de bewijsvoering
(1). Het Europees Octrooibureau kan bepalen dat de partij, die de bewijsvoering heeft aangevraagd, voor de uitvoering hiervan bij het Europees Octrooibureau een bedrag zal storten dat door het Europees Octrooibureau wordt vastgesteld aan de hand van de te verwachten kosten.
(2). De getuigen en de deskundigen, die zijn opgeroepen door en verschijnen voor het Europees Octrooibureau, hebben recht op een billijke vergoeding van hun reis- en verblijfkosten. Op deze kosten kan hun een voorschot worden verleend. De eerste volzin van dit lid is van toepassing op de getuigen en de deskundigen die voor het Europees Octrooibureau verschijnen zonder hiervoor te zijn opgeroepen en die als zodanig worden gehoord.
(3). De getuigen, die recht hebben op een vergoeding op grond van het tweede lid, hebben tevens recht op een billijke vergoeding voor dienstverzuim; de deskundigen hebben recht op een honorarium voor hun werkzaamheden. Deze vergoedingen en honoraria worden aan de getuigen of deskundigen uitbetaald nadat zij hun plichten en taken hebben vervuld.
(4). De Raad van Bestuur bepaalt de wijze waarop het tweede en derde lid zullen worden toegepast. De betaling van de op grond van deze leden verschuldigde bedragen geschiedt door het Europees Octrooibureau.
Regel 75. Het bewaren van bewijs
(1). Op verzoek kan het Europees Octrooibureau met betrekking tot de bewijsvoering onverwijld een maatregel nemen tot het veiligstellen van het bewijs van feiten die van belang kunnen zijn bij een beslissing welke het Europees Octrooibureau waarschijnlijk zal moeten nemen ten aanzien van een Europese octrooiaanvrage of een Europees octrooi, wanneer te vrezen valt dat de bewijsvoering later moeilijker of zelfs onmogelijk wordt. De datum van de bewijsvoering moet tijdig worden medegedeeld aan de aanvrager of aan de houder van het octrooi om hem in staat te stellen daarbij aanwezig te zijn. Hij kan alle ter zake dienende vragen stellen.
(2). Het verzoek dient te bevatten:
- a). de naam van de verzoeker en het adres en de Staat van zijn woonplaats of zetel overeenkomstig regel 26, tweede lid, letter c);
- b). een voldoend duidelijke aanduiding van de desbetreffende Europese octrooiaanvrage of het desbetreffende Europees octrooi;
- c). een aanduiding van de te bewijzen feiten;
- d). een aanduiding van het bewijsmiddel;
- e). een uiteenzetting van de reden waarom verwacht mag worden dat de bewijsvoering later moeilijker of zelfs onmogelijk zal kunnen worden.
(3). Het verzoek wordt eerst geacht te zijn gedaan na betaling van de taks voor het veilig stellen van het bewijs.
(4). De beslissing over het verzoek en de daaropvolgende bewijsvoering wordt genomen door de instantie van het Europees Octrooibureau, die de beslissing zal moeten nemen waarvoor de te bewijzen feiten van belang zouden kunnen zijn. De bepalingen van het Verdrag die betrekking hebben op de bewijsvoering bij de procedure voor het Europees Octrooibureau zijn van toepassing.
Regel 76. Verslag van de mondelinge procedures en de bewijsvoering
(1). Van een mondelinge procedure en de bewijsvoering wordt een verslag opgesteld waarin het belangrijkste van de mondelinge procedure of van de bewijsvoering wordt weergegeven alsmede de van belang zijnde mededelingen van de partijen en de verklaringen van de partijen, de getuigen of de deskundigen alsmede de bevindingen van de bezichtiging ter plaatse.
(2). Het verslag van de verklaring van een getuige, een deskundige of een partij wordt de betrokkene voorgelezen en hem ter kennisneming overhandigd. Op het verslag wordt aangetekend dat deze formaliteit is vervuld en dat het verslag is goedgekeurd door degene die de verklaring heeft afgelegd. Wanneer het verslag niet wordt goedgekeurd, wordt melding gemaakt van de gemaakte bezwaren.
(3). Het verslag wordt ondertekend door het personeelslid dat het heeft opgesteld en door het personeelslid dat de mondelinge procedure of de bewijsvoering heeft geleid.
(4). Een afschrift van het verslag wordt verstrekt aan de partijen.
HOOFDSTUK V. HET EUROPEES OCTROOISCHRIFT
Regel 77. Algemene bepalingen betreffende de mededelingen
(1). Bij de procedure voor het Europees Octrooibureau worden alle te verrichten kennisgevingen gedaan door middel van het originele stuk, een door het Europees Octrooibureau voor eensluidend gewaarmerkt of van een stempel voorzien afschrift daarvan dan wel een computeruitdraai die van dit stempel is voorzien. De door de partijen zelf ingediende afschriften van stukken behoeven echter niet op die wijze te worden gewaarmerkt.
(2). De kennisgeving wordt gedaan:
- a. per post in overeenstemming met regel 78;
- b. door afgifte ten kantore van het Europees Octrooibureau in overeenstemming met regel 79;
- c. door publikatie in overeenstemming met regel 80, of
- d. door middel van door de Voorzitter van het Europees Octrooibureau te bepalen technische communicatiemiddelen onder de door hem vast te stellen gebruiksvoorwaarden.
(3). De kennisgeving door tussenkomst van de centrale dienst voor de industriële eigendom van een Verdragsluitende Staat wordt gedaan overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op die dienst bij de nationale procedures.
Regel 78. Kennisgeving per post
(1). Van beslissingen, waarbij een termijn voor beroep ingaat, van oproepen en van alle andere door de Voorzitter van het Europees Octrooibureau aan te wijzen stukken wordt kennisgeving gedaan per aangetekende brief met verzoek om bevestiging van ontvangst. De andere kennisgevingen per post, met uitzondering van die welke zijn bedoeld in het tweede lid, geschieden per aangetekende brief.
(2). De kennisgevingen aan personen die hun woonplaats of zetel niet op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat hebben en die niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 133, tweede lid, een gemachtigde hebben aangewezen, worden verzonden als gewone brief met het bij het Europees Octrooibureau laatst bekende adres van de betrokken persoon. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer deze brief is gepost, ook al wordt deze als onbestelbaar aan de afzender teruggezonden.
(3). Wanneer de kennisgeving is gedaan door middel van een aangetekende brief met of zonder verzoek om bevestiging van ontvangst, wordt deze geacht door de geadresseerde te zijn ontvangen op de tiende dag nadat deze is gepost, tenzij het stuk de geadresseerde niet of pas later heeft bereikt; in geval van betwisting dient het Europees Octrooibureau te bewijzen dat de brief is aangekomen of eventueel dat de brief op een bepaalde datum aan de geadresseerde is overhandigd.
(4). De kennisgeving door middel van een aangetekende brief met of zonder verzoek om bevestiging van ontvangst, wordt geacht te zijn gedaan, zelfs indien de brief is geweigerd.
(5). Voor zover de kennisgeving per post niet geheel wordt geregeld door het bepaalde in deze regel, geldt het op de postbestelling van toepassing zijnde recht van de Staat op het grondgebied waarvan de kennisgeving wordt gedaan.
Regel 79. Kennisgeving door rechtstreekse overhandiging
De kennisgeving kan ten kantore van het Europees Octrooibureau worden gedaan door rechtstreekse overhandiging van het stuk aan de persoon voor wie het is bestemd en die hiervoor een bewijs van ontvangst afgeeft. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan ook al weigert de persoon voor wie het stuk is bestemd, het stuk te ontvangen of hiervoor een ontvangstbewijs af te geven.
Regel 80. Openbare kennisgeving
(1). Indien het niet mogelijk is het adres van de persoon voor wie het stuk bestemd is te achterhalen, of indien kennisgeving in overeenstemming met regel 78, eerste lid, onmogelijk is gebleken, zelfs na een tweede poging van het Europees Octrooibureau, wordt de kennisgeving gedaan door middel van publikatie.
(2). De Voorzitter van het Europees Octrooibureau bepaalt op welke wijze deze publicatie zal geschieden alsmede op welke datum de termijn van een maand aanvangt aan het einde waarvan de kennisgeving van het stuk wordt geacht te zijn geschied.
Regel 81. Kennisgeving aan de gemachtigde of aan de vertegenwoordiger
(1). Indien een gemachtigde is aangewezen, worden aan hem de kennisgevingen gedaan.
(2). Indien meer dan één gemachtigde is aangewezen voor een enkele partij, dient de kennisgeving slechts aan één van hen te worden gedaan.
(3). Indien verschillende partijen een gemeenschappelijke vertegenwoordiger hebben, kan de kennisgeving van de stukken in enkelvoud aan de gemeenschappelijke vertegenwoordiger worden gedaan.
Regel 82. Gebreken in de kennisgeving
Indien het Europees Octrooibureau niet kan bewijzen dat van een bepaald stuk op de juiste manier is kennisgegeven of indien de bepalingen inzake de kennisgeving niet zijn nagekomen, wordt van het stuk geacht te zijn kennisgegeven op de datum waarop het volgens het door het Europees Octrooibureau te leveren bewijs is ontvangen.
HOOFDSTUK V. HET EUROPEES OCTROOISCHRIFT
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)