Maritiem arbeidsverdrag, 2006

Type Verdrag
Publication 2024-12-23
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
    1. Niets in het vijfde en zesde lid van deze norm belet een Lid door middel van nationale wet- en regelgeving of een procedure voor de bevoegde autoriteit collectieve overeenkomsten goed te keuren of te sluiten die uitzonderingen toelaten op de vastgestelde grenzen. Deze uitzonderingen dienen zo veel mogelijk in overeenstemming te zijn met de bepalingen van deze norm, maar mogen voorzien in frequentere of langere verlofperioden, of in compensatieverlof voor zeevarenden met wachtdienst of zeevarenden werkzaam aan boord van schepen op reizen van korte duur.
    1. Niets in deze norm wordt geacht het recht aan te tasten van de kapitein van een schip van een zeevarende te verlangen dat hij de nodige uren arbeid verricht ten behoeve van de onmiddellijke veiligheid van het schip, van personen aan boord of van de lading, of voor het verlenen van hulp aan andere op zee in nood verkerende schepen of personen. Op overeenkomstige wijze kan de kapitein de normale arbeids- of rusttijden opschorten en van een zeevarende eisen dat hij de nodige uren arbeid verricht totdat de normale situatie is hersteld. Zodra zulks uitvoerbaar is nadat de normale situatie is hersteld, draagt de kapitein er zorg voor dat de zeevarenden die werkzaamheden hebben verricht tijdens een ingeroosterde rustperiode een passende rustperiode krijgen.
    1. Op zee en in havens zouden de volgende bepalingen van toepassing moeten zijn op alle jonge zeevarenden onder de 18 jaar:
  • a. de arbeidstijden dienen niet meer dan acht uur per dag en 40 uur per week te bedragen en overuren mogen uitsluitend worden gemaakt wanneer dit om veiligheidsredenen onvermijdelijk is;
  • b. er dient voldoende tijd te worden gereserveerd voor maaltijden, alsmede een pauze van ten minste een uur voor de hoofdmaaltijd van de dag; en
  • c. na twee uur ononderbroken werkzaamheden dient zo snel mogelijk een rustperiode van 15 minuten te worden gegeven.
    1. In uitzonderlijke gevallen behoeven de bepalingen van het eerste lid van deze leidraad niet te worden toegepast indien:
  • a. de bepalingen praktisch onuitvoerbaar zijn voor jonge zeevarenden die op het dek, in de machinekamer of in het cateringgedeelte wachttaken verrichten of in ingeroosterde ploegenarbeid werken; of
  • b. de feitelijke opleiding van jonge zeevarenden, in overeenstemming met vastgestelde programma’s en regelingen, in het geding zou komen.
    1. Dergelijke uitzonderlijke situaties dienen, met redenen omkleed, te worden geregistreerd en door de kapitein worden ondertekend.
    1. Het eerste lid van deze leidraad ontslaat jonge zeevarenden niet van de algemene verplichting voor alle zeevarenden tijdens een noodsituatie werkzaamheden te verrichten, als bedoeld in het veertiende lid van norm A2.3.

Voorschrift 2.4. – Recht op verlof

Doel: Verzekeren dat zeevarenden passend verlof krijgen

    1. Elk Lid verlangt dat zeevarenden die zijn tewerkgesteld op schepen die zijn vlag voeren onder passende voorwaarden jaarlijks verlof met behoud van loon krijgen, in overeenstemming met de bepalingen van de Code.
    1. Aan zeevarenden wordt verlof aan wal verleend ten behoeve van hun gezondheid en welzijn, voor zover verenigbaar met de bij hun functie behorende werkzaamheden op het schip.
    1. Elk Lid neemt wet- en regelgeving aan waarin de minimumnormen worden vastgelegd voor jaarlijks verlof voor zeevarenden die werkzaam zijn op schepen die zijn vlag voeren, daarbij naar behoren rekening houdend met de bijzondere behoeften van zeevarenden met betrekking tot dergelijk verlof.
    1. Onverminderd eventuele collectieve overeenkomsten of wet- en regelgeving die voorzien in een passende berekeningsmethode waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere behoeften van zeevarenden op dit gebied, moet het jaarlijks verlof met behoud van loon worden berekend op basis van een minimum van 2,5 kalenderdagen per maand tewerkstelling. De wijze waarop de duur van het dienstverband wordt berekend, wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld of via de in elk land daartoe aangewezen organen. Gerechtvaardigde absentie van het werk wordt niet aangemerkt als jaarlijks verlof.
    1. Elke overeenkomst om afstand te doen van het recht op het minimum jaarlijks verlof met behoud van loon als voorgeschreven in deze norm, behoudens in de door de bevoegde autoriteit bepaalde gevallen, is verboden.
    1. Op voorwaarden vast te stellen door de bevoegde autoriteit of door de daartoe in elk land aangewezen organen, zou dienst verricht zonder dat is gemonsterd, moeten worden aangemerkt als onderdeel van de diensttijd.
    1. Op voorwaarden vast te stellen door de bevoegde autoriteit of in een van toepassing zijnde collectieve overeenkomst zou absentie vanwege het bijwonen van een goedgekeurde maritieme beroepsopleiding of vanwege ziekte, letsel of zwangerschap moeten worden gerekend als deel uitmakend van de diensttijd.
    1. De hoogte van het loon gedurende het jaarlijks verlof zou overeen moeten komen met het normale vergoedingsniveau van de zeevarende als voorzien in de nationale wet- en regelgeving of in de toepasselijke arbeidsovereenkomst voor zeevarenden. Voor zeevarenden die worden tewerkgesteld voor een tijdvak van minder dan een jaar of in het geval van beëindiging van de arbeidsrelatie zou het recht op verlof pro rata moeten worden berekend.
    1. Het volgende zou niet moeten worden gerekend als onderdeel van het jaarlijks verlof met behoud van loon:
  • a. algemene feestdagen en gebruikelijke vakantiedagen als zodanig erkend in de vlaggenstaat, al dan niet vallend tijdens het jaarlijks verlof met behoud van loon;
  • b. arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte, letsel of zwangerschap, op de voorwaarden vast te stellen door de bevoegde autoriteit of door de daarvoor in elk land aangewezen organen;
  • c. tijdelijk verlof om aan wal te gaan, verleend aan een zeevarende gedurende de looptijd van een arbeidsovereenkomst; en
  • d. elke vorm van compensatieverlof, op voorwaarden vast te stellen door de bevoegde autoriteit of door de daartoe in elk land aangewezen organen.
    1. Het tijdstip waarop het verlof moet worden opgenomen zou, tenzij dit is vastgelegd in een voorschrift, collectieve overeenkomst, arbitrageuitspraak of op een andere wijze in overeenstemming met de nationale gebruiken, moeten worden bepaald door de reder na overleg en voor zover mogelijk in overeenstemming met de betrokken zeevarenden of hun vertegenwoordigers.
    1. Zeevarenden zouden in beginsel het recht moeten hebben jaarlijks verlof op te nemen op de plaats waarmee zij een wezenlijke binding hebben; normaliter is dit dezelfde plaats als die waarnaar zij gerepatrieerd mogen worden. Zeevarenden zouden niet kunnen worden verplicht om zonder hun instemming het hun toekomende jaarlijkse verlof op een andere plaats op te nemen, tenzij op grond van bepalingen in een arbeidsovereenkomst voor zeevarenden of in de nationale wet- en regelgeving.
    1. Indien zeevarenden genoodzaakt zijn hun jaarlijks verlof aan te vangen op een andere plaats dan toegestaan door het tweede lid van deze leidraad, zouden zij recht moeten hebben op kosteloos vervoer naar de plaats waar zij zijn aangemonsterd of werden geworven, naargelang welke plaats het dichtst bij hun woonplaats ligt; verblijfs- en andere rechtstreeks daarmee verbonden kosten zouden voor rekening van de reder moeten komen; de reistijd zou niet mogen worden afgetrokken van het jaarlijks verlof met behoud van loon waarop de zeevarende recht heeft.
    1. Een zeevarende die zijn jaarlijks verlof geniet, zou slechts in gevallen van uiterste noodzaak mogen worden teruggeroepen, en wel met instemming van de zeevarende.
    1. Het in gedeelten opnemen van het jaarlijks verlof met behoud van loon of het voegen van jaarlijks verlof over enig jaar bij een latere verlofperiode, kan door de bevoegde autoriteit of door de daartoe in elk land aangewezen organen worden goedgekeurd.
    1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van deze leidraad en tenzij anders bepaald in een overeenkomst die van toepassing is op de betrokken reder en zeevarende, zou het jaarlijks verlof met behoud van loon, zoals in deze leidraad aanbevolen, uit een aaneengesloten tijdvak moeten bestaan.
    1. Bijzondere maatregelen zouden moeten worden overwogen ten aanzien van de jonge zeevarenden onder de leeftijd van 18 jaar die zes maanden of een korter tijdvak ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst voor zeevarenden zonder verlof dienst hebben gedaan op een schip dat buitenlandse reizen maakt en dat in die periode niet is teruggekeerd naar hun land van domicilie, en dat daar de volgende drie maanden van de reis ook niet naar terugkeert. Dergelijke maatregelen zouden kunnen bestaan uit hun – voor hen kosteloze – repatriëring naar de oorspronkelijke plaats van monstering in hun land van domicilie voor het opnemen van verlof dat gedurende de reis is opgebouwd.

Voorschrift 2.5. – Repatriëring

Doel: Verzekeren dat zeevarenden naar huis kunnen terugkeren

    1. Zeevarenden hebben het recht zonder kosten voor henzelf te worden gerepatrieerd onder de in de Code aangegeven omstandigheden en voorwaarden.
    1. Elk Lid verlangt dat schepen die zijn vlag voeren financiële zekerheid verschaffen om te waarborgen dat zeevarenden naar behoren worden gerepatrieerd in overeenstemming met de Code.
    1. Elk Lid draagt er zorg voor dat zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren recht hebben op repatriëring onder de volgende omstandigheden:
  • a. indien hun arbeidsovereenkomst voor zeevarenden verloopt terwijl zij zich in het buitenland bevinden;
  • b. wanneer hun arbeidsovereenkomst voor zeevarenden wordt beëindigd:
  • i. door de reder; of
  • ii. door de zeevarende op grond van geldige redenen; en tevens
  • c. wanneer de zeevarenden niet langer in staat zijn hun taken uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst te verrichten of van hen niet kan worden verlangd dat zij deze onder de desbetreffende omstandigheden verrichten.
    1. Elk Lid draagt er zorg voor dat in zijn wet- en regelgeving of andere maatregelen of in collectieve arbeidsovereenkomsten de nodige bepalingen worden opgenomen waarin het volgende wordt geregeld:
  • a. de omstandigheden waaronder zeevarenden recht hebben op repatriëring in overeenstemming met het eerste lid, onderdelen b en c, van deze norm;
  • b. de maximumduur van tijdvakken van dienst aan boord waarna een zeevarende recht heeft op repatriëring, waarbij zij aangetekend dat dergelijke tijdvakken ten hoogste 12 maanden mogen bedragen; en
  • c. de specifieke prestaties die door de reders ten behoeve van repatriëring moeten worden geleverd, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de repatriëringsbestemmingen, de wijze van vervoer, de te dekken kostenposten en andere regelingen die door reders moeten worden getroffen.
    1. Elk Lid verbiedt reders van zeevarenden vooruitbetaling te verlangen voor de kosten van repatriëring bij aanvang van hun tewerkstelling, en de kosten van repatriëring te verhalen op de lonen of andere aanspraken van de zeevarenden, tenzij vastgesteld is dat een zeevarende, in overeenstemming met nationale wet- en regelgeving of andere maatregelen of toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten, ernstig in gebreke is ten aanzien van de verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst.
    1. De nationale wet- en regelgeving laat onverlet het recht van de reder de kosten van repatriëring op grond van contractuele regelingen te verhalen op derden.
    1. Indien een reder nalaat de repatriëring te regelen voor zeevarenden die daar recht op hebben of de kosten van hun repatriëring te voldoen:
  • a. draagt de bevoegde autoriteit van het Lid onder de vlag waarvan het schip vaart, zorg voor de repatriëring van de betrokken zeevarenden; indien zij dit nalaat, kan de Staat waaruit de zeevarenden moeten worden gerepatrieerd of de Staat waarvan zij onderdaan zijn hun repatriëring regelen en de kosten hiervan verhalen op het Lid onder de vlag waarvan het schip vaart;
  • b. kunnen de kosten die bij de repatriëring van zeevarenden worden gemaakt, door het Lid onder de vlag waarvan het schip vaart op de reder worden verhaald;
  • c. komen de kosten van repatriëring in geen geval ten laste van de zeevarende, behalve in het geval als voorzien in het derde lid van deze norm.
    1. Met inachtneming van de van toepassing zijnde internationale instrumenten, met inbegrip van The International Convention on the Arrest of Ships, 1999, kan een Lid dat de kosten van repatriëring ingevolge deze Code heeft betaald, de schepen van de desbetreffende reder vasthouden, of verzoeken om vasthouding hiervan, totdat de vergoeding in overeenstemming met het vijfde lid van deze norm heeft plaatsgevonden.
    1. Elk Lid bevordert de repatriëring van zeevarenden die werkzaam zijn op schepen die zijn havens aandoen of door zijn territoriale of binnenwateren varen, alsmede hun hernieuwde plaatsing aan boord.
    1. In het bijzonder mag een Lid geen enkele zeevarende het recht op repatriëring ontzeggen op grond van de financiële omstandigheden van een reder of omdat de reder niet in staat of niet bereid is een zeevarende te vervangen.
    1. Leden bevorderen de onmiddellijke repatriëring van zeevarenden, ook wanneer zij geacht worden te zijn achtergelaten in de betekenis van Norm A2.5.2, tweede lid. Havenstaten, vlaggenstaten en staten die zeevarenden leveren werken samen om ervoor te zorgen dat aan zeevarenden die tewerk zijn gesteld op een schip ter vervanging van zeevarenden die zijn achtergelaten op hun grondgebied of op een schip dat onder hun vlag vaart hun rechten en aanspraken krachtens dit Verdrag worden toegekend.
    1. Elk Lid moet verlangen dat schepen die zijn vlag voeren een afschrift van de toepasselijke nationale bepalingen betreffende repatriëring in een geschikte taal aan boord hebben en dat dit voor zeevarenden beschikbaar is.
    1. Ten behoeve van de uitvoering van voorschrift 2.5, tweede lid, worden bij deze norm de vereisten vastgesteld ter waarborging van het instellen van een snel en doeltreffend stelsel van financiële zekerheid om zeevarenden bij te staan in het geval zij worden achtergelaten.
    1. Voor de toepassing van deze norm wordt een zeevarende geacht te zijn achtergelaten wanneer de reder, in strijd met de vereisten van dit Verdrag of de voorwaarden in de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden:
  • a. nalaat de kosten van de repatriëring van de zeevarende te dekken; of
  • b. de zeevarende heeft achtergelaten zonder te voorzien in de noodzakelijke verzorging en ondersteuning; of
  • c. anderszins eenzijdig de banden met de zeevarende heeft verbroken, met inbegrip van het niet doorbetalen van het contractueel vastgestelde loon gedurende een periode van ten minste twee maanden.
    1. Elk Lid waarborgt dat er voor schepen die zijn vlag voeren een stelsel van financiële zekerheid is ingevoerd dat aan de vereisten van deze norm voldoet. Het stelsel van financiële zekerheid kan een socialezekerheidsregeling, een verzekering of een nationaal fonds of soortgelijke regeling betreffen. De vorm ervan wordt door het Lid bepaald na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden.
    1. Het stelsel van financiële zekerheid biedt achtergelaten zeevarenden op een schip dat de vlag van het Lid voert, rechtstreekse toegang, voldoende dekking en onverwijlde financiële bijstand overeenkomstig deze norm.
    1. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, van deze norm wordt onder de noodzakelijke verzorging en ondersteuning van zeevarenden verstaan: adequate voeding, huisvesting, drinkwatervoorraden, essentiële brandstof om aan boord van het schip te kunnen overleven en noodzakelijke medische zorg.
    1. Elk Lid vereist dat schepen die zijn vlag voeren en waarop het eerste of het tweede lid van voorschrift 5.1.3 van toepassing zijn, een certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid aan boord hebben dat is afgegeven door de aanbieder van de financiële zekerheid. Een kopie wordt op een duidelijk zichtbare en voor de zeevarenden toegankelijke plaats aan boord opgehangen. Wanneer er meer dan één aanbieder van financiële zekerheid dekking biedt, wordt het document van elke aanbieder meegenomen aan boord.
    1. Het certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid bevat de op grond van aanhangsel A2-I vereiste informatie. Het wordt in het Engels opgesteld of gaat vergezeld van een vertaling in het Engels.
    1. De uit hoofde van het stelsel van financiële zekerheid voorziene bijstand wordt onverwijld verleend op verzoek van de zeevarende of de door hem aangewezen vertegenwoordiger met de noodzakelijke onderbouwing van de aanspraak overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid hierboven.
    1. Gelet op de voorschriften 2.2 en 2.5 dient de uit hoofde van het stelsel van financiële zekerheid geboden bijstand toereikend te zijn om de volgende uitgaven te dekken:
  • a. achterstallig loon en andere aanspraken die door de reder aan de zeevarende verschuldigd zijn uit hoofde van hun arbeidsovereenkomst, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of het nationale recht van de vlaggenstaat, beperkt tot vier maanden achterstallig loon en vier maanden overige uitstaande aanspraken;
  • b. alle kosten die in redelijkheid zijn gemaakt door de zeevarende, met inbegrip van de kosten van repatriëring als bedoeld in het tiende lid; en
  • c. de essentiële behoeften van de zeevarende zoals adequate voeding, kleding indien nodig, huisvesting, drinkwatervoorraden, essentiële brandstof om aan boord van het schip te kunnen overleven, noodzakelijke medische zorg en alle overige redelijke kosten of lasten vanaf het tijdstip van het handelen of nalaten dat tot de achterlating leidde, tot de aankomst thuis van de zeevarende.
    1. De kosten van repatriëring omvatten het vervoer met passende en snelle vervoermiddelen, normaliter per vliegtuig, voeding en huisvesting van de zeevarende vanaf het tijdstip waarop hij het schip verlaat tot de aankomst thuis van de zeevarende, evenals de noodzakelijke medische zorg, de reis en het vervoer van persoonlijke bezittingen en alle andere redelijke kosten of lasten die voortvloeien uit de achterlating.
    1. De financiële zekerheid wordt niet vóór het einde van de geldigheidsduur van de financiële zekerheid beëindigd, tenzij de aanbieder van de financiële zekerheid de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat daar ten minste 30 dagen voor de beëindiging van in kennis heeft gesteld.
    1. Indien de aanbieder van de verzekering of van een andere vorm van financiële zekerheid in overeenstemming met deze norm een betaling aan een zeevarende doet, treedt hij, tot de hoogte van het betaalde bedrag en overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, door subrogatie, overdracht of anderszins, in de rechten die de zeevarende zou hebben genoten.
    1. Niets in deze norm doet afbreuk aan enig recht op verhaal van de verzekeraar of de aanbieder van financiële zekerheid jegens derden.
    1. De bepalingen in deze norm zijn niet bedoeld als exclusieve bepalingen; andere rechten, vorderingen of rechtsmiddelen ter compensatie die achtergelaten zeevarenden mogelijk ter beschikking staan, blijven onverlet. In de nationale wet- en regelgeving kan worden bepaald dat de ingevolge deze norm te betalen bedragen, kunnen worden verrekend met bedragen die uit andere bronnen worden ontvangen op grond van rechten, vorderingen of rechtsmiddelen die aanleiding kunnen geven tot compensatie ingevolge deze norm.
    1. Zeevarenden zouden recht moeten hebben op repatriëring:
  • a. in gevallen waarop het eerste lid, onderdeel a, van norm A2.5 van toepassing is, na het verstrijken van de opzegtermijn in overeenstemming met de bepalingen van de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden;
  • b. in de gevallen voorzien in het eerste lid, onderdelen b en c, van norm A2.5:
  • i. in geval van ziekte of ongeval of om een andere reden van medische aard die repatriëring vereist, wanneer is vastgesteld dat de zeevarende medisch gezien in staat is te reizen;
  • ii. in geval van schipbreuk;
  • iii. ingeval de reder niet in staat is de wettelijke of contractuele verplichtingen als werkgever van de zeevarenden na te komen, wegens insolventie, verkoop van het schip, verandering in de registratie van het schip of in verband met een andere soortgelijke reden;
  • iv. ingeval het schip koers zet naar een oorlogsgebied, zoals omschreven in de nationale wet- en regelgeving of arbeidsovereenkomsten voor zeevarenden, terwijl de zeevarende er niet mee instemt naar dat gebied te gaan; en
  • v. in het geval van beëindiging of onderbreking van het dienstverband van de zeevarende overeenkomstig een arbitraire uitspraak of een collectieve arbeidsovereenkomst of beëindiging van het dienstverband om een andere soortgelijke reden.
    1. Bij de vaststelling van de maximumduur van tijdvakken van dienst aan boord waarna een zeevarende recht heeft op repatriëring, in overeenstemming met deze Code, dient rekening te worden gehouden met factoren die de werkomgeving van de zeevarende beïnvloeden. Elk Lid dient waar mogelijk de duur van deze tijdvakken te verkorten in het licht van technologische veranderingen en ontwikkelingen en kan zich laten leiden door de aanbevelingen ter zake die door de Gemengde Maritieme Commissie zijn opgesteld.
    1. De kosten die een reder voor repatriëring ingevolge norm A2.5 moet dragen, zouden ten minste de volgende moeten omvatten:
  • a. de reis naar de plaats van bestemming die is gekozen voor de repatriëring overeenkomstig het zesde lid van deze leidraad;
  • b. huisvesting en voeding vanaf het moment dat de zeevarenden het schip verlaten totdat zij de repatriëringsbestemming bereiken;
  • c. loon en vergoedingen vanaf het moment dat de zeevarenden het schip verlaten totdat zij de repatriëringsbestemming bereiken, indien dit is voorzien in de nationale wet- en regelgeving of in collectieve arbeidsovereenkomsten;
  • d. het vervoer van 30 kilo persoonlijke bagage van de zeevarenden naar de repatriëringsbestemming; en
  • e. medische behandeling, indien nodig, tot de gezondheidstoestand van de zeevarenden het toelaat naar de repatriëringsbestemming te reizen.
    1. De tijd doorgebracht in afwachting van de repatriëring en de reisduur zou niet in mindering mogen worden gebracht op betaald verlof dat de zeevarenden hebben opgebouwd.
    1. Van reders zou moeten worden verlangd dat zij de kosten van repatriëring blijven dekken totdat de betrokken zeevarenden aan wal zijn op een bestemming als in deze Code voorgeschreven of een geschikte betrekking krijgen aangeboden aan boord van een schip dat naar een van die bestemmingen vaart.
    1. Elk Lid zou moeten verlangen dat de reders door middel van geschikte en snelle middelen voor repatriëringsmogelijkheden zorgen. De gebruikelijke wijze van vervoer dient per vliegtuig te zijn. Het Lid dient de bestemmingen voor te schrijven waarnaar zeevarenden kunnen worden gerepatrieerd. De bestemmingen dienen de landen te omvatten waarmee zeevarenden geacht kunnen worden een wezenlijke binding te hebben, waaronder:
  • a. de plaats waar de zeevarende instemde met de overeenkomst;
  • b. de plaats die in de collectieve arbeidsovereenkomst is bepaald;
  • c. het land waarin de zeevarende zijn domicilie heeft; of
  • d. iedere andere plaats die gezamenlijk is overeengekomen bij het sluiten van de overeenkomst.
    1. Zeevarenden zouden het recht moeten hebben uit de voorgeschreven bestemmingen de plaats te kiezen waarheen zij wensen te worden gerepatrieerd.
    1. Het recht op repatriëring kan vervallen indien de betrokken zeevarenden daar binnen een redelijke termijn die moet worden vastgesteld in de nationale wet- en regelgeving of in collectieve arbeidsovereenkomsten geen aanspraak op maken.
    1. Aan gestrande zeevarenden, die in afwachting van hun repatriëring in een buitenlandse haven zijn achtergelaten, zou alle mogelijke praktische hulp moeten worden verleend en indien de repatriëring van een zeevarende vertraging ondervindt, zou de bevoegde autoriteit van de buitenlandse haven ervoor moeten zorgen dat de consulaire vertegenwoordiger of de lokale vertegenwoordiger van de vlaggenstaat alsmede de Staat waarvan de zeevarende de nationaliteit heeft of waar hij zijn domicilie heeft, naargelang van het geval, daarvan onmiddellijk op de hoogte worden gesteld.
    1. Elk Lid zou erop moeten letten of een behoorlijke regeling is getroffen:
  • a. voor de terugkeer van zeevarenden die tewerkgesteld zijn op een schip dat de vlag voert van een vreemd land en die in een buitenlandse haven aan wal worden gezet op grond van redenen waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn:
  • i. naar de haven waar de betrokken zeevarende in dienst werd genomen; of
  • ii. naar een haven in het eigen land van de zeevarende waartoe de zeevarende behoort; of
  • iii. naar een andere tussen de zeevarende en de kapitein of reder overeengekomen haven, met de goedkeuring van de bevoegde autoriteit of met andere passende waarborgen;
  • b. voor medische zorg en nazorg voor zeevarenden tewerkgesteld op een schip dat de vlag van een vreemd land voert die in een buitenlandse haven aan wal worden gezet als gevolg van een ziekte of letsel tijdens de dienst op het schip hetgeen niet te wijten is aan hun eigen opzettelijk onjuist handelen.
    1. Indien het, nadat jonge zeevarenden onder de leeftijd van 18 jaar gedurende ten minste vier maanden tijdens hun eerste buitenlandse reis op een schip hebben gediend, duidelijk wordt dat zij ongeschikt zijn voor het leven op zee, zouden zij in de gelegenheid moeten worden gesteld kosteloos te worden gerepatrieerd vanuit de eerste geschikte aanloophaven waar zich consulaire diensten bevinden van de vlaggenstaat, van de Staat waarvan de jonge zeevarende de nationaliteit heeft of waar hij zijn domicilie heeft. Elke zodanige repatriëring zou, met redenen omkleed, moeten worden medegedeeld aan de autoriteit die de papieren heeft afgegeven die de betrokken jonge zeevarende in staat stelden op zee te werk te worden gesteld.
    1. Indien bij de toepassing van het achtste lid van norm A2.5.2 meer tijd nodig is voor het controleren van de geldigheid van bepaalde onderdelen van het verzoek van de zeevarende of de door hem aangewezen vertegenwoordiger, mag dit geen belemmering vormen voor onmiddellijke ontvangst door de zeevarende van het deel van de gevraagde bijstand dat als gerechtvaardigd wordt beschouwd.

Voorschrift 2.6. – Vergoeding voor zeevarenden in geval van verlies of zinken van het schip

Doel: Verzekeren dat zeevarenden worden vergoed wanneer een schip verloren is gegaan of is gezonken

    1. Zeevarenden hebben recht op een passende vergoeding ingeval van letsel, verlies of werkloosheid als gevolg van verlies of zinken van het schip.
    1. Elk Lid stelt regels op die waarborgen dat, in alle gevallen waarin het schip verloren gaat of zinkt, de reder aan elke zeevarende aan boord een schadeloosstelling betaalt wegens werkloosheid die uit verlies of zinken van het schip voortvloeit.
    1. De in het eerste lid van deze norm bedoelde regels doen geen afbreuk aan eventuele andere rechten die een zeevarende kan hebben ingevolge het nationale recht van het betrokken Lid ingevolge verlies of letsel als gevolg van verlies of zinken van het schip.
    1. De schadeloosstelling voor werkloosheid die voortvloeit uit verlies of zinken van het schip zou moeten worden betaald voor de dagen gedurende welke de zeevarende daadwerkelijk werkloos blijft tot een bedrag gelijk aan het loon uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, maar de totaal aan een zeevarende uit te keren schadeloosstelling mag echter beperkt blijven tot twee maandlonen.
    1. Elk Lid zou ervoor moeten zorgdragen dat zeevarenden dezelfde rechtsmiddelen voor de aanspraak op deze schadeloosstellingen hebben als zij hebben voor de aanspraak op achterstallig loon die gedurende het dienstverband is verdiend.

Voorschrift 2.7. – Bemanningssterkte

Doel: Verzekeren dat zeevarenden werken aan boord van schepen met voldoende personeel voor de veilige, efficiënte en betrouwbare exploitatie van het schip

    1. Elk Lid moet verlangen dat alle schepen die zijn vlag voeren aan boord een voldoende aantal zeevarenden in dienst hebben om te waarborgen dat de schepen op veilige, efficiënte wijze en onder alle omstandigheden met voldoende zorg voor de beveiliging worden geëxploiteerd, met de nodige aandacht voor oververmoeidheid van zeevarenden en de specifieke aard en omstandigheden van de reis.
    1. Elk Lid moet verlangen dat alle schepen die zijn vlag voeren een voldoende aantal zeevarenden aan boord hebben om te waarborgen dat de schepen een veilige en efficiënte wijze en met de nodige aandacht voor de beveiliging worden geëxploiteerd. Elk schip moet zijn voorzien van een voldoende aantal gekwalificeerde bemanningsleden om, onder alle omstandigheden, de veiligheid en de beveiliging van het schip en het personeel te waarborgen, in overeenstemming met het document inzake de minimum veiligheidsbemanning of een door de bevoegde autoriteit afgegeven gelijkwaardig document, en moet aan de normen van dit Verdrag voldoen.
    1. Bij de vaststelling, goedkeuring of herziening van de bemanningssterkte moet de bevoegde autoriteit rekening houden met de noodzaak een te groot aantal arbeidsuren te vermijden of tot een minimum te beperken, zorg te dragen voor voldoende rust en oververmoeidheid te beperken, alsmede met de beginselen in de toepasselijke internationale instrumenten, in het bijzonder die van de Internationale Maritieme Organisatie, inzake de bemanningssterkte.
    1. Bij de vaststelling van de bemanningssterkte moet de bevoegde autoriteit rekening houden met alle vereisten van voorschrift 3.2 en norm A3.2 die betrekking hebben op de voeding en catering.
    1. Elk Lid zou doeltreffende systemen in stand moeten houden voor het onderzoeken en regelen van klachten of geschillen betreffende de bemanningssterkte op een schip, of zich ervan vergewissen dat dergelijke systemen in stand worden gehouden.
    1. Vertegenwoordigers van organisaties van reders en zeevarenden zouden, al dan niet tezamen met andere personen of autoriteiten, deel moeten nemen aan het functioneren van deze systemen.

Voorschrift 2.8. – Loopbaan- en competentie-ontwikkeling en werkgelegenheidsperspectieven voor zeevarenden

Doel: Het bevorderen van loopbaan- en competentie-ontwikkeling en van werkgelegenheidsperspectieven voor zeevarenden

    1. Elk Lid moet nationaal beleid hebben ter bevordering van de werkgelegenheid in de maritieme sector en ter bevordering van loopbaan- en competentie-ontwikkeling en ten behoeve van meer werkgelegenheidsperspectieven voor zeevarenden die op zijn grondgebied woonachtig zijn.
    1. Elk Lid moet nationaal beleid hebben dat de loopbaanontwikkeling en competentie-ontwikkeling en werkgelegenheidskansen voor zeevarenden bevordert, teneinde de maritieme sector te kunnen voorzien van voldoende en vakbekwame arbeidskrachten.
    1. Het doel van het in het eerste lid van deze norm bedoelde beleid is zeevarenden te helpen hun vaardigheden, kwalificaties en werkgelegenheidskansen te vergroten.
    1. Elk Lid stelt, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden duidelijke doelen op voor beroepskeuzevoorlichting, scholing en opleiding van zeevarenden wier taken aan boord hoofdzakelijk betrekking hebben op de veilige exploitatie en navigatie van het schip, met inbegrip van permanente scholing.
    1. De in norm A2.8 vermelde doelen zouden onder meer kunnen worden bereikt door middel van een van de volgende maatregelen:
  • a. overeenkomsten met een reder of organisatie van reders, die voorzien in loopbaanontwikkeling en training van vaardigheden; of
  • b. regelingen ter bevordering van de werkgelegenheid door het opstellen en bijhouden van registers of lijsten, naar categorie, van gediplomeerde zeevarenden; of
  • c. het bevorderen van kansen, zowel aan boord als aan wal, voor verdere opleiding en scholing van zeevarenden ten behoeve van de ontwikkeling van vaardigheden en elders inzetbare competenties om te zorgen voor blijvend volwaardig werk, de verbetering van de individuele werkgelegenheidskansen en te kunnen te blijven meegaan met de veranderende technologie en arbeidsmarktomstandigheden in de maritieme sector.
    1. Wanneer voor de tewerkstelling van zeevarenden registers of lijsten worden gebruikt, zouden deze registers of lijsten alle beroepscategorieën zeevarenden moeten bevatten op een wijze vastgesteld door de nationale wetgeving of gebruiken of door collectieve arbeidsovereenkomsten.
    1. Zeevarenden die in een dergelijk register of op een dergelijke lijst voorkomen, zouden voorrang moeten krijgen bij de tewerkstelling als zeevarende.
    1. Van zeevarenden in een dergelijk register of op een dergelijke lijst zou moeten worden verlangd dat zij beschikbaar zijn voor werkzaamheden op een wijze vastgesteld door de nationale wetgeving of gebruiken of door collectieve arbeidsovereenkomsten.
    1. Voor zover de nationale wet- en regelgeving zulks toestaat, zou het aantal zeevarenden in dergelijke registers of op dergelijke lijsten periodiek moeten worden getoetst teneinde niveaus te bereiken die aansluiten op de behoeften van de maritieme sector.
    1. Wanneer verlaging van het aantal zeevarenden in een dergelijk register of op een dergelijke lijst noodzakelijk wordt, zouden alle passende maatregelen moeten worden getroffen om nadelige effecten voor zeevarenden te voorkomen of tot een minimum te beperken, met inachtneming van de economische en sociale situatie van het desbetreffende land.

TITEL 3. HUISVESTING, RECREATIEVOORZIENINGEN, VOEDING EN CATERING

Voorschrift 3.1. – Huisvesting en recreatievoorzieningen

Doel: Verzekeren dat zeevarenden behoorlijke huisvesting en recreatievoorzieningen aan boord hebben

    1. Elk Lid draagt er zorg voor dat voor zeevarenden die aan boord werken en/of wonen, van schepen die zijn vlag voeren behoorlijke huisvesting en recreatievoorzieningen aanwezig zijn en in stand worden gehouden, op zodanige wijze dat de gezondheid en het welzijn van de zeevarenden bevorderd worden.
    1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, is elk vereiste ingevolge een wijziging van de Code met betrekking tot het verschaffen van huisvesting en recreatievoorzieningen uitsluitend van toepassing op schepen die zijn gebouwd op of na de datum van van kracht wording van de wijziging voor het desbetreffende Lid.
    1. Elk Lid moet wet- en regelgeving aannemen waarin wordt verlangd dat schepen die zijn vlag voeren:
  • a. voldoen aan de minimumnormen om te waarborgen dat de huisvesting voor zeevarenden die aan boord werken en/of wonen, veilig, fatsoenlijk en in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van deze norm is; en
  • b. worden geïnspecteerd om te waarborgen dat die normen van meet af aan permanent worden nageleefd.
    1. Bij de ontwikkeling en toepassing van de wet- en regelgeving ter uitvoering van deze norm is de bevoegde autoriteit, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, verplicht:
  • a. rekening te houden met voorschrift 4.3 en de bijbehorende bepalingen van de Code die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid en veiligheid en ongevallenpreventie, in het licht van de specifieke behoeften van zeevarenden die aan boord van schepen wonen en werken; en
  • b. voldoende aandacht te schenken aan de in Deel B van deze Code vervatte aanwijzingen.
    1. De ingevolge voorschrift 5.1.4 vereiste inspecties moeten worden uitgevoerd wanneer:
  • a. een schip wordt geregistreerd of opnieuw wordt geregistreerd; of
  • b. de huisvesting voor zeevarenden op een schip ingrijpend is gewijzigd.
    1. De bevoegde autoriteit moet bijzondere aandacht schenken aan het garanderen van de implementatie van de vereisten van dit Verdrag die betrekking hebben op:
  • a. de grootte van de hutten en andere ruimten voor huisvesting;
  • b. verwarming en ventilatie;
  • c. lawaai en trillingen en andere omgevingsfactoren;
  • d. sanitaire voorzieningen;
  • e. verlichting; en
  • f. ziekenverblijven.
    1. De bevoegde autoriteit van elk Lid moet verlangen dat schepen die zijn vlag voeren voldoen aan de minimumnormen voor huisvesting en recreatievoorzieningen aan boord als vervat in het zesde tot en met zeventiende lid van deze norm.
    1. Ten aanzien van algemene vereisten voor huisvesting:
  • a. moet er in alle verblijven voor de zeevarenden voldoende stahoogte zijn; de minimaal toegestane stahoogte voor alle verblijven, mag niet minder zijn dan 203 cm; de bevoegde autoriteit kan echter in bepaalde gevallen vermindering van deze hoogte voor bepaalde ruimten of gedeelten van ruimten toestaan wanneer zij ervan overtuigd is dat een dergelijke vermindering:
  • i. redelijk is; en
  • ii. geen ongemak voor de zeevarenden ten gevolge heeft;
  • b. moeten de verblijven naar behoren zijn geïsoleerd;
  • d. mag de bevoegde autoriteit op passagiersschepen, en op speciale schepen gebouwd in overeenstemming met de IMO Veiligheidscode voor schepen voor bijzondere doeleinden, 1983, en de volgende versies (hierna te noemen „schepen voor bijzondere doeleinden”), op voorwaarde dat voldoende voorzieningen voor verlichting en ventilatie zijn getroffen, toestaan dat slaapvertrekken onder de lastlijn; doch in geen geval onmiddellijk onder werkgangen zijn gelegen;
  • e. mogen er vanuit laad- en machineruimten of vanuit kombuizen, opslagruimten, droogkamers of gemeenschappelijke sanitaire gedeelten geen directe openingen naar slaapvertrekken zijn; het gedeelte van een schot dat dergelijke ruimten van slaapvertrekken scheidt alsmede de buitenwanden dienen doelmatig te zijn vervaardigd van staal of van ander goedgekeurd materiaal en water- en gasdicht te zijn;
  • f. moeten de materialen die worden gebruikt voor de vervaardiging van de schotten in de verblijven, en de panelen en beplating, vloeren en aansluitingen voor hun doel geschikt zijn en bijdragen aan de waarborging van een gezonde omgeving;
  • g. moet worden gezorgd voor deugdelijke verlichting en voldoende middelen voor het afvoeren van water; en
  • h. moeten de verblijven en de recreatie- en cateringvoorzieningen voldoen aan de vereisten van voorschrift 4.3, en aan de daaraan gerelateerde bepalingen in de Code, inzake de bescherming van de gezondheid en veiligheid en de voorkoming van ongevallen, wat betreft de voorkoming van het risico van blootstelling aan gevaarlijke niveaus van lawaai en trillingen en andere omgevingsfactoren en chemische stoffen aan boord van schepen, en de verschaffing van een aanvaardbare woon- en werkomgeving voor zeevarenden aan boord van schepen.
    1. Ten aanzien van de vereisten met betrekking tot ventilatie en verwarming:
  • a. moeten slaap- en eetverblijven doeltreffend worden geventileerd;
  • b. moeten schepen, met uitzondering van die welke regelmatig worden ingezet op een vaart waarbij gematigde klimatologische omstandigheden zulks niet vereisen, zijn uitgerust met airconditioning voor de verblijven van zeevarenden, voor elke gescheiden radiokamer en voor elke centrale controlekamer voor machines;
  • c. moeten alle sanitaire ruimten over voorzieningen beschikken voor ventilatie naar de open lucht, onafhankelijk van elk ander deel van het verblijf; en
  • d. moet, behoudens op schepen die uitsluitend varen in de tropen, worden gezorgd voor doelmatige verwarming door middel van een deugdelijk verwarmingssysteem.
    1. Gelet op de vereisten qua verlichting moeten slaap- en eetverblijven, onder voorbehoud van bijzondere regelingen die op passagiersschepen kunnen zijn toegestaan, met daglicht verlicht zijn en met voldoende kunstlicht kunnen worden verlicht.
    1. Wanneer slaapvertrekken aan boord van schepen vereist zijn, gelden de volgende vereisten voor slaapvertrekken:
  • a. op schepen anders dan passagiersschepen moet worden voorzien in een individueel slaapvertrek voor elke zeevarende; in het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 ton of schepen voor bijzondere doeleinden, kunnen voor dit vereiste ontheffingen worden verleend door de bevoegde autoriteit, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden;
  • b. voor mannen en vrouwen moeten afzonderlijke slaapvertrekken worden verschaft;
  • c. slaapvertrekken moeten voldoende groot zijn en naar behoren zijn uitgerust om een redelijk comfort te waarborgen en de netheid te bevorderen;
  • d. elke zeevarende moet onder alle omstandigheden over een eigen slaapplaats kunnen beschikken;
  • e. de minimumafmetingen van een slaapplaats moeten binnenwerks ten minste 198 bij 80 cm bedragen;
  • f. het vloeroppervlak in slaapvertrekken voor zeevarenden met één slaapplaats mag niet minder zijn dan:
  • i. 4,5 vierkante meter op schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 ton;
  • ii. 5,5 vierkante meter op schepen met een brutotonnage van 3000 ton of meer, doch minder dan 10.000 ton;
  • iii. 7 vierkante meter op schepen met een brutotonnage van 10.000 ton of meer;
  • g. echter, teneinde te voorzien in slaapvertrekken met een enkele slaapplaats op schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 ton, op passagiersschepen en op schepen voor bijzondere doeleinden, mag de bevoegde autoriteit een geringer vloeroppervlak toestaan;
  • h. op schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 ton, anders dan passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden, mogen slaapvertrekken worden gebruikt door ten hoogste twee zeevarenden; het vloeroppervlak van deze slaapvertrekken mag niet minder bedragen dan 7 vierkante meter;
  • i. op passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden mag het vloeroppervlak van slaapvertrekken voor zeevarenden die geen taken als scheepsofficier verrichten, niet minder zijn dan:
  • i. 7,5 vierkante meter in vertrekken waar twee personen verblijven;
  • ii. 11,5 vierkante meter in vertrekken waar drie personen verblijven;
  • iii. 14,5 vierkante meter in vertrekken waar vier personen verblijven;
  • j. op schepen voor bijzondere doeleinden mogen in slaapvertrekken meer dan vier personen verblijven; het vloeroppervlak van deze slaapvertrekken mag niet minder bedragen dan 3,6 vierkante meter per persoon;
  • k. op schepen anders dan passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden mag het vloeroppervlak van slaapvertrekken voor zeevarenden die taken als scheepsofficier verrichten, wanneer geen privé zit- of dagverblijf aanwezig is, per persoon niet minder bedragen dan:
  • i. 7,5 vierkante meter op schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 ton;
  • ii. 8,5 vierkante meter op schepen met een brutotonnage van 3000 ton of meer, doch minder dan 10.000 ton;
  • iii. 10 vierkante meter op schepen met een brutotonnage van 10.000 ton of meer;
  • l. op passagiersschepen en schepen voor bijzondere doeleinden mag het vloeroppervlak voor zeevarenden die taken als scheepsofficier verrichten, wanneer geen privé zit- of dagverblijf aanwezig is, per persoon voor onderofficieren niet minder bedragen dan 7,5 vierkante meter en voor officieren niet minder dan 8,5 vierkante meter; juniorofficieren worden geacht op bedrijfsvoeringsniveau te fungeren, en senior officieren op managementniveau;
  • m. de kapitein, de hoofdwerktuigkundige en de eerste stuurman hebben, naast hun slaapvertrekken, een aangrenzend zitverblijf, een dagverblijf of een gelijkwaardige aanvullende ruimte; schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 ton kunnen door de bevoegde autoriteit van dit vereiste worden vrijgesteld, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden;
  • n. voor elke gebruiker moet het meubilair een ruime kledingkast omvatten (ten minste 475 liter) en een lade of gelijkwaardige ruimte van ten minste 56 liter; indien de lade in de kledingkast is geïntegreerd, moet het totale volume van de kledingkast ten minste 500 liter bedragen; de kledingkast moet zijn voorzien van een plank en moet door de gebruiker kunnen worden afgesloten teneinde de privacy te waarborgen;
  • o. elk slaapvertrek moet zijn voorzien van een tafel of bureau van een vast, uitklapbaar of uitschuifbaar type, zonodig voorzien van een comfortabele zitplaats.
    1. Vanwege de vereisten voor eetverblijven:
  • a. moeten eetverblijven gescheiden van de slaapvertrekken zijn geplaatst en zo dicht bij de kombuis als praktisch gezien mogelijk is; schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 ton mogen door de bevoegde autoriteit van dit vereiste worden vrijgesteld, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden; en
  • b. moeten eetverblijven voldoende groot en comfortabel zijn en deugdelijk zijn gemeubileerd en uitgerust (met inbegrip van doorlopend beschikbare restauratievoorzieningen), gebaseerd op het aantal zeevarenden dat er waarschijnlijk gelijktijdig gebruik van zal maken; naargelang van het geval moet worden voorzien in gescheiden of gezamenlijke eetverblijven.
    1. Vanwege de vereisten voor sanitaire voorzieningen:
  • a. moeten alle zeevarenden eenvoudig toegang hebben tot de sanitaire voorzieningen op het schip, die moeten voldoen aan de minimumnormen voor gezondheid en hygiëne en aan redelijke normen qua comfort, met afzonderlijke sanitaire voorzieningen voor mannen en vrouwen;
  • b. moeten er vanaf de navigatiebrug en de machineruimte of in de nabijheid van het controlecentrum voor de machinekamer gemakkelijk toegankelijke sanitaire voorzieningen zijn; schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 ton mogen door de bevoegde autoriteit van dit vereiste worden vrijgesteld na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden;
  • c. moet op alle schepen op een geschikte plaats zijn voorzien in ten minste één wc, een wastafel en een bad en/of douche per zes personen of minder, die niet beschikken over eigen voorzieningen;
  • d. moet, met uitzondering van passagiersschepen, in elk slaapvertrek een wastafel met warm en koud stromend zoetwater zijn aangebracht, behoudens wanneer een dergelijke wastafel zich in de aanwezige privé badkamer bevindt;
  • e. mag de bevoegde autoriteit ten aanzien passagiersschepen die in de regel reizen van ten hoogste vier uur maken, bijzondere voorzieningen in overweging nemen of beperking van het aantal benodigde voorzieningen; en
  • f. moet in alle wasgelegenheden warm en koud stromend zoetwater beschikbaar zijn.
    1. Ten aanzien van de vereisten voor ziekenverblijven moet aan boord van schepen met 15 of meer zeevarenden aan boord die reizen maken van langer dan drie dagen een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig zijn, dat uitsluitend voor medische doeleinden mag worden gebruikt; de bevoegde autoriteit kan dit vereiste versoepelen voor schepen in de kustvaart; bij de goedkeuring van ziekenverblijven aan boord moet de bevoegde autoriteit erop toezien dat de verblijven, onder alle weersomstandigheden, gemakkelijk toegankelijk zijn, een comfortabel onderkomen aan de patiënten bieden, en bevorderlijk zijn voor het vlot verlenen van de nodige zorg aan de patiënten.
    1. Er moeten gunstig geplaatste en naar behoren uitgeruste wasvoorzieningen aanwezig zijn.
    1. Alle schepen moeten op het open dek één of meerdere ruimten hebben die toegankelijk zijn voor de zeevarenden die geen dienst hebben; deze ruimten moeten gelet op de grootte van het schip en het aantal zeevarenden aan boord voldoende oppervlak hebben.
    1. Alle schepen moeten zijn uitgerust met afzonderlijke kantoren of een gemeenschappelijk scheepskantoor voor gebruik door het dek- en machinekamerpersoneel; schepen met een brutotonnage van minder dan 3000 ton mogen door de bevoegde autoriteit van dit vereiste worden vrijgesteld na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden.
    1. Schepen die regelmatig op door muggen geteisterde havens varen, moeten zijn uitgerust met de daartoe door de bevoegde autoriteit vereiste voorzieningen.
    1. Ten behoeve van alle zeevarenden moet aan boord geschikte recreatievoorzieningen en diensten voor zeevarenden beschikbaar zijn, waaronder sociale connectiviteit, teneinde tegemoet te komen aan de bijzondere behoeften van zeevarenden die op schepen moeten wonen en werken, met inachtneming van voorschrift 4.3 en de daarmee verband houdende bepalingen van de Code met betrekking tot de bescherming van de gezondheid en veiligheid en ongevallenpreventie.
    1. De bevoegde autoriteit verlangt dat er aan boord van schepen frequent inspecties worden verricht door of onder gezag van de kapitein, om te waarborgen dat de huisvesting van zeevarenden schoon en fatsoenlijk bewoonbaar is en in een goede staat van onderhoud wordt gehouden. Het resultaat van elke inspectie moet worden opgetekend en ter inzage beschikbaar zijn.
    1. In het geval van schepen waar men – zonder dat zulks tot discriminatie leidt – rekening moet houden met de belangen van zeevarenden met uiteenlopende gewoonten van godsdienstige en sociale aard, kan de bevoegde autoriteit – na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden – oprecht bedoelde alternatieve toepassingen toestaan van het bepaalde in deze norm, op voorwaarde dat er geen toepassingen ontstaan die uiteindelijk minder gunstig zijn dan de situatie die het gevolg zou zijn van de toepassing van deze norm.
    1. Elk Lid kan, na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden, wanneer dit redelijk is, schepen met een brutotonnage van minder dan 200 ton – met inachtneming van de grootte van het schip en het aantal personen aan boord – vrijstellen van de vereisten van de volgende bepalingen van deze norm:
  • a. zevende lid, onderdeel b, elfde lid, onderdeel d, en dertiende lid; en
  • b. negende lid, onderdeel f en h tot en met l, uitsluitend ten aanzien van vloeroppervlak.
    1. Eventuele uitzonderingen met betrekking tot de vereisten van deze norm mogen uitsluitend worden gemaakt wanneer deze in deze norm uitdrukkelijk zijn toegestaan en uitsluitend voor bijzondere omstandigheden waarbij dergelijke vrijstellingen duidelijk kunnen worden gerechtvaardigd op basis van zwaarwegende gronden, onverminderd de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de zeevarenden.
    1. Buitenwanden van slaap- en eetverblijven zouden voldoende moeten zijn geïsoleerd. Alle machinekamerschachten en alle eindschotten van kombuizen en andere ruimten waarin warmte wordt opgewekt, zouden voldoende moeten zijn geïsoleerd, wanneer de mogelijkheid bestaat dat warmte uitstraling naar de aangrenzende verblijven of gangen kan ontstaan. Ook zouden maatregelen moeten worden getroffen om te zorgen voor bescherming tegen warmte uitstraling van stoom en/of heet water dienstleidingen.
    1. Slaap- en eetverblijven, recreatieruimten en gangen die deel uitmaken van de accommodatie zouden voldoende moeten zijn geïsoleerd teneinde condensatie of te hoge temperaturen te voorkomen.
    1. De wanden en plafonds zouden vervaardigd moeten zijn van materiaal waarvan het oppervlak gemakkelijk kan worden schoongehouden. Constructies waarin zich gemakkelijk ongedierte kan nestelen, zouden niet moeten worden toegepast.
    1. De wanden en plafonds van slaap- en eetverblijven zouden gemakkelijk moeten kunnen worden schoongehouden en licht van kleur te zijn met een duurzame niet-giftige afwerklaag.
    1. De vloeren en plafonds in alle verblijven voor zeevarenden zouden van goedgekeurd materiaal moeten zijn en op een goedgekeurde wijze zijn vervaardigd en een anti-slip oppervlak hebben dat ondoordringbaar is voor vocht en gemakkelijk schoon te houden is.
    1. Wanneer de vloeren van composietmateriaal zijn vervaardigd, zouden de verbindingen met de wanden afgerond moeten zijn teneinde spleten te voorkomen.
    1. Het ventilatiesysteem voor slaap- en eetvertrekken zou zodanig moeten worden geregeld dat de luchtkwaliteit voldoende blijft en voldoende luchtbeweging onder alle weers- en klimaatomstandigheden wordt gewaarborgd.
    1. Airconditioningsystemen, ongeacht of deze van het centrale of individuele type zijn, zouden zodanig moeten zijn ontworpen dat:
  • a. de lucht ten opzichte van de luchtcondities buiten op een goede temperatuur en relatieve luchtvochtigheid wordt gehouden, voldoende luchtverversing wordt gewaarborgd in alle van airconditioning voorziene ruimten, rekening wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van activiteiten op zee en geen buitensporige geluiden of trillingen worden geproduceerd; en
  • b. de apparatuur gemakkelijk kan worden gereinigd en gedesinfecteerd om de verspreiding van ziekten te voorkomen of te beheersen.
    1. Wanneer zeevarenden aan boord wonen of werken en de omstandigheden zulks vereisen, zou er te allen tijde elektriciteit voor de airconditioning en andere hulpmiddelen voor ventilatie als vereist in de voorgaande paragraaf van deze leidraad aanwezig moeten te zijn. Deze elektriciteit behoeft evenwel niet afkomstig te zijn van een noodvoorziening.
    1. Het verwarmingssysteem van de verblijven van zeevarenden zou te allen tijde in werking moeten zijn wanneer zeevarenden aan boord wonen of werken en de omstandigheden het gebruik ervan vereisen.
    1. Aan boord van alle schepen waar een verwarmingssysteem vereist is, zou de verwarming door middel van heet water, warme lucht, elektriciteit, stoom of soortgelijk middel moeten geschieden. In de accommodatie zou evenwel geen stoom mogen worden gebruikt als middel voor warmteoverdracht. Het verwarmingssysteem zou de temperatuur in de verblijven van de zeevarenden bij normale weers- en klimaatomstandigheden, zoals deze te verwachten zijn op de vaart die het schip uitvoert, op een bevredigende hoogte dienen te kunnen houden. De bevoegde autoriteit zou de desbetreffende normen moeten voorschrijven.
    1. Radiatoren en overige verwarmingsapparaten zouden zodanig geplaatst en, waar nodig, afgeschermd moeten zijn, dat brandgevaar en gevaar of ongemak voor de gebruikers van het verblijf wordt vermeden.
    1. Aan boord van alle schepen zou in de verblijven voor zeevarenden elektrische verlichting moeten zijn aangebracht. Wanneer er geen twee onafhankelijke elektriciteitsbronnen voor verlichting aanwezig zijn, zouden doeltreffend geconstrueerde lampen of andere verlichtingsmiddelen voor noodgevallen moeten zijn aangebracht.
    1. In de slaapvertrekken zou aan het hoofdeinde van elke slaapplaats een elektrische leeslamp moeten zijn aangebracht.
    1. De bevoegde autoriteit zou passende normen voor daglicht en kunstmatige verlichting moeten vaststellen.
    1. Aan boord zouden geschikte slaapplaatsen aanwezig moeten zijn, die het de zeevarende en een eventuele partner die de zeevarende vergezelt zo comfortabel mogelijk maken.
    1. Wanneer de grootte van het schip, de activiteit waarvoor het wordt ingezet en de inrichting ervan zulks redelijk en praktisch uitvoerbaar maken, zouden slaapvertrekken zodanig moeten worden ontworpen en uitgerust met een privé badkamer, inclusief wc, dat zij de gebruikers een redelijke mate van comfort bieden en de netheid wordt bevorderd.
    1. Voor zover praktisch uitvoerbaar zouden de slaapvertrekken van zeevarenden zodanig moeten zijn ingericht dat de wachten afgescheiden zijn en de zeevarenden die overdag werken geen verblijf met wachthoudenden delen.
    1. In het geval van zeevarenden die taken als onderofficier verrichten zouden er niet meer dan twee personen in een slaapvertrek mogen worden ondergebracht.
    1. Overwogen zou moeten worden de in het negende lid, onderdeel m, van norm A3.1 bedoelde voorziening, indien praktisch uitvoerbaar, ook voor de tweede werktuigkundige beschikbaar te maken.
    1. De ruimte die wordt ingenomen door slaapplaatsen en kastjes, ladekasten en zitplaatsen zou in de maten van het vloeroppervlak moeten zijn inbegrepen. Kleine of onregelmatig gevormde ruimten die niet daadwerkelijk iets toevoegen aan de voor vrije beweging beschikbare ruimte en die niet kunnen worden gebruikt voor het installeren van meubilair zouden buiten beschouwing moeten worden gelaten.
    1. Er zouden niet meer dan twee slaapplaatsen boven elkaar mogen worden opgesteld; indien slaapplaatsen langs het scheepsboord zijn aangebracht, zou er slechts een enkele laag moeten zijn wanneer een patrijspoort zich boven een slaapplaats bevindt.
    1. De onderste slaapplaats zou, wanneer de slaapplaatsen twee hoog zijn opgesteld, ten minste 30 cm boven de vloer moeten liggen; de bovenste slaapplaats zou ongeveer in het midden tussen de onderzijde van de onderste slaapplaats en de onderzijde van de dekbalken moeten zijn geplaatst.
    1. Het bedstel en eventueel de zijwanden zouden moeten zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal, dat hard en glad moet zijn, niet snel mag roesten en waarin zich geen ongedierte kan nestelen.
    1. Indien voor de bedstellen buizen worden gebruikt, zouden deze geheel gesloten moeten zijn en geen openingen te hebben waardoor ongedierte naar binnen zou kunnen komen.
    1. Elke slaapplaats zou moeten zijn voorzien van een comfortabel matras met ondermatras of een gecombineerd matras, met inbegrip van een spiraalbodem of springverenmatras. Het matras en de gebruikte vulling zouden van goedgekeurde materialen moeten zijn vervaardigd. Materialen waarin zich gemakkelijk ongedierte kan nestelen zouden niet als vulling mogen worden gebruikt.
    1. Wanneer een slaapplaats boven een andere is gelegen, zou een bodem, die geen stof doorlaat, onder het ondermatras of de spiraalbodem van de bovenste slaapplaats moeten worden aangebracht.
    1. De meubels zouden van glad, hard materiaal moeten zijn vervaardigd, dat niet krom trekt of roest.
    1. De slaapvertrekken zouden moeten zijn voorzien van gordijnen of een vergelijkbare voorziening voor de patrijspoorten.
    1. Slaapvertrekken zouden met een spiegel, kleine bergplaatsen voor toiletbenodigdheden, een boekenrek en een voldoende aantal kledinghaken moeten zijn uitgerust.
    1. De eetverblijven kunnen gemeenschappelijk of gescheiden zijn. Het besluit hierover zou moeten worden genomen na overleg met de vertegenwoordigers van zeevarenden en reders en onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteit. Rekening zou moeten worden gehouden met factoren als de grootte van het schip en de uiteenlopende culturele, godsdienstige en sociale behoeften van de zeevarenden.
    1. Wanneer er afzonderlijke eetverblijven moeten zijn voor zeevarenden, zouden er afzonderlijke eetverblijven moeten zijn voor:
  • a. de kapitein en de officieren; en
  • b. de onderofficieren en overige zeevarenden.
    1. Op schepen anders dan passagiersschepen zou het vloeroppervlak van de eetverblijven voor zeevarenden niet minder mogen zijn dan 1,5 m2 per persoon van de geplande stoelcapaciteit.
    1. Op alle schepen zouden de eetverblijven moeten zijn voorzien van tafels en goedgekeurde zitplaatsen, vastgezet of verplaatsbaar, voldoende voor het grootste aantal zeevarenden dat er mogelijkerwijs gelijktijdig gebruik van zal maken.
    1. Wanneer zeevarenden aan boord zijn, zou het volgende te allen tijde beschikbaar moeten zijn:
  • a. een koelkast, die zich op een gemakkelijk toegankelijke plaats dient te bevinden en groot genoeg is voor het aantal personen dat van het eetverblijf of de eetverblijven gebruik maakt;
  • b. voorzieningen voor het serveren van warme dranken; en
  • c. voorzieningen voor het serveren van gekoeld water.
    1. Indien de eventueel aanwezige pantry’s niet in verbinding staan met de eetverblijven, zou voldoende kastruimte aanwezig moeten zijn voor het opbergen van eetgerei alsmede een geschikte gelegenheid voor het reinigen daarvan.
    1. De bovenzijde van de tafels en stoelen zouden van vochtwerend materiaal moeten zijn.
    1. Wastafels en baden zouden van voldoende afmetingen moeten zijn en vervaardigd te zijn van goedgekeurd materiaal met een glad oppervlak dat niet onderhevig is aan scheuren, schilferen of roesten.
    1. Alle wc’s zouden van een goedgekeurd model moeten zijn, met een krachtige doorspoelvoorziening of een ander geschikt middel voor doorspoelen, zoals lucht, dat of die steeds beschikbaar moet zijn en voor elke wc afzonderlijk moet kunnen worden gebruikt.
    1. Sanitaire ruimten bestemd voor meer dan één persoon zouden moeten voldoen aan de volgende eisen:
  • a. de vloeren zouden van goedgekeurd duurzaam, vochtwerend materiaal moeten zijn en te zijn voorzien van een behoorlijke waterafvoer;
  • b. schotten zouden van staal of ander goedgekeurd materiaal en waterdicht tot ten minste 23 cm boven het dekniveau moeten zijn;
  • c. de ruimte dient voldoende verlicht, verwarmd en geventileerd te zijn;
  • d. de wc’s zouden op een gemakkelijk bereikbare plaats, doch afgescheiden van slaapvertrekken en wasgelegenheden moeten zijn gelegen, zonder directe toegang uit de slaapvertrekken of uit de gang tussen de slaapvertrekken en toiletten, waarnaar geen andere toegang voert, met dien verstande dat dit geen betrekking heeft op wc’s in ruimtes tussen twee slaapvertrekken, die tezamen voor ten hoogste vier zeevarenden bestemd zijn; en
  • e. indien meer dan een wc in dezelfde ruimte aanwezig is, zouden deze voldoende moeten zijn afgeschermd teneinde de privacy te waarborgen.
    1. De ten behoeve van de zeevarenden aangebrachte wasvoorzieningen zouden het volgende moeten omvatten:
  • a. wasmachines;
  • b. wasdrogers of deugdelijk verwarmde en geventileerde droogkamers; en
  • c. strijkijzers en strijkplanken of gelijkwaardige voorzieningen.
    1. De ziekenverblijven zouden zodanig moeten zijn ontworpen dat overleg en het verlenen van eerste hulp worden vergemakkelijkt en het verspreiden van besmettelijke ziekten wordt voorkomen.
    1. De toegang, de bedden, de verlichting, de ventilatie, de verwarming en de watervoorziening zouden zo moeten zijn ingericht dat zij het comfort van degenen die er zijn ondergebracht waarborgen en hun behandeling makkelijk maken.
    1. Het vereiste aantal bedden in het ziekenverblijf zou moeten worden voorgeschreven door de bevoegde autoriteit.
    1. Sanitaire voorzieningen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door degenen die in het ziekenverblijf zijn opgenomen, zouden deel uit moeten maken van het ziekenverblijf of in de onmiddellijke nabijheid ervan gelegen te zijn. Deze sanitaire voorzieningen zouden ten minste moeten bestaan uit een wc, een wastafel en een bad of douche.
    1. Wanneer voorzien is in afzonderlijke kleedruimtes voor personeel dat in machinekamers werkzaam is, zouden deze:
  • a. geplaatst moeten zijn buiten de machineruimte, maar gemakkelijk toegankelijk zijn; en
  • b. uitgerust moeten zijn met individuele kledingkastjes alsmede met baden en/of douches en wastafels met warm en koud stromend zoetwater.
    1. Elk Lid zou moeten overwegen de volgende beginselen toe te passen:
  • a. schoon beddengoed en eetgerei zouden door de reder aan alle zeevarenden moeten worden verstrekt voor gebruik aan boord gedurende de dienst op het schip, en deze zeevarenden zouden verantwoordelijk moeten zijn voor de teruggave ervan op de door de kapitein aangegeven tijdstippen en na beëindiging van de dienst op het schip;
  • b. beddengoed zou van goede kwaliteit moeten zijn en borden, bekers en ander eetgerei zouden van een goedgekeurd materiaal moeten zijn dat gemakkelijk kan worden gereinigd; en
  • c. de reder zou moeten zorgen voor handdoeken, zeep en toiletpapier voor alle zeevarenden.
    1. De recreatievoorzieningen en -diensten zouden regelmatig moeten worden geïnspecteerd om te waarborgen dat ze blijven voldoen aan de veranderende behoeften van de zeevarenden ten gevolge van ontwikkelingen in de techniek en de exploitatie en andere ontwikkelingen in de scheepvaart.
    1. Meubilair voor recreatievoorzieningen zou ten minste moeten bestaan uit een boekenkast en voorzieningen voor lezen, schrijven en, indien praktisch uitvoerbaar, gezelschapsspellen.
    1. Bij de planning van recreatievoorzieningen zou de bevoegde autoriteit de plaatsing van een kantine moeten overwegen.
    1. Ook zou overwogen moeten worden de zeevarenden kosteloos, waar praktisch uitvoerbaar, van de volgende voorzieningen te voorzien:
  • a. een rookkamer;
  • b. de mogelijkheid om televisie te kijken en radio-uitzendingen te beluisteren;
  • c. de vertoning van films, waarvan er voor de duur van de reis voldoende aanwezig zouden moeten zijn en, die zo nodig, met redelijke tussenpozen worden vervangen;
  • d. sportvoorzieningen met inbegrip van materiaal voor lichamelijke oefeningen, tafelspelen en dekspelen;
  • e. waar mogelijk, gelegenheid tot zwemmen;
  • f. een bibliotheek met vakliteratuur en andere boeken, waarvan er voldoende zouden moeten zijn voor de duur van de reis en die met redelijke tussenpozen worden vervangen;
  • g. faciliteiten voor creatieve bezigheden ter ontspanning;
  • h. elektronische apparatuur zoals radio, televisie, videorecorders, DVD/CD-speler, personal computer en software en cassetterecorder/-speler;
  • i. indien van toepassing, bars aan boord voor zeevarenden, tenzij dit in strijd is met nationale, godsdienstige of sociale gebruiken; en
  • j. redelijke toegang tot een telefoonverbinding tussen schip en vasteland, waar aanwezig, en de daaraan verbonden gebruikskosten moeten redelijk zijn.
    1. Al het mogelijke zou moeten worden gedaan om het versturen van post voor zeevarenden zo betrouwbaar en snel mogelijk te doen geschieden. Voorts zou getracht moeten worden te vermijden dat zeevarenden strafport moeten betalen wanneer de post door omstandigheden buiten hun schuld moet worden doorgezonden.
    1. Maatregelen zouden moeten worden overwogen om te waarborgen dat, onder voorbehoud van eventuele van toepassing zijnde nationale of internationale wet- en regelgeving, aan zeevarenden telkens wanneer dit mogelijk en redelijk is, snel toestemming wordt verleend om hun partners, familieleden en vrienden aan boord te ontvangen wanneer hun schip in de haven ligt. Bij dergelijke maatregelen zou rekening moeten worden gehouden met eventueel benodigde beveiligingsonderzoeken.
    1. Wanneer dat mogelijk en redelijk is, zou overwogen moeten worden zeevarenden toe te staan zich tijdens reizen af en toe te laten vergezellen door hun partners. De partner zou voldoende verzekerd moeten zijn tegen ongevallen en ziekte; de reder zou de zeevarende alle mogelijke medewerking moeten geven bij het sluiten van een dergelijke verzekering.
    1. Reders zouden, voor zover redelijkerwijs mogelijk, aan zeevarenden aan boord van hun schepen internettoegang moeten bieden, waarbij de daaraan, eventueel, verbonden kosten redelijk moeten zijn.
    1. De verblijven voor huisvesting en de voorzieningen voor recreatie, voeding en catering zouden zo ver als praktisch mogelijk verwijderd moeten zijn van de motoren, stuurmachinekamers, deklieren, ventilatie-, verwarmings- en airconditioningapparatuur en andere machines en apparaten die veel geluid produceren.
    1. Bij de bouw en afwerking van wanden, plafonds en dekken binnen de ruimten waarin geluid wordt geproduceerd, zouden geluidsisolerende of andere geschikte geluidsabsorberende materialen moeten worden gebruikt, alsmede zelfsluitende en geluids-isolerende deuren voor machineruimten.
    1. Machinekamers en andere machineruimten zouden, overal waar praktisch uitvoerbaar, moeten worden voorzien van geluiddichte centrale controlekamers voor het machinekamerpersoneel. Werkruimten, zoals de machinewerkplaats, zouden voor zover praktisch uitvoerbaar moeten worden geïsoleerd van de algemene geluiden van de machinekamer en er zouden maatregelen moeten worden getroffen om de geluidsniveaus tijdens het draaien van de machines te verlagen.
    1. Die limieten voor geluidsniveaus voor werk- en woonruimtes zouden in overeenstemming moeten zijn met de internationale richtlijnen inzake blootstellingsniveaus van de Internationale Arbeidsorganisatie, met inbegrip van die vervat in de Code of practice on Ambient factors in the workplace, 2001, en, waar van toepassing de specifieke bescherming als aanbevolen door de Internationale Maritieme Organisatie, en met eventuele latere instrumenten tot wijziging en aanvulling voor aanvaardbare geluidsniveaus aan boord van schepen. Een afschrift van de desbetreffende akten in het Engels of in de werktaal van het schip zou aan boord aanwezig en voor de zeevarenden toegankelijk moeten zijn.
    1. De voorzieningen voor huisvesting, recreatie of catering zouden niet aan extreme trillingen mogen blootstaan.

Voorschrift 3.2. – Voeding en catering

Doel: Verzekeren dat zeevarenden toegang hebben tot voeding en drinkwater van goede kwaliteit en verstrekt onder gereguleerde hygiënische omstandigheden

    1. Elk Lid moet erop toezien dat de schepen die zijn vlag voeren levensmiddelen en drinkwater aan boord hebben en serveren waarvan de kwaliteit, voedingswaarde en hoeveelheid voldoende zijn voor de behoeften op het schip en dat hierbij rekening wordt gehouden met uiteenlopende culturele en godsdienstige achtergronden.
    1. Tijdens het dienstverband wordt aan zeevarenden aan boord van een schip kosteloos voeding verstrekt.
    1. Zeevarenden die als scheepskok zijn aangesteld en verantwoordelijk zijn voor de bereiding van levensmiddelen moeten voor hun functie aan boord de nodige opleiding en diploma’s hebben.
    1. Elk Lid neemt wet- en regelgeving of andere maatregelen aan teneinde minimumnormen vast te stellen voor de hoeveelheid en kwaliteit van voeding en drinkwater en voor de normen voor maaltijden die aan zeevarenden worden verstrekt op schepen die zijn vlag voeren, en ontplooit voorlichtingsactiviteiten ter bevordering van de bewustwording en de uitvoering van de in deze paragraaf genoemde normen.
    1. Elk Lid ziet erop toe dat schepen die zijn vlag voeren aan de volgende minimumnormen voldoen:
  • a. de voorraden levensmiddelen en water die, gelet op het aantal zeevarenden aan boord, hun godsdienstige voorschriften en culturele gebruiken ten aanzien van voeding en de duur en de aard van de reis, qua hoeveelheid, voedingswaarde, kwaliteit en variatie, voldoende zijn, en tijdens het dienstverband kosteloos worden verstrekt.
  • b. de organisatie en uitrusting van de cateringafdeling moeten zodanig zijn dat aan de zeevarenden goede, gevarieerde, uitgebalanceerde en voedzame maaltijden kunnen worden verstrekt die onder hygiënische omstandigheden worden bereid en geserveerd; en
  • c. het cateringpersoneel moet naar behoren voor zijn functies zijn opgeleid of geïnstrueerd.
    1. Reders moeten waarborgen dat zeevarenden die worden aangesteld als scheepskok voor hun functie in overeenstemming met de vereisten in de wet- en regelgeving van het betrokken Lid zijn opgeleid, gediplomeerd en de nodige vakbekwaamheid bezitten.
    1. De vereisten ingevolge het derde lid van deze norm omvatten de voltooiing van een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde of erkende opleiding, die betrekking heeft op praktische kookvaardigheden, voeding en persoonlijke hygiëne, opslag van levensmiddelen, voorraadcontrole, milieubescherming en gezondheids- en veiligheidsvoorschriften voor catering.
    1. Op schepen die worden geëxploiteerd met een voorgeschreven bemanningssterkte van minder dan tien, ten aanzien waarvan de bevoegde autoriteit uit hoofde van de bemanningssterkte of het soort vaart, niet verlangt dat deze een volledig gediplomeerde kok aan boord hebben, moet eenieder die in de kombuis levensmiddelen verwerkt een opleiding hebben genoten of instructies hebben gekregen op het gebied van voeding en persoonlijke hygiëne alsmede de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen.
    1. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan de bevoegde autoriteit een ontheffing verlenen op grond waarvan een niet volledig gediplomeerde kok op een specifiek schip gedurende een specifiek tijdvak werkzaam mag zijn, tot de volgende geschikte aanloophaven of voor een tijdvak van ten hoogste een maand, mits de persoon ten aanzien van wie de ontheffing is verleend een opleiding heeft genoten of instructies heeft gekregen op het gebied van voeding en persoonlijke hygiëne alsmede de behandeling en opslag van levensmiddelen aan boord van schepen.
    1. In overeenstemming met de procedures ten behoeve van permanente naleving ingevolge titel 5 moet de bevoegde autoriteit verlangen dat aan boord van schepen door of onder het gezag van de kapitein frequent gedocumenteerde inspecties worden verricht met betrekking tot:
  • a. voorraden levensmiddelen en drinkwater, in relatie tot de hoeveelheid, voedingswaarde, kwaliteit en variëteit;
  • b. alle ruimten en apparatuur gebruikt voor de opslag en behandeling van levensmiddelen en drinkwater; en
  • c. kombuis- en andere apparatuur voor het bereiden en het serveren van maaltijden.
    1. Geen enkele zeevarende onder de leeftijd van 18 jaar mag worden aangesteld, tewerkgesteld of werkzaam zijn als scheepskok.
    1. De bevoegde autoriteit zou,in samenwerking met andere aangewezen instanties en organisaties, actuele informatie moeten verzamelen op het gebied van voeding en methoden voor het inkopen, opslaan, bewaren, bereiden en serveren van levensmiddelen, met bijzondere aandacht voor de vereisten van catering aan boord van schepen. Deze informatie zou kosteloos of tegen redelijke kosten ter beschikking moeten worden gesteld aan fabrikanten van en handelaren in scheepsvoeding en apparatuur, kapiteins, stewards en koks, en aan de betrokken organisaties van reders en zeevarenden. Hiertoe zouden geschikte vormen van publiciteit moeten worden gebruikt, zoals handboeken, brochures, posters, lijsten of advertenties in vakbladen.
    1. De bevoegde autoriteit zou aanbevelingen moeten doen ter voorkoming van voedselverspilling, ter vergemakkelijking van het handhaven van goede normen op het gebied van hygiëne, en zorgen voor een zo optimaal mogelijk gebruik van de voorzieningen.
    1. De bevoegde autoriteit zou met de aangewezen instanties en organisaties moeten samenwerken bij de ontwikkeling van voorlichtingsmateriaal en informatie aan boord op het gebied van methoden ter waarborging van een deugdelijke bevoorrading met levensmiddelen en goede cateringdiensten.
    1. De bevoegde autoriteit zou bij vraagstukken over voeding en gezondheid nauw moeten samenwerken met de desbetreffende organisaties van reders en zeevarenden en met nationale of lokale autoriteiten, en kan waar nodig gebruikmaken van de diensten van deze autoriteiten.
    1. Zeevarenden zouden uitsluitend als scheepskok bekwaam mogen worden verklaard indien zij:
  • a. op zee dienst hebben gedaan gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen minimumtijdvak dat gelet op de reeds behaalde relevante diploma’s of opgedane ervaring kan variëren;
  • b. met goed gevolg een door de bevoegde autoriteit voorgeschreven examen of een gelijkwaardig examen in het kader van een erkende koksopleiding hebben afgelegd.
    1. Het voorgeschreven examen mag worden afgenomen en de vakdiploma’s mogen worden uitgereikt hetzij rechtstreeks door de bevoegde autoriteit of, onder haar toezicht, door een erkende koksopleiding.

TITEL 4. BESCHERMING VAN DE GEZONDHEID, MEDISCHE ZORG, WELZIJN EN SOCIALEZEKERHEIDSBESCHERMING

Voorschrift 4.1. – Medische zorg aan boord van het schip en aan wal

Doel: Het beschermen van de gezondheid van zeevarenden en het garanderen van onmiddellijke toegang tot medische zorg aan boord van het schip en aan wal

    1. Elk Lid moet waarborgen dat op alle zeevarenden op schepen die zijn vlag voeren maatregelen van toepassing zijn ter bescherming van hun gezondheid en dat zij toegang hebben tot onmiddellijke en adequate medische zorg terwijl zij aan boord werkzaam zijn.
    1. De in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde bescherming en zorg moeten, in beginsel, kosteloos aan de zeevarenden worden verleend.
    1. Elk Lid moet ervoor zorgdragen dat zeevarenden aan boord van schepen binnen zijn grondgebied die onmiddellijk medische zorg nodig hebben toegang krijgen tot de medische voorzieningen van het Lid aan wal.
    1. De in de Code vervatte vereisten voor de bescherming van de gezondheid en medische zorg aan boord behelzen normen voor maatregelen die erop gericht zijn de gezondheid van zeevarenden te beschermen en hen medische zorg te bieden op een wijze die zo veel mogelijk vergelijkbaar is met de bescherming en zorg die in het algemeen voor werknemers aan wal beschikbaar zijn.
    1. Elk Lid moet zorgen voor een snelle ontscheping van zeevarenden die onmiddellijke medische zorg nodig hebben van schepen op zijn grondgebied en toegang tot medische faciliteiten aan wal voor het verstrekken van de juiste behandeling.
    1. Wanneer een zeevarende is overleden tijdens een reis van een schip, moet het Lid op wiens grondgebied het overlijden heeft plaatsgevonden of, wanneer het overlijden op volle zee heeft plaatsgevonden, in wiens territoriale wateren het schip vervolgens binnenvaart, de repatriëring faciliteren van het stoffelijk overschot of de as door de reder, overeenkomstig de wensen van de zeevarende of diens nabestaanden, zoals gepast.
    1. Elk Lid moet ervoor zorgdragen dat ten behoeve van de zeevarenden die werkzaam zijn aan boord van een schip dat zijn vlag voert maatregelen worden getroffen voor de bescherming van de gezondheid en medische zorg, met inbegrip van elementaire tandheelkundige zorg, die:
  • a. waarborgen dat op zeevarenden alle algemene bepalingen betreffende de bescherming van de gezondheid op het werk en medische zorg die van belang is voor hun taken, alsmede alle bijzondere bepalingen die betrekking hebben op de arbeid aan boord van schepen, van toepassing zijn;
  • b. waarborgen dat de gezondheid van zeevarenden wordt beschermd en hen medische zorg wordt verleend op een wijze die zo veel mogelijk vergelijkbaar is met hetgeen in het algemeen voor werknemers aan wal beschikbaar is, met inbegrip van onmiddellijke toegang tot de noodzakelijke geneesmiddelen, medische apparatuur en voorzieningen voor diagnose en behandeling en tot medische informatie en expertise;
  • c. zeevarenden het recht geven, wanneer dit mogelijk is, onverwijld een bevoegde arts of tandarts te raadplegen in aanloophavens;
  • d. waarborgen dat, voor zover in overeenstemming met het nationale recht en de gebruiken van het Lid, de diensten op het gebied van medische zorg en bescherming van de gezondheid terwijl een zeevarende zich aan boord van het schip bevindt of in een buitenlandse haven is gedebarkeerd, kosteloos aan de zeevarende worden verleend; en
  • e. niet beperkt zijn tot de behandeling van zieke of gewonde zeevarenden, maar mede maatregelen omvatten van preventieve aard, zoals op het gebied van gezondheidsbevordering en -voorlichting.
    1. De bevoegde autoriteit neemt een standaardformulier voor medische rapportage aan dat moet worden gebruikt door de kapitein van het schip en door het desbetreffende medisch personeel aan boord en aan wal. Wanneer het formulier is ingevuld moeten het rapport en de inhoud ervan vertrouwelijk worden behandeld en uitsluitend worden gebruikt ter bevordering van de behandeling van zeevarenden.
    1. Elk Lid moet wet- en regelgeving aannemen waarin de eisen worden vastgelegd ten aanzien van de voorzieningen, opleiding en apparatuur voor het ziekenverblijf en medische zorg aan boord van schepen die zijn vlag voeren.
    1. De nationale wet- en regelgeving moeten ten minste de volgende vereisten bevatten:
  • a. alle schepen moeten zijn uitgerust met een scheepsapotheek, medische uitrusting en een medische handleiding, waarvan de kenmerken moeten worden voorgeschreven en regelmatig moeten worden geïnspecteerd door de bevoegde autoriteit; in de nationale vereisten moet rekening worden gehouden met het type schip, het aantal personen aan boord en de aard, bestemming en duur van de reizen en de desbetreffende nationale en internationale aanbevolen medische normen;
  • b. op schepen die meer dan 100 personen vervoeren en die normaal gesproken internationale reizen van langer dan drie dagen maken, moet een bevoegde arts aanwezig zijn die verantwoordelijk is voor het verschaffen van medische zorg; de nationale wet- en regelgeving moet ook vermelden op welke andere schepen een arts aan boord moet zijn, onder andere gelet op factoren als de duur, aard en omstandigheden van de reis en het aantal zeevarenden aan boord;
  • c. schepen die geen arts aan boord hebben, moeten hetzij ten minste een zeevarende aan boord hebben die belast is met de medische zorg en toediening van medicijnen als onderdeel van zijn reguliere taken hetzij ten minste een zeevarende aan boord hebben die bevoegd is om eerste hulp te verlenen; personen belast met de medische zorg aan boord die geen arts zijn, moeten naar behoren een opleiding in de gezondheidszorg hebben afgerond die voldoet aan de vereisten van het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978, zoals gewijzigd („STCW-Verdrag”); zeevarenden die zijn aangewezen voor het verlenen van eerste hulp moeten een naar behoren afgeronde opleiding op het gebied van eerstehulpverlening hebben die voldoet aan de vereisten van het STCW-Verdrag; in de nationale wet- en regelgeving moet het vereiste niveau van de erkende opleiding worden vermeld, met inachtneming van onder andere factoren als de duur, aard en omstandigheden van de reis en het aantal zeevarenden aan boord; en
  • d. de bevoegde autoriteit moet er door middel van een vooraf opgezet systeem voor zorgdragen dat medisch advies per radio of satelliet aan schepen op zee, met inbegrip van advies van specialisten 24 uur per dag beschikbaar is; medische adviezen, waaronder begrepen de overdracht per radio of satelliet van medische boodschappen tussen een schip en personen aan wal die adviseren, moeten gratis beschikbaar zijn voor alle schepen, ongeacht onder welke vlag zij varen.
    1. Bij de vaststelling van het niveau van de medische opleiding die voorhanden moet zijn aan boord van schepen waarop geen arts aanwezig hoeft te zijn, zou de bevoegde autoriteit moeten vereisen dat:
  • a. schepen die normaal gesproken in staat zijn binnen acht uur gekwalificeerde medische zorg en medische voorzieningen te bereiken, ten minste één aangewezen zeevarende aan boord hebben die de in het STCW-Verdrag vereiste goedgekeurde eerstehulpopleiding heeft afgerond, zodat deze bij ongevallen of ziekten die zich aan boord van een schip kunnen voordoen onmiddellijk maatregelen kan nemen en het per radio of satelliet ontvangen medisch advies kan uitvoeren; en
  • b. alle overige schepen ten minste één aangewezen zeevarende aan boord hebben die de in het STCW-Verdrag vereiste goedgekeurde opleiding voor het verlenen van medische zorg heeft afgerond, met inbegrip van een praktische trainingen opleiding in levensreddende technieken, zoals intraveneuze toediening, waardoor deze in staat is een doeltreffende bijdrage te leveren aan het gecoördineerde systeem van medische bijstand aan schepen op zee, en de zieken of gewonden een behoorlijk niveau van medische zorg te bieden gedurende de tijd dat zij waarschijnlijk aan boord zullen blijven.
    1. De opleiding waarnaar in het eerste lid van deze leidraad wordt verwezen zou gebaseerd moeten zijn op de inhoud van de meest recente uitgaven van de Internationale medische handleiding voor schepen, de Handleiding voor medische eerste hulp bij ongevallen met gevaarlijke stoffen, het Document for Guidance – An International Maritime Training Guide, uitgegeven door de Internationale Maritieme Organisatie, en van het medisch gedeelte van het Internationaal Seinboek alsmede van soortgelijke nationale handleidingen.
    1. De personen waarnaar in het eerste lid van deze leidraad wordt verwezen, alsmede andere zeevarenden die door de bevoegde autoriteit daartoe nodig worden geacht zeevarenden zouden ongeveer om de vijf jaar herhalingscursussen moeten volgen om hen in staat te stellen hun kennis en vaardigheden op peil te houden en te vergroten en op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen.
    1. De scheepsapotheek, de inhoud daarvan en de medische uitrusting en medische handleiding aan boord zouden naar behoren moeten worden onderhouden en met regelmatige tussenpozen van ten hoogste 12 maanden worden geïnspecteerd door de verantwoordelijke personen, die daarvoor door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen en er op toezien dat de controle van de etikettering, uiterste gebruiksdata en de opslag van alle geneesmiddelen en de gebruiksaanwijzing ervan plaatsvindt en dat alle apparatuur deugdelijk functioneert. Bij het aannemen of herzien van de nationaal gehanteerde medische handleiding voor schepen, en bij de vaststelling van de inhoud van de scheepsapotheek en medische uitrusting, dient de bevoegde autoriteit rekening te houden met internationale aanbevelingen op dit gebied, met inbegrip van de laatste uitgave van de Internationale medische handleiding voor schepen, en andere in het tweede lid van deze leidraad genoemde handleidingen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)