Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden

Type Wet
Publication 2026-04-24
Laatst bijgewerkt 2026-04-29
State In force
Source BWB
artikelen 418
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regelingen tot toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden, te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

afdeling Eerste. Algemeen gedeelte

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

1.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

  • a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
  • b. Rijksvertegenwoordiger: Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
2.

Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt in jaren, onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in gedeelten van jaren, onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld.

3.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen die in deze wet als zodanig zijn aangeduid, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 2

1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 2a;
  • b. partner: de persoon die met een politieke ambtsdrager, gewezen politieke ambtsdrager of gepensioneerde een huwelijk of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel de persoon, die is aangemeld op de wijze, bedoeld in artikel 2a;
  • c. partnerschap: het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de relatie tussen de aanmelder en degene die als zijn partner is aangemeld op de wijze, bedoeld in artikel 2a;
  • d. pensioengeldige tijd: de tijd waarover pensioenaanspraken zijn opgebouwd op grond van deze wet.
2.

Onder politieke ambtsdrager wordt verstaan voor de toepassing van

  • b. de derde afdeling van deze wet: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
  • c. de vierde afdeling van deze wet: minister of lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
  • d. de vijfde afdeling van deze wet: commissaris van de Koning, lid van gedeputeerde staten, burgemeester, wethouder, lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente in de zin van hoofdstuk V, paragraaf 2, van de Gemeentewet, zoals deze paragraaf luidde op de dag voorafgaand aan de datum van de verkiezing van de gemeenteraden in 2014, voorzitter of lid van het dagelijks bestuur van een waterschap of de Rijksvertegenwoordiger.
3.

Waar in deze wet betekenis toekomt aan het gegeven dat een belanghebbende gehuwd is, gehuwd is geweest of een huwelijk aangaat, wordt mede begrepen onder gehuwd: als partner geregistreerd, respectievelijk onder huwelijk: geregistreerd partnerschap.

4.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder:

  • a. ouderdomspensioen mede verstaan eigen pensioen als bedoeld in deze wet, zoals deze luidde voor 1 juli 2022;
  • b. partnerpensioen mede verstaan nabestaandenpensioen als bedoeld in deze wet, zoals deze luidde voor 1 juli 2022.

Aanmelding

Artikel 2a

1.

De politieke ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b, alsmede de Rijksvertegenwoordiger kan bij Onze Minister één man of vrouw aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:

  • a. beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;
  • b. zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te dragen in de kosten van levensonderhoud;
  • c. beiden ongehuwd zijn;
  • d. beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder zijn en
  • e. geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.
2.

Een gewezen politieke ambtsdrager als bedoeld in het eerste lid kan, voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, eveneens een aanmelding doen als bedoeld in dat lid.

3.

Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid blijkt.

4.

Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste lid, niet wordt voldaan, weigert Onze Minister de aanmelding.

5.

Onze Minister kan regels stellen omtrent de aanmelding door degene die niet als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven.

6.

De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.

7.

Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald:

  • a. op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is aangemeld, is ontvangen;
  • b. op de dag van overlijden van de man of vrouw die is aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft gedaan, of
  • c. op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk treedt, hetzij partij is bij een volgende aanmelding.
8.

Onze Minister kan, indien daartoe aanleiding bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan legt alsdan een schriftelijke verklaring ter zake over van hem en de aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de basisregistratie personen waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de voorgaande periode het samenlevingscontract een wijziging heeft ondergaan die van belang kan zijn voor de aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde contract overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

9.

Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan herhaalt Onze Minister zijn in het achtste lid bedoelde vraag.

10.

Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, kan Onze Minister de aanmelding op een door hem vast te stellen datum doorhalen. De bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.

11.

Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de Rijksvertegenwoordiger, kan voor «basisregistratie personen» telkens worden gelezen: basisadministratie, als bedoeld in artikel 2 van de Wet basisadministratie persoonsgegevens BES.

Artikel 2b

1.

Artikel 2a is van overeenkomstige toepassing op de politieke ambtsdrager, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder d met uitzondering van de Rijksvertegenwoordiger.

2.

Voor de toepassing, bedoeld in het eerste lid, treden gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap in de plaats van Onze Minister, uitgezonderd ten aanzien van diens bevoegdheid, gegeven in artikel 2a, vijfde lid.

Artikel 3. Bijzonder partnerpensioen

De bepalingen van deze wet voor het partnerpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder partnerpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 4. Tijdelijk pensioen

De bepalingen van deze wet voor het partner- en wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel blijkt.

Artikel 4a

Op een bij of krachtens deze wet vastgestelde pensioenregeling zijn de artikelen 47, 53, 55, vierde lid, en 97 van de Pensioenwet van overeenkomstige toepassing.

afdeling Tweede. Ministers en staatssecretarissen

Hoofdstuk 2. Begripsomschrijvingen

Artikel 5

1.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder minister mede verstaan: staatssecretaris.

2.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

  • a. gewezen minister: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
  • b. gepensioneerd minister: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
  • c. overheidswerknemer: een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP, die werkzaam was bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Hoofdstuk 3. De uitkering

Artikel 6. Het recht op uitkering

1.

Een minister aan wie door Ons ontslag wordt verleend, heeft met ingang van de dag van zijn ontslag, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als minister optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen.

2.

De uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 9, het restant van de uitkering, wordt niet uitbetaald voor de periode dat:

  • a. de belanghebbende Onze Minister daarom verzoekt;
  • b. aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
  • c. de belanghebbende zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
  • e. de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.
3.

Wij, de Raad van State gehoord, kunnen bepalen dat geen uitkering wordt toegekend, indien de belanghebbende:

  • a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
  • b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.
4.

Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van artikel 7, eerste of tweede lid, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.

Artikel 7. Duur van de uitkering

1.

De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende minister is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen minister is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij minister is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn ontslag, waarin zijn ministerschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden minister is geweest.

3.

Als de belanghebbende op de datum van zijn ontslag of aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren Minister is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

4.

Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende minister is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbreking in de uitoefening van deze functies.

5.

In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 11, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.

Artikel 18. Recht op wezenpensioen

1.

In deze afdeling wordt onder wees verstaan een kind van wie een verzorger is overleden en:

  • b. dat deel uitmaakte van het gezin van de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister, waarvoor deze de kosten van levensonderhoud droeg; of
2.

In deze afdeling wordt onder verzorger verstaan:

  • a. de ouder van de wees indien de wees is geboren tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap;
  • b. de persoon die de wees heeft erkend of geadopteerd;
  • c. de pleegouder van de wees.
3.

Onder pleegouder bedoeld in het tweede lid, onder c, wordt verstaan de persoon die de zorg draagt voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of het genieten van een vergoeding daarvoor.

4.

De wees heeft bij overlijden van zijn verzorger die minister, gewezen minister of gepensioneerd minister was recht op wezenpensioen, indien hij de leeftijd van vijfentwintig jaar nog niet heeft bereikt.

5.

Het wezenpensioen gaat in op de dag volgende op de dag van het overlijden van de verzorger, bedoeld in het vierde lid.

6.

In afwijking van het vierde lid heeft een wees geen recht op wezenpensioen als hij opzettelijk de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld.

Artikel 19

Vervallen

Artikel 8. Bedrag van de uitkering

1.

De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten bezoldiging verstaan de bezoldiging, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering waarop de belanghebbende aanspraak had op de dag voorafgaande aan de dag waarop hij als minister is ontslagen.

3.

Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van die wijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.

Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit

Artikel 8a

1.

Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 11, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 8b.

2.

Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

3.

Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

4.

Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.

5.

Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.

Artikel 8b

1.

De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.

2.

De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van deze bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.

3.

De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de betrokkene die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:

    1. jaar of ouder is: zes jaar;
    1. jaar of ouder is: drie jaar;
    1. jaar of ouder is: twee jaar;
    1. jaar of ouder is: anderhalf jaar;
    1. jaar of ouder is: een jaar;
    1. jaar of ouder is: een half jaar;

jonger is dan 33 jaar: nihil.

4.

De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, en het minimumloon.

5.

Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de belanghebbende op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.

6.

Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

7.

De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.

8.

De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging.

9.

In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.

10.

Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.

11.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop de minister of de gewezen minister de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.

12.

Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 9, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.

Artikel 8c

1.

De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 8a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.

2.

Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.

3.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.

4.

Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.

5.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.

6.

Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.

7.

Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.

Artikel 8d

1.

Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 8a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.

2.

Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.

3.

Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.

4.

Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:

  • a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;
  • b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.
5.

De toepassing van artikel 8a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.

6.

Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 8a, tweede lid.

Artikel 8e

1.

Op verzoek van een minister doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de minister die het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in artikel 8a, tweede lid.

2.

Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.

Artikel 9. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf

1.

De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als

  • b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en

Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

3.

De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 7c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.

4.

Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.

5.

Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.

6.

Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 7, zesde lid, en artikel 8a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.

Artikel 9a

1.

De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten bedoeld in artikel 9, tweede lid.

2.

Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is artikel 9 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.

3.

Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.

4.

De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.

Artikel 10

1.

De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.

2.

De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.

Artikel 11. Einde en verval van de uitkering

1.

De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de gewezen minister is overleden.

2.

De uitkering vervalt:

  • a. met ingang van de dag waarop de gewezen minister de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
  • b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt.
3.

De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a.

4.

Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen minister:

  • a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
  • b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.

Artikel 12. Uitkering bij overlijden

1.

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen minister wordt aan de partner, van die de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan driemaal het bedrag van de uitkering, dat over de laatste volle maand aan de gewezen minister is uitgekeerd.

2.

Laat de overledene geen partner na, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, ten behoeve van de minderjarige kinderen die in familierechtelijke betrekking stonden tot de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

3.

Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk 4. Het eigen pensioen

Artikel 13. Het recht op ouderdomspensioen

1.

Een persoon die minister is of minister is geweest, heeft recht op een ouderdomspensioen.

2.

Het pensioen gaat in op de pensioengerechtigde leeftijd. Op verzoek van de betrokkene gaat het pensioen eerder of later in.

3.

Het pensioen kan niet eerder in gaan dan op de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.

4.

Gedurende de tijd dat de betrokkene optreedt als minister en gedurende de tijd dat hij een uitkering geniet als bedoeld in hoofdstuk 3, kan het pensioen niet ingaan.

5.

Het pensioen gaat, zo nodig in afwijking van het vierde lid, niet later in dan het tijdstip waarop de betrokkene de leeftijd heeft bereikt, bedoeld in artikel 18a, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen.

6.

Nadat het pensioen is ingegaan worden geen aanspraken voor het pensioen opgebouwd.

Artikel 13a. De opbouw van aanspraken op pensioen

1.

De betrokkene bouwt gedurende ieder dienstjaar pensioenaanspraak op. De aanspraak bedraagt voor ieder dienstjaar een percentage van de pensioengrondslag.

2.

De opgebouwde aanspraak wordt geïndexeerd op een wijze die aansluit bij de indexering van de opbouw die wordt gehanteerd ten aanzien van het ouderdomspensioen van overheidswerknemers.

Artikel 14. Nadere regels

1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de opbouw van aanspraken op pensioen waaronder de indexering daarvan;
  • b. de in aanmerking te nemen dienstjaren en het in aanmerking te nemen opbouwpercentage;
  • c. de bepaling van de pensioengrondslag, de in aanmerking te nemen bezoldiging waaronder de indexering daarvan en de franchise;
  • d. het bepalen van het pensioen;
  • f. de beperkingen die bij toepassing van artikel 13e, derde lid, in acht worden genomen en de herrekening die bij die toepassing wordt gehanteerd;
  • g. de verhoging van het pensioen door omzetting van partnerpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet;
  • h. de verlaging van het pensioen door omzetting in partnerpensioen, waaronder de daarbij te hanteren ruilvoet en de bepaling van dat partnerpensioen;
  • i. de verlaging van het pensioen na verlaging van pensioenaanspraken en pensioenen door het pensioenfonds ABP overeenkomstig artikel 134 van de Pensioenwet;
  • j. de afkoop en de waardeoverdracht van een klein pensioen;
  • k. overige aspecten in het belang van een goede vaststelling en uitkering van het pensioen.
2.

Krachtens de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen nadere regels worden gesteld over de aanpassing van in de maatregel genoemde bedragen.

3.

Bij deze regels worden de voorwaarden en maxima in acht genomen die op grond van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, gelden voor een op een middelloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen.

Artikel 14a. Pensioengrondslag tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995

1.

Voor tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 is de pensioengrondslag de wedde verminderd met een bedrag, genaamd franchise.

2.

De wedde wordt voor de toepassing van het eerste lid vermenigvuldigd met een debruteringsfactor indien deze laatstelijk is genoten na 31 december 1994. Deze factor is de breuk, waarvan de teller honderd bedraagt en de noemer de som is van honderd en het percentage waarmee het inkomen als minister per 1 januari 1995 uitsluitend ter uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei 1994 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 418) is gewijzigd.

3.

De in het eerste lid bedoelde franchise is:

  • a. voor de gepensioneerde minister die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een gehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat;
  • b. voor de gepensioneerde minister die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag dat geldt voor een ongehuwde per 1 januari van het jaar waarin het recht op pensioen ontstaat.
4.

In de in het derde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de bruto vakantie-uitkering waarop ingevolge de Algemene Ouderdomswet recht bestaat.

5.

Wanneer de in het derde lid bedoelde bedragen op grond van persoonlijke omstandigheden worden gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat, onverminderd artikel 14c, tweede lid, in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijzigingen zich hebben voorgedaan.

Artikel 14aa

Artikel 14a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien verstande dat de franchise bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

Artikel 14b. Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995

1.

De gepensioneerde minister heeft recht op een toeslag op zijn pensioen indien dat pensioen is berekend met toepassing van de franchise bedoeld in artikel 14a, derde lid, onderdeel a, en indien de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn pensioen meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk samenvalt met kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening van enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, mits op laatstbedoeld pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de gepensioneerde minister wordt aangemerkt.

3.

De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor elk voor de berekening van het pensioen meetellend jaar binnen de samenlopende kalendertijd 0,525 percent van de franchise bedoeld in artikel 14a, derde lid, onder a.

4.

De toeslag wordt slechts toegekend op verzoek en gaat in op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat de toeslag niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek is ingediend.

5.

Voor de toepassing van hoofdstuk 5 wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder pensioen begrepen.

Artikel 14c. Verstrekken van inlichtingen

1.

Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder medebegrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering, ingevolge de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht op grond van persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd vóór 1 januari 1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot verhoging van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de daarbedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging ambtshalve plaatsvond.

3.

In bijzondere gevallen kan Onze Minister het tweede lid buiten toepassing laten.

Hoofdstuk 5. Het nabestaanden- en wezenpensioen

§ 1. Het recht op pensioen

Artikel 15. Recht op partnerpensioen

1.

De partner van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister heeft bij diens overlijden recht op partnerpensioen.

2.

Het partnerpensioen gaat in op de dag volgende op de dag van het overlijden, bedoeld in het eerste lid.

3.

In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op partnerpensioen:

  • a. indien het partnerschap is aangegaan nadat de gepensioneerde minister de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt;
  • b. bij overlijden van een gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd is gelegen tussen 1 augustus 2003 en 1 juli 2022 en geen omzetting is gedaan als bedoeld in artikel 13g, eerste lid;
  • c. bij overlijden van een gepensioneerd minister, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f;
  • d. indien de partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is en hiervoor is veroordeeld.
4.

Voor de toepassing van het derde lid, onder b, geldt niet als gewezen minister de gewezen minister die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, of artikel 8a, eerste lid.

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17. Bijzonder partnerpensioen

1.

Bij een overlijden van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister heeft de gewezen partner recht op bijzonder partnerpensioen, mits:

  • a. de gewezen partner recht op partnerpensioen zou hebben gehad, indien de minister, gewezen minister of gepensioneerde op de dag van het beëindigen van het partnerschap zou zijn overleden; en
  • b. indien het partnerschap een huwelijk betrof, de dag van het vonnis, waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk is uitgesproken ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet herziening echtscheidingsrecht en de echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk niet is uitgesproken met toepassing van het voor bedoeld tijdstip geldende recht.
2.

In afwijking van het eerste lid heeft de gewezen partner bij overlijden geen recht op bijzonder partnerpensioen:

  • a. indien de partners bij huwelijkse voorwaarden, bij voorwaarden bij geregistreerd partnerschap of bij een schriftelijk gesloten overeenkomst met het oog op het einde van het partnerschap dit overeenkomen en Onze Minister daarmee instemt;
  • b. indien betrokkene als gevolg van het aangaan van een nieuw partnerschap met dezelfde minister wegens diens overlijden recht op partnerpensioen heeft;
  • c. bij overlijden van een minister of gewezen minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen tussen 31 juli 2003 en 1 juli 2022;
  • d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voor zover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f;
  • e. indien de gewezen partner de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister opzettelijk van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig is, en hiervoor is veroordeeld;
  • f. indien bij de scheiding het partnerpensioen van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerd minister is omgezet in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen voor de gewezen partner.

Artikel 18

Na het overlijden van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister hebben recht op wezenpensioen zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij zijn of partij geweest zijn bij een aanmelding, mits zij zijn geboren of geadopteerd voor zijn ontslag is ingegaan of in de periode waarin hij recht heeft op uitkering ter zake van het ontslag.

Artikel 19

Kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke minister, gewezen of gepensioneerde minister ten tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend, hebben onder dezelfde voorwaarden als genoemd in artikel 18 recht op wezenpensioen.

Artikel 20

Vervallen

Artikel 21. Tijdelijk pensioen

1.

Indien een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister naar het oordeel van Onze Minister is vermist, hebben degenen die aan zijn overlijden recht op pensioen zouden ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voet als in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk is omschreven.

2.

Het tijdelijk pensioen gaat in op een door Onze Minister te bepalen dag.

3.

Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een voortdurend pensioen zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.

§ 2. Bedrag van het pensioen

Artikel 22. Berekening partnerpensioen

1.

Het partnerpensioen, bedoeld in artikel 15, bedraagt 70 procent van het ouderdomspensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 15, tweede lid, onder b en c.

2.

In afwijking van het vorige lid bedraagt het partnerpensioen:

  • a. bij overlijden van een minister vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop die minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij zijn ambt tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bekleed, zonder rekening te houden met artikel 13e, tweede of derde lid;
  • b. bij overlijden van een gewezen minister in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, 70 procent van het ouderdomspensioen waarop de gewezen minister aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op uitkering zou hebben gehad, met dien verstande, dat voor de berekening van het ouderdomspensioen de diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van medetelling van diensttijd op de dag van overlijden.
3.

Indien wegens eenzelfde overlijden voor een partner recht ontstaat zowel op partnerpensioen krachtens deze afdeling als op partnerpensioen krachtens of op de voet van de derde of vijfde afdeling van deze wet, wordt voor de berekening van de ouderdomspensioenen waarvan de partnerpensioenen zijn afgeleid, tijd die zowel voor de berekening van eerstbedoeld pensioen als voor de berekening van het andere pensioen meetelt en niet daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is doorgebracht, slechts meegeteld voor de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

4.

Bij de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt ten aanzien van het ouderdomspensioen opgebouwd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995, gerekend met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde franchise.

Artikel 22a

Vervallen

Artikel 22b

Vervallen

Artikel 23. Berekening bijzonder partnerpensioen

1.

Het bijzonder partnerpensioen bedraagt 70 procent van een ouderdomspensioen, waarbij in aanmerking wordt genomen:

  • a. de berekeningsgrondslag waarnaar het ouderdomspensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerde zou zijn berekend indien deze op de dag van het beëindigen van het partnerschap recht op ouderdomspensioen zou hebben verkregen, zonder rekening te houden met artikel 13e, tweede of derde lid;
  • b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat:
  • i. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de pensioengerechtigde leeftijd, uitsluitend tijd vóór 1 augustus 2003 en na 1 juli 2022, in aanmerking wordt genomen;
  • ii. bij overlijden van een gepensioneerd minister uitsluitend tijd vóór 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen, indien de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13f.
2.

Indien er bij overlijden recht bestaat op meer dan een bijzonder partnerpensioen vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de berekening van het bijzonder partnerpensioen ontleend aan elk partnerschap waaraan een eerder partnerschap voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de duur van het partnerschap.

3.

Wanneer er in verband met hetzelfde overlijden behalve partnerpensioen ook recht op een of meer bijzondere partnerpensioenen bestaat, wordt het partnerpensioen verminderd met deze bijzondere partnerpensioenen.

Artikel 24. Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding

Vervallen

Artikel 25. Berekening wezenpensioen

1.

Het wezenpensioen bedraagt 14 procent van het ouderdomspensioen als de wees een verzorger als bedoeld in artikel 18, tweede lid, heeft.

2.

Het wezenpensioen bedraagt 28 procent van het ouderdomspensioen als er geen sprake is van een verzorger als bedoeld in artikel 18, tweede lid.

3.

Onze Minister stelt het wezenpensioen, bedoeld in het eerste lid, opnieuw vast als de wees geen verzorger als bedoeld in artikel 18, tweede lid, meer heeft. Het gewijzigde bedrag van het wezenpensioen gaat in met ingang van de eerste dag van de maand na de maand waarin de verzorger is overleden.

4.

Voor de toepassing van dit artikel is het ouderdomspensioen het ouderdomspensioen:

Artikel 25a

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27. Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen

1.

Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan 70 procent van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.

2.

Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen.

Artikel 27a. Toeslag op nabestaandenpensioen

Vervallen

Artikel 27b. Toeslag op wezenpensioen

Vervallen

Artikel 28. Tijdelijk pensioen

Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was overleden.

Hoofdstuk 6. Verval van pensioen

Artikel 29. Verval van uitzicht of recht op pensioen

Wij, de Raad van State gehoord, verklaren het uitzicht of het recht op pensioen geheel of gedeeltelijk vervallen, indien degene die dat uitzicht of recht heeft:

  • a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
  • b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.

Artikel 30. Herstel van uitzicht op pensioen

1.

In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van artikel 29 vervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.

2.

Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt hersteld gaat het pensioen in op de eerste dag van de maand waarin het herstel heeft plaatsgevonden.

Artikel 31. Verval van recht op pensioen bij het niet-invorderen

1.

Het recht op pensioen vervalt indien gedurende vijf achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is gebleven.

2.

Wij kunnen, de Raad van State gehoord, een door of als gevolg van de toepassing van het vorige lid vervallen recht of uitzicht op pensioen herstellen.

Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen

Artikel 32

Vervallen

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34. Samenloop partnerpensioenen bij nieuw partnerschap

1.

Indien een partner aan wie reeds een partnerpensioen is toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere aanmelding eveneens recht op partnerpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

2.

Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds.

Artikel 34a. Samenloop van wezenpensioenen

1.

Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, daarna eveneens recht op enig ander wezenpensioen verkrijgt, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling, wordt voor de berekening van de ouderdomspensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts medegeteld bij de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.

2.

Artikel 34, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen

Artikel 35. Intrekking wet van 1 augustus 1956, Stb. 455

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37. Toepasselijkheid van deze wet

Vervallen

Artikel 38. Keuze-bepaling

Vervallen

Artikel 39. Het bedrag van de uitkering (behoort bij hoofdstuk 3)

Vervallen

Artikel 40. Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk 4)

Vervallen

Artikel 41. Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 1)

Vervallen

Artikel 41a

Vervallen

Artikel 42

Vervallen

Artikel 43

Vervallen

Artikel 44

Vervallen

Artikel 45

Vervallen

Artikel 46. De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 5, § 2)

Vervallen

Artikel 47

Vervallen

Artikel 48. Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 6)

Vervallen

Artikel 49. Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 7)

Vervallen

afdeling Derde. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte

Artikel 50. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt verstaan onder:

  • a. kamerlid: lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal;
  • b. gewezen kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitzicht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
  • c. gepensioneerd kamerlid: hij die uit hoofde van een aftreden als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal recht heeft op pensioen krachtens deze afdeling;
  • d. kamerlidtijd of kamerlidjaar: tijd of jaar, gedurende welke belanghebbende als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is opgetreden en waarover schadeloosstelling is genoten;

Hoofdstuk 8. Overgangsbepalingen

Artikel 51. Het recht op uitkering

1.

Een kamerlid heeft met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als kamerlid optreedt, recht op een uitkering op de voet van de volgende artikelen.

2.

De uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 54, het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:

  • a. voor zover en voor de periode dat de belanghebbende daarom verzoekt;
  • b. voor de periode dat aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
  • c. voor de periode dat de belanghebbende zicht onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
  • e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.
3.

Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van artikel 52, eerste of tweede lid, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.

4.

Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet, wordt niet aangemerkt als aftreden als bedoeld in het eerste lid.

5.

Indien de belanghebbende is geboren in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of indien hij daar ten minste vijf jaren aaneengesloten heeft verbleven, wordt voor de toepassing van het tweede lid, onder d, voor «buiten Nederland» gelezen «buiten het Koninkrijk der Nederlanden».

Artikel 52. Duur van de uitkering

1.

De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen kamerlid is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij kamerlid is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn aftreden, waarin zijn kamerlidmaatschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden kamerlid is geweest.

3.

Als de belanghebbende op de datum van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode hij in het tijdvak van twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat ten minste tien jaren een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

4.

Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het derde lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende kamerlid is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kamerlid mede begrepen lid van het Europees Parlement, voorzover dat lidmaatschap niet gelijktijdig werd vervuld met het kamerlidmaatschap. Voor de vaststelling van de tijd gedurende welke de belanghebbende kamerlid is geweest, telt niet mee de tijd gedurende welke de schadeloosstelling als kamerlid niet werd genoten.

6.

In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 56, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.

Artikel 52a

Vervallen

Artikel 95. Begripsomschrijvingen

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor zover berekend over tijd voor 1 januari 1986 dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens de tweede en derde afdeling van deze wet, met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963;
  • b. een algemeen pensioen:
  • 1e. een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet, met inbegrip van de daarbij behorende vakantie-uitkering voor zover deze niet behoort tot de overlijdensuitkering krachtens die wet;
  • 3e. een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke regeling van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van een vreemde mogendheid of krachtens een wettelijke regeling die uitsluitend in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is en naar aard en strekking overeenkomend met een algemeen pensioen als omschreven onder 1e of 2e;
  • c. een belanghebbende: degene die recht heeft op een pensioen.
2.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen pensioen van de belanghebbende die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt.

3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een pensioen als bedoeld in artikel 101, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen als bedoeld in artikel 102, eerste lid, voorzover dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking genomen.

Artikel 53. Bedrag van de uitkering

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)