Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden
Artikel 133b
De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.
De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die bezoldiging bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.
De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:
-
- jaar of ouder is: zes jaar;
-
- jaar of ouder is: drie jaar;
-
- jaar of ouder is: twee jaar;
-
- jaar of ouder is: anderhalf jaar;
-
- jaar of ouder is: een jaar;
-
- jaar of ouder is: een half jaar, en
jonger is dan 33 jaar: nihil.
De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, en het minimumloon.
Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.
Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging.
De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging.
In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 160, eerste lid.
Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.
Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 160, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Regels op grond van artikel 8b, elfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de in het negende lid bedoelde keuze.
Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 134, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
Artikel 133c
De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 133a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.
Gedeputeerde staten stellen de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.
Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.
Indien gedeputeerde staten niet tijdig beslissen op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.
Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien gedeputeerde staten de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet hebben gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.
Bepalingen op grond van artikel 8c, zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op in het eerste lid bedoelde belanghebbenden.
Artikel 133d
Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 133a is voortgezet, doen gedeputeerde staten een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.
Bepalingen op grond van artikel 8d, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde onderzoek.
Gedeputeerde staten wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.
Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:
- a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;
- b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.
De toepassing van artikel 133a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van gedeputeerde staten zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.
Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, zijn gedeputeerde staten bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 133a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 133a, tweede lid.
Artikel 133e
Op verzoek van een lid van gedeputeerde staten doen provinciale staten een onderzoek instellen, door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het lid van gedeputeerde staten dat het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in artikel 133a, tweede lid.
Provinciale staten brengen de uitkomst van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid ter kennis van de verzoeker.
Het recht op uitkering
Artikel 134
De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, geniet als
- a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
- b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en
- c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Voor de toepassing van de vorige leden worden mede als inkomsten aangemerkt:
- a. de inkomsten wegens in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen door de belanghebbende binnen één jaar, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van aftreden;
- b. de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin hij gedurende zijn zittingstijd als lid van gedeputeerde staten op non-activiteit was gesteld;
- c. de vaste vergoeding die wordt genoten als lid van provinciale staten.
Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede lid inkomsten of hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van algemene loonsverhogingen, verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan bedoeld in het derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van toepassing.
De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bezoldiging, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 132c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten.
Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet verstaan kinderbijslag alsmede de compensatie voor de premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn begrepen. De vorige volzin is wat betreft de premiecompensatie slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen worden geacht betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.
Een ministeriële regeling op grond van artikel 9, zesde lid, geldt mede voor de toepassing van dit artikel, ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 132, zesde lid, en in artikel 133a.
Artikel 134a
De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 134, tweede lid, terstond mededeling te doen aan gedeputeerde staten onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Voorschriften, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, derde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is artikel 134 van toepassing, met dien verstande dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.
De belanghebbende aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen dat allen, die daarvoor naar het oordeel van gedeputeerde staten in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.
Bedrag van de uitkering
Artikel 135
De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.
De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 134a.
§ 5. Beroep en herziening
Artikel 136
De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop de belanghebbende is overleden.
De uitkering vervalt:
- a. met ingang van de dag waarop de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
- b. met ingang van de dag waarop de belanghebbende opnieuw lid van gedeputeerde staten wordt in de provincie ten laste waarvan de uitkering wordt genoten, tenzij hij als zodanig een betrekking is gaan uitoefenen in een mindere omvang dan voor het aftreden waaraan hij het recht op uitkering ontleent.
De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 134a.
Bedrag van de uitkering
Artikel 137
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de belanghebbende wordt aan de partner, van die de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan driemaal het bedrag van de uitkering, dat over de laatste volle maand aan de belanghebbende is uitgekeerd.
Laat de overledene geen partner na, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering van het in het eerste lid bedoelde bedrag indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan wordt het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Bedrag van de uitkering
Artikel 137a. Waarneming
Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op degene die krachtens artikel 76, eerste lid, van de Provinciewet, dan wel krachtens artikel 78, eerste lid, van de Gemeentewet het ambt van commissaris van de Koning, respectievelijk het ambt van burgemeester gedurende meer dan dertig dagen zonder onderbreking heeft waargenomen. Voor degene die aftreedt als waarnemer is de duur van de uitkering, ten dele in afwijking van artikel 132, steeds gelijk aan de duur van de waarneming. De uitkering bedraagt het volgens artikel 133 toepasselijke percentage van de als waarnemer genoten vergoeding en wordt aangepast overeenkomstig het derde lid van dat artikel.
In afwijking van artikel 131 komt de uitkering die de provincie of de gemeente na ontheffing van de waarneming verschuldigd is op grond van het eerste lid ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting.
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Artikel 138. Het recht op ouderdomspensioen
Een persoon die lid van gedeputeerde staten is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 4 en de artikelen 40a, 40b en 40c recht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat:
- a. gedeputeerde staten in de plaats treden van Onze Minister;
- b. voor «hoofdstuk 3» gelezen wordt «hoofdstuk 21».
Artikel 138a. Bedrag van het eigen pensioen per jaar als lid van gedeputeerde staten
Vervallen
Artikel 139. Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen
Vervallen
Artikel 139a. Pensioengrondslag tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
Vervallen
Artikel 139aa. Pensioengrondslag tijd na 31 december 1994
Vervallen
Artikel 139b
Vervallen
Artikel 139c. Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995
Vervallen
Artikel 139d. Verstrekken van inlichtingen
Vervallen
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 140. Recht op partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen
De partner en de gewezen partner van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten heeft met overeenkomstige toepassing van de artikelen 15, 17, 21, 22 tot en met 23a en 28, 28a, 28b, 31 en 34 alsmede de artikelen 39c en 40c tot en met 40f en de nadere regels op grond van artikel 45a recht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten.
Artikel 141. Recht op wezenpensioen
Na het overlijden van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten hebben zijn kinderen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 18, 21, 25, 27, 28, 28a, 31 en 34a alsmede de artikelen 39c, 40g en 40h en de nadere regels op grond van artikel 45a recht op een wezenpensioen, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, wordt uitgeoefend door provinciale staten.
Artikel 142. Bijzonder nabestaandenpensioen
Vervallen
Artikel 143. Wezenpensioen
Vervallen
Artikel 144. Tijdelijk pensioen
Vervallen
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 145. Nabestaandenpensioen
Vervallen
Artikel 145a
Vervallen
Artikel 145b
Vervallen
Artikel 146. Bijzonder nabestaandenpensioen
Vervallen
Artikel 147. Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding
Vervallen
Artikel 148. Wezenpensioen
Vervallen
Artikel 148a
Vervallen
Artikel 149
Vervallen
Artikel 150. Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen
Vervallen
Artikel 150a. Toeslag op nabestaandenpensioen
Vervallen
Artikel 150b. Toeslag op wezenpensioen
Vervallen
Artikel 151. Tijdelijk pensioen
Vervallen
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Artikel 152
Vervallen
Hoofdstuk 25. Samenloop
Einde en verval van de uitkering
Artikel 153
Vervallen
Uitkering bij overlijden
Artikel 154
Vervallen
§ 1. Samenloop van pensioenen
Artikel 155
Hoofdstuk 17 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen.
Artikel 156. Verlaging inbouwbedrag
Vervallen
Hoofdstuk 22. Het ouderdomspensioen
Artikel 157
Ten aanzien van een pensioen op grond van deze afdeling, waaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, is artikel 105 van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Artikel 158
Ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen zijn de artikelen 111, 122, 123 en 128 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 159. Nabestaandenuitkering
Het bepaalde in artikel 116 is ten aanzien van de in deze afdeling bedoelde pensioenen van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
Artikel 160. Inhoudingen
Op de bezoldiging van het lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Artikel 13d is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.
Op de uitkering van het gewezen lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling.
Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de artikelen 133a, alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.
Artikel 160a
Op aanvraag van een gewezen gedeputeerde draagt de desbetreffende provincie de waarde van de door de aanvrager krachtens de vijfde afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in de Pensioenwet inzake waardeoverdracht.
De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid.
Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de provincie ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een gedeputeerde.
Artikel 160b
Op aanvraag van een gedeputeerde is de desbetreffende provincie verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de vijfde afdeling van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de Pensioenwet aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.
De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de vijfde afdeling van deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de gedeputeerde verkrijgt krachtens de vijfde afdeling van deze wet.
De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.
Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt de provincie ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een gedeputeerde.
Artikel 161
Vervallen
Artikel 162. Beroep
De besluiten ter uitvoering van deze afdeling worden genomen door gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van het waterschap, tenzij anders is bepaald.
Hoofdstuk 25. Samenloop
Artikel 163
Vervallen
afdeling Zesde
Hoofdstuk 27. Bepalingen van administratieve aard
Artikel 164. Kosten uitkering en pensioen
De kosten van de in deze wet bedoelde uitkeringen en pensioenen en de kosten van de overname van en de gedeeltelijke vergoeding van de premie die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet daarover wordt geheven, voor zover niet is bepaald dat deze kosten ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds komen, komen ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting, voor zover deze kosten betrekking hebben op ministers, gewezen ministers, gepensioneerde ministers, nabestaanden en wezen van gewezen ministers, en ten laste van Hoofdstuk II van de rijksbegroting, indien meergenoemde kosten betrekking hebben op leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gepensioneerde kamerleden, nabestaanden en wezen van deze leden.
Artikel 165
Voor de jaren tot en met de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen dat artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 geen bepaling kent van de pensioenrichtleeftijd, is de pensioenrichtleeftijd 65 jaar.
Artikel 166
Deze wet kan worden aangehaald als: Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers.
Artikel 167
Behoudens het tweede lid treedt deze wet in werking met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.
Vervallen.
Met uitzondering van de in het tweede en vierde lid genoemde artikelen en onderdelen van artikelen en van de artikelen 37, 39, tweede en derde lid, 43, tweede lid, 44, tweede lid, 45, tweede lid, 82, 84, 87, tweede lid, 88, tweede lid, 89, tweede lid, 118, derde lid, 128, 129 en 163, tweede en derde lid, werkt deze wet terug tot 1 januari 1966.
De artikelen 8, 50, onder e, 52, eerste lid, laatste volzin, 53, 54, 59, 67, 70 en 133 werken terug tot 1 januari 1969.
Waar in deze wet sprake is van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet wordt daarmede, behoudens in de in het derde lid genoemde artikelen en artikelleden en in artikel 125, bedoeld 1 januari 1966.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 22c
Vervallen
Hoofdstuk 6. Verval van pensioen
Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen
Hoofdstuk 6. Verval van pensioen
afdeling Derde. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte
Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 10. De uitkering
Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 67c
Vervallen
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
Hoofdstuk 11. Het ouderdomspensioen
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 14. Samenloop van pensioenen
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
Artikel 95. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor zover berekend over tijd voor 1 januari 1986 dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens de tweede en derde afdeling van deze wet, met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963;
- b. een algemeen pensioen:
- 1e. een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet, met inbegrip van de daarbij behorende vakantie-uitkering voor zover deze niet behoort tot de overlijdensuitkering krachtens die wet;
- 2e. een nabestaandenuitkering, een halfwezenuitkering en een wezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet;
- 3e. een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen, van Aruba of van een vreemde mogendheid en naar aard en strekking overeenkomend met een algemeen pensioen als omschreven onder 1e of 2e;
- c. een belanghebbende: degene die recht heeft op een pensioen.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen pensioen van de belanghebbende die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een pensioen als bedoeld in artikel 101, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen als bedoeld in artikel 102, eerste lid, voorzover dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking genomen.
Artikel 96. Volle-wezenpensioen
Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal.
Hoofdstuk 18. Bepalingen van administratieve aard
§ 1. Financiële bepalingen
§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen
§ 3. Ingang en einde van de pensioenen
§ 4. Betaling van de pensioenen
§ 5. Beroep en herziening
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
Bepalingen van administratieve aard
afdeling Vijfde. Leden van gedeputeerde staten en wethouders
Hoofdstuk 21. De uitkering
§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen
Artikel 132a
Vervallen
Artikel 132a
Vervallen
Het recht op uitkering
§ 4. Betaling van de pensioenen
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Hoofdstuk 21. De uitkering
Het recht op uitkering
§ 1. Het recht op pensioen
Artikel 145c
Vervallen
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Hoofdstuk 25. Samenloop
Uitkering bij overlijden
§ 2. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede, derde en vijfde afdeling en samenloop van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
§ 1. Het recht op pensioen
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en wezenpensioen
Hoofdstuk 27. Bepalingen van administratieve aard
afdeling Zesde
Hoofdstuk 26. Aanpassing der pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 50a
Voor de toepassing van het bij of krachtens deze afdeling bepaalde wordt tevens als kamerlidtijd aangemerkt een periode van tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 10 van de Kieswet.
Deze wet is niet van toepassing op het kamerlid dat is benoemd in de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ingevolge artikel X 12 van de Kieswet.
Hoofdstuk 10. De uitkering
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen
Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Hoofdstuk 14. Samenloop van pensioenen
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 13. Verval van pensioen
Artikel 96. Volle-wezenpensioen
Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal.
Artikel 97. Inbouwbedrag
Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen pensioen, wordt het deel daarvan dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de diensttijd, waarnaar zijn pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, tot een maximum van 40 jaren, gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat:
- a. voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt vermenigvuldigd;
- b. voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt vermenigvuldigd.
Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag genoemd.
Ten aanzien van hem die op het tijdstip met ingang waarvan voor hem recht op algemeen pensioen ontstaat, reeds recht op pensioen heeft, vindt het vorige lid toepassing met ingang van de eerste dag van de maand waarin het recht op algemeen pensioen is ontstaan, of zo veel later als het pensioen is ingegaan.
Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in artikel 17 of 62, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met het recht op een algemeen pensioen voor gehuwden, het eerste lid van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat pensioen krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.
Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend.
Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986
§ 1. Financiële bepalingen
§ 1. Financiële bepalingen
§ 1. Financiële bepalingen
§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen
§ 3. Ingang en einde van de pensioenen
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
§ 5. Beroep en herziening
afdeling Vijfde. Leden van gedeputeerde staten en wethouders
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
Het recht op uitkering
§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen
Artikel 132b
Vervallen
§ 3. Einde van de pensioenen
Duur van de uitkering
§ 5. Beroep en herziening
Bepalingen van administratieve aard
Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
Betaling
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Hoofdstuk 21. De uitkering
Het recht op uitkering
Bedrag van de uitkering
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
§ 1. Samenloop van pensioenen
§ 2. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede, derde en vijfde afdeling en samenloop van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling
Hoofdstuk 25. Samenloop
Hoofdstuk 26. Aanpassing der pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en wezenpensioen
Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
afdeling Zesde
Hoofdstuk 29. Overgangsbepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 7a
De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 6 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden na ontslag de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
- a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
- b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
- c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
De belanghebbende voorkomt dat hij:
- a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
- b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
- c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
Onverminderd het zesde en zevende lid, is artikel 24, derde lid, van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing op de belanghebbende, met dien verstande dat de termijn van zes maanden aanvangt na de termijn van drie maanden, bedoeld in het zesde lid.
Dit artikel is niet van toepassing:
- a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid, of een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk als minister genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 8, tweede lid;
- b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 8a;
- c. voor de periode dat de uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 9, het restant van de uitkering op verzoek van de belanghebbende met toepassing van artikel 6, tweede lid, onder a, niet wordt uitbetaald.
Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.
Indien het adviescollege rechtspositie politieke ambtsdragers op grond van artikel 2 van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen met betrekking tot een dienstverband een negatief advies heeft gegeven omtrent de aanvaardbaarheid ervan binnen twee jaar na de datum van het ontslag van betrokkene, wordt dat dienstverband niet aangemerkt als passende arbeid.
Dienstverbanden waarvoor geen ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet regels vervolgfuncties bewindspersonen, worden niet aangemerkt als passende arbeid.
Artikel 7b
Onze Minister kan de belanghebbende, bedoeld in artikel 7a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
Onze Minister verstrekt de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk als minister per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 8, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
- a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;
- b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;
- c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.
Artikel 7c
Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 7a of 7b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluit Onze Minister tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Onze Minister is bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 4. Het ouderdomspensioen
Hoofdstuk 5. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 1. Het recht op pensioen
Hoofdstuk 6. Verval van pensioen
Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen
Hoofdstuk 7. Samenloop van pensioenen
Artikel 36a. (behoort bij hoofdstuk 3)
Vervallen
afdeling Derde. Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 9. Algemeen gedeelte
Hoofdstuk 12. Het nabestaanden- en wezenpensioen
§ 1. Het recht op pensioen
§ 2. Bedrag van het pensioen
Hoofdstuk 14. Samenloop van pensioenen
afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling
Hoofdstuk 14. Samenloop van pensioenen
Artikel 98. Mededelingsplicht
Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten dan wel het genot van een algemeen pensioen of tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag van het algemeen pensioen een wijziging wordt gebracht op grond van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn kinderen, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.
Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin ambtshalve vermindering van het inbouwbedrag plaatsvond.
Artikel 99. Algemeen pensioen en diensttijd
Voor de toepassing van artikel 97 geldt het volgende:
- a. Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de leeftijd van 15 jaar en die van 65 jaar heeft bereikt met dien verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige toepassing vindt in verband met degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend.
- b. Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.
- c. Indien een nabestaande recht heeft op nabestaandenuitkering alsmede halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, maar geen van de kinderen aan welke de nabestaande het recht op halfwezenuitkering ontleent recht heeft op pensioen, wordt uitsluitend uitgegaan van het bedrag van de nabestaandenuitkering.
- d. Vervallen.
- e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de leeftijd van 15 jaar en die van 65 jaar is bereikt.
- f. De diensttijd, waarnaar een pensioen is berekend op grond van artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, van hem die na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet de wens te kennen geeft als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt tot een maximum van 2,4 jaar vermenigvuldigd met 4,76.
- g. Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.
- h. Diensttijd, waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk als politiek ambtsdrager is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar is of zou zijn bereikt wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zover mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk als politiek ambtsdrager doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.
- i. Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd, waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen pensioen, waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet en artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet.
- j. De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, worden geacht op overeenkomstige wijze als het algemeen pensioen in termijnen te worden uitbetaald.
Hoofdstuk 18. Bepalingen van administratieve aard
§ 2. Aanvraag en toekenning van pensioen
§ 1. Financiële bepalingen
§ 3. Ingang en einde van de pensioenen
§ 1. Financiële bepalingen
Hoofdstuk 19. Overgangsbepalingen
§ 3. Ingang en einde van de pensioenen
afdeling Vijfde. Commissarissen van de Koning, gedeputeerden, burgemeesters, wethouders en bestuurders van waterschappen
Hoofdstuk 21. De uitkering
Bepalingen van administratieve aard
Artikel 132a
De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 131 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
- a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
- b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
- c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
De belanghebbende voorkomt dat hij:
- a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
- b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
- c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
Artikel 7a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een lid van gedeputeerde staten.
Dit artikel is niet van toepassing:
- a. op de belanghebbende die inkomsten geniet ten bedrage van 100% van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, tweede lid, of op de belanghebbende die een ambt heeft aanvaard als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en daaruit inkomsten geniet ten bedrage van 70% of meer van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 133, tweede lid;
- b. op de belanghebbende die recht heeft op een voortgezette uitkering ingevolge artikel 133a;
- c. voor de periode dat de belanghebbende die verzoekt af te zien van de uitbetaling van de gehele uitkering.
Dit artikel is niet van toepassing gedurende de eerste drie maanden na het aftreden van de belanghebbende.
Artikel 132b
Gedeputeerde staten kunnen de belanghebbende, bedoeld in artikel 132a, verplichten zich bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid planmatig te laten begeleiden en ondersteunen.
Gedeputeerde staten verstrekken de belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van planmatige begeleiding en ondersteuning bij het gericht zoeken naar en verwerven van passende arbeid.
De tegemoetkoming bedraagt ten hoogste 20% van de laatstelijk per jaar genoten wedde, bedoeld in artikel 133, tweede lid. De verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig vergoed.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
- a. de aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten;
- b. de voor vergoeding in aanmerking komende kosten;
- c. de eisen die worden gesteld aan de organisatie die de planmatige ondersteuning uitvoert.
Artikel 132c
Indien de belanghebbende een bij of krachtens artikel 132a of 132b geregelde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, besluiten gedeputeerde staten tot gehele of gedeeltelijke inhouding van de uitkering. Gedeputeerde staten zijn bevoegd tot verrekening van de inhouding van de uitkering met betalingen aan belanghebbende op grond van deze wet.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid.
Duur van de uitkering
Het recht op uitkering
Hoofdstuk 21. De uitkering
Hoofdstuk 23. Het nabestaanden- en wezenpensioen
Duur van de uitkering
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 25. Samenloop
§ 1. Samenloop van pensioenen
Artikel 163a
In afwijking van artikel 130 is deze afdeling niet van toepassing op gewezen commissarissen van de Koning, gewezen burgemeesters en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een waterschap die in de vervulling van dat ambt overheidswerknemer waren in de zin van de Wet privatisering ABP, en wier ontslag of aftreden is ingegaan vóór de datum van inwerkingtreding van die bepaling.
Artikel 163b. (behoort bij hoofdstuk 21)
De artikelen 132, derde lid, en 132a tot en met 132c zijn niet van toepassing ter zake van een ontslag of aftreden dat is ingegaan vóór 27 februari 2010.
De artikelen 132a tot en met 132c zijn niet van toepassing ten aanzien van het eerste ontslag of aftreden vanaf 27 februari 2010 van de betrokkenen die:
- a. op die datum was benoemd als lid van gedeputeerde staten, wethouder, of lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente,
- b. onmiddellijk na de verkiezingen voor de leden van provinciale staten van 2 maart 2011, onderscheidenlijk de verkiezingen voor de gemeenteraad van 3 maart 2010 niet is herbenoemd.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een lid van het dagelijks bestuur van een waterschap dat geen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP is, met dien verstande dat het betreft de eerstvolgende verkiezingen voor het algemeen bestuur van het waterschap na 27 februari 2010.
afdeling Zesde
Hoofdstuk 28. Algemene bepalingen
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 137b. Uitkering na herindeling
Bij eervol ontslag van een burgemeester wegens opheffing van de gemeente komt de uitkering ten laste van hoofdstuk VII van de Rijksbegroting.
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Hoofdstuk 22. Het eigen pensioen
§ 1. Samenloop van pensioenen
§ 1. Het recht op pensioen
Hoofdstuk 24. Verval van pensioen
Hoofdstuk 26. Aanpassing der pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen
afdeling Zesde
Hoofdstuk 25. Samenloop
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 52a
De belanghebbende aan wie een uitkering als bedoeld in artikel 51 geheel of gedeeltelijk wordt uitbetaald en die niet binnen twaalf maanden de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is verplicht:
- a. in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden;
- b. aangeboden passende arbeid te aanvaarden;
- c. mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid.
De belanghebbende voorkomt dat hij:
- a. door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
- b. door eigen toedoen passende arbeid opgeeft;
- c. eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
Artikel 7a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een kamerlid.
Dit artikel is niet van toepassing:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)