Wet van 10 december 1969, houdende nieuwe regeling van de toekenning van uitkering en van pensioen aan politieke ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden

Type Wet
Publication 2026-04-24
Laatst bijgewerkt 2026-04-29
State In force
Source BWB
artikelen 418
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.

2.

Indien de belanghebbende op de dag voor zijn aftreden als kamerlid de verhoging of een toelage genoot, bedoeld in artikel 12, eerste lid, respectievelijk artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, wordt de berekeningsgrondslag verhoogd met het bedrag van die verhoging respectievelijk toelage, inbegrepen de daarover geldende aanspraak op eindejaarsuitkering.

3.

Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd ingevolge het tweede lid, voor de toepassing van het eerste lid met ingang van het tijdstip van ingang van die loonswijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.

Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit

Artikel 53a

1.

Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 56, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 53b.

2.

Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

3.

Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

4.

Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.

5.

Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.

Artikel 53b

1.

De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en het vijfde lid van dit artikel.

2.

De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het derde lid 70% van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, bij een algemene invaliditeit van 80% of meer, 60% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80% en 40% van die berekeningsgrondslag bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%.

3.

De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de uitkering:

    1. jaar of ouder is: zes jaar;
    1. jaar of ouder is: drie jaar;
    1. jaar of ouder is: twee jaar;
    1. jaar of ouder is: anderhalf jaar;
    1. jaar of ouder is: een jaar;
    1. jaar of ouder is: een half jaar, en

jonger is dan 33 jaar: nihil.

4.

De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, en het minimumloon.

5.

Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren tussen het 15e jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van voortzetting van de uitkering.

6.

Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet mimimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

7.

De belanghebbende heeft recht op een aanvulling van de uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53.

8.

De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53.

9.

In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het tiende lid aangegeven percentage van de berekeningsgrondslag, eventueel verhoogd en aangepast volgens artikel 53, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 106, eerste lid.

10.

Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene invaliditeit van 80% of meer 65%, bij een algemene invaliditeit van 55% tot 80%: 56% en bij een algemene invaliditeit van 25% tot 55%: 37%.

11.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 106, eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot de verlaging, bedoeld in het negende lid. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de wijze en het tijdstip waarop het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of het gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te maken.

12.

Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 54, minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.

Artikel 53c

1.

De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 53a, geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze wet bepaalde over herziening of intrekking van de uitkering.

2.

Onze Minister stelt de belanghebbende uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die termijn.

3.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt door de belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.

4.

Indien Onze Minister niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de aanvraag.

5.

Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.

6.

Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn afgelopen.

7.

Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.

Artikel 53d

1.

Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste maal met toepassing van artikel 53a is voortgezet, doet Onze Minister een onderzoek instellen ten einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de uitkering.

2.

Onze Minister kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.

3.

Onze Minister wijzigt ambtshalve of op aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.

4.

Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:

  • a. indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de aanvraag is ingekomen;
  • b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de beslissing tot wijziging is genomen.
5.

De toepassing van artikel 53a wordt ten aanzien van een belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een uitnodiging van Onze Minister zich te onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene invaliditeit.

6.

Indien degene die recht heeft op wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid als bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand geen inkomsten uit of in verband worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 53a, tweede lid.

Artikel 53e

1.

Op verzoek van een kamerlid doet Onze Minister een onderzoek instellen door een of meer door hem aangewezen geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of het kamerlid dat het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in artikel 53a, tweede lid.

2.

Onze Minister brengt de uitkomst van een onderzoek dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de verzoeker.

Artikel 54. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf

1.

De inkomsten die de belanghebbende geniet, worden bepaald overeenkomstig de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001 en worden met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als

  • b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en

Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een inkomensvoorziening krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

3.

De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. Bij de verrekening wordt voor de hoogte van de uitkering de op grond van artikel 52c, eerste lid, opgelegde inhouding buiten beschouwing gelaten. Wanneer naast recht op een uitkering krachtens deze afdeling recht bestaat op een wachtgeld of uitkering krachtens een andere regeling, niet zijnde een uitkering krachtens de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement, vindt het vorenstaande ten aanzien van bedoeld wachtgeld of uitkering geen toepassing, indien de uitkering krachtens deze afdeling elders voor verrekening met wachtgeld of uitkering in aanmerking komt.

4.

Indien in het bedrag der inkomsten bedoeld in de vorige leden, is of geacht kan worden te zijn begrepen een vergoeding ter zake van de premie Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet, blijft deze vergoeding voor de toepassing van dit artikel buiten beschouwing. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover de daar bedoelde inkomsten betrekking hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.

5.

Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst.

6.

Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 52, zesde lid, en artikel 53a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.

Artikel 54a

1.

De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige activiteiten als bedoeld in artikel 54, tweede lid, terstond mededeling te doen aan Onze Minister, onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die activiteiten zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds de vorige opgave heeft genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van mededelingen door de belanghebbende met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in artikel 54, tweede lid.

2.

Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn.

Ten aanzien van deze verrekening is artikel 54 van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.

3.

Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering van de opgave van de belanghebbende afwijken.

4.

De belanghebbende, aan wie uitkering is toegekend, wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit hoofdstuk noodzakelijk zijn.

Artikel 55

1.

De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald.

2.

De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.

Artikel 56. Einde en verval van de uitkering

1.

De uitkering eindigt met ingang van de dag volgende op die, waarop het gewezen kamerlid is overleden.

2.

De uitkering vervalt:

  • a. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
  • b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement.
3.

De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a.

Artikel 57. Uitkering bij overlijden

1.

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het gewezen kamerlid wordt aan de partner, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd, gelijk aan driemaal het bedrag der uitkering, dat over de laatste volle maand aan het gewezen kamerlid is uitgekeerd.

2.

Laat de overledene geen partner na, van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

3.

Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen

Artikel 58. Het recht op ouderdomspensioen

Een persoon die kamerlid is of kamerlid is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 4 en de artikelen 40a, 40b en 40c recht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat:

    1. voor «dienstjaar» gelezen wordt «kamerlidjaar»; en

Artikel 58a. Bedrag van het eigen pensioen per jaar als kamerlid

Vervallen

Artikel 59. Pensioengrondslag tijd voor 1 januari 1986; inbouw algemeen pensioen

Vervallen

Artikel 59a. Pensioengrondslag tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995

Vervallen

Artikel 59aa

Vervallen

Artikel 59b. Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995

Vervallen

Artikel 59c. Verstrekken van inlichtingen

Vervallen

Hoofdstuk 11. Het eigen pensioen

Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit

Artikel 60. Recht op partnerpensioen en bijzonder partnerpensioen

De partner en de gewezen partner van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid heeft met overeenkomstige toepassing van de artikelen 15, 17, 21, 22 tot en met 23a, 28, 31 en 34, alsmede de artikelen 40d tot en met 40f en de nadere regels op grond van artikel 45a recht op partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, met dien verstande dat in artikel 40c voor «diensttijd» gelezen wordt «kamerlidtijd».

Artikel 61. Recht op wezenpensioen

Na het overlijden van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid hebben zijn wezen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 18, 21, 25, 27, 28, 28a, 31 en 34a alsmede de artikelen 40g en 40h en de nadere regels op grond van 45a recht op een wezenpensioen.

Artikel 62. Bijzonder nabestaandenpensioen

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

Artikel 64

Vervallen

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66. Tijdelijk pensioen

Vervallen

§ 2. Bedrag van het pensioen

Artikel 67. Nabestaandenpensioen

Vervallen

Artikel 67a

Vervallen

Artikel 67b

Vervallen

Artikel 68. Bijzonder nabestaandenpensioen

Vervallen

Artikel 69. Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding

Vervallen

Artikel 70. Wezenpensioen

Vervallen

Artikel 70a

Vervallen

Artikel 71

Vervallen

Artikel 72. Beperking gezamenlijk bedrag wezenpensioenen

Vervallen

Artikel 73. Toeslag op nabestaandenpensioen

Vervallen

Artikel 73a. Toeslag op wezenpensioen

Vervallen

Artikel 74. Tijdelijk pensioen

Vervallen

Hoofdstuk 13. Verval van pensioen

Artikel 75. Verval van recht op pensioen bij niet-invorderen

Vervallen

Artikel 76. Herstel van uitzicht of recht op pensioen

Vervallen

Hoofdstuk 13. Verval van pensioen

Artikel 77

Vervallen

Artikel 78

Vervallen

Artikel 79. Samenloop nabestaandenpensioenen na hertrouwen of aanmelding

Vervallen

Artikel 79a. Samenloop van wezenpensioenen

Vervallen

Hoofdstuk 12. Het partner- en wezenpensioen

Artikel 80. Intrekking wet van 31 juli 1957, Stb. 324

Vervallen

Artikel 81

Vervallen

Artikel 82. Toepasselijkheid van deze wet

Vervallen

Artikel 83. Keuze-bepaling

Vervallen

Artikel 84. Uitkering (behoort bij hoofdstuk 10)

Vervallen

Artikel 85. Het bedrag van het eigen pensioen (behoort bij hoofdstuk 11)

Vervallen

Artikel 86. Het recht op weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 1)

Vervallen

Artikel 86a

Vervallen

Artikel 87

Vervallen

Artikel 88

Vervallen

Artikel 89

Vervallen

Artikel 90. De berekening van het weduwen- en wezenpensioen (behoort bij hoofdstuk 12, § 2)

Vervallen

Artikel 91. Verval van pensioen (behoort bij hoofdstuk 13)

Vervallen

Artikel 92. Samenloop van pensioenen (behoort bij hoofdstuk 14)

Vervallen

afdeling Vierde. Gemeenschappelijke bepalingen ten aanzien van de pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling

Hoofdstuk 16

Artikel 93. Eigen pensioenen

Vervallen

Artikel 94. Nabestaanden- en wezenpensioen

Vervallen

Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen

Artikel 95. Begripsomschrijvingen

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. een pensioen: een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor zover berekend over tijd voor 1 januari 1986 dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens de tweede en derde afdeling van deze wet, met uitzondering van de overgangstoeslag bedoeld in artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963;
  • b. een algemeen pensioen:
  • 1e. een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet, met inbegrip van de daarbij behorende vakantie-uitkering voor zover deze niet behoort tot de overlijdensuitkering krachtens die wet;
  • 3e. een pensioen of uitkering toegekend krachtens een wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen, van Aruba of van een vreemde mogendheid en naar aard en strekking overeenkomend met een algemeen pensioen als omschreven onder 1e of 2e;
  • c. een belanghebbende: degene die recht heeft op een pensioen.
2.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen pensioen van de belanghebbende die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt.

3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een pensioen als bedoeld in artikel 101, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen als bedoeld in artikel 102, eerste lid, voorzover dit pensioen of gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking genomen.

Artikel 96. Volle-wezenpensioen

Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben wordt, indien het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag, gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal.

Artikel 97. Inbouwbedrag

1.

Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen pensioen, wordt het deel daarvan dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de diensttijd, waarnaar zijn pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, tot een maximum van 40 jaren, gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat:

  • a. voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt vermenigvuldigd;
  • b. voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt vermenigvuldigd.

Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag genoemd.

2.

Het inbouwbedrag wordt berekend aan de hand van het bedrag van het algemeen pensioen zoals dat luidt op 1 januari van het jaar waarin het recht op ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen, bijzonder nabestaandenpensioen of wezenpensioen ontstaat.

3.

Indien het bedrag van het algemeen pensioen op grond van persoonlijke omstandigheden wordt gewijzigd, wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen gaat in op dezelfde dag als waarop de bedoelde wijziging zich heeft voorgedaan. Indien de herberekening leidt tot een verhoging van het pensioen, gaat die verhoging niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de betrokkene kennis heeft gegeven van de wijziging van persoonlijke omstandigheden of waarin de verhoging ambtshalve plaatsvond.

4.

Ten aanzien van hem die op het tijdstip met ingang waarvan voor hem recht op algemeen pensioen ontstaat, reeds recht op pensioen heeft, vindt het vorige lid toepassing met ingang van de eerste dag van de maand waarin het recht op algemeen pensioen is ontstaan, of zo veel later als het pensioen is ingegaan.

5.

Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in artikel 17 of 62, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met het recht op een algemeen pensioen voor gehuwden, het eerste lid van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat pensioen krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.

6.

Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend.

Artikel 98. Mededelingsplicht

1.

Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten dan wel het genot van een algemeen pensioen of tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag van het algemeen pensioen een wijziging wordt gebracht op grond van persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn kinderen, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister.

2.

Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin ambtshalve vermindering van het inbouwbedrag plaatsvond.

Artikel 99. Algemeen pensioen en diensttijd

Voor de toepassing van artikel 97 geldt het volgende:

  • a. Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt met dien verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige toepassing vindt in verband met degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend.
  • b. Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens pensioen krachtens het bepaalde in artikel 115, eerste lid, is geëindigd.
  • d. Vervallen.
  • e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen, waarop de aanvangsleeftijd en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 1 van de Algemene Ouderdomswet is bereikt.
  • f. De diensttijd, waarnaar een pensioen is berekend op grond van artikel 68, tweede lid, van de Pensioenwet 1922, Stb. 240, zoals dit artikel luidde op 31 augustus 1956, van hem die na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet de wens te kennen geeft als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt tot een maximum van 2,4 jaar vermenigvuldigd met 4,76.
  • g. Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.
  • h. Diensttijd, waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk als politiek ambtsdrager is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd is of zou zijn bereikt wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zover mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk als politiek ambtsdrager doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.

Artikel 100. Gehuwde vrouw met recht op pensioen

Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de toepassing van artikel 97 uitgegaan van het algemeen pensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde.

Artikel 101. Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd

1.

Indien aan een belanghebbende meer dan een pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend, en de diensttijd waarnaar die pensioenen zijn of geacht worden te zijn berekend geheel of gedeeltelijk samenvalt, overschrijdt de som van de inbouwbedragen - voor zover deze geacht kunnen worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de samenvallende diensttijd - niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met bedoelde samenvallende diensttijd.

2.

Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats zou vinden, wordt het voor ieder pensioen berekende inbouwbedrag, voor zover betrekking hebbende op samenvallende diensttijd als bedoeld in het vorige lid, verminderd tot een zodanig deel van het bedrag van het algemeen pensioen bedoeld aan het slot van het vorige lid, als elk inbouwbedrag zich verhoudt tot de som van die bedragen.

3.

Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van het vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in mindering gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding waarin elk van die bedragen staat tot de som daarvan.

4.

Indien aan een belanghebbende pensioen is of geacht wordt te zijn toegekend en tevens pensioen krachtens een andere regeling, als bedoeld in het volgende lid, is - of voor de toepassing van met dit hoofdstuk overeenkomende bepalingen van die regeling geacht wordt te zijn - toegekend, vinden de vorige leden voor zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

Het bepaalde in de vorige volzin geldt met dien verstande, dat indien het betreft pensioenen toegekend krachtens een militaire pensioenwet, voor de toepassing van dit artikel niet als diensttijd geldt de diensttijd, die krachtens die wet met vier per mille van de pensioengrondslag is vergolden.

5.

Onder een pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -, ten laste van Aruba, van Curaçao, van Sint Maarten, van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemde landen, dan wel ten laste van een door het openbaar gezag in Nederland, in die landen of in die openbare lichamen ingesteld fonds.

6.

Op verzoek van de belanghebbende wordt dit artikel overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot een of meer pensioenen zijn of geacht worden te zijn toegekend, hetzij krachtens deze wet, hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid. Artikel 102, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 102. Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier pensioen

1.

Op verzoek van degene die aantoont, dat uit hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 101, vijfde lid, wordt het bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag. De vorige volzin is slechts van toepassing voor zover bedoelde vermindering betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de desbetreffende betrekkingen is of geacht kan worden te zijn vervuld. Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in dienstverhouding of als politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend overeenkomstig het bepaalde bij artikel 99, onderdeel h.

2.

De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid is opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het desbetreffende verzoek werd ingediend.

3.

Bij toepassing van het eerste lid wordt in geval op meer dan een pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid bedoelde vermindering op de inbouwbedragen in mindering gebracht naar verhouding van evenbedoelde bedragen.

4.

Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het andere pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen pensioen overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in mindering gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding waarin de diensttijd waarnaar het pensioen, waarop vorenbedoeld inbouwbedrag betrekking heeft, is of wordt geacht te zijn berekend, staat tot het totaal van de diensttijden.

5.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een vermindering plaats vindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 101, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van belanghebbende.

Artikel 103. Verrekening

Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge te veel pensioen is betaald, kan de Sociale verzekeringsbank het te veel betaalde pensioen ten behoeve van het lichaam te welks laste het pensioen komt, inhouden op het algemeen pensioen, voor zover betrekking hebbende op evengenoemd tijdvak.

Artikel 104. Gemoedsbezwaren

De bepalingen van dit hoofdstuk blijven buiten toepassing ten aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht op algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat zij zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden met betrekking tot diegenen van evenbedoelden, die recht hebben op een uitkering als bedoeld in artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet.

Hoofdstuk 15. Overgangsbepalingen

§ 1. Financiële bepalingen

Artikel 105

1.

Een pensioen op grond van de tweede of de derde afdeling van deze wet, daaronder niet begrepen de inbouw- en franchisebedragen, wordt telkens aangepast overeenkomstig een verhoging met de consumentenprijsindex van een pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP die werkzaam is geweest bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2.

Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld in het eerste lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend, wordt aan degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in dat lid, overeenkomstig een eenmalige uitkering toegekend.

3.

Onze Minister kan regels stellen voor de toepassing van het eerste en het tweede lid. Deze regels werken zonodig terug tot en met de datum waarop een pensioenaanpassing is ingegaan of recht is ontstaan op een eenmalige uitkering.

Artikel 106. Inhoudingen

1.

Op de bezoldiging van de minister en op de schadeloosstelling van het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, met inbegrip van de eventuele verhoging als fractievoorzitter, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, en met inbegrip van de eventuele toelage als voorzitter of ondervoorzitter, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van genoemde wet worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Artikel 13d is van overeenkomstige toepassing op de inhouding op de bezoldiging en de schadeloosstelling ter zake van aanspraken op ouderdom en overlijden.

2.

Op de uitkering van de gewezen minister of het gewezen kamerlid worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling.

3.

Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in de artikelen 8a en 53a, alsmede op een uitkering gedurende de tijd dat de betrokkene voor 55 procent of meer algemeen invalide is.

Artikel 107

1.

Op aanvraag van een gewezen minister of een gewezen kamerlid draagt het Rijk de waarde van de door de aanvrager krachtens de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet verkregen pensioenaanspraken over, overeenkomstig de bepalingen in de Pensioenwet inzake waardeoverdracht.

2.

De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.

3.

De waarde van de pensioenaanspraken die zijn verkregen uit hoofde van een recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, wordt gerekend tot de waarde van de pensioenaanspraken, bedoeld in het eerste lid. Voor zover met de waarde van de pensioenaanspraken uit hoofde van het recht op uitkering bij de waardeoverdracht geen rekening is gehouden, wordt deze waarde na afloop van het recht op uitkering overgedragen, op dezelfde wijze als is bepaald in het eerste lid.

4.

Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een overdragende pensioenuitvoerder.

5.

Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.

Artikel 108

1.

Op aanvraag van een minister of een kamerlid is het Rijk verplicht om de waarde van door betrokkene opgebouwde pensioenaanspraken aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken op grond van de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet. Deze waardeoverdracht geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die in de Pensioenwet aan een ontvangende pensioenuitvoerder worden gesteld met betrekking tot de waardeoverdracht van opgebouwde pensioenaanspraken.

2.

De overgedragen pensioenaanspraken worden beschouwd als aanspraken krachtens de tweede, respectievelijk derde afdeling van deze wet en behandeld als een geheel met de aanspraken die de minister of het kamerlid verkrijgt krachtens de tweede respectievelijk derde afdeling van deze wet.

3.

De bij of krachtens artikel 71 van de Pensioenwet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht.

4.

Voor de toepassing van de Pensioenwet wordt het Rijk ter uitvoering van dit artikel beschouwd als een ontvangende pensioenuitvoerder in de zin van die wet.

5.

Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels stellen inzake de waardeoverdracht van de pensioenaanspraken van een minister of een kamerlid.

§ 1. Financiële bepalingen

Artikel 109. Toekenning pensioen; voorschotverlening

1.

Onze Minister beslist over de toekenning van pensioen op aanvraag door of vanwege de betrokkene.

2.

Onze Minister is bevoegd een pensioen ambtshalve toe te kennen.

3.

Onze Minister is voorts bevoegd een voorschot op een pensioen te verlenen.

Artikel 110. Pensioenbeschikking

In een beschikking tot toekenning van pensioen worden de voor het pensioen medetellende diensttijd alsmede het bedrag waarover het pensioen wordt berekend vastgesteld.

Artikel 111. Vrijdom van leges

De stukken die Onze Minister nodig acht voor de toepassing van deze paragraaf zijn vrij van leges.

§ 3. Ingang en einde van de pensioenen

Artikel 112. Ingang eigen pensioen

Vervallen

Artikel 113. Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk pensioen

Vervallen

Artikel 114. Ingang hersteld pensioen

Vervallen

Artikel 115. Einde pensioen

1.

Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. In geval van vermissing van de rechthebbende eindigt het pensioen met een door Onze Minister te bepalen dag.

2.

Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven blijkt te zijn, met een door Onze Minister te bepalen dag.

3.

Een pensioen waarop het recht krachtens artikel 29 vervallen is verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen.

4.

Het wezenpensioen voorts eindigt op de laatste dag van de maand waarin de wees:

  • a. vijfentwintig jaar is geworden of betrokken is bij een partnerschap; of
  • b. wettig kind is geworden van een ander dan degene aan wiens overlijden het recht op wezenpensioen wordt ontleend.

Artikel 116. Overlijdensuitkering

1.

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerd minister of gepensioneerd kamerlid wordt aan diens partner, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die minister of dat kamerlid over een tijdvak van twee maanden. Bij ontstentenis van een partner van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van wezen die aan het overlijden van de gepensioneerde op grond van deze wet recht op wezenpensioen ontlenen.

2.

Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing van hoofdstuk 17.

Artikel 117. Terugvordering

1.

Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met artikel 115, wordt het te veel betaalde teruggevorderd voor zover geen verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens artikel 116.

2.

Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 116, is betaald worden teruggevorderd.

§ 4. Betaling van de pensioenen

Artikel 118. Maandbetaling

1.

Onze Minister draagt zorg voor de betaling van de pensioenen. De betaling geschiedt in maandelijkse termijnen.

2.

Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent wijze en voorwaarden van de betaling. Daarbij kunnen Wij tevens regelen stellen met betrekking tot de betaling van bepaalde pensioenen over tijdvakken van langer dan een maand.

Artikel 119. Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan gepensioneerde

1.

Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de uitbetaling van pensioen, is Onze Minister bevoegd het pensioen uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling. In andere door hem aan te wijzen bijzondere gevallen is Onze Minister eveneens bevoegd het pensioen in plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan een door hem aan te wijzen persoon of instelling.

2.

Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorg een bijdrage verschuldigd is in de kosten van zorg, is Onze Minister bevoegd het pensioen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in de plaats van aan de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan het Zorginstituut Nederland, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

3.

Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het pensioen, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.

Artikel 120. Verval van pensioentermijnen

1.

Onze Minister betaalt de termijnen van een pensioen niet meer uit indien deze niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na het einde van het tijdvak waarover zij zijn verschuldigd.

2.

Indien naar het oordeel van Onze Minister de belanghebbende redelijkerwijs niet geacht kan worden in gebreke te zijn geweest vindt het vorige lid geen toepassing.

§ 5. Beroep en herziening

Artikel 121. Beroep

De besluiten ter uitvoering van deze wet, met uitzondering van de Vijfde Afdeling, worden genomen door Onze Minister.

Artikel 122. Herziening, wijziging en herstel

1.

Onze Minister herziet een door hem genomen beslissing, indien:

  • a. aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag ligt;
  • b. na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere feiten ten grondslag dienen te worden gelegd.
2.

Indien na een beslissing van Onze Minister de feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen zou moeten worden, wijzigt Onze Minister de beslissing, rekening houdend met de gewijzigde feiten.

3.

Onze Minister herstelt een door hem genomen beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing overeenkomstig artikel 105 -, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de vorige leden, voorkomt.

4.

Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel vatbare beslissing, kan Onze Minister die leden buiten toepassing laten.

Artikel 123

1.

Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij een herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere dag wordt bepaald.

2.

Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.

3.

Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel enige bepaling van deze wet hem daartoe verplicht of dit redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan Onze Minister mededeling te doen van een wijziging in de feiten.

4.

In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel 117 is Onze Minister bevoegd tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Onze Minister bericht heeft ontvangen van wijziging in de feiten.

5.

Herstel van een beslissing, als bedoeld in artikel 122, derde lid, binnen vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing, leidt tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.

Hoofdstuk 17. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986

Artikel 124. Samenloop van pensioenen bedoeld in de tweede en derde afdeling en samenloop van een of meer van die pensioenen met een pensioen krachtens een andere regeling (behoort bij hoofdstuk 16)

Vervallen

Artikel 125. Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij hoofdstuk 17)

Vervallen

Artikel 126

Vervallen

Artikel 127

Vervallen

§ 1. Financiële bepalingen

Artikel 128. Betaling AOW/AWW-premie (behoort bij hoofdstuk 18)

Vervallen

Artikel 129. Beroep en herziening

Vervallen

afdeling Vijfde. Leden van gedeputeerde staten en wethouders

Hoofdstuk 20. Algemene bepalingen

Artikel 130

1.

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op burgemeesters en wethouders, met dien verstande dat wordt gelezen voor:

  • a. lid van gedeputeerde staten: burgemeester of wethouder;
  • b. provincie: gemeente;
  • c. provinciale staten: de raad;
  • d. gedeputeerde staten: college van burgemeester en wethouders.
2.

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorzitters en leden van het dagelijks bestuur van een waterschap, met dien verstande dat wordt gelezen voor:

  • a. lid van gedeputeerde staten: lid van het dagelijks bestuur van een waterschap, waaronder de voorzitter;
  • b. provincie: waterschap;
  • c. provinciale staten: het algemeen bestuur van een waterschap;
  • d. gedeputeerde staten: het dagelijks bestuur van een waterschap.
3.

Onder lid van gedeputeerde staten wordt voor de toepassing van deze afdeling en de daarop gebaseerde bepalingen verstaan: de commissaris van de Koning of de gedeputeerde.

4.

In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, zijn de hoofdstukken 22 tot en met 29 niet van toepassing op de commissaris van de Koning, de burgemeester alsmede op de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur van het waterschap waarvan de aan hun functie verbonden werkzaamheden een dagtaak vormen. Voor de toepassing van de hoofdstukken 22 tot en met 29 wordt verstaan onder:

  • a. gewezen lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een ontslag uitzicht op pensioen heeft;
  • b. gepensioneerd lid van gedeputeerde staten: hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op pensioen;
  • c. bezoldiging: bezoldiging inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, waarop het gewezen of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had, tenzij uit de desbetreffende bepaling het tegendeel blijkt;
  • d. deeltijdfactor: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door de genoten bezoldiging exclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, en de noemer door het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan die bezoldiging is afgeleid.

Hoofdstuk 18. Bepalingen van administratieve aard

§ 1. Financiële bepalingen

Artikel 131

1.

Een lid van gedeputeerde staten heeft met ingang van de dag van zijn ontslag recht op een uitkering ten laste van de provincie op de voet van de volgende artikelen, indien hij nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en hij niet zonder onderbreking weer als lid van gedeputeerde staten optreedt in een betrekking van ten minste gelijke omvang.

2.

De uitkering of, na verrekening ingevolge artikel 134, het restant van de uitkering wordt niet uitbetaald:

  • b. voor de periode dat aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
  • c. voor de periode dat de belanghebbende zicht onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
  • e. voor de periode dat de belanghebbende vakantie geniet buiten de bij algemene maatregel van bestuur gestelde periode.
3.

Het niet uitbetalen van de uitkering op grond van het tweede lid, is niet van invloed op de met toepassing van artikel 132, eerste of vierde lid, berekende duur waarvoor de uitkering is toegekend.

§ 3. Ingang en einde van de pensioenen

Artikel 132

1.

De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest, maar tenminste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van drie jaren en twee maanden. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij lid van gedeputeerde staten is geweest in een tijdvak, laatstelijk voordat hij ophield lid van gedeputeerde staten te zijn, waarin zijn lidmaatschap van gedeputeerde staten voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken.

2.

Als de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden vijf jaren of minder verwijderd is van de voor hem van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd en hij in de daaraan voorafgaande periode van twaalf jaren ten minste tien jaren lid van gedeputeerde staten is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot de pensioengerechtigde leeftijd.

3.

Voor de berekening van de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, en de tien jaren, bedoeld in het tweede lid, wordt met tijd waarin de belanghebbende lid van gedeputeerde staten is geweest gelijkgesteld de tijd waarin hij een functie heeft bekleed als genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a, b en d. Indien sprake is van gelijkgestelde tijd als bedoeld in de vorige zin wordt met betrekking tot die tijd op dezelfde wijze als in de tweede zin van het eerste lid rekening gehouden met onderbrekingen in de uitoefening van deze functies.

4.

In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden lid van gedeputeerde staten is geweest.

5.

In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 136, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd.

Artikel 132a

Vervallen

Artikel 132b

Vervallen

Bedrag van de uitkering

Artikel 133

1.

De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als lid van gedeputeerde staten genoten bezoldiging.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder laatstelijk genoten bezoldiging verstaan de bezoldiging, waarop de belanghebbende op de dag voorafgaande aan de dag, waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, aanspraak had of bij waarneming van zijn ambt zou hebben gehad.

3.

Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van die wijziging door Onze Minister overeenkomstig de wijziging aangepast.

§ 3. Ingang en einde van de pensioenen

Artikel 133a

1.

Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met inachtneming van artikel 136, de uitkering voor de duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 133b.

2.

Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening.

3.

Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

4.

Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.

5.

Bij een algemene invaliditeit van minder dan 25 percent wordt de uitkering niet voortgezet.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)